Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

Type Verdrag
Publication 2026-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 20
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Partijen bij het Verdrag,

Zich bewust van de noodzaak tot behoud van het milieu in het algemeen en van het mariene milieu in het bijzonder,

Erkennend dat het opzettelijk, onachtzaam, dan wel bij ongeluk, lozen van olie en andere schadelijke stoffen door schepen een ernstige bron van verontreiniging vormt,

Voorts erkennend het belang van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, als de eerste multilaterale overeenkomst die werd gesloten met de bescherming van het milieu als voornaamste oogmerk en haar waardering uitsprekende voor de belangrijke bijdrage die genoemd Verdrag heeft geleverd aan het behoeden van de zeeën en de kustgebieden voor verontreiniging,

Geleid door de wens een einde te maken aan de opzettelijke verontreiniging van het mariene milieu door olie en andere schadelijke stoffen, en de lozing bij ongeluk van dergelijke stoffen tot een minimum te beperken,

Overwegende dat dit doel het beste kan worden bereikt door het opstellen van regels met een universele strekking die niet beperkt zijn tot verontreiniging door olie,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag

(1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van die Bijlagen daarbij door welke zij zijn gebonden, ter voorkoming van de verontreiniging van het mariene milieu door het lozen van schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, in strijd met dit Verdrag.

(2). Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald houdt elke verwijzing naar dit Verdrag tegelijkertijd een verwijzing in naar de Protocollen en Bijlagen daarbij.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de volgende betekenis, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald:

  • (1). „Voorschriften”: de voorschriften vervat in de Bijlagen bij dit Verdrag.
  • (2). „Schadelijke stof”: elke stof die, indien zij in de zee terechtkomt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan de zeeflora en -fauna, de recreatiemogelijkheid die de zee biedt kan schaden of storend kan werken op ander rechtmatig gebruik van de zee; de term omvat elke stof die op grond van dit Verdrag aan toezicht is onderworpen.
  • (3).
  • (a). „Lozen”, wanneer het betrekking heeft op schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten: elk vrijkomen van dergelijke stoffen van een schip, hoe ook veroorzaakt, met inbegrip van ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, lekken, pompen, storten of ledigen;
  • (b). onder „lozen” wordt niet verstaan:
  • (i). het storten in de zin van het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door het storten van afval en vuil, gedaan te Londen op 13 november 1972; of
  • (ii). het vrijkomen van schadelijke stoffen als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden; of
  • (iii). het vrijkomen van schadelijke stoffen ten behoeve van rechtmatig wetenschappelijk onderzoek gericht op het bestrijden of beperken van verontreiniging.
  • (4). „Schip”: elk vaartuig, van welk type ook, dat in het mariene milieu opereert, waaronder begrepen: draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, onderwatervaartuigen, vaartuigen in drijvende toestand, alsmede vaste en drijvende platforms.
  • (5). „Administratie”: de Regering van de Staat aan wiens gezag het schip is onderworpen. Wat betreft schepen die gerechtigd zijn de vlag van een Staat te voeren, is „Administratie” de Regering van de betrokken Staat. Wat betreft vaste of drijvende platforms bestemd voor de exploratie en exploitatie van de aan de kust grenzende zeebodem en de ondergrond daarvan, waarover de kuststaat soevereine rechten uitoefent ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van hun natuurlijke rijkdommen, is de „Administratie” de Regering van de betrokken kuststaat.
  • (6). „Voorval”: een gebeurtenis die er daadwerkelijk toe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat schadelijke stoffen dan wel vloeistoffen welke dergelijke stoffen bevatten, in zee worden geloosd.
  • (7). „Organisatie”: de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie.

Artikel 3. Toepassing

(1). Dit Verdrag is van toepassing op:

  • (a). schepen die gerechtigd zijn de vlag van een Partij bij het Verdrag te voeren, en
  • (b). schepen die niet gerechtigd zijn de vlag van een Partij te voeren, maar wel aan het gezag van een Partij zijn onderworpen.

(2). Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd dat het afbreuk doet of uitbreiding geeft aan de soevereine rechten die de Partijen krachtens internationaal recht op de aan hun kusten grenzende zeebodem en de ondergrond daarvan hebben ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van hun natuurlijke rijkdommen.

(3). Dit Verdrag is niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marine-hulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat die, tijdelijk, uitsluitend worden ingezet voor niet-commerciële overheidsdienst. Elke Partij waarborgt evenwel, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van dergelijke schepen in haar eigendom of beheer niet aantasten, dat dergelijke schepen, voor zover redelijk en uitvoerbaar, opereren in overeenstemming met dit Verdrag.

Artikel 4. Overtreding

(1). Elke overtreding van de bepalingen van dit Verdrag wordt verboden en strafbaar gesteld krachtens de wetgeving van de Administratie van het betrokken schip, ongeacht waar de overtreding zich voordoet. Indien de Administratie van een dergelijke overtreding op de hoogte is gesteld en ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de beweerde overtreding, neemt zij ten spoedigste dergelijke stappen overeenkomstig haar wetgeving.

(2). Elke overtreding van de bepalingen van dit Verdrag binnen de rechtsmacht van een Partij bij het Verdrag wordt verboden en strafbaar gesteld krachtens de wetgeving van die Partij. Wanneer zich een dergelijke overtreding voordoet,

  • (a). stelt de betrokken Partij een rechtsvervolging in krachtens de eigen wet, ofwel
  • (b). verschaft de betrokken Partij de Administratie van het schip de inlichtingen en het bewijsmateriaal waarover zij beschikt, om aan te tonen dat zich een overtreding heeft voorgedaan.

(3). In gevallen waarin de inlichtingen of het bewijsmateriaal met betrekking tot enige schending van dit Verdrag door een schip, worden verschaft aan de Administratie van dat schip, stelt de Administratie de Partij die de inlichtingen of het bewijsmateriaal heeft verschaft, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.

(4). De ingevolge dit artikel krachtens de wetten van een Partij vastgestelde straffen dienen streng genoeg te zijn om schending van dit Verdrag tegen te gaan; zij dienen even streng te zijn, ongeacht het gebied waar de schending zich voordoet.

Artikel 5. Certificaten en bijzondere regels voor de inspectie van schepen

(1). Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt een certificaat, afgegeven op gezag van een Partij bij het Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de Voorschriften, door de overige Partijen aanvaard en voor alle doeleinden van dit Verdrag beschouwd als gelijkwaardig aan een door hen afgegeven certificaat.

(2). Een schip dat krachtens de bepalingen van de Voorschriften een dergelijk certificaat moet bezitten, is, wanneer het zich in de haven of op een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een Partij bevindt, onderworpen aan inspectie door terzake bevoegde ambtenaren van die Partij. Een dergelijke inspectie dient beperkt te blijven tot het nagaan of zich een geldig certificaat aan boord bevindt, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen, dat de staat van het schip of van zijn uitrusting niet wezenlijk overeenstemt met de gegevens van dat certificaat. In dat geval, of indien het schip geen geldig certificaat aan boord heeft, zal de inspecterende Partij de noodzakelijke maatregelen nemen teneinde te verzekeren dat het schip niet uitvaart totdat het in staat is zee te kiezen zonder een buitensporige bedreiging te vormen voor het mariene milieu. De betrokken Partij kan echter een dergelijk schip toestemming geven de haven of de laad- of losplaats buitengaats te verlaten om naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te varen.

(3). Indien een Partij een buitenlands schip de toegang tot een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder haar rechtsmacht ontzegt, dan wel maatregelen tegen een dergelijk schip neemt omdat het niet voldoet aan de bepalingen van dit Verdrag, geeft die Partij daarvan onverwijld kennis aan de consul of de diplomatieke vertegenwoordiger van de Partij waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren of, zo dit niet mogelijk is, aan de Administratie van het betrokken schip. Alvorens de toegang te ontzeggen of dergelijke stappen te ondernemen, kan de Partij verzoeken om overleg met de Administratie van het betrokken schip.

De Administratie wordt ook ingelicht indien een schip geen geldig certificaat overeenkomstig de bepalingen van de Voorschriften aan boord heeft.

(4). Ten aanzien van de schepen van Staten die geen Partij zijn bij het Verdrag passen de Partijen de bepalingen van dit Verdrag toe, voor zover nodig is om te verzekeren dat dergelijke schepen geen gunstiger behandeling krijgen.

Artikel 6. Opsporing van overtredingen en handhaving van de bepalingen van het Verdrag

(1). De Partijen bij het Verdrag werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van dit Verdrag, daarbij gebruik makend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en het verzamelen van bewijsmateriaal.

(2). Een schip waarop dit Verdrag van toepassing is kan in elke haven of op elke laad- en losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het betrokken schip schadelijke stoffen heeft geloosd in strijd met de bepalingen van de Voorschriften. Indien bij de inspectie schending van het Verdrag blijkt, wordt de Administratie een rapport toegezonden met het oog op het nemen van passende maatregelen.

(3). Alle Partijen verschaffen de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van de Voorschriften schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten heeft geloosd.

Indien mogelijk stelt het bevoegde gezag van de betrokken Partij de gezagvoerder van het schip in kennis van de beweerde overtreding.

(4). Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht om aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de beweerde overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de beweerde overtreding, stelt zij ten spoedigste een dergelijke rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de beweerde overtreding heeft gerapporteerd, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.

(5). Een Partij kan tevens een schip waarop dit Verdrag van toepassing is inspecteren wanneer dit een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek tot het instellen van een onderzoek van enige Partij is ontvangen, te zamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip ergens schadelijke stoffen, of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, heeft geloosd. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die heeft verzocht dit onderzoek in te stellen en aan de Administratie, opdat krachtens de bepalingen van dit Verdrag de juiste stappen kunnen worden genomen.

Artikel 7. Onnodig oponthoud van schepen

(1). Al het mogelijke wordt gedaan om te vermijden dat een schip door de toepassing van de artikelen 4, 5 of 6 van dit Verdrag onnodig wordt opgehouden of vertraagd.

(2). Indien, door de toepassing van de artikelen 4, 5 of 6 van dit Verdrag, een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd, is het gerechtigd aanspraak te maken op vergoeding van enig geleden verlies of schade.

Artikel 8. Melding van voorvallen met schadelijke stoffen

(1). Een voorval wordt onverwijld en zo uitgebreid mogelijk gemeld overeenkomstig de bepalingen van Protocol I bij dit Verdrag.

(2). Elke Partij bij het Verdrag dient:

  • (a). alle noodzakelijke regelingen te treffen zodat een ter zake kundig ambtenaar of orgaan alle meldingen omtrent voorvallen ontvangt en verwerkt; en
  • (b). de Organisatie in kennis te stellen van de volledige bijzonderheden van dergelijke regelingen, ter verspreiding onder de andere Partijen en Lid-Staten van de Organisatie.

(3). Wanneer een Partij een melding ontvangt krachtens de bepalingen van dit artikel, zendt zij deze melding onverwijld door aan:

  • (a). de Administratie van het betrokken schip; en
  • (b). elke andere Staat die erbij betrokken kan zijn.

(4). Elke Partij bij het Verdrag verbindt zich ertoe, aan haar inspectievaartuigen en -vliegtuigen, alsmede aan andere hiertoe geëigende diensten instructies uit te vaardigen, om aan haar bevoegde instanties elk voorval te melden als bedoeld in Protocol I bij dit Verdrag. Indien zij daartoe aanleiding ziet, brengt deze Partij dienovereenkomstig verslag uit aan de Organisatie, alsmede aan elke andere betrokken Partij.

Artikel 9. Andere Verdragen en Uitlegging

(1). Na inwerkingtreding vervangt dit Verdrag het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, zoals gewijzigd, ten aanzien van de Partijen bij laatstgenoemd Verdrag.

(2). Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie van de Verenigde Naties over het Zeerecht, bijeengeroepen ingevolge Resolutie 2750 C(XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch aan de huidige en toekomstige aanspraken en juridische opvattingen van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsmacht van kuststaten en vlaggestaten.

(3). De term „rechtsmacht” wordt in dit Verdrag uitgelegd in overeenstemming met het internationaal recht, geldend ten tijde van toepassing of uitlegging van dit Verdrag.

Artikel 10. Beslechting van geschillen

Elk geschil tussen twee of meer Partijen bij het Verdrag over de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, dat niet door onderhandeling tussen de betrokken Partijen kan worden beslecht, wordt, tenzij de Partijen anders beslissen, op verzoek van een der Partijen voorgelegd aan een scheidsgerecht overeenkomstig het bepaalde in Protocol II bij dit Verdrag.

Artikel 11. Verstrekken van inlichtingen

(1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich tot het mededelen aan de Organisatie van:

  • (a). de teksten van wetten, besluiten, beschikkingen en voorschriften, alsmede andere akten, uitgevaardigd met betrekking tot de verschillende aangelegenheden binnen de werkingssfeer van dit Verdrag;
  • (b). een lijst van benoemde experts of van erkende organisaties die gemachtigd zijn namens de Partij op te treden bij de uitvoering van aangelegenheden verband houdend met het ontwerp, de bouw, de uitrusting en het gebruik van schepen die schadelijke stoffen vervoeren overeenkomstig de bepalingen van de Voorschriften, welke lijst aan de Partijen wordt verstrekt ter voorlichting van hun ambtenaren. De Administratie licht derhalve de Organisatie in omtrent de bijzondere verantwoordelijkheden en de voorwaarden verbonden aan de bevoegdheden van benoemde experts of erkende organisaties;
  • (c). een voldoende aantal voorbeelden van de certificaten door hen uitgegeven krachtens de bepalingen van de Voorschriften;
  • (d). een lijst van ontvangstinstallaties met aanduiding van hun ligging, capaciteiten en beschikbare faciliteiten, alsmede van andere gegevens;
  • (e). officiële rapporten, of samenvattingen daarvan, voor zover daarin de resultaten van de toepassing van dit Verdrag zijn weergegeven; en
  • (f). een statistisch jaaroverzicht, in een door de Organisatie vastgestelde standaardvorm, van wegens overtreding van Voorschriften van dit Verdrag opgelegde straffen.

(2). De Organisatie stelt de Partijen in kennis van de ontvangst van alle mededelingen gedaan krachtens dit artikel en verspreidt alle haar krachtens het eerste lid, onder (b) t/m (f) van dit artikel medegedeelde gegevens onder alle Partijen.

Artikel 12. Scheepsongevallen

(1). Elke Administratie verbindt zich tot het instellen van een onderzoek naar alle ongevallen waarbij een van haar schepen betrokken is waarop de bepalingen van de Voorschriften van toepassing zijn, indien een dergelijk ongeval een zeer schadelijke invloed heeft veroorzaakt op het mariene milieu.

(2). Elke Partij bij het Verdrag verbindt zich ertoe de Organisatie gegevens te verstrekken omtrent de resultaten van een dergelijk onderzoek, wanneer deze Partij van mening is dat deze gegevens van nut kunnen zijn bij het vaststellen welke wijzigingen in dit Verdrag wenselijk zouden kunnen zijn.

Artikel 13. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

(1). Dit Verdrag staat van 15 januari 1974 tot 31 december 1974 op de zetel van de Organisatie open voor ondertekening en blijft daarna open voor toetreding. Staten kunnen Partij bij dit Verdrag worden door:

  • (a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
  • (b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
  • (c). toetreding.

(2). Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie.

(3). De Secretaris-Generaal van de Organisatie geeft alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van elke ondertekening of van de nederlegging van elke nieuwe akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding en van de datum van deze nederlegging.

Artikel 14. Facultatieve Bijlagen

(1). Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag kan een Staat verklaren dat hij een of meer van de Bijlagen III, IV en V (hierna te noemen „Facultatieve Bijlagen”) dan wel al deze Bijlagen van dit Verdrag niet aanvaardt. Behoudens het bovenstaande zijn de Partijen bij het Verdrag gebonden door elke bijlage in zijn geheel.

(2). Een Staat die heeft verklaard zich niet gebonden te achten door een Facultatieve Bijlage kan te allen tijde een dergelijke Bijlage aanvaarden door nederlegging van een akte bij de Organisatie zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid.

(3). Een Staat die een verklaring krachtens het eerste lid van dit artikel aflegt met betrekking tot een Facultatieve Bijlage en deze Bijlage niet naderhand heeft aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, zal aan geen enkele verplichting onderworpen zijn noch gerechtigd zijn aanspraak te maken op voorrechten voortvloeiend uit dit Verdrag ten aanzien van aangelegenheden waarop een zodanige Bijlage betrekking heeft; ook zullen alle verwijzingen naar Partijen bij dit Verdrag niet op die Staat van toepassing zijn voor zover daarbij sprake is van aangelegenheden deze Bijlagen betreffende.

(4). De Organisatie geeft de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden kennis van elke verklaring krachtens dit artikel, alsmede van de ontvangst van elke akte nedergelegd overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.

Artikel 15. Inwerkingtreding

(1). Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan vijftien Staten waarvan de koopvaardijvloten te zamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot, Partij bij dit Verdrag zijn geworden overeenkomstig artikel 13.

(2). Een Facultatieve Bijlage treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop aan de voorwaarden gesteld in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot die Bijlage is voldaan.

(3). De Organisatie geeft de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van de datum waarop het Verdrag in werking treedt en van de datum waarop een Facultatieve Bijlage in werking treedt overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.

(4). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag of tot een Facultatieve Bijlage hebben nedergelegd, nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding daarvan is voldaan, doch vóór de datum van inwerkingtreding, wordt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van kracht op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag of van die Bijlage, dan wel drie maanden na de datum van nederlegging van de akte, indien deze datum later valt.

(5). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd na de datum waarop het Verdrag of een Facultatieve Bijlage in werking is getreden, wordt het Verdrag of de Facultatieve Bijlage van kracht drie maanden na de datum waarop de akte is nedergelegd.

(6). Na de datum waarop is voldaan aan alle in artikel 16 genoemde voorwaarden om wijzigingen van dit Verdrag of van een Facultatieve Bijlage in werking te doen treden, heeft elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op het Verdrag of de Bijlage, zoals gewijzigd.

Artikel 16. Wijzigingen

(1). Dit Verdrag kan worden gewijzigd door middel van een der in de volgende leden genoemde procedures.

(2). Wijziging na behandeling door de Organisatie:

  • (a). elke door een Partij bij het Verdrag voorgestelde wijziging wordt aan de Organisatie voorgelegd en ten minste zes maanden vóór de behandeling ervan door de Secretaris-Generaal verspreid onder alle Partijen;
  • (b). elke aldus voorgestelde en verspreide wijziging wordt door de Organisatie voor behandeling voorgelegd aan een ter zake ingestelde commissie;
  • (c). de Partijen bij het Verdrag zijn, ongeacht of zij lid zijn van de Organisatie, gerechtigd deel te nemen aan de behandeling door deze commissie;
  • (d). wijzigingen worden aangenomen bij een twee derde meerderheid van de stemmen van de Partijen bij het Verdrag die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen;
  • (e). indien aangenomen overeenkomstig het bepaalde onder (d), worden de wijzigingen door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ter goedkeuring voorgelegd aan alle Partijen bij het Verdrag;
  • (f). een wijziging wordt geacht te zijn aanvaard in de volgende gevallen:
  • (i). een wijziging van een artikel van het Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop deze is aanvaard door twee derde van de Partijen waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot;
  • (ii). een wijziging van een Bijlage bij het Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard overeenkomstig de procedure omschreven onder letter (f) (iii), tenzij de terzake ingestelde commissie ten tijde van de aanvaarding bepaalt dat de wijziging wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop deze is aanvaard door twee derde van de Partijen waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot. Niettemin kan een Partij, op elk tijdstip vóór de inwerkingtreding van een wijziging van een Bijlage bij het Verdrag, de Secretaris-Generaal van de Organisatie mededelen dat de wijziging de uitdrukkelijke goedkeuring van de Partij behoeft alvorens voor haar in werking te treden. De Secretaris-Generaal brengt deze mededeling en de datum van ontvangst ervan ter kennis van de Partijen;
  • (iii). een wijziging van een Aanhangsel van een Bijlage bij het Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard na het verstrijken van een door de terzake ingestelde commissie ten tijde van de aanvaarding van de wijziging te bepalen tijdvak, dat niet korter mag zijn dan tien maanden, tenzij binnen dat tijdvak bij de Organisatie bezwaar is aangetekend door ten minste een derde van de Partijen of door Partijen waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot; de voorwaarde, die het eerst is vervuld, wordt in aanmerking genomen;
  • (iv). voor een wijziging van Protocol I bij het Verdrag gelden dezelfde procedures als voor wijzigingen van de Bijlagen bij het Verdrag, zoals bepaald onder letter (f)(ii) of letter (f) (iii);
  • (v). voor een wijziging van Protocol II bij het Verdrag gelden dezelfde procedures als voor wijzigingen van een artikel van het Verdrag, zoals bepaald onder letter (f) (i);
  • (g). de wijziging wordt van kracht onder de volgende voorwaarden:
  • (i). in het geval van een wijziging van een artikel van het Verdrag, van Protocol II, van Protocol I of van een Bijlage bij het Verdrag die niet is aanvaard volgens de procedure aangegeven onder letter (f) (iii), treedt de overeenkomstig de voorgaande bepalingen aanvaarde wijziging zes maanden na de datum van aanvaarding in werking voor de Partijen die hebben verklaard dat zij haar hebben aanvaard;
  • (ii). in het geval van een wijziging van Protocol I, van een aanhangsel van een Bijlage of van een Bijlage bij het Verdrag, aanvaard volgens de procedure aangegeven onder letter (f) (iii), treedt de wijziging, die wordt geacht te zijn aanvaard overeenkomstig de voorgaande voorwaarden, zes maanden na aanvaarding in werking voor alle Partijen, behalve voor die welke vóór die datum hebben verklaard dat zij haar niet aanvaarden of die overeenkomstig het gestelde onder letter (f) (ii) hebben verklaard dat hun uitdrukkelijke goedkeuring is vereist.

(3). Wijziging door een Conferentie:

  • (a). Op verzoek van een Partij, daarin gesteund door ten minste een derde van de Partijen, roept de Organisatie een Conferentie van de Partijen bij het Verdrag bijeen ter behandeling van voorgestelde wijzigingen van dit Verdrag.
  • (b). Elke door deze Conferentie met een twee derde meerderheid van de aanwezige Partijen die hun stem uitbrengen aangenomen wijziging wordt door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ter goedkeuring voorgelegd aan alle Partijen bij het Verdrag.
  • (c). Tenzij de Conferentie anders bepaalt, wordt de wijziging geacht te zijn aanvaard en van kracht te zijn geworden overeenkomstig de procedures aangegeven in het tweede lid, onder (f) en (g).
  • (a). In het geval van een wijziging van een Facultatieve Bijlage wordt een verwijzing in dit artikel naar een „Partij bij het Verdrag” geacht betrekking te hebben op een door die Bijlage gebonden Partij.
  • (b). Een Partij die heeft geweigerd een wijziging van een Bijlage te aanvaarden wordt, uitsluitend voor de toepassing van die toepassing van die wijziging, als niet-Partij beschouwd.

(5). Voor de aanvaarding en inwerkingtreding van een nieuwe Bijlage gelden dezelfde procedures als voor de aanvaarding en inwerkingtreding van een wijziging van een artikel van het Verdrag.

(6). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, geldt elke wijziging van dit Verdrag volgens de bepalingen van dit artikel, die betrekking heeft op de bouw van een schip, alleen voor schepen waarvoor reeds een bouwcontract is gesloten of, indien er geen bouwcontract bestaat, waarvan de kiel reeds is gelegd op of na de datum waarop de wijziging in werking treedt.

(7). Een wijziging van een Protocol of van een Bijlage dient slechts betrekking te hebben op de inhoud van dat Protocol of die Bijlage en niet in strijd te zijn met de bepalingen van de artikelen van dit Verdrag.

(8). De Secretaris-Generaal van de Organisatie stelt alle Partijen in kennis van elke wijziging die ingevolge dit artikel in werking treedt, alsmede van de datum waarop die wijziging van kracht wordt.

(9). Elke verklaring van aanvaarding van of bezwaar tegen een wijziging ingevolge dit artikel wordt schriftelijk medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie. Deze brengt een dergelijke kennisgeving en de datum van ontvangst daarvan ter kennis van de Partijen bij het Verdrag.

Artikel 17. Bevordering van technische samenwerking

De Partijen bij het Verdrag bevorderen, in overleg met de Organisatie en andere internationale lichamen, met bijstand van en in samenwerking met de Uitvoerend Directeur van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, steun aan Partijen die om technische hulp verzoeken voor:

  • (a). het opleiden van wetenschappelijk en technisch personeel;
  • (b). het leveren van de nodige uitrusting en voorzieningen voor ontvangstinstallaties en controle-apparatuur;
  • (c). het bevorderen van andere maatregelen en voorzieningen ter voorkoming of beperking van verontreiniging van het mariene milieu door schepen, en
  • (d). het stimuleren van onderzoek;

bij voorkeur in de betrokken landen zelf, ter bevordering van de doelstellingen van dit Verdrag.

Artikel 18. Opzegging

(1). Dit Verdrag of een Facultatieve Bijlage kan door elke Partij bij het Verdrag te allen tijde worden opgezegd na verloop van vijf jaren te rekenen van de datum waarop het Verdrag of die Bijlage voor die Partij in werking trad.

(2). Opzegging geschiedt door een schriftelijke mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie, die alle andere Partijen in kennis stelt van een zodanige opzegging en van de datum van ontvangst daarvan, alsmede van de datum waarop de opzegging van kracht wordt.

(3). Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Secretaris-Generaal van de Organisatie, dan wel na het verstrijken van een langer tijdvak indien zulks in de kennisgeving wordt aangegeven.

Artikel 19. Nederlegging en registratie

(1). Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten welke dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden.

(2). Zodra dit Verdrag in werking treedt, wordt de tekst door de Secretaris-Generaal van de Organisatie toegezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter registratie en publikatie, overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

Artikel 20. Talen

Dit Verdrag is opgesteld in een enkel exemplaar, in de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Er worden officiële vertalingen vervaardigd in de Arabische, de Duitse, de Italiaanse en de Japanse taal welke worden nedergelegd bij het ondertekende oorspronkelijke exemplaar.

Artikel I. Meldingsplicht

(1). De gezagvoerder of een andere persoon, belast met het bevel over een schip dat betrokken is bij een in artikel II van dit Protocol bedoeld voorval, dient de bijzonderheden van dit voorval onverwijld en zo volledig mogelijk te melden in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol.

(2). Indien het schip, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt verlaten, of indien een melding van dit schip onvolledig of niet verkrijgbaar is, neemt de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, zoveel mogelijk de verplichtingen van de gezagvoerder op zich krachtens de bepalingen van dit Protocol.

Artikel II. Wanneer een melding dient plaats te vinden

(1). De melding wordt gedaan omtrent voorvallen waarbij:

  • a. een lozing plaatsvindt boven het toegestane niveau of een mogelijke lozing plaatsvindt van olie of schadelijke vloeistoffen ongeacht de reden daarvan, met inbegrip van lozingen voor het veilig stellen van het schip of ter beveiliging van mensenlevens op zee; of
  • b. een lozing of mogelijke lozing plaatsvindt van schadelijke stoffen in verpakte vorm, met inbegrip van deze stoffen verpakt in vrachtcontainers, losse tanks, weg- en spoorvoertuigen en duwbakken aan boord; of
  • c. sprake is van een beschadiging of storing van of defect aan een schip van 15 meter lengte of meer en waarbij:
  • i. de veiligheid van het schip in het geding is; bijvoorbeeld als gevolg van een aanvaring, het aan de grond lopen, brand, een explosie, schade aan de constructie, het binnendringen van water, het schuiven van lading; of
  • ii. de veiligheid van de navigatie in gevaar wordt gebracht; bijvoorbeeld door een storing van of defect aan het roer, de voortstuwingsmachines, de generatoren en de essentiële navigatiehulpsystemen aan boord; of
  • d. gedurende de exploitatie van het schip een lozing plaatsvindt van olie of schadelijke vloeistoffen die de ingevolge dit Verdrag toegestane hoeveelheid of lozingsdebiet overschrijdt.

(2). Voor de doeleinden van dit Protocol:

  • (b). worden onder de in lid l(a) van dit artikel bedoelde „schadelijke vloeistoffen” verstaan de in Voorschrift 1(6) van Bijlage II bij dit Verdrag omschreven schadelijke vloeistoffen.
  • (c). worden onder „schadelijke stoffen” in verpakte vorm, zoals bedoeld in lid l(b) van dit artikel, verstaan de in de „International Maritime Dangerous Goods (IMDG) Code” opgenomen stoffen, die zijn aangemerkt als zijnde schadelijk voor het mariene milieu.

Artikel III. Inhoud van de melding

Elke melding dient in elk geval te bevatten:

  • (a). de identiteit van de betrokken schepen;
  • (b). de tijd, de soort en de plaats van het voorval;
  • (c). de hoeveelheid en de soort schadelijke stof die bij het voorval betrokken is;
  • (d). de maatregelen voor de hulpverlening en de berging.

Artikel IV. Aanvullende melding

Ieder die krachtens het bepaalde in dit Protocol verplicht is een melding te doen, dient zo mogelijk:

  • (a). de oorspronkelijke melding waar nodig aan te vullen en gegevens omtrent verdere ontwikkelingen te verstrekken; en
  • (b). zo volledig mogelijk te voldoen aan verzoeken van de betrokken Staten om aanvullende gegevens.

Artikel V. Meldingsprocedures

(1). Meldingen dienen via de snelste, beschikbare telecommunicatiekanalen en met de grootst mogelijke voorrang te geschieden aan de dichtstbijzijnde kuststaat.

(2). Ter uitvoering van de bepalingen van dit Protocol vaardigen de Partijen bij dit Verdrag voorschriften of regels uit, of doen deze uitvaardigen, betreffende de te volgen procedures voor het melden van voorvallen met schadelijke stoffen, gebaseerd op door de Organisatie ontworpen richtlijnen.

3.

In het geval van het verlies van (een) vrachtcontainer(s), dient de door artikel II, eerste lid, onderdeel b, vereiste melding gedaan te worden in overeenstemming met de vereisten voor gevaarberichten zoals voorzien in voorschriften V/31 en V/32 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974.

Artikel I

Tenzij de partijen bij het geschil anders besluiten, wordt de scheidsrechterlijke procedure gevoerd met inachtneming van de bepalingen van dit Protocol.

Artikel II

(1). Een scheidsgerecht wordt ingesteld op verzoek van een Partij bij het Verdrag, gericht aan een andere Partij, overeenkomstig artikel 10 van dit Verdrag. Het verzoek om een scheidsrechterlijke beslissing bevat een voordracht van de zaak en gaat vergezeld van de ter zake dienende stukken.

(2). De eisende Partij stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie in kennis van het feit dat zij de instelling van een scheidsgerecht heeft verzocht, van de namen van de partijen bij het geschil en van de artikelen van het Verdrag of van de Voorschriften waarvan de uitlegging of de toepassing naar haar mening het voorwerp van het geschil vormen. De Secretaris-Generaal doet deze inlichtingen aan alle Partijen toekomen.

Artikel III

Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden: een scheidsman benoemd door elke partij bij het geschil en een derde scheidsman die in onderlinge overeenstemming tussen de eerstgenoemden wordt aangewezen en die het voorzitterschap van het scheidsgerecht op zich neemt.

Artikel IV

(1). Indien na het verstrijken van een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de benoeming van de tweede scheidsman de voorzitter van het scheidsgerecht niet is aangewezen, gaat de Secretaris-Generaal van de Organisatie op verzoek van de meest gerede partij binnen een volgende periode van zestig dagen over tot de aanwijzing; hij doet daarbij een keuze uit een tevoren door de Raad van de Organisatie opgestelde lijst van bevoegde personen.

(2). Indien binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek een van de partijen het lid van het scheidsgerecht, voor wiens benoeming zij verantwoordelijk is, niet heeft benoemd, kan de andere partij de Secretaris-Generaal van de Organisatie hiervan rechtstreeks in kennis stellen. Deze wijst de voorzitter van het scheidsgerecht aan binnen een termijn van zestig dagen; hij kiest deze uit de lijst bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

(3). De voorzitter van het scheidsgerecht verzoekt, na te zijn aangewezen, de partij die geen scheidsman heeft benoemd, zulks te doen op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden. Indien de partij de vereiste benoeming niet verricht, verzoekt de voorzitter van het scheidsgerecht de Secretaris-Generaal van de Organisatie de aanwijzing te verrichten op de wijze en onder de voorwaarden bedoeld in het voorgaande lid.

(4). De voorzitter van het scheidsgerecht indien aangewezen met inachtneming van het bepaalde in dit artikel mag niet de nationaliteit bezitten of bezeten hebben van een van de betrokken partijen, tenzij de andere partij daarmee instemt.

(5). In geval van overlijden of in gebreke blijven van een scheidsman voor wiens benoeming een van de partijen verantwoordelijk is, benoemt die partij een vervanger binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de datum van overlijden of in gebreke blijven. Indien deze partij de benoeming niet verricht, wordt de procedure voortgezet door de overblijvende scheidsmannen. In geval van overlijden of in gebreke blijven van de voorzitter van het scheidsgerecht wordt een vervanger aangewezen overeenkomstig het bepaalde in artikel III hierboven of, bij gebreke van overeenstemming tussen de leden van het scheidsgerecht, binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van het overlijden of in gebreke blijven, overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.

Artikel V

Het scheidsgerecht kan kennis nemen van en beslissen over tegenvorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit het onderwerp van geschil.

Artikel VI

Elke partij is verantwoordelijk voor de bezoldiging van haar scheidsman en de betaling van aanverwante kosten, alsmede voor de kosten van voorbereiding van haar eigen zaak. De kosten van bezoldiging van de voorzitter van het scheidsgerecht en alle uitgaven van algemene aard die de scheidsrechterlijke procedure met zich meebrengt worden door de Partijen gelijkelijk gedragen. Het scheidsgerecht houdt boek van alle uitgaven en verstrekt een eindafrekening.

Artikel VII

Elke Partij bij het Verdrag die een juridisch belang heeft bij de zaak en die door de uitspraak in dit belang kan worden getroffen, kan zich, na schriftelijke kennisgeving aan de partijen die de procedure oorspronkelijk hebben aangespannen, met toestemming van het scheidsgerecht, in de procedure voegen.

Artikel VIII

Een ingevolge de bepalingen van dit Protocol ingesteld scheidsgerecht stelt zelf zijn procedureregels vast.

Artikel IX

(1). Beslissingen van het scheidsgerecht, zowel wat betreft de procedure en de plaats van vergadering, als wat betreft elk voorgelegd geschil worden genomen met meerderheid van stemmen; indien een van de leden van het scheidsgerecht voor wiens benoeming de partijen verantwoordelijk waren afwezig is of zich van stemming onthoudt, staat dit geen beslissing van het scheidsgerecht in de weg. Bij staking van stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

(2). De partijen vergemakkelijken het werk van het scheidsgerecht en, overeenkomstig hun wetgeving en met gebruikmaking van alle hun ten dienste staande middelen, in het bijzonder:

  • (a). verschaffen zij het scheidsgerecht de nodige stukken en inlichtingen;
  • (b). stellen zij het scheidsgerecht in staat hun grondgebied te betreden, getuigen of deskundigen te horen en de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen.

(3). Afwezigheid of in gebreke zijn van een partij belemmert de voortgang van de procedure niet.

Artikel X

(1). Het scheidsgerecht doet uitspraak binnen een termijn van vijf maanden te rekenen van zijn instelling, tenzij het besluit, indien noodzakelijk, deze termijn met niet meer dan drie maanden te verlengen. De uitspraak van het scheidsgerecht is met redenen omkleed. Zij is definitief en er staat geen beroep tegen open; de uitspraak wordt aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie medegedeeld. De partijen voldoen onverwijld aan de uitspraak.

(2). Alle geschillen die zich tussen de partijen kunnen voordoen ten aanzien van de uitlegging of uitvoering van de uitspraak, kunnen door de meest gerede partij worden voorgelegd aan het scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gedaan of, indien dit niet beschikbaar is, aan een ander voor dit doel ingesteld scheidsgerecht, dat is ingesteld op dezelfde wijze als het eerste scheidsgerecht.

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

    1. olie, minerale olie in elke vorm, daaronder begrepen ruwe olie, brandstofolie, oliehoudend oliedrab, olieafval en geraffineerde producten (anders dan petrochemische producten die vallen onder de bepalingen van Bijlage II bij dit Verdrag) en, zonder het algemene karakter van het bovenstaande te beperken, de stoffen genoemd in Aanhangsel I bij deze Bijlage.
    1. ruwe olie, elk vloeibaar mengsel van koolwaterstoffen dat in natuurlijke staat in de aarde voorkomt en dat al dan niet behandeld is om het geschikt te maken voor vervoer, met inbegrip van:
  • .1 ruwe olie waaruit bepaalde lichte fracties kunnen zijn verwijderd; en
  • .2 ruwe olie waaraan bepaalde lichte fracties kunnen zijn toegevoegd;
    1. oliehoudend mengsel, een mengsel dat olie bevat in elk gehalte;
    1. brandstofolie, elke olie gebruikt als brandstof voor de voortstuwings- en hulpmachines van het schip dat dergelijke olie aan boord heeft;
    1. olietankschip, een schip dat in de eerste plaats is gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van olie in bulk in zijn laadruimten, daaronder begrepen elk combinatietankschip, elk NLS-tankschip als omschreven in Bijlage II bij dit Verdrag en elk gastankschip als omschreven in voorschift 3.20 van hoofdstuk II-1 van SOLAS 74 (zoals gewijzigd), indien het schip een gehele of gedeeltelijke lading olie in bulk vervoert;
    1. ruwe-olietankschip, een olietankschip gebruikt voor het commerciële vervoer van ruwe olie;
    1. productentankschip, een olietankschip gebruikt voor het commerciële vervoer van olie anders dan ruwe olie;
    1. combinatietankschip, een schip ingericht voor het vervoer van zowel olie als vaste bulklading;
    1. belangrijke wijziging:
  • .1 een wijziging van een schip:
  • .1 waardoor de afmetingen of het laadvermogen van het schip in belangrijke mate veranderen; of
  • .2 waardoor het type van het schip verandert; of
  • .3 waarmee, naar het oordeel van de Administratie, voornamelijk beoogd wordt de levensduur van het schip te verlengen; of
  • .4 waardoor het schip anderszins zodanig verandert dat het, indien het een nieuw schip betrof, daardoor zou worden onderworpen aan de relevante bepalingen van dit Verdrag waaraan het als bestaand schip niet zou zijn onderworpen;
  • .2 Onverminderd de bepalingen van deze omschrijving:
  • .1 wordt de wijziging van een olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, teneinde te voldoen aan de eisen van voorschrift 18 van deze Bijlage, voor de toepassing van deze Bijlage niet aangemerkt als een belangrijke wijziging; en
  • .2 wordt de wijziging van een olietankschip, opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.5, teneinde te voldoen aan de vereisten van voorschrift 19 of 20 van deze Bijlage, voor de toepassing van deze Bijlage niet aangemerkt als een belangrijke wijziging;
    1. dichtstbijzijnde land: de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken grondgebied wordt bepaald overeenkomstig het internationaal recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
  • 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
  • naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte;
    1. bijzonder gebied, een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie vereist is; Voor de toepassing van deze Bijlage, worden de bijzondere gebieden als volgt omschreven:
  • .1. onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 005°36’ westerlengte;
  • .2. onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44.8’ noorderbreedte;
  • .3. onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte;
  • .4. onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°28.5’ noorderbreedte, 043°19.6’ oosterlengte) en Husn Murad (12°40.4’ noorderbreedte, 043°30.2’ oosterlengte);
  • .5. onder het Golfgebied wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30’ noorderbreedte, 059°48’ oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04’ noorderbreedte, 061°25’ oosterlengte);
  • .6. onder het gebied van de Golf van Aden wordt verstaan het gedeelte van de Golf van Aden tussen de Rode Zee en de Arabische Zee, in het westen begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°28.5’ noorderbreedte, 043°19.6’ oosterlengte) en Husn Murad (12°40.4’ noorderbreedte, 043°30.2’ oosterlengte) en in het oosten door de loxodroom tussen Ras Asir (11°50’ noorderbreedte, 051°16.9’ oosterlengte) en Ras Fartak (15°35’ noorderbreedte, 052°13.8’ oosterlengte);
  • .7. onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte; en
  • .8. onder de Noordwest-Europese wateren wordt verstaan de Noordzee en de toegangen daartoe, de Ierse Zee en de toegangen daartoe, de Keltische Zee, het Kanaal en de toegangen daartoe en een deel van de Noordoost-Atlantische Oceaan direct ten westen van Ierland. Het gebied wordt begrensd door lijnen die de volgende punten verbinden:
  • 48° 27’ noorderbreedte aan de Franse kust
  • 48° 27’ noorderbreedte; 006° 25’ westerlengte
  • 49° 52’ noorderbreedte; 007° 44’ westerlengte
  • 50° 30’ noorderbreedte; 012° westerlengte
  • 56° 30’ noorderbreedte; 012° westerlengte
  • 62° noorderbreedte; 003° westerlengte
  • 62° noorderbreedte aan de Noorse kust
  • 57° 44,8’ noorderbreedte aan de Deense en Zweedse kust;
  • .9. onder het gebied van Oman van de Arabische Zeewordt het zeegebied verstaan dat wordt begrensd door de volgende coördinaten:
  • 22° 30,00’ noorderbreedte; 059° 48,00’ oosterlengte
  • 23° 47,27’ noorderbreedte; 060° 35,73’ oosterlengte
  • 22° 40,62’ noorderbreedte; 062° 25,29’ oosterlengte
  • 21° 47,40’ noorderbreedte; 063° 22,22’ oosterlengte
  • 20° 30,37’ noorderbreedte; 062° 52,41’ oosterlengte
  • 19° 45,90’ noorderbreedte; 062° 25,97’ oosterlengte
  • 18° 49,92’ noorderbreedte; 062° 02,94’ oosterlengte
  • 17° 44,36’ noorderbreedte; 061° 05,53’ oosterlengte
  • 16° 43,71’ noorderbreedte; 060° 25,62’ oosterlengte
  • 16° 03,90’ noorderbreedte; 059° 32,24’ oosterlengte
  • 15° 15,20’ noorderbreedte; 058° 58,52’ oosterlengte
  • 14° 36,93’ noorderbreedte; 058° 10,23’ oosterlengte
  • 14° 18,93’ noorderbreedte; 057° 27,03’ oosterlengte
  • 14° 11,53’ noorderbreedte; 056° 53,75’ oosterlengte
  • 13° 53,80’ noorderbreedte; 056° 19,24’ oosterlengte
  • 13° 45,86’ noorderbreedte; 055° 54,53’ oosterlengte
  • 14° 27,38’ noorderbreedte; 054° 51,42’ oosterlengte
  • 14° 40,10’ noorderbreedte; 054° 27,35’ oosterlengte
  • 14° 46,21’ noorderbreedte; 054° 08,56’ oosterlengte
  • 15° 20,74’ noorderbreedte; 053° 38,33’ oosterlengte
  • 15° 48,69’ noorderbreedte; 053° 32,07’ oosterlengte
  • 16° 23,02’ noorderbreedte; 053° 14,82’ oosterlengte
  • 16° 39,06’ noorderbreedte; 053° 06,52’ oosterlengte;
  • .10. onder zuidelijke Zuid-Afrikaanse wateren wordt het zeegebied verstaan dat wordt begrensd door de volgende coördinaten: 31° 14’ zuiderbreedte; 017° 50’ oosterlengte 31° 30’ zuiderbreedte; 017° 12’ oosterlengte 32° 00’ zuiderbreedte; 017° 06’ oosterlengte 32° 32’ zuiderbreedte; 016° 52’ oosterlengte 34° 06’ zuiderbreedte; 017° 24’ oosterlengte 36° 58’ zuiderbreedte; 020° 54’ oosterlengte 36° 00’ zuiderbreedte; 022° 30’ oosterlengte 35° 14’ zuiderbreedte; 022° 54’ oosterlengte 34° 30’ zuiderbreedte; 026° 00’ oosterlengte 33° 48’ zuiderbreedte; 027° 25’ oosterlengte 33° 27’ zuiderbreedte; 027° 12’ oosterlengte
    1. hoeveelheid geloosde olie op een willekeurig moment van het lozen, de totale hoeveelheid van de op een willekeurig moment geloosde olie, uitgedrukt in liters per uur, gedeeld door de snelheid van het schip in knopen op hetzelfde moment;
    1. tank, een omsloten ruimte gevormd door de permanente scheepsconstructie en ontworpen voor het vervoer van vloeistoffen in bulk;
    1. zijtank, een tank grenzend aan de huidbeplating van het schip;
    1. middentank, een tank binnen de wanden van een langsschot;
    1. sloptank, een tank speciaal ontworpen voor het opvangen van aftap- en waswater uit de tanks en andere oliehoudende mengsels;
    1. schone ballast, de ballast in een tank die, sinds er voor de laatste maal olie in werd vervoerd, zodanig is gereinigd dat effluent daaruit afkomstig, indien geloosd uit een schip dat stilligt, in schoon rustig water op een heldere dag, geen zichtbare sporen van olie zou achterlaten op het wateroppervlak of op aangrenzende kusten, of oliehoudend oliedrab of emulsie zou achterlaten onder het wateroppervlak of op de aangrenzende kusten. Ingeval deze balast wordt geloosd via een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor het lozen van olie, is het bewijs gebaseerd op een dergelijk systeem dat het oliegehalte van het effluent niet hoger lag dan 15 eenheden per miljoen, bepalend voor het feit dat de ballast schoon was, ongeacht de aanwezigheid van zichtbare sporen;
    1. gescheiden ballast, het ballastwater dat wordt ingenomen in een tank die volledig is gescheiden van de olielading en van het brandstofoliesysteem en die permanent wordt bestemd voor het vervoer van ballast of voor het vervoer van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke stoffen zoals onderscheidelijk omschreven in de Bijlagen bij dit Verdrag;
    1. lengte (L), 96% van de totale lengte op een waterlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kiel, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze laatste lengte groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen, dient de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt evenwijdig aan de constructiewaterlijn te worden genomen. De lengte (L) wordt gemeten in meters;
    1. voorloodlijn en achterloodlijn, de loodlijnen op het voorste en achterste punt van de lengte (L). De voorloodlijn dient getrokken te worden door het snijpunt van de waterlijn waarop de lengte wordt gemeten;
    1. midscheeps, het midden van de lengte (L);
    1. breedte (B), de grootste breedte van het schip midscheeps gemeten op de buitenzijde van de spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenzijde van de romp bij een schip met een huid van ander materiaal. De breedte (B) wordt gemeten in meters;
    1. draagvermogen, het verschil in tonnen van 1000 kg tussen de waterverplaatsing van een schip in water met een soortelijke massa van 1,025 op de lastlijn, overeenkomstig het toegewezen zomervrijboord en het leeg gewicht van het schip;
    1. leeg gewicht, de waterverplaatsing van een schip in metrieke tonnen zonder lading, brandstof, smeerolie, ballastwater, drinkwater en ketelvoedingwater in tanks, verbruiksvoorraden en passagiers en bemanning en hun bezittingen;
    1. permeabiliteit van een ruimte, de verhouding tussen het volume binnen die ruimte dat wordt geacht door water te worden ingenomen en het totale volume van die ruimte;
    1. worden inhouden en oppervlakken in een schip in alle gevallen berekend tot aan buitenzijde spanten en verstijvingen;
    1. verjaardatum, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie verstrijkt;
  • 28.1. schip opgeleverd op of voor 31 december 1979, een schip:
  • .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of voor 31 december 1975; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 30 juni 1976; of
  • .3 waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 31 december 1979; of
  • .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
  • .1 waarvoor het contract is afgesloten op of voor 31 december 1975; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen op of na 30 juni 1976; of
  • .3 die is voltooid op of voor 31 december 1979;
  • 28.2. schip opgeleverd na 31 december 1979, een schip:
  • .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten na 31 december 1975; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt na 30 juni 1976; of
  • .3 waarvan de oplevering plaatsvindt na 31 december 1979; of
  • .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
  • .1 waarvoor het contract wordt afgesloten na 31 december 1975; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw wordt begonnen na 30 juni 1976; of
  • .3 dat is voltooid na 31 december 1979;
  • 28.3. olietankschip opgeleverd op of na 1 juni 1982, een olietankschip:
  • .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of voor 1 juni 1979; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 januari 1980; of
  • .3 waarvan de oplevering plaatsvindt op of voor 1 juni 1982; of
  • .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
  • .1 waarvoor het contract is afgesloten op of voor 1 juni 1979; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen op of voor 1 januari 1980; of
  • .3 dat is voltooid op of voor 1 juni 1982;
  • 28.4. olietankschip opgeleverd na 1 juni 1982, een olietankschip:
  • .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten na 1 juni 1979; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt na 1 januari 1980; of
  • .3 waarvan de oplevering plaatsvindt na 1 juni 1982; of
  • .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
  • .1 waarvoor het contract wordt afgesloten na 1 juni 1979; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw wordt begonnen na 1 januari 1980; of
  • .3 dat is voltooid na 1 juni 1982;
  • 28.5. olietankschip opgeleverd voor 6 juli 1996, een olietankschip:
  • .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten voor 6 juli 1993; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt voor 6 januari 1994; of
  • .3 waarvan de oplevering plaatsvindt voor 6 juli 1996; of
  • .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
  • .1 waarvoor het contract is afgesloten voor 6 juli 1993; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw wordt begonnen voor 6 januari 1994; of
  • .3 dat is voltooid na 6 juli 1996;
  • 28.6. olietankschip opgeleverd op of na 6 juli 1996, een olietankschip:
  • .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 6 juli 1993; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 6 januari 1994; of
  • .3 waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 6 juli 1996; of
  • .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
  • .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 6 juli 1993; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen op of na 6 januari 1994; of
  • .3 dat is voltooid op of na 6 juli 1996;
  • 28.7. olietankschip opgeleverd op of na 1 februari 2002, een olietankschip:
  • .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 februari 1999; of
  • .2 waarvoor waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 augustus 1999; of
  • .3 waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 februari 2002; of
  • .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
  • .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 februari 1999; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen op of na 1 augustus 1999; of
  • .3 dat is voltooid op of na 1 februari 2002;
  • 28.8. olietankschip opgeleverd op of na 1 januari 2010, een olietankschip:
  • .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2007; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2007; of
  • .3 waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 januari 2010; of
  • .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
  • .1 waarvoor het contract is afgesloten op of na 1 januari 2007; of
  • .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen op of na 1 juli 2007; of
  • .3 dat is voltooid op of na 1 januari 2010;
  • 28.9. schip opgeleverd op of na 1 augustus 2010, een schip:
  • .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 augustus 2007; of
  • .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 februari 2008; of
  • .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 augustus 2010; of
  • .4. dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
  • .1. waarvoor het contract is afgesloten na 1 augustus 2007; of
  • .2. waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen na 1 februari 2008; of
  • .3. die is voltooid na 1 augustus 2010.
    1. delen per miljoen (ppm), delen olie per miljoen delen water in volume;
    1. dat wordt gebouwd, een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
    1. olierestanten (oliedrab), overgebleven afgewerkte oliën ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip zoals bijvoorbeeld restanten ontstaan bij het reinigen van brandstof of smeerolie voor hoofd- of hulpwerktuigen, afgescheiden afgewerkte olie uit filterapparatuur, afgewerkte olie opgevangen in lekbakken en afgewerkte hydraulische olie en smeerolie.
    1. tank voor olierestanten (oliedrab), een tank waarin olierestanten (oliedrab) worden opgeslagen en waaruit oliedrab rechtstreeks kan worden verwijderd door middel van de standaardaansluiting voor afgifte of een ander goedgekeurd middel voor het verwijderen.
    1. oliehoudend lenswater, water dat verontreinigd kan zijn met olie afkomstig van bijvoorbeeld lekkages of onderhoudswerkzaamheden in machineruimten. Iedere vloeistof die in de lensinrichting, met inbegrip van de lensputten, lensleidingen, tanktop of lenswaterverzameltanks terecht komt, wordt beschouwd als oliehoudend lenswater.
    1. verzameltank voor oliehoudend lenswater, een tank waarin oliehoudend lenswater wordt verzameld voordat het wordt geloosd, overgepompt of verwijderd.
    1. Audit, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
    1. Auditprogramma, het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
    1. Implementatiecode, de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
    1. Auditnorm, de Implementatiecode.
    1. elektronisch journaal, een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat, in plaats van een papieren journaal, gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van de vereiste aantekeningen voor lozingen, overbrengingen en overige operaties zoals vereist ingevolge deze Bijlage.
    1. Onbemande lichter zonder eigen voortstuwing (UNSP-lichter), een lichter die:
    1. niet met mechanische middelen wordt voortgestuwd;
    1. geen olie vervoert (als omschreven in voorschrift 1.1 van deze Bijlage);
    1. niet is uitgerust met machines die olie kunnen verbruiken of olierestanten (oliedrab) kunnen genereren;
    1. geen brandstofolietank, smeerolietank, verzameltank voor oliehoudend lenswater en tank voor olierestanten (oliedrab) heeft; en
    1. geen personen of levende dieren aan boord heeft.

Voorschrift 2. Toepassing

    1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
    1. Voor andere schepen dan olietankschepen die zijn uitgerust met laadruimten, gebouwd en gebruikt voor het vervoer van olie in bulk, met een totaal laadvermogen van 200 m3 of meer, gelden de eisen van de voorschriften 16, 26.4, 29, 30, 31, 32, 34 en 36 van deze Bijlage voor olietankschepen ook voor de constructie en het gebruik van die laadruimten, met dien verstande dat, ingeval het totale laadvermogen minder is dan 1000 m3, de bepalingen van voorschrift 34.6 van deze Bijlage kunnen worden toegepast in plaats van de voorschriften 29, 31 en 32.
    1. Ingeval een lading die valt onder de bepalingen van Bijlage II van dit Verdrag wordt vervoerd in een laadruimte van een olietankschip, zijn de desbetreffende eisen van Bijlage II van dit Verdrag ook van toepassing.
    1. De vereisten van de voorschriften 29, 31 en 32 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op olietankschepen die asfalt of andere producten waarop de bepalingen van deze Bijlage van toepassing zijn, vervoeren, die vanwege hun fysieke eigenschappen een doeltreffende productwater scheiding en monitoring verhinderen, waarbij de regeling van het lozen van olie ingevolge voorschrift 34 van deze Bijlage plaatsvindt door het aan boord houden van restanten en de latere afgifte van al het verontreinigd tankwaswater aan ontvangstinrichtingen.
    1. Met inachtneming van de bepalingen van lid 6 van dit voorschrift, zijn de voorschriften 18.6 tot en met 18.8 van deze Bijlage niet van toepassing op een olietankschip, opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, dat alleen wordt ingezet op bepaalde reizen tussen:
  • .1 havens of laad- of losplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Verdrag; of
  • .2 havens of laad- of losplaatsen van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, wanneer:
  • .1 de reis volledig binnen een bijzonder gebied plaatsvindt; of
  • .2 de reis volledig binnen andere door de Organisatie aangewezen grenzen plaatsvindt.
    1. De bepalingen van lid 5 van dit voorschrift zijn alleen van toepassing wanneer de havens of laad- of losplaatsen waar tijdens dergelijke reizen lading wordt geladen, zijn uitgerust met ontvangstinrichtingen die geschikt zijn voor de ontvangst en behandeling van al het ballast- en tankwaswater van olietankschepen die er gebruik van maken en aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
  • .1 behoudens de in voorschrift 4 van deze Bijlage bedoelde uitzonderingen, wordt al het ballastwater, met inbegrip van schoon ballastwater, en restanten van tankwaswater, aan boord gehouden en naar de ontvangstinrichtingen overgebracht en is de juiste aantekening in het Oliejournaal Deel II als vermeld in voorschrift 36 van deze Bijlage door de bevoegde havenautoriteit goedgekeurd;
  • .2 de Administratie en de Regeringen van de in de leden 5.1 of 5.2 van dit voorschrift bedoelde havenstaten hebben overeenstemming bereikt over de inzet van een olietankschip dat op of voor 1 juni 1982 is opgeleverd, als omschreven in voorschrift 1.28.3, op bepaalde reizen;
  • .3 de geschiktheid van de ontvangstinrichtingen, in overeenstemming met de relevante bepalingen van deze Bijlage, van de bovenbedoelde havens of laad- of losplaatsen, voor de toepassing van dit voorschrift, is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag waarbinnen dergelijke havens of laad- of losplaatsen zich bevinden; en
  • .4 op het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie is aangetekend dat het olietankschip uitsluitend voor bepaalde reizen wordt ingezet.

Voorschrift 3. Vrijstellingen en ontheffingen

1.

Schepen zoals draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, nabij de oppervlakte drijvende vaartuigen, onderwatervaartuigen, waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de Hoofdstukken 3 en 4 van deze Bijlage of sectie 1.2 van deel II-A van de Polar Code met betrekking tot constructie en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door de Administratie van de toepassing van deze bepalingen worden vrijgesteld, mits de constructie en de uitrusting van het schip gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, zulks gelet op de dienst waarvoor het is bestemd.

2.

De bijzonderheden betreffende een dergelijke door de Administratie verleende vrijstelling, uitgezonderd die ingevolge paragraaf 7 van dit voorschrift, worden vermeld in het certificaat als bedoeld in voorschrift 7 van deze Bijlage.

3.

De Administratie die een dergelijke vrijstelling verleent, stelt de Organisatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen negentig dagen na de verlening, in kennis van de bijzonderheden daarvan alsmede van de redenen daarvoor; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij dit Verdrag ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.

4.

De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van de voorschriften 29, 31 en 32 van deze Bijlage, voor elk olietankschip dat uitsluitend reizen maakt van 72 uur of korter en binnen 50 zeemijl van het dichtstbijzijnde land, mits het olietankschip uitsluitend wordt ingezet voor reizen tussen havens en laad- of losplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Verdrag. Aan een dergelijke ontheffing is de voorwaarde verbonden dat het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord houdt om deze naderhand bij ontvangstinrichtingen af te leveren en dat de Administratie vaststelt dat de inrichtingen waar dergelijke oliehoudende mengsel worden ontvangen, geschikt zijn.

5.

De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van de voorschriften 31 en 32 van deze Bijlage voor olietankschepen anders dan die bedoeld in lid 4 van dit voorschrift in gevallen waarin:

  • .1. het tankschip een olietankschip is dat op of voor 1 juni 1982 is opgeleverd, als omschreven in voorschrift 1.28.3, met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, als bedoeld in voorschrift 2.5 van deze Bijlage, dat uitsluitend wordt ingezet voor bepaalde reizen, en aan de voorwaarden omschreven in voorschrift 2.6 van deze Bijlage is voldaan; of
  • .2. het tankschip uitsluitend wordt ingezet voor een of meer van de volgende categorieën reizen:
  • .1. reizen binnen bijzondere gebieden; of
  • .2. reizen in Arctische wateren; of
  • .3. reizen binnen 50 zeemijl van het dichtstbijzijnde land buiten bijzondere gebieden of Arctische wateren wanneer de tanker wordt ingezet voor:
  • .1. reizen tussen havens of laad- of losplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Verdrag; of
  • .2. beperkte reizen als door de Administratie bepaald en met een duur van 72 uur of minder;
  • mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
  • .4. alle oliehoudende mengsels worden aan boord gehouden om naderhand te worden afgeleverd bij ontvangstinrichtingen;
  • .5. ter zake van in lid 5.2.3 van dit voorschrift omschreven reizen, heeft de Administratie bepaald dat geschikte ontvangstinrichtingen beschikbaar zijn voor de ontvangst van dergelijke oliehoudende mengsels in de havens of laad- of losplaatsen voor het laden van olie die het olietankschip aandoet;
  • .6. op het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie is aangetekend dat het olietankschip uitsluitend voor een of meer van de in de leden 5.2.1 en 5.2.3.2 vermelde categorieën reizen wordt ingezet; en
  • .7. de hoeveelheid, tijd en de loshaven worden in het Oliejournaal vermeld.
6.

De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van voorschrift 28(6) aan de volgende olietankschepen indien deze worden geladen in overeenstemming met de door de Administratie goedgekeurde voorwaarden, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen:

  • .1. olietankschepen die voor specifieke doelen worden ingezet en een beperkt aantal verschillende beladingstoestanden kennen, zodanig dat alle verwachte omstandigheden zijn goedgekeurd in de stabiliteitsgegevens die aan de kapitein worden verstrekt in overeenstemming met voorschrift 28(5);
  • .2. olietankschepen waarbij de verificatie van de stabiliteit op afstand plaatsvindt met een door de Administratie goedgekeurd middel;
  • .3. olietankschepen die zijn geladen binnen een goedgekeurde bandbreedte van beladingstoestanden; of
  • .4. olietankschepen gebouwd vóór 1 januari 2016 die zijn voorzien van goedgekeurde beperkende KG/GM-krommen waarin rekening is gehouden met alle toepasselijke vereisten ten aanzien van stabiliteit in beschadigde en onbeschadigde toestand.
7.

De Administratie kan een UNSP-lichter vrijstelling verlenen van de vereisten van voorschriften 6.1 en 7.1 van deze Bijlage door middel van een Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar mits de UNSP-lichter aan een onderzoek is onderworpen om te bevestigen dat aan de in voorschriften 1.40.1 tot en met 1.40.5 van deze Bijlage bedoelde vereisten is voldaan.

Voorschrift 4. Uitzonderingen

De voorschriften 15 en 34 van deze Bijlage en paragraaf 1.1.1 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:

  • .1 het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
  • .2 het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
  • .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
  • .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
  • .3 het lozen in zee van oliehoudende stoffen met toestemming van de Administratie, indien dit geschiedt met het doel bepaalde verontreinigingsincidenten te bestrijden teneinde de schade door verontreiniging tot een minimum te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke Regering binnen wier rechtsgebied beoogd wordt de lozing te doen plaatsvinden.

Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen

    1. De Administratie mag het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur in een schip toestaan dan die welke in deze Bijlage worden vereist, mits dergelijke onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele werkwijzen ter uitvoering van de controle op het lozen van olie, als gelijkwaardig aan die vormen van ontwerp en constructie als voorgeschreven in deze Bijlage.
    1. De Administratie die het aanbrengen in een schip toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij dit Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.

Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een Certificaat door de Regering van een ander land

    1. De Regering van een land dat Partij is bij het Verdrag kan een schip op verzoek van de Administratie aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien deze ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie afgeven, of machtigen tot afgifte hiervan, en in voorkomend geval een aantekening plaatsen, of machtigen tot het plaatsen van een aantekening, op dat Certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
    1. Een afschrift van het Certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
    1. Een aldus afgegeven Certificaat moet een verklaring bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als het Certificaat dat is afgegeven krachtens Voorschrift 5 van deze Bijlage.
    1. Er wordt geen Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij het Verdrag.

Voorschrift 7. Vorm van het Certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel II van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het Certificaat

    1. Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat niet langer is dan vijf jaar.
  • 2.
  • a. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat, niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit Voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
  • b. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
  • c. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
    1. Indien een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het Certificaat tot na de vervaldatum verlengen tot het in het eerste lid van dit Voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in Voorschrift 4, eerste lid, letters c en d, van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
    1. Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw Certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de vervaldatum van het bestaande Certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het Certificaat plaatsen en wordt dit Certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
    1. Indien een schip zich op het tijdstip waarop een Certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het Certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Een Certificaat mag niet worden verlengd voor een tijdvak langer dan 3 maanden en een schip ten behoeve waarvan een verlenging is verleend, is bij zijn aankomst in de haven waar het moet worden onderzocht, niet gerechtigd uit hoofde van een zodanige verlenging die haven te verlaten zonder een nieuw Certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
    1. Een Certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd ingevolge de voorgaande bepalingen van dit Voorschrift kan door de Administratie worden verlengd met een gedoogperiode van ten hoogste één maand na de op het Certificaat vermelde vervaldatum. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
    1. In bijzondere omstandigheden, zoals bepaald door de Administratie, behoeft een nieuw Certificaat niet te worden gedateerd te rekenen van de vervaldatum van het bestaande Certificaat zoals voorgeschreven in het tweede lid, letter b, vijfde of zesde lid van dit Voorschrift. In deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
    1. Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in Voorschrift 4 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
  • a. wordt de verjaardatum op het Certificaat door een aantekening gewijzigd in een datum ten hoogste 3 maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)