Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen.
paragraaf 2.3.2. Beleid en procedure bij beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te halen
8-4. Toelichting ad artikel 8, vierde lid
paragraaf 3. Opneming in de Arubaanse samenleving
paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase
paragraaf 2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets
Paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Arubaanse samenleving
paragraaf 2.2.2. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als gevolg van de invoering van de tweetalige naturalisatietoets per 1 januari 2011
paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets
2.3.2.1. Beleidskader doelgroep en voorwaarden regeling
Paragraaf 4.3. Cumulatie van sancties
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie (en eventueel inhoudelijke verificatie) of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.3 en 3.5.4).
Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op hetzelfde adres in de BRP, PIVA of de bevolkingsregistratie. Indien de samenwoning niet afdoende blijkt uit de BRP, PIVA, of de bevolkingsregistratie, dient de verzoeker de samenwoning te bewijzen door middel van andere bewijsstukken. Samenwoning tijdens het huwelijk buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen zal de verzoeker met andere bewijsstukken moeten aantonen dat er sprake is geweest van onafgebroken samenwoning met de Nederlandse echtgenoot.
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 4.7. Jeugdigen
Paragraaf 4.12. Gratie
Paragraaf 7. Procedure bij naturalisatie
Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
Artikel 9
WvSrA: artikelen 41a-m, 76.4; 97 t/m 438; 611 en volgende
9-alg. Toelichting algemeen
9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
Paragraaf 4.11. Schadevergoeding
Paragraaf 2. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de LTUV kan worden ingetrokken
Paragraaf 4.1. Misdrijven
Paragraaf 4. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
Een taakstraf is een van de hoofdstraffen genoemd in artikel 1:11, eerste lid, onder a, van het Arubaanse Wetboek van Strafrecht. Met de volgordelijke plaats van de taakstraf direct onder de twee vrijheidsbenemende straffen, maar boven de geldboete heeft de strafwetgever aangegeven dat de sanctie ‘taakstraf’ als een zwaardere sanctie dan een geldboete moet worden gezien. Toch kan bij veel misdrijven zowel een geldboete als een taakstraf worden opgelegd. De keuze voor de ene of de andere strafsoort hangt af van de omstandigheden van het geval en niet alleen van de ernst van het misdrijf. Mede daarom is net als bij vermogenssancties een ondergrens aangebracht op basis van het Arubaanse Wetboek van Strafrecht. De ondergrens omvat dat bij elke taakstraf van 40 uur of meer, dan wel meerdere taakstraffen van 20 uur of meer, met een totaal van 60 uur of meer, ongeacht de vraag of het voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd, de taakstraf wordt tegengeworpen in de optie- of naturalisatieprocedure.
Paragraaf 4.8. Vijfjaartermijn
Paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen
Paragraaf 5. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
Paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Paragraaf 4.12. Gratie
Paragraaf 6. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Paragraaf 6. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
Paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Paragraaf 7.4. Beoordeling bijzondere feiten of omstandigheden
Paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
Paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
Paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
Artikel 11
Paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
Paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
Paragraaf 3. Openbare orde
9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
Paragraaf 2. Toelating en hoofdverblijf
Paragraaf 3.3. Blokkeringtermijnen
Artikel 11
11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
Paragraaf 4. Instemmingsvereiste
11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
Paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
Paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
Paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
Paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
Paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
Paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid
Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
Paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
Paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
2.5. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
2.5.1. Rechten Unieburgerschap
2.5.2. Bewijslast
2.5.6. Weging belangen
Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
Paragraaf 2.1. Belangenafweging
Paragraaf 2. Algemeen
Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
Paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
14-5. Toelichting ad artikel 14, vijfde lid
Paragraaf 2.1.2.3. Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Bijlage 1
Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN
Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)
Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.6. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, RWN(afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.7. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN.
Model 1.8. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, RWN
Model 1.9. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.10. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, RWN.
Model 1.11. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder h, RWN
Model 1.12. : Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)
Model 1.17. : Verklaring van naamskeuze door kind (kind van 16 jaar of ouder)
Model 1.18. : Brief zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (aan minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar)
Model 1.21. : Brief verzoek om instemming (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarige(n) van 16 jaar of ouder)
Model 1.24. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)
Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden
Model 1.28. : Afwijzing ontheffing optiegelden
Model 1.34. : Aanvullende gegevens van kind(eren) die het Nederlanderschap heeft/hebben verkregen
Model 1.35. : Uitwisselingsformulier
Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN
Bijlage 2
Model 1.8. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, RWN
Model 1.10. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, RWN.
Model 1.1. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN
Model 1.4. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.6. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.3. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Model 1.5. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.6. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.5. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
De IND volgt de voornemenprocedure bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het niet voldoen aan de afstandsplicht. Deze procedure is gelijk aan de procedure als beschreven in de toelichting ad artikel 14, eerste lid, paragraaf 4.1 HRWN.
De IND betrekt bij de toets of het verlies van het Unieburgerschap evenredig is het feit dat betrokkene al vanaf het begin van de naturalisatieprocedure er op is gewezen dat hij afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
Model 1.6. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de burgemeester wederom door de IND hiervan in kennis gesteld.
De intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure of nadat de intrekking in rechte is vast komen te staan, aantoont dat hij afstand had gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit voor de datum van het intrekkingsbesluit. Betrokkene is dan altijd Nederlander gebleven. Uit artikel 14 lid 8 RWN volgt immers dat intrekking van het Nederlanderschap anders dan op grond van artikel 14 lid 1 RWN, geen staatloosheid tot gevolg mag hebben.
Model 1.10. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN
Wordt het bezwaar gegrond verklaard, dan zal het intrekkingsbesluit worden herroepen.
Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)
Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)
Model 1.14. HRWN-A: Verklaring verblijf en gedrag
Model 1.14. HRWN-A: Verklaring verblijf en gedrag
Model 1.15. HRWN-A: Verzoek om naamsvaststelling bij optie
Model 1.16. HRWN-A: Verklaring naamskeuze door ouders (voor kind jonger dan 16 jaar)
Model 1.17. HRWN-A: Verklaring naamskeuze door kind (voor kind van 16 jaar en ouder)
Model 1.20. HRWN-A: Formulier zienswijze naamsvaststelling voor minderjarigen vanaf 12 jaar (als minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Geen.
Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring door naturalisatie, optie of herstel daarin de nationaliteit verkrijgt van een Staat die Partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit ( Trb. 1964, nr. 4 ) en dit Verdrag dat verlies meebrengt. Het voorgaande is echter niet van toepassing indien die Staat tevens Partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag ( Trb. 1994, nr. 265 ) en de betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid.
De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN. Het verlies van het Nederlanderschap treedt overigens ook niet in op grond van het artikel 15A RWN, maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.
Model 1.28. : Afwijzing ontheffing optiegelden
Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef
Bijlage 3
Model 1.35. HRWN-A: Uitwisselingsformulier
Noorwegen: van 27 december 1969 tot 19 december 2019;
Het verlies op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geldt niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1994, nr. 265). Het Tweede Protocol maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving de hoofdregel van het verdrag uit te sluiten, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld, zijn:
Frankrijk: in werking tussen 24 maart 1995 en 05 maart 2009
Nederland: in werking sinds 20 augustus 1996, in RWN verwerkt sinds 1 april 2003.
Bij het Tweede Protocol is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij. De laatste volzin van artikel 15A kan daardoor op dit moment geen gevolg hebben. Die uitzondering zal zich namelijk niet meer voor kunnen doen, zolang geen ander land partij is bij het Tweede Protocol.
Het bovenstaande betekent dan ook dat vanaf 1 april 2003 de meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een verdragsland verkrijgt op een moment dat het land partij bij Hoofdstuk I van het Verdrag is, het Nederlanderschap verliest, tenzij:
Artikel 1, tweede lid, RWN bepaalt dat voor de toepassing van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN onder ‘echtgenoot’ niet is begrepen ‘geregistreerd partner’; en dat onder ‘huwelijk’ niet is begrepen ‘geregistreerde partnerschap’. Artikel 1, tweede lid RWN, vloeit voort uit het Verdrag van Straatsburg. Hieronder wordt een en ander met voorbeelden verduidelijkt.
De Nederlander A, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar artikel 15, eerste en tweede lid, RWN dan zouden we tot de conclusie komen, dat A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
Model 1.10. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN
BVVN: artikelen 3 en 62 t/m 64
Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ingevolge de op 25 november 1975 te Paramaribo gesloten Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname ( Trb. 1975, nr. 132 ) de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
Bijlage 4
Model 1.35a. : Uitwisselingsformulier MoU Suriname-Nederland
RWN: artikelen 1.1b; 2.2; 11.8; 14.4 en 16A
Model 1.35a. : Uitwisselingsformulier MoU Suriname-Nederland
BVVN: artikelen 3 en 62 t/m 64
Op 1 januari 1985 trad de RWN in werking en deze is nog steeds geldig. Het op 1 januari 1985 inwerking getreden artikel 3, derde lid RWN is op 1 april 2003 wezenlijk gewijzigd, doordat ook de ‘grootvader’, naast ‘grootmoeder’ een rol kreeg in het artikel.
Voor de toepassing van dit artikellid heeft een kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf daar waar zijn beide ouders hun gewone verblijfplaats hebben. Hebben beide ouders derhalve hoofdverblijf in Aruba, dan heeft het kind eveneens hoofdverblijf in Aruba, ongeacht de plaats van geboorte. Hebben de ouders ieder een andere verblijfplaats, dan heeft het kind zijn hoofdverblijf bij de ouder die het kind verzorgt. Zie voor het begrip ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN.
Een kind kan het Nederlanderschap zowel via de vader als via de moeder ontlenen aan dit artikellid. Er moet echter wel sprake zijn van een rechte lijn; er mag dus niet halverwege de vaderlijke lijn worden overgesprongen naar de moederlijke lijn of andersom. In feite zijn er dan ook slechts twee -strikt van elkaar gescheiden- mogelijkheden:
Tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 werd van rechtswege Nederlander het minderjarig kind dat door een Nederlandse man postnataal werd erkend of door hem werd gewettigd zonder erkenning als gevolg van een opvolgend huwelijk tussen de ouders (artikel 4 (oud) RWN).
Dit geldt ook voor kinderen die tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 zonder erkenning zijn gewettigd door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid (oud) RWN. Deze kinderen verkrijgen het Nederlanderschap vanaf de datum van het (opvolgend) huwelijk op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN.
De beschikking van de Hoge Raad geeft dus geen aanleiding om het beleid rond de toepassing van artikel 3, derde lid RWN gedurende deze periode aan te passen.
Indien het kind op het moment van de erkenning door een Nederlandse man zeven jaar of ouder is, moet worden aangetoond dat deze man zijn biologische vader is. Dit gebeurt door middel van een DNA-test van een laboratorium als bedoeld in het besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 2008, 417).
De voorwaarden in de periode op of na 1 maart 2009 zijn dus als volgt.
Tijdens de vakantie in Aruba van een in Dominica wonend Dominicaans echtpaar wordt in Aruba hun zoon Thomas geboren. Thomas trouwt in 2000 met een Française die geboren is op Saint Martin uit aldaar wonende ouders. Tijdens de vakantie van Thomas en zijn echtgenote, die beiden op Saint Martin wonen, wordt in 2004 in Aruba hun zoon Matthew geboren.
Artikel 4
Het feit dat Christine ten tijde van de geboorte van Bettico in Venezuela verbleef, wil niet zeggen dat zij daardoor geen hoofdverblijf meer had in Aruba. Aangezien haar korte verblijf in Venezuela uitsluitend verband hield met de geboorte van Bettico en zij spoedig na de geboorte van het kind naar Aruba is teruggekeerd, moet zij geacht worden haar hoofdverblijf in Aruba te hebben behouden. Nu beide ouders van Bettico ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf hadden in Aruba, heeft ook Bettico op dat tijdstip daar hoofdverblijf.
Artikel 4
Artikel 4
Conclusie is dan ook, dat Franklyn noch via de moederlijke lijn noch via de vaderlijke lijn Nederlander is ingevolge artikel 3, derde lid RWN. Hij heeft bij zijn geboorte niet de Nederlandse nationaliteit verkregen.
Hij is tevens getogen in Aruba en woont en werkt in Aruba. De kinderen wonen en leven sinds hun geboorte met moeder en vader als gezin samen in Aruba.
Paragraaf 1. Algemeen
Kenneth is Nederlander met ingang van 1 augustus 2009 op grond van artikel 3, derde lid RWN. Immers, voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN.
4-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
Paragraaf 3. Kind geboren op of ná vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
Paragraaf 1. Algemeen
Voor de beoordeling of het kind daardoor tevens de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, moet onderscheid worden gemaakt tussen de volgende situaties:
De Arubaanse autoriteit of ambtenaar zal vragen van internationaal en interregionaal privaatrecht in beginsel moeten beantwoorden aan de hand van het eigen, Arubaans internationaal en interregionaal privaatrecht.
Paragraaf 3. Kind geboren op of ná vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
Paragraaf 4. Kind, verblijvend in Aruba, geboren op of na vóór 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
In afwijking van artikel 3 wordt Nederlander het kind van een persoon wiens vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en de vader op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is, of, indien deze is overleden, op de dag van overlijden Nederlander was. Betreft het een Nederlandse uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze laatste periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie. Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
4-3. Toelichting ad artikel 4, derde lid
Als het vaderschap ná 1 april 2003 buiten Nederland rechtsgeldig is vastgesteld, verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen. Zou echter het toegepaste buitenlandse recht voor dergelijke uitspraken geen kracht van gewijsde kennen, dan moeten voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verkregen, de voor Nederlandse vaststellingen geldende termijnen worden toegepast.
In afwijking van artikel 3 wordt Nederlander het kind van een persoon wiens vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en de vader op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is, of, indien deze is overleden, op de dag van overlijden Nederlander was. Betreft het een Nederlandse uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze laatste periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie. Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
4-4. Toelichting ad artikel 4, vierde lid
Zou na het hier bedoelde tijdstip van verkrijging van het Nederlanderschap alsnog tegen de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap met succes beroep of beroep in cassatie worden ingesteld (door een destijds onbekende belanghebbende), dan gaat, mits het kind dan nog minderjarig is, in principe het verkregen Nederlanderschap verloren op grond van artikel 14, tweede lid, RWN (zie voor verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend, de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN).
Als het vaderschap ná 1 april 2003 buiten Nederland rechtsgeldig is vastgesteld, verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen. Zou echter het toegepaste buitenlandse recht voor dergelijke uitspraken geen kracht van gewijsde kennen, dan moeten voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verkregen, de voor Nederlandse vaststellingen geldende termijnen worden toegepast.
4-4. Toelichting ad artikel 4, vierde lid
Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht namen (WCN), die niet van toepassing is in Aruba, vervallen. Vanaf die datum is in Europees Nederland artikel 10:18 BW-NL tot en met artikel 10:26 BW-NL van toepassing. Op de vraag hoe de naam luidt na vaststelling van het vaderschap is het Arubaans namenrecht van toepassing, inclusief het Arubaans internationaal privaatrecht. Voor zover het Arubaans namenrecht niet voorziet in een verwijzingsregel, moet artikel 10:18 BW-NL tot en met artikel 10:26 BW-NL analoog worden toegepast.
Een minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte door een Nederlander wordt erkend en jonger is dan zeven jaar verkrijgt het Nederlanderschap van rechtswege. Het Nederlanderschap wordt verkregen vanaf de datum van erkenning. Deze verkrijging geldt vanaf 1 maart 2009. Voor kinderen erkend tijdens hun minderjarigheid tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 geldt deze verkrijginggrond niet. Zij kunnen gebruik maken van de optiemogelijkheden van artikel II, eerste lid, onder a van de rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270). Zie de oudere Handleidingen voor een toelichting op de regelgeving vóór 1 april 2003.
Een Dominicaanse ongehuwde vrouw bevalt op 1 mei 2009 van een meisje. Een jaar na de geboorte trouwt de moeder van het kind in de Dominicaanse Republiek met een Nederlander. Op grond van de Overeenkomst van Rome inzake wettiging door huwelijk moet de Dominicaanse wettiging in Aruba als geldig worden aangemerkt. Het recht van de nationaliteit van de moeder (het Dominicaanse recht) kent immers wettiging. Dit betekent dat het kind het Nederlanderschap verkrijgt vanaf de datum van wettiging, in dit geval 1 mei 2010.
Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die zonder erkenning door wettiging het kind wordt van een Nederlander.
Deze overeenkomst is op 31 juli 1977 voor het gehele Koninkrijk in werking getreden. Dit betekent dat een buitenlandse wettiging op of na 31 juli 1977 in Aruba op grond van deze Overeenkomst geaccepteerd moet worden. Overigens moeten wettigingen (zonder voorafgaande erkenning) door huwelijk die tot stand gekomen zijn in een land dat geen partij is bij genoemde Overeenkomst ook in Aruba worden erkend (zie artikel 5 van de Overeenkomst).
Artikel 5
5-alg. Toelichting algemeen
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in het vierde lid bedoelde bewijs
5-alg. Toelichting algemeen
Voor onderzoeken van Baseclear en Verilabs van vóór 11 juli 2013 geldt in verband met de toenmalige samenwerking: als Verilabs het DNA bewijs heeft afgenomen op het laboratorium (rechtsgeldig DNA-onderzoek, dus niet via een thuiskit) en BaseClear heeft het DNA-onderzoek gedaan (het onderzoeksrapport staat op briefpapier van BaseClear), dan kan het DNA bewijs geaccepteerd worden. Let wel: op 25 september 2018 is BaseClear vrijwillig geschorst voor de gehele scope. DNA-verklaringen van na deze datum kunnen dan ook niet geaccepteerd worden. Andere laboratoria die gestopt zijn met verwantschapsonderzoek zijn Sanquin en het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Zo is Sanquin op 21 juni 2017 gestopt met verwantschapsonderzoek voor particulieren. Het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) -weliswaar nog steeds geaccrediteerd- heeft aangegeven per 1 januari 2019 geen verwantschapsonderzoeken meer uit te voeren voor particulieren.
5a-alg. Toelichting algemeen
Artikel 5
5-alg. Toelichting algemeen
5-alg. Toelichting algemeen
5a-alg. Toelichting algemeen
Artikel 5b
Op 1 januari 2004 is artikel 5 RWN vervangen door de artikelen 5, 5a, 5b en 5c RWN (zie Stb. 2003, 284). Vernummering van artikel 5 RWN, zoals dat artikel gold vanaf 1 oktober 1998 (Stb. 1998, 303), werd nodig geacht in verband met de inwerkingtreding in Nederland op 1 januari 2004 van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 2003, 283).
Artikel 5a
Omstreeks 1997 is geoordeeld dat ook sprake is van verwerving van het Nederlanderschap door de minderjarige, indien door een Nederlandse rechter een verklaring voor recht werd afgegeven, inhoudende dat een buiten het Koninkrijk tot stand gekomen adoptie rechtswerking binnen het Nederlandse recht heeft, én ten minste één van de adoptiefouders Nederlander was op het moment van de verklaring voor recht. Dit standpunt is met ingang van 1 oktober 1998 verlaten.
Het in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba bij rechterlijke uitspraak geadopteerde kind van vreemde nationaliteit verkrijgt het Nederlanderschap indien het op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig is en tenminste één van de adoptiefouders Nederlander is:
Geen.
Nederlander wordt ook het kind dat in het buitenland bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt geadopteerd, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Een minderjarige staat volgens Nederlands recht in familierechtelijke betrekking met één ouder dan wel in familierechtelijke betrekkingen met twee ouders. Het begrip ‘familierechtelijke betrekking’ doelt slechts op de familierechtelijke band, en dat is de juridische afstammingsrelatie (juridische afstammingsband) met de ouder (zie artikelen 1:197-1:199 BW/BW-A). Andere juridische aspecten van ouderschap, zoals namenrecht, erfrecht, onderhoudsverplichting, gezagsrecht etc, vallen niet onder het begrip ‘familierechtelijke betrekking’. Dit valt ook op te maken uit de parlementaire stukken van de Wet conflictenrecht adoptie [28 457, nr. 3, p. 12], die later is opgenomen in Boek 10 BW.
5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid
Nederlander wordt ook het kind dat in het buitenland bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt geadopteerd, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid
Verwijzingen
Sinds 1 januari 1985 staat de bepaling uit artikel 5c RWN in ongewijzigde redactie in de Rijkswet. De tekst van artikel 5c RWN vormde van 1 januari 1985 tot 1 oktober 1998 het tweede lid van het toenmalige artikel 5 RWN. Vanaf 1 oktober 1998 tot 1 januari 2004 is de bepaling het vierde lid van het toenmalige artikel 5 RWN geweest.
6-1-a. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a
Tamara is in Aruba geboren en is 27 jaar oud. Zij is uitsluitend in het bezit van de Dominicaanse nationaliteit. Van haar 16e tot haar 17e bezocht zij de high school in de Verenigde Staten. Ze was dat jaar niet ingeschreven in de basisadministratie van Aruba. De rest van haar leven heeft zij altijd in Aruba bij haar Dominicaanse ouders gewoond. Zij is van onbesproken gedrag en in het bezit van een vergunning tot tijdelijk verblijf. Tamara kan niet opteren voor de Nederlandse nationaliteit, omdat zij niet sedert haar geboorte hoofdverblijf in het Koninkrijk heeft gehad. Van haar 16e tot haar 17e had zij immers hoofdverblijf in het buitenland.
6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
Paragraaf 1. Algemeen
Voorbeeld
Paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3.2. Bewijsmiddelen
In perioden waarin niet in gezinsverband kon worden samengeleefd in verband met de opname van de vader of het kind in een ziekenhuis of instelling, wordt eveneens aangenomen dat sprake is geweest van verzorging en opvoeding, mits – voor zover redelijkerwijs mogelijk – tijdens deze opname sprake is geweest van contact tussen de vader en het kind.
Het ligt op de weg van de optant c.q. zijn wettelijk vertegenwoordiger om aannemelijk te maken dat sprake is geweest van opvoeding en verzorging gedurende een onafgebroken periode van drie jaar onmiddellijk voorafgaande het afleggen van de optieverklaring. Niet iedere optant zal daartoe op gelijke wijze in staat zijn. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of de optant dit aannemelijk heeft gemaakt. In dit kader mag worden verwacht van de Gouverneur die de optieverklaring in ontvangst neemt dat hij de optant c.q. diens wettelijk vertegenwoordiger suggesties geeft over de door hem over te leggen bewijsstukken. De optant zal dan wel op zijn beurt goed inzicht moeten geven in de wijze waarop aan de opvoeding en verzorging door de Nederlandse vader invulling is gegeven. Zonder een mondelinge of schriftelijke verklaring ter zake van de optant, zal de Gouverneur immers geen suggesties over eventuele bewijsstukken kunnen doen.
Als volgens de optant sprake is geweest van samenleving in gezinsverband in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zal dit over het algemeen aannemelijk kunnen worden gemaakt door het overleggen van een uittreksel uit de BRP, PIVA of de basisadministratie. Als sprake is geweest van samenleving in gezinsverband in het buitenland, dan moet dit – voor zover mogelijk – aan de hand van een officieel document van een overheidsinstantie, of anderszins genoegzaam, worden aangetoond. Uit dit/deze document(en) moet blijken dat de vader en het minderjarige kind op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan gedurende een periode van tenminste drie jaar na de erkenning of wettiging van het kind. Behoudens in het geval van contra-indicaties (bijvoorbeeld als uit andere bronnen blijkt dat vader en kind in die periode niet (constant) hebben samengeleefd op hetzelfde adres), kan met het overleggen van (een) dergelijk document worden volstaan.
Bij documenten die in het Koninkrijk zijn opgesteld moet het origineel worden overgelegd. Documenten uit het buitenland moeten, indien van toepassing, worden gelegaliseerd of zijn voorzien van een apostillestempel of een vertaling (artikel 6, vijfde lid, BVVN). Voor zowel het verkrijgen van verklaringen en/of documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie van stukken moet de optant zelf zorgen. Als de overgelegde stukken zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands of Engels moet de optant zorg dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling. De vertaling moet worden gehecht aan het stuk1De op dit moment geldende circulaire legalisatie is van toepassing..
6-1-d. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d
Paragraaf 6. Overgangsrecht
Artikel II van de rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270) bepaalt:
6-1-d. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d
De overgangsregeling regelt dat bevestiging van het Nederlanderschap door optie kan worden gevraagd in het geval van erkenningen en/of wettigingen, die op of na 1 april 2003, maar vóór 1 maart 2009hebben plaatsgevonden. Ook nu geldt de leeftijdgrens van zeven jaar: Indien een kind van zeven jaar of ouder door een Nederlander is erkend, dient namens dit kind bij optie het biologische vaderschap van de erkenner te worden aangetoond. Voor de wijze waarop dit dient te gebeuren, is het Besluit DNA-onderzoek relevant. De keuze van de wetgever voor het optierecht betekent dat het Nederlanderschap dus niet met terugwerkende kracht wordt verleend aan het kind dat erkend is door een Nederlander. Dit zou onwenselijk kunnen zijn, omdat het mogelijk is dat een kind daardoor een andere nationaliteit zou verliezen. Als men dit verlies wil voorkomen wordt het optieverzoek achterwege gelaten.
Bij gezamenlijk gezag als bedoeld in artikel 1:253t BW (en dus ook in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN) is er altijd sprake van een ouder (moeder of vader) en een niet ouder. De niet-ouder kan zowel een man als een vrouw zijn. Ook de met het gezag belaste vader van het kind en zijn mannelijke partner of de met het gezag belaste moeder van het kind en haar vrouwelijke partner kunnen op hun gezamenlijk verzoek met het gezamenlijk gezag over een kind worden belast. Het burgerlijk recht in Aruba kent een dergelijke gezagsvoorziening niet, maar indien een dergelijke gezagsvoorziening in Nederland is uitgesproken kan – mits aan de overige gestelde voorwaarden wordt voldaan – in Aruba voor het kind worden geopteerd op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN
Paragraaf 3. Overgangsregeling
Justin is het in Aruba geboren kind uit de Jamaicaanse Bobby en de Jamaicaanse Jenny. Bij zijn geboorte heeft Justin uitsluitend de Jamaicaanse nationaliteit verkregen. Een half jaar na de geboorte van Justin wordt de echtscheiding tussen Bobby en Jenny uitgesproken. Jenny wordt door de rechter met het ouderlijk gezag belast. Jenny trouwt een half jaar nadien met de Nederlander Ralph. Zij voeden samen Justin op. Drie jaar nadat Jenny met het gezag over Justin is belast, dient zij samen met Ralph een verzoek in om gezamenlijk gezag met het over Justin te worden belast. Dit verzoek wordt door de rechter toegewezen. Na Justin 3 jaar te hebben opgevoed en verzorgd kan door de wettelijk vertegenwoordiger ten behoeve van Justin een optieverklaring worden afgelegd. Als voorwaarde geldt daarbij dat Justin op dat moment nog minderjarig moet zijn en geen hoofdverblijf in Jamaica mag hebben. Als Justin op het moment van de optieverklaring ouder is dan 16 jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van artikel 6, vierde lid RWN.
Voorbeeld
1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw
6-1-i. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i
1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw
1.2.1.2. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964
1.2.1.2. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964
1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met de Nederlandse nationaliteit
1.2.1.2. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964
1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met de Nederlandse nationaliteit
1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind
1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
1.6. Vereiste documenten
2. De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892
Onder de WNI kon het Nederlanderschap ook verloren gaan. Deze verliesgronden waren geregeld in artikel 7 WNI 1892. Het Nederlanderschap op grond van artikel 7 WNI 1892 werd alleen verloren door meerderjarigen (21 jaar en ouder), behalve in het geval dat een kind deelde in de naturalisatie van zijn ouder, dan verloor ook een minderjarige het Nederlanderschap. Als de vreemde nationaliteit al was verkregen door geboorte op het grondgebied (bijvoorbeeld de VS) en dus niet door medenaturalisatie, werd het Nederlanderschap niet verloren door het kind.
1.5. Vereiste documenten
1. Algemeen
Is de persoon bedoeld in onderdeel i of j de moeder dan blijkt dat op voldoende wijze uit de (binnen- of buitenlandse) geboorteakte van de beoogd optant.
Het bovenstaande voorbeeld maakt dus duidelijk dat de ‘overleden ouder’ dus niet reeds op het moment van de inwerkingtreding van deze optiebepalingen hoeft te zijn overleden.
1. Algemeen
1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zes jaar of ouder
6-1-m. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m
1. Algemeen
1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zeven jaar of ouder
1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
1.4. Vereiste documenten
1. Algemeen
1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling vaderschap
1.2. Eerste verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
1.3. Vereiste documenten
6-1-o. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o
1. Algemeen
1. Algemeen
1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
6-1-p. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p
2.1. Rechten Unieburgerschap
Paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)
2.5. Wettelijke doelstelling: enkelvoudige nationaliteit
3.3. Benodigde informatie van de bevoegde instantie ten behoeve van de evenredigheidstoets
Paragraaf 1.3. Het in redelijkheid niet kunnen verkrijgen van andere nationaliteit
Paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2.2.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
Paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant
Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlands reisdocument
Paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen
Paragraaf 2.2.5.7. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlands reisdocument
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de Gouverneur – voor zover mogelijk – de optant die een optieverzoek ex artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN heeft ingediend of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Indien geen van de uitzonderingen van toepassing is, dient de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen (artikel 6, zesde lid, BVVN). De bereidheidsverklaring is opgenomen als model 1.14-1a en model 1.14-1b. Deze laatste verklaring moet alleen ondertekend worden door onderdanen van Egypte, Zuid-Afrika, Oostenrijk, Georgië, Libië, Mauritanië, Oeganda en Sri Lanka.
Paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
Paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
Paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
Paragraaf 2.9.1. De Gouverneur beslist
Paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
Paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
Paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
Paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
Paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Bijlage
6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid
6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a
Paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking
Paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
Paragraaf 2.1. Weigering optiebevestiging wegens strafrechtelijk(e) delict(en)
Paragraaf 3. Procedure naturalisatie
Paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid
6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
Paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
Paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie
BVVN: artikelen 3 t/m 12, 24, 30a t/m 30d, 32, 57 t/m 69 en 73
Paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
Paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie
Paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
Paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
Paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
Paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
Paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
Paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
Paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
Paragraaf 3.5.4. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
Paragraaf 3.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
Paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek
Paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
Paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
Paragraaf 3.12. (hoger) beroep
paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
8-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2.1. Van rechtswege toelating tot verblijf:
paragraaf 2.3.2. Procedure bij beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
Artikel 8
Paragraaf 2.2. Toelating tot verblijf bij vergunning verleend
Paragraaf 3.1. Een verklaring van toelating van rechtswege (zie paragraaf 2.1) en wel of geen bedenkingen
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3.3. De vergunning tot verblijf
Paragraaf 5. Reden tot intrekking/niet-verlenging/einde van de vergunning tot (tijdelijk) verblijf
paragraaf 1. Algemeen
8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid
paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
paragraaf 2.2.2. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als gevolg van de invoering van de tweetalige naturalisatietoets per 1 januari 2011
Paragraaf 3.1. Polygamie
Paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 2.3.2. Beleid en procedure bij beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te halen
Paragraaf 4.3. Cumulatie van sancties
Bijlage
2.3.2.2. Te volgen procedure bij de Gouverneur
8-4. Toelichting ad artikel 8, vierde lid
8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Paragraaf 1. Algemeen
8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
Paragraaf 4.1. Misdrijven
Paragraaf 3. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
Paragraaf 3. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
Paragraaf 4.7. Jeugdigen
Paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Paragraaf 4.11. Schadevergoeding
Paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
Paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
10-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
Paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
Paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
Paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
Paragraaf 4. Bewijsstukken
11-alg. Toelichting algemeen
9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
Paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
Paragraaf 1. Algemeen
9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
Paragraaf 1. Wettelijke vertegenwoordiging
Paragraaf 3.1. Advisering
Paragraaf 2.1. Koninkrijks c.q. Arubaans belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
Paragraaf 3.1. Advisering
Paragraaf 3. Samenvatting
11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid
11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
Artikel 12
11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
12-2. Toelichting ad artikel 12, tweede lid
Paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
Paragraaf 2.4. Tarief H
Paragraaf 2. Naturalisatiegelden
Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
Paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen Koninklijk Besluit
2.5.1. Rechten Unieburgerschap
Paragraaf 2. Algemeen
Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
Paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
Artikel 15
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)