Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
-
- een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde toepassingsgebied bijdragen aan de concentratie van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
-
- relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde toepassingsgebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en de milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
-
- de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
-
- een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
-
- de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.
3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.
4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de Organisatie
4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren in het gebied.
De volgende relevante verificatieprocedure wordt gebruikt om vast te stellen of de aan boord van schepen geleverde en aldaar gebruikte of voor gebruik bestemde brandstofolie voldoet aan de krachtens voorschrift 14 van deze Bijlage van toepassing zijnde zwavelgrenzen.
Dit aanhangsel heeft betrekking op de volgende representatieve brandstofoliemonsters geleverd uit hoofde van MARPOL Bijlage VI:
Deel 1 – brandstofoliemonster dat is geleverd in overeenstemming met voorschrift 18.8.1, hierna te noemen „monster geleverd uit hoofde van MARPOL” zoals omschreven in voorschrift 2.1.22.
Deel 2 – monster van brandstofolie die in gebruik is aan boord van schepen , die bestemd is om aan boord te worden gebruikt of die vervoerd wordt om aan boord te worden gebruikt in overeenstemming met voorschrift 14.8, hierna te noemen het „in-gebruik-monster” zoals omschreven in voorschrift 2.1.16 en „aan-boord-monster” zoals omschreven in voorschrift 2.1.24.
Deel 1. – monster geleverd uit hoofde van MARPOL
1. Algemene vereisten
- 1.1. Het representatieve brandstofoliemonster dat is geleverd uit hoofde van voorschrift 18.8.1 („monster geleverd uit hoofde van MARPOL”) verplicht is, wordt gebruikt om het zwavelgehalte van de aan een schip geleverde brandstofolie te verifiëren.
- 1.2. Een Partij beheert de verificatieprocedure via haar bevoegde autoriteit.
- 1.3. Een laboratorium dat de in dit aanhangsel vervatte procedure voor de zwaveltest uitvoert dient een geldige accreditatie te hebben voor de gebruikte testmethode.
2. Verificatieprocedure deel 1
- 2.1. De bevoegde autoriteit levert het monster geleverd uit hoofde van MARPOL af bij het laboratorium.
- 2.2. Het laboratorium:
-
- legt de gegevens van het zegelnummer en het label aan het monster vast in het testdossier;
-
- legt in het testdossier vast in welke toestand het zegel van het monster bij ontvangst verkeerde; en
-
- wijst alle monsters die bij ontvangst een verbroken zegel hebben af en legt dit vast in het testdossier.
- 2.3. Indien het zegel van het monster bij ontvangst intact is, start het laboratorium de verificatieprocedure en:
-
- verwijdert het zegel van het monster;
-
- stelt vast of het monster grondig gehomogeniseerd is;
-
- neemt twee afgeleide monsters van het monster; en
-
- verzegelt het monster opnieuw en legt de gegevens van het nieuwe zegel vast in het testdossier.
- 2.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 1 van deze verificatieprocedure worden de uitkomsten van de analyse aangeduid als „1A” en „1B”:
-
- resultaten 1A en 1B worden vastgelegd in het testdossier in overeenstemming met de vereisten van de testmethode; en
-
- indien de resultaten van 1A en 1B binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, worden deze als geldig aangemerkt; of
-
- blijven de resultaten van 1A en 1B niet binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode, dan worden beide resultaten afgewezen en dient het laboratorium nieuwe afgeleide monsters te nemen en te onderzoeken. De monsterfles dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 2.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen;
-
- in het geval er twee maal geen herhaalbaarheid bereikt wordt tussen 1A en 1B wordt de oorzaak hiervan onderzocht door het laboratorium en opgelost voordat er verder wordt gegaan met het testen van het monster. Na het oplossen van het probleem van de herhaalbaarheid worden twee nieuwe afgeleide monsters genomen in overeenstemming met paragraaf 2.3. Het monster dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 2.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
- 2.5. Indien de testresultaten van 1A en 1B geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. De gemiddelde waarde wordt aangeduid als „X” en wordt vastgelegd in het testdossier:
-
- indien het resultaat X gelijk is aan of lager dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt de brandstofolie geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
-
- indien het resultaat „X” hoger is dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, voldoet de brandstofolie niet aan het vereiste.
| Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode |
|---|---|---|
| Toepasselijke grenswaarde % m/m: V | Resultaat 2.5.1: X ≤ V | Resultaat 2.5.2: X > V |
| 0,10 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| 0,50 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| Resultaat X wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven | Resultaat X wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven |
- 2.6. De uiteindelijke resultaten die worden verkregen uit deze verificatieprocedure worden door de bevoegde autoriteit geëvalueerd.
- 2.7. Het laboratorium verstrekt een afschrift van het testdossier aan de bevoegde autoriteit die de verificatieprocedure beheert.
Deel 2. – Monsters tijdens gebruik en aan boord
3. Algemene vereisten
- 3.1. Het monster tijdens gebruik of aan boord, naargelang van toepassing, wordt gebruikt om het zwavelgehalte te verifiëren van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door dat brandstofoliemonster op het bemonsteringspunt.
- 3.2. Een Partij beheert de verificatieprocedure via haar bevoegde autoriteit.
- 3.3. Een laboratorium dat de in dit aanhangsel vervatte procedure voor de zwaveltest uitvoert dient een geldige accreditatie te hebben voor de gebruikte testmethode.
4. Verificatieprocedure deel 2
- 4.1. De bevoegde autoriteit levert het in-gebruik-monster of het aan-boord-monster af bij het laboratorium.
- 4.2. Het laboratorium:
-
- legt de gegevens van het zegelnummer en het label aan het monster vast in het testdossier;
-
- legt in het testdossier vast in welke toestand het zegel van het monster bij ontvangst verkeerde; en
-
- wijst alle monsters die bij ontvangst een verbroken zegel hebben af en legt dit vast in het testdossier.
- 4.3. Indien het zegel van het monster bij ontvangst intact is, start het laboratorium de verificatieprocedure en:
-
- verwijdert het zegel van het monster;
-
- stelt vast of het monster grondig gehomogeniseerd is;
-
- neemt twee afgeleide monsters van het monster; en
-
- verzegelt het monster opnieuw en legt de gegevens van het nieuwe zegel vast in het testdossier.
- 4.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 2 van deze verificatieprocedure worden de resultaten aangeduid als „2A” en „2B”:
-
- resultaten 2A en 2B worden vastgelegd in het testdossier in overeenstemming met de vereisten van de testmethode; en
-
- indien de resultaten van 2A en 2B binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, worden deze als geldig aangemerkt; of
-
- indien de resultaten van 2A en 2B niet binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, dan worden beide afgewezen en dient het laboratorium nieuwe afgeleide monsters te nemen en te onderzoeken. De monsterfles dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 4.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen; en
-
- in het geval er twee maal geen herhaalbaarheid bereikt wordt tussen 2A en 2B wordt de oorzaak hiervan onderzocht door het laboratorium en opgelost voordat er verder wordt gegaan met het testen van het monster. Na het oplossen van het probleem van de herhaalbaarheid worden twee nieuwe afgeleide monsters genomen in overeenstemming met paragraaf 4.3. Het monster dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 4.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
- 4.5. Indien de testresultaten van 2A en 2B geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. Die gemiddelde waarde wordt aangeduid als „Z” en wordt vastgelegd in het testdossier:
-
- indien Z gelijk is aan of lager dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste;
-
- indien Z hoger is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in voorschrift 14 maar minder dan of even hoog als die toepasselijke grenswaarde + 0.59R (waarbij R de reproduceerbaarheid van de testmethode is), wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
-
- indien Z hoger is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in voorschrift 14 + 0,59R, wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht niet te hebben voldaan aan het vereiste;
| Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode |
|---|---|---|---|---|
| Toepasselijke grenswaarde % m/m: V | Waarde marge test: W | Resultaat 4.5.1: Z ≤ V | Resultaat 4.5.2: V < Z ≤ W | Resultaat 4.5.3: Z > W |
| 0,10 | 0,11 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| 0,50 | 0,53 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| Resultaat Z wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven | Resultaat Z wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven | Resultaat Z wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven |
- 4.6. De uiteindelijke resultaten die worden verkregen uit deze verificatieprocedure worden door de bevoegde autoriteit geëvalueerd.
- 4.7. Het laboratorium verstrekt een afschrift van het testdossier aan de bevoegde autoriteit die de verificatieprocedure beheert.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)