Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.
3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 19 mei 2005; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 19 mei 2005 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005.
3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 1 januari 2020; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 1 januari 2020 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020.
De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.
Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:
- .1. volledige of gedeeltelijke navulling van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .2. reparatie of onderhoud van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .3. vrijkomen van ozonafbrekende stoffen in de atmosfeer:
- .3.1. opzettelijk; en
- .3.2. onopzettelijk;
- .4. afgifte van ozonafbrekende stoffen bij ontvangstinrichtingen op het land; en
- .5. levering van ozonafbrekende stoffen aan het schip.
Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)
1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:
- .1. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die is geïnstalleerd op een schip; en
- .2. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die op of na 1 januari 2000 een belangrijke wijziging ondergaat, tenzij ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat deze motor identiek is aan de vervangen motor en voor het overige niet valt onder lid 1.1.1 van dit voorschrift.
1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen of uitsluitend voor de aandrijving van elke apparatuur of uitrusting die uitsluitend bedoeld is te worden gebruikt voor noodgevallen op het schip waarop zij is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een reddingsboot die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen; en
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip dat uitsluitend reizen maakt in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren, mits deze motor valt onder een door de Administratie vastgestelde alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies.
1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:
- .1. de motor vervangen wordt door een scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor wordt geïnstalleerd, of
- .2. een aanmerkelijke aanpassing, zoals omschreven in de herziene NOx Technische Code 2008, plaatsvindt van de motor, of
- .3. het maximumtoerental van de motor met meer dan 10% verhoogd wordt ten opzichte van het maximumtoerental op het oorspronkelijke certificaat van de motor.
2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen in dit voorschrift van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor. Indien het, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III, naargelang van toepassing), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 4 van dit voorschrift (generatie II), rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:
- .1. voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2000 gelden de normen vervat in het derde lid van dit voorschrift; en
- .2. voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 14,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 44·n(-0,23) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
- .3. 7,7 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift, het gebruik van een scheepsdieselmotor die in een schip is geïnstalleerd:
- .1. verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NOx) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut): waarbij geldt
- .1. 3,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 9 • n(-0,2) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2.000 opm;
- .3. 2,0 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.;
- .2. indien het schip gebouwd is op of na 1 januari 2016 en vaart in het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing en in het Noord-Amerikaanse Caribische Zeegebied voor emissiebeheersing; indien
- .3. het schip vaart in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift, anders dan een gebied voor emissiebeheersing beschreven in paragraaf 5.1.2 van dit voorschrift, en dat is gebouwd op of na de datum waarop dit gebied voor emissiebeheersing is aangenomen, of op een latere datum vermeld in de wijziging waarin het gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III is aangewezen, naargelang van welke datum de laatste is.
5.2. De normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift; of
- .3. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip gebouwd vóór 1 januari 2021 met een brutotonnage van minder dan 500, met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van 24 meter of meer wanneer deze specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden.
Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:
- .1. het Noord-Amerikaanse gebied, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .2. het Noord-Amerikaanse Caribische Zeegebied, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .3. elk ander zeegebied, met inbegrip van elk havengebied, dat door de Organisatie is aangewezen in overeenstemming met de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:
- .1. installatie van de gecertificeerde goedgekeurde methode als bevestigd door een onderzoek met behulp van de verificatieprocedure omschreven in het dossier van de goedgekeurde methode, met inbegrip van correcte vermelding op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip dat de goedgekeurde methode aanwezig is; of
- .2. certificering van de motor ter bevestiging dat deze functioneert binnen de grenzen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift en correcte vermelding van de certificering van de motor op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip.
7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.
7.3. Ten aanzien van scheepsdieselmotoren met een vermogen van meer dan 5000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op schepen gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor scheepsdieselmotoren waarop paragraaf 7.1 van dit voorschrift van toepassing is te worden aangegeven dat hetzij een goedgekeurde methode is toegepast ingevolge paragraaf 7.1.1 van dit voorschrift, hetzij dat de motor is gecertificeerd ingevolge paragraaf 7.1.2 van dit voorschrift, hetzij dat een goedgekeurde methode nog niet bestaat, hetzij dat deze nog niet op de markt verkrijgbaar is zoals omschreven in paragraaf 7.2 van dit voorschrift.
7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:
- .1. door de ontwerper van de oorspronkelijke scheepsdieselmotor waarop de goedgekeurde methode van toepassing is dat de goedgekeurde methode er volgens berekeningen niet toe zal leiden dat het toerental van de motor met meer dan 1% afneemt, het brandstofgebruik met meer dan 2% toeneemt als gemeten bij de desbetreffende testcyclus vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 of dat de duurzaamheid of betrouwbaarheid van de motor nadelig wordt beïnvloed; en
- .2. dat de kosten van de goedgekeurde methode niet buitensporig zijn, hetgeen wordt bepaald door een vergelijking met de hoeveelheid NOx-emissie die verminderd wordt door de goedgekeurde methode om te voldoen aan de norm vervat in lid 7.4 van dit lid en de kosten van de aanschaf en het installeren van deze goedgkeurde methode.
De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.
De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.
Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:
- .1. 4,5% m/m vóór 1 januari 2012;
- .2. 3,5% m/m op of na 1 januari 2012; en
- .3. 0,5% m/m op of na 1 januari 2020.
Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:
- .1. het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I en het Noordzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 van Bijlage V;
- .2. het Noord-Amerikaanse gebied zoals aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
- .3. het Caribische Zeegebied van de Verenigde Staten zoals aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .4. elk ander zeegebied, met inbegrip van elk havengebied, dat door de Organisatie is aangewezen in overeenstemming met de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:
- .1. 1,5% m/m vóór 1 juli 2010;
- .2. 1,0% m/m op of na 1 juli 2010;
- .3. 0,1% m/m op of na 1 januari 2015; en
- .4. Vóór 1 januari 2020 is het zwavelgehalte van brandstofolie zoals bedoeld in paragraaf 4 van dit voorschrift niet van toepassing op schepen die varen in het Noord-Amerikaanse gebied of in het Caribische Zeegebied van de Verenigde Staten zoals omschreven in paragraaf 3, die gebouwd zijn op of vóór 1 augustus 2011 en die aangedreven worden door ketels voor de voortstuwing die oorspronkelijk niet ontworpen zijn om op destillaat-scheepsbrandstof of aardgas te blijven doorvaren.
Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.
Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.
Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na de inwerkingtreding van een wijziging waarbij een specifiek gebied voor emissiebeheersing ingevolge paragraaf 3 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van de paragrafen 4 en 6 van dit voorschrift alsmede van de vereisten van paragraaf 5 van dit voorschrift voor zover zij betrekking hebben op paragraaf 4 van dit voorschrift.
In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:
- .1. aanbod en vraag op het tijdstip waarop de toetsing plaatsvindt op de wereldmarkt voor brandstolie waarmee voldaan wordt aan lid 1.3 van dit voorschrift;
- .2. een analyse van de ontwikkelingen op de brandstofoliemarkten; en
- .3. overige relevante aangelegenheden.
De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.
Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.
Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)
Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.
Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.
Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.
De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.
Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.
Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:
- .1. schriftelijke procedures te bevatten voor het minimaliseren van VOS-emissies tijdens het laden en lossen van de vracht en tijdens de zeereis;
- .2. betrekking te hebben op de extra VOS die ontstaan bij wassen met ruwe olie;
- .3. te vermelden wie verantwoordelijk is voor de implementatie van het plan; en
- .4. voor schepen op internationale reizen opgesteld te zijn in de werktaal van de kapitein en officieren en indien deze niet het Engels, Frans of Spaans is, een vertaling te omvatten in een van deze talen.
Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.
Voorschrift 16. Verbranding aan boord
Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.
Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:
- .1. residuen van vrachten waarop Bijlage I, II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
- .2. polychloorbifenylen (PCB’s);
- .3. afval zoals omschreven in Bijlage V dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
- .4. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;
- .5. zuiveringsslib en oliehoudend slik die niet aan boord van het schip zijn ontstaan; en
- .6. residuen van uitlaatgasreinigingssystemen.
Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.
Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.
Niets in dit voorschrift:
- .1. doet afbreuk aan het verbod in of andere vereisten van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen, 1972, zoals gewijzigd, en het Protocol van 1996 daarbij, noch
- .2. vormt het een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift of aan strengere vereisten.
6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of
6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.
De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.
Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.
Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:
- .1. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar reparatiehavens aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die deze stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd;
- .2. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar havens, laad- en losplaatsen of reparatiehavens aan de ontvangst van residuen van uitlaatgasreinigingssystemen uit een uitlaatgasreinigingssysteem, zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen; en
- .3. behoefte van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
1bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.
Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.
Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.
2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:
- .1. een verslag wordt overgelegd van de maatregelen genomen teneinde te pogen aan de vereisten te voldoen; en
- .2. bewijzen worden verschaft van pogingen tot aankoop van voor het reisschema geschikte brandstofolie en, indien deze niet op de geplande plaatsen beschikbaar was, dat gepoogd is alternatieve aanbieders van die brandstofolie te vinden, en dat men er ondanks alle redelijke inspanningen niet in geslaagd is geschikte brandstofolie in te kopen.
2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.
2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.
2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.
2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.
Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
- .1. behalve zoals voorzien in paragraaf 3.2 van dit voorschrift:
- .1.1. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
- .1.2. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten; en
- .1.3. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die respectievelijk dat:
- .1.3.1. de veiligheid van schepen in gevaar brengt of de prestaties van de machines nadelig beïnvloedt; of
- .1.3.2. schadelijk is voor personeel, of
- .1.3.3. in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging.
- .2. brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie mag:
- .2.1. het van toepassing zijnde zwavelgehalte vermeld in voorschrift 14 van deze Bijlage niet overschrijden;
- .2.2. er niet toe leiden dat de motor de van toepassing zijnde NOx-emissiegrenswaarde vervat in de leden 3, 4, 5.1.1 en 7.4 van voorschrift 13 overschrijdt;
- .2.3. geen anorganische zuren bevatten; of
- .2.3.1. de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen en de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden, of
- .2.3.2. niet schadelijk zijn voor personeel, of
- .2.3.3. niet in het algemeen bijdragen aan extra luchtverontreiniging.
Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.
Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.
7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.
7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.
8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.
8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in aanhangsel VI om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:
- .1. een register bijhouden van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
- .2. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een bunkerafleveringsbon en monster zoals vereist krachtens dit voorschrift verschaffen, gewaarmerkt door de leverancier van de brandstofolie dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
- .3. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon gedurende ten minste drie jaar bewaren voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
- .4. passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
- .5. de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van voorschrift 14 of 18 van deze Bijlage; en
- .6. de Organisatie ter mededeling aan de Partijen en lidstaten van de Organisatie informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage.
Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:
- .1. de Partij of een Staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
- .2. te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.
HOOFDSTUK 4. VOORSCHRIFTEN INZAKE ENERGIE-EFFICIËNTIE VOOR SCHEPEN
Voorschrift 19. Toepassing
Dit Hoofdstuk is van toepassing op alle schepen met een brutotonnage van 400 of meer.
De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op:
- .1. schepen die uitsluitend reizen maken in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Elke partij dient evenwel door het aannemen van passende maatregelen te waarborgen dat dergelijke schepen worden gebouwd en geëxploiteerd op een wijze die verenigbaar is met de vereisten van Hoofdstuk 4, voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is.
- .2. schepen die niet met mechanische middelen worden voortgestuwd en platforms, met inbegrip van drijvende productie- en overslageenheden (FPSO’s), drijvende opslageenheden (FSU’s) en boorplatforms, ongeacht de wijze van voortstuwing ervan.
De voorschriften 20 en 21 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing, met dien verstande dat de voorschriften 20 en 21 wel van toepassing zijn op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en lng-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2. De voorschriften 20 en 21 zijn niet van toepassing op vrachtschepen die in staat zijn ijs te breken.
Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, kan de Administratie ontheffing verlenen van de vereisten van voorschrift 20 en voorschrift 21 voor een schip met een brutotonnage van 400 of meer.
De bepalingen van paragraaf 4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen met een brutotonnage van 400 ton of meer:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2017; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2017; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2019; of
- .4. in geval van een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip, zoals omschreven in voorschrift 2.24, op of na 1 januari 2017, en waarbij voorschrift 5.4.2 en voorschrift 5.4.3 van Hoofdstuk 2 van toepassing zijn.
De Administratie van een partij bij dit Verdrag die toepassing van paragraaf 4 toestaat, of de toepassing van deze paragraaf opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de partijen bij dit Protocol ter kennisneming.
Voorschrift 20. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI)
De bereikte EEDI wordt berekend voor:
- .1. elk nieuw schip;
- .2. elk nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
- .3. elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.25 tot en met 2.35, 2.38 en 2.39 van deze Bijlage valt. De bereikte EEDI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier bij de EEDI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEDI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEDI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEDI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatieVerwijst naar de Code voor Erkende Organisaties (RO Code), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.237(65), eventueel als gewijzigd..
De bereikte EEDI wordt berekend met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
Voorschrift 21. Vereiste EEDI
Voor elk:
- .1. nieuw schip;
- .2. nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
- .3. nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.25 tot en met 2.31, 2.33 tot en met 2.35, 2.38 en 2.39 valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEDI als volgt: Bereikte EEDI ≤ Vereiste EEDI = (1-X/100) × waarde referentielijn waarbij X de in tabel 1 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEDI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.
Voor elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, wordt de bereikte EEDI berekend en dient deze te voldoen aan het vereiste van paragraaf 21.1, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen.
| Scheepstype | Omvang | Fase 0 1 jan 2013 – 31 dec 2014 | Fase 1 1 jan 2015 – 31 dec 2019 | Fase 2 1 jan 2020 – 31 dec 2024 | Fase 3 1 jan 2025 en daarna |
|---|---|---|---|---|---|
| Bulkcarrier | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Bulkcarrier | 10.000 – 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Gastanker | 10.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Gastanker | 2.000 – 10.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Tankschip | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Tankschip | 4.000 – 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Containerschip | 15.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Containerschip | 10.000 – 15.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Algemeen vrachtschip | 15.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 15 | 30 |
| Algemeen vrachtschip | 3.000 – 15.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–151) | 0–301) |
| Koelschip | 5.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 15 | 30 |
| Koelschip | 3.000 – 5.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–151) | 0–301) |
| Combinatietanker | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Combinatietanker | 4.000 – 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Lng-tanker*** | 10.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t | 10** | 20 | 30 |
| Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen)*** | 10.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 15 | 30 |
| Rorovrachtschip*** | 2.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 |
| Rorovrachtschip*** | 1.000 – 2.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0-5*** | 0-20* | 0-30* |
| Roropassagiersschip*** | 1.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 |
| Roropassagiersschip*** | 250 – 1.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0-5*** | 0-20* | 0-30* |
| Cruiseschip*** met niet-conventionele voortstuwing | Brutotonnage 85.000 en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 |
| Cruiseschip*** met niet-conventionele voortstuwing | Brutotonnage 25.000 – 85.000 | n.v.t. | 0-5*** | 0-20* | 0-30* |
1) De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd tussen de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.
- De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd uit de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
** Fase 1 begint voor deze schepen op 1 september 2015.
*** De reductiefactor is van toepassing op schepen die op of na 1 september 2019 worden opgeleverd, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2.
Noot: n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.
De waarden van de referentielijn dienen als volgt te worden berekend:
Waarde referentielijn = a ×b -c
waarbij a, b en c de in tabel 2 gegeven parameters zijn.
| Scheepstype omschreven in voorschrift 2 | a | b | c |
|---|---|---|---|
| 2.25 Bulkcarrier | 961,79 | draagvermogen van het schip | 0,477 |
| 2.26 Gastanker | 1120,00 | draagvermogen van het schip | 0,456 |
| 2.27 Tankschip | 1218,80 | draagvermogen van het schip | 0,488 |
| 2.28 Containerschip | 174,22 | draagvermogen van het schip | 0,201 |
| 2.29 Algemeen vrachtschip | 107,48 | draagvermogen van het schip | 0,216 |
| 2.30 Koelschip | 227,01 | draagvermogen van het schip | 0,244 |
| 2.31 Combinatietanker | 1219,00 | draagvermogen van het schip | 0,488 |
| 2.33 Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) | (draagvermogen/brutotonnage)-0,7 780,36 waarbij draagvermogen/ brutotonnage <0.3 1812,63 waarbij draagvermogen/brutotonnage ≥0.3 | draagvermogen van het schip | 0,471 |
| 2.34 Rorovrachtschip | 1405,15 | draagvermogen van het schip | 0,498 |
| 2.35 Roropassagiersschip | 752,16 | draagvermogen van het schip | 0,381 |
| 2.38 Lng-tanker | 2253,7 | draagvermoge van het schip | 0,474 |
| 2.39 Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing | 170,84 | brutotonnage van het schip | 0,214 |
Indien het ontwerp van het schip zodanig is dat het onder meer dan een van de hierboven omschreven scheepstypen weergegeven in tabel 2 kan vallen, dan is de vereiste EEDI voor het schip de strengste (laagste) vereiste EEDI.
Bij elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, mag het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen niet minder zijn dan het voortstuwingsvermogen dat nodig is om de manoeuvreerbaarheid van het schip onder slechte omstandigheden, zoals omschreven in de door de Organisatie te ontwikkelen richtsnoeren, te handhaven.
Bij aanvang van fase 1 en halverwege fase 2 toetst de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen en past, wanneer dat nodig blijkt, de in dit voorschrift voorziene termijnen, parameters voor de EEDI-referentielijn voor relevante scheepstypen en reductiepercentages aan.
Voorschrift 22. Energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP)
Elk schip dient een op het schip van toepassing zijnd energie-efficiëntiemanagementplan (SEEMP) aan boord te hebben. Dit kan onderdeel vormen van het veiligheidsbeleidssysteem (SMS) van het schip.
Het SEEMP moet worden ontwikkeld met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren.
Voorschrift 23. Bevordering van technische samenwerking en overdracht van technologie met betrekking tot het verbeteren van de energie-efficiëntie van schepen
In samenwerking met de Organisatie en andere internationale organen bevorderen en verstrekken Administraties, al naargelang van toepassing, rechtstreeks of via de Organisatie rechtstreekse steun aan Staten, met name Staten in ontwikkeling, die om technische bijstand verzoeken.
De Administratie van een partij werkt actief samen met andere partijen, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving en beleid, om de ontwikkeling en overdracht van technologie te bevorderen en informatie uit te wisselen met Staten die om technische bijstand verzoeken, met name Staten in ontwikkeling, met betrekking tot de implementatie van maatregelen om aan de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage te voldoen, met name voorschriften 19.4 tot en met 19.6.
1. Doelstellingen
1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.
1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.
1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.
2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.
2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.
3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:
- .1. een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
- .2. het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx of fijnstof of alle drie de typen emissies);
- .3. een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;
- .4. een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde beheersgebied bijdragen aan de concentraties van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
- .5. relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde gebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
- .6. de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
- .7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
- .8. de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.
3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.
4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie
4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 44. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 45. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
HOOFDSTUK 11. INTERNATIONALE CODE VOOR SCHEPEN DIE IN POLAIRE WATEREN VAREN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
-
- Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
-
- Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
-
- wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
-
- wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
-
- wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
-
- Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
-
- wordt onder PPM verstaan ml/m3.
-
- wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
-
- wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
-
- Bouw schip
- 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
- 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
- .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- Stollend/niet-stollend
- 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
- .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
- .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
- 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
-
- Tankschip
- .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Viscositeit
- .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
- .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
-
- wordt onder Audit verstaan: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt onder Auditprogramma verstaan: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt onder Implementatiecode verstaan: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt onder Auditnorm verstaan: de Implementatiecode.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- De lozingsvereisten van deze Bijlage zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
- .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.
Voorschrift 4. Ontheffingen
-
- Ten aanzien van de vervoersvereisten als gevolg van de indeling van de stof in een strengere categorie, is het volgende van toepassing:
- .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in voorschrift 7 of 9 van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in voorschrift 11 bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
- .2 ingevolge dit voorschrift dienen ladingtanks op de volgende afstanden binnenboord te zijn geplaatst. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of ruimten, die geen brandstoftanks zijn:
- .1 zijtanks of ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan 760 mm;
- .2 dubbele-bodemtanks of -ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de afstand tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, niet minder is dan B/15 (m) of 2,0 m op de middenlijn, naar gelang van welke afstand kleiner is. De minimum afstand dient 1,0 m te bedragen; en
- .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
-
- Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van voorschrift 12.1 niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- .2 havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
-
- De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig aanhangsel 6 van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- .4. in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
-
- Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in voorschrift 12 verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- .2 ieder effluent, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de geschiktheid door de Administratie is verzekerd;
- .3 in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt het volgende aangetekend:
- .1 dat in elke ladingtank een beperkt aantal vergelijkbare stoffen mag worden vervoerd die beurtelings in dezelfde tank kunnen worden vervoerd zonder tussentijdse reiniging; en
- .2 de bijzonderheden omtrent de ontheffing;
- .4 aan boord van het schip is een door de Administratie goedgekeurd Handboek aanwezig; en
- .5 in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
-
- De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door de voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
-
- De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
-
- Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de voorschriften 11 en 12 van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)