Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

Type Verdrag
Publication 2026-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 20
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
  • (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
  • (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
  • (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en gebaseerd is op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
  • (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiémethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.

(7). Met betrekking tot stoffen van categorie C zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen de bijzondere gebieden:

  • (a). een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c) van deze paragraaf, aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
  • (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, ten gevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(9) van deze Bijlage; of
  • (ii). het lossen niet geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
  • (b). De in letter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
  • (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens normen opgesteld door de Organisatie ten gevolge waarvan de resthoeveelheid niet groter is dan de maximale hoeveelheid die buiten de bijzondere gebieden in zee mag.worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage en de restanten worden aan boord van het schip gehouden, ten einde op een later tijdstip buiten het bijzondere gebied in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage; en
  • (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in paragraaf (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
  • (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
  • (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
  • (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
  • (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde nonnen.

(8). Met betrekking tot de stoffen van categorie D dient een tank die is gelost, òf te worden schoongemaakt en het verkregen tankwaswater te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening, òf de overblijvende restanten in de tank dienen te worden verdund en in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(4) van deze Bijlage.

(9). Alle restanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, met inbegrip van lenswater uit ladingpompkamers, en die een stof van categorie A bevatten of, binnen een bijzonder gebied, een stof van categorie A of categorie B bevatten, dienen te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(1), (7) of (8) van deze Bijlage, al naar gelang van toepassing.

Voorschrift 9. Ladingjournaal

  • (1). Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in Aanhangsel IV bij deze Bijlage.
  • (2). Het Ladingjournaal dient te worden ingevuld, voor elke tank afzonderlijk, telkens wanneer een van de volgende handelingen, die een schadelijke vloeistof betreft, aan boord van het schip plaatsvindt:
  • (i). het innemen van lading
  • (ii). het aan boord overbrengen van lading
  • (iii). het lossen van lading
  • (iv). het schoonmaken van ladingtanks
  • (v). het ballasten van ladingtanks
  • (vi). het lozen van ballastwater uit ladingtanks
  • (vii). het afgeven van restanten aan ontvangstvoorzieningen
  • (viii). het lozen in zee of het verwijderen door ventilatie, overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
  • (3). Van elk lozen zoals bedoeld in artikel 8 van dit Verdrag en in Voorschrift 6 van deze Bijlage, hetzij opzettelijk, hetzij toevallig, van een schadelijke vloeistof of van een mengsel dat een dergelijke stof bevat, dient aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
  • (4). Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij dit Verdrag tot toezicht op alle handelingen waarop deze Bijlage van toepassing is, een schip heeft geinspecteerd, dient deze inspecteur daarvan aantekening te doen in het Ladingjournaal.
  • (5). Elke handeling zoals bedoeld in de leden (2) en (3) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden aangetekend in het Ladingjournaal, en wel zodanig dat alle in het dagboek vereiste aantekeningen, die betrekking hebben op die handeling, volledig worden ingeschreven. Elke aantekening dient te worden ondertekend door de officier of officieren belast met de betrokken handeling en dient elke bladzijde door de kapitein van het schip te worden getekend. De aantekeningen in het Ladingjournaal worden gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren en, voor schepen die in het bezit zijn van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in Bulk of een in Voorschrift 12A van deze Bijlage bedoeld Certificaat, in de Engelse of de Franse taal. In geval van geschil of tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, bepalend.
  • (6). Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, derhalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het dient gedurende een termijn van drie jaren na dagtekening van de laatste aantekening te worden bewaard.
  • (7). De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, zal bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.

Voorschrift 10. Onderzoeken

    1. Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
  • a. Een eerste onderzoek voordat een schip in dienst wordt gesteld of voordat het Certificaat, als vereist ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen, voor zover het schip valt onder deze Bijlage. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
  • b. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer Voorschrift 12, tweede lid, vijfde lid, zesde lid of zevende lid, van deze Bijlage van toepassing is. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
  • c. Een tussentijds onderzoek binnen 3 maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen 3 maanden voor of na de derde verjaardatum van het Certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in het eerste lid, letter d, van dit Voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
  • d. Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het Certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in het eerste lid, letter a, van dit Voorschrift, ten einde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het derde lid van dit Voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
  • e. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek moet, al naar gelang de omstandigheden, worden uitgevoerd na reparaties voortvloeiend uit de onderzoeken voorgeschreven in het derde lid van dit Voorschrift of telkens wanneer belangrijke reparaties of vernieuwingen zijn verricht. Het onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de noodzakelijke reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de uitvoering van zulke reparaties of vernieuwingen in alle opzichten bevredigend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
  • 2.
  • a. Onderzoeken van schepen moeten voor zover het de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage betreft, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan echter deze onderzoeken toevertrouwen hetzij aan deskundigen die voor dat doel zijn aangewezen, hetzij aan door haar erkende organisaties.
  • b. Een Administratie die deskundigen aanwijst of organisaties erkent voor het uitvoeren van onderzoeken zoals aangegeven onder a van dit lid, dient iedere aangewezen deskundige of erkende organisatie ten minste te machtigen om: De Administratie licht de Organisatie in betreffende de bijzondere verantwoordelijkheden en voorwaarden verbonden aan de bevoegdheden die zijn opgedragen aan de aangewezen deskundigen of erkende organisaties, ter verspreiding onder de Partijen bij dit Protocol ter informatie van hun ambtenaren.
  • i. reparaties aan een schip te verlangen; en
  • ii. onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
  • c. Wanneer een aangewezen deskundige of erkende organisatie beslist dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het Certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient deze deskundige of organisatie onmiddellijk te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht moet het Certificaat worden ingetrokken en de Administratie onmiddellijk worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, moeten ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onmiddellijk worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen deskundige of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun uit dit Voorschrift voortvloeiende plicht te doen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar een geschikte reparatiewerf te gaan.
  • d. In elk geval garandeert de betrokken Administratie geheel de volledigheid en doeltreffendheid van de onderzoeken en dient zij de nodige maatregelen te nemen om ervan verzekerd te zijn dat aan deze verplichting wordt voldaan.
  • 3.
  • a. De toestand van schip en uitrusting dient te worden gehandhaafd in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag om zeker te stellen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
  • b. Nadat een onderzoek van het schip krachtens het eerste lid van dit Voorschrift is voltooid, mag zonder toestemming van de Administratie geen verandering worden aangebracht in de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen die door het onderzoek worden gedekt, behalve indien het gaat om onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en installaties.
  • c. Wanneer een schip een ongeval overkomt, of gebreken worden geconstateerd die de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting, vallende onder de bepalingen van deze Bijlage, in belangrijke mate beïnvloeden, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen deskundige die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken Certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten. In een dergelijk geval dient door laatstgenoemden te worden onderzocht of een onderzoek als bedoeld in het eerste lid van dit Voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich in een haven van een andere Partij bevindt, dient de kapitein of de eigenaar eveneens onmiddellijk de bevoegde autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de aangewezen deskundige of de erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.

Voorschrift 11. Afgifte van of aantekening op het Certificaat

    1. Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 10 van deze Bijlage wordt een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
    1. Dit Certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het Certificaat op zich.
  • 3.
  • a. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat Certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
  • b. Een afschrift van het Certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
  • c. Een aldus afgegeven Certificaat moet een verklaring bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het zal dezelfde waarde hebben en het moet op dezelfde wijze worden erkend als een Certificaat dat is afgegeven krachtens het eerste lid van dit Voorschrift.
  • d. Er wordt geen Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
    1. Het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel V van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in een van deze talen.
    1. Niettegenstaande andere bepalingen van de wijzigingen op deze Bijlage die bij resolutie MEPC.39(29) zijn aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene milieu blijft een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk dat geldig is wanneer deze wijzigingen van kracht worden, geldig totdat de geldigheid afloopt op grond van deze Bijlage zoals deze luidt voordat de wijzigingen van kracht zijn geworden.

Voorschrift 12. Looptijd en geldigheid van het Certificaat

    1. Een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat niet langer is dan vijf jaar.
  • 2.
  • a. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat, niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit Voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
  • b. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
  • c. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
    1. Indien een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het Certificaat tot na de vervaldatum verlengen tot het in het eerste lid van dit Voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in Voorschrift 10, eerste lid, letters c en d, van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
    1. Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw Certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de vervaldatum van het bestaande Certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het Certificaat plaatsen en wordt dit Certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
    1. Indien een schip zich op het tijdstip waarop een Certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het Certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Een Certificaat mag niet worden verlengd voor een tijdvak langer dan 3 maanden en een schip ten behoeve waarvan een verlenging is verleend, is bij zijn aankomst in de haven waar het moet worden onderzocht, niet gerechtigd uit hoofde van een zodanige verlenging die haven te verlaten zonder een nieuw Certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
    1. Een Certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd ingevolge de voorgaande bepalingen van dit Voorschrift kan door de Administratie worden verlengd met een gedoogperiode van ten hoogste één maand na de op het Certificaat vermelde vervaldatum. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
    1. In bijzondere omstandigheden, zoals bepaald door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd te rekenen van de vervaldatum van het bestaande Certificaat zoals voorgeschreven in het tweede lid, letter b, vijfde of zesde lid van dit Voorschrift. In deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
    1. Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in Voorschrift 10 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
  • a. wordt de verjaardatum op het Certificaat door een aantekening gewijzigd in een datum ten hoogste 3 maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
  • b. wordt het in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat Voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
  • c. kan de vervaldatum onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
    1. Een ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage afgegeven Certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
  • a. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de in Voorschrift 10, eerste lid, van deze Bijlage aangegeven tijdvakken;
  • b. indien er op het Certificaat geen aantekening is geplaatst overeenkomstig Voorschrift 10, eerste lid, letter c of d, van deze Bijlage;
  • c. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw Certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe Certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van Voorschrift 10, vierde lid, letters a en b, van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen 3 maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het Certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.

Voorschrift 12A. Bescherming van brandstofolietanks

1.

Dit voorschrift is van toepassing op alle schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 en meer waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 augustus 2010, zoals omschreven in voorschrift 1.28.9 van deze Bijlage.

2.

De toepassing van dit voorschrift bij het bepalen van de locatie van tanks die gebruikt worden voor het vervoer van brandstofolie heeft geen voorrang boven de toepassing van voorschrift 19 van deze Bijlage.

3.

Voor de toepassing van dit Voorschift zijn de volgende begripsomschrijvingen van toepassing:

  • .1. „brandstofolie”, elke olie gebruikt als brandstof voor de voortstuwings- en hulpmachines van het schip dat dergelijke olie aan boord heeft.
  • .2. „diepgang op de lastlijn (dS)”: de verticale afstand, in meters, van de basislijn van de mal midscheeps gemeten naar de waterlijn overeenkomstig het aan het schip toegekende zomervrijboord.
  • .3. „diepgang bij leeg schip” is de midscheepse diepgang naar de mal gemeten overeenkomstig het leeg gewicht.
  • .4. „Diepgang op de partiële lastlijn (dP)” is de diepgang bij leeg schip plus 60% van het verschil tussen de diepgang bij leeg schip en de diepgang op de lastlijn (ds). De diepgang op de partiële lastlijn (dP) wordt gemeten in meters.
  • .5. „Waterlijn dB”: de verticale afstand, in meters, van de basislijn van de mal midscheeps gemeten naar de waterlijn overeenkomstig 30% van holte DS.
  • .6. „Breedte BS”: de grootste breedte naar de mal van het schip, in meters, op of onder de diepste lastlijn ds.
  • .7. „Breedte BB”: de grootste breedte naar de mal van het schip, in meters, op of onder de waterlijn dB.
  • .8. „Holte DS”: de holte naar de mal, in meters, midscheeps gemeten op het bovendek in de zijde. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt onder „bovendek” verstaan het bovenste dek tot hetwelk de waterdichte dwarsschotten, uitgezonderd de achterpiekschotten, zijn opgetrokken.
  • .9. „Lengte L”: 96% van de totale lengte op een waterlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kiel, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze laatste lengte groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen, dient de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt evenwijdig aan de constructiewaterlijn te worden genomen. De lengte L wordt gemeten in meters.
  • .10. „Breedte B”: de grootste breedte van het schip in meters, midscheeps gemeten op de buitenkant van de spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenkant van de romp bij een schip met een huid van ander materiaal.
  • .11. „Brandstofolietank”: een tank waarin olie wordt vervoerd, uitgezonderd tanks die bij normale bedrijfsvoering geen brandstofolie zouden bevatten, zoals overlooptanks.
  • .12. „Kleine brandstofolietank”: een brandstofolietank met een maximale individuele capaciteit van ten hoogste 30 m3.
  • .13. „C”: het totale volume aan brandstofolie van het schip, met inbegrip van het volume van kleine brandstofolietanks, in m3 bij een tankvulling van 98%.
  • .14. „Brandstofoliecapaciteit”: het volume van een tank in m3, bij een tankvulling van 98%.
4.

De bepalingen van dit voorschrift zijn van toepassing op alle brandstofolietanks uitgezonderd kleine brandstofolietanks, zoals omschreven in 3.12, mits de totale capaciteit van deze niet meegerekende tanks ten hoogste 600 m3 bedraagt.

5.

De capaciteit van individuele brandstofolietanks mag ten hoogste 2.500 m3 bedragen.

6.

Bij schepen, anders dan hefbooreilanden, met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 of meer dienen de brandstofolietanks zodanig geplaatst te zijn dat de tanks zich bevinden boven de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating, nergens minder dan afstand h, zoals hieronder vermeld:

h = B/20 m of,

h = 2,0 m, naargelang welk getal het kleinst is.

De minimumwaarde van h = 0,76 m.

In het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim dient de grenslijn van de brandstofolietank parallel te lopen aan de lijn van het midscheepse vlak, zoals weergegeven in figuur 1.

7.

Bij schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 of meer maar minder dan 5.000 m3, dienen de brandstofolietanks zodanig te zijn geplaatst dat zij zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op een kleinere afstand dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 2, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven:

w = 0,4 + 2,4 C/20.000 m

De minimumwaarde van w = 1,0 m; voor individuele tanks met een brandstofoliecapaciteit van minder dan 500 m3 bedraagt de minimumwaarde echter 0,76 m.

8.

Bij schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 5.000 m3 of meer dienen de brandstofolietanks zodanig te zijn geplaatst dat zij zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op een kleinere afstand dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 2, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven:

w = 0,5 + C/20.000 m of

w = 2,0 m, naargelang welk getal het kleinst is.

De minimumwaarde van w = 1,0 m.

9.

Brandstofolieleidingen die zich op een geringere hoogte dan h, zoals omschreven in lid 6, van het scheepsvlak bevinden of op een kleinere afstand dan w, zoals omschreven in lid 7 en 8, van de zijde van het schip, dienen te zijn voorzien van afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen in of vlak naast de brandstofolietank. Deze afsluiters moeten vanuit een gemakkelijk toegankelijke gesloten ruimte kunnen worden bediend; deze ruimte moet vanaf de navigatiebrug of vanaf de plaats van waar de bediening van de voortstuwingsmachines plaatsvindt, kunnen worden bereikt zonder blootgestelde vrijboord- of opbouwdekken te betreden. Wanneer het systeem voor afstandsbediening defect raakt (defect in gesloten stand) dienen de afsluiters gesloten te worden en op zee gesloten te blijven op elk moment waarop de tank brandstofolie bevat; zij mogen evenwel worden geopend tijdens het verpompen van brandstofolie.

10.

Zuigputten in brandstofolietanks kunnen uitsteken in de dubbele bodem onder de grenslijn die wordt bepaald door de afstand h, op voorwaarde dat die putten zo klein zijn als praktisch mogelijk is en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating niet minder bedraagt dan 0,5 h.

11.

In plaats van aan het bepaalde in lid 6 en lid 7 of 8, kunnen schepen ook voldoen aan de onderstaande norm inzake de onbedoelde uitstroming van olie:

  • .1. Het niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van een aanvaring of stranding wordt als volgt beoordeeld op basis van de gemiddelde olie-uitstroomparameter: waarbij: OM = gemiddelde-olieuitstroomparameter C = totale brandstofolievolume
OM < 0,0157-1,14E-6 AC voor 600 m3 ≤ C < 5.000 m3
OM ≤ 0,010 voor C ≥ 5.000 m3
  • .2. De volgende algemene aanname is van toepassing bij de berekening van de gemiddelde olie-uitstroomparameter:
  • .1. Het schip wordt geacht te zijn geladen tot op de diepgang op de partiële lastlijn (dP) zonder trim of slagzij;
  • .2. alle brandstofolietanks worden geacht geladen te zijn tot 98% van hun volume;
  • .3. de nominale dichtheid van de brandstofolie (ρn) wordt over het algemeen gesteld op 1,000 kg/m3. Indien de dichtheid van de brandstofolie specifiek tot een lagere waarde beperkt wordt, mag deze lagere waarde worden toegepast; en
  • .4. ten behoeve van deze uitstromingsberekeningen, wordt de permeabiliteit van elke brandstofolietank op 0,99 gesteld, tenzij anderszins vastgesteld.
  • .3. Het combineren van de olie-uitstroomparameters geschiedt op basis van de volgende aannames:
  • .1. De gemiddelde olie-uitstroom wordt afzonderlijk berekend voor zijschade en voor bodemschade en vervolgens op de volgende wijze gecombineerd in een niet-dimensionale olie-uitstroomparameter OM: OM = (0,4 OMS + 0,6 OMB)/C waarbij: OMS = gemiddelde uitstroom bij zijschade, in m3; OMB = gemiddelde uitstroom bij bodemschade, in m3; C = totaal brandstofolievolume.
  • .2. Bij bodemschade wordt de gemiddelde uitstroomwaarde afzonderlijk berekend voor een getij van 0,0 m en -2,5 m en vervolgens op de volgende wijze gecombineerd: waarbij: OMB = 0,7 OMB(0) + 0,3 OMB(2,5) OMB(0) = gemiddelde uitstroom bij een getij van 0,0 m; en OMB(2.5) = gemiddelde uitstroom bij een getij van -2,5 m in m3.
  • .4. De gemiddelde uitstroom bij zijschade OMS wordt als volgt berekend: waarbij: i = elke desbetreffende brandstofolietank; n = het totale aantal brandstofolietanks; Ps(i) = de kans op doorboring van brandstofolietank i als gevolg van zijschade, berekend in overeenstemming met lid 11.6 van dit voorschrift; Os(i) = de uitstroom, in m3, bij zijschade aan brandstofolietank i, die wordt verondersteld gelijk te zijn aan het totale volume in brandstofolietank i bij een tankvulling van 98%.
  • .5. De gemiddelde uitstroom bij bodemschade wordt voor elk getij op de volgende wijze berekend:
  • .1. waarbij: i = elke desbetreffende brandstofolietank; n = het totale aantal brandstofolietanks; PB(i) = de kans op doorboring van brandstofolietank i als gevolg van bodemschade, berekend in overeenstemming met lid 11.7 van dit voorschrift; OB(i) = de uitstroom uit brandstofolietank i, in m3, berekend in overeenstemming met lid 11.5.3 van dit voorschrift; en CDB(i) = factor om rekening te houden met olie-opvang als omschreven in lid 11.5.4.
  • .2. waarbij: i, n PB(i) and CDB(i) = zoals hierboven onder .1 omschreven OB(i) = de uitstroom uit brandstofolietank i, in m3, na getijdeverandering.
  • .3. De olie-uitstroom OB(i) voor elke brandstofolietank wordt berekend op basis van drukbalansprincipes, in overeenstemming met de volgende aannames:
  • .1. Het schip wordt verondersteld te zijn gestrand met een trim en helling van nihil, waarbij de diepgang bij stranding voorafgaande aan de getijdeverandering gelijk is aan de diepgang op de partiële lastlijn dP.
  • .2. Het brandstofolieniveau na schade wordt als volgt berekend: waarbij: hF = de hoogte van de brandstofolie boven Zl, in meters; tC = de getijdeverandering, in meters. Afnames van het getijde worden uitgedrukt als negatieve waarden; Zl = de hoogte van het laagste punt in de brandstofolietank boven de lijn van onderzijde spanten, in meters; ρ s = dichtheid van zeewater, gesteld op 1.025 kg/m3; en ρ n = nominale dichtheid van de brandstofolie, zoals omschreven in 11.2.3.
  • .3. Bij tanks die door de vlakbeplating worden begrensd wordt de olie-uitstroom OB(i) gesteld op niet minder dan de volgende formule, evenwel niet meer dan de tankcapaciteit: OB(i) = HW . A waarbij: HW = 1,0 m, wanneer YB = 0 HW = BB/50 maar niet groter dan 0,4 m, wanneer YB groter is dan BB/5 of 11,5 m, naargelang welk getal het kleinst is HW wordt in opwaartse richting gemeten vanaf de lijn van het midscheepse vlak. In het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim, dient HW te worden gemeten vanaf een lijn die parallel loopt aan de lijn van het midscheepse vlak, zoals voor afstand „h” is weergegeven in figuur 1. Voor YB-waarden buitenboord BB/5 of 11,5 m, naargelang welk getal het kleinst is, dient HW lineair te worden geïnterpoleerd. YB = de minimumwaarde van YB over de lengte van de brandstofolietank, wanneer op elke plaats YB de afstand overdwars tussen de zijbeplating bij waterlijn dB en de tank op of onder waterlijn dB is. A = de maximale horizontale projectie van de oppervlakte van de brandstofolietank tot niveau HW vanaf de bodem van de tank.
  • .4. In het geval van bodemschade kan een deel van de uitstroom uit een brandstofolietank worden opgevangen in afdelingen anders dan olie-afdelingen. Dit effect wordt benaderd door toepassing van de factor CDB(i) op elke tank, waarbij uitgegaan wordt van het volgende:
  • CDB(i) = 0,6 voor brandstofolietanks die aan de onderzijde begrensd worden door afdelingen anders dan olie-afdelingen;
  • CDB(i) = 1 in andere gevallen.
  • .6. De kans PS dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van zijschade wordt als volgt berekend:
  • .1. PS= PSL . PSV . PST waarbij: PSL = (1 – PSf– PSa) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf; PSV = (1 – PSu – PSl) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de verticale zone die wordt begrensd door Zl en Zu; PST = (1 – PSy) = de kans dat de schade zich overdwars uitbreidt tot na de door y gedefinieerde grens.
  • .2. PSa, PSf, PSu en PSl worden bepaald door lineaire interpolatie op basis van de kansentabel voor zijschade zoals vermeld in lid 11.6.3, en PSy wordt berekend met behulp van de formules zoals vermeld in lid 11.6.3, waarbij: PSa = de kans dat de schade volledig achter de locatie Xa/L gelegen is; PSf = de kans dat de schade volledig voor de locatie Xf/L gelegen is; PSl = de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is. PSu = de kans dat de schade volledig boven de tank gelegen is; en PSy = de kans dat de schade volledig buiten de tank gelegen is. Afdelingsbegrenzingen Xa, Xf, Zl, Zu en y worden als volgt uitgewerkt: Xa = de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het achterste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Xf = de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het voorste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Zl = de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het laagste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Wanneer Zl groter is dan DS, wordt Zl gesteld op DS; Zu = de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het hoogste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Wanneer Zu groter is dan DS, wordt Zu gesteld op DS; en y = de minimale horizontale afstand gemeten loodrecht op hart schip tussen de desbetreffende afdeling en de zijbeplating in meters1)Bij symmetrische tankopstellingen wordt de schade voor slechts een zijde van het schip berekend, in welk geval alle „y”-dimensies vanaf die zijde dienen te worden gemeten. Voor asymmetrische tankopstellingen wordt verwezen naar de Toelichting inzake aangelegenheden die verband houden met de onbedoelde uitstroom van olie, aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.122(52). . Ter plekke van de ronding van de kim hoeft geen rekening te worden gehouden met y onder een afstand h boven de basislijn, wanneer h minder is dan B/10, 3 meter of de bovenzijde van de tank.
  • .3. Kansentabel voor zijschade PSy wordt als volgt berekend:
Xa/L PSa Xf/L PSf Zl/DS PSl Zu/DS PSu
0,00 0,000 0,00 0,967 0,00 0,000 0,00 0,968
0,05 0,023 0,05 0,917 0,05 0,000 0,05 0,952
0,10 0,068 0,10 0,867 0,10 0,001 0,10 0,931
0,15 0,117 0,15 0,817 0,15 0,003 0,15 0,905
0,20 0,167 0,20 0,767 0,20 0,007 0,20 0,873
0,25 0,217 0,25 0,717 0,25 0,013 0,25 0,836
0,30 0,267 0,30 0,667 0,30 0,021 0,30 0,789
0,35 0,317 0,35 0,617 0,35 0,034 0,35 0,733
0,40 0,367 0,40 0,567 0,40 0,055 0,40 0,670
0,45 0,417 0,45 0,517 0,45 0,085 0,45 0,599
0,50 0,467 0,50 0,467 0,50 0,123 0,50 0,525
0,55 0,517 0,55 0,417 0,55 0,172 0,55 0,452
0,60 0,567 0,60 0,367 0,60 0,226 0,60 0,383
0,65 0,617 0,65 0,317 0,65 0,285 0,65 0,317
0,70 0,667 0,70 0,267 0,70 0,347 0,70 0,255
0,75 0,717 0,75 0,217 0,75 0,413 0,75 0,197
0,80 0,767 0,80 0,167 0,80 0,482 0,80 0,143
0,85 0,817 0,85 0,117 0,85 0,553 0,85 0,092
0,90 0,867 0,90 0,068 0,90 0,626 0,90 0,046
0,95 0,917 0,95 0,023 0,95 0,700 0,95 0,013
1,00 0,967 1,00 0,000 1,00 0,775 1,00 0,000
PSy = (24,96 – 199,6 y/BS) (y/BS) voor y/BS ≤ 0,05
--- ---
PSy = 0,749 + {5 – 44,4 (y/BS – 0,05)} {(y/BS) – 0,05} voor 0,05 < y/BS < 0,1
PSy = 0,888 + 0,56 ( y/BS -0,1) voor y/BS ≥ 0,1
PSy mag niet groter zijn dan 1. PSy mag niet groter zijn dan 1.
  • .7. De kans PB dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van bodemschade wordt als volgt berekend:
  • .1. PB = PBL . PBT. PBV waarbij: PBL = PBL = (1 – PBf – PBa) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf; PBT = (1 – PBp – PBs) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de dwarszone die wordt begrensd door Yp en Ys; en PBV = (1 – PBz) = de kans dat de schade zich in verticale richting uitstrekt tot boven de door z gedefinieerde grens.
  • .2. PBa, PBf, PBp en PBs worden bepaald door lineaire interpolatie op basis van de kansentabel voor bodemschade zoals vermeld in lid 11.7.3, en PBz wordt berekend met behulp van de formules zoals vermeld in lid 11.7.3, waarbij: PBa = de kans dat de schade volledig achter plaats Xa/L gelegen is; PBf = de kans dat de schade volledig voor plaats Xf/L gelegen is; PBp = de kans dat de schade volledig aan bakboordzijde van de tank gelegen is; PBs = de kans dat de schade volledig aan stuurboordzijde van de tank gelegen is; en PBz = de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is. Afdelingsbegrenzingen Xa, Xf, Yp, Ys en z worden als volgt uitgewerkt: Xa en Xf zoals omschreven in 11.6.2; Yp = de afstand overdwars van het punt aan de uiterste bakboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip; Ys = de afstand overdwars van het punt aan de uiterste stuurboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip; en z = de minimumwaarde van z over de lengte van de afdeling, waarbij z, op willekeurig welke plaats over de lengte, de verticale afstand is vanaf het laagste punt van de vlakbeplating op die lengtepositie tot het laagste punt van de afdeling op die lengtepositie.
  • .3. Kansentabel voor bodemschade PBz wordt als volgt berekend:
Xa/L PBa Xp/L PBf Yp/BB PBp Ys/BB PBs
0,00 0,000 0,00 0,969 0,00 0,844 0,00 0,000
0,05 0,002 0,05 0,953 0,05 0,794 0,05 0,009
0,10 0,008 0,10 0,936 0,10 0,744 0,10 0,032
0,15 0,017 0,15 0,916 0,15 0,694 0,15 0,063
0,20 0,029 0,20 0,894 0,20 0,644 0,20 0,097
0,25 0,042 0,25 0,870 0,25 0,594 0,25 0,133
0,30 0,058 0,30 0,842 0,30 0,544 0,30 0,171
0,35 0,076 0,35 0,810 0,35 0,494 0,35 0,211
0,40 0,096 0,40 0,775 0,40 0,444 0,40 0,253
0,45 0,119 0,45 0,734 0,45 0,394 0,45 0,297
0,50 0,143 0,50 0,687 0,50 0,344 0,50 0,344
0,55 0,171 0,55 0,630 0,55 0,297 0,55 0,394
0,60 0,203 0,60 0,563 0,60 0,253 0,60 0,444
0,65 0,242 0,65 0,489 0,65 0,211 0,65 0,494
0,70 0,289 0,70 0,413 0,70 0,171 0,70 0,544
0,80 0,409 0,80 0,252 0,80 0,097 0,80 0,644
0,85 0,482 0,85 0,170 0,85 0,063 0,85 0,694
0,90 0,565 0,90 0,089 0,90 0,032 0,90 0,744
0,95 0,658 0,95 0,026 0,95 0,009 0,95 0,794
1,00 0,761 1,00 0,000 1,00 0,000 1,00 0,844
PBz = (14,5 – 67 z/DS) (z/DS) voor z/DS ≤ 0,1
--- ---
PBz = 0,78 + 1,1 {(z/DS -0,1)} voor z/DS > 0,1
PBz mag niet groter zijn dan 1.
  • .8. Ten behoeve van onderhoud en inspectie dienen brandstofolietanks die niet grenzen aan de buitenhuid, te worden geplaatst op een afstand tot de vlakbeplating die niet minder mag bedragen dan de minimumwaarde h in lid 6 en een afstand tot de zijbeplating die niet minder mag bedragen dan de van toepassing zijnde minimumwaarde w in lid 7 of 8.
12.

Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van schepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift, houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.

Voorschrift 13. Eisen ter beperking van verontreiniging door een ongeval

(1). Van schepen die schadelijke vloeistoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dienen het ontwerp, de bouw, de uitrusting en de bedrijfsvoering zodanig te zijn, dat het ongecontroleerd lozen van deze stoffen in zee tot een minimum wordt beperkt.

(2). Chemicaliëntankschepen die op of na 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de eisen van de „Internationale chemicaliën Code”.

(3). Chemicaliëntankschepen die voor 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de volgende eisen:

  • (a). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.2 van deze Code bedoelde schepen:
  • (i). schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
  • (ii). schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren:
  • (b). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.3 van deze Code bedoelde schepen:
  • (i). schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
  • (ii). schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, met dien verstande dat voor schepen van minder dan 1600 brutoregisterton de bepalingen van de Code met betrekking tot de bouw en de uitrusting uiterlijk 1 juli 1994 van kracht worden.

(4). Met betrekking tot andere schepen dan chemicaliëntankschepen die schadelijke stoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dient de Administratie passende maatregelen gebaseerd op door de Organisatie vastgestelde Richtlijnen te nemen, ten einde te verzekeren dat aan het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift wordt voldaan.

Voorschrift 14. Vervoer en lozing van olieachtige stoffen

Schadelijke vloeistoffen die blijkens Aanhangsel II van deze Bijlage onder categorie C of D vallen en door de Organisatie worden aangemerkt als olieachtige stoffen aan de hand van de door de Organisatie opgestelde criteria, mogen niettegenstaande het bepaalde in andere Voorschriften van deze Bijlage worden vervoerd in een in Bijlage I van het Verdrag omschreven olietankschip en worden geloosd in overeenstemming met het bepaalde in Bijlage I bij dit Verdrag, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • (a). het schip voldoet aan de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag, voor zover deze van toepassing zijn op de in deze Bijlage omschreven produkttankschepen;
  • (b). ten behoeve van het schip is een „Internationaal Certificaat ter Voorkoming van Verontreiniging” met bijbehorend Supplement B afgegeven en dit Certificaat is voorzien van de aantekening dat het schip olieachtige stoffen mag vervoeren in overeenstemming met het bepaalde in dit Voorschrift, terwijl deze aantekening tevens een opsomming bevat van de olieachtige stoffen die het schip mag vervoeren;
  • (c). in het geval van stoffen van categorie C voldoet het schip aan de eisen betreffende de lekstabiliteit van scheepstype 3 van
  • (i). de „Internationale Chemicaliën Code” in het geval van een schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd; of
  • (ii). de „Bulk chemicaliën Code”, voor zover van toepassing krachtens het bepaalde in Voorschrift 13 van deze Bijlage, in het geval van een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd; en
  • (d). de oliegehaltemeter in het bewakings- en regelsysteem van het schip voor olielozingen wordt door de Administratie goedgekeurd voor gebruik bij de controle van de te vervoeren olieachtige stoffen.

Voorschrift 15. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

    1. Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
    1. In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
    1. De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
    1. Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 16. Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen

    1. Elk schip met een brutotonnage van 150 ton of meer bestemd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben. Dit vereiste is uiterlijk 1 januari 2003 van toepassing op al deze schepen.
    1. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de Richtlijnen*Verwezen wordt naar de „Richtlijnen voor de ontwikkeling van rampenplannen voor verontreiniging door olie en/of schadelijke vloeistoffen aan boord van schepen”. die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
  • a. de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen**Verwezen wordt naar de door de Organisatie bij resolutie A.851(20) aangenomen „Algemene beginselen voor het systeem voor meldingen van schepen en de desbetreffende vereisten, met inbegrip van Richtlijnen voor het melden van voorvallen waarbij gevaarlijke goederen, schadelijke stoffen en/of de zee verontreinigende stoffen een rol spelen”.;
  • b. de lijst van autoriteiten of personen met wie contact moet worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
  • c. een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
  • d. de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van de verontreiniging.
    1. In het geval van schepen waarop Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor olieverontreiniging dat vereist is ingevolge Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee."

Voorschrift 1. Toepassing

1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.

  • 1.1. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „schadelijke stoffen” verstaan de stoffen die als de zee verontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.
  • 1.2. Richtlijnen voor de identificatie van schadelijke stoffen in verpakte vorm worden gegeven in het aanhangsel bij deze Bijlage.
  • 1.3. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „verpakte vorm” verstaan de in de IMDG-Code voor schadelijke stoffen voorgeschreven vormen van omhulling.
2.

Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.

3.

De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage., de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks ten einde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.

4.

Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.

5.

De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.

Voorschrift 2. Verpakking

Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

Voorschrift 3. Merken en etiketteren

1.

Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een de zee verontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.

2.

De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenkant van de verpakking.

3.

Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.*Verwezen wordt naar de specifieke vrijstellingen bepaald in de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).

Voorschrift 4. Begeleidende papieren**De verwijzing naar „begeleidende papieren” in dit voorschrift sluit niet het gebruik uit van technieken voor toezending via elektronische gegevensverwerking (EDP) en elektronische uitwisseling van gegevens (EDI) ter ondersteuning van de gegevens op papier.

1.

In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „DE ZEE VERONTREINIGENDE STOF”.

2.

De door de verlader verstrekte verzendpapieren dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de ten vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

3.

Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of manifest te beschikken die c.q. dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke bijzondere lijst of manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger, totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Een exemplaar van een van deze documenten dient voor vertrek ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.

4.

Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijker stoffen. Ingeval documenten zijn gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.

Voorschrift 5. Stuwage

Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.

Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid

Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.

Voorschrift 7. Uitzonderingen

1.

Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.

2.

Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.

Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

    1. Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.
    1. In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
    1. De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
    1. Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

HOOFDSTUK 1. – ALGEMEEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

    1. wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
    1. wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
    1. Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
    1. Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
    1. wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
    1. wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
    1. wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
    1. wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
    1. Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
  • 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
  • naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
  • vandaar naar een punt op de kust van Australië
  • op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
    1. wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
    1. wordt onder PPM verstaan ml/m3.
    1. wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
    1. wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
    1. Bouw schip
  • 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
  • .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
  • .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
  • 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
  • .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
  • .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
    1. Stollend/niet-stollend
  • 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
  • .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
  • .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
  • 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
    1. Tankschip
  • .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
  • .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
    1. Viscositeit
  • .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
  • .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
    1. wordt onder Audit verstaan: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
    1. wordt onder Auditprogramma verstaan: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
    1. wordt onder Implementatiecode verstaan: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
    1. wordt onder Auditnorm verstaan: de Implementatiecode.
    1. wordt onder elektronisch journaal verstaan, een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat, in plaats van een papieren journaal, gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van de vereiste aantekeningen voor lozingen, overbrengingen en overige operaties zoals vereist ingevolge deze Bijlage.
    1. wordt onder persistente drijver verstaan: een stof die een oppervlaktefilm vormt en de volgende eigenschappen heeft:
  • –. Dichtheid: ≤ zeewater (1025 kg/m3 bij 20°C);
  • –. Dampdruk: ≤ 0,3 kPa;
  • –. Oplosbaarheid: ≤ 0,1% (voor vloeistoffen) ≤ 10% (voor vaste stoffen); en
  • –. Kinematische viscositeit: > 10 cSt bij 20°C.

Voorschrift 2. Toepassing

    1. Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
    1. Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.

Voorschrift 3. Uitzonderingen

    1. De lozingsvereisten van deze Bijlage en hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
  • .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
  • .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
  • .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
  • .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
  • .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.

HOOFDSTUK 5. OPERATIONELE LOZINGEN VAN RESIDUEN VAN SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN

Voorschrift 4. Ontheffingen

    1. Ten aanzien van de vervoersvereisten als gevolg van de indeling van de stof in een strengere categorie, is het volgende van toepassing:
  • .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
  • .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in voorschrift 7 of 9 van deze Bijlage;
  • .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in voorschrift 11 bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
  • .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
  • .2 ingevolge dit voorschrift dienen ladingtanks op de volgende afstanden binnenboord te zijn geplaatst. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of ruimten, die geen brandstoftanks zijn:
  • .1 zijtanks of ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan 760 mm;
  • .2 dubbele-bodemtanks of -ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de afstand tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, niet minder is dan B/15 (m) of 2,0 m op de middenlijn, naar gelang van welke afstand kleiner is. De minimum afstand dient 1,0 m te bedragen; en
  • .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
    1. Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van voorschrift 12.1 niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
  • .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
  • .2 havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
    1. De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
  • .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig aanhangsel 6 van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
  • .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
  • .3 de geschiktheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
  • .4. in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
  • .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
    1. Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in voorschrift 12 verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
  • .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
  • .2 ieder effluent, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de geschiktheid door de Administratie is verzekerd;
  • .3 in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt het volgende aangetekend:
  • .1 dat in elke ladingtank een beperkt aantal vergelijkbare stoffen mag worden vervoerd die beurtelings in dezelfde tank kunnen worden vervoerd zonder tussentijdse reiniging; en
  • .2 de bijzonderheden omtrent de ontheffing;
  • .4 aan boord van het schip is een door de Administratie goedgekeurd Handboek aanwezig; en
  • .5 in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.

Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen

    1. De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door de voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
    1. De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
    1. Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de voorschriften 11 en 12 van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
  • .1 het heeft een certificaat van geschiktheid overeenkomstig de desbetreffende Gas Carrier Code voor schepen die gecertificeerd zijn om vloeibare gassen in bulk te vervoeren;
  • .2 het heeft een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk aan boord, waarin wordt verklaard dat het gastankschip uitsluitend die schadelijke vloeistoffen mag vervoeren welke in de desbetreffende Gas Carrier Code zijn geïdentificeerd en vermeld;
  • .3 het is uitgerust met gescheiden ballastvoorzieningen;
  • .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3; en
  • .5 het is uitgerust met een, door de Administratie goedgekeurd, Handboek zodat wordt gewaarborgd dat geen bedrijfsmatige vermenging van ladingsresiduen en water plaatsvindt en dat geen ladingresiduen in de tank achterblijven na toepassing van de in het Handboek voorgeschreven ventilatieprocedures.

Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen

    1. Voor de toepassing van de voorschriften van deze Bijlage, worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)