Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba
Model 1.24. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)
Indien een misdrijf, genoemd in artikel 14, tweede lid, is gepleegd door een ouder van een minderjarige, die gedeeld heeft in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap (en vanaf 1 april 2003 genoemd wordt in het optiebesluit en KB van deze ouder), heeft de intrekking van het Nederlanderschap van de ouder geen gevolgen voor het Nederlanderschap van de minderjarige.
De beslissing tot intrekking is aan Onze Minister. Hij heeft daartoe een discretionaire bevoegdheid.
Het feit dat het aantal misdrijven in artikel 14, tweede lid, is beperkt tot ernstige misdrijven, dat het misdrijf moeten hebben geleid tot een onherroepelijke veroordeling, dat het misdrijf moet zijn gepleegd ná de inwerkingtreding van het intrekkingsartikel artikel 14, tweede lid en (in het geval van veroordeling op grond van artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht) onherroepelijk moet zijn geworden na 30 maart 2016 en de omstandigheid dat het Nederlanderschap niet wordt ingetrokken indien de betrokken persoon staatloos wordt, brengen mee dat sprake is van een meer door de wetgever bepaald kader waarbinnen de intrekking ex artikel 14, tweede lid RWN plaats heeft dan bij een intrekking ex artikel 14, eerste lid. Het kader om tot intrekking over te gaan, geeft bij het tweede lid minder discretionaire ruimte aan de Minister dan dat bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste lid.
Daartegenover staat dat een intrekking op grond van artikel 14, eerste lid RWN is beperkt tot Nederlanders die het Nederlanderschap door naturalisatie of optie hebben verkregen. Van Nederlanders die het Nederlanderschap op een andere wijze dan door optie of naturalisatie hebben gekregen, is het wel mogelijk het Nederlanderschap te ontnemen op grond van artikel 14, tweede lid RWN, mits zij over nog een nationaliteit beschikken.
Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.13HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van artikel 14 RWN opgenomen in de artikelen 68 t/m 68c BVVN.
Indien een misdrijf, genoemd in artikel 14, tweede lid, is gepleegd door een ouder van een minderjarige, die gedeeld heeft in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap (en vanaf 1 april 2003 genoemd wordt in het optiebesluit en KB van deze ouder), heeft de intrekking van het Nederlanderschap van de ouder geen gevolgen voor het Nederlanderschap van de minderjarige.
Als het Nederlanderschap van de ouder wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, dan valt daaronder nimmer een minderjarig kind van de persoon wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN. Het legaliteitsbeginsel hanterend beperkt de mogelijkheid tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van art. 14, tweede lid RWN zich tot de tot de in artikel 14, tweede lid RWN genoemde persoon: hij/zij die onherroepelijk is veroordeeld wegens de vervolgens genoemde misdrijven.
Is het een minderjarige die onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf, genoemd in artikel 14, tweede lid, dan kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken. In de belangenafweging wordt dan in ieder geval rekening gehouden met zijn jeugdige leeftijd. Dit betreft een omstandigheid die betrekking heeft op de persoon van de dader.
Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen.
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Model 1.26. : Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij naar de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
Op grond van artikel 14, tweede lid, RWN, kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk. Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.
Het belang van de staat is dat hiermee tot uitdrukking wordt gebracht dat de onherroepelijk veroordeelde persoon zijn band met het Koninkrijk heeft opgezegd. Hierom komt er geen gewicht toe aan het Unieburgerschap. Aan dit algemeen belang komt een zwaar gewicht toe, gelet op de aard van de door betrokkene gepleegde vergrijpen.
Model 1.28. : Afwijzing ontheffing optiegelden
Op de procedure tot intrekking op grond van artikel 14, tweede lid, en op de te verrichten administratieve handelingen na het besluit tot intrekking zijn de bepalingen neergelegd in het BVVN van toepassing. De procedure is beschreven in de artikelen 66 tot en met 70 van het BVVN.
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap wordt ingetrokken. De IND bekijkt of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
Alvorens een voornemen tot intrekking wordt uitgebracht, dient dit voornemen eerst aan de Minister te worden voorgelegd ter beoordeling (artikel 7 RVVN).
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit. In algemeen geldt echter dat de belangen van de betrokkene niet snel zullen opwegen tegen het algemeen belang. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal de afweging leiden tot niet intrekking van het Nederlanderschap.
Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken en in afschrift aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de basisadministratie zijn ingeschreven of in het voorkomende geval aan de Minister van Buitenlandse Zaken (artikel 70, eerste lid, BVVN). Onder de omstandigheid dat de huidige verblijfsplaats onbekend is, vindt publicatie van de intrekking in de Staatscourant en de Landscourant van Aruba plaats.
Op de procedure tot intrekking op grond van artikel 14, tweede lid, en op de te verrichten administratieve handelingen na het besluit tot intrekking zijn de bepalingen neergelegd in het BVVN van toepassing. De procedure is beschreven in de artikelen 66 tot en met 70 van het BVVN.
De procedure houdt in dat de Minister van Justitie schriftelijk mededeling doet van het voornemen tot het besluit tot intrekking aan de bij de intrekking rechtstreeks betrokken persoon of personen. Dit kan onder de omstandigheid dat de huidige verblijfsplaats onbekend is, ook plaatsvinden door middel van publicatie van het voornemen in de Staatscourant en de Landscourant van Aruba. Deze persoon of personen kunnen vervolgens bedenkingen tegen het voornemen inbrengen. De Minister beslist uiterlijk binnen zestien weken nadat hij schriftelijk mededeling heeft gedaan van zijn voornemen tot intrekking.
Alvorens een voornemen tot intrekking wordt uitgebracht, dient dit voornemen eerst aan de Minister te worden voorgelegd ter beoordeling (artikel 7 RVVN).
In de mededeling van het voornemen een besluit tot intrekking te nemen, wordt in ieder geval opgenomen:
Volgens artikel 69 BVVN dient de Minister een besluit tot intrekking op grond van artikel 14, tweede lid, uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan.
Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken en in afschrift aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de basisadministratie zijn ingeschreven of in het voorkomende geval aan de Minister van Buitenlandse Zaken (artikel 70, eerste lid, BVVN). Onder de omstandigheid dat de huidige verblijfsplaats onbekend is, vindt publicatie van de intrekking in de Staatscourant en de Landscourant van Aruba plaats.
Artikel 68 , tweede lid, BVVN bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing, nu het besluit tot intrekking wordt genomen door de Minister van Justitie van het Koninkrijk.
Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef
Verwezen wordt verder naar de procedures omschreven in paragraaf 4 (Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap) en 5 (Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap) van de toelichting in deze Handleiding op artikel 14, eerste lid, RWN.
Op grond van artikel 14, derde lid, RWN kan het Nederlanderschap worden ingetrokken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Voor de intrekking is niet noodzakelijk dat de betrokkene zelf gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk heeft verricht.
Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en die zich vrijwillig in vreemde krijgsdienst begeeft van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is.
Het Nederlanderschap wordt niet ingetrokken als de betrokkene daardoor staatloos wordt (zie artikel 14, achtste lid, RWN). De omstandigheid dat de betrokkene minderjarig is vormt geen reden om van de intrekking van het Nederlanderschap af te zien maar maakt deel uit van de belangenafweging in het besluit tot intrekking.
Met de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de Rijkswet van 10 februari 2017 is het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat als bedoeld in artikel 14, derde lid, RWN als grond voor de intrekking van het Nederlanderschap in de RWN opgenomen. Tot deze datum leidde het in vreemde krijgsdienst treden voor meerderjarigen op grond van artikel 15, lid 1 onder e, RWN van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Met ingang van 1 maart 2017 gaat het Nederlanderschap niet meer van rechtswege verloren maar moet een besluit worden genomen door Onze Minister. Omdat het Nederlanderschap niet langer van rechtswege verloren gaat kan in het intrekkingsbesluit een proportionaliteitstoets plaatsvinden waarin (onder meer) wordt ingegaan op de gevolgen van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
Deze wijziging van de Rijkswet kent geen bepaling van overgangsrecht. Dit betekent dat een persoon die op of na 1 maart 2017 in vreemde krijgsdienst treedt het Nederlanderschap alleen verliest na een besluit van Onze Minister.
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken, moet de indiensttreding vrijwillig zijn geweest, of er moet sprake zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook het enkel vrijwillig dienstnemen in vreemde krijgsdienst zal geen grond zijn voor intrekking van het Nederlanderschap.
Model 1.14. : Verklaring omtrent verblijfstatus en gedrag
Om het Nederlanderschap wegens in dienst treden in vreemde krijgsdienst te kunnen intrekken moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
Het Nederlanderschap wordt niet ingetrokken als de betrokkene daardoor staatloos wordt (zie artikel 14, achtste lid, RWN). De omstandigheid dat de betrokkene minderjarig is vormt geen reden om van de intrekking van het Nederlanderschap af te zien maar maakt deel uit van de belangenafweging in het besluit tot intrekking.
Onder ‘krijgsdienst van een staat’ wordt verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.
Sprake moet zijn van krijgsdienst bij een vreemde mogendheid; bij een staat. Dat hieronder bijvoorbeeld niet moet worden verstaan groeperingen als legers van opstandelingen, guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is duidelijk gebleken tijdens de parlementaire behandeling van de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap (Staatsblad 2000, 618). Zie daarvoor de in de Tweede Kamer op 17 februari 2000 aangenomen motie van 14 november 2000 (TK 2000–2001, 26 990, nr. 8) en de niet aangenomen amendementen van 15 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 15) en van 16 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 23). Welbewust is de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken beperkt tot het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aan deelneming in groeperingen als legers van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is tijdens de parlementaire behandeling aandacht besteed, maar uiteindelijk is een zodanige deelname niet in de wet opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap.
Model 1.33. Bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie (artikel 6, derde lid, RWN)
Anders wordt de situatie als vervolgens de betreffende staat betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk (dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is) en betrokkene de aangegane verbintenis straffeloos kan verbreken, doch dat nalaat of na afloop van zijn contract de dienst vrijwillig voortzet. Onder dergelijke omstandigheden moet de betrokkene worden geacht zich vrijwillig in de betreffende krijgsdienst te hebben begeven, en kan het Nederlanderschap worden ingetrokken. Het gaat hier in feite om de vraag welke grenzen moeten worden gesteld aan het begrip ‘vrijwillig’. De dienstneming in de betreffende vreemde krijgsdienst moet het gevolg zijn van een specifieke op dat doel gerichte wilsdaad van de betrokkene, wil er sprake zijn van vrijwilligheid die tot intrekking van het Nederlanderschap kan leiden.
Er moet sprake zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Op dat moment is er geen grond voor intrekking van zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan kan het Nederlanderschap wel worden ingetrokken.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
Bij de intrekking van het Nederlanderschap wordt een belangenafweging gemaakt waarin de belangen van de betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de Staat. In het geval sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden kan van de intrekking van het Nederlanderschap worden afgezien. Elementen die bij deze belangenafweging worden meegewogen zijn in ieder geval de eventuele minderjarigheid van betrokkene, prangende redenen van humanitaire aard en voor zover van toepassing de gevolgen voor betrokkene van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.14HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van artikel 14 RWN opgenomen in de artikelen 68 t/m 68c BVVN.
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
Model 1.16. : Verklaring van naamskeuze door ouders (kind jonger dan 16 jaar)
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden.
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Model 1.35. : Uitwisselingsformulier
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden.
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
Model 1.19. : Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 1.36. : Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Model 1.15. : Verzoek om naamsvaststelling bij optie
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 52) tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid vult regels aan met betrekking tot het verlies van het Nederlanderschap. Aan artikel 14 RWN is in verband met de dreiging die uitgaat van het mondiale jihadisme een nieuw lid toegevoegd dat het mogelijk maakt het Nederlanderschap in te trekken van personen die uitreizen naar een strijdgebied en zich vrijwillig in krijgsdienst begeven van een terroristische strijdgroep. Deze wijziging van de Rijkswet draagt bij aan de bescherming van de nationale veiligheid door te voorkomen dat een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische strijdgroep legaal kan terugkeren naar Nederland en hier te lande terroristische activiteiten kan ontplooien.
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Bijlage 2
Model 2.1. : Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (meerderjarige)
Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken moet sprake zijn van aansluiting bij een organisatie op de hiervoor genoemde lijst. De intrekking kan alleen plaatsvinden als betrokkene bij de organisatie was of zich heeft aangesloten op of na 11 maart 2017 (zie ECLI:NL:RVS:2019:990; ECLI:NL:RVS:2019:1246).
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 52) tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid vult regels aan met betrekking tot het verlies van het Nederlanderschap. Aan artikel 14 RWN is in verband met de dreiging die uitgaat van het mondiale jihadisme een nieuw lid toegevoegd dat het mogelijk maakt het Nederlanderschap in te trekken van personen die uitreizen naar een strijdgebied en zich vrijwillig in krijgsdienst begeven van een terroristische strijdgroep. Deze wijziging van de Rijkswet draagt bij aan de bescherming van de nationale veiligheid door te voorkomen dat een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische strijdgroep legaal kan terugkeren naar Nederland en hier te lande terroristische activiteiten kan ontplooien.
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 2017, 52) bevat geen bepaling die het mogelijk maakt deze wet met terugwerkende kracht toe te passen. In het besluit van 10 februari 2017 (Stb. 2017, 67) waarin het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 14, vierde lid, van de RWN is vastgesteld op 1 maart 2017, zijn dan ook geen bijzondere werkingsregels opgenomen. Dat betekent dat deze bepaling onmiddellijke werking heeft en daarmee van toepassing is op feiten en omstandigheden die zich op of na 1 maart 2017 voordeden. Artikel 14, vierde lid kan niet worden toegepast in gevallen waarin de aan de beoogde intrekking ten grondslag liggende relevante feiten zich vóór 1 maart 2017 hebben voorgedaan (zie ECLI:NL:RVS:2019:990; ECLI:NL:RVS:2019:1246).
Artikel 14 lid 4 RWN heeft een geldigheidsduur van tien jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikel op 1 maart 2017. Reden hiervoor is dat bij de behandeling in de Tweede Kamer van deze Rijkswet een amendement is aangenomen dat voorziet in een horizonbepaling. Deze bepaling houdt in dat vijf jaar na inwerkingtreding een bezinning plaatsvindt over de wenselijkheid van de maatregelen. Bij Rijkswet van 23 februari 2022 (Staatsblad 2022, 84), in werking getreden op 28 februari 2022, is bepaald dat de geldigheid van deze wet is verlengd tot tien jaar. Gevolg hiervan is dat artikel 14, vierde lid, RWN en de daarmee samenhangende [artikelen 22A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22a), [22B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22b), [22C, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22c) in beginsel met ingang van 1 maart 2027 komen te vervallen.
Ad 2
Model 1.19. : Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken moet sprake zijn van aansluiting bij een organisatie op de hiervoor genoemde lijst. De intrekking kan alleen plaatsvinden als betrokkene bij de organisatie was of zich heeft aangesloten op of na 11 maart 2017 (zie ECLI:NL:RVS:2019:990; ECLI:NL:RVS:2019:1246).
Model 1.20. : Formulier zienswijze naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar en ouder) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Ad 1
Met de voorwaarde van de uit de gedragingen van betrokkene blijkende intentie om zich aan te sluiten is gegarandeerd dat altijd sprake is van vrijwillige aansluiting. De intentie tot aansluiting kan bijvoorbeeld blijken uit eerdere uitingen van betrokkene, bijvoorbeeld op internet of op sociale media.
Ad 2
Aansluiting bij een terroristische organisatie in de zin van artikel 14, vierde lid, RWN kan onder meer blijken uit:
De intrekking van het Nederlanderschap vindt alleen plaats als de betrokkene ongewenst kan worden verklaard. De ongewenstverklaring is noodzakelijk om de legale terugkeer naar Nederlands grondgebied te voorkomen. Redenen om van de ongewenstverklaring af te zien kunnen in de eerste plaats zijn gelegen in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Gedacht kan worden aan de situatie dat het belang van betrokkene om ongehinderd in Nederland zijn gezinsleven te kunnen uitoefenen zwaarder weegt dat het belang van de Nederlandse staat. Gelet op de ernst van de bedreiging van de nationale veiligheid bij een dreigende terroristische aanslag zal ongewenstverklaring alleen in uitzonderingssituaties niet aan de orde zijn. Als ongewenstverklaring niet mogelijk is wordt van de intrekking van het Nederlanderschap afgezien.
Model 2.3. : Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
De intrekking van het Nederlanderschap vindt evenmin plaats als staatloosheid daarvan het gevolg is of als de betrokkene jonger is dan achttien jaar.
Er vindt een afweging plaats of intrekking van het Nederlanderschap het belang van strafrechtelijke vervolging op onaanvaardbare wijze schaadt. Hiervan kan sprake zijn wanneer bijvoorbeeld bij het Openbaar Ministerie al een omvangrijk dossier is voorbereid en er sprake is van een reële verwachting dat betrokkene op korte termijn effectief vervolgd kan worden. De IND neemt voordat een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen contact op met het Openbaar Ministerie zodat kan worden afgewogen of in het voorliggende geval de strafrechtelijke of de bestuurlijke aanpak moet prevaleren.
De elementen die betrokken worden bij de belangenafweging zijn dwingend voorgeschreven in artikel 68c BVVN. Dit betekent dat de volgende elementen in ieder individueel besluit terug moeten komen:
De elementen zijn niet limitatief voorgeschreven, ook andere elementen die relevant zijn voor de belangenafweging zullen worden betrokken.
Doorgaans zal er sprake zijn van een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dat de feiten bevat waaronder de aansluiting van betrokkene bij een van de organisaties op de lijst en de gedragingen van betrokkene waaruit deze aansluiting kan worden afgeleid. Het is aan Onze Minister om deze informatie te wegen en te beoordelen of de informatie kan leiden tot de intrekking van het Nederlanderschap. Op basis van de in het ambtsbericht opgenomen feiten en gedragingen beoordeelt Onze Minister daarnaast het gevaar voor de nationale veiligheid.
Het is niet van doorslaggevend belang of betrokkene zelf geweld heeft gebruikt of heeft deelgenomen aan de gewelddadige strijd. De rol van betrokkene kan wel van belang zijn in het kader van de belangenafweging bij intrekking (zie in die zin: Kamerstukken II, 34 356, nr. 3, blz. 7).
Behalve uit een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan ook bijvoorbeeld uit een verstekvonnis of informatie van politie of het Openbaar Ministerie blijken dat sprake is van aansluiting in de zin van artikel 14, vierde lid, RWN.
Er vindt een afweging plaats of intrekking van het Nederlanderschap het belang van strafrechtelijke vervolging op onaanvaardbare wijze schaadt. Hiervan kan sprake zijn wanneer bijvoorbeeld bij het Openbaar Ministerie al een omvangrijk dossier is voorbereid en er sprake is van een reële verwachting dat betrokkene op korte termijn effectief vervolgd kan worden. De IND neemt voordat een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen contact op met het Openbaar Ministerie zodat kan worden afgewogen of in het voorliggende geval de strafrechtelijke of de bestuurlijke aanpak moet prevaleren.
Het mogelijke verlies van het Unieburgerschap wordt meegewogen bij het intrekkingsbesluit. Daarnaast worden overige elementen meegewogen, zoals de leeftijd van betrokkene, de gevolgen van de intrekking voor betrokkene en zijn gezinsleden en de banden met Nederland en het land van de tweede nationaliteit.
Model 1.24. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Model 2.5. : Verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Oostenrijkse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden.
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
Model 2.6. : Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie2Wordt naamsvaststelling voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamsvaststelling van de verzoeker, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot vaststelling van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar kunnen hun zienswijze kenbaar maken. Voor kinderen van 16 jaar of ouder is instemming verplicht.
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden.
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
Model 2.7. : Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie2Wordt naamsvaststelling voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamsvaststelling van de verzoeker, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot vaststelling van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar kunnen hun zienswijze kenbaar maken. Voor kinderen van 16 jaar of ouder is instemming verplicht.
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
Model 2.8. : Verklaring ‘Ingelicht over betaling van naturalisatiegelden’ tevens inverzuimstelling1Een kopie van dit formulier wordt aan betrokkene meegegeven indien niet gelijktijdig bij het indienen van het verzoek om naturalisatie het verschuldigde bedrag is betaald.; alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
Op grond van artikel 14, vierde lid RWN, kan de IND het Nederlanderschap intrekken in het belang van de nationale veiligheid.
Het belang is gelegen in de bescherming van de openbare orde en/of de nationale veiligheid. Aan dit algemeen belang komt een zwaar gewicht toe. Hierom wordt geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, RWN wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan geven (Kamerstukken I, 34 356, nr. C, blz. 13). Artikel 4:11 Awb verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen namelijk een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen, zonder dat de betrokken persoon naar aanleiding van een voornemen de gelegenheid wordt geboden terug te keren naar Nederland. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen.
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap wordt ingetrokken. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken vervalt het Nederlandse paspoort van rechtswege (art. 47 lid 1 onder a Paspoortwet). Van het vervallen van het paspoort wordt terstond melding gedaan bij de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Deze melding heeft tot doel te voorkomen dat paspoort uitgevende autoriteiten een nieuw reisdocument verstrekken waarmee de betrokkene Nederland kan inreizen.
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, RWN wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan geven (Kamerstukken I, 34 356, nr. C, blz. 13). Artikel 4:11 Awb verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen namelijk een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen, zonder dat de betrokken persoon naar aanleiding van een voornemen de gelegenheid wordt geboden terug te keren naar Nederland. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen.
Alvorens een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen wordt dit ter beoordeling aan Onze Minister voorgelegd.
Anders dan bij intrekking op grond van het eerste en tweede lid staat tegen de intrekking van het Nederlanderschap op grond van het vierde lid geen bezwaar open. De betrokkene of zijn gemachtigde kan rechtstreeks beroep indienen tegen het besluit. Bepalingen over beroep en hoger beroep zijn opgenomen in artikel 22A, 22B en 22C, RWN.
De persoon, van wie het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14, tweede, derde of vierde lid, kan in beginsel het Nederlanderschap niet opnieuw verkrijgen. Een optie of een naturalisatie is derhalve in beginsel niet mogelijk als gevolg van de werking van artikel 14, vijfde lid RWN.
Op grond van artikel 70, eerste lid, BVVN wordt een afschrift van het besluit tot intrekking bedoeld in artikel 14, vierde lid, RWN verzonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon of aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. In het belang van het voorkomen van de terugkeer naar Nederland verwerkt de betreffende autoriteit het besluit op zo kort mogelijk termijn in de basisadministratie, ook als het besluit nog niet onherroepelijk is.
Model 2.10. : Formulier zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Naar aanleiding van de melding wordt het paspoort opgenomen in het Basisregister Reisdocumenten (BR) en in het Register Paspoortsignaleringen (RPS). Deze registers zijn gekoppeld aan het Schengeninformatiesysteem (SIS-II) en de database Stolen and Lost Travel Documents (SLTD) van Interpol.
Model 2.11. : Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van het tweede, derde of vierde lid, kan de Nederlandse nationaliteit niet herkrijgen. Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken, indien ten minste vijf jaar jaren zijn verstreken sedert het verlies van de Nederlandse nationaliteit.
De persoon, van wie het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14, tweede, derde of vierde lid, kan in beginsel het Nederlanderschap niet opnieuw verkrijgen. Een optie of een naturalisatie is derhalve in beginsel niet mogelijk als gevolg van de werking van artikel 14, vijfde lid RWN.
Door de intrekking van het Nederlanderschap is de band met het Koninkrijk definitief verbroken. De tweede zin van artikel 14, vijfde lid, maakt evenwel in een bijzonder geval de herkrijging van het Nederlanderschap mogelijk.
Het is mogelijk het Nederlanderschap te herkrijgen als ten minste vijf jaren zijn verstreken sinds de intrekking van het Nederlanderschap.
Het is echter niet de bedoeling dat op grote schaal van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. De uitzondering is alleen toegestaan indien zich zeerbijzondere omstandigheden voordoen.
Model 2.12. : Brief verzoek om instemming (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 16 jaar of ouder)
Bij Koninklijk Besluit (KB) zal de Kroon al dan niet toestemming verlenen voor de herkrijging van het Nederlanderschap. Zonder deze toestemming kan het Nederlanderschap niet worden verkregen of verleend. Dit betekent dat de betrokken persoon alvorens een naturalisatieverzoek in te dienen of optieverklaring af te leggen, een toestemmings-KB moet overleggen, wil zijn verzoek toegewezen kunnen worden. Hij zal de Minister in de eerste plaats gemotiveerd, onder aanvoering van de zeer bijzonderheid van zijn omstandigheden, moeten verzoeken om te bevorderen dat er een toestemmings-KB wordt geslagen.
Indien de Kroon niet de vereiste toestemming verleend voor de herkrijging van het Nederlanderschap, kan tegen een geweigerd toestemmings-KB bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep en hoger beroep worden ingesteld.
Bij de verkrijging op grond van artikel 6, lid 1 onder c RWN en op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie na 01.03.2009 na een erkenning in de periode 01.04.2003 – 01.03.2009 door een Nederlandse man) is het Nederlanderschap verkregen door een optiebesluit en niet van rechtswege. De optieverklaring kan alleen afgelegd worden als het kind is erkend door een Nederlander. Als de familierechtelijke betrekking met de Nederlandse erkenner vervalt, dan gaat het Nederlanderschap ook automatisch verloren. Er is geen intrekkingsbesluit nodig.
Wettekst:
Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000, Stb. 618en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictrecht adoptie (Stb. 284). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (Stb. 268).
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in op de dag waarop in het algemeen de rechterlijke uitspraak niet meer openstaat voor beroep, mits het kind op die dag (nog) minderjarig is. Betreft het een Nederlandse rechterlijke uitspraak dan is dat als gevolg van wijziging van het Burgerlijk Procesrecht met ingang van 1 januari 2002 (zie artikel 358 WBRv en artikel 426 WBRv):
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van artikel III RRWN 2000 heeft de redactie van het huidige artikel 14, zesde lid, RWN terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2.
Ingevolge dit artikellid gaat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend. Het Nederlanderschap moet dan wel zijn verkregen ingevolge artikel 3, 4, 5 oud, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, dan wel ingevolge artikel 4 RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003 (dat betrof verkrijging van het Nederlanderschap door erkenning of wettiging door een Nederlander).Op grond van artikel II, lid 4 RRWN 2009 gaat het Nederlanderschap voor minderjarigen op grond van dit artikel ook verloren als het Nederlanderschap is verkregen op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie op grond van het overgangsrecht).
Model 1.30. : Verzoek tot verstrekken van gegevens uit de Justitiële Documentatie
Verlies als bedoeld zal echter niet intreden indien:
Bij het vervallen van familierechtelijke betrekkingen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld: ontkenning vaderschap, vernietiging erkenning of herroeping adoptie.
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in op de dag waarop in het algemeen de rechterlijke uitspraak niet meer openstaat voor beroep, mits het kind op die dag (nog) minderjarig is. Betreft het een Nederlandse rechterlijke uitspraak dan is dat als gevolg van wijziging van het Burgerlijk Procesrecht met ingang van 1 januari 2002 (zie artikel 358 WBRv en artikel 426 WBRv):
Hierbij dient wel te worden bedacht dat, indien bovenbedoelde beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, die termijn ingevolge artikel 1 van de Algemene termijnenwet wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Pas de dag daarop gaat dan het Nederlanderschap verloren.
Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak, die volgens de regelen van internationaal privaatrecht van Curaçao of St. Maarten moet worden erkend, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
Voor rechterlijke uitspraken van na 1 januari 1985, maar vóór 1 januari 2002 dient te worden bedacht dat de termijn voor het instellen van de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie korter is geweest dan de termijn van drie maanden die per 1 januari 2002 geldt. Voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verloren, dient rekening te worden gehouden met het feit dat deze uitspraken eerder in kracht van gewijsde zijn gegaan.
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
Immers, zonder bedoelde familierechtelijke betrekking had nooit sprake kunnen zijn van het Nederlanderschap ex artikel 3, derde lid, RWN. Met andere woorden, vervalt de familierechtelijke betrekking met de persoon via wie het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 3, derde lid, RWN, ook dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Zie verder de toelichting bij dat artikel. In voorkomende gevallen en indien mogelijk, ligt het voor de hand om door de verliesbepaling van artikel 14, zesde lid, RWN geraakte personen actief voor te lichten over deze mogelijkheid om het Nederlanderschap te herkrijgen.
Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van het toen geldende artikel 14, tweede lid RWN, (dit artikellid, is in 2010 vernummerd tot het vierde lid RWN en vervolgens in 2017 tot het zesde lid RWN). Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.
Ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN 2000 heeft artikel 14, zesde lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van het voormalige tweede lid (tot 2010, en daarna het vierde lid en vanaf 2017 het zesde lid van artikel 14 RWN). Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, zesde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
Verder is sedert 1 april 2003 in onderhavig artikellid tot uitdrukking gebracht dat de betreffende verliesbepaling alleen van toepassing is op minderjarigen. Ook dat moet ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN geacht worden te gelden sedert 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een meerderjarige, op grond van het toen geldende artikel 14, eerste lid, RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het als gevolg van bijvoorbeeld herroeping van adoptie vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
N.B. Tot 1 april 2003 gold een verliesgrond, in hoofdlijnen overeenkomend met het huidige artikel 14, zesde lid, RWN. Die verliesgrond was opgenomen in het eerste lid van het oude artikel 14 RWN en tevens van toepassing op meerderjarigen. Voorwaarde was dat het Nederlanderschap moest worden ontleend aan artikel 3, 4 of 5 RWN. De vraag die zich bij de toepassing van die bepaling voordeed was: wat rechtens indien de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892? Uit de uitspraak van de Rechtbank ‘s-Gravenhage van 16 april 1999, nr. 98 637, blijkt dat het oude artikel 14, eerste lid, RWN naar de letter dient te worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat in die gevallen waarin de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de WNI, betrokkene niet geacht wordt het Nederlanderschap door het vervallen van de betrekking te hebben verloren.
A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.
Model 2.15. : Formulier zienswijze (andere) ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)
Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van het toen geldende artikel 14, tweede lid RWN, (dit artikellid, is in 2010 vernummerd tot het vierde lid RWN en vervolgens in 2017 tot het zesde lid RWN). Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2011 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2011 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.
De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2011 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN, maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN. Hij bezat het via de vader uitsluitend op grond van die bepaling.
Model 2.16. : Formulier zienswijze (andere) ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)
C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkreeg op grond van het toen geldende artikel 4 RWN. Sindsdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan het toen geldende artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
D ontleent bij haar geboorte in 2006 de Dominicaanse nationaliteit aan haar ongehuwde moeder. Op 11 maart 2012 wordt zij erkend door een Nederlandse man. Zij verkrijgt daardoor het Nederlanderschap op grond van artikel 4 lid 2 RWN en behoudt de Dominicaanse nationaliteit. Haar moeder vestigt zich kort daarna met D in Nederland en dient op 20 oktober 2017, na vijf jaar toelating en hoofdverblijf, een verzoek om naturalisatie in. In april 2018 wordt aan haar het Nederlanderschap verleend. De Nederlandse man verzoekt de rechtbank in mei 2018 zijn erkenning van D te vernietigen. De rechtbank gaat daartoe over bij beschikking van 30 september 2018. Daartegen wordt geen hoger beroep ingesteld, zodat de beschikking op 31 december 2018 in kracht van gewijsde gaat. Hoewel uit artikel 1:206 lid 1 BW volgt dat de erkenning wordt geacht nimmer rechts gevolg te hebben gehad, verliest D het Nederlanderschap niet omdat haar moeder op 31 december 2018 Nederlander was. Dat de moeder op 11 maart 2012 nog geen Nederlander was, is niet van belang.
De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2011 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN, maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN. Hij bezat het via de vader uitsluitend op grond van die bepaling.
Model 1.35a. : Uitwisselingsformulier MoU Suriname-Nederland
Uit deze bepaling blijkt dat de RWN limitatief de rechtsgronden opsomt waarop het Nederlanderschap verloren gaat. Alle verliesgronden zijn opgenomen in hoofdstuk 5 (artikelen 14 t/m 16A RWN).
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid.
Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, vindt geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien het gevolg daarvan zou zijn dat betrokkene door geen enkele staat, krachtens en diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd.
Hoofdregel bij verlies van het Nederlanderschap is, dat geen verlies optreedt indien dat leidt tot staatloosheid. Op de hoofdregel formuleert dit artikellid één uitzondering, namelijk het geval waarin sprake is van intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, eerste lid, RWN (intrekking wegens valse verklaring, bedrog of verzwijging van een relevant feit). In een dergelijk geval kan het verlies van het Nederlanderschap wél leiden tot staatloosheid.
RWN: artikelen 1.1b; 1.2; 2.2 en 14.4
De in het vierde lid bedoelde lijst wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten en wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.
BVVN: artikelen 3; 61 t/m 70 en 72
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid.
In artikel 68 tot en met 68 c BVVN zijn nadere regels gesteld over de belangenafweging die plaatsvindt bij een intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste tot en met het vierde lid. Deze belangenafweging is in deze handleiding nader uitgewerkt in de toelichting op artikel 14, eerste tot en met vierde lid, RWN.
Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2011 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2011 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.
RWN: artikelen 1.1b; 1.2; 2.2 en 14.4
Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN
BVVN: artikelen 3; 61 t/m 70 en 72
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
RWN: artikelen 1.1b; 1.2; 2.2 en 14.4
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door meerderjarigen. Meerderjarig zijn volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN:
Model 1.36. : Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Zie verder de toelichting bij dat artikel.
Zijn de redenen om een andere nationaliteit te verkrijgen zo dwingend, dat niet meer kan worden gesproken van een vrijwillige verkrijging van die nationaliteit, dan brengt het onderhavige artikellid geen verlies van het Nederlanderschap mee. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat de andere nationaliteit op verzoek is verkregen ter voldoening aan de door de autoriteiten van het land waar men woont gestelde eis, dat verblijf in het betreffende land alleen kan worden gecontinueerd indien men de nationaliteit van dat land verkrijgt.
Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit.
Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
In de volgende gevallen kan niet worden gesteld dat de wil is gericht op het verkrijgen van een andere nationaliteit:
Model 2.3. : Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
Zijn de redenen om een andere nationaliteit te verkrijgen zo dwingend, dat niet meer kan worden gesproken van een vrijwillige verkrijging van die nationaliteit, dan brengt het onderhavige artikellid geen verlies van het Nederlanderschap mee. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat de andere nationaliteit op verzoek is verkregen ter voldoening aan de door de autoriteiten van het land waar men woont gestelde eis, dat verblijf in het betreffende land alleen kan worden gecontinueerd indien men de nationaliteit van dat land verkrijgt.
Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)
Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Artikel 15, aanhef en onder a, RWN 1985 dan wel artikel 15, eerste lid, onder a, RWN 2003 gaan echter niet op als het gaat om verkrijging van de Duitse nationaliteit ex lege Duitse wet ingeval van Paragraph 3 Abs. (2) StaG (2007). De verkrijging van de Duitse nationaliteit vond dan van rechtswege plaats en was derhalve niet vrijwillig.
N.B. Gaat het Nederlanderschap verloren door de vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een staat die partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, nr. 4), en die Hoofdstuk I van het Verdrag (dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit) toepast, dan is geen sprake van verlies van het Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, maar van verlies op grond van het Verdrag van Straatsburg (zie de toelichting bij artikel 15A RWN).
Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘geboren in het land van die andere nationaliteit’ (art. 15, tweede lid, a RWN) of het ‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad’ (art. 15, tweede lid, b RWN) hieronder in paragraaf 1.3.
Adviesblad
Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Deze uitzonderingen gelden niet als de betrokkene de nationaliteit heeft verkregen van een staat, die partij is bij het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1964, nr. 4), maar niet ook partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265). Sinds 19 december 2019 is alleen Oostenrijk partij bij het Verdrag van Straatsburg, terwijl Oostenrijk geen partij is bij het Tweede Protocol (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN).
Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN).
Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 2.4. : Bereidheidsverklaring tot afstand huidige nationaliteit bij het verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie
Artikel 15 lid 2 onder a: Onder ‘die in het land van die andere nationaliteit is geboren’ moet worden verstaan: geboren op het huidige grondgebied van de staat waarvan op dit moment de nationaliteit wordt verkregen.
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Ook bij toepassing van artikel 15, tweede lid onder a of b, RWN kan statenopvolging een rol spelen. Als een persoon vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen, dan kan het verlies van de Nederlandse nationaliteit toch niet intreden als de persoon in het land van die nieuwe nationaliteit is geboren en daar verblijft op het moment van de verkrijging of als hij daar vijf jaar voor zijn meerderjarigheid heeft gewoond. De Hoge Raad heeft op 26 juni 2015 uitspraak gedaan inzake de interpretatie van artikel 15 lid 2 RWN bij een statenopvolging. Het betrof in deze zaak een persoon die vóór de onafhankelijkheid van Suriname aldaar is geboren en die tevens vóór de onafhankelijkheid van Suriname vijf jaar als minderjarige aldaar had gewoond. De vraag was of hij door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit (ná 1 april 2003) de Nederlandse nationaliteit had verloren. De Hoge Raad oordeelde met de volgende overweging dat deze persoon het Nederlanderschap had behouden:
‘De in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap komt ook toe aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en – op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder a, RWN), dan wel – als minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf heeft gehad op het grondgebied van die staat voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder b, RWN).’
Deze beschikking van de Hoge Raad is niet alleen van toepassing op Suriname, maar ook op andere landen als sprake is van het krijgen van de nationaliteit van een nieuw gevormde soevereine staat. Het begrip ‘land’ van artikel 15 lid 2 onder a en b dient dan als volgt te worden uitgelegd:
Artikel 15 lid 2 onder a: Onder ‘die in het land van die andere nationaliteit is geboren’ moet worden verstaan: geboren op het huidige grondgebied van de staat waarvan op dit moment de nationaliteit wordt verkregen.
Artikel 15 lid 2 onder b: onder ‘die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad’ moet worden verstaan: die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen zijn hoofdverblijf heeft gehad. Kort samengevat, in de visie van de Hoge Raad moeten de volgende vragen worden gesteld:
Ook bij toepassing van artikel 15, tweede lid onder a of b, RWN kan statenopvolging een rol spelen. Als een persoon vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen, dan kan het verlies van de Nederlandse nationaliteit toch niet intreden als de persoon in het land van die nieuwe nationaliteit is geboren en daar verblijft op het moment van de verkrijging of als hij daar vijf jaar voor zijn meerderjarigheid heeft gewoond. De Hoge Raad heeft op 26 juni 2015 uitspraak gedaan inzake de interpretatie van artikel 15 lid 2 RWN bij een statenopvolging. Het betrof in deze zaak een persoon die vóór de onafhankelijkheid van Suriname aldaar is geboren en die tevens vóór de onafhankelijkheid van Suriname vijf jaar als minderjarige aldaar had gewoond. De vraag was of hij door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit (ná 1 april 2003) de Nederlandse nationaliteit had verloren. De Hoge Raad oordeelde met de volgende overweging dat deze persoon het Nederlanderschap had behouden:
Op 5 oktober 2020 is de Rijkswet van 11 september 2020, houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap gepubliceerd (Rijkswet inperking gevolgen Brexit; Stb. 369). Deze Rijkswet bevat tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap voor Nederlanders, die de Britse nationaliteit verkrijgen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)