Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba

Type Circulaire
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 229
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

6-1-j. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j

1. Algemeen

Deze verliesgronden golden ook voor een van oorsprong Nederlandse vrouw/meisje.

1. Algemeen

Een vreemdeling die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI

1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak

1.4. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

Hij kan dan het Nederlanderschap, als hij dat inmiddels verloren heeft, herkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN.

1.2. Afstamming door geboorte

Onderdeel k vereist dat eerst de optiegerechtigde ouder van het kind het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel k. Alleen als deze optiegerechtigde ouder is overleden en dus niet het Nederlanderschap meer kan verkrijgen, kan er ook geopteerd worden.

6-1-m. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m

1. Algemeen

6-1-o. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o

1.4. Vereiste documenten

1. Algemeen

Paragraaf 1. Algemeen

2.1. Rechten Unieburgerschap

2.5. Wettelijke doelstelling: enkelvoudige nationaliteit

Paragraaf 3. Exclusieve procedure voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel

3.4. Bezwaar: bij nova eventueel nieuw advies IND

Paragraaf 2.2.1.5. Gemachtigde

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1.2. Staatloosheid

De periode van onafgebroken hoofdverblijf mag niet alsnog tijdens de procedure van de optie verbroken worden. De bevestiging van de optieverklaring wordt dan alsnog geweigerd.

Paragraaf 4. Bezwaar: bij nova eventueel vragen om nieuw advies

Paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)

Paragraaf 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon

Een optieverklaring ten behoeve van een optant die wegens handelingsonbekwaamheid onder curatele is gesteld, wordt afgelegd door zijn curator.

Paragraaf 2.2.1.2. Minderjarige optant

Paragraaf 2.2.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)40Deze regeling geldt vanaf 1 april 2010.

Paragraaf 2.2.1.5. Gemachtigde

Paragraaf 2.2.1.5. Gemachtigde

Paragraaf 2.2.5.4. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

De Gouverneur informeert de optant dat van de verklaring van verbondenheid twee varianten bestaan. Is de optant religieus, dan kan hij de verklaring van verbondenheid bevestigen met ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’. Anders kiest hij voor ‘Dat verklaar en beloof ik’. De Gouverneur legt aan de optant uit dat de keuze voor de bevestiging aan de optant is.

Paragraaf 2.2.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 2.2.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring

Paragraaf 2.2.5.1. Algemeen

Paragraaf 2.2.5.5. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Mocht binnen twaalf jaar na de optie blijken dat sprake is geweest van valse verklaringen, bedrog of het verzwijgen van enig voor de verkrijging van het Nederlanderschap relevant feit dan dient te worden onderzocht of de verkrijging van het Nederlanderschap moet worden ingetrokken.

Paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)

Paragraaf 2.9.1. De Gouverneur beslist

Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het optiedossier toe te voegen.

Paragraaf 2.2.5.3. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort))2Deze regeling geldt vanaf 1 april 2010.

Paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond

Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens

Paragraaf 2.2.5.4. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant

Paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond

Paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant

Paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)

De Gouverneur zendt de volgende stukken in kopie (conform origineel) aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Directie Regulier verblijf en Nederlanderschap, Postbus 4, 9560 AA TER APEL (Nederland):

Paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.5. Bevestiging

Paragraaf 2.7. Archivering

De LAR is van toepassing.

Paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond

Paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie

Paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

Paragraaf 2.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

Paragraaf 3. Procedure naturalisatie

7-alg. Toelichting algemeen

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

Artikel 7

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

Artikel 6a

Artikel 7

Gronden om geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit te vragen of te hoeven doen.

Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

De afstandsverplichting geldt alleen voor optanten die op of na 1 oktober 2010 een optieverklaring ex artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN hebben afgelegd.

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

Paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

6a-2-b. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b

Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid Gouverneur

Paragraaf 3. Procedure naturalisatie

6a-5. Toelichting ad artikel 6a, vijfde lid

Paragraaf 3.8. Voorbereiding advies

Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)

Deze kinderen hoeven niet in persoon te verschijnen bij de indiening van het verzoek.

Paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)

Paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

Indien de verzoeker wegens handelingsonbekwaamheid onder curatele is gesteld, wordt het verzoek ingediend door zijn curator.

Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens

Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

Artikel 8

Paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets

Paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

Indien de Gouverneur een verzoek om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen (gemotiveerd) weigert, is dit een beslissing waartegen de verzoeker binnen 6 weken bezwaar kan indienen bij de Gouverneur. Vervolgens staat beroep open bij de rechter.

Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

Paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek

Paragraaf 3.5.3. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort))4Deze regeling geldt vanaf 1 april 2010

Er kunnen echter omstandigheden zijn dat ondanks dat één van bovenstaande omstandigheden zich heeft voorgedaan, toch sprake is van bewijsnood.

Paragraaf 3.5.5. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Bij het in ontvangstnemen van het naturalisatieverzoek beoordeelt de Gouverneur niet of de verzoeker daadwerkelijk etnisch Armeniër is. Bij het behandelen van het naturalisatieverzoek zal de IND aan de hand van het vreemdelingenrechtelijke dossier onderzoeken of de verzoeker in eerdere procedure(s) heeft gemeld etnisch Armeens te zijn en afkomstig uit Azerbeidzjan. De Gouverneur kan de PIVA raadplegen om na te gaan of de bij betrokkene geregistreerde geboorteplaats in Azerbeidzjan lag.

Paragraaf 3.5.7. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten

Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid Gouverneur

Paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

Paragraaf 3.11. Bezwaar

Paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

8-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2.1. Van rechtswege toelating tot verblijf:

Paragraaf 2.2. Toelating tot verblijf bij vergunning verleend

Paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Artikel 8

paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets

paragraaf 2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets

8-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 2.1. Van rechtswege toelating tot verblijf:

Paragraaf 2.3. Onderscheid van verblijfsrecht naar tijdelijke en niet-tijdelijke aard

Van rechtswege hebben toelating van tijdelijke aard in Aruba:

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

Paragraaf 4. Beoordelingsmoment

paragraaf 2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets

In het onderhavige artikellid staat uitdrukkelijk dat de vijf jaren toelating en hoofdverblijf onmiddellijk vooraf dienen te gaan aan de indiening van het verzoek. Het heeft daarom geen zin om voortijdig een verzoek in te dienen in de veronderstelling dat in de loop van de procedure de termijn van vijf jaar zal worden gehaald. Uit de tekst van de wet vloeit voort dat een voortijdig ingediend verzoek wordt afgewezen. Uit de wettekst vloeit ook voort dat gedurende de vijf jaren vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie het verblijfsrecht van verzoeker niet onderbroken mag zijn. Het woord ‘sedert’ duidt erop dat het vereiste van ononderbroken toelating en hoofdverblijf eveneens geldt voor de periode vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek. Gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek én gedurende de periode vanaf de indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek mogen er derhalve geen onderbrekingen in het hoofdverblijf binnen het Koninkrijk én geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen2Tenzij sprake is van toepasbaarheid van artikel 8, derde lid RWN. Dan betreft het geen vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek doch slechts twee jaar).. Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de Gouverneur afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in het NAVAS. Daartoe zal de Gouverneur aan de DIMAS verzoeken om een bericht omtrent toelating af te geven. Voor de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, aanhef en onder g, RWN.

paragraaf 2.2.2. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als gevolg van de invoering van de tweetalige naturalisatietoets per 1 januari 2011

8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c

Op 1 mei 2006 is in Aruba de naturalisatietoets ingevoerd. Met deze toets wordt vastgesteld of de verzoeker zoveel kennis van de taal en de samenleving bezit dat hij als voldoende ingeburgerd kan worden beschouwd (artikel 2, tweede lid, Besluit naturalisatietoets (BNT)).

paragraaf 2.3.1. Beleid en procedure bij beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een belemmering

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase

Paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

paragraaf 2.2.3. Het certificaat bij gedeeltelijke vrijstelling

paragraaf 2.3.1. Beleid en procedure bij beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een belemmering

Paragraaf 3. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

Paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Arubaanse samenleving

2.3.2.3. Rol van en procedure bij Examenbureau Aruba

Artikel 9

Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.

Paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

Paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Arubaanse samenleving

Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN paragraaf 3.13.3Afleggen verklaring van verbondenheid).

Paragraaf 4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

Paragraaf 4.2. Transacties

Paragraaf 4.5. Taakstraffen

Paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.

Paragraaf 4.3. Cumulatie van sancties

9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a

Als de erkenning of wettiging zonder erkenning heeft plaatsgevonden tijdens de minderjarigheid van het kind moet dit, voor toepassing van dit artikellid, na 1 april 2003 zijn gebeurd. Voor die datum kreeg een minderjarig kind immers de Nederlandse nationaliteit van rechtswege op grond van artikel 4 RWN (oud) als het door erkenning of door wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlandse vader werd.

Paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

Paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots

Voor de meerderjarige verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd mag de onafgebroken periode dat hij door zijn juridische vader is verzorgd en opgevoed na de erkenning of wettiging worden afgetrokken van de termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. Dit kan echter alleen indien deze periode van verzorging en opvoeding direct vooraf is gegaan aan de meerderjarigheid van de verzoeker. De periode van verzorging en opvoeding moet dus direct vooraf zijn gegaan aan zijn achttiende jaar, zijn voordien gesloten huwelijk, of zijn voordien in Nederland geregistreerd partnerschap of buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie de toelichting bij artikel 1, tweede lid, RWN). Het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in deze bepaling komt overeen met het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Voor de wijze waarop de verzoeker moet aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan, wordt hier verwezen naar de toelichting bij die bepaling.

Artikel 9

Paragraaf 4.2. Transacties

BRP: artikel 2.15

9-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 3. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid

Paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots

Paragraaf 4.3. Cumulatie van sancties

Paragraaf 4.1. Misdrijven

Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.

Een stelsel dat uitgaat van de datum waarop het misdrijf heeft plaatsgevonden, is niet wenselijk. Een nadelig gevolg daarvan zou zijn dat een misdrijf dat eerst geruime tijd na dato aan het licht komt, niet kan leiden tot het weigeren van de Nederlandse nationaliteit. De strafrechtelijke verjaringstermijnen zijn in het algemeen aanzienlijk langer dan vijf jaar. In dat geval zou de vreemdeling moeten worden voorgedragen voor het Nederlanderschap, terwijl hij nog aan strafvervolging wegens een ernstig feit is onderworpen of de opgelegde straf nog ondergaat. Dat zou ook kunnen gebeuren als de vreemdeling is veroordeeld tot een zeer lange gevangenisstraf. Voor zover het tussen de pleegdatum en de datum van veroordeling verstreken tijdsverloop relevant is te achten, zal dat in de strafmaat tot uitdrukking worden gebracht. Voorts doet een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum geen recht aan de gedachte dat van daadwerkelijke rehabilitatie geen sprake kan zijn, zolang de vreemdeling nog strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel boven het hoofd hangt. Een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum in combinatie met een (aanzienlijk) langere rehabilitatietermijn dan vijf jaar na die pleegdatum, zal in de praktijk onbillijk uitpakken voor die verzoekers die in het verleden – achteraf bezien eenmalig – een misstap hebben begaan en de daarop gestelde sanctie hebben ondergaan. Zij moeten in dat geval immers langer wachten voordat zij voor Nederlander kunnen worden. Het huidige stelsel gaat uit van de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd. Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt mitsdien aangenomen gedurende vijf jaren, te rekenen vanaf (a) de datum waarop de beslissing tot sanctionering onherroepelijk is geworden, of (b) indien de tenuitvoerlegging daarna is voltooid, het einde van de tenuitvoerlegging. Bij vrijheidsbeneming is dat de datum van de (vervroegde) invrijheidstelling, bij geldboete, transactie of een maatregel tot betaling is dat de datum van betaling van de volledige geldsom en bij taakstraf is dat de datum waarop de taakstraf is beëindigd. De vreemdeling moet daarover gegevens en onderbouwende stukken verstrekken.

Paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel

Paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8

Paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN

Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het Openbaar Ministerie slechts af van strafvervolging, als aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt daarmee op een openstaande strafzaak en wordt bij naturalisatie of optie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, moet de vreemdeling eerst de proeftijd afwachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot weigering van naturalisatie of optie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Als een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, moet altijd de proeftijd worden afgewacht. Als de vreemdeling nog in de proeftijd zit, moet hij worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek om naturalisatie of het afleggen van de optieverklaring totdat de proeftijd is verstreken. Als hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt de naturalisatie of optie geweigerd. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.

Paragraaf 4.11. Schadevergoeding

Paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden

9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c

Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.

Paragraaf 1. Algemeen

Een verzoeker die in de PIVA is ingeschreven als staatloze en derhalve wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een verzoeker die in de PIVA is opgenomen als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wél in het bezit zijn van een nationaliteit. Eerst indien deze verzoeker aan de hand van de daarvoor geldende regels in de PIVA wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen.

Paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen

Paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9

Paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel

Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand, zoals deze is op het tijdstip waarop de verklaring wordt afgegeven waaruit blijkt dat de verzoeker niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit wegens het lijden van substantieel financieel nadeel. Nadien opgetreden wijzigingen in het vermogen die met de daarvoor geëigende bewijsstukken zijn aangetoond, kunnen worden meegenomen bij de berekening.

Indien verzoeker alleenstaande of alleenstaande ouder is en hij beschikt over een vermogen van Afl. 11.435,20 dan wordt niet aangenomen dat hij een substantieel nadeel lijdt in hier bedoelde zin.

Indien een verzoeker kan aantonen dat hij onder deze uitzonderingscategorie valt, omdat hij voor het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit een hoog bedrag moet betalen, dan houdt dat niet automatisch in dat ook de echtgenote of de partner met wie verzoeker duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, moet betalen voor het doen van afstand en dat deze echtgenote of partner derhalve een beroep kan doen op deze uitzonderingscategorie. De (huwelijks)partner die gelijktijdig verzoekt om naturalisatie en die met succes een beroep wenst te doen op deze uitzonderingscategorie zal moeten aantonen dat ook zij moet betalen voor het doen van afstand. In die situatie dienen bij de beoordeling van beide verzoeken om naturalisatie de te betalen bedragen van de verzoeker en diens (huwelijks)partner (en eventuele kinderen) voor het doen van afstand bij elkaar te worden opgeteld. Ook het netto maandinkomen van de verzoeker en diens (huwelijks)partners worden bij elkaar opgeteld. Aan de hand van de verhouding tussen de opgetelde bedragen voor het doen van afstand én de opgetelde netto maandinkomens van verzoeker en diens (huwelijks)partner wordt bepaald of er sprake is van substantieel financieel nadeel.

Paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen

10-alg. Toelichting algemeen

Indien verzoeker alleenstaande of alleenstaande ouder is en hij beschikt over een vermogen van Afl. 11.435,20 dan wordt niet aangenomen dat hij een substantieel nadeel lijdt in hier bedoelde zin.

Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen

B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.

Paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8

Dit bewijs zal kunnen worden geleverd aan de hand van verklaringen van de autoriteiten van het herkomstland (bij van overheidswege verstrekte uitkeringen en eigendom van onroerende zaken), aan de hand van een notariële akte (bij erfrechtelijke aanspraken) dan wel aan de hand van een rechterlijke uitspraak (bij bestaande aanspraken op alimentatie). Deze documenten zijn authentieke akten die, indien nodig, gelegaliseerd (eventueel geverifieerd) en vertaald dienen te worden (zie paragraaf 4). Bij verklaringen van autoriteiten uit het herkomstland moeten de documenten zijn afgegeven door een bevoegde overheidsinstantie die over het bestaan van dat recht kan oordelen (bijvoorbeeld bij onroerende zaken een verklaring van een kadaster of grondregister, bij een pensioenrecht een verklaring van de instantie waar het pensioen(recht) wordt beheerd).

Paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.

Paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet

Paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit

In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt. Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn.

Paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit

9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid

Paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend

Paragraaf 3. Topsporters

E = partij geweest bij het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg

Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c

9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b

11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid

11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid

9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d

Paragraaf 3.4. Advies van de Minister belast met Sport

Paragraaf 3.1. Advisering

Paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening

11-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 3.5. Beslissing

11-alg. Toelichting algemeen

11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid

Paragraaf 1. Toelating en hoofdverblijf

Paragraaf 3. Openbare orde

Paragraaf 3. Kind geboren tijdens optie- of naturalisatieprocedure ouder(s)

Paragraaf 5. Samenvatting

Paragraaf 5. Samenvatting

Paragraaf 7. Samenvatting

Paragraaf 3. Samenvatting

12-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling optiegelden

Paragraaf 1. Optiegelden

Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden

Paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd

Paragraaf 2.3. Tarieven F en G

Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden

Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden

Paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap

Paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003

Paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden

Paragraaf 2.3. Belangenafweging

Paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003

Paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten

Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen

Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN

Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen

2.5.4. Algemeen belang

Paragraaf 4.1. Voornemenprocedure

2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

14-10. Toelichting ad artikel 14, tiende lid

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

Paragraaf 1.1. Overgangsrecht

Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

Paragraaf 1.1. Overgangsrecht

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid

Paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht

Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b

Bijlage 1

Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN

Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.6. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, RWN(afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.7. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN.

Model 1.8. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, RWN

Model 1.9. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Model 1.10. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, RWN.

Model 1.11. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder h, RWN

Model 1.12. : Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)

Model 1.14. : Verklaring omtrent verblijfstatus en gedrag

Model 1.17. : Verklaring van naamskeuze door kind (kind van 16 jaar of ouder)

Model 1.18. : Brief zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (aan minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar)

Model 1.16. : Verklaring van naamskeuze door ouders (kind jonger dan 16 jaar)

Model 1.21. : Brief verzoek om instemming (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarige(n) van 16 jaar of ouder)

Model 1.23. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.23. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.28. : Afwijzing ontheffing optiegelden

Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef

Model 1.30. : Verzoek tot verstrekken van gegevens uit de Justitiële Documentatie

Model 1.34. : Aanvullende gegevens van kind(eren) die het Nederlanderschap heeft/hebben verkregen

Model 1.35a. : Uitwisselingsformulier MoU Suriname-Nederland

Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Model 1.37. : Optieverklaring op grond van artikel II, eerste lid rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270) (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Bijlage 1

Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN

Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)

Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘geboren in het land van die andere nationaliteit’ (art. 15, tweede lid, a RWN) of het ‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad’ (art. 15, tweede lid, b RWN) hieronder in paragraaf 1.3.

Model 2.5. : Verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Oostenrijkse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit

Model 2.7. : Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie2Wordt naamsvaststelling voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamsvaststelling van de verzoeker, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot vaststelling van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar kunnen hun zienswijze kenbaar maken. Voor kinderen van 16 jaar of ouder is instemming verplicht.

Model 1.10. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, RWN.

Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN tien jaar. Voor het overige was de tekst van dit artikel in deze periode gelijk aan de tekst van het huidige artikel.

Model 1.8. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN

Andrew verliest daarom op 1 mei 2026 zijn Nederlanderschap, omdat hij op die datum nog niet een jaar of langer zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel in landen, waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.

Model 1.1. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN

Alexandre had echter hetverlies van het Nederlanderschap kunnen voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit werd gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk artikel 15, vierde lid, RWN). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten zou dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar zijn gaan lopen.

Model 1.8. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN

Een afstandsverklaring van de oorspronkelijke nationaliteit moet in beginsel gelegaliseerd zijn. Zonder legalisatie kan in beginsel geen waarde aan de afstandsverklaring worden gehecht. Alleen als uit algemene bronnen uit het betreffende land blijkt dat dit land nooit overgaat tot legalisatie, kan een afstandsverklaring worden geaccepteerd zonder legalisatie. Ook andere documenten afgegeven door de autoriteiten van het land van de oorspronkelijke nationaliteit moeten in beginsel gelegaliseerd zijn, als met deze documenten wordt beoogd aan te tonen dat voldoende inspanningen zijn verricht op grond waarvan de IND de afstandsprocedure kan afsluiten.

Model 1.2. HRWN-A: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)

Als de betrokkene, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na totstandkoming van de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de IND namens Onze Minister overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.

Model 1.3. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.

Model 1.4. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.

De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Model 1.9. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Op grond van artikel 70, eerste lid, BvvN wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BvvN). Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BvvN zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent:

De IND volgt de voornemenprocedure bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het niet voldoen aan de afstandsplicht. Deze procedure is gelijk aan de procedure als beschreven in de toelichting ad artikel 14, eerste lid, paragraaf 4.1 HRWN.

Model 1.2. HRWN-A: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)

Model 1.2. HRWN-A: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)

Op grond van artikel 70, eerste lid, BvvN wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BvvN). Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BvvN zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent:

Model 1.12. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Model 1.12. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Van uitzonderlijke omstandigheden is, bijvoorbeeld, geen sprake als betrokkene zich beroept op gevolgen van het doen van afstand die zich bevinden in de sfeer van het verliezen van een baan, het moeten verhuizen, het niet op vakantie kunnen gaan in het land van de andere nationaliteit, het mislopen van een erfenis waar hij na verkrijging van het Nederlanderschap recht op heeft gekregen, of het feit dat de kinderen van betrokkene de betreffende nationaliteit ook verliezen.

Model 1.17. HRWN-A: Verklaring naamskeuze door kind (voor kind van 16 jaar en ouder)

Van de optant die een optieverklaring aflegt op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn andere nationaliteit(en) te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) (artikel 30b BvvN).

Model 1.19. HRWN-A: Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap voor minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar (als minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van dertien jaren te lopen. Indien het Nederlanderschap is herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, begint de periode te lopen op de dag dat de optie is bevestigd.

Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, paragraaf 1.1 en paragraaf 1.2.

De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN. Het verlies van het Nederlanderschap treedt overigens ook niet in op grond van het artikel 15A RWN, maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.

Model 1.28. : Afwijzing ontheffing optiegelden

Model 1.35a. : Uitwisselingsformulier MoU Suriname-Nederland

Bijlage 3

Model 1.23. HRWN-A: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger over (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.23. HRWN-A: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger over (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Duitsland: van 18 december 1969 tot 22 december 2002;

Luxemburg: van 12 november 1971 tot 9 juli 2009;

Dat betekent bijvoorbeeld, dat een Nederlander, die op 20 augustus 2007 vrijwillig de Deense nationaliteit heeft verkregen, op dat moment op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg automatisch zijn Nederlandse nationaliteit verloor.

Bijlage 1

Model 1.1. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN

Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt door opneming in de RWN in artikel 15, tweede lid, RWN en in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN.

Model 1.3. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Italië: in werking tussen 24 maart 1995 en 4 juni 2010

Paragraaf 1.2. Staatloosheid

Paragraaf 2.1. Informatieverstrekking

Paragraaf 1.3. Het in redelijkheid niet kunnen verkrijgen van andere nationaliteit

Paragraaf 2. Peilmoment stabiel hoofdverblijf

Paragraaf 2.1. Informatieverstrekking

Paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant

Paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant

Paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen

Paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten

Paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

Paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring

Paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging

Paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging

Paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan

Paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie artikel 30c BVVN)

Paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing

Paragraaf 2.5. Bevestiging

Paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging

Paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging

Paragraaf 2.12.1. De oproeping

Paragraaf 2.1. Weigering optiebevestiging wegens strafrechtelijk(e) delict(en)

6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid

Paragraaf 1. Algemeen

Vanwege aangetoonde zwaarwegende redenen58Zie artikel 60a, negende lid BVVN en de toelichting bij artikel 6, tweede lid RWN, paragraaf 2.12.4. is de optant vertegenwoordigd door een gemachtigde. De optant heeft bij het afleggen van zijn optieverklaring de bereidverklaring ondertekend. De optant moet de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid meegeven aan de gemachtigde. Eerst na het overleggen van de door de optant ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid wordt tot uitreiking aan de gemachtigde overgegaan.

Bij het afleggen van de optieverklaring heeft de optant de bereidverklaring ondertekend. Het verzoek van de optant om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is door de Gouverneur gehonoreerd61Zie artikel 60a, negende lid BVVN en de toelichting bij artikel 6, tweede lid RWN, paragraaf 2.12.4.. De Gouverneur heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant uitgereikt.

Nadat betrokkene op de naturalisatieceremonie is verschenen, worden de gegevens ten aanzien van de verkrijging van het Nederlanderschap door de Gouverneur ook aan de bevolkingsadministratie verstrekt.

6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid

Paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

Artikel 6a

Paragraaf 2.1. Weigering optiebevestiging wegens strafrechtelijk(e) delict(en)

6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid

Voor zover genoemd recht niet voorziet in verwijzingsregels, dient artikel 10:18 BW-NL tot en met artikel 10:26 BW-NL analoog te worden toegepast. In dit verband wordt de aandacht gevestigd op artikel 10:22 BW-NL, waarvan de tekst luidt:

Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

Paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen

Paragraaf 3. Procedure naturalisatie

3.5.1. Buitenlands Reisdocument

Paragraaf 3.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

6a-5. Toelichting ad artikel 6a, vijfde lid

Artikel 7

Paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

Paragraaf 3.5.2. Buitenlands Reisdocument

Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring

Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens

Paragraaf 3.5.2. Buitenlands Reisdocument

Paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Artikel 8

Paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

Paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek

8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d

Paragraaf 2. Toelating op grond van de LTU

Paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

Paragraaf 3.13.1. De oproeping

Paragraaf 2.3. Onderscheid van verblijfsrecht naar tijdelijke en niet-tijdelijke aard

Paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Bijlage 1. : tabel oproepen en uitreiken

8-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets

Paragraaf 3.2. De vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv)

paragraaf 2.2.2. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als gevolg van de invoering van de tweetalige naturalisatietoets per 1 januari 2011

Paragraaf 2.3. Onderscheid van verblijfsrecht naar tijdelijke en niet-tijdelijke aard

Awb: artikelen 4:2; 4:5.1 en 6:3

Paragraaf 3.1. Een verklaring van toelating van rechtswege (zie paragraaf 2.1) en wel of geen bedenkingen

8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 2.2.3. Het certificaat bij gedeeltelijke vrijstelling

Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)