Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving)

Type AMvB
Publication 2026-07-01
Laatst bijgewerkt 2026-07-18
State In force
Source BWB
artikelen 934
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in de verblijfsruimte, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

3.

Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een andere verblijfsruimte, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Artikel 3.65. (wateropname)

Een scheidingsconstructie van een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0,01 kg/(m2.s½) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m2.s½).

§ 3.3.2. Luchtverversing

Artikel 3.66. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een voorziening voor luchtverversing waarmee het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.66 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte luchtverversing overige ruimten luchtverversing overige ruimten luchtverversing overige ruimten luchtverversing overige ruimten luchtverversing overige ruimten verdunning en plaats van de opening luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht luchtverversing verblijfsruimte
artikel artikel artikel 3.67 3.67 3.67 3.67 3.67 3.67 3.67 3.68 3.68 3.68 3.68 3.68 3.69 3.70 3.70 3.70 3.71 3.71 3.71 3.71 3.67
lid lid lid 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 * 1 2 3 1 2 3 4 2
dm3/sec per persoon
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 3 4 5 6 1 2 3 1 2 1 2 4
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a. voor kinderopvang 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
b. voor alcoholgebruik 2 3 6 7 1 2 3 1 2 1 2 4 2,12
c. overige bijeenkomstfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 2,12
3 Celfunctie Celfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4
a. verblijfsruimte van een celeenheid 6,40
b. andere verblijfsruimte 3,44
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
5 Industriefunctie Industriefunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 2 3 4 6 1 2 3 1 2 1 2 4 6,40
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
9 Sportfunctie Sportfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 3,44
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 2 3 6 1 2 3 1 2 1 2 4 2,12
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a. voor het stallen van motorvoertuigen 6 1 2 4 * 1 2 1 2 4
b. overig bouwwerk geen gebouw zijnde andere overige gebruiksfunctie 6 1 2 3 1 2 1 2 4
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 5 3 3
b. andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer 5
c. ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 3 1 1
Artikel 3.67. (luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)
1.

Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte, met een minimum van 7 dm3/s.

2.

Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.66 aangegeven capaciteit per persoon.

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid heeft een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel of met een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel voor warmwater een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm³/s. Een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is, blijft hierbij buiten beschouwing.

4.

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die ten minste voldoet aan de hoogste waarde die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor een op die voorziening aangewezen verblijfsruimte.

5.

Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied dat bestaat uit meer dan een gemeenschappelijke verblijfsruimte heeft, in afwijking van het vierde lid, een capaciteit die ten minste voldoet aan de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor de op die voorziening aangewezen verblijfsruimten.

6.

Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste:

  • a. 7 dm3/s bij een toiletruimte; en
  • b. 14 dm3/s bij een badruimte.
7.

Onverminderd het tweede lid heeft een verblijfsruimte een voorziening voor luchtverversing met een mechanische aan- of afvoer met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,8 dm3/s per m2 vloeroppervlakte.

Artikel 3.68. (luchtverversing overige ruimten)
1.

Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm3/s.

2.

Een liftschacht heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die liftschacht.

3.

Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm³/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, of een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 100 dm³/s als de ruimte groter is dan 10 m2.

4.

Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

5.

Een tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de voorziening een mechanische voorziening voor luchtverversing.

Artikel 3.69. (luchtkwaliteit: plaats van de uitmonding)

Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:

  • a. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan 5 m boven het straatniveau ligt, ten minste 1 m boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en
  • b. is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s.
Artikel 3.70. (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht)
1.

De toevoer van verse lucht naar een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte van buiten plaats.

2.

De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats.

3.

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats.

Artikel 3.71. (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht)
1.

De afvoer van binnenlucht uit een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks naar buiten of via de liftmachineruimte naar buiten plaats.

2.

De afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats uit:

  • a. een toiletruimte;
  • b. een badruimte; en
  • c. een opslagruimte voor huishoudelijk afval.
3.

De afvoer van binnenlucht uit een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

4.

Ten minste 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

§ 3.3.3. Spuivoorziening

Artikel 3.72. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.72 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
capaciteit spuivoorziening capaciteit spuivoorziening capaciteit spuivoorziening
artikel 3.73 3.73 3.73
lid 1 2 3
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 3
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang 1 3
b andere bijeenkomstfunctie
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
Artikel 3.73. (capaciteit spuivoorziening)
1.

Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm³/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een gemeenschappelijke verblijfsruimte.

3.

De in het eerste lid bedoelde capaciteit kan worden gerealiseerd met de in artikel 3.67 bedoelde voorziening voor luchtverversing.

§ 3.3.4. Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht

Artikel 3.74. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, waarmee een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.74 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
aanwezigheid aanwezigheid capaciteit: afvoer van rookgas capaciteit: afvoer van rookgas capaciteit: afvoer van rookgas capaciteit: afvoer van rookgas capaciteit: toevoer van verbrandingslucht capaciteit: toevoer van verbrandingslucht capaciteit: toevoer van verbrandingslucht rookdoorlatendheid
artikel 3.75 3.75 3.76 3.76 3.76 3.76 3.77 3.77 3.77 3.78
lid 1 2 1 2 3 4 1 2 3 *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties 1 2 1 2 3 4 1 2 3 *
Artikel 3.75. (aanwezigheid)
1.

Een ruimte met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de afvoer van rookgas en de toevoer van verbrandingslucht. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte met een of meer kook- of warmwatertoestellen met open verbranding met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW per toestel.

2.

Een open verbrandingstoestel is niet opgesteld in een toiletruimte of badruimte.

Artikel 3.76. (capaciteit: afvoer van rookgas)
1.

Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit.

2.

Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

3.

Een combinatie van een voorziening voor de afvoer van rookgas met een voorziening voor de afvoer van binnenlucht heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de afzonderlijke voorzieningen.

4.

Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 8757, vanaf een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rookgas. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 3.77. (capaciteit: toevoer van verbrandingslucht)
1.

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde capaciteit.

2.

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

3.

De richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar een verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 3.78. (rookdoorlatendheid)

Het inwendig oppervlak van een overdrukvoorziening voor de afvoer van rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 8757 bepaalde doorlatendheid die bij een drukverschil van 200 Pa niet groter is dan 0,006 x 10-3m3/s per m2.

§ 3.3.5. Bescherming tegen ratten en muizen

Artikel 3.79. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.79 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing
openingen openingen
artikel 3.80 3.80
lid 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie 1 2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 2
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie 1 2
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 1 2
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.80. (openingen)
1.

Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit is niet van toepassing op een afsluitbare opening en een uitmonding van:

  • a. een voorziening voor luchtverversing;
  • b. een afvoervoorziening voor rookgas; en
  • c. een ont- en beluchting van een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater.
2.

In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor op grond van afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving beschermde diersoorten.

§ 3.3.6. Daglicht

Artikel 3.81. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.81 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte
artikel 3.82 3.82 3.82 3.82 3.82 3.82 3.82 3.82 3.82
lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1
[m2]
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 8 0,5
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a kinderopvang 1 2 3 4 8 0,5
b andere bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 3 5 8 0,15
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 6 8 0,5
5 Industriefunctie Industriefunctie
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 8 0,5
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 2 3 7 8 0,5
9 Sportfunctie Sportfunctie
10 Winkelfunctie Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.82. (daglichtoppervlakte)
1.

Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.81 aangegeven oppervlakte.

2.

Bij het bepalen van het equivalente daglichtoppervlakte:

  • a. blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing;
  • b. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen buiten beschouwing, waarbij, als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen; en
  • c. is de in rekening te brengen belemmeringshoek α, bedoeld in NEN 2057 voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.
3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

4.

Het eerste lid geldt niet voor een bedruimte.

5.

In afwijking van het eerste en tweede lid kan in een celeenheid of andere ruimte voor het insluiten van personen worden volstaan met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus.

6.

Het eerste lid geldt alleen voor een bedruimte.

7.

Het eerste lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2.

8.

Als de op grond van het eerste tot en met zevende lid vereiste equivalente daglichtoppervlakte groter is dan de met toepassing van artikel 4.147 vastgestelde ten minste aan te houden equivalente daglichtoppervlakte, kan in plaats van het eerste tot en met de zevende lid artikel 4.147 worden toegepast.

Afdeling 3.4. Duurzaamheid

§ 3.4.1. Energiezuinigheid

Artikel 3.83. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een voldoende energieprestatie.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.83 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gegevens en bescheiden maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik gegevens en bescheiden maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik overgangsrecht maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik afbakening maatwerkvoorschriften maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik labelverplichting kantoorgebouw labelverplichting kantoorgebouw uitzondering labelverplichting kantoorgebouw
artikel artikel artikel 3.84 3.84a 3.84a 3.84b 3.86 3.87 3.87 3.87a
lid lid lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * * 1 2 3 4 5 6 *
1 Woonfunctie Woonfunctie
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * * 1 2 3 4 5 6 *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * * 4
Artikel 3.84. (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1.

Aan een gebruiksfunctie worden alle maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar getroffen.

2.

Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden verstaan:

  • a. energiebesparende maatregelen;
  • b. maatregelen voor het jaarlijks produceren van hernieuwbare energie op of aan de gebruiksfunctie tot ten hoogste het jaarlijks energiegebruik van de energiedrager van de gebruiksfunctie; en
  • c. maatregelen voor het vervangen van een energiedrager die leiden tot een lagere emissie van kooldioxide.
3.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

  • a. het energiegebruik van de gebruiksfunctie in enig kalenderjaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten;
  • c. voor de gebruiksfunctie alleen gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie die wordt opgewekt op of aan de gebruiksfunctie, of deze hernieuwbare energie met overeenkomstige toepassing van NTA 8800 is toe te rekenen aan de gebruiksfunctie.
4.

Het energiegebruik van de gebruiksfunctie, bedoeld in het derde lid, onder a, en het energiegebruik van de energiedrager van de gebruiksfunctie, bedoeld in het tweede lid, onder b, omvatten het totale energiegebruik van de milieubelastende activiteit waarop de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing zijn.

5.

Aan het eerste lid is in ieder geval voldaan als voor de gebruiksfunctie alle van toepassing zijnde bij ministeriële regeling vastgestelde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik zijn getroffen.

6.

Op het berekenen van de terugverdientijd, de emissie van kooldioxide en de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

7.

Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden niet verstaan maatregelen voor het gebruik van rie-biomassa, bedoeld in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor de productie van elektriciteit en laagwaardige warmte tot en met 100 °C.

8.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder hernieuwbare energie verstaan energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 3.84a. (gegevens en bescheiden maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1.

Uiterlijk op 1 december 2023 en daarna eenmaal per vier jaar worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • b. de naam en het nummer van inschrijving in het handelsregister van degene die de activiteit, bedoeld in artikel 3.1, verricht, als diegene is ingeschreven bij het handelsregister;
  • c. de contactgegevens van degene die de activiteit, bedoeld in artikel 3.1, verricht;
  • d. een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, die zijn getroffen;
  • e. een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, die niet van toepassing zijn omdat een of meer van de in de ministeriële regeling aangegeven randvoorwaarden niet van toepassing zijn;
  • f. als niet alle van toepassing zijnde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, zijn getroffen: een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar die zijn getroffen; en
  • g. het energiegebruik van de gebruiksfunctie, bedoeld in artikel 3.84, derde lid, uitgedrukt in kilowattuur elektriciteit en kubieke meters aardgasequivalent en gemeten over enig kalenderjaar.
2.

De gegevens en bescheiden worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een formulier die door Onze Minister voor Klimaat en Energie beschikbaar worden gesteld.

Artikel 3.84b. (overgangsrecht maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)

Als voor de inwerkingtreding van dit besluit gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, blijft artikel 2.15 van dat besluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor zover gericht op de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, en de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijn gesteld, tot 1 december 2027 van toepassing.

Artikel 3.85. (uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel)

Vervallen

Artikel 3.86. (afbakening maatwerkvoorschriften maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.84 kan alleen inhouden het toestaan van een gefaseerde uitvoering van de in artikel 3.84, eerste lid, bedoelde maatregelen.

Artikel 3.87. (labelverplichting kantoorgebouw)
1.

Het is verboden om een kantoorgebouw in gebruik te nemen of te gebruiken zonder een geldig energielabel als bedoeld in artikel 6.29 met een maximumwaarde voor primair fossiel energiegebruik van 225 kWh/m2.jr, bepaald volgens NTA 8800, of met een in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van de energieprestatie van C of beter, die daarin op grond van bij ministeriële regeling gestelde regels is omgezet.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw met een gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties kleiner dan 50% van de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw als de totale gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in het kantoorgebouw of in het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt kleiner is dan 100 m².

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw:

  • a. dat niet is bestemd om te worden verwarmd of gekoeld voor personen;
  • b. dat een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is;
  • c. dat wordt gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten;
  • d. dat ten hoogste twee jaar wordt gebruikt;
  • e. dat een alleenstaand gebouw is met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2; en
  • f. dat bij minnelijke verwerving als bedoeld in 11.7, eerste lid, onder a, van de wet, wordt verkregen en voor de uitvoering van het werk waarmee die verkrijging verband houdt zal worden gesloopt.
5.

Als de maatregelen die nodig zijn om de in het eerste lid bedoelde energieprestatie te realiseren een terugverdientijd hebben van meer dan 10 jaar, kan worden volstaan met het treffen van de maatregelen met een terugverdientijd tot en met 10 jaar en de daarbij behorende energieprestatie.

6.

Op het berekenen van de terugverdientijd, bedoeld in het vijfde lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.87a. (uitzondering labelverplichting kantoorgebouw)

Artikel 3.87, eerste lid, is niet van toepassing op een kantoorgebouw met een geldig energielabel als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit energieprestatie gebouwen zoals dat gold op 31 december 2020, met een energie-index van 1,3 of beter.

§ 3.4.2. Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen

Artikel 3.87aa. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft voldoende laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.87b. (laadpunt voor elektrische voertuigen)
1.

Een gebouw met een parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde bouwwerkperceel met meer dan 20 parkeervakken, heeft ten minste één laadpunt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

  • a. een gebouw dat niet is bestemd om te worden verwarmd of gekoeld voor personen;
  • b. een gebouw met een of meer woonfuncties; en
  • c. een gebouw met een logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw.
3.

Een laadpunt is geschikt voor slim laden.

Artikel 3.87c. (afbakening maatwerkvoorschriften laadpunt voor elektrische voertuigen)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.87b kan alleen inhouden dat een laadpunt geschikt moet zijn voor bi-directioneel laden.

Afdeling 3.5. Bruikbaarheid

§ 3.5.1. Verblijfsgebied en verblijfsruimte

Artikel 3.88. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie heeft een verblijfsgebied dat bruikbaar is voor de voor de woonfunctie kenmerkende activiteiten.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.89. (aanwezigheid niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied)

Een woonfunctie heeft een vloeroppervlakte van ten minste 10 m2 aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied.

Artikel 3.90. (afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte)
1.

In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 7,5 m2 en een breedte van ten minste 2,4 m.

2.

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben boven de vloer een hoogte van ten minste 2,1 m.

§ 3.5.2. Toiletruimte

Artikel 3.91. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie heeft voldoende toiletruimte.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.92. (aanwezigheid toiletruimte)

Een woonfunctie heeft een toiletruimte.

Artikel 3.93. (afmetingen toiletruimte)

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 3.92 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,64 m2, met een breedte van ten minste 0,6 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2 m.

§ 3.5.3. Opstelplaatsen

Artikel 3.94. (aansturingsartikel)
1.

Een woonfunctie heeft opstelplaatsen voor een aanrecht en voor een kooktoestel.

2.

Als voor een woonfunctie in tabel 3.94 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
aanwezigheid opstelplaatsen afmetingen opstelplaatsen afmetingen opstelplaatsen
artikel 3.95 3.96 3.96
lid * 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie
a voor zorg
b andere woonfunctie * 1 2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
Artikel 3.95. (aanwezigheid opstelplaats)

Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel die in een besloten ruimte liggen.

Artikel 3.96. (afmetingen opstelplaats)
1.

Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,4 m.

2.

Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,4 m x 0,4 m.

Afdeling 3.6. Toegankelijkheid, bereikbaarheid vanaf de openbare weg

Artikel 3.97. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is vanaf de openbare weg voldoende toegankelijk voor personen met een functiebeperking.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.97 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing
bereikbaarheid van een gebouw
artikel 3.98
*
1 Woonfunctie Woonfunctie
a. woonwagen
b. andere woonfunctie *
5 Industriefunctie Industriefunctie
a. lichte industriefunctie
b. andere industriefunctie *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
Alle niet hierboven genoemd gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemd gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemd gebruiksfuncties *
Artikel 3.98. (bereikbaarheid van een gebouw)

Een verhard pad waarover voor personen met een functiebeperking een route loopt tussen de openbare weg en een gebouw wordt in stand gehouden als dit pad is aangelegd om te voldoen aan de eisen voor de bereikbaarheid van het gebouw die golden bij de bouw van het gebouw.

Artikel 3.98a. (overgangsrecht: bereikbaarheid van een gebouw)

Vervallen

Afdeling 3.7. Bouwwerkinstallaties

§ 3.7.1. Verlichting

Artikel 3.99. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.99 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
verlichting verlichting verlichting verlichting verlichting noodverlichting noodverlichting noodverlichting noodverlichting noodverlichting aansluiting op voorziening voor elektriciteit verduisterde ruimte overgangsrecht: noodverlichting
artikel 3.100 3.100 3.100 3.100 3.100 3.101 3.101 3.101 3.101 3.101 3.102 3.103 3.104
lid 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 * * *
1 Woonfunctie Woonfunctie 4 *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie 1 4 1 3 5 * * *
3 Celfunctie Celfunctie 1 4 1 3 5 * * *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 4 1 3 5 * * *
5 Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie *
b andere industriefunctie 1 4 1 3 5 * * *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 4 1 3 5 * * *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw 1 4 1 3 5 * * *
b andere logiesfunctie 1 4 1 3 5 * *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 4 1 3 5 * * *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 4 1 3 5 * * *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 4 1 3 5 * * *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor het personenvervoer 2 3 4 2 3 5 * * *
b voor het stallen van motorvoertuigen 2 4 2 3 5 * * *
c andere overige gebruiksfunctie 4 * * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 4 5 3 4 5 * *
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 4 3 5 * * *
Artikel 3.100. (verlichting)
1.

Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

2.

Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

3.

Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

4.

Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute of beschermde route voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

5.

Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Artikel 3.101. (noodverlichting)
1.

Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.

2.

Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 3.100, tweede lid, heeft noodverlichting.

3.

Een besloten ruimte als bedoeld in artikel 3.100, vierde lid, heeft noodverlichting.

4.

Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.

5.

Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

Artikel 3.102. (aansluiting op voorziening voor elektriciteit)

Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 3.100 en 3.101 is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit.

Artikel 3.103. (verduisterde ruimte)

Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.

Artikel 3.104. (overgangsrecht: noodverlichting)

Zolang de indeling van een bouwwerk of een gedeelte daarvan niet verandert en het aantal personen in dat bouwwerk of gedeelte niet groter is dan het onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 2012 voor dat bouwwerk toegestane aantal personen, blijft op dat bouwwerk of gedeelte artikel 3.101 buiten toepassing als dat bouwwerk of dat gedeelte daarvan voldoet aan de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2003 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan 1 april 2012.

§ 3.7.2. Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie

Artikel 3.105. (aansturingsartikel)
1.

Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.106. (voorziening voor elektriciteit)

Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:

  • a. NEN 1010 bij lage spanning; en
  • b. de door de Hoofdcommissie voor de Normalisatie uitgegeven leidraad V 1041 bij hoge spanning.
Artikel 3.107. (voorziening voor gas)

Een voorziening voor gas voldoet aan:

  • a. NEN 8078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar; en
  • b. NEN 2078 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.

§ 3.7.3. Watervoorziening

Artikel 3.108. (aansturingsartikel)
1.

Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.109. (drinkwatervoorziening)

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.

Artikel 3.110. (warmwatervoorziening)

Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.

§ 3.7.4. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater

Artikel 3.111. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.111 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)