Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 2022, nr. 2022-0000261694, houdende regels met betrekking tot de besteding van gelden uit het Fonds voor een rechtvaardige transitie, opgericht bij Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad (Subsidieregeling JTF 2021–2027)
Bijlage 4. behorende bij artikel 4.2.3
JTF-Call 2022 voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond
Voorstellen moeten passen binnen het Rotterdams Klimaatakkoord Home :: Rotterdams Klimaatakkoord; https://www.rotterdamsklimaatakkoord.nl/.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Titel 2.7. Steun voor middelgrote valorisatieprojecten die aansluiten bij de transities uit de RIS3 2021–2027
Artikel 2.7.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- −. RIS3 2021–2027: Research & Innovation Strategy for Smart Specialization Noord-Nederland. Dit is het document waarin de innovatiestrategie voor Noord-Nederland voor de periode 2021–2027 is uiteengezet;
- −. SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland, de intermediaire instantie voor JTF-regio Groningen;
- −. samenwerkingsproject: project dat wordt uitgevoerd door ten minste twee onafhankelijke projectpartners, die een aantoonbaar belang hebben bij het project;
- −. projectpartners: samenwerkende partijen die een aantoonbaar belang hebben bij het samenwerkingsproject en die geen partnerondernemingen van elkaar zijn of verbonden met elkaar zijn als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van bijlage 1 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Partijen die partnerondernemingen zijn of verbonden ondernemingen zijn, worden gezien als één projectpartner binnen een samenwerkingsproject;
- −. transities: vier transities, zoals beschreven in hoofdstuk 1.4 van de RIS3 2021–2027;
- −. valorisatieproject: innovatietraject gericht op ontwikkeling van nieuwe producten, concepten, technologieën en diensten, of het testen van innovatieve toepassingen in de praktijkomgeving gericht op valorisatie van nieuwe technieken.
Artikel 2.7.2. Doel subsidie
Een project waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend, past binnen Spoor 1 en Spoor 2 van het TJTP. Het project draagt bij aan de transformatie en diversificatie van de regionale economie. Dit kan door het stimuleren van de ontwikkeling van nieuwe duurzame waardenketens of innovaties langs de lijnen van de RIS3 2021–2027, zoals de (versnelde) omschakeling naar groene grondstoffen, duurzame waterstof en circulariteit.
Artikel 2.7.3. Doelgroep
De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie voor een valorisatieproject aan:
- a. een natuurlijke ondernemingsvorm;
- b. een rechtspersoon;
- c. een deelnemer in een samenwerkingsverband van natuurlijke- of rechtspersonen.
Artikel 2.7.4. Subsidiabele activiteiten
Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor het uitvoeren van valorisatieprojecten binnen minimaal één van de vier transities.
Artikel 2.7.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling
Het subsidieplafond bedraagt € 14.873.000.
De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.
Artikel 2.7.6. Aanvraagperiode
Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 9 oktober 2023 12.00 uur tot en met 30 april 2025 12.00 uur.
Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is via https://www.jtf-webportal.nl/mijn/ of via www.snn.nl.
Voorafgaand aan de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de Minister van SZW een preadvies gevraagd.
Het preadvies geeft een advies over de mate waarin het project past binnen het doel van de subsidie.
Een aanvraag voor een preadvies kan worden ingediend van 1 juni 2023 12.00 uur tot en met 12 januari 2024 12.00 uur.
Aanvragers ontvangen uiterlijk vier weken na afloop van de periode, bedoeld in het vijfde lid, het preadvies.
Het preadvies wordt aangevraagd door middel van het aanvraagformulier dat beschikbaar is via https://www.snn.nl/over-snn/strategie-programmas/efro-noord-nederland-2021–2027/projectvoorstel-valorisatie-2023.
Artikel 2.7.7. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 25 procent van de subsidiabele kosten.
De subsidie wordt met 10 procentpunten verhoogd indien het project:
- a. een samenwerkingsproject betreft, waarbij geen van de individuele aanvragers meer dan 70 procent van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening neemt; of
- b. een samenwerkingsproject betreft bestaande uit een onderneming en één of meer kennisinstellingen, waarbij deze kennisinstellingen ten minste 10 procent van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren.
De subsidie wordt nogmaals met 10 procentpunten verhoogd indien het project een samenwerkingsproject betreft tussen één of meer kennisinstellingen en minimaal twee ondernemingen die geen partnerondernemingen van elkaar of verbonden met elkaar zijn. Hierbij dienen de kennisinstellingen ten minste 10 procent van de in aanmerking komende kosten te dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren, en mag geen van de individuele aanvragers meer dan 70 procent van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening nemen.
In afwijking van het eerste tot en met derde lid kan de hoogte van het subsidiepercentage per aanvrager worden beperkt, indien de regels van de Algemene groepsvrijstellingsverordening en de de-minimisverordening daartoe aanleiding bieden.
De subsidie bedraagt minimaal € 350.000 per project.
De subsidie bedraagt maximaal € 800.000 per project en maximaal € 500.000 per projectpartner.
Artikel 2.7.8. Starttermijn en looptijd
Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking.
Wanneer ten tijde van het indienen van de aanvraag de benodigde vergunningen nog niet zijn verleend, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat alle benodigde vergunningen uiterlijk vijf maanden na indiening van de aanvraag zijn verkregen.
De uitvoering van het project is binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking voltooid.
Op verzoek van de subsidieontvanger kan de Minister van SZW de termijn, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, verlengen.
Artikel 2.7.9. Afwijzingsgronden
Onverminderd artikel 1.25 beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag, indien:
- a. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische haalbaarheid van het project;
- b. door een aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het project financieel, ruimtelijk of anderszins, obstakelvrij is; of
- c. niet aannemelijk is dat alle projectactiviteiten van het project binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking volledig ten uitvoer kunnen zijn gebracht.
Artikel 2.7.10. Beoordelingscriteria
Gelet op artikel 1.20, tweede lid, wordt een project uitsluitend beoordeeld op de onderdelen a, c, d, e en f van artikel 1.20, eerste lid.
Gelet op artikel 1.20, derde lid, kent de Minister van SZW per onderdeel als bedoeld in het eerste lid, maximaal de volgende hoeveelheid punten toe:
- a. de mate waarin het project meer bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 25 punten;
- b. de mate waarin het technische en sociale innovatiegehalte hoger is: 25 punten;
- c. de mate waarin het economisch of financieel toekomstperspectief hoger is: 20 punten;
- d. de mate waarin de kwaliteit van het projectplan beter is: 15 punten;
- e. de mate waarin het project meer bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 15 punten.
Artikel 2.7.11. Voorschot
De Minister van SZW verleent op aanvraag een voorschot vooruitlopend op te maken kosten als bedoeld in artikel 1.30 van 30 procent van de verleende subsidie.
De Minister van SZW kan onderbouwd afwijken van de in het eerste lid bedoelde verlening van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.
De Minister van SZW verleent op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.
In afwijking van artikel 1.31, zesde lid, bedragen de voorschotten in totaal maximaal 80 procent van het verleende subsidiebedrag.
In afwijking van het vierde lid kan een voorschot tot een maximum van 100 procent van de maximaal verleende subsidie worden verstrekt, indien:
- a. het zeer aannemelijk is dat het project conform de subsidievoorwaarden op afzienbare termijn kan worden afgerond;
- b. het aannemelijk is dat de kosten die nog gemaakt worden subsidiabel gesteld zullen worden;
en;
- c. het niet toekennen van het voorschot onredelijke gevolgen voor de liquiditeitspositie van de aanvragende onderneming heeft.
Artikel 2.7.12. Subsidieaanvraag
Onverminderd artikel 1.22 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
- a. een volledig ingevuld aanvraagformulier;
- b. de in het aanvraagformulier genoemde documenten, waarvoor door de Minister van SZW aangeleverde vaste formats worden gebruikt inclusief daaraan verbonden voorschriften;
- c. een preadvies als bedoeld in artikel 2.7.6, derde lid.
Voor het door de Minister van SZW vastgestelde format voor het projectplan bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, geldt het maximumaantal pagina’s. Een aanvraag die hieraan niet voldoet, wordt afgewezen.
Artikel 2.7.13. Staatssteun
Indien de subsidie staatssteun bevat dan dient het gerechtvaardigd te worden door:
- a. de de-minimisverordening; of
- b. de artikelen 25, 27, 28 en 29 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 2.7.14. Vervaltermijn
Deze titel en artikel 9.2.1.2 vervallen met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.
Hoofdstuk 3. Subsidies JTF-regio IJmond
Titel 2.7. Steun voor middelgrote valorisatieprojecten die aansluiten bij de transities uit de RIS3 2021–2027
Titel 3.2. Subsidietitel voor steun aan investeringen en bijbehorende opleidingen
Artikel 3.2.1. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- –. business case: uitwerking van een investeringsplan;
- –. capaciteit: door de duurzame bedrijfsuitrusting bepaalde, technisch maximale vermogen tot produceren per tijdseenheid;
- –. committed termsheet: juridisch bindend document tussen onderneming en investeerder(s) met de voorwaarden van de investering;
- –. diversificatieproject: een project dat de diversificatie inhoudt van de activiteit binnen een vestiging van de onderneming;
- –. duurzame bedrijfsuitrusting: een investering die wordt geactiveerd op de balans van de onderneming;
- –. gewaarmerkte uncommitted termsheet: niet juridisch bindend document tussen onderneming en investeerder(s) met daarin de belangrijkste voorwaarden om tot de investering te komen. De uncommitted termsheet gaat vooraf aan de committed termsheet;
- –. groene waterstof: waterstof geproduceerd uit hernieuwbare bronnen zoals duurzame elektriciteit via elektrolyse of uit biogrondstoffen;
- –. randvoorwaardelijke infrastructuur: infrastructuur die noodzakelijk geacht wordt voor de diversificatie en transformatie van het circulaire en klimaatneutrale bedrijfsleven in het werkingsgebied en die bijdraagt aan de transitie naar hernieuwbare energie en hernieuwbare of circulaire grondstoffen of bijdraagt aan het oplossen van lokale netcongestie;
- –. regionaal transitieplan: het territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie, opgenomen als bijlage bij het nationaal JTF-programma 2021–2027;
- –. regionale innovatiestrategie: RIS3, de regionale innovatiestrategie voor slimme specialisatie voor West-Nederland;
- –. sluitende financiering: financiering van een project dat kan bestaan uit eigen middelen van de onderneming, vreemd vermogen en gevraagde subsidie(s). Het totaal van deze financiering is gelijk aan de projectkosten;
- –. Kansen voor West: KvW, de intermediaire instantie voor JTF-regio IJmond;
- –. stimulerend effect: stimulerend effect als bedoeld in artikel 6 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
- –. transformatieproject: een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bedrijf;
- –. uitbreidingsproject: een project dat de uitbreiding van de capaciteit inhoudt, het betreft een uitbreiding van een bedrijf, hoofdkantoor van een bedrijf, of laboratorium van een bedrijf in dezelfde gemeente als waarin al een bedrijf van de ondernemer of een bedrijf van een tot hetzelfde concern behorende ondernemer is gevestigd;
- –. vestigingsproject: een project waar geen sprake is van een uitbreidingsproject, maar nieuwe economische activiteiten inhoudt, voortkomende uit:
-
- het stichten van een bedrijf;
-
- het stichten van een hoofdkantoor of laboratorium;
-
- het nieuw vestigen van een locatie van een in onderdeel 1 of onderdeel 2 genoemd bedrijf;
- –. werkingsgebied: de JTF-regio IJmond, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b;
- –. werkingsgebied voor regionale investeringssteun: het gebied binnen het werkingsgebied dat is opgenomen in de Regionale Steunkaart 2022-2027, zoals door de Europese Commissie goedgekeurd bij Steunmaatregel SA.100273 (2021/N).
Artikel 3.2.2. Doel subsidie
Het doel van de subsidie op grond van deze titel is transformatie en diversificatie van de regionale economie en arbeidsmarkt conform het regionaal transitieplan. Deze transformatie wordt gerealiseerd in de vorm van steun aan een investeringsproject dat bijdraagt aan de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie en de daarbij behorende scholing van nieuw of bestaand personeel in het werken binnen en met de te realiseren investeringen.
Projecten waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend, passen binnen:
- a. Spoor 1 en Spoor 2 voor wat betreft de investeringen;
- b. Spoor 3 voor de opleidingscomponent.
Aanvrager draagt met de investeringen in het project bij aan de ontwikkeling van één of meer nieuwe waardeketens of economische ecosystemen binnen de drie transities die zijn opgenomen in het regionale transitieplan voor IJmond:
- a. van een lineaire naar een circulaire economie;
- b. van een fossiele naar een klimaatneutrale economie;
- c. van een kwetsbare naar een weerbare beroepsbevolking.
Een aanvrager draagt met de om- of bijscholing van bestaande of nieuwe werknemers in het project bij aan het versterken van de competenties en vaardigheden van bestaande en nieuwe werknemers, niet zijnde standaardwerkzaamheden. Deze competenties en vaardigheden hangen voor de werkgever samen met de inzetbaarheid van deelnemers in het werken met de investeringen. Deze competenties en vaardigheden zijn voor de deelnemers gericht op hun toekomstbestendige inzetbaarheid op de arbeidsmarkt binnen de drie transities, bedoeld in het derde lid.
Artikel 3.2.3. Doelgroep
De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming die bijdraagt aan de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie voor projecten die worden uitgevoerd in het werkingsgebied en die passen binnen de kaders van deze regeling.
Artikel 3.2.4. Subsidiabele activiteiten
Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor:
- a. investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting en daarbij behorende gebouwen; het gaat om een vestigingsproject van een onderneming;
- b. investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting en daarbij behorende gebouwen; het gaat om een uitbreidingsproject van een mkb-onderneming;
- c. investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting en daarbij behorende gebouwen; het gaat om een diversificatieproject van een mkb-onderneming;
- d. investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting en daarbij behorende gebouwen; het gaat om een transformatieproject van een mkb-onderneming;
- e. bij- of omscholing en training van bestaand en nieuw personeel direct verbonden aan de realisatie, het doen en het gebruiken onderscheidenlijk bedienen van de investeringen, bedoeld in de onderdelen a, b, c of d.
Projecten zijn gericht op toekomstbestendigheid van de economie door diversificatie langs de lijnen van de drie transities of op groen perspectief door transformatie naar circulaire en klimaatneutrale productieprocessen in ondernemingen door het vervangen van fossiele grond- en brandstoffen.
Artikel 3.2.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling
Voor aanvragen die uiterlijk op 14 mei 2025 zijn ingediend, bedraagt het subsidieplafond € 12.500.000, met dien verstande dat er maximaal € 5.000.000 beschikbaar is voor projecten van grote ondernemingen.
Voor aanvragen die op of na 15 mei 2025 zijn ingediend, bedraagt het subsidieplafond € 10.500.000, met dien verstande dat er maximaal € 5.000.000 beschikbaar is voor projecten van grote ondernemingen.
De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.
Artikel 3.2.6. Aanvraagperiode
Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 15 augustus 2023 09.00 uur tot en met 1 maart 2026 17.00 uur.
Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is via https://www.jtf-webportal.nl/mijn/.
Artikel 3.2.7. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt voor een:
- a. kleine onderneming maximaal 30 procent van de subsidiabele kosten;
- b. middelgrote onderneming maximaal 20 procent van de subsidiabele kosten;
- c. grote onderneming maximaal 10 procent van de subsidiabele kosten.
De subsidie bedraagt voor opleidingskosten maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten.
De subsidie voor investeringskosten in een project bedraagt maximaal € 4.000.000 per project.
De subsidie bedraagt niet meer dan de maximale steunruimte op basis van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, te berekenen op basis van de volgende artikelen van de Algemene groepsvrijstellingsverordening:
- a. artikelen 13 en 14 inzake regionale investeringssteun en artikel 36, 36 bis, 38, 38 bis, 41, 47 en 56 ter voor investeringskosten;
- b. artikel 31 inzake opleidingssteun inzake kosten voor om-of bijscholing.
Artikel 3.2.8. Subsidiabele kosten
In afwijking van artikel 1.11 komen uitsluitend de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:
- a. voor kosten van investeringen:
- 1°. andere kosten als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, onderdeel f, voor gebouwen, nader bepaald als de koopsom en overdrachtskosten of de aan derden verschuldigde verbouwkosten, exclusief de financieringskosten en de overdrachtsbelasting, of ingeval van huurkoop of financial lease de aanschafwaarde;
- 2°. andere kosten als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, onderdeel f, voor duurzame bedrijfsuitrusting, nader bepaald als de koopsom, of ingeval van huurkoop of financial lease de aanschafwaarde;
- b. kosten voor investeringen als bedoeld in onderdeel a komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking, voor zover:
- 1°. deze zijn geactiveerd op de balans;
- 2°. niet hoger zijn dan de taxatiewaarde, vastgesteld door een beëdigd taxateur;
- 3°. niet binnen twee jaar worden afgeschreven, tenzij het duurzame bedrijfsuitrusting is die met toepassing van de artikelen 3.31 tot en met 3.35 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 is aangewezen;
- c. voor infrastructurele kosten:
- 1°. infrastructuur die noodzakelijk geacht wordt voor de diversificatie en transformatie van het circulaire en klimaatneutrale bedrijfsleven in het werkingsgebied en die bijdraagt aan de transitie naar hernieuwbare energie en hernieuwbare of circulaire grondstoffen of bijdraagt aan het oplossen van lokale netcongestie;
- 2°. proceskosten die rechtstreeks samenhangen met de planvoorbereiding van infrastructuur.
- d. voor kosten van bij- en omscholing:
- 1°. andere kosten voor opleiding en training als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, onderdeel f;
- 2°. in geval van opleiding en training voor competenties en vaardigheden niet zijnde standaardwerkzaamheden: loonverletkosten als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, onderdeel b, voor de uren die medewerkers in dienst van de aanvrager deelnemen aan bij- en omscholing.
Een investering in duurzame bedrijfsuitrusting mag niet binnen twee jaar worden afgeschreven, tenzij de bedrijfsuitrusting willekeurig kan worden afgeschreven op grond van fiscale regelgeving.
Onverminderd artikel 1.15 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:
- a. investeringen in bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting die de subsidieontvanger heeft gekregen van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die tot hetzelfde concern behoort;
- b. immateriële vaste activa als bedoeld in artikel 365 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 3.2.9. Starttermijn en looptijd
Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening.
De uitvoering van het project is binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking voltooid, inclusief het in gebruik nemen van de gerealiseerde capaciteit.
Op verzoek van de subsidieontvanger kan de Minister van SZW de termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, verlengen.
Artikel 3.2.10. Afwijzingsgronden
Onverminderd artikel 1.25 beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag, indien:
- a. de totale subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan € 500.000;
- b. de financiering van het project niet uiterlijk zes maanden na afgifte van de verleningsbeschikking aantoonbaar is;
- c. de activiteiten gericht zijn op hergebruik van producten, afvalstoffen of grondstoffen, waarbij er geen sprake is van een hoogwaardige toepassing of wanneer er sprake is van het opwerken van afval uitsluitend ten behoeve van export;
- d. het diversificatieproject betreft waarbij de nieuwe activiteit hetzelfde of een vergelijkbare activiteit is als de activiteit die eerder in de vestiging werd uitgeoefend.
Artikel 3.2.11. Beoordelingscriteria
Gelet op artikel 1.20, tweede lid, wordt een project beoordeeld op alle onderdelen uit artikel 1.20, eerste lid.
Gelet op artikel 1.20, derde lid, kent de Minister van SZW per onderdeel als bedoeld in het eerste lid, maximaal de volgende hoeveelheid punten toe:
- a. de mate waarin het project meer bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 20 punten;
- b. de mate waarin het project meer sociaaleconomisch integraal is: 15 punten;
- c. de mate waarin het technische en sociale innovatiegehalte hoger is: 15 punten;
- d. de mate waarin het economisch of financieel toekomstperspectief hoger is: 20 punten;
- e. de mate waarin de kwaliteit van het projectplan beter is: 15 punten;
- f. de mate waarin het project meer bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 15 punten.
Artikel 3.2.12. Voorschot
De Minister van SZW verleent op aanvraag een voorschot vooruitlopend op te maken kosten als bedoeld in artikel 1.30 van 30 procent van de verleende subsidie.
De Minister van SZW kan onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.
De Minister van SZW verleent op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.
In afwijking van artikel 1.31, zesde lid, bedragen de voorschotten in totaal maximaal 80 procent van het verleende subsidiebedrag.
Artikel 3.2.13. Subsidieaanvraag
In aanvulling op het artikel 1.22 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
- a. een volledig ingevuld aanvraagformulier;
- b. de in het aanvraagformulier genoemde documenten, waarvoor door het Kansen voor West aangeleverde vaste formats worden gebruikt inclusief daaraan verbonden voorschriften.
Voor het door de Minister van SZW vastgestelde format voor het projectplan bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, geldt het maximumaantal pagina’s. Een aanvraag die hieraan niet voldoet wordt afgewezen.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het digitale aanvraagformulier via de link https://www.jtf-webportal.nl/mijn/.
Artikel 3.2.14. Staatssteun
De subsidie bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 13, 14, 31, 36, 36bis, 38, 38bis, 41, 47 en 56ter van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.2.15. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 maart 2026, met dien verstande dat deze titel van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.
Titel 3.3. Scholingsvouchers
Artikel 3.3.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- opleidingsinstituut: erkende onderwijsinstelling, bedrijfsschool of private opleider als bedoeld in artikel 3.3.3;
- EQF-register: kwalificatieregister van alle private kwalificaties die tot nu toe in Europa zijn ingeschaald in het Europese kwalificatieraamwerk;
- NLQF-register: kwalificatieregister van alle private kwalificaties die tot nu toe in Nederland zijn ingeschaald in het Nederlandse kwalificatieraamwerk en de Europese equivalent;
- NRTO: Nederlandse Raad voor Training en Opleiding, overkoepelende brancheorganisatie voor alle particuliere trainings- en opleidingsbureaus in Nederland;
- scholingstraject: het opleiden van een natuurlijk persoon voor een baan die bijdraagt aan de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie;
- voorschakeltraject: het door een opleider begeleiden van een traject waarin een natuurlijk persoon leert wat de sector doet en door de begeleiding de bewuste keuze kan maken voor een baan die bijdraagt aan de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie;
- scholingsvoucher: een op grond van artikel 3.3.3 door een opleidingsinstituut afgegeven document ten behoeve van het volgen van een scholings- of een voorschakeltraject.
Artikel 3.3.2. Doel scholingsvouchers
Doel van de scholingsvouchers is het bevorderen van een voldoende, goed opgeleide, gemotiveerde en beschikbare beroepsbevolking. De scholingsvouchers dragen bij aan de transitieopgaven in de regio en vangen de wijzigingen en het verdwijnen van vacatures als gevolg van de transitieopgave op.
Artikel 3.3.3. Aanvraag en verstrekking scholingsvoucher
De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie ten behoeve van een of meer scholingsvouchers aan een opleidingsinstituut dat:
- a. erkend is door de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap;
- b. erkend is door de NRTO;
- c. erkend is door de betreffende branche of sector;
- d. opgenomen is in het NLQF- of EQF-register; of
- e. een bedrijfsschool is, gelieerd aan of formeel geaccrediteerd voor een in Nederland erkende opleiding.
Artikel 3.3.4. Subsidiabele activiteiten en omvang subsidie
Een scholingsvoucher kan worden ingezet voor de volgende activiteiten:
- a. een scholingstraject; of
- b. een voorschakeltraject.
De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten exclusief btw, met een maximum subsidiebedrag van € 1.250 per scholingsvoucher.
De subsidie bedraagt ten minste € 50.000 en ten hoogste € 100.000.
Artikel 3.3.5. Starttermijn en looptijd
De activiteiten van een project in het kader van deze titel vangen niet eerder aan dan de dag waarop de verleningsbeschikking is afgegeven.
Een scholingsvoucher kan door de aanvrager worden uitgegeven tot en met 31 december 2026.
De activiteiten van een project zijn uiterlijk 31 december 2027 door de aanvrager uitgevoerd.
Artikel 3.3.6. Subsidieplafond en wijze van verdelen
Het subsidieplafond voor deze titel bedraagt € 500.000.
De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.
Artikel 3.3.7. Aanvraagperiode en gegevens subsidieaanvraag
Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 15 augustus 2023 9.00 uur tot en met 31 december 2026 17.00 uur.
Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is in het https://www.jtf-webportal.nl/mijn/.
Artikel 3.3.8. Subsidiabele kosten
De subsidie wordt verleend op basis van een door de subsidieaanvrager ingediende ontwerpbegroting als bedoeld in artikel 53, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de GB-verordening.
In afwijking van artikel 1.11 zijn de in de ontwerpbegroting op te nemen subsidiabele kosten waarvoor de scholingsvoucher kan worden ingezet de opleidingskosten, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, van de natuurlijk persoon.
Onverminderd artikel 1.15 komen de volgende kosten niet in aanmerking als subsidiabele kosten:
- a. reis- en verblijfskosten;
- b. kosten voor voedsel en drank; en
- c. kosten voor opleidingen van natuurlijke personen die ten tijde van de aanvraag de leeftijd van 30 jaren nog niet hebben bereikt, en:
- 1°. de te subsidiëren opleiding kan worden aangemerkt als een onderwijssoort als bedoeld in de artikelen 2.4, 2.8, 2.10 en 2.11 van de Wet studiefinanciering 2000; of
- 2°. de te subsidiëren opleiding kan worden aangemerkt als een onderwijssoort als bedoeld in de artikelen 2.9 of 2.10 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Artikel 3.3.9. Beoordelingscriteria
Gelet op artikel 1.20, tweede lid, wordt een project uitsluitend beoordeeld op de onderdelen a, b, e en f van artikel 1.20, eerste lid.
Gelet op artikel 1.20, derde lid, kent de Minister van SZW per onderdeel als bedoeld in het eerste lid maximaal de volgende hoeveelheid punten toe:
- a. voor de mate waarin het project meer bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 30 punten;
- b. voor de mate waarin het project meer sociaaleconomisch integraal is: 20 punten;
- c. voor de mate waarin de kwaliteit van het projectplan beter is: 20 punten;
- d. voor de mate waarin het project meer bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 30 punten.
Artikel 3.3.10. Voorschot
De Minister van SZW verleent op aanvraag een voorschot op grond van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.
In aanvulling op artikel 1.31, vijfde lid, bevat de aanvraag voor een voorschot bewijsstukken waaruit blijkt hoeveel scholings- of voorschakeltrajecten met een door het opleidingsinstituut afgegeven scholingsvoucher zijn afgerond.
Artikel 3.3.11. Aanvraag vaststelling subsidie
In aanvulling op artikel 1.32, vijfde en zesde lid, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling bewijsstukken waaruit blijkt hoeveel scholings- of voorschakeltrajecten met een door het opleidingsinstituut afgegeven scholingsvoucher zijn afgerond.
Artikel 3.3.12. Staatssteun
Een scholingsvoucher bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 31 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.3.13. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze titel van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.
Hoofdstuk 4. Subsidies JTF-regio Groot-Rijnmond
Titel 4.1. Regionale Subsidies voor Spoor 1 en 2 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond
Titel 4.2. Regionale Subsidies voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Rijnmond
Titel 4.3. Scholingsvouchers
Artikel 4.3.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- opleidingsinstituut: erkende onderwijsinstelling, bedrijfsschool of private opleider als bedoeld in artikel 4.3.3;
- EQF-register: kwalificatieregister van alle private kwalificaties die tot nu toe in Europa zijn ingeschaald in het Europese kwalificatieraamwerk;
- NLQF-register: kwalificatieregister van alle private kwalificaties die tot nu toe in Nederland zijn ingeschaald in het Nederlandse kwalificatieraamwerk en de Europese equivalent;
- NRTO: Nederlandse Raad voor Training en Opleiding, overkoepelende brancheorganisatie voor alle particuliere trainings- en opleidingsbureaus in Nederland;
- scholingstraject: het opleiden van een natuurlijk persoon voor een baan in de energietransitie of werken in de haven;
- voorschakeltraject: het door een opleider begeleiden van een traject waarin een natuurlijk persoon leert wat de sector doet en door de begeleiding de bewuste keuze kan maken voor een baan in de energietransitie of werken in de haven;
- scholingsvoucher: een op grond van artikel 4.3.3 door een opleidingsinstituut afgegeven document ten behoeve van het volgen van een scholings- of een voorschakeltraject.
Artikel 4.3.2. Doel scholingsvouchers
Doel van de scholingsvouchers is het bevorderen van een voldoende, goed opgeleide, gemotiveerde en beschikbare beroepsbevolking. De scholingsvouchers dragen bij aan de transitieopgaven in de regio en vangen de wijzigingen en het verdwijnen van vacatures als gevolg van de transitieopgave op.
Artikel 4.3.3. Aanvraag en verstrekking scholingsvoucher
De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie ten behoeve van een of meer scholingsvouchers aan een opleidingsinstituut dat:
- a. erkend is door de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap;
- b. erkend is door de NRTO;
- c. erkend is door de betreffende branche of sector;
- d. opgenomen is in het NLQF- of EQF-register; of
- e. een bedrijfsschool is, gelieerd aan of formeel geaccrediteerd voor een in Nederland erkende opleiding.
Artikel 4.3.4. Subsidiabele activiteiten en omvang subsidie
Een scholingsvoucher kan worden ingezet voor de volgende activiteiten:
- a. een scholingstraject; of
- b. een voorschakeltraject.
De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten exclusief btw, met een maximum subsidiebedrag van € 1.250 per scholingsvoucher.
De subsidie bedraagt ten minste € 50.000 en ten hoogste € 100.000.
Artikel 4.3.5. Starttermijn en looptijd
De activiteiten van een project in het kader van deze titel vangen niet eerder aan dan de dag waarop de verleningsbeschikking is afgegeven.
Een scholingsvoucher kan door de aanvrager worden uitgegeven tot en met 31 december 2027.
De activiteiten van een project zijn uiterlijk 31 december 2029 door de aanvrager uitgevoerd.
Artikel 4.3.6. Subsidieplafond en wijze van verdelen
Het subsidieplafond voor deze titel bedraagt € 600.000.
De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.
Artikel 4.3.7. Aanvraagperiode en gegevens subsidieaanvraag
Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 15 augustus 2023 9.00 uur tot en met 31 december 2026 17.00 uur.
Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is in het https://www.jtf-webportal.nl/mijn/.
Artikel 4.3.8. Subsidiabele kosten
De subsidie wordt verleend op basis van een door de subsidieaanvrager ingediende ontwerpbegroting als bedoeld in artikel 53, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de GB-verordening.
In afwijking van artikel 1.11 zijn de in de ontwerpbegroting op te nemen subsidiabele kosten waarvoor de scholingsvoucher kan worden ingezet de opleidingskosten, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, van de natuurlijk persoon.
Onverminderd artikel 1.15 komen de volgende kosten niet in aanmerking als subsidiabele kosten:
- a. reis- en verblijfskosten;
- b. kosten voor voedsel en drank; en
- c. kosten voor opleidingen van natuurlijke personen die ten tijde van de aanvraag de leeftijd van 30 jaren nog niet hebben bereikt en:
- 1°. de te subsidiëren opleiding kan worden aangemerkt als een onderwijssoort als bedoeld in de artikelen 2.4, 2.8, 2.10 en 2.11 van de Wet studiefinanciering 2000; of
- 2°. de te subsidiëren opleiding kan worden aangemerkt als een onderwijssoort als bedoeld in de artikelen 2.9 of 2.10 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Artikel 4.3.9. Beoordelingscriteria
Gelet op artikel 1.20, tweede lid, wordt een project uitsluitend beoordeeld op de onderdelen a, b, e en f van artikel 1.20, eerste lid.
Gelet op artikel 1.20, derde lid, kent de Minister van SZW per onderdeel van het eerste lid maximaal de volgende hoeveelheid punten toe:
- a. voor de mate waarin het project meer bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 30 punten;
- b. voor de mate waarin het project meer sociaaleconomisch integraal is: 20 punten;
- c. voor de mate waarin de kwaliteit van het projectplan beter is: 20 punten;
- d. voor de mate waarin het project meer bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 30 punten.
Artikel 4.3.10. Voorschot
De Minister van SZW verleent op basis van een gemotiveerde aanvraag een voorschot als werkkapitaal op het moment van beschikken van de subsidie van maximaal 30 procent van de subsidie.
In aanvulling op artikel 1.31, vijfde lid, bevat de aanvraag voor een voorschot bewijsstukken waaruit blijkt hoeveel scholings- of voorschakeltrajecten met een door het opleidingsinstituut afgegeven scholingsvoucher zijn afgerond.
Artikel 4.3.11. Aanvraag vaststelling subsidie
In aanvulling op artikel 1.32, vijfde en zesde lid, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling bewijsstukken waaruit blijkt hoeveel scholings- of voorschakeltrajecten met een door het opleidingsinstituut afgegeven scholingsvoucher zijn afgerond.
Artikel 4.3.12. Staatssteun
Een scholingsvoucher bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 31 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 4.3.13. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze titel van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.
Hoofdstuk 5. Subsidies JTF-regio West-Noord-Brabant
Titel 5.1. Subsidietitel voor steun onder Spoor 1 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio West-Noord-Brabant
Artikel 5.1.14. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidieaanvragen die voor deze datum zijn ingediend.
Titel 5.2. Subsidietitel voor steun onder Spoor 2 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio West-Noord-Brabant
Titel 5.3. Subsidietitel voor steun onder Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio West-Noord-Brabant
Hoofdstuk 6. Subsidies JTF-regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost
Titel 6.1. Steun onder spoor 1 uit het Territoriaal Just Transition Plan voor de regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost
Titel 2.16. Een nieuwe, groene economie met marktgedreven onderzoeks- en investeringsprojecten
Artikel 6.2.7a. Niet- subsidiabele kosten
Onverminderd artikel 1.15 en in afwijking van artikel 1.11, eerste lid, onderdeel b, komen loonverletkosten niet voor subsidie in aanmerking.
Titel 3.1. Regionale subsidies voor het Territoriaal Just Transition Plan voor de regio IJmond
Hoofdstuk 7. Subsidies JTF-regio Zuid-Limburg
Titel 7.1. Subsidietitel voor steun onder spoor 1 uit het Territoriaal Just Transition Plan voor de regio Zuid-Limburg
Titel 3.3. Scholingsvouchers
Artikel 7.2.14. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.
Titel 5.2. Subsidietitel voor steun onder Spoor 2 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio West-Noord-Brabant
Hoofdstuk 4. Subsidies JTF-regio Groot-Rijnmond
Hoofdstuk 8. JTF-regio overstijgende subsidies
Titel 9.1. Algemene bepalingen
Titel 4.3. Scholingsvouchers
Paragraaf 9.2.1. EZK-cofinanciering JTF-regio Groningen-Emmen
Artikel 9.2.1.3. EZK-cofinanciering Steun voor middelgrote valorisatieprojecten die aansluiten bij de transities uit de RIS3 2021–2027
De Minister van EZK verstrekt subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.4.
Het subsidieplafond voor subsidie als bedoeld in het eerste lid bedraagt € 5.000.000.
Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 9 oktober 2023 12.00 uur tot en met 31 januari 2025 12.00 uur.
Paragraaf 9.2.1. EZK-cofinanciering JTF-regio Groningen-Emmen
Paragraaf 9.2.3. EZK-cofinanciering JTF-Rijnmond
Paragraaf 9.2.3. EZK-cofinanciering JTF-Rijnmond
Paragraaf 9.2.5. EZK-cofinanciering JTF-regio Zeeuws-Vlaanderen
Paragraaf 9.2.4. EZK-cofinanciering JTF-West Noord-Brabant
Paragraaf 9.2.5. EZK-cofinanciering JTF-regio Zeeuws-Vlaanderen
Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Bijlage 1. behorende bij artikel 2.1.11, tweede lid
Scoretabel beoordelingscriteria
Ten behoeve van de beoordeling van aanvragen onder deze titel voor investeringssteun en bijbehorende opleidingskosten 2022 voor projecten in JTF-regio Groningen worden de aanvragen op basis van navolgende uitwerking van deze zes criteria beoordeeld.
Ten behoeve van de beoordeling van aanvragen onder deze titel voor investeringssteun en bijbehorende opleidingskosten 2022 voor projecten in JTF-regio Groningen worden de aanvragen op basis van navolgende uitwerking van deze zes criteria beoordeeld.
Een lagere totaalscore dan 70 punten leidt tot afwijzing van de subsidie.
Op criterium A wordt minimaal een score van 20 punten (80% van 25) behaald. Wanneer een aanvraag op criterium A niet voldoet aan deze ondergrens, wordt de aanvraag afgewezen.
Op de respectieve criteria B, D en F per criterium minimaal een score van 50% van het maximumaantal punten per criterium behaald. Op criterium E wordt een score van 100% behaald. Wanneer een aanvraag op één of meerdere van deze criteria niet voldoet aan deze ondergrens, wordt de aanvraag afgewezen.
Bijlage 2. behorende bij artikel 3.1.3, aanhef en onderdeel a
Soort projecten
Op criterium A wordt minimaal een score van 20 punten (80% van 25) behaald. Wanneer een aanvraag op criterium A niet voldoet aan deze ondergrens, wordt de aanvraag afgewezen.
Op de respectieve criteria B, D en F per criterium minimaal een score van 50% van het maximumaantal punten per criterium behaald. Op criterium E wordt een score van 100% behaald. Wanneer een aanvraag op één of meerdere van deze criteria niet voldoet aan deze ondergrens, wordt de aanvraag afgewezen.
Bij vaststelling wordt ook getoetst op daadwerkelijke realisatie op de criteria B (B1) en D (D1). Indien de totaalscore bij vaststelling lager is dan 70 punten door een lagere score op deze beide criteria, leidt dat tot intrekking van de subsidie. Er wordt bij vaststelling niet opnieuw getoetst aan het minimum van 50% van het maximumaantal punten voor deze beide criteria.
Er kan subsidie worden aangevraagd voor de uitvoering van innovatieve projecten (gericht op de opschaling van nieuwe technologieën of het toepassen van bestaande technologieën in een nieuwe context) en voor de voorbereiding hiervan (bijvoorbeeld in de vorm van een industrieel onderzoek of haalbaarheidsstudie). De subsidietitel richt zich op brede implementatie van innovaties, het creëren van draagvlak voor innovaties en het wegnemen van belemmeringen voor opschaling. Het doel is om met innovaties een slimme, circulaire, veilige, gezonde en CO2-neutrale toekomst dichterbij brengen. De innovatieprojecten moeten zich richten op demonstratie en opschaling van innovaties die bijdragen aan een duurzame en schone industrie en economie.
Ook kan er subsidie worden aangevraagd voor projecten die leiden tot een wendbare en weerbare beroepsbevolking. Hierbij kan gedacht worden aan leven lang ontwikkelen door middel van een kennis- en expertisecentra en programma’s voor het vergroten van de (digitale) vaardigheden waar de klimaattransitie om vraagt of aan duurzame en inclusieve inzetbaarheid door in te zetten op jobcarving, job en life coaching en ondersteuning bij aanpassingen op het werk.
Bijlage 3. behorende bij artikel 4.1.3, aanhef en onderdeel a
Soort projecten
Er kan subsidie worden aangevraagd voor de uitvoering van innovatieve projecten (gericht op de opschaling van nieuwe technologieën of het toepassen van bestaande technologieën in een nieuwe context) en voor de voorbereiding hiervan (bijvoorbeeld in de vorm van een industrieel onderzoek of haalbaarheidsstudie). De subsidietitel richt zich op brede implementatie van innovaties, het creëren van draagvlak voor innovaties en het wegnemen van belemmeringen voor opschaling. Het doel is om met innovaties een slimme, circulaire, veilige, gezonde en CO2-neutrale toekomst dichterbij brengen. De innovatieprojecten moeten zich richten op demonstratie en opschaling van innovaties die bijdragen aan een duurzame en schone industrie en economie.
Ook kan er subsidie worden aangevraagd voor projecten die leiden tot een wendbare en weerbare beroepsbevolking. Hierbij kan gedacht worden aan leven lang ontwikkelen door middel van een kennis- en expertisecentra en programma’s voor het vergroten van de (digitale) vaardigheden waar de klimaattransitie om vraagt of aan duurzame en inclusieve inzetbaarheid door in te zetten op jobcarving, job en life coaching en ondersteuning bij aanpassingen op het werk.
Verder kan het gaan om baanbegeleiding van werkzoekenden die hun baan verliezen in de fossiele staalindustrie, met specifieke aandacht voor langdurig werklozen en mensen met afstand tot de arbeidsmarkt of aan acties om het imago van de techniek als werkgever te verbeteren, en om niet-werkenden en werkzoekenden te begeleiden naar een baan in de techniek. Hiertoe is een oriëntatie, kennis- en expertisecentrum voor offshore windenergie voorzien, evenals een ‘servicepunt techniek’
Spoor 2: Versnellen van de transitie met investeringen in technologie, systemen en infrastructuur tot decarbonisatie van bestaande industriële ketens;
De transitie naar een groene economie vindt plaats door zowel bestaande industriële ketens te verduurzamen (v.b. door elektrificatie van industriële processen en toepassing van groene waterstof) als nieuwe, duurzame ketens te realiseren (v.b. door het recyclen van afvalstromen uit andere sectoren voor toepassingen in de chemische industrie). Dit draagt bij aan het creëren van nieuwe werkgelegenheid, die op termijn in de plaats komt van de werkgelegenheid uit de fossiele economie.
Deze openstelling is bedoeld voor projecten die bijdragen aan een rechtvaardige transitie in de regio Rijnmond zoals geformuleerd in het TJTP Groot-Rijnmond. Meer specifiek moet een project bijdragen aan een van de volgende twee sporen:
Bijlage 4. behorende bij artikel 4.2.3
JTF-Call 2022 voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond
De transitie naar een groene economie vindt plaats door zowel bestaande industriële ketens te verduurzamen (v.b. door elektrificatie van industriële processen en toepassing van groene waterstof) als nieuwe, duurzame ketens te realiseren (v.b. door het recyclen van afvalstromen uit andere sectoren voor toepassingen in de chemische industrie). Dit draagt bij aan het creëren van nieuwe werkgelegenheid, die op termijn in de plaats komt van de werkgelegenheid uit de fossiele economie.
De openstelling voor spoor 1 en 2 richt zich primair op experimentele projecten, die bijdragen aan de opschaling van nieuwe, duurzame technologieën en de toepassing van bestaande duurzame technologieën in een nieuwe context. Wel is bij deze openstelling een integrale benadering ten aanzien van de economie en arbeidsmarkt een pré. Daarom kunnen onder deze openstelling ook aanvragen worden ingediend waarbij de directe verbinding wordt gelegd tussen economische en arbeidsmarktactiviteiten. Dit komt concreet tot uiting in het beoordelingscriterium sociaaleconomische integraliteit, waarbij projecten een hogere score kunnen krijgen wanneer de projectactiviteiten (al dan niet in een apart werkpakket) bijdragen aan de transitie van de arbeidsmarkt passend in het TJTP Rijnmond, maar is géén uitsluitingsgrond. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om projecten ten aanzien van nieuwe technieken waarbij ook een vertaalslag wordt gemaakt naar opleiding in het gebruiken/bedienen van die techniek.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 7.1.13*. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2023, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.
Titel 3.3. Scholingsvouchers
Titel 4.1. Regionale Subsidies voor Spoor 1 en 2 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond
Hoofdstuk 5. Subsidies JTF-regio West-Noord-Brabant
Titel 9.1. Algemene bepalingen
Titel 9.2. Subsidieplafonds en aanvraagperioden EZK-cofinanciering JTF-regio’s
Paragraaf 9.2.1. EZK-cofinanciering JTF-regio Groningen-Emmen
Paragraaf 9.2.2. EZK-cofinanciering JTF-regio IJmond
Paragraaf 9.2.2. EZK-cofinanciering JTF-regio IJmond
Paragraaf 9.2.3. EZK-cofinanciering JTF-Rijnmond
Paragraaf 9.2.6. EZK-cofinanciering JTF-regio Zuid-Limburg
Paragraaf 9.2.7. JTF-regio overstijgende EZK-cofinanciering
Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Bijlage 1. behorende bij artikel 2.1.11, tweede lid
Scoretabel beoordelingscriteria
Ten behoeve van de beoordeling van aanvragen onder deze titel voor investeringssteun en bijbehorende opleidingskosten 2022 voor projecten in JTF-regio Groningen worden de aanvragen op basis van navolgende uitwerking van deze zes criteria beoordeeld.
Bijlage 2. behorende bij artikel 3.1.3, aanhef en onderdeel a
Soort projecten
Deze openstelling is bedoeld voor projecten die bijdragen aan een rechtvaardige transitie in de regio IJmond zoals geformuleerd in het TJTP IJmond. De drie sporen waar een project aan kan bijdragen, zijn:
Bijlage 3. behorende bij artikel 4.1.3, aanhef en onderdeel a
Soort projecten
Spoor 1: Vernieuwen en versterken van de regionale economie met nieuwe, duurzame en/of circulaire industriële ketens;
Bijlage 4. behorende bij artikel 4.2.3
JTF-Call 2022 voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond
Voorstellen moeten passen binnen het Rotterdams Klimaatakkoord (Home :: Rotterdams Klimaatakkoord.)
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Titel 2.8. JTF-Call 2023 voor strategische, groene projecten
Hoofdstuk 3. Subsidies JTF-regio IJmond
Titel 3.1. Regionale subsidies voor het Territoriaal Just Transition Plan voor de regio IJmond
Titel 3.2. Subsidietitel voor steun aan investeringen en bijbehorende opleidingen
Titel 3.3. Scholingsvouchers
Hoofdstuk 4. Subsidies JTF-regio Groot-Rijnmond
Titel 4.1. Regionale Subsidies voor Spoor 1 en 2 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond
Titel 4.2. Regionale Subsidies voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Rijnmond
Titel 4.3. Scholingsvouchers
Hoofdstuk 5. Subsidies JTF-regio West-Noord-Brabant
Titel 5.1. Subsidietitel voor steun onder Spoor 1 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio West-Noord-Brabant
Titel 4.3. Scholingsvouchers
Titel 5.3. Subsidietitel voor steun onder Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio West-Noord-Brabant
Hoofdstuk 6. Subsidies JTF-regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost
Titel 6.1. Steun onder spoor 1 uit het Territoriaal Just Transition Plan voor de regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost
Titel 6.2. Subsidietitel voor steun onder Spoor 2 uit het Territoriaal Just Transition Plan voor de regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost
Titel 6.3. Subsidietitel voor steun onder spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost
Titel 4.5. Regionale Subsidies voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond
Hoofdstuk 7. Subsidies JTF-regio Zuid-Limburg
Titel 7.1. Subsidietitel voor steun onder spoor 1 uit het Territoriaal Just Transition Plan voor de regio Zuid-Limburg
Artikel 7.1.13*. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2023, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.
Titel 4.5. Regionale Subsidies voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond
Titel 4.5. Regionale Subsidies voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond
Hoofdstuk 8. JTF-regio overstijgende subsidies
Hoofdstuk 6. Subsidies JTF-regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost
Titel 4.5. Regionale Subsidies voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond
Titel 4.2. Regionale Subsidies voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Rijnmond
Artikel 9.2.5.2. EZK-Cofinanciering Subsidietitel voor steun onder spoor 1, 2 en 3 uit het Territoriaal Just Transition Plan voor de regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost
De Minister van EZK verstrekt subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.4.4, eerste lid, onderdelen a en b, en activiteiten als bedoeld in artikel 6.4.4, tweede lid.
Het subsidieplafond voor subsidie als bedoeld in het eerste lid bedraagt € 1.919.481.
Een aanvraag kan worden ingediend van 16 juni 2025 10.00 uur tot en met 15 juni 2026 17.00 uur.
Paragraaf 9.2.6. EZK-cofinanciering JTF-regio Zuid-Limburg
Paragraaf 9.2.7. JTF-regio overstijgende EZK-cofinanciering
Hoofdstuk 6. Subsidies JTF-regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost
Bijlage 1. behorende bij artikel 2.1.11, tweede lid
Scoretabel beoordelingscriteria
Een lagere totaalscore dan 70 punten leidt tot afwijzing van de subsidie.
Bijlage 2. behorende bij artikel 3.1.3, aanhef en onderdeel a
Soort projecten
Bij deze openstelling is een integrale benadering ten aanzien van de drie sporen door de projecten een pré. Dit komt concreet tot uiting in het beoordelingscriterium de sociaal-economische integraliteit, waarbij projecten gericht op de sporen 1 of 2 een hogere score kunnen krijgen, wanneer de projectactiviteiten (al dan niet in een apart werkpakket) bijdragen aan de doelstellingen in spoor 3, en projecten gericht op spoor 3 een hogere score kunnen krijgen wanneer zij aansluiten op activiteiten in de sporen 1 of 2. Dit is géén uitsluitingsgrond.
Bijlage 3. behorende bij artikel 4.1.3, aanhef en onderdeel a
Soort projecten
Spoor 2: Versnellen van de transitie met investeringen in technologie, systemen en infrastructuur tot decarbonisatie van bestaande industriële ketens;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)