Versterkte Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kazachstan, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2020-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 311
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De partijen stellen een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing in om praktische maatregelen vast te stellen tot voorkoming van en tot snelle reactie op een noodsituatie of een dreigende noodsituatie.

2.

De partijen ondernemen gezamenlijk actie met het oog op:

  • a. vroegtijdige evaluatie van mogelijke risico’s en problemen in verband met het aanbod van en de vraag naar aardgas, olie of elektriciteit; en
  • b. voorkoming van en snelle reactie op een noodsituatie of een dreigende noodsituatie.
3.

Indien een van de partijen weet heeft van een noodsituatie of van een situatie die naar haar mening tot een noodsituatie zou kunnen leiden, stelt zij de andere partij daarvan zo snel mogelijk in kennis.

4.

Voor de toepassing van dit artikel komen de partije overeen dat het lid van de Europese Commissie dat bevoegd is voor energie en de minister van Energie van de Republiek Kazachstan de verantwoordelijke instanties zijn.

5.

Na een kennisgeving informeren de partijen elkaar over hun beoordeling van de situatie.

6.

Binnen drie kalenderdagen na een kennisgeving kan elke partij om overleg verzoeken om:

  • a. een gemeenschappelijke beoordeling van de situatie uit te werken;
  • b. aanbevelingen te formuleren om de noodsituatie meester te worden en de gevolgen ervan tot een minimum te beperken;
  • c. een speciale stuurgroep in te stellen, die onder andere toezicht houdt op energiestromen op belangrijke punten in de betrokken infrastructuur.
7.

De partijen werken in voorkomend geval samen met derde landen om de dreiging van een noodsituatie te elimineren of de noodsituatie meester te worden.

8.

Als de noodsituatie aanhoudt, kan elke partij een spoedprocedure voor geschillenbeslechting in gang zetten, overeenkomstig het bijzondere mechanisme als beschreven in hoofdstuk 14 (Geschillenbeslechting) van deze titel.

9.

De partijen onthouden zich vanaf het moment van kennisgeving van maatregelen die de noodsituatie zouden kunnen vergroten of verergeren, rekening houdend met de omstandigheden.

10.

Een partij beroept zich bovendien in dergelijke procedures voor geschillenbeslechting niet op of voert daarin niet als bewijs aan:

  • a. standpunten die zijn ingenomen of voorstellen die zijn gedaan door de andere partij in de loop van de in dit artikel beschreven procedure; of
  • b. enige verklaring van de andere partij dat deze bereid is een oplossing te aanvaarden voor de in dit artikel bedoelde noodsituatie.
11.

Het Samenwerkingscomité kan indien nodig nadere uitvoeringsbepalingen vaststellen voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 150. Uitzonderingen
1.

Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan uitzonderingen, voorbehouden of beperkingen waarin deze overeenkomst voorziet.

2.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op projecten voor onderzoek of ontwikkeling of op demonstratieprojecten op niet-commerciële schaal.

3.

Niets in dit hoofdstuk wordt uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of handhaven door een partij van maatregelen die nodig zijn voor de veilige werking van de betrokken energie-infrastructuur, met inbegrip van energievervoer en de betrokken productiefaciliteiten, die van belang zijn voor de nationale of openbare veiligheid, met inbegrip van de voorkoming van en de reactie op een noodsituatie, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel vormen tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de producten, dienstverleners of investeerders van de partijen waar dezelfde omstandigheden gelden, of een verkapte beperking van de handel tussen de partijen.

HOOFDSTUK 10. HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 151. Context en doelstellingen
1.

De partijen herinneren aan de Agenda 21 van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling van 1992, de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie („IAO”) over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk van 1998, het Uitvoeringsplan van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 2002, de Ministeriële Verklaring van de Economische en Sociale Raad van de VN van 2006 inzake het genereren van volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen, de Verklaring van de IAO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008, en het slotdocument van de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling van 2012, getiteld „The future we want”, dat is geïntegreerd in resolutie 66/288, die op 27 juli 2012 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen.

2.

De partijen herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze bijdraagt aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling, voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties. De partijen streven ernaar deze doelstelling te integreren in en tot uitdrukking te doen komen op elk niveau van hun handelsbetrekkingen.

Artikel 152. Multilaterale milieu- en arbeidsnormen en -overeenkomsten
1.

De partijen erkennen de waarde van internationale governance en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieuproblemen.

2.

De partijen erkennen dat volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor alle landen kernelementen uitmaken van duurzame ontwikkeling en een prioritaire doelstelling van internationale samenwerking.

3.

In dat verband herhalen de partijen hun verbintenis om multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn, evenals de respectievelijk door de lidstaten van de Europese Unie en de Republiek Kazachstan geratificeerde IAO-verdragen, daadwerkelijk in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.

Artikel 153. Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus
1.

De partijen erkennen het recht van elke partij om haar eigen niveaus van interne milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen, en dienovereenkomstig haar wetgeving en beleid ter zake vast te stellen of te wijzigen, in overeenstemming met de internationaal erkende normen en overeenkomsten als bedoeld in artikel 152. De partijen streven naar hoge niveaus voor milieu- en arbeidsbescherming.

2.

De partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door de beschermingsniveaus waarin hun respectieve milieu- en arbeidswetgeving voorzien, te verzwakken of te beperken.

3.

De partijen wijken niet af van hun respectieve milieu- en arbeidswetgeving en doen geen afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving ervan door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, om de handel of investeringen aan te moedigen.

Artikel 154. Handel en investeringen ter bevordering van duurzame ontwikkeling
1.

De partijen herbevestigen hun verbintenis om de bijdrage van de handel aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht te versterken. Daartoe komen zij overeen het volgende te bevorderen:

  • a. handel en investeringen in milieugoederen en -diensten en klimaatvriendelijke producten en technologieën;
  • b. duurzaamheidsregelingen zoals programma’s voor eerlijke en ethische handel of milieukeurmerken; en
  • c. praktijken van maatschappelijk verantwoord ondernemen.
2.

De partijen wisselen informatie en ervaring uit over hun activiteiten ter bevordering van de samenhang en de wederzijdse ondersteuning van doelstellingen op het gebied van handel, milieu en sociale aspecten. De partijen versterken hun samenwerking en dialoog over duurzame-ontwikkelingsvraagstukken die zich in het kader van hun handelsbetrekkingen voordoen, met inbegrip van de relevante aspecten die worden beschreven in titel IV (Economische en duurzame ontwikkeling) van deze overeenkomst.

3.

Bij de in lid 2 van dit artikel bedoelde samenwerking en dialoog worden de belanghebbenden betrokken, met name de sociale partners, evenals andere maatschappelijke organisaties, in het kader van de bij artikel 251 ingestelde maatschappelijke samenwerking.

4.

Het Samenwerkingscomité kan regels vaststellen voor dergelijke samenwerking en dialoog.

Artikel 155. Geschillenbeslechting

Onderafdeling 2 van afdeling 3 van hoofdstuk 14 (Geschillenbeslechting) van deze titel is niet van toepassing op geschillen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. Voor dergelijke geschillen geldt dat de partijen, nadat het arbitragepanel zijn eindverslag heeft opgesteld overeenkomstig de artikelen 180 en 182, de passende maatregelen die zij zullen nemen bespreken, waarbij zij rekening houden met dit verslag. Het Samenwerkingscomité ziet toe op de tenuitvoerlegging van dergelijke maatregelen en blijft de zaak volgen, onder andere door middel van het in artikel 154, lid 3, bedoelde mechanisme.

HOOFDSTUK 11. MEDEDINGING

Artikel 156. Beginselen

De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen. De partijen erkennen dat concurrentieverstorende praktijken en overheidsmaatregelen, waaronder subsidies, de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer kunnen ondergraven.

Artikel 157. Wetgeving inzake kartelbestrijding en fusies en de tenuitvoerlegging daarvan
1.

Elke partij handhaaft op haar grondgebied een uitgebreide mededingingswetgeving waarbij doeltreffend wordt opgetreden tegen concurrentieverstorende overeenkomsten, onderling afgestemde praktijken en eenzijdig concurrentieverstorend gedrag van ondernemingen met een dominante marktpositie, en waarin wordt voorzien in doeltreffend toezicht op concentraties.

2.

Elke partij houdt onafhankelijk opererende mededingingsautoriteiten in stand, die verantwoordelijk en toereikend uitgerust zijn voor een doeltreffende handhaving van de in lid 1 bedoelde mededingingswetgeving.

3.

De partijen erkennen het belang van transparante en niet-discriminerende toepassing van hun respectieve mededingingswetgeving, waarbij de beginselen van een eerlijk proces en de rechten van de verdediging van de betrokken ondernemingen in acht worden genomen.

Artikel 158. Staatsmonopolies, staatsondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of exclusieve rechten of voorrechten zijn verleend
1.

Niets in dit hoofdstuk belet een partij in overeenstemming met haar wetgeving staatsmonopolies of staatsondernemingen aan te wijzen of in stand te houden, of aan ondernemingen bijzondere of exclusieve rechten of voorrechten te verlenen.

2.

Elke partij ziet erop toe dat op bij economische activiteiten betrokken staatsmonopolies, staatsondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of exclusieve rechten of voorrechten zijn verleend, de in artikel 157 bedoelde mededingingswetgeving van toepassing is. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder economische activiteiten verstaan het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt. Het begrip „economische activiteiten” omvat niet activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van de uitoefening van overheidsgezag, dat wil zeggen activiteiten die noch op commerciële grondslag, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers worden uitgevoerd.

3.

De toepassing van de mededingingswetgeving als bedoeld in artikel 157 mag de betrokken ondernemingen niet belemmeren in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de aan hen opgedragen bijzondere taken van openbaar belang. Uitzonderingen moeten beperkt en transparant zijn. De handel en investeringen mogen niet zodanig worden beïnvloed dat de doelstelling van deze overeenkomst erdoor wordt ondermijnd.

Artikel 159. Subsidies
1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „subsidie” verstaan een maatregel die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van de SCM-overeenkomst, ongeacht of de subsidie wordt verstrekt aan een onderneming voor de productie van goederen of de levering van diensten, en die specifiek is in de zin van artikel 2 van die overeenkomst.

2.

Elke partij zorgt voor transparantie op subsidiegebied. Daartoe brengt elke partij vanaf de datum van toepassing van deze titel om de twee jaar aan de andere partij verslag uit over de rechtsgrondslag, waarin onder andere wordt vermeld: de beleidsdoelstelling of het doel van de subsidie, de duur of andere tijdsbeperkingen, de vorm en indien mogelijk het bedrag en de begunstigde van een door de regering of een overheidsinstantie verstrekte subsidie. Een dergelijk verslag wordt geacht te zijn verstrekt als deze informatie beschikbaar is gesteld op een openbaar toegankelijke website of via het kennisgevingsmechanisme van de WTO.

3.

Als een partij meent dat een door de andere partij verstrekte subsidie negatieve gevolgen heeft voor de belangen van de eerste partij, kan zij overleg over de kwestie aanvragen. De partij waaraan het verzoek wordt gericht, overweegt dit zorgvuldig. Tijdens het overleg moet met name de beleidsdoelstelling van de subsidie worden toegelicht en moet worden nagegaan of de subsidie stimulerend werkt, in verhouding staat tot het doel en of er maatregelen kunnen worden genomen om het potentieel verstorend effect op de handel en investeringen van de partij die het verzoek indient, te beperken24)Een subsidie wordt geacht in verhouding te staan tot het doel als het bedrag niet hoger is dan wat nodig is om de doelstelling te verwezenlijken..

4.

Om het overleg te vergemakkelijken verstrekt de partij waaraan het verzoek wordt gericht, binnen 90 dagen na ontvangst van het verzoek informatie over de desbetreffende subsidie. Als de partij die het verzoek indient, op basis van deze informatie meent dat de subsidie buitensporige negatieve gevolgen heeft of kan hebben voor haar handels- en investeringsbelangen, doet de partij waaraan het verzoek wordt gericht haar best om deze negatieve gevolgen aan te pakken.

5.

De leden 3 en 4 zijn niet van toepassing op subsidies met betrekking tot de visserij en de handel in goederen waarop bijlage 1 bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw van toepassing is.

Artikel 160. Geschillenbeslechting

De bepalingen van hoofdstuk 14 (Geschillenbeslechting) zijn niet van toepassing ten aanzien van de artikelen 156 tot en met 158 en artikel 159, leden 3 en 4.

Artikel 161. Verband met de WTO

De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van een partij in het kader van de WTO-overeenkomst, met name de SCM-overeenkomst en het Memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen.

Artikel 162. Vertrouwelijkheid

Bij het uitwisselen van informatie krachtens dit hoofdstuk nemen de partijen de beperkingen in acht die voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.

HOOFDSTUK 12. OVERHEIDSBEDRIJVEN, DOOR DE OVERHEID GECONTROLEERDE BEDRIJVEN EN BEDRIJVEN WAARAAN BIJZONDERE OF EXCLUSIEVE RECHTEN OF VOORRECHTEN ZIJN VERLEEND

Artikel 163. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. „overheidsbedrijf”: een onderneming die betrokken is bij commerciële activiteiten en waarvan de centrale of subcentrale overheid van een partij in het bezit is van 50 % of meer van het geplaatste kapitaal of van de stemmen die verbonden zijn aan de door de onderneming uitgegeven aandelen;
  • b. „door de overheid gecontroleerd bedrijf”: een onderneming die betrokken is bij commerciële activiteiten en waarvan de centrale of subcentrale overheid van een partij, rechtstreeks of onrechtstreeks, beslissende invloed uitoefent of kan uitoefenen krachtens haar financiële deelneming, de regels of praktijken inzake de werking van de onderneming of enig andere manier die een dergelijke beslissende invloed bepaalt. Van beslissende invloed van een partij is sprake wanneer de partij rechtstreeks of onrechtstreeks gerechtigd is meer dan de helft van de leden van het bestuur, het management of het toezichthoudend orgaan van de onderneming te benoemen;
  • c. „bedrijf waaraan bijzondere of exclusieve rechten of voorrechten zijn verleend”: een publieke of particuliere onderneming die betrokken is bij commerciële activiteiten en waaraan de centrale of subcentrale overheid van een partij wettelijk of feitelijk bijzondere of exclusieve rechten of voorrechten heeft verleend. Dergelijke rechten of voorrechten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het recht om als distributeur, netwerkprovider of een andere intermediair te fungeren voor de aan- of verkoop van een product of de verlening of ontvangst van een dienst. Monopolies die betrokken zijn bij een commerciële activiteit vallen onder het begrip „bedrijf waaraan bijzondere of exclusieve rechten of voorrechten zijn verleend”;
  • d. „monopolie”: een entiteit die betrokken is bij een commerciële activiteit, met inbegrip van consortia, en die op de relevante markt op het grondgebied van een partij op centraal of subcentraal niveau is aangewezen als enige leverancier of enige koper van een product of dienst; een entiteit waaraan exclusieve intellectuele-eigendomsrechten zijn verleend, valt echter niet onder dat begrip alleen om de reden dat haar dergelijke rechten zijn verleend;
  • e. „bijzondere rechten”: rechten die door de centrale of subcentrale overheid van een partij zijn verleend aan een beperkt aantal ondernemingen binnen een bepaald geografisch gebied of een bepaalde markt voor producten of diensten, waardoor het voor andere ondernemingen aanzienlijk moeilijker wordt om de betrokken economische activiteit binnen hetzelfde geografische gebied en onder grotendeels gelijkwaardige voorwaarden uit te oefenen. Het bij de toewijzing van schaarse middelen verlenen van een licentie of vergunning aan een beperkt aantal ondernemingen op basis van objectieve, evenredige en niet-discriminerende criteria, is op zich geen bijzonder recht;
  • f. „niet-discriminerende behandeling”: nationale behandeling of meestbegunstigingsbehandeling zoals beschreven in deze overeenkomst, indien deze behandeling gunstiger is;
  • g. „uit commerciële overwegingen”: in overeenstemming met de gebruikelijke zakelijke praktijk van een particuliere onderneming die op basis van de beginselen van de markteconomie actief is in de internationale handel;
  • h. „aanwijzen”: een monopolie instellen of toestaan of het bereik van een monopolie uitbreiden, wettelijk of feitelijk.
Artikel 164. Toepassingsgebied
1.

De partijen bevestigen hun rechten en plichten op grond van artikel XVII, leden 1 tot en met 3, van de GATT 1994, het Memorandum van overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XVII van de GATT 1994, artikel VIII, leden 1, 2 en 5, van de GATS, en het hoofdstuk over overheidsbedrijven, door de overheid gecontroleerde bedrijven en bedrijven waaraan bijzondere of exclusieve rechten of voorrechten zijn verleend, van het Protocol inzake de toetreding van de Republiek Kazachstan tot de WTO, die in deze overeenkomst worden opgenomen, daarvan een integrerend deel uitmaken en van toepassing zijn.

2.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op onder hoofdstuk 8 van Titel III van deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van een partij of haar aanbestedende diensten, als bedoeld in artikel 120.

3.

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle economische activiteiten die onder deze overeenkomst vallen. De artikelen 166 en 167 zijn niet van toepassing op diensten die niet worden vermeld in de GATS-lijst van verbintenissen van een partij.

Artikel 165
1.

Zonder afbreuk te doen aan de rechten en plichten van de partijen in het kader van dit hoofdstuk, belet niets in dit hoofdstuk een partij een overheidsbedrijf of een door de overheid gecontroleerd bedrijf op te richten of in stand te houden, een monopolie aan te wijzen of in stand te houden of een onderneming bijzondere of exclusieve rechten of voorrechten te verlenen.

2.

Een onderneming die onder dit hoofdstuk valt, mag niet door een partij worden verplicht of aangemoedigd zich te gedragen op een wijze die in strijd is met deze overeenkomst.

Artikel 166. Non-discriminatie

Tenzij anders bepaald in artikel 142, in de GATS-lijst van verbintenissen van een partij of in de voorbehouden van een partij ten aanzien van de nationale behandeling, als beschreven in bijlage I bij deze overeenkomst, ziet elke partij erop toe dat een onderneming die voldoet aan de voorwaarden van artikel 163, onder c) en d), bij de aan- of verkoop van goederen of diensten, de goederen, diensten en/of dienstverleners van de andere partij niet discrimineert.

Artikel 167. Commerciële overwegingen

Behalve om te beantwoorden aan de doelstelling waarvoor bijzondere of exclusieve rechten zijn verleend, bijvoorbeeld een openbaredienstverplichting, of, in geval van overheidsbedrijven of door de staat gecontroleerde bedrijven, om te voldoen aan hun publieke opdracht, en op voorwaarde dat het gedrag van de onderneming om aan die doelstelling te beantwoorden of aan die opdracht te voldoen in overeenstemming is met artikel 166 en met hoofdstuk 11 (Mededinging) van deze titel, ziet elke partij erop toe dat de in artikel 163, onder a) tot en met d), bedoelde ondernemingen, op het desbetreffende grondgebied handelen uit commerciële overwegingen bij de aan- en verkoop van goederen, onder andere wat betreft prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, vervoer en andere aan- of verkoopvoorwaarden, alsmede bij de aankoop of levering van diensten, ook wanneer die worden geleverd aan of door een investeerder van de andere partij.

Artikel 168. Prijsstelling

Het hanteren van verschillende prijzen op verschillende markten of binnen dezelfde markt op grond van normale commerciële overwegingen, zoals vraag en aanbod, is op zich niet in strijd met de artikelen 166 en 167.

Artikel 169. Corporate governance
1.

De partijen zien erop toe dat de in artikel 163, onder a) tot en met d), bedoelde ondernemingen strenge normen inzake transparantie en ondernemingsbestuur in acht nemen, overeenkomstig de OESO-richtsnoeren voor corporate governance in overheidsbedrijven van 2005. Verdere ontwikkeling van het beleid inzake corporate governance binnen de in artikel 163, onder a) tot en met d), bedoelde ondernemingen dient overeenkomstig die richtsnoeren te geschieden.

2.

Elke partij ziet erop toe dat regelgevingsinstanties die verantwoordelijk zijn voor de regelgeving ten aanzien van de in artikel 163, onder a) tot en met d), bedoelde ondernemingen juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van en geen verantwoordingsplicht hebben jegens in artikel 163, onder a) tot en met d), bedoelde ondernemingen.

3.

Elke partij ziet erop toe dat wet- en regelgeving op alle centrale en lokale overheidsniveaus op consistente en niet-discriminerende wijze wordt gehandhaafd, ook voor de in artikel 163, onder a) tot en met d), bedoelde ondernemingen. Uitzonderingen zijn beperkt en transparant.

Artikel 170. Uitwisseling van informatie
1.

Een partij die reden heeft om aan te nemen dat haar belangen uit hoofde van deze overeenkomst in negatieve zin worden beïnvloed door de exploitatiehandelingen van een in artikel 163, onder a) tot en met d), bedoelde onderneming van de andere partij, kan deze partij verzoeken informatie te verstrekken over de exploitatiehandelingen van de desbetreffende onderneming wat betreft de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze overeenkomst. Dergelijke informatie kan betrekking hebben op organisatorische, bedrijfsmatige en financiële aspecten.

2.

Elke partij verstrekt op verzoek van de andere partij informatie over in artikel 163, onder a) tot en met d), bedoelde ondernemingen die niet behoren tot het midden- en kleinbedrijf zoals gedefinieerd in de wetgeving van de partij waaraan het verzoek wordt gericht. In een dergelijk verzoek om informatie moet worden vermeld om welke ondernemingen, welke producten of diensten en welke markten het gaat en welke aanwijzingen er zijn dat deze onderneming praktijken hanteert die de handel of investeringen tussen de partijen belemmeren.

3.

Elke partij verstrekt op verzoek van de andere partij informatie over uitzonderingen, niet-conforme maatregelen, immuniteiten en andere maatregelen, inclusief gunstigere behandeling, die op het grondgebied van de partij waaraan het verzoek wordt gericht, worden toegepast op in artikel 163, onder a) tot en met d), bedoelde ondernemingen.

4.

Uit hoofde van de leden 1 tot en met 3 kan een partij niet worden verplicht tot het verstrekken van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang, of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van bepaalde ondernemingen.

HOOFDSTUK 13. TRANSPARANTIE

Artikel 171
1.

Elke partij beantwoordt zo spoedig mogelijk verzoeken van de andere partij om specifieke informatie over haar algemeen toepasselijke maatregelen of internationale overeenkomsten die op deze titel betrekking hebben of daarvoor gevolgen hebben. Elke partij richt ook één of meer informatiepunten op, die over al deze aangelegenheden op verzoek specifieke informatie verstrekken aan belanghebbenden uit de andere partij25)Het informatiepunt voor de Republiek Kazachstan is het informatiepunt dat is opgericht in het kader van de GATS.. De partijen stellen elkaar binnen drie maanden na de datum waarop deze titel van toepassing wordt in kennis van hun informatiepunten. Informatiepunten hoeven geen depositaris te zijn van wet- en regelgeving.

2.

Alle wet- en regelgeving, decreten, besluiten en algemeen toepasselijke administratieve beschikkingen die verband houden met of van invloed zijn op onder deze titel vallende aangelegenheden moeten zo snel mogelijk worden gepubliceerd op een wijze die voldoet aan de vereisten van de WTO-overeenkomst, inclusief artikel X van de GATT 1994, artikel III van de GATS en artikel 63 van de TRIPs-overeenkomst. De partijen actualiseren regelmatig de informatie die over dergelijke maatregelen is gepubliceerd, inclusief websites, en zorgen ervoor dat deze informatie gemakkelijk beschikbaar is voor belanghebbenden. Dergelijke informatie moet beschikbaar zijn zolang de maatregelen van kracht zijn en gedurende een redelijke periode nadien.

3.

De partijen publiceren alle wet- en regelgeving, decreten, besluiten en algemeen toepasselijke administratieve beschikkingen die verband houden met of van invloed zijn op onder deze titel vallende aangelegenheden, voorafgaand aan de vaststelling ervan. De partijen geven belanghebbenden gedurende een redelijke termijn, doorgaans niet minder dan 30 kalenderdagen, de gelegenheid om opmerkingen in te dienen voordat de desbetreffende maatregel wordt afgerond of ingediend bij de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor vaststelling. Er wordt rekening gehouden met opmerkingen die gedurende deze termijn worden ingediend.

4.

Wet- en regelgeving, decreten, besluiten en algemeen toepasselijke administratieve beschikkingen die verband houden met of van invloed zijn op onder deze titel vallende aangelegenheden, worden niet van kracht voordat zij zijn gepubliceerd.

5.

Niets in deze overeenkomst verplicht een partij tot het verstrekken van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang, of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van bepaalde publieke of particuliere ondernemingen.

6.

Artikel 55 is van toepassing ten aanzien van dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK 14. GESCHILLENBESLECHTING

AFDELING 1. DOELSTELLING EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 172. Doelstelling

Het doel van dit hoofdstuk is een doeltreffend en doelmatig mechanisme ter vermijding en beslechting van geschillen tussen de partijen over de interpretatie en toepassing van deze overeenkomst op te zetten, teneinde waar mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

Artikel 173. Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle geschillen over de interpretatie en toepassing van de bepalingen van deze titel, tenzij anders bepaald.

AFDELING 2. OVERLEG EN BEMIDDELING

Artikel 174. Overleg
1.

De partijen streven ernaar alle geschillen als bedoeld in artikel 173 op te lossen door te goeder trouw overleg te voeren, teneinde tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

2.

Wanneer een partij de andere partij om overleg verzoekt, doet zij dat schriftelijk, met kopie aan het Samenwerkingscomité, met vermelding van de maatregel waarom het gaat en welke van de bepalingen waarnaar wordt verwezen in artikel 173 zij van toepassing acht.

3.

De partij waaraan het verzoek is gericht, reageert binnen 10 dagen na de datum van ontvangst, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald of tenzij door de partijen anders is overeengekomen.

4.

Het overleg vindt plaats binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek op het grondgebied van de partij waaraan het verzoek is gericht, tenzij de partijen anders overeenkomen. Het overleg wordt 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Het overleg, en in het bijzonder alle tijdens het overleg door de partijen verstrekte informatie en ingenomen standpunten, is vertrouwelijk en laat de rechten van de partijen in latere procedures onverlet.

5.

Overleg over dringende aangelegenheden wordt 15 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.

6.

Indien de partij waaraan het verzoek om overleg is gericht, niet binnen 10 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek hierop reageert, of indien het overleg niet binnen de in lid 3 respectievelijk lid 4 van dit artikel genoemde termijn wordt gehouden, of indien de partijen overeenkomen geen overleg te voeren of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt, kan de partij die om overleg heeft verzocht, een beroep doen op artikel 176.

7.

Tijdens het overleg verstrekt elke partij voldoende feitelijke informatie, zodat een volledig onderzoek mogelijk is naar de wijze waarop de betrokken maatregel van invloed kan zijn op de werking en toepassing van deze overeenkomst.

8.

Overleg over noodsituaties zoals gedefinieerd in artikel 138, onder h), wordt 5 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om overleg geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen anders overeenkomen.

Artikel 175. Bemiddeling

Overeenkomstig bijlage VII bij deze overeenkomst kan elke partij de andere partij verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot een maatregel die de handel of de investeringen tussen de partijen ongunstig beïnvloedt.

AFDELING 3. GESCHILLENBESLECHTINGSPROCEDURES

ONDERAFDELING 1. ARBITRAGEPROCEDURE

Artikel 176. Inleiding van de arbitrageprocedure
1.

Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 174 bedoelde overleg op te lossen, kan de partij die om overleg heeft verzocht, overeenkomstig dit artikel om de instelling van een arbitragepanel verzoeken.

2.

Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt schriftelijk gedaan bij de andere partij en bij het Samenwerkingscomité. De klagende partij vermeldt in haar verzoek welke maatregel in het geding is en legt uit, op zodanige wijze dat de rechtsgrond van de klacht duidelijk is, waarom die maatregel een inbreuk vormt op de bepalingen waarnaar wordt verwezen in artikel 173.

Artikel 177. Instelling van het arbitragepanel
1.

Een arbitragepanel bestaat uit drie arbiters.

2.

Binnen tien dagen na de datum waarop het schriftelijke verzoek tot instelling van een arbitragepanel is ingediend bij de partij waartegen de klacht is gericht, voeren de partijen overleg teneinde overeen te komen over de samenstelling van het panel.

3.

Wanneer de partijen binnen de in lid 2 van dit artikel genoemde termijn geen overeenstemming over de samenstelling van het arbitragepanel bereiken, kan elke partij binnen vijf dagen na het verstrijken van de in lid 2 van dit artikel vastgestelde termijn een arbiter benoemen uit de overeenkomstig artikel 196 opgestelde sublijst van die partij. Wanneer een van de partijen verzuimt een arbiter te benoemen, wordt deze op verzoek van de andere partij door de voorzitter van het Samenwerkingscomité, of door diens vertegenwoordiger, door middel van loting aangewezen uit de overeenkomstig artikel 196 opgestelde sublijst van die partij.

4.

Tenzij de partijen binnen de in lid 2 van dit artikel vastgestelde termijn overeenstemming bereiken over de voorzitter van het arbitragepanel, wordt deze op verzoek van een van de partijen door de voorzitter van het Samenwerkingscomité, of diens vertegenwoordiger, door middel van loting aangewezen uit de sublijst van voorzitters die is opgenomen in de overeenkomstig artikel 196 opgestelde lijst.

5.

De voorzitter van het Samenwerkingscomité, of diens vertegenwoordiger, wijst binnen 5 dagen na de indiening van het in lid 3 respectievelijk lid 4 bedoelde verzoek van een van de partijen de arbiters aan.

6.

De datum van instelling van het arbitragepanel is die waarop alle drie de aangewezen arbiters hun benoeming hebben aanvaard overeenkomstig het reglement van orde van bijlage V bij deze overeenkomst.

7.

Indien een of meer van de in artikel 196 bedoelde lijsten niet zijn opgesteld of niet voldoende namen bevatten op het tijdstip van indiening van een verzoek als bedoeld in lid 3 respectievelijk lid 4, worden de arbiters door middel van loting aangewezen uit de personen die door een van de partijen of door beide partijen formeel zijn voorgedragen.

9.

Tenzij de partijen anders overeenkomen, zijn bij een geschil tussen partijen over een noodsituatie zoals gedefinieerd in artikel 138, onder h), de tweede volzin van lid 3 en lid 4 van dit artikel van toepassing, zonder dat een beroep op lid 2 van dit artikel kan worden gedaan, en bedraagt de in lid 5 van dit artikel bedoelde termijn twee dagen.

Artikel 178. Voorlopige uitspraak inzake dringende aard

Indien een partij daarom verzoekt, doet het arbitragepanel binnen 10 dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak over de vraag of het een zaak dringend acht.

Artikel 179. Conciliatie bij dringende energiegeschillen
1.

Bij een geschil over een noodsituatie zoals gedefinieerd in artikel 138, onder h), kan elke partij de voorzitter van het arbitragepanel verzoeken om als conciliator op te treden met betrekking tot aangelegenheden in verband met het geschil, door een verzoek daartoe tot het arbitragepanel te richten.

2.

De conciliator tracht overeenstemming te bereiken over een oplossing van het geschil of over een procedure om een dergelijke oplossing tot stand te brengen. Indien een dergelijke overeenstemming niet is bereikt binnen 15 dagen na benoeming van de conciliator, doet deze een aanbeveling voor een oplossing voor het geschil of voor een procedure om tot een dergelijke oplossing te komen, en bepaalt hij welke voorwaarden in acht moeten worden genomen vanaf een bepaalde datum totdat het geschil is opgelost.

3.

De partijen en de onder hun zeggenschap of jurisdictie vallende entiteiten eerbiedigen de ingevolge lid 2 gedane aanbevelingen met betrekking tot de voorwaarden gedurende drie maanden na het besluit van de conciliator of totdat het geschil is opgelost, als dat eerder is.

4.

De conciliator eerbiedigt de gedragscode voor leden van arbitragepanels en bemiddelaars („de gedragscode”) die is opgenomen in bijlage VI bij deze overeenkomst.

Artikel 180. Verslagen van het arbitragepanel
1.

Het arbitragepanel legt een tussentijds verslag voor aan de partijen over de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen en de beweegredenen die aan de bevindingen en aanbevelingen van het panel ten grondslag liggen.

2.

Een partij kan binnen 14 dagen na ontvangst van het verslag het arbitragepanel schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten van het tussentijdse verslag te heroverwegen.

3.

Het arbitragepanel kan het tussentijdse verslag wijzigen na beoordeling van de eventuele schriftelijke opmerkingen van de partijen, en wanneer het dat zinvol acht, de zaak nader onderzoeken.

4.

Het eindverslag van het arbitragepanel bevat de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de bepalingen waarnaar wordt verwezen in artikel 173 en de beweegredenen die aan de bevindingen en conclusies van het panel ten grondslag liggen. Het eindverslag bevat een toereikende bespreking van de argumenten die zijn ingeroepen gedurende de fase van de tussentijdse beoordeling en een duidelijk antwoord op de vragen en opmerkingen van de partijen.

Artikel 181. Tussentijds verslag van het arbitragepanel
1.

Uiterlijk 90 dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel, legt het een tussentijds verslag voor aan de partijen. Wanneer het arbitragepanel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het Samenwerkingscomité hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het arbitragepanel zijn tussentijds verslag denkt te kunnen voorleggen. In geen geval mag het tussentijdse verslag later dan 120 dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel worden voorgelegd.

2.

In dringende gevallen stelt het arbitragepanel alles in het werk om het tussentijdse verslag binnen 45, maar in geen geval later dan 60 dagen na de datum van instelling voor te leggen. Een partij kan binnen zeven dagen na ontvangst van het tussentijdse verslag het arbitragepanel schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten te heroverwegen, overeenkomstig artikel 180, lid 2.

3.

Bij een geschil tussen partijen over een noodsituatie zoals gedefinieerd in artikel 138, onder h), wordt het tussentijdse verslag binnen 20 dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel voorgelegd, en worden verzoeken ingevolge artikel 180, lid 2, gedaan binnen vijf dagen nadat het tussentijdse verslag is voorgelegd. Het arbitragepanel kan ook besluiten af te zien van het tussentijdse verslag.

Artikel 182. Eindverslag van het arbitragepanel
1.

Uiterlijk 120 dagen na de datum van instelling legt het arbitragepanel een eindverslag voor aan de partijen en het Samenwerkingscomité. Wanneer het arbitragepanel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het Samenwerkingscomité hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn eindverslag denkt te kunnen voorleggen. In geen geval mag het eindverslag later dan 150 dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel worden voorgelegd.

2.

In dringende gevallen stelt het arbitragepanel alles in het werk om het eindverslag binnen 60 dagen na de datum van diens instelling voor te leggen. In geen geval mag het eindverslag later dan 75 dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel worden voorgelegd.

3.

Bij een geschil over een noodsituatie zoals gedefinieerd in artikel 138, onder h), legt het arbitragepanel zijn eindverslag voor binnen 40 dagen na de datum van diens instelling.

ONDERAFDELING 2. NALEVING

Artikel 183. Naleving van het eindverslag van het arbitragepanel

De partij waartegen de klacht is gericht, neemt de nodige maatregelen om de uitspraak van het arbitragepanel onverwijld en te goeder trouw na te leven.

Artikel 184. Redelijke termijn voor naleving
1.

Indien onmiddellijke naleving niet mogelijk is, trachten de partijen overeenstemming te bereiken over de termijn waarbinnen het eindverslag moet worden nageleefd. In dat geval stelt de partij waartegen de klacht is gericht, uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het eindverslag van het arbitragepanel de klagende partij en het Samenwerkingscomité in kennis van de tijd die zij nodig heeft om het verslag na te kunnen leven („redelijke termijn”).

2.

Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de duur van de redelijke termijn, kan de klagende partij binnen 20 dagen na de datum van ontvangst van de in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving het oorspronkelijk overeenkomstig artikel 177 ingestelde arbitragepanel („oorspronkelijke arbitragepanel”) schriftelijk verzoeken om een redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd aan de andere partij en aan het Samenwerkingscomité medegedeeld. Uiterlijk 20 dagen na ontvangst van het verzoek legt het arbitragepanel zijn verslag voor aan de partijen en aan het Samenwerkingscomité.

3.

De partij waartegen de klacht is gericht, stelt de klagende partij schriftelijk in kennis van haar vorderingen met betrekking tot de naleving van het eindverslag van het arbitragepanel. Deze kennisgeving wordt schriftelijk gedaan, ten minste één maand voor afloop van de redelijke termijn.

4.

De partijen kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen.

Artikel 185. Onderzoek van maatregelen tot naleving van het eindverslag van het arbitragepanel
1.

De partij waartegen de klacht is gericht, stelt de klagende partij en het Samenwerkingscomité in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om het eindverslag van het arbitragepanel na te leven. Deze kennisgeving moet worden gedaan voor het einde van de redelijke termijn.

2.

Wanneer er tussen de partijen onenigheid bestaat over het bestaan van een maatregel waarvan overeenkomstig lid 1 van dit artikel kennis is gegeven of over de vraag of die maatregel verenigbaar is met de bepalingen waarnaar wordt verwezen in artikel 173, kan de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek geeft de klagende partij aan om welke specifieke maatregel het gaat en legt zij uit waarom deze maatregel onverenigbaar is met de bepalingen waarnaar wordt verwezen in artikel 173, op zodanige wijze dat de rechtsgrond van de klacht duidelijk is. Uiterlijk 45 dagen na ontvangst van het verzoek legt het arbitragepanel zijn verslag voor aan de partijen en aan het Samenwerkingscomité.

Artikel 186. Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving
1.

Indien de partij waartegen de klacht is gericht niet voor afloop van de redelijke termijn kennis geeft van een maatregel die zij heeft getroffen om het eindverslag van het arbitragepanel na te leven, of indien het arbitragepanel oordeelt dat er geen maatregel is getroffen om aan het eindverslag te voldoen of dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 185, lid 1, kennis is gegeven, niet verenigbaar is met de verplichtingen van de partij krachtens de bepalingen waarnaar wordt verwezen in artikel 173, biedt de partij waartegen de klacht is gericht de klagende partij, op verzoek van en na overleg met deze laatste, een compensatie aan.

2.

Indien de klagende partij besluit niet om een aanbod voor compensatie als bedoeld in lid 1 van dit artikel te verzoeken of, wanneer zij wel daarom verzoekt maar de partijen geen akkoord over compensatie bereiken binnen 30 dagen na afloop van de redelijke termijn of de kennisgeving van het in artikel 185, lid 2, bedoelde verslag van het arbitragepanel, is de klagende partij gerechtigd om, na de andere partij en het Samenwerkingscomité hiervan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen te treffen in een mate die overeenstemt met de mate waarin de schending de voordelen voor de klagende partij teniet doet of uitholt26)Het begrip „tenietdoening en uitholling” wordt op dezelfde manier uitgelegd als in het WTO-memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen.. In de kennisgeving moeten dergelijke maatregelen worden gespecificeerd. De klagende partij kan vanaf tien dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de partij waartegen de klacht is gericht, dergelijke maatregelen toepassen, tenzij de partij waartegen de klacht is gericht overeenkomstig lid 3 van dit artikel om arbitrage heeft verzocht.

3.

Indien de partij waartegen de klacht is gericht, van oordeel is dat de passende maatregelen niet overeenstemmen met de mate waarin de schending van haar verplichtingen uit hoofde van de bepalingen waarnaar wordt verwezen in artikel 173, de voordelen voor de klagende partij teniet doet of uitholt, kan de partij waartegen de klacht is gericht, het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt voor het verstrijken van de in lid 2 van dit artikel bedoelde periode van tien dagen meegedeeld aan de klagende partij en aan het Samenwerkingscomité. Uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek legt het oorspronkelijke arbitragepanel zijn verslag over de passende maatregelen van de klagende partij voor aan de partijen en aan het Samenwerkingscomité. De klagende partij legt de maatregelen niet ten uitvoer voordat het oorspronkelijke arbitragepanel zijn verslag heeft voorgelegd. Maatregelen die na voorlegging van het rapport ten uitvoer worden gelegd, moeten in overeenstemming zijn met het verslag van het arbitragepanel.

4.

Dergelijke door de klagende partij toegepaste maatregelen en de in dit artikel bedoelde compensatie zijn van tijdelijke aard en mogen niet meer worden toegepast nadat:

  • a. de partijen ingevolge artikel 191 tot een onderling overeengekomen oplossing zijn gekomen;
  • b. de partijen zijn overeengekomen dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 185, lid 1, is kennis gegeven, ertoe leidt dat de partij waartegen de klacht is gericht, in overeenstemming is met de bepalingen waarnaar wordt verwezen in artikel 173; of
  • c. de maatregel waarvan het arbitragepanel overeenkomstig artikel 185, lid 2, heeft vastgesteld dat deze niet in overeenstemming is met de bepalingen waarnaar wordt verwezen in artikel 173, is ingetrokken of gewijzigd zodat de maatregel met die bepalingen in overeenstemming is gebracht.
Artikel 187. Onderzoek van nalevingsmaatregelen die zijn getroffen na vaststelling van tijdelijke maatregelen bij niet-naleving
1.

De partij waartegen de klacht is gericht, stelt de klagende partij en het Samenwerkingscomité in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om het eindverslag van het arbitragepanel na te leven nadat overeenkomstig artikel 186 compensatie is toegepast of een passende maatregel is getroffen door de klagende partij, naargelang van het geval. Behalve in de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen beëindigt de klagende partij de maatregel binnen 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving. In de gevallen waarin compensatie is toegepast, met uitzondering van de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen, kan de partij waartegen de klacht is gericht binnen 30 dagen na haar kennisgeving dat zij heeft voldaan aan het eindverslag van het arbitragepanel, de toepassing van die compensatie beëindigen.

2.

Indien de partijen binnen 30 dagen na ontvangst van de in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving geen overeenstemming bereiken over de vraag of de partij waartegen de klacht is gericht, heeft voldaan aan het eindverslag van het arbitragepanel, verzoekt de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd aan de andere partij en aan het Samenwerkingscomité medegedeeld. Het arbitragepanel legt zijn verslag binnen 45 dagen na de indiening van het verzoek voor aan de partijen en aan het samenwerkingscomité. Indien het arbitragepanel oordeelt dat de partij waartegen de klacht is gericht, heeft voldaan aan het eindverslag van het arbitragepanel, beëindigt de klagende partij de op grond van artikel 186 getroffen passende maatregel dan wel beëindigt de partij waartegen de klacht is gericht de compensatie, naargelang van het geval. Indien het arbitragepanel oordeelt dat de partij waartegen de klacht is gericht, niet volledig heeft voldaan aan het eindverslag van het arbitragepanel, wordt de compensatie of de passende maatregel op grond van artikel 186 aangepast aan het verslag van het arbitragepanel.

Artikel 188. Maatregelen bij dringende energiegeschillen
1.

Bij een geschil tussen partijen over een noodsituatie zoals gedefinieerd in artikel 138, onder h), is dit artikel van toepassing.

2.

In afwijking van de artikelen 184, 185 en 186 kan de klagende partij passende maatregelen treffen die overeenstemmen met de mate waarin haar voordelen worden teniet gedaan of uitgehold door de partij die verzuimt het eindverslag van het arbitragepanel binnen 15 dagen na de voorlegging ervan na te leven. Deze maatregelen kunnen onmiddellijk ingaan. De maatregelen mogen zo lang duren als de partij waartegen de klacht is gericht, het eindverslag van het arbitragepanel niet naleeft.

3.

Indien de partij waartegen de klacht is gericht, de niet-nakoming van het eindverslag dan wel de evenredigheid of de verenigbaarheid van de door de klagende partij toegepaste maatregel betwist, kan zij een procedure uit hoofde van artikel 186, lid 3, of artikel 187 aanhangig maken, die zo spoedig mogelijk wordt behandeld. De klagende partij hoeft de passende maatregelen pas in te trekken of aan te passen nadat het panel uitspraak heeft gedaan, en mag de maatregelen hangende de procedure handhaven.

ONDERAFDELING 3. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 189. Vervanging van arbiters

Indien in een in het kader van dit hoofdstuk gevoerde arbitrageprocedure een of meer leden van het oorspronkelijke arbitragepanel niet in staat zijn om aan de werkzaamheden van het panel deel te nemen, zich terugtrekken of moeten worden vervangen wegens niet-naleving van de gedragscode van bijlage VI bij deze overeenkomst, is de procedure van artikel 177 van toepassing. De termijn voor kennisgeving van het verslag kan worden verlengd met de tijd die nodig is om een nieuwe arbiter te benoemen, maar in geen geval met meer dan 20 dagen.

Artikel 190. Schorsing en beëindiging van arbitrage- en nalevingsprocedures

Het arbitragepanel kan op verzoek van beide partijen te allen tijde zijn werkzaamheden schorsen gedurende een door de partijen overeengekomen periode, die echter niet meer dan 12 opeenvolgende maanden mag bedragen. Op schriftelijk verzoek van beide partijen respectievelijk een van de partijen hervat het zijn werkzaamheden vóór respectievelijk aan het einde van deze periode. De partij die het verzoek indient, stelt de voorzitter van het Samenwerkingscomité en de andere partij hiervan in kennis. Indien een partij bij het verstrijken van de overeengekomen schorsingsperiode het arbitragepanel niet verzoekt zijn werkzaamheden te hervatten, wordt de procedure beëindigd. De schorsing en beëindiging van de werkzaamheden van het arbitragepanel laten de rechten van de partijen in andere procedures waarop artikel 197 van toepassing is onverlet.

Artikel 191. Onderling overeengekomen oplossing

De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor een onder dit hoofdstuk vallend geschil overeenkomen. Zij stellen het Samenwerkingscomité en de voorzitter van het arbitragepanel in voorkomend geval gezamenlijk in kennis van een dergelijke oplossing. Indien ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van de partijen voor de oplossing goedkeuring vereist is, wordt in de kennisgeving naar dit vereiste verwezen en wordt de geschillenbeslechtingsprocedure geschorst. Indien dergelijke goedkeuring niet vereist is, of nadat is kennisgegeven van de voltooiing van die interne procedures, wordt de geschillenbeslechtingsprocedure beëindigd.

Artikel 192. Reglement van orde
1.

Op de procedures voor de beslechting van geschillen in het kader van dit hoofdstuk zijn het reglement van orde van bijlage V bij deze overeenkomst en de gedragscode van bijlage VI bij deze overeenkomst van toepassing.

2.

De zittingen van het arbitragepanel zijn openbaar, tenzij anders bepaald in het reglement van orde van bijlage V bij deze overeenkomst.

Artikel 193. Inlichtingen en technisch advies

Het arbitragepanel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief bij alle bronnen, met inbegrip van de bij het geschil betrokken partijen, alle inlichtingen inwinnen die het voor de arbitrageprocedure nuttig acht. Het arbitragepanel heeft tevens het recht deskundigen om advies te vragen wanneer het dat nuttig acht. Voordat het deskundigen kiest, raadpleegt het arbitragepanel de partijen. Op het grondgebied van een partij gevestigde natuurlijke of rechtspersonen kunnen overeenkomstig het in bijlage V bij deze overeenkomst neergelegde reglement van orde als amicus curiae opmerkingen bij het arbitragepanel indienen. Alle in het kader van dit artikel verkregen informatie wordt voor commentaar aan elk van de partijen voorgelegd.

Artikel 194. Interpretatieregels

Arbitragepanels leggen de in artikel 173 bedoelde bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de uitlegging van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 1969 zijn gecodificeerd. Het arbitragepanel neemt tevens de relevante interpretaties in aanmerking die zijn vastgesteld door WTO-panels en de Beroepsinstantie en die zijn aangenomen door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO (Dispute Settlement Body – hierna „DSB” genoemd). De verslagen van het arbitragepanel kunnen de rechten en plichten van de partijen uit hoofde van deze overeenkomst niet verruimen of beperken.

Artikel 195. Besluiten en verslagen van het arbitragepanel
1.

De beraadslagingen van het arbitragepanel zijn vertrouwelijk. Het arbitragepanel stelt alles in het werk om besluiten bij consensus te nemen. Wanneer het evenwel niet mogelijk is bij consensus tot een besluit te komen, wordt een besluit bij meerderheid van stemmen genomen. In geen geval worden afwijkende meningen van arbiters openbaar gemaakt.

2.

De verslagen van het arbitragepanel worden opgesteld buiten tegenwoordigheid van de partijen. De verslagen bevatten de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de relevante in artikel 173 bedoelde bepalingen en een onderbouwing van de bevindingen en conclusies van het panel.

3.

De verslagen van het arbitragepanel worden door de partijen onvoorwaardelijk aanvaard. Zij scheppen geen rechten of verplichtingen voor natuurlijke of rechtspersonen.

4.

De partijen maken de verslagen van het arbitragepanel openbaar, waarbij vertrouwelijke informatie moet worden beschermd, zoals bepaald in het reglement van orde van bijlage V bij deze overeenkomst.

AFDELING 4. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 196. Lijsten van arbiters
1.

Het Samenwerkingscomité stelt op basis van voorstellen van de partijen uiterlijk 6 maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst op van 15 personen die bereid en geschikt zijn om als arbiter op te treden. Deze lijst bestaat uit drie sublijsten: één sublijst voor elke partij en een sublijst van personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en als voorzitter van het arbitragepanel kunnen optreden. Elke sublijst bevat ten minste vijf personen. Het Samenwerkingscomité ziet erop toe dat de lijst te allen tijde uit dit aantal personen blijft bestaan.

2.

De arbiters beschikken over gespecialiseerde kennis en ervaring op het gebied van het recht en de internationale handel. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies aan van enige organisatie of regering, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen en nemen de gedragscode van bijlage VI bij deze overeenkomst in acht.

3.

Het Samenwerkingscomité kan aanvullende lijsten opstellen van 15 personen met kennis van en ervaring in specifieke onder deze overeenkomst vallende sectoren. Met instemming van de partijen worden die aanvullende lijsten gebruikt voor de samenstelling van het arbitragepanel overeenkomstig de procedure van artikel 177.

Artikel 197. Verhouding tot WTO-verplichtingen
1.

Een beroep op de geschillenbeslechtingsbepalingen van deze titel laat alle maatregelen in het kader van de WTO onverlet, met inbegrip van die tot beslechting van een geschil.

2.

Een partij kan met betrekking tot een specifieke maatregel in verband met een schending van een in wezen gelijkwaardige verplichting uit hoofde van zowel deze overeenkomst als de WTO-overeenkomst evenwel niet in beide fora een procedure inleiden. Een partij mag, zodra een procedure voor geschillenbeslechting is ingeleid, enkel een procedure in verband met de schending van een in wezen gelijkwaardige verplichting uit hoofde van de andere overeenkomst in het andere forum inleiden, wanneer het eerst gekozen forum om procedurele of bevoegdheidsredenen geen uitspraak kan doen in de procedure ten aanzien van de schending van die verplichting.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt:

  • b. een procedure voor geschillenbeslechting krachtens dit hoofdstuk geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 176, lid 1, van deze overeenkomst een verzoek om instelling van een arbitragepanel indient.
4.

Niets in deze overeenkomst belet een partij een door het DSB toegestane schorsing van verplichtingen ten uitvoer te leggen. Er kan geen beroep op de WTO-overeenkomst worden gedaan om een partij te beletten tijdelijke maatregelen bij niet-naleving uit hoofde van dit hoofdstuk toe te passen.

Artikel 198. Termijnen
1.

Alle in dit hoofdstuk vastgestelde termijnen, met inbegrip van die waarbinnen arbitragepanels hun verslagen moeten voorleggen, worden gerekend in kalenderdagen vanaf de dag volgende op die waarop det desbetreffende handeling of het desbetreffende feit plaatsvond, tenzij anders bepaald.

2.

De partijen bij het geschil kunnen in onderling overleg alle in dit hoofdstuk vermelde termijnen wijzigen. Het arbitragepanel kan de partijen te allen tijde voorstellen alle in dit hoofdstuk vermelde termijnen te wijzigen, met opgave van de redenen daarvoor.

TITEL IV. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN ECONOMISCHE EN DUURZAME ONTWIKKELING

HOOFDSTUK 1. ECONOMISCHE DIALOOG

Artikel 199

De partijen onderschrijven de beginselen van de vrijemarkteconomie ter waarborging van gezond macro-economisch beleid en ontwikkelen en intensiveren een regelmatige economische dialoog met het oog op de verdere uitbreiding en verdieping van wederzijds voordelige economische betrekkingen, alsmede met het oog op duurzame ontwikkeling en economische groei.

Artikel 200

De partijen evalueren regelmatig de stand van zaken met betrekking tot de bilaterale samenwerking en wisselen regelmatig informatie, deskundigheid en beste praktijken uit op het gebied van economisch beleid, economische en financiële ontwikkeling en statistiek.

HOOFDSTUK 2. SAMENWERKING INZAKE HET BEHEER VAN DE OVERHEIDSFINANCIËN, WAARONDER CONTROLE VAN DE OVERHEIDSFINANCIËN EN INTERNE CONTROLE

Artikel 201

De partijen werken samen inzake het beheer van de overheidsfinanciën, waaronder controle van de overheidsfinanciën en interne controle, met het oog op de verdere ontwikkeling van een deugdelijk systeem voor het beheer van de overheidsfinanciën dat verenigbaar is met de beginselen van spaarzaamheid, doelmatigheid en doeltreffendheid, alsmede van transparantie en verantwoording.

De samenwerking omvat:

  • a. bevordering van de toepassing van aanvaardbare en algemeen erkende internationale normen, alsmede van convergentie met de goede praktijken van de Europese Unie op dit vlak;
  • b. uitwisseling van informatie en ervaringen op dit vlak.

HOOFDSTUK 3. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN BELASTINGEN

Artikel 202

De partijen streven naar betere internationale samenwerking op fiscaal gebied, met name wat betreft vergemakkelijking van het innen van legitieme belastinginkomsten, en naar de ontwikkeling volgens internationale normen van maatregelen voor de doelmatige uitvoering van de beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied, waaronder transparantie en uitwisseling van informatie. De partijen intensiveren hun dialoog en wisselen ervaringen uit om schadelijke belastingpraktijken te tegen te gaan.

HOOFDSTUK 4. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN STATISTIEK

Artikel 203

De partijen bevorderen harmonisering van statistische methoden en werkwijzen, waaronder de verzameling en verspreiding van statistieken. De statistische samenwerking richt zich op de uitwisseling van kennis, de bevordering van goede praktijken en de naleving van de grondbeginselen van de officiële statistiek van de VN en de Praktijkcode Europese statistieken.

De Europese Unie draagt hieraan bij door technische bijstand te verlenen aan de Republiek Kazachstan.

HOOFDSTUK 5. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN ENERGIE

Artikel 204

De partijen handhaven en intensiveren hun huidige samenwerking inzake energie, met het oog op vergroting van energiezekerheid, efficiëntie, duurzaamheid en concurrentievermogen. De samenwerking wordt gebaseerd op een breed partnerschap en wordt geleid door de beginselen van wederzijds belang, wederkerigheid, transparantie en voorspelbaarheid, in overeenstemming met de beginselen van de markteconomie en bestaande multilaterale en bilaterale overeenkomsten op dit gebied.

Artikel 205

De samenwerking omvat onder andere de volgende gebieden:

  • a. tenuitvoerlegging van energiestrategieën en energiebeleid, uitwerking van prognoses en scenario’s, onder andere met betrekking tot de situatie op de wereldmarkt voor energieproducten, alsmede verbetering van het statistische registratiesysteem in de energiesector;
  • b. schepping van een aantrekkelijk en stabiel investeringsklimaat en aanmoediging van wederzijdse investeringen op niet-discriminerende en transparante basis in de energiesector;
  • c. doeltreffende samenwerking met de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en andere internationale financiële instellingen en instrumenten, ter ondersteuning van de samenwerking tussen de partijen op energiegebied;
  • d. verhoogde wetenschappelijke en technische samenwerking en uitwisseling van informatie met het oog op de ontwikkeling van energietechnologieën, met bijzondere aandacht voor energiezuinige en milieuvriendelijke technologieën, overeenkomstig hoofdstuk 3 (Onderzoek en innovatie) van titel VI;
  • e. management- en technische opleiding in de energiesector, onder andere het vergemakkelijken van de uitwisseling van stagiairs van gespecialiseerde opleidingen van instellingen voor hoger onderwijs in de Europese Unie en de Republiek Kazachstan, alsmede het ontwikkelen van gezamenlijke opleidingsprogramma’s op basis van goede praktijken;
  • f. uitbreiding van de samenwerking in het kader van multilaterale energiefora, -initiatieven en -instanties;
  • g. uitwisseling van kennis en ervaringen en overdracht van technologie op het gebied van innovatie, onder andere met betrekking tot management en energietechnologieën.
Artikel 206. Koolwaterstofenergie

De samenwerking omvat onder andere de volgende gebieden:

  • a. modernisering en verbetering van bestaande en ontwikkeling van nieuwe energie-infrastructuur van gemeenschappelijk belang, volgens de beginselen van de markteconomie, die zich onder andere richt op diversifiëring van de energiebronnen, de leveranciers en de vervoersroutes en -wijzen, alsmede op het creëren van nieuwe opwekkingscapaciteit en op de integriteit, efficiëntie, veiligheid en beveiliging van energie-infrastructuur, waaronder op het gebied van elektriciteit;
  • b. ontwikkeling, door middel van hervorming van de regelgeving, van competitieve, transparante en niet-discriminerende energiemarkten volgens goede praktijken;
  • c. verbetering en versterking van de stabiliteit en continuïteit van de energiehandel op lange termijn, onder andere door de voorspelbaarheid en stabiliteit van de vraag naar energie te waarborgen, op niet-discriminerende basis en met minimale gevolgen en risico’s voor het milieu;
  • d. bevordering van een hoog niveau van milieubescherming en duurzame ontwikkeling in de energiesector, onder andere met betrekking tot extractie, productie, distributie en verbruik;
  • e. verbetering van de veiligheid van activiteiten met betrekking tot offshorekoolwaterstofexploratie en -productie door de uitwisseling van ervaring op het gebied van het voorkomen van ongelukken, analyse, respons en sanering na een ongeluk, en beste praktijken inzake aansprakelijkheid en juridische procedures in geval van een ramp.
Artikel 207. Hernieuwbare energiebronnen

Er wordt gestreefd naar samenwerking op het gebied van:

  • a. ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen op economisch en ecologisch verantwoorde wijze, waaronder samenwerking inzake regelgeving, certificering en normalisatie en technologische ontwikkeling;
  • b. vergemakkelijking van uitwisselingen tussen Kazachse en Europese instellingen, laboratoria en entiteiten uit de particuliere sector, onder andere door middel van gezamenlijke programma’s met het oog op de toepassing van beste praktijken bij het opwekken van de energie voor de groene economie van de toekomst;
  • c. organisatie van gezamenlijke seminars, conferenties, opleidingsprogramma’s en regelmatige uitwisseling van informatie en open statistische data, alsmede van informatie over de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.
Artikel 208. Energie-efficiëntie en -besparing

De samenwerking ter bevordering van energie-efficiëntie en -besparing, onder andere in de steenkoolsector en met betrekking tot het affakkelen van gas (en het gebruik van geassocieerd gas), in gebouwen, apparatuur, en vervoer, omvat onder andere:

  • a. uitwisseling van informatie over beleid, wet- en regelgeving en actieplannen inzake energie-efficiëntie;
  • b. vergemakkelijking van de uitwisseling van ervaringen en kennis op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing;
  • c. het opzetten en uitvoeren van projecten, waaronder demonstratieprojecten, voor het introduceren van innovatieve technologieën en oplossingen met betrekking tot energie-efficiëntie en energiebesparing;
  • d. opleidingsprogramma’s en -cursussen op het gebied van energie-efficiëntie met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel.

HOOFDSTUK 6. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN VERVOER

Artikel 209

De partijen werken samen aan:

  • a. uitbreiding en versterking van hun samenwerking op vervoersgebied, teneinde bij te dragen tot de ontwikkeling van duurzame vervoerssystemen;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)