Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.
De verklaring van verbondenheid wordt in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling en (altijd) in het Nederlands afgelegd voordat het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt. De burgemeester bepaalt op welke wijze het afleggen van de verklaring van verbondenheid nader wordt ingevuld (zie artikel 60b, vierde lid, BVVN). Het is derhalve aan de burgemeester overgelaten te bepalen of de verklaring van verbondenheid geheel of gedeeltelijk collectief of individueel wordt afgelegd. Ook andere organisatorische zaken, zoals wel of niet onderscheid maken tussen een groep die de verklaring bevestigd met ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en een groep die de verklaring aflegt met ‘Dat verklaar en beloof ik’, is aan de burgmeester ter nader invulling overgelaten.
De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de verzoeker. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan niet worden afgeweken.
De burgemeester houdt van verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009 bij óf een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) dat aan de IND wordt verzonden (zie tevens paragraaf 3.2.12.5 Procedurele aspecten na de terugmelding).
Vanaf 1 maart 2009 moet iedere meerderjarige verzoeker, die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie heeft ingediend, op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarnaast geldt de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid vanaf 1 maart 2009 ook voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van artikel 11, vierde lid, RWN wordt ingediend zestien jaar of ouder is.
De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook medenaturalisandi van 16 of 17 jaar (artikel 11, derde lid, RWN) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien. Deze medenaturalisandi moeten echter wel verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen (zie artikel 60b, derde lid, BVVN).
paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
Indien de naturalisandus zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie wel bereid heeft verklaard (model 2.30) de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar komt hij deze toezegging niet na en door de burgemeester is geen vrijstelling van het afleggen van deze verklaring gegeven, dan zal het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen worden.
Dit geldt ook voor de minderjarige naturalisandus van zestien of zeventien jaar die op grond van artikel 11, vierde lid, RWN een verzoek om naturalisatie heeft ingediend en die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen en deze verplichting niet nakomt. Ook aan de kinderen die wel aanwezig zijn en die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, wordt het hen betreffende uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en zij worden dus geen Nederlander (zie toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN).
De niet uitreiking is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bezwaar en beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door naturalisatie.
Paragraaf 2.3.13.5. zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester. Deze beoordeling is een beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar bij de burgemeester en beroep bij de bestuursrechter openstaan.
Bij zwaarwegende redenen kan worden gedacht aan de fysieke en/of psychische onmogelijkheid in persoon te verschijnen (zie toelichting bij artikel 2, tweede lid, paragraaf 3.2 HRWN). Deze zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond aan de hand van een verklaring van een onafhankelijk arts. Als dit voldoende is aangetoond, kan betrokkene zich laten vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de gemachtigde en de betreffende opgeroepen persoon (artikel 3, tweede lid BVVN is van overeenkomstige toepassing). De gemachtigde dient in persoon te verschijnen en verschaft de nodige zekerheid over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient op schrift te zijn gesteld en ondertekend te zijn door de persoon wiens verschijning in persoon is vereist. De gemachtigde dient ter identificatie een geldig identiteitsbewijs van de betrokken persoon te overleggen (en tevens de andere gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het geval). Onder zwaarwegend wordt niet verstaan strikt tijdelijke omstandigheden zoals het hebben van vakantie, het volgen van een cursus, het niet vrij kunnen krijgen van werk, enz. Bij een tijdelijke belemmering wordt in eerste instantie, in overleg met betrokkene, onderzocht of deelname aan een volgende naturalisatieceremonie uitkomst biedt. Onder zwaarwegend wordt bijvoorbeeld verstaan een langdurige zware depressie of een andere, ernstige psychologische belemmering.
Uitgangspunt van de regelgeving is dat de opgeroepen persoon zoveel mogelijk op de naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat het de burgemeester vrijstaat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de vaststelling van het naturalisatiebesluit en de uitreiking van het desbetreffende uittreksel, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.
Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de burgemeester eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de burgemeester of betrokkene binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald.
Bij een blijvende reden om niet te verschijnen, dan wel ingeval de volgende ceremonie pas na lange tijd plaatsvindt, wordt als volgt gehandeld. Als betrokkene niet binnen een redelijke termijn aanwezig kan zijn, bijvoorbeeld vanwege een blijvende lichamelijke handicap, bepaalt de burgemeester of het beroep op zwaarwegende redenen gegrond is. Als dit het geval is, beslist de burgemeester dat betrokkene zich laat vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde, meerderjarige persoon. Ingeval dit laatste niet mogelijk is, kan de burgemeester het besluit na het al dan niet schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid op een andere wijze bekendmaken, bijvoorbeeld door uitreiking in persoon buiten de naturalisatieceremonie om of door toezending per post van het desbetreffende uittreksel (zie paragraaf 2.3.13.4.2 ‘Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid’).Als het beroep op zwaarwegende redenen niet gegrond is, dan wijst de burgemeester het beroep af. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep open.
Indien de opgeroepen persoon op of na de dag waarop het naturalisatiebesluit is gedagtekend, is overleden, wordt het desbetreffende uittreksel aan een andere belanghebbende, al naar gelang de omstandigheden, uitgereikt of toegezonden. Een belanghebbende kan in dit geval zijn een kind dat na de dag van dagtekening van het besluit, is geboren. Onder belanghebbende kan ook worden verstaan een (voormalige) (huwelijks-)partner of een familielid van de overleden persoon.
Ad b:
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd (zie artikel 60b, vierde lid, BVVN en artikel 23, tweede lid, RWN). Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
Voor een enkele naturalisandus kan een uitzondering gemaakt worden. Indien van de naturalisandus door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1 is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2 de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De verzoeker moet (volgens de dáár geldende regels) bij het indienen van het verzoek om naturalisatie wel de bereidverklaring invullen en ondertekenen. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de burgemeester (zie artikel 60a, vijfde lid, BVVN) en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de optant overgelegde bewijsstuk(ken).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens paragraaf 2.3.13.4.1).
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de naturalisandus.
Paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
In voorkomende gevallen geeft de burgemeester (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 6 (zie hiervoor artikel 7, paragraaf 2.3.4.1 HRWN onder alinea ‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring’) reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker (zie artikel 60b, zesde lid, BVVN). Daarnaast heeft de burgemeester ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken) (zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid, paragraaf 3.2, HRWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist) toegevoegd. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij de Minister van Justitie. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt de Minister van Justitie het advies in deze van de burgemeester.
Het is mogelijk dat, tussen het afleggen van de bereidverklaring en de naturalisatieceremonie waar de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd de fysieke of psychische toestand van de verzoeker is gewijzigd. Het is aan de burgemeester om te beoordelen of en zo ja op welke wijze de verklaring van verbondenheid onder de gewijzigde omstandigheden wordt afgelegd. Voorbeeld: Indien een verzoeker na het ondertekenen van de bereidverklaring in coma is geraakt, zal hij de verklaring van verbondenheid niet langer kunnen afleggen. In dit geval wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.
Met betrekking tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn de volgende, niet limitatieve, scenario’s denkbaar:
Ad 1. De verzoeker is aanwezig op de naturalisatieceremonie en legt de verklaring van verbondenheid mondeling af
Deze situatie zal doorgaans het geval zijn. De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt het besluit tot verlening van het Nederlanderschapaan de verzoeker uitgereikt.
4. Afleggen verklaring van verbondenheid
paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
De burgemeester kan ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid met de uitnodiging voor de naturalisatieceremonie mee te sturen, zodat de verzoeker de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid aan de burgemeester overhandigt, voordat de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de verzoeker wordt uitgereikt. Ook kan de burgemeester ervoor kiezen om op de naturalisatieceremonie zelf de schriftelijke verklaring van verbondenheid te laten ondertekenen.
Paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
Paragraaf 2.3.1. Inleiding
Paragraaf 2.3.1. Inleiding
Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Paragraaf 2.3.1. Inleiding
8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Artikel 9
Bijvoorbeeld indien de verzoeker vanwege langdurige ziekenhuisopname niet in staat is de naturalisatieceremonie bij te wonen, maar fysiek wel in staat is de verklaring van verbondenheid uit te spreken, kan de burgemeester een 'privé naturalisatieceremonie' organiseren op de kamer van de verzoeker. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid, reikt de burgemeester de naturalisatiebesluit uit.
Ad 7. De verzoeker is niet aanwezig op de naturalisatieceremonie, maar legt de verklaring van verbondenheid schriftelijk af
Paragraaf 2.3.1. Inleiding
9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
Indien het naturalisatiebesluit bijvoorbeeld door het toezenden per post wordt bekendgemaakt, moet de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid voorafgaand aan die toezending in het bezit van de burgemeester zijn.
Ad 8. De verzoeker is niet aanwezig op de naturalisatieceremonie en legt de verklaring van verbondenheid niet af
Paragraaf 2.3.1. Inleiding
Voor meer informatie, zie www.ind.nl/Paginas/Inburgering-in-Nederland.aspx.
Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Aan de hand van het terugmeldformulier stelt de Minister vast of de betrokken naturalisandus Nederlander is geworden en zijn procedure kan worden afgesloten. Is betrokkene Nederlander geworden, dan worden de gegevens ten aanzien van deze verlening in het nationaliteitenregister opgenomen. Ook wordt na terugmelding de eventuele afstandsprocedure opgestart.
Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1 of 4.2), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de gemeente.
Paragraaf 2.3.3. Ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
Naast de ontheffing op grond van medische redenen kan er ook een ontheffing worden gegeven op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen. Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland geeft hieraan uitwerking.
Artikel 8
Deze ontheffing kan worden verleend in de volgende vier gevallen:
RWN: artikelen 1.1b; 1.1f; 1.1g; 1.1h; 2; 7; 8; 9; 10; 11 en 14.1
Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
BNT: artikelen 2; 3; 5 en 7
Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbaar geleverde inspanningen
BVVN: artikel 24; hoofdstuk III en artikel 72
Awb: artikelen 4:2; 4:5.1 en 6:3
Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbaar geleverde inspanningen
BW: artikelen 1:33; 1:63,1:69, 10:27–10:53 en 10:58
Paragraaf 2.3.5. Procedure advies ontheffing aantoonbaar geleverde inspanningen
Vb 2000: artikelen 3.4; 3.5; 3.59; 3.89; 3.93 en 8.12
Vc 2000: hoofdstuk B5
Vw 2000: artikelen 3; 14; 20 en 28
Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbaar geleverde inspanningen
WNI: artikel 7
Paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
EG-richtlijnen: 73/148 en 93/96
EG-Verdrag: artikel 50
Voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7, paragraaf 1, HRWN, onder ‘Overgangsrecht’.
Paragraaf 2. Toelichting algemeen
Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Paragraaf 3.2. Polygamie
Een verzoeker die niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c of d, RWN kan, uitsluitend in geval van zeer bijzondere omstandigheden, verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 10 RWN. Echter, toepassing van artikel 10 RWN is niet mogelijk indien de verzoeker niet voldoet aan de wettelijke voorwaarde van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Immers, uit de tekst van artikel 10 RWN vloeit voort dat niet kan worden afgeweken van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Een verzoeker die een beroep doet op toepassing van artikel 10 RWN dient daarom te allen tijde in het bezit te zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard voor onbepaalde tijd is. Zie hieronder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, paragraaf 4, HRWN, alsmede de toelichting bij artikel 10 RWN.
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van landen met een indicatie van de mogelijkheid van polygamie en verstoting: Bijlage 1 bij paragraaf 2.2 bij de toelichting op artikel 6, vierde lid, RWN.
Paragraaf 3.1. wettekst artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
Paragraaf 3.1. Inleiding
DUO beoordeelt de aanvraag en stelt een advies op. Aan de beoordeling van de ontheffingsgrond bij DUO (het advies) zijn geen kosten verbonden.
Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend, moet de verzoeker meerderjarig zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Hij moet dus of de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, voordien in het huwelijk zijn getreden of voordien in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. De burgemeester onderzoekt de meerderjarigheid van de verzoeker aan de hand van de gegevens in de BRP. Als de geboortedatum in de overgelegde stukken niet overeenstemt met de BRP, bevordert de burgemeester dat de BRP zo mogelijk wordt aangepast. Het verdient aanbeveling dat de burgemeester deze mutatie meedeelt aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Daarmee wordt voorkomen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ten onrechte een dubbel dossier aanlegt over dezelfde verzoeker.
Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van artikel 10 RWN (zie ook de toelichting bij artikel 10 RWN). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen artikel 11, eerste lid, RWN. Zie voorts artikel 11, vierde lid, paragraaf 6.2, HRWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
Een ontbinding van het huwelijk die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van één van de echtgenoten tot stand is gekomen wordt in Nederland erkend als:
De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan.
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.4).
paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van (de beperking van) de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna paragraaf 4.4).
De Vw 2000 is overigens – anders dan de RWN – geen rijkswet en regelt daarom alleen het verblijf van vreemdelingen in het Europese deel van Nederland. In Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden aparte verblijfsregelingen.
Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om opzettelijk afzijdig houdt van -of afzet tegen -alles wat Nederlands is of op Nederland betrekking heeft, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de Nederlandse samenleving en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen. Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de goede betrekkingen van Nederland met andere mogendheden. Er moeten in het geval van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering van contra-indicaties als het ware.
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van landen met een indicatie van de mogelijkheid van polygamie en verstoting: Bijlage 1 bij paragraaf 2.2 bij de toelichting op artikel 6, vierde lid, RWN.
Op grond van de Vw 2000 zijn de volgende verblijfsvergunningen vastgesteld:
Het verblijfsdocument W dient als bewijs van rechtmatig verblijf in Nederland voor asielzoekers die in afwachting zijn van een definitief besluit op hun asielaanvraag, voor vreemdelingen die op medische gronden niet uitzetbaar zijn en voor vreemdelingen ten aanzien van wie is besloten dat verstrekkingen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers niet worden beëindigd.
Paragraaf 3.3. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie kunnen moeilijkheden worden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de BRP van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de toenmalige GBA (de voorganger van de BRP) van eenzijdige verstotingen van vóór 10 april 1981 (inwerkingtreding van de tot 1 januari 2012 geldende WCE) veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting van vóór 10 april 1981 in de BRP staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument Duurzaam verblijf of EU/EER of Familielid EU/EER).
Zie voor een schema bijlage 1 bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, paragraaf 4.9 HRWN.
Paragraaf 4.4. (geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Paragraaf 4.4.1. algemeen
Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de beperking van de verblijfsvergunning van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd waartegen geen bedenkingen bestaan, als het verstrekte reguliere verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. In artikel 3.4 Vb 2000 staan de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. De beperking wordt vermeld op het verblijfsdocument. In artikel 3.5, tweede lid, Vb 2000 is bepaald of een verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een tijdelijk karakter heeft of niet. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling in beginsel niet-tijdelijk van aard. Het kan echter voorkomen dat bij de verlening van een verblijfsvergunning of in een beleidsregel is aangegeven dat het verblijfsrecht toch tijdelijk van aard is.
1. Algemeen
Bij het indienen van het naturalisatieverzoek toont de verzoeker zijn verblijfsdocument en controleert de gemeente de toelatingsgegevens van verzoeker in de BRP en/of de BVV. De gemeente vult vervolgens model 2.22 (adviesblad naturalisatie) in.
Uitzonderingen (zie tevens paragraaf 3.13.4.2 Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Toch vindt in de naturalisatieprocedure altijd een beoordeling plaats op de vraag of de verblijfsvergunning op dit moment zou worden verlengd of zou kunnen worden ingetrokken. Zie toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, paragraaf 4.4.3, HRWN.
Als vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, moet de verzoeker worden verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (artikel 36, eerste lid BVVN).
5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens artikel 60b, derde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)
In afwijking van het voorgaande vindt een fictietoets wel plaats indien het een buiten het Koninkrijk ingediend verzoek betreft. Zie toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, paragraaf 4.4.8, HRWN.
Paragraaf 4.4.2. beoordelingsmoment
paragraaf 1. Algemeen
Als de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan (en dit blijkt evenmin uit de BRP en/of de BVV), wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om – indien van toepassing – zijn verblijfsstatus te regelen en wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. Als de verzoeker er niettemin op staat een naturalisatieverzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.
Paragraaf 4.4.3. reden tot intrekking/niet-verlenging van het verblijfsrecht
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen.
Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument en een geldig verblijfsrecht in de BRP – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en hij wordt ontraden nu al een verzoek in te dienen. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in de toelichting artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, paragraaf 4.4.2, HRWN.
In het advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt dan melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht dan nader onderzoeken.
Voor de gronden tot intrekking dan wel niet verlenging van een verblijfsvergunning wordt verwezen naar de volgende artikelen in de Vw:
De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op eenzelfde adres in de BRP, PIVA of basisadministratie. Als de samenwoning niet afdoende blijkt uit de BRP, PIVA of basisadministratie, moet de verzoeker de samenwoning bewijzen door middel van andere bewijsstukken. Samenwoning tijdens het huwelijk buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen zal de verzoeker met andere bewijsstukken moeten aantonen dat sprake is geweest van onafgebroken samenwoning met de Nederlandse echtgenoot.
Zoals aangegeven in paragraaf 4.4 (onder ‘Geen fictietoets op sterker verblijfsrecht in de naturalisatieprocedure’) vindt – behoudens bij een verzoek ingediend buiten het Koninkrijk – geen fictietoets plaats binnen de naturalisatieprocedure.
paragraaf 1. Algemeen
In geval een Turkse werknemer en zijn gezinsleden voldoen aan de voorwaarden van artikel 6 of 7 van Besluit nr. 1/80 ontlenen zij een rechtstreeks verblijfsrecht aan de betreffende bepaling van Besluit nr. 1/80. Dit is een declaratoir verblijfsrecht, een verblijfsrecht van rechtswege. Dit betekent echter niet dat zij niet in het bezit hoeven te zijn van een verblijfsvergunning en het bijbehorende verblijfsdocument. Een op artikel 6 of 7 van Besluit nr. 1/80 gebaseerd verblijfsrecht in het indienen van een naturalisatieverzoek toont de naturalisatieverzoeker aan met de volgende verblijfsvergunningen. De reguliere verblijfsvergunning ontleend aan artikel 6 van Besluit nr. 1/80 wordt verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’. De verblijfsvergunning ontleend aan artikel 7 van Besluit nr. 1/80 wordt verleend onder de beperking ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’.
Het is echter ook mogelijk dat de Turkse werknemer of het gezinslid van een Turkse werknemer een niet-tijdelijk regulier verblijfsrecht heeft op grond van artikel 6 of 7 van Besluit nr. 1/80 terwijl hij/zij in het bezit is van een verblijfsvergunning die is afgegeven onder een andere beperking dan ‘arbeid in loondienst’ of ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’. In dat geval is niet zichtbaar – en niet bekend – dat de Turkse werknemer een niet-tijdelijk verblijfsrecht heeft.
Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, paragraaf 4.4.2, HRWN.
Paragraaf 4.4.5. vreemdelingen die verblijfsrecht aan het Unierecht ontlenen of die verblijfsrecht ontlenen aan het Terugtrekkingsakkoord tussen VK en EU.
Paragraaf 4.4.5.1. inleiding
paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
In paragraaf 4.4.5.2 wordt algemene uitleg gegeven over het Unierecht en worden een aantal begrippen uitgelegd.
In paragraaf 4.4.5.3 wordt uitleg gegeven over het verblijfsrecht dat aan het Unierecht ontleend kan worden, op basis van Richtlijn 2004/38/EG.
Naast verblijf op basis van Richtlijn 2004/38/EG kan een vreemdeling ook verblijfsrecht ontlenen aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) of Verordening 492/2011.
Daarbij is ingegaan op de vraag of al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Ook wordt aangegeven op welke wijze een vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Unierecht, dit verblijfsrecht kan of moet aantonen.
In paragraaf 4.4.5.4 wordt ingegaan op de vraag of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd voor vreemdelingen met de Britse nationaliteit en hun familielid-derdelanders, die een naturalisatieverzoek hebben ingediend en die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Terugtrekkingsakkoord tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie (vanwege het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie).
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk als de verzoeker voorafgaand aan de indiening van het verzoek ten minste drie jaar onafgebroken ongetrouwd samenwoont binnen het Koninkrijk met een en dezelfde ongetrouwde Nederlandse partner. De toelating en de samenwoning met die ongetrouwde Nederlandse partner moeten op het moment van de beslissing op het verzoek voort duren. De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de BRP, PIVA of basisadministratie. Een periode van samenwoning buiten het Koninkrijk telt niet mee.
Paragraaf 5.12. Gratie
Onder Unierecht wordt verstaan het geheel van EU-verdragen, verordeningen, richtlijnen, inclusief de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Voor deze paragraaf zijn vooral het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en Richtlijn 2004/38/EG relevant.
Verblijfsrechten op grond van Richtlijn 2004/38 EG zijn declaratoir van aard en ontstaan van rechtswege. Het verblijfsrecht kan ook van rechtswege vervallen (zijn).
Een burger van de Unie is iedereen die de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezit.
Definitie burger van de Unie/EER
Daar waar een burger van de Europese Economische Ruimte of EER dezelfde rechten heeft als een burger van de Unie wordt de term burger van de Unie/EER gebruikt.
Een familielid-derdelander is het familie- of gezinslid van een burger van de Unie/EER of van een Zwitserse onderdaan. Een familielid-derdelander bezit zelf niet de nationaliteit van een lidstaat van de EU, EER of van Zwitserland en ontleent zijn verblijfsrecht aan het Unierecht.
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3. Staatloosheid
Paragraaf 3. Staatloosheid
Er zijn ook nog oude EU-verblijfsdocumenten in omloop. Het gaat dan om de verblijfskaart ‘EU/EER’ met als opmerking ‘Gemeenschapsonderdaan’. Deze werd uitgegeven aan:
Paragraaf 3. Staatloosheid
Als het Nederlanderschap eerder is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, RWN, dan geldt de verkorte termijn van drie jaar niet. Dit geldt voor zaken van personen die vanaf 1 oktober 2023 een naturalisatieverzoek hebben ingediend. Als een naturalisatieverzoek, bezwaarschrift of beroepschrift is ingediend voor 1 oktober 2023 dan geldt nog het oude artikel 8 lid 4 RWN en is dus de verkorte termijn nog van toepassing.
Paragraaf 2. Geprivilegieerden
Aan het verblijfsrecht voor maximaal drie maanden zijn in het kader van de Richtlijn geen andere voorwaarden of formaliteiten gesteld dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Dit verblijfsrecht is naar zijn aard tijdelijk. Er bestaan voor een vreemdeling die het verblijfsrecht aan het Unierecht ontleent in deze periode van drie maanden dus bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
Dit geldt dus voor zowel een burger van de Unie/EER, een Zwitserse onderdaan als een familielid-derdelander.
Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De naturalisatie doorkruist hier namelijk niet het toelatingsbeleid. Dit geldt dus voor zowel een burger van de Unie/EER, een Zwitserse onderdaan als een familielid-derdelander.
Paragraaf 2. Geprivilegieerden
Een burger van de Unie/EER of een Zwitserse onderdaan kan ook gevraagd worden de sticker in het paspoort te tonen.
Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
Het verblijfsrecht gaat verloren, als:
Paragraaf 3. Staatloosheid
Een vreemdeling die het verblijfsrecht ontleent aan Richtlijn 2004/38/EG en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft automatisch en zonder een daartoe strekkende aanvraag (van rechtswege op grond van Richtlijn 2004/38/EG) een duurzaam verblijfsrecht. Er bestaan bij een duurzaam verblijfsrecht geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Het overleggen van een verblijfsdocument is wel vereist voor een familielid-derdelander. Hij toont het verblijfsrecht aan met het verblijfsdocument ‘familielid EU/EER’ met de opmerking ‘Fam. van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG’.
8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
Dit verlies van het verblijfsrecht is niet goed vast te stellen bij het adviesgesprek van verzoeker met de burgemeester over het indienen van het naturalisatieverzoek.
Artikel 9
Het kan voorkomen dat een vreemdeling die het verblijfsrecht aan het Unierecht ontleent en die al dan niet in het bezit is van een verklaring van inschrijving van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), of een verblijfsdocument EU/EER niet meer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf. Dat kan het geval zijn indien:
Artikel 9
De burgemeester wijst verzoeker erop dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onderzoek zal doen naar de actuele verblijfsstatus en zal beoordelen of het rechtmatige verblijf eventueel is geëindigd dan wel beëindigd wordt.
Vervolgens zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door de verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, als het verzoek wordt afgewezen, de verzoeker de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker de verklaring ondertekent van model 2.21. In het advies van de burgemeester aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt melding gemaakt van omstandigheden die ertoe leiden dat er twijfel is of nog aan de voorwaarden voor verblijf is voldaan. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker verder onderzoeken.
Hieronder is het verblijfsrecht toegelicht van andere, niet op Richtlijn 2004/38/EG gebaseerde EU-verblijfsrechten.
Dit verblijfsrecht geldt alleen voor een familielid-derdelander. Een familielid-derdelander kan zijn verblijfsrecht ontlenen aan artikel 21 van het VWEU. Er zijn twee verschillende verblijfsrechten te onderscheiden:
Ad 1. Een familielid-derdelander kan zijn verblijfsrecht ontlenen op basis van de Europa-route als een familielid-derdelander gezinsleven heeft onderhouden met een Nederlander in een andere EU-lidstaat dan Nederland en aansluitend samen met deze Nederlander naar Nederland terugkeert. In bepaalde situaties kan het familielid dan een afgeleid verblijfsrecht van de Unieburger hebben op grond van artikel 21 VWEU.
Dit afgeleide verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU is een verblijfsrecht waartegen geen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Een familielid-derdelander toont zijn verblijfsrecht aan met een verblijfsdocument ‘familielid EU/EER’ met de opmerking ‘fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG’.
paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Ad 2. Een familielid-derdelander kan zijn verblijfsrecht ook ontlenen aan een minderjarige burger van de Unie (niet-Nederlander), als het familielid-derdelander als ouder daadwerkelijk het ouderlijke gezag heeft over deze minderjarige burger van de Unie en daadwerkelijk voor hem zorgt.
9-alg. Toelichting algemeen
Tegen dit verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU bij een minderjarige burger van de Unie bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
Als verzoeker beschikt over duurzaam verblijfsrecht is geen sprake van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument ‘familielid EU/EER’ met de opmerking ‘fam van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG’.
Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Als verzoeker beschikt over duurzaam verblijfsrecht is geen sprake van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument ‘familielid EU/EER’ met de opmerking ‘fam van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG’.
In beginsel wordt een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt de vreemdeling om redenen van disproportionaliteit op aanvraag in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard. Vanwege het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht is verlening van het Nederlanderschap in die gevallen niet mogelijk. Niettemin kan het voor komen dat een vreemdeling op wie artikel 1F van toepassing is, in het bezit is van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) met een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard, waarop naturalisatie in beginsel wél mogelijk is. Bijvoorbeeld als informatie die leidt tot het vermoeden dat de vreemdeling de in artikel 1F Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven of handelingen heeft begaan, pas na verlening van een verblijfsvergunning bekend wordt. Het is dan niet altijd meer mogelijk het verblijfsrecht te beëindigen. In dat geval wordt een aanvraag tot het verlenen van het Nederlanderschap afgewezen.
Op 1 januari 2021 verliet het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie. Een Brit (inclusief familieleden, die niet de nationaliteit van een lidstaat van de EU, de EER of van Zwitserland bezitten) die voor 1 januari 2021 rechtmatig in Nederland verbleef, heeft tot 1 oktober 2021 de mogelijkheid (gehad) om een verblijfsvergunning op grond van het Terugtrekkingsakkoord aan te vragen. Omdat voor een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd op grond van het Terugtrekkingsakkoord moet worden voldaan aan dezelfde voorwaarden als die op grond Richtlijn 2004/38/EG gelden voor burgers van de Unie en hun gezinsleden, bestaan er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
Deze verblijfsdocumenten worden verstrekt aan een persoon met de Britse nationaliteit en aan zijn familielid, als aan de voorwaarden van het terugtrekkingsakkoord wordt voldaan. Dit verblijfsrecht is geregeld in hoofdstuk B13 van de Vreemdelingencirculaire. Het betreft nationaal vreemdelingenrecht en geen Unierecht. Het Terugtrekkingsakkoord regelt de voortzetting van verblijfsrecht dat op 31 december 2020 bestond. Dit betekent dat betrokkene op grond van het Terugtrekkingsakkoord verblijfsrecht heeft vanaf 1 januari 2021, ongeacht op welk moment hij voor 1 oktober 2021 een verblijfsvergunning op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gevraagd en heeft gekregen.
Aanwijzingen over de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden ontvangen en beoordeeld door de IND. Indien van toepassing informeert de IND de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woonplaats heeft als ten aanzien van een vreemdeling die door optie het Nederlanderschap kan verkrijgen het ernstige vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Als door de IND hierover geen informatie is verstrekt kan ervan uit worden gegaan dat artikel 1F geen grond is om de bevestiging van de optieverklaring te weigeren.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status.
De vreemdeling mag geen Nederlander worden als zijn verblijfsvergunning wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de vreemdeling, als zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden ingetrokken, zonder meer Nederlander kan worden. Omdat het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht anders is dan het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN) bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde.
Door de zendstaat uitgezonden diplomatiek of consulair niet duurzaam verblijvend personeel (en hun gezinsleden) bezitten een bijzondere status op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen. Zij worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs. De Vw 2000 is niet op hen van toepassing. Zolang zij deze bijzondere status bezitten, beschikken zij niet (en kunnen zij ook niet beschikken) over een verblijfsvergunning op grond van Vw 2000. Er bestaan bedenkingen tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.
De verzoeker wordt ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 4.4.2.
De Vw 2000 is in het algemeen evenmin van toepassing op vreemdelingen (en hun gezinsleden) die in Nederland werkzaamheden verrichten voor internationale organisaties. Op grond van zetelovereenkomsten, waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie, komt aan hen en hun gezinsleden de bijzondere status toe. Door de Minister van Buitenlandse Zaken worden zij in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs en zij beschikken niet over een verblijfsvergunning. Er bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Dezelfde handelwijze geldt als bij uitgezonden diplomatiek of consulair personeel.
Na beëindiging van het dienstverband met een ambassade, een consulaat of een internationale organisatie komt de bijzondere status van bovenstaande categorieën vreemdelingen te vervallen. De bepalingen van de Vw 2000 zijn dan onverkort van toepassing.
Als een ex-geprivilegieerde verzoeker beschikt over een verblijfsdocument kan aan de hand van dat document met behulp van Bijlagen 1, 3 en 7 worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Indien een ex-geprivilegieerde verzoeker (nog) niet beschikt over een verblijfsdocument wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 4.4.2.
Uiteraard kunnen ook onderdanen uit de EU- en EER-landen de bijzondere geprivilegieerde status bezitten. Zij kunnen in het bezit zijn van een verblijfsdocument EU/EER. In dat geval wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument met behulp van Bijlagen 1, 3 en 7 bij dit artikellid beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde duur.
Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 4.4.2.
Verder is er sprake van ernstige vermoedens als de vreemdeling zich nog in de proeftijd bevindt, tenzij de proeftijd is verbonden aan een voorwaardelijke vermogenssanctie van minder dan € 900,– of een voorwaardelijke taakstraf van minder dan 36 uur. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of een voorwaardelijke gratie. Als de vreemdeling zich niet houdt aan de voorwaarden, kan alsnog strafvervolging worden ingesteld of kan de gratie ongedaan worden gemaakt.
Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan.
Als uitgangspunt doet de burgemeester geen onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1F. Hierover hoeft in het schriftelijk advies aan de IND dan ook niets te worden vermeld.
Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd ten opzichte van verzoekers op wie de Wet van 9 september 1976 (Stb.1976, 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is. Zij zijn geen Nederlanders en evenmin vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet. Zij worden behandeld als Nederlanders. Zij mogen zonder meer in Nederland verblijven. Zij kunnen worden genaturaliseerd, mits zij uiteraard aan de overige daartoe gestelde voorwaarden in de RWN voldoen.
Ten aanzien van Molukkers die op grond van de wet van 9 september 1976 worden behandeld als Nederlander, dient in de BRP te zijn aangetekend: ‘Behandeld als Nederlander’.
De naturalisatie of optie wordt geweigerd, als er binnen vijf jaren voor de indiening van het verzoek dan wel het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop zo’n sanctie is opgelegd. Daarbij is niet van belang:
De in artikel 8, tweede lid, RWN genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt, in afwijking van hetgeen hiervoor onder paragraaf 4.4 is opgenomen, ambtshalve – aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid en het EU-recht die op de verzoeker van toepassing zouden zijn als hij om toelating in Nederland zou vragen – beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, als hij daar om zou vragen. Als aan iemand op wie de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing zou zijn een regulier verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (voor meer informatie, zie de circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland).
Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Voor de vraag of kinderen in de verlening of verkrijging kunnen delen, is de aard van het verblijfsrecht beslissend. Als de ouder(s) aan wie het kind het verblijf ontleent in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is het verblijfsrecht van het kind, ook al betreft het een vergunning asiel voor bepaalde tijd, naar zijn aard niet-tijdelijk. Er zijn in dat geval ten aanzien van de minderjarigen geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
In het geval beide ouders om medeverlening hebben verzocht, maar slechts één van hen in aanmerking komt voor naturalisatie, zal het kind met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd delen in de naturalisatie van die ouder. In dit geval is het niet van belang vanwege welke ouder het minderjarige kind het afhankelijke asiel verblijfsrecht heeft verkregen.
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
De vader komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondanks dat het verblijfsrecht van Amin afhankelijk is van zijn vader, komt hij wel in aanmerking voor medeverlening. Immers, moeder voldoet wel en heeft ook om medeverlening voor Amin verzocht.
Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven.
Verblijfstitels en verblijfsdocumenten
1 Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in Bijlage 1, of 3 of 7 moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor paragraaf 4.4.3. Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (vreemdelingen die verblijfsrecht aan Unierecht ontlenen) of dient te worden beëindigd. Zie hiervoor paragraaf 4.4.5.3 ('Twijfel omtrent het bestaan van het verblijfsrecht').
Van belang is dat een afwijzende beslissing nimmer kan worden gebaseerd op alleen een enkel proces-verbaal. Een proces-verbaal leidt immers niet altijd tot het opleggen van een sanctie. Wel vormt het proces-verbaal aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. Zolang niet vast staat dat de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij geen Nederlander worden. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie.
Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot weigering van naturalisatie of optie, als de geldboete € 900,– of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vijf jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € 450,– leiden tot weigering van de naturalisatie of optie, als de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het naturalisatieverzoek dan wel de aflegging van de optieverklaring of de beslissing daarop € 1.350,– of meer bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en), geldboete(n) en maatregel(en) tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Wel/geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Assiociatieraad EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg artikel 8, eerste lid, onder b, paragraaf 4.4.4, HRWN.
De naturalisatie of optie wordt geweigerd, als er binnen vijf jaren voor de indiening van het verzoek dan wel het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop zo’n sanctie is opgelegd. Daarbij is niet van belang:
Gemeenschapsonderdanen en familieleden derdelanders
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
Het is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de vreemdeling in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft.
Als de vreemdeling in één strafrechtelijke procedure voor verschillende gevoegde feiten (verschillende misdrijven of een combinatie van misdrijven en overtredingen) is veroordeeld tot één enkele straf, die gelijk is aan of uitstijgt boven de hierboven gegeven norm, wordt de naturalisatie of optie geweigerd.
Vóór 1 april 2003 was in dit artikellid als voorwaarde opgenomen dat een verzoeker voor naturalisatie in aanmerking kon komen, als hij of zij ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek woonplaats of werkelijk verblijf in het Koninkrijk had. De vraag of verzoeker in deze periode was toegelaten, speelde daarbij geen rol (ook niet-rechtmatig verblijf werd meegeteld).
In het kader van de integratie van het vreemdelingenbeleid in de RWN is met ingang van 1 april 2003 in het onderhavige artikellid bepaald dat verzoeker gedurende de vereiste periode van vijf jaar in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba ‘toelating en hoofdverblijf’ moet hebben. Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een vreemdeling rechten opbouwt in een periode dat hij geen recht heeft om in het Koninkrijk te verblijven.
1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
Het vereiste van vijf jaar ‘hoofdverblijf’ in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen om enige garantie te verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat de verzoeker in het Koninkrijk wil blijven wonen. Of sprake is van hoofdverblijf in Nederland wordt primair getoetst aan de hand van de gegevens uit de gemeentelijke voorziening van de BRP. Vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven en voor wie geldt dat de verwachte verblijfsduur tenminste 2/3 van een half jaar is, worden op grond van artikel 2.4 Wet BRP als ingezetene in de BRP ingeschreven.
Voor asielzoekers in de centrale opvang wordt hierop een uitzondering gemaakt: zij worden na een verblijf van een half jaar in de centrale opvang als ingezetene in de BRP ingeschreven. Als de BRP-gegevens niet afdoende blijken, moet de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de afgelopen vijf jaar zelf aan tonen door middel van andere bewijsstukken. Het begrip ‘hoofdverblijf’ is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, paragraaf 9.3, HRWN).
In het onderhavige artikellid staat uitdrukkelijk dat de vijf jaren toelating en hoofdverblijf onmiddellijk vooraf dienen te gaan aan de indiening van het verzoek. Het heeft daarom geen zin om voortijdig een verzoek in te dienen in de veronderstelling dat in de loop van de procedure de termijn van vijf jaar zal worden gehaald. Uit de tekst van de wet vloeit voort dat een voortijdig ingediend verzoek wordt afgewezen. Uit de wettekst vloeit ook voort dat gedurende de vijf jaren vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie het verblijfsrecht van verzoeker niet onderbroken mag zijn. Het woord ‘sedert’ duidt erop dat het vereiste van ononderbroken toelating en hoofdverblijf eveneens geldt voor de periode vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek. Gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek én gedurende de periode vanaf de indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek mogen er derhalve geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen.
Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens uit de vreemdelingenadministratie. In die situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de optant of verzoeker, dient een bericht omtrent toelating te worden gevraagd. Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, paragraaf 8.8, HRWN.
Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de vreemdeling in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de vreemdeling heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de vreemdeling in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een naturalisatieverzoek of optie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vijf jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie.
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen.
Ingeval van een vermogensstraf met afbetalingsregeling, wordt een beroep op die afbetalingsregeling (die de aanvang van de rehabilitatietermijn opschuift) niet gehonoreerd, aangezien die regeling is getroffen op verzoek van de veroordeelde vreemdeling zelf. Ingeval van vrijheidsstraf wordt een beroep op de duur tussen de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden en de datum waarop de vrijheidsstraf kan worden ondergaan, in het algemeen niet gehonoreerd als een bijzondere omstandigheid. Die duur is thans een kwestie van maanden, tenzij de vreemdeling zelf verzoekt om uitstel van tenuitvoerlegging. Zij is in het verleden wel langer geweest, maar ook toen stond het de veroordeelde vrij zich tot de overheid te wenden met het verzoek om de opgelegde straf met voorrang te ondergaan. Als de vreemdeling zich erop beroept dat er tussen de datum waarop het misdrijf is gepleegd en de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden, een bijzonder lange tijd is verstreken, moet de verzoeker vreemdeling zelf aangeven hoe dat komt en dit met documenten onderbouwen. In de meeste gevallen zal het gaan om misdrijven die eerst geruime tijd na de pleegdatum aan het licht komen en vervolgens tot strafvervolging leiden. In die gevallen is het tijdsverloop het gevolg van het stilzwijgen van de vreemdeling zelf. Als de vreemdeling meent dat er in zijn geval sprake is van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze regeling kennelijk onredelijk is, moet hij die bijzondere feiten of omstandigheden zelf naar voren brengen en onderbouwen.
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Het begrip inburgering is tweeledig: enerzijds moet de verzoeker beschikken over kennis van de Nederlandse taal en van de staatsinrichting en maatschappij en anderzijds moet hij zich hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. De eisen ten aanzien van inburgering zijn door de jaren heen geregeld gewijzigd. Hieronder volgt een samenvatting met de belangrijkste wijzigingen. Paragraaf 6.2 wordt afgesloten met een actueel overzicht van de onderdelen van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen).
Ingeval van een vermogensstraf met afbetalingsregeling, wordt een beroep op die afbetalingsregeling (die de aanvang van de rehabilitatietermijn opschuift) niet gehonoreerd, aangezien die regeling is getroffen op verzoek van de veroordeelde vreemdeling zelf. Ingeval van vrijheidsstraf wordt een beroep op de duur tussen de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden en de datum waarop de vrijheidsstraf kan worden ondergaan, in het algemeen niet gehonoreerd als een bijzondere omstandigheid. Die duur is thans een kwestie van maanden, tenzij de vreemdeling zelf verzoekt om uitstel van tenuitvoerlegging. Zij is in het verleden wel langer geweest, maar ook toen stond het de veroordeelde vrij zich tot de overheid te wenden met het verzoek om de opgelegde straf met voorrang te ondergaan. Als de vreemdeling zich erop beroept dat er tussen de datum waarop het misdrijf is gepleegd en de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden, een bijzonder lange tijd is verstreken, moet de verzoeker vreemdeling zelf aangeven hoe dat komt en dit met documenten onderbouwen. In de meeste gevallen zal het gaan om misdrijven die eerst geruime tijd na de pleegdatum aan het licht komen en vervolgens tot strafvervolging leiden. In die gevallen is het tijdsverloop het gevolg van het stilzwijgen van de vreemdeling zelf. Als de vreemdeling meent dat er in zijn geval sprake is van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze regeling kennelijk onredelijk is, moet hij die bijzondere feiten of omstandigheden zelf naar voren brengen en onderbouwen.
Situatie tot 1 januari 2013
Op 1 april 2003 is de naturalisatietoets geïntroduceerd voor de verzoeker die wil naturaliseren. Sinds 1 april 2007 geldt dat een verzoeker de naturalisatietoets heeft behaald, als hij het inburgeringsexamen als bedoeld in het toenmalige artikel 7, tweede lid van de Wet inburgering heeft behaald. In sommige gevallen kan de verzoeker in aanmerking komen voor een (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing van de naturalisatietoets.
Situatie vanaf 1 januari 2013
Op 1 januari 2013 veranderde de inhoud van het inburgeringsexamen. Daarmee veranderde ook de inhoud van de naturalisatietoets. De examenonderdelen Elektronisch Praktijkexamen (EPE) en het decentraal praktijkexamen zijn komen te vervallen. Het examen bevat vanaf dat moment de volgende onderdelen: de vaardigheden lezen, luisteren, spreken en schrijven in de Nederlandse taal op niveau A2. Het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) bleef bestaan.
Verzoekers die op 1 januari 2013 al de nodige inspanningen hadden gedaan om zich voor te bereiden op het inburgeringsexamen zoals dit in de Wet inburgering luidde op 31 december 2012 kregen tot 1 januari 2015 de tijd om dit inburgeringsexamen af te maken. Deze verzoekers konden er ook voor kiezen om het inburgeringsexamen, zoals dat in de Wet inburgering vanaf 1 januari 2013 luidde, af te leggen.
De gemeentelijke taken met betrekking tot de uitvoering van de Wet inburgering zijn op 1 januari 2013 overgegaan naar de toenmalige Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voert deze taken uit. Het gaat hier om handhaving van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtige vreemdelingen die op of na 1 januari 2013 rechtmatig verblijf krijgen in Nederland. De gemeente bleef de handhaving verzorgen van inburgeringsplichtige vreemdelingen die voor 1 januari 2013 al rechtmatig verblijf hadden in Nederland.
Op 1 januari 2015 veranderde de inhoud van het inburgeringsexamen. Daarmee veranderde ook de inhoud van de naturalisatietoets.
Aan het inburgeringsexamen is aan het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving op 1 januari 2015 het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt toegevoegd. Voor meer toelichting op dit examenonderdeel, zie Stb. 2014, 404.
Voor vrijstelling van het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt zie artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.2.3, HRWN.
Situatie vanaf 1 oktober 2017
Op 1 oktober 2017 veranderde de inhoud van het inburgeringsexamen. Daarmee veranderde ook de inhoud van de naturalisatietoets.
Aan het inburgeringsexamen is op 1 oktober 2017 het examenonderdeel participatieverklaringstraject toegevoegd. Door middel van het participatieverklaringstraject maken inburgeringsplichtigen (vreemdelingen op wie de Wet inburgering van toepassing is) nader kennis met de kernwaarden van de Nederlandse samenleving. Voor meer toelichting op dit examenonderdeel, zie Stcrt. 2017, 55853.
Voor vrijstelling van het onderdeel participatieverklaringstraject zie artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.2.3 HRWN.
Per 1 juli 2018 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd. In de Regeling zijn wijzigingen opgenomen met betrekking tot de examenpogingen, die een verzoeker moet hebben gedaan als bewijs dat hij aantoonbaar voldoende inspanningen heeft verricht om het inburgeringsexamen te halen. Ook is opgenomen dat een alfabetiseringscursus mee kan tellen bij het aantal benodigde uren dat een verzoeker moet hebben deelgenomen aan een inburgeringscursus. Deze wijzigingen worden verder toegelicht in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.2.4 HRWN.
Per 28 mei 2019 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd. In artikel 4, achtste lid, onder c, Regeling naturalisatietoets Nederland is een gedeeltelijke vrijstelling opgenomen, voor het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (zie verder bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.2.1 HRWN).
Per 1 oktober 2020 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd. In artikel 4, achtste lid, onder c, Regeling naturalisatietoets Nederland is een gedeeltelijke vrijstelling opgenomen, voor het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (zie verder bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.2.3, HRWN).
Op 1 januari 2022 is de nieuwe Wet inburgering 2021 in werking getreden. Deze heeft als doel alle nieuwe inwoners van Nederland met een inburgeringsplicht zo snel mogelijk Nederlands te leren spreken en schrijven op het voor hen hoogst haalbare niveau, zodat zij zo goed mogelijk mee kunnen draaien in de Nederlandse samenleving.
Het Besluit naturalisatietoets, dat op 18 maart 2022 is gepubliceerd (Stb 2022, 115 van 18 maart 2022) blijft met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 echter bepalend bij het beoordelen van de vraag of in het kader van een naturalisatieverzoek is voldaan aan het vereiste van de naturalisatietoets.
Dit betekent dat ook na 1 januari 2022 een voor of na deze datum ingediend naturalisatieverzoek wordt ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden is voldaan) als de naturalisatieverzoeker een inburgeringsdiploma heeft, dat aantoont dat hij een taalbeheersing op niveau A2 heeft in de Nederlandse taal. Ook de andere vrijstellende documenten, die vermeld zijn in artikel 3 Besluit naturalisatietoets (zoals dat luidt sinds 1 januari 2013), blijven gelden als vrijstelling van de naturalisatietoets.
Omdat ook de Regeling naturalisatietoets Nederland, zoals deze luidt sinds 1 oktober 2020, nog steeds van kracht is, blijven de in die regeling genoemde documenten voor een gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets, voor een medische of andere ontheffing (zoals bijvoorbeeld wegens ‘aantoonbaar geleverde inspanningen’) van kracht op de manier zoals zij waren vóór 1 januari 2022. De instantie als bedoeld in artikel 5 lid 1 Regeling naturalisatietoets Nederland die adviseert over het bestaan van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap, blijft Argonaut.
De grondslag voor het stellen van de voorwaarde dat de verzoeker om naturalisatie aantoont dat hij als ingeburgerd kan worden beschouwd, ligt in artikel 8, eerste lid en onder d, RWN. Daaraan is voor verzoekers die woonachtig zijn in Europees Nederland of buiten het Koninkrijk invulling gegeven in het Besluit naturalisatietoets, de Regeling naturalisatietoets Nederland en de Handleiding.
Situatie vanaf 15 februari 2023: aanpassing Regeling naturalisatietoets Nederland (oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt en aantoonbaar geleverde inspanningen)
Per 15 februari 2023 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd (besluit Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 30 januari 2023, kenmerk 4361501). In artikel 4, achtste lid van de Regeling naturalisatietoets Nederland zijn nieuwe gedeeltelijke vrijstellingen ingevoerd voor het onderdeel Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt voor verzoekers die volledig gepensioneerd zijn voor de AOW-gerechtigde leeftijd en voor verzoekers die volledig en blijvend arbeidsongeschikt zijn. In artikel 6, vierde lid, van de Regeling naturalisatietoets Nederland is o.a. het optellen van alfabetiseringscursusuren en inburgeringscursusuren gewijzigd (zie verder de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.3.4, HRWN).
Situatie vanaf 1 april 2023: aanpassing Regeling naturalisatietoets Nederland (aantoonbaar geleverde inspanningen)
Per 1 april 2023 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd (besluit Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 18 april 2023, kenmerk 4571379, gepubliceerd in de Staatscourant van 10 mei 2023). In artikel 6, vierde lid, aanhef en onder a, Regeling naturalisatietoets Nederland is het aantal keren dat een vreemdeling moet hebben deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van de naturalisatietoets gewijzigd van vier- naar driemaal (zie verder de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.3.4, HRWN).
Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op model 2.3 (bij naturalisatie) of model 1.14 (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het inburgeringsexamen kent vanaf 1 oktober 2017 de volgende onderdelen
De rehabilitatietermijn vangt dus niet aan op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. In de periode tussen die datum en de gratieverlening was er immers wel sprake van dat de opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd. Van daadwerkelijke rehabilitatie (en de aanvang van de rehabilitatietermijn) kan geen sprake zijn, zolang de vreemdeling nog onderworpen is aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel of dat hem deze nog boven het hoofd hangt.
Als de vreemdeling ooit op grond van de Wet inburgering, zoals die luidde tot 1 januari 2022, inburgeringsplichtig is geweest en hij heeft in dat kader met succes het inburgeringsexamen behaald, dan legt hij in zijn naturalisatieprocedure dat inburgeringsdiploma over. Als de vreemdeling ooit vrijgesteld of ontheven is van de inburgeringsplicht door een vrijstellend document te overleggen of een ontheffingsbeschikking te krijgen, dan zal het vrijstellend document of de ontheffingsbeschikking in veel gevallen ook voldoende zijn in de naturalisatieprocedure. In paragraaf 6.3.2 en 6.3.3 wordt uiteengezet wanneer dit het geval is. Let op! Niet alle vrijstellingen en ontheffingen die op grond van de onderscheidenlijke versies van de Wet inburgering door de gemeente of DUO zijn verleend gelden ook voor in de naturalisatieprocedure.
Ook een verzoeker om naturalisatie die nooit inburgeringsplichtig is geweest, moet in zijn naturalisatieprocedure in beginsel de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen) behalen en het inburgeringsdiploma overleggen.
De burgemeester adviseert in beginsel in de naturalisatieprocedure aan Onze Minister of de vreemdeling dan wel het kind voor wie medeverlening is verzocht voldoet aan de voorwaarden. Over criminele antecedenten voor de toepassing van artikel 9 lid 1 onder a RWN adviseert de burgemeester echter sinds 1 januari 2012 niet meer. De burgemeester moet de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, wel informeren over de openbare orde-richtlijnen bij naturalisatie, waaronder het vereiste van monogamie. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat hij geen strafrechtelijke gegevens zal opvragen, maar dat de IND dit doet. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat deze gegevens gevolgen kunnen hebben voor de beslissing op het verzoek om (mede)naturalisatie. De burgemeester geeft in het advies aan de IND nog wel aan of wel of niet sprake is van een polygaam huwelijk van de vreemdeling of van de medenaturalisant.
Als voor de indiening van het naturalisatieverzoek al duidelijk is dat de vreemdeling (bijvoorbeeld wegens een openstaande strafzaak of recente sanctie) niet voor naturalisatie in aanmerking komt, moet hij er op worden gewezen dat het verzoek waarschijnlijk zal worden afgewezen en dat hij beter kan wachten met de indiening van het verzoek totdat hij wel voor naturalisatie in aanmerking komt. Als hij er desalniettemin op staat een verzoek in te dienen, moet dat verzoek wel in behandeling worden genomen. De IND onderzoekt vervolgens de strafrechtelijke gegevens van de vreemdeling. Het is raadzaam om de vreemdeling een eigen risico verklaring te laten ondertekenen.
Voor de procedure bij optie, zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN.
De burgemeester heeft in twee fasen een rol ten aanzien van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen), namelijk in de voorlichtingsfase en in de aanvraagfase.
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag (model 2.3 bij naturalisatie, model 1.14 bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin de burgemeester de aspirant-verzoeker zal informeren over de naturalisatietoets. In dit stadium hoeft de aspirant-verzoeker nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook geen naturalisatiegelden te voldoen. De burgemeester legt dan ook geen dossier aan, totdat daadwerkelijk een verzoek om naturalisatie wordt ingediend. In de regel gebeurt dit pas nadat de betrokkene het inburgeringsexamen heeft afgelegd en het bijbehorende inburgeringsdiploma kan overleggen. De burgemeester verstrekt tijdens de voorlichtingsfase een brochure en informatie over het inburgeringsexamen.
In het geval de verzoeker nog niet beschikt over een inburgeringsdiploma, of een document op basis waarvan vrijstelling of ontheffing van het inburgeringsexamen mogelijk is, verwijst de burgemeester de verzoeker naar DUO. De burgemeester adviseert de verzoeker om daarbij aan DUO kenbaar te maken dat hij in het kader van naturalisatie een inburgeringsexamen wenst af te leggen en dat hij niet in het kader van de Wet inburgering het examen wenst af te leggen. Als bewijs van slagen ontvangt de verzoeker een inburgeringsdiploma. Dit inburgeringsdiploma legt de verzoeker over in het kader van zijn naturalisatieverzoek. Zie artikel 5, eerste lid, BNT.
Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.
Als de verzoeker een inburgeringsdiploma heeft, dan legt hij dat over ten behoeve van zijn naturalisatieverzoek. Of hij toont een ander document waarmee hij volledige of gedeeltelijke vrijstelling of ontheffing van de naturalisatietoets heeft.
Voor indiening van het naturalisatieverzoek beoordeelt de burgemeester of het overgelegde document origineel is en of de personalia overeenkomen met die van de verzoeker. Vervolgens beoordeelt de burgemeester of de verzoeker met het document voldoet aan de voorwaarden voor de naturalisatietoets.
De burgemeester ontraadt de betrokkene een verzoek in te dienen als hij twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia. De burgemeester deelt de betrokkene in dat geval mee dat hij het document en de gegevens nader zal onderzoeken.
Bij twijfel kan DUO om advies worden gevraagd. Dit kan ook bij diploma’s die zijn verkregen/afgegeven buiten Europees Nederland.
Als de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is, de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, of de gegevens op het document niet juist zijn, ontraadt de burgemeester de betrokkene een verzoek in te dienen.
Als de vreemdeling een inburgeringsdiploma overlegt, dient te worden opgelet dat sprake is van een behaald taalniveau A2 voor alle taalonderdelen. Een inburgeringsdiploma met een lager taalniveau dan A2 is op grond van artikel 3, eerste lid aanhef en onder h, Besluit naturalisatietoets namelijk niet vrijstellend.
Als de burgermeester twijfelt of iemand daadwerkelijk het inburgeringsdiploma heeft behaald, kan de burgermeester hiervan een aantekening maken op het adviesblad.
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)