Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

Type Verdrag
Publication 2026-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 20
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • .2. te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
11.

Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.

HOOFDSTUK 4. VOORSCHRIFTEN INZAKE ENERGIE-EFFICIËNTIE VOOR SCHEPEN

Voorschrift 19. Toepassing

1.

Dit Hoofdstuk is van toepassing op alle schepen met een brutotonnage van 400 of meer.

2.

De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op:

  • .1. schepen die uitsluitend reizen maken in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Elke partij dient evenwel door het aannemen van passende maatregelen te waarborgen dat dergelijke schepen worden gebouwd en geëxploiteerd op een wijze die verenigbaar is met de vereisten van Hoofdstuk 4, voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is.
  • .2. schepen die niet met mechanische middelen worden voortgestuwd en platforms, met inbegrip van drijvende productie- en overslageenheden (FPSO’s), drijvende opslageenheden (FSU’s) en boorplatforms, ongeacht de wijze van voortstuwing ervan.
3.

De voorschriften 20 en 21 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing, met dien verstande dat de voorschriften 20 en 21 wel van toepassing zijn op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en lng-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2. De voorschriften 20 en 21 zijn niet van toepassing op schepen van categorie A zoals omschreven in de Polar Code.

4.

Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, kan de Administratie ontheffing verlenen van de vereisten van voorschrift 20 en voorschrift 21 voor een schip met een brutotonnage van 400 of meer.

5.

De bepalingen van paragraaf 4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen met een brutotonnage van 400 ton of meer:

  • .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2017; of
  • .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2017; of
  • .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2019; of
6.

De Administratie van een partij bij dit Verdrag die toepassing van paragraaf 4 toestaat, of de toepassing van deze paragraaf opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de partijen bij dit Protocol ter kennisneming.

Voorschrift 20. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI)

1.

De bereikte EEDI wordt berekend voor:

  • .1. elk nieuw schip;
  • .2. elk nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
  • .3. elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.25 tot en met 2.35, 2.38 en 2.39 van deze Bijlage valt. De bereikte EEDI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier bij de EEDI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEDI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEDI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEDI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatieVerwijst naar de Code voor Erkende Organisaties (RO Code), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.237(65), eventueel als gewijzigd..
2.

De bereikte EEDI wordt berekend met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.

3.

Voor elk schip waarop voorschrift 21 van deze Bijlage van toepassing is, rapporteert de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie aan de Organisatie de vereiste en bereikte EEDI-waarden en relevante informatie, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, via elektronische communicatie:

  • .1. binnen 7 maanden na afronding van het onderzoek zoals vereist door voorschrift 5.4 van deze Bijlage; of
  • .2. binnen 7 maanden na 1 april 2022 voor een schip opgeleverd vóór 1 april 2022.

Voorschrift 21. Vereiste EEDI

1.

Voor elk:

  • .1. nieuw schip;
  • .2. nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
  • .3. nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.25 tot en met 2.31, 2.33 tot en met 2.35, 2.38 en 2.39 valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEDI als volgt: Bereikte EEDI ≤ Vereiste EEDI = (1-X/100) × waarde referentielijn waarbij X de in tabel 1 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEDI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.
2.

Voor elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, wordt de bereikte EEDI berekend en dient deze te voldoen aan het vereiste van paragraaf 21.1, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen.

Scheepstype Omvang Fase 0 1 jan 2013 31 dec 2014 Fase 1 1 jan 2015 31 dec 2019 Fase 2 1 jan 2020 31 mrt 2022 Fase 2 1 jan 2020 31 dec 2024 Fase 3 1 apr 2022 en Daarna Fase 3 1 jan 2025 en daarna
Bulkcarrier 20.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Bulkcarrier 10.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 20.000 ton n.v.t. 0-10* 0-20* 0-30*
Gastanker 15.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Gastanker 10.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 15.000 ton 0 10 20 30
Gastanker 2.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 10.000 ton n.v.t. 0-10* 0-20* 0-30*
Tankschip 20.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Tankschip 4.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 20.000 ton n.v.t. 0-10* 0-20* 0-30*
Containerschip 200.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 50
Containerschip 120.000 en hoger maar minder dan 200.000 ton ton draagvermogen 0 10 20 45
Containerschip 80.000 en hoger maar minder dan 120.000 ton ton draagvermogen 0 10 20 40
Containerschip 40.000 en hoger maar minder dan 80.000 ton draagvermogen 0 10 20 35
Containerschip 15.000 en hoger maar minder dan 40.000 ton draagvermogen 0 10 20 30
Containerschip 10.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 15.000 ton n.v.t. 0-10* 0-20* 15-30*
Algemeen vrachtschip 15.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 15 30
Algemeen vrachtschip 3.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 15.000 ton n.v.t. 0-10* 0-15* 0-30*
Koelschip 5.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 15 30
Koelschip 3.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 5.000 ton n.v.t. 0-10* 0-15* 0-30*
Combinatietanker 20.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Combinatietanker 4.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 20.000 ton n.v.t. 0-10* 0-20* 0-30*
Lng- tanker*** 10.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 10** 20 30
Roro vrachtschip (vrachtschip voor voertuigen)*** 10.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 5** 15 30
Roro vrachtschip*** 2.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 5** 20 30
Roro vrachtschip*** 1.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 2.000 ton n.v.t. 0-5,* 0-20* 0-30*
Roro passagiers-schip*** 1.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 5** 20 30
Roro passagiers-schip*** 250 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 1.000 ton n.v.t. 0-5,* 0-20* 0-30*
Cruiseschip *** met niet- conventionele voortstuwing brutotonnage 85.000 en hoger n.v.t. 5** 20 30
Cruiseschip *** met niet- conventionele voortstuwing brutotonnage 25.000 ton en hoger maar minder dan 85.000 ton n.v.t. 0-5,* 0-20* 0-30*
  • De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd tussen de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.

** Fase 1 begint voor deze schepen op 15 september 2015.

*** De reductiefactor is van toepassing op schepen die op of na 1 september 2019 worden opgeleverd, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2.

Opmerking:n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.

3.

De waarden van de referentielijn dienen als volgt te worden berekend:

Waarde referentielijn = a ×b -c

waarbij a, b en c de in tabel 2 gegeven parameters zijn.

Scheepstype omschreven in voorschrift 2 a b c
2.25 Bulkcarrier 961,79 ton draagvermogen van het schip waarbij draagvermogen ≤ 279.000 0,477
2.25 Bulkcarrier 961,79 279.000 waarbij het draagvermogen > 279.000 0,477
2.26 Gastanker 1120,00 draagvermogen van het schip 0,456
2.27 Tankschip 1218,80 draagvermogen van het schip 0,488
2.28 Containerschip 174,22 draagvermogen van het schip 0,201
2.29 Algemeen vrachtschip 107,48 draagvermogen van het schip 0,216
2.30 Koelschip 227,01 draagvermogen van het schip 0,244
2.31 Combinatietanker 1219,00 draagvermogen van het schip 0,488
2.33 Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) (draagvermogen/brutotonnage)-0,7 780,36 waarbij draagvermogen/ brutotonnage <0.3 1812,63 waarbij draagvermogen/brutotonnage ≥0.3 draagvermogen van het schip 0,471
2.34 Rorovrachtschip 1405,15 draagvermogen van het schip 0,498
2.34 Rorovrachtschip 1686,17 1) draagvermogen van het schip wanneer het draagvermogen ≤17.000 1) 17.000 wanneer het draagvermogen > 17.000 1) 0,498
2.35 Roropassagiersschip 752,16 draagvermogen van het schip 0,381
2.35 Roropassagiersschip 902,59 1) draagvermogen van het schip wanneer het draagvermogen ≤10.000 1) 10.000 wanneer het draagvermogen > 10.000 1) 0,381
2.38 Lng-tanker 2253,7 draagvermoge van het schip 0,474
2.39 Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing 170,84 brutotonnage van het schip 0,214

1) te gebruiken vanaf fase 2 en verder.

4.

Indien het ontwerp van het schip zodanig is dat het onder meer dan een van de hierboven omschreven scheepstypen weergegeven in tabel 2 kan vallen, dan is de vereiste EEDI voor het schip de strengste (laagste) vereiste EEDI.

5.

Bij elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, mag het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen niet minder zijn dan het voortstuwingsvermogen dat nodig is om de manoeuvreerbaarheid van het schip onder slechte omstandigheden, zoals omschreven in de door de Organisatie te ontwikkelen richtsnoeren, te handhaven.

6.

Bij aanvang van fase 1 en halverwege fase 2 toetst de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen en past, wanneer dat nodig blijkt, de in dit voorschrift voorziene termijnen, parameters voor de EEDI-referentielijn voor relevante scheepstypen en reductiepercentages aan.

Voorschrift 22. Energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP)

1.

Elk schip dient een op het schip van toepassing zijnd energie-efficiëntiemanagementplan (SEEMP) aan boord te hebben. Dit kan onderdeel vormen van het veiligheidsbeleidssysteem (SMS) van het schip.

2.

Op of voor 31 december 2018 dient bij schepen van 5000 brutoton of meer het SEEMP een beschrijving te omvatten van de methodiek die wordt gebruikt om de door voorschrift 22A.1 van deze Bijlage vereiste gegevens te verzamelen en van de processen die worden gebruikt om de gegevens aan de Administratie van het schip te rapporteren.

3.

Het SEEMP moet worden ontwikkeld met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren.

Voorschrift 23. Bevordering van technische samenwerking en overdracht van technologie met betrekking tot het verbeteren van de energie-efficiëntie van schepen

1.

In samenwerking met de Organisatie en andere internationale organen bevorderen en verstrekken Administraties, al naargelang van toepassing, rechtstreeks of via de Organisatie rechtstreekse steun aan Staten, met name Staten in ontwikkeling, die om technische bijstand verzoeken.

2.

De Administratie van een partij werkt actief samen met andere partijen, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving en beleid, om de ontwikkeling en overdracht van technologie te bevorderen en informatie uit te wisselen met Staten die om technische bijstand verzoeken, met name Staten in ontwikkeling, met betrekking tot de implementatie van maatregelen om aan de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage te voldoen, met name voorschriften 19.4 tot en met 19.6.

HOOFDSTUK 5. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE

Voorschrift 24. Vereiste EEDI

1.

Voor elk:

    1. nieuw schip,
    1. nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
    1. nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip

dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEDI als volgt:

waarbij X de in tabel 1 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEDI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.

2.

Voor elk nieuw en bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, wordt de bereikte EEDI berekend en dient deze te voldoen aan het vereiste van de eerste paragraaf van dit voorschrift, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen.

Scheepstype Omvang Fase 0 1 jan 2013 – 31 dec 2014 Fase 1 1 jan 2015 – 31 dec 2019 Fase 2 1 jan 2020 – 31 mrt 2022 Fase 2 1 jan 2020 – 31 dec 2024 Fase 3 1 apr 2022 en daarna Fase 3 1 jan 2025 en daarna
Bulkcarrier 20.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Bulkcarrier 10.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draag-vermogen n.v.t. 0–10 1) 0–20 1) 0–30 1)
Gastanker 15.000 ton draag -vermogen en hoger 0 10 20 30
Gastanker 10.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draag-vermogen 0 10 20 30
Gastanker 2.000 en hoger maar minder dan 10.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–10 1) 0–20 1) 0–30 1)
Tankschip 20.000 ton draag-vermogen en hoger 0 10 20 30
Tankschip 4.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–10 1) 0–20 1) 0–30 1)
Containerschip 200.000 ton draag-vermogen en hoger 0 10 20 50
Containerschip 120.000 en hoger maar minder dan 200.000 ton draagvermogen 0 10 20 45
Containerschip 80.000 en hoger maar minder dan 120.000 ton draag-vermogen 0 10 20 40
Containerschip 40.000 en hoger maar minder dan 80.000 ton draag-vermogen 0 10 20 35
Containerschip 15.000 en hoger maar minder dan 40.000 ton draag-vermogen 0 10 20 30
Containerschip 10.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draag-vermogen n.v.t. 0–101) 0–20 1) 15–30 1)
Algemeen vrachtschip 15.000 ton draag-vermogen en hoger 0 10 15 30
Algemeen vrachtschip 3.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–10 1) 0–15 1) 0–30 1)
Koelschip 5.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 15 30
Koelschip 3.000 en hoger maar minder dan 5.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–10 1) 0–15 1) 0–30 1)
Combinatie-tanker 20.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Combinatie-tanker 4.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–10 1) 0–20 1) 0–30 1)
LNG-tanker 2) 10.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 10 3) 20 30
Roro-vrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) 2) 10.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 5 3) 15 30
Roro-vrachtschip 2) 2.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 5 3) 20 30
Roro-vrachtschip 2) 1.000 en hoger maar minder dan 2.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–5 1), 3) 0–20 1) 0–30 1)
Roro-passagierschip 2) 1.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 5 3) 20 30
Roro-passagierschip 2) 250 en hoger maar minder dan 1.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–51),3) 0–20 1) 0–30 1)
Cruise-schip 2) met niet-conventionele voortstuwing Brutotonnage 85.000 en hoger n.v.t. 5 3) 20 30
Cruise-schip 2) met niet-conventionele voortstuwing Brutotonnage 25.000 en hoger maar minder dan 85.000 n.v.t. 0–5 1), 3) 0–20 1) 0–30 1)

1) De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd uit de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.

2) De reductiefactor is van toepassing op schepen die op of na 1 september 2019 worden opgeleverd, zoals omschreven in paragraaf 2.1 van voorschrift 2.

3) Fase 1 begint voor deze schepen op 15 september 2015.

Opmerking: n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.

3.

De waarden van de referentielijn dienen als volgt te worden berekend:

Waarde referentielijn = a b-c

waarbij a, b en c de in tabel 2 gegeven parameters zijn.

Scheepstype omschreven in voorschrift 2 a b c
2.2.5 Bulkcarrier 961,79 draagvermogen van het schip waarbij draagvermogen ≤279.000 279.000, waarbij draagvermogen >279.000, 0,477
2.2.7 Combinatietanker 1.219,00 draagvermogen van het schip 0,488
2.2.9 Containerschip 174,22 draagvermogen van het schip 0,201
2.2.11 Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing 170,84 Brutotonnage van het schip 0,214
2.2.14 Gastanker 1.120,00 draagvermogen van het schip 0,456
2.2.15 Algemeen vrachtschip 107,48 draagvermogen van het schip 0,216
2.2.16 LNG-tanker 2.253,7 draagvermogen van het schip 0,474
2.2.22 Koelvrachtschip 227,01 draagvermogen van het schip 0,244
2.2.26 Rorovrachtschip 1405,15 draagvermogen van het schip 0,498
2.2.26 Rorovrachtschip 1686,17 1) draagvermogen van het schip waarbij draagvermogen ≤17.000 1) 17.000 waarbij draagvermogen > 17.000 1) 0,498
2.2.27 Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) (draagvermogen/brutotonnage)-0.7 • 780,36 waarbij draagvermogen/brutotonnage < 0,3 1.812,63 waarbij draagvermogen/ brutotonnage ≥0,3 draagvermogen van het schip 0,471
2.2.28 Roropassagiersschip 752,16 draagvermogen van het schip 0,381
2.2.28 Roropassagiersschip 902,59 1) draagvermogen van het schip waarbij draagvermogen ≤10.000 1) 10.000 ton draagvermogen > 10.000 1) 0,381
2.2.29 Tankschip 1.218,80 draagvermogen van het schip 0,488

1) te gebruiken vanaf fase 2 en verder.

4.

Indien het ontwerp van het schip zodanig is dat het onder meer dan een van de hierboven omschreven scheepstypen weergegeven in tabel 2 kan vallen, dan is de vereiste EEDI voor het schip de strengste (de laagste) vereiste EEDI.

5.

Bij elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, mag het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen niet minder zijn dan het voortstuwingsvermogen dat nodig is om de manoeuvreerbaarheid van het schip onder slechte omstandigheden, zoals omschreven in de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen, te handhaven.

6.

Bij aanvang van fase 1 en halverwege fase 2 toetst de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen en past, wanneer dat nodig blijkt, de in dit voorschrift voorziene termijnen, parameters voor de EEDI-referentielijn voor relevante scheepstypen en reductiepercentages aan.

Voorschrift 25. Vereiste EEXI

1.

Voor:

    1. elk schip; en
    1. elk schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan

dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEXI als volgt:

waarbij Y de in tabel 3 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEXI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.

Scheepstype Omvang Reductiefactor
Bulkcarrier 200.000 ton draagvermogen en hoger 15
Bulkcarrier 20.000 en hoger maar minder dan 200.000 ton draagvermogen 20
Bulkcarrier 10.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draagvermogen 0–20 1)
Gastanker 15.000 ton draagvermogen en hoger 30
Gastanker 10.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draagvermogen 20
Gastanker 2.000 en hoger maar minder dan 10.000 ton draagvermogen 0–20 1)
Tankschip 200.000 ton draagvermogen en hoger 15
Tankschip 20.000 en hoger maar minder dan 200.000 ton draagvermogen 20
Tankschip 4.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draagvermogen 0–20 1)
Containerschip 200.000 ton draagvermogen en hoger 50
Containerschip 120.000 en hoger maar minder dan 200.000 ton draagvermogen 45
Containerschip 80.000 en hoger maar minder dan 120.000 ton draagvermogen 35
Containerschip 40.000 en hoger maar minder dan 80.000 ton draagvermogen 30
Containerschip 15.000 en hoger maar minder dan 40.000 ton draagvermogen 20
Containerschip 10.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draagvermogen 0–20 1)
Algemeen vrachtschip 15.000 ton draagvermogen en hoger 30
Algemeen vrachtschip 3.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draagvermogen 0–30 1)
Koelvrachtschip 5.000 ton draagvermogen en hoger 15
Koelvrachtschip 3.000 en hoger maar minder dan 5.000 ton draagvermogen 0–15 1)
Combinatietanker 20.000 ton draagvermogen en hoger 20
Combinatietanker 4.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draagvermogen 0–20 1)
LNG-tanker 10.000 ton draagvermogen en hoger 30
Roro-vrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) 10.000 ton draagvermogen en hoger 15
Rorovrachtschip 2.000 ton draagvermogen en hoger 5
Rorovrachtschip 1.000 en hoger maar minder dan 2.000 ton draagvermogen 0–5 1)
Roro-passagiersschip 1.000 ton draagvermogen en hoger 5
Roro-passagiersschip 250 en hoger maar minder dan 1.000 ton draagvermogen 0–5 1)
Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing Brutotonnage 85.000 en hoger 30
Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing Brutotonnage 25.000 en hoger maar minder dan 85.000 0–30 1)

1) De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd tussen de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.

2.

De waarden van de EEDI referentielijn dienen te worden berekend overeenkomstig voorschriften 24.3 en 24.4 van deze Bijlage. Voor rorovrachtschepen en roropassagiersschepen wordt verwezen naar de referentielijnwaarde die vanaf fase 2 en verder overeenkomstig voorschrift 24.3 van deze Bijlage moet worden gebruikt.

3.

Uiterlijk op 1 januari 2026 wordt door de Organisatie een toetsing voltooid om de doeltreffendheid van dit voorschrift te beoordelen, rekening houdend met eventuele door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen. Indien de Partijen op basis van de toetsing besluiten wijzigingen van dit voorschrift aan te nemen, worden zij aangenomen en treden zij in werking in overeenstemming met de in artikel 16 van dit Verdrag vervatte bepalingen.

1. Doelstellingen

1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.

1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.

1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.

2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.

2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.

3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:

  • .1. een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
  • .2. het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx of fijnstof of alle drie de typen emissies);
  • .3. een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;
  • .4. een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde beheersgebied bijdragen aan de concentraties van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
  • .5. relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde gebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
  • .6. de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
  • .7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
  • .8. de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.

3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.

4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie

4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.

4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.

4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.

5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing

5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

Voorschrift 22A. Verzamelen en rapporteren van gegevens over het brandstofolieverbruik van schepen

1.

Vanaf het kalenderjaar 2019 dienen voor elk schip van 5000 brutoton of meer de in Aanhangsel IX van deze Bijlage genoemde gegevens te worden verzameld voor dat kalenderjaar en elk daaropvolgend kalenderjaar of deel daarvan, naargelang van toepassing, volgens de in het SEEMP opgenomen methodiek.

2.

Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift, dienen aan het einde van elk kalenderjaar de voor het schip in dat kalenderjaar of deel daarvan verzamelde gegevens, naargelang van toepassing, te worden samengevoegd.

3.

Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift, dient voor elk schip binnen drie maanden na het einde van elk kalenderjaar, aan de Administratie van het schip of elke door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde waarde voor elke in Aanhangsel IX bij deze Bijlage genoemde datum te worden gerapporteerd langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat.

4.

Indien een schip van de ene naar de andere Administratie wordt overgedragen, dienen op de dag waarop de overdracht wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan de overdragende Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar dat onder die Administratie valt, zoals vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage en, na voorafgaand verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.

5.

Indien een schip overgaat van de ene naar de andere onderneming, dienen op de dag waarop de overgang wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan zijn Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar waarvoor de onderneming verantwoordelijk is, zoals vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage en, na verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.

6.

Indien de verandering van Administratie samenvalt met de verandering van onderneming, is de vierde paragraaf van dit voorschrift van toepassing.

7.

De gegevens dienen te worden geverifieerd volgens door de Administratie in te stellen procedures, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtsnoeren.

8.

Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift, dienen de uitgesplitste gegevens die ten grondslag liggen aan de gerapporteerde gegevens die in Aanhangsel IX bij deze Bijlage worden vermeld ter zake van het voorafgaande kalenderjaar gemakkelijk toegankelijk te zijn gedurende een periode van ten minste 12 maanden te rekenen vanaf het einde van dat kalenderjaar en aan de Administratie op verzoek beschikbaar te worden gesteld.

9.

De Administratie waarborgt dat de gerapporteerde gegevens vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage ter zake van haar geregistreerde schepen van 5000 brutoton en meer worden overgedragen aan de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat en niet later dan één maand na afgifte van de conformverklaringen voor deze schepen.

10.

Op basis van de gerapporteerde gegevens die bij de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen worden ingediend, stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie een jaarverslag op voor de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu waarin een beknopt overzicht wordt gegeven van de verzamelde gegevens, de status van de ontbrekende gegevens en overige relevante informatie waarom de Commissie kan verzoeken.

11.

De Secretaris-Generaal van de Organisatie houdt een database bij die zodanig geanonimiseerd is dat individuele schepen niet geïdentificeerd kunnen worden. Partijen hebben uitsluitend toegang tot de geanonimiseerde gegevens ten behoeve van analyse en bestudering.

12.

De IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen wordt opgezet en beheerd door de Secretaris-Generaal van de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie te ontwikkelen richtsnoeren.

Voorschrift 23. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie bestaand schip (Bereikte EEXI)

1.

De bereikte EEXI wordt berekend voor:

    1. elk schip; en
    1. elk schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan

dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt. De bereikte EEXI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier van de EEXI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEXI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEXI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEXI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatie.

2.

De bereikte EEXI wordt berekend aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

3.

Onverminderd paragraaf 1 van dit voorschrift mag voor elk schip waarop voorschrift 22 van deze Bijlage van toepassing is, de bereikte EEDI die is geverifieerd door de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie overeenkomstig voorschrift 22.1 van deze Bijlage, worden opgevat als de bereikte EEXI, indien de waarde van de bereikte EEDI gelijk is aan of lager is dan die van de vereiste EEXI, zoals vereist bij voorschrift 25 van deze Bijlage. In dit geval wordt de bereikte EEXI geverifieerd op basis van het technisch dossier bij de EEDI.

HOOFDSTUK 5. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE

Voorschrift 24. Toepassing

De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.

Voorschrift 25. Verificatie van de naleving

1.

Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.

2.

De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

3.

Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

4.

De audit van alle partijen:

  • .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
  • .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

1. Doelstellingen

1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.

1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.

1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.

2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.

2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.

3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:

  • .1. een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
  • .2. het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx of fijnstof of alle drie de typen emissies);
  • .3. een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;
  • .4. een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde beheersgebied bijdragen aan de concentraties van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
  • .5. relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde gebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
  • .6. de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
  • .7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
  • .8. de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.

3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.

4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie

4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.

4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.

4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.

5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing

5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

De volgende relevante verificatieprocedure wordt gebruikt om vast te stellen of de aan boord van schepen geleverde en aldaar gebruikte of voor gebruik bestemde brandstofolie voldoet aan de krachtens voorschrift 14 van deze Bijlage vereiste zwavelgrenzen.

Dit aanhangsel heeft betrekking op de volgende representatieve brandstofoliemonsters uit hoofde van MARPOL Bijlage VI:

Deel 1 – brandstofoliemonster dat is geleverd in overeenstemming met voorschrift 18.8.1, hierna te noemen „monster uit hoofde van MARPOL” zoals omschreven in voorschrift 2.54.

Deel 2 – monster van brandstofolie die in gebruik is aan boord van schepen, die bestemd is om aan boord te worden gebruikt of die vervoerd wordt om aan boord te worden gebruikt in overeenstemming met voorschrift 14.8, hierna te noemen het „in-gebruik-monster” zoals omschreven in voorschrift 2.55 en „aan-boord-monster”7 zoals omschreven in voorschrift 2.56.

Deel 1. – monster uit hoofde van MARPOL

1. Algemene vereisten

1.1. Het representatieve brandstofoliemonster dat uit hoofde van voorschrift 18.8.1 („monster uit hoofde van MARPOL”) verplicht is, wordt gebruikt om het zwavelgehalte van de aan een schip geleverde brandstofolie te verifiëren.

1.2. Een Partij beheert de verificatieprocedure via haar bevoegde autoriteit.

1.3. Een laboratorium dat de in dit aanhangsel vervatte procedure voor de zwaveltest uitvoert dient een geldige accreditatie te hebben voor de gebruikte testmethode.

2. Verificatieprocedure deel 1

2.1. De bevoegde autoriteit levert het monster uit hoofde van MARPOL af bij het laboratorium.

2.2. Het laboratorium:

  • .1. legt de gegevens van het zegelnummer en het label aan het monster vast in het testdossier;
  • .2. legt in het testdossier vast in welke toestand het zegel van het monster bij ontvangst verkeerde; en
  • .3. wijst alle monsters die bij ontvangst een verbroken zegel hebben af en legt dit vast in het testdossier.

2.3. Indien het zegel van het monster bij ontvangst intact is, start het laboratorium de verificatieprocedure en:

  • .1. verwijdert het zegel van het monster;
  • .2. stelt vast of het monster grondig gehomogeniseerd is;
  • .3. neemt twee afgeleide monsters van het monster; en
  • .4. verzegelt het monster opnieuw en legt de gegevens van het nieuwe zegel vast in het testdossier.

2.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in voorschrift 2.52 van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 1 van deze verificatieprocedure worden de uitkomsten van de analyse aangeduid als „1A” en „1B”:

  • .1. resultaten 1A en 1B worden vastgelegd in het testdossier in overeenstemming met de vereisten van de testmethode.
  • .2. indien de resultaten van 1A en 1B binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, worden deze als geldig aangemerkt.
  • .3. blijven de resultaten van 1A en 1B niet binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode, dan worden beide afgewezen en dient het laboratorium nieuwe afgeleide monsters te nemen en te onderzoeken. De monsterfles dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 2.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
  • .4. in het geval er twee maal geen herhaalbaarheid bereikt wordt tussen 1A en 1B wordt de oorzaak hiervan onderzocht door het laboratorium en opgelost voordat er verder wordt gegaan met het testen van het monster. Na het oplossen van het probleem van de herhaalbaarheid worden twee nieuwe afgeleide monsters genomen in overeenstemming met paragraaf 2.3. Het monster dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 2.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.

2.5. Indien de testresultaten van „1A” en „1B” geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. De gemiddelde waarde wordt aangeduid als „X” en wordt vastgelegd in het testdossier:

  • .1. indien het resultaat X gelijk is aan of lager is dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt de brandstofolie geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
  • .2. indien het resultaat X hoger is dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt de brandstofolie geacht niet te hebben voldaan aan het vereiste.
Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode
Toepasselijke grenswaarde % m/m: V Resultaat 2.5.1: X ≤ V Resultaat 2.5.2: X > V
0,10 Voldoet aan het vereiste Voldoet niet aan het vereiste
0,50 Voldoet aan het vereiste Voldoet niet aan het vereiste
Resultaat „ X” wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven Resultaat „ X” wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven

2.6. De uiteindelijke resultaten die worden verkregen uit deze verificatieprocedure worden door de bevoegde autoriteit geëvalueerd.

2.7. Het laboratorium verstrekt een afschrift van het testdossier aan de bevoegde autoriteit die de verificatieprocedure beheert.

Deel 2. – Monsters tijdens gebruik en aan boord

3. Algemene vereisten

3.1. Het monster tijdens gebruik of aan boord, naargelang van toepassing, wordt gebruikt om het zwavelgehalte te verifiëren van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door dat brandstofoliemonster op het bemonsteringspunt.

3.2. Een Partij beheert de verificatieprocedure via haar bevoegde autoriteit.

3.3. Een laboratorium dat de in dit aanhangsel vervatte procedure voor de zwaveltest uitvoert dient een geldige accreditatie10 te hebben voor de gebruikte testmethode.

4. Verificatieprocedure deel 2

4.1. De bevoegde autoriteit levert het in-gebruik-monster en het aan-boord-monster af bij het laboratorium.

4.2. Het laboratorium:

  • .1. legt de gegevens van het zegelnummer en het label aan het monster vast in het testdossier;
  • .2. legt in het testdossier vast in welke toestand het zegel van het monster bij ontvangst verkeerde; en
  • .3. wijst alle monsters die bij ontvangst een verbroken zegel hebben af en legt dit vast in het testdossier.

4.3. Indien het zegel van het monster bij ontvangst intact is, start het laboratorium de verificatieprocedure en:

  • .1. verwijdert het zegel van het monster;
  • .2. stelt vast of het monster grondig gehomogeniseerd is;
  • .3. neemt twee afgeleide monsters van het monster; en
  • .4. verzegelt het monster opnieuw en legt de gegevens van het nieuwe zegel vast in het testdossier.

4.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in voorschrift 2.52 van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 2 van deze verificatieprocedure worden de resultaten aangeduid als „2A” en „2B”:

  • .1. resultaten 2A en 2B worden vastgelegd in het testdossier in overeenstemming met de vereisten van de testmethode.
  • .2. indien de resultaten van 2A en 2B binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, worden deze als geldig aangemerkt.
  • .3. indien de resultaten van 2A en 2B niet binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, dan worden beide afgewezen en dient het laboratorium nieuwe afgeleide monsters te nemen en te onderzoeken. De monsterfles dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 4.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
  • .4. in het geval er twee maal geen herhaalbaarheid bereikt wordt tussen 2A en 2B wordt de oorzaak hiervan onderzocht door het laboratorium en opgelost voordat er verder wordt gegaan met het testen van het monster. Na het oplossen van het probleem van de herhaalbaarheid worden twee nieuwe afgeleide monsters genomen in overeenstemming met paragraaf 4.3. Het monster dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 4.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.

4.5. Indien de testresultaten van „2A” en „2B” geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. Die gemiddelde waarde wordt aangeduid als „Z” en wordt vastgelegd in het testdossier:

  • .1. indien Z gelijk is aan of lager is dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste;
  • .2. indien Z groter is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in voorschrift 14 maar minder dan of even hoog als die toepasselijke grenswaarde + 0,59R (waarbij R de reproduceerbaarheid van de testmethode is), wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
  • .3. indien Z hoger is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in voorschrift 14 + 0,59R wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht niet te hebben voldaan aan het vereiste.
Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode
Toepasselijke grenswaarde % m/m: V Waarde marge test: W Resultaat 4.5.1: Z ≤ V Resultaat 4.5.2: V < Z ≤ W Resultaat 4.5.3: Z > W
0,10 0,11 Voldoet aan het vereiste Voldoet aan het vereiste Voldoet niet aan het vereiste
0,50 0,53 Voldoet aan het vereiste Voldoet aan het vereiste Voldoet niet aan het vereiste
Resultaat „Z” wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven Resultaat „Z” wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven Resultaat „Z” wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven

4.6. De uiteindelijke resultaten die worden verkregen uit deze verificatieprocedure worden door de bevoegde autoriteit geëvalueerd.

4.7. Het laboratorium verstrekt een afschrift van het testdossier aan de bevoegde autoriteit die de verificatieprocedure beheert.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

Voorschrift 43a. Bijzondere vereisten voor het gebruik en het vervoer van olie als brandstof in Arctische wateren

1.

Met uitzondering van schepen die ingezet worden bij het waarborgen van de veiligheid van schepen of bij een opsporings- en reddingsoperatie, en parate schepen bestemd voor de bestrijding van olielekkages, is het gebruik en vervoer van de olieproducten vermeld in voorschrift 43.1.2 van deze Bijlage als brandstof voor schepen verboden in Arctische wateren, zoals omschreven in voorschrift 46.2 van deze Bijlage, op of na 1 juli 2024.

2.

Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, is voor schepen waarop voorschrift 12A van deze Bijlage of voorschrift 1.2.1 van hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code van toepassing is, het gebruik en vervoer van in voorschrift 43.1.2 van deze Bijlage genoemde olieproducten als brandstof voor deze schepen verboden in Arctische wateren, zoals omschreven in voorschrift 46.2 van deze Bijlage, op of na 1 juli 2029.

3.

Indien voorgaande activiteiten gepaard gingen met het gebruik en vervoer van de in voorschrift 43.1.2 van deze Bijlage genoemde olieproducten als brandstof, is het reinigen of spoelen van de tanks of pijpleidingen niet vereist.

4.

Niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 1 en 2 van dit voorschrift, kan de Administratie van een Partij bij dit Verdrag waarvan de kustlijn aan de Arctische wateren grenst tijdelijk ontheffing verlenen van de vereisten van paragraaf 1 van dit voorschrift voor schepen die de vlag voeren van die Partij die opereren in wateren die onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van die Partij vallen, rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen. Geen enkele ontheffing die ingevolge deze paragraaf is verleend is meer van toepassing op of na 1 juli 2029.

5.

De Administratie van een Partij bij dit Verdrag die de toepassing van paragraaf 4 van dit voorschrift toestaat, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden van de ontheffing toekomen voor toezending aan de Partijen bij dit Verdrag ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.

Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen

Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.

Voorschrift 8. Onderzoeken

    1. Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
  • .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 9 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
  • .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
  • .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
  • .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
  • .5 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in het derde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
  • 2.1. Onderzoeken van schepen, aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
  • 2.2. Deze organisaties, met inbegrip van classificatiebureaus, worden door de Administratie gemachtigd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met de Code voor Erkende Organisaties (RO-Code), die bestaat uit een deel 1 en deel 2 (waarvan de bepalingen als verplicht worden aangemerkt) en een deel 3 (waarvan de bepalingen als aanbeveling worden aangemerkt), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie [MEPC.237(65)], eventueel als gewijzigd door de Organisatie, mits:
  • .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
  • .2. wijzigingen van deel 3 van de RO-Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde; en
  • .3. de in .1 en .2 bedoelde eventuele wijzigingen die worden aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie en de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu identiek zijn en tegelijkertijd in werking treden of van kracht worden, al naargelang van toepassing.
  • 2.3. Een Administratie die inspecteurs benoemt of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in lid 2.1 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid:
  • .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
  • .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
  • 2.4. De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
  • 2.5. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
  • 2.6. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
  • 3.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
  • 3.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
  • 3.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of eigenaar van het schip eveneens onverwijld de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.

Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering

    1. Van schepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, dienen het ontwerp, de constructie, de uitrusting en de bedrijfsvoering in overeenstemming met de volgende bepalingen te zijn, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt:
  • .1 de Internationale code voor chemicaliën in bulk, wanneer het chemicaliëntankschip is gebouwd op of na 1 juli 1986; of
  • .2 de Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.2 van die code voor:
  • .1 schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is afgesloten, maar gebouwd vóór 1 juli 1986, en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij het Verdrag zijn; en
  • .2 schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd, maar vóór 1 juli 1986, en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
  • .3 De Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.3 van die code voor:
  • .1 schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is afgesloten en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
  • .2 schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
    1. Ten aanzien van andere schepen dan chemicaliëntankschepen of vloeibaar-gastankschepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, stelt de Administratie passende maatregelen op aan de hand van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt.

Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.

1 Lozingsbepalingen

  • 1.1. Het lozen in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, is verboden, behalve wanneer deze lozingen plaatsvinden in volledige overeenstemming met de in deze Bijlage vervatte operationele vereisten.
  • 1.2. Voordat in overeenstemming met dit voorschrift een voorwas- of lozingsprocedure wordt uitgevoerd, dient de tank in kwestie zoveel mogelijk te worden geleegd in overeenstemming met de in het Handboek voorgeschreven procedures.
  • 1.3. Het vervoer van stoffen die niet zijn gecategoriseerd, niet voorlopig ingedeeld of niet geëvalueerd zoals bedoeld in voorschrift 6 van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke residuen bevatten, is verboden evenals eventuele bijkomende lozing van dergelijke stoffen in zee.

2 Lozingsnormen

  • 2.1. Wanneer de bepalingen van dit voorschrift de lozing in zee toestaan van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z of van die welke voorlopig zijn beoordeeld als zodanig, of ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, zijn de volgende lozingsbepalingen van toepassing:
  • .1 het schip is onderweg met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
  • .2 de lozing vindt plaats onder de waterlijn via de onderwateruitlaat of -uitlaten met een snelheid die niet meer bedraagt dan de maximumsnelheid waarvoor de onderwateruitlaat of -uitlaten zijn ontworpen; en
  • .3 de lozing geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land in water van ten minste 25 meter diepte.
  • 2.2. Voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2007 is het lozen onder de waterlijn in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, niet verplicht.
  • 2.3. De Administratie kan voor de vereisten van lid 2.1.3 ontheffing verlenen voor stoffen van categorie Z, wat betreft de afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Daarnaast kan de Administratie ontheffing van hetzelfde vereiste verlenen wat betreft de lozingsafstand van ten minste 12 zeemijlen voor een specifiek schip dat gerechtigd is de vlag van de Staat te voeren, wanneer het reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van een aangrenzende staat na de opstelling van een schriftelijke ontheffingsovereenkomst tussen beide betrokken kuststaten, mits een derde partij hiervan geen nadeel ondervindt. Informatie met betrekking tot een dergelijke overeenkomst moet binnen 30 dagen aan de Organisatie worden medegedeeld voor verdere verzending naar de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en met het oog op eventuele passende maatregelen.

3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie

Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.

4 Uitzondering voor een voorwas

Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:

  • .1 de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
  • .2 de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast. De voorwasprocedure in overeenstemming met het desbetreffende lid van dit voorschrift wordt uitgevoerd in een andere haven, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
  • .3 de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Administratie in overeenstemming met aanhangsel 7 van deze Bijlage goedgekeurde ventilatieprocedure.

5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen

  • 5.1. Wanneer voor het reinigen van een tank een ander wasmedium dan water wordt gebruikt, bijvoorbeeld minerale olie of een chlooroplossing, wordt de lozing ervan beheerst door de bepalingen van Bijlage I of Bijlage 2, naar gelang van welke Bijlage op het wasmedium van toepassing zou zijn indien het als lading zou zijn vervoerd. Tankwasprocedures waarbij dergelijke middelen worden gebruikt, moeten in het Handboek worden vermeld en door de Administratie worden goedgekeurd.
  • 5.2. Wanneer kleine hoeveelheden schoonmaakmiddelen (synthetische reinigingsmiddelen) aan water worden toegevoegd om het wassen te vergemakkelijken, mogen geen schoonmaakmiddelen worden gebruikt die stoffen van verontreinigingscategorie X bevatten, behoudens die stoffen welke snel biologisch afbreekbaar zijn en in een concentratie van minder dan 10% in het schoonmaakmiddel aanwezig zijn. Er gelden geen extra beperkingen naast die welke van toepassing zijn op de tank vanwege de vorige lading.

6 Lozing van residuen van categorie X

  • 6.1. Onverminderd het bepaalde in lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
  • .1 Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De daaruit voortkomende residuen dienen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters van het effluent, is gedaald tot een gewichtspercentage van 0,1% of minder. Wanneer het vereiste concentratieniveau is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient behoorlijk aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en deze dient te worden goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)