Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
Had de man geen nationaliteit dan geldt dat een Nederlandse vrouw sinds 1 juli 1893 altijd in het bezit is gebleven van het Nederlanderschap. Al is dit pas later zo bepaald, het is wel de wijze waarop met het Nederlanderschap van de met een staatloze man huwende Nederlandse vrouw wordt omgegaan.
Paragraaf 1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige
5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)
Een kind wordt in 1976 in Amsterdam geboren als kind van een ongehuwde Nederlandse moeder. Het verkrijgt daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 1 sub c WNI 1892. In 1978 trouwt de moeder in Australië met een Australische man. Het kind wordt hierdoor op tweejarige leeftijd gewettigd.
2.4. Mee te wegen rechten en factoren
3.4. Bezwaar: bij nova eventueel nieuw advies IND
Paragraaf 2.2.5.4. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
Paragraaf 12.7. vereiste documenten
paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
Een vreemdeling (meerderjarig of minderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:
Let op: in principe kan op grond van artikel 6, achtste lid, RWN een minderjarige delen in de optie van de persoon (ouder), bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i en j, RWN als hij toelating en hoofdverblijf heeft in het Koninkrijk.
5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)
Paragraaf 14.4. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Paragraaf 15.1. wettekst artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m
Paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant
paragraaf 2.5. Bevestiging
Vastgesteld moet worden dat aan op een andere wijze dan volgens de wijze als neergelegd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 2008, 417) tot stand gekomen testresultaten niet hetzelfde gewicht kan en mag worden gegeven als aan rapporten die dat wel zijn. De wijze van identiteitsvaststelling van degenen die het DNA-materiaal hebben afgestaan en de wijze waarop en door wie het materiaal wordt afgenomen zijn daarbij wezenlijke verschillen.
paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring
paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Paragraaf 18.3.1. algemeen
paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
paragraaf 2.10. (Hoger) beroep
paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Deze lijst is niet uitputtend.
Als aanwijzing bestaat dat het gelegaliseerde document inhoudelijk onjuist is, beslist de behandelend ambtenaar aan de hand van de overige ter beschikking staande gegevens of verificatieonderzoek wordt gedaan.
Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
Paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie artikel 30c BVVN)
Paragraaf 19.5. peilmoment stabiel hoofdverblijf
Paragraaf 19.6. bewijslast
paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid mondeling en in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands afgelegd.
Paragraaf 21.3. procedure
paragraaf 2.5. Bevestiging
6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de optant niet mogelijk is de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen.
In de regel legt degene aan wie de optiebevestiging wordt uitgereikt de verklaring van verbondenheid mondeling af (zie artikel 60a, vierde lid, BVVN). Echter, indien van de optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, kan de burgemeester bepalen dat de optant de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt (zie artikel 60a, vijfde lid, BVVN). Indien bij het afleggen van de optieverklaring reeds door de burgemeester geconstateerd is dat van een optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, wordt hiervan door de burgemeester een aantekening gemaakt in het optiedossier. Deze informatie kan vervolgens bij het toezenden van de uitnodigingbrief voor de naturalisatieceremonie gebruikt worden door bijvoorbeeld alvast de schriftelijke verklaring van verbondenheid toe te sturen.
paragraaf 2.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
Is de optant houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is) dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de BRP is ingeschreven. Dit geldt ook voor de houder van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de IND is vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort).
6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid
Paragraaf 2.1. Weigering optiebevestiging wegens strafrechtelijk(e) delict(en)
Artikel 6a
Paragraaf 2.2. Weigering van de optiebevestiging wegens meervoudige huwelijken
6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid
Bijlage 1
Bijlage 1
6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid
Paragraaf 21.3.3.1. bevoegdheid burgemeester
6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid
Paragraaf 21.3.3.3. beoordeling verschuldigdheid optiegelden
paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
Paragraaf 21.3.4.2.3. geen gevaar voor de openbare orde, etc.
Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
Het verzoek aan de IND om advies wordt gedaan met model 1.52. De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen stuurt het ingevulde model samen met alle onderliggende stukken naar de IND. Dit gebeurt bij voorkeur via de bestandenpostbus van het Ministerie van Justitie en Veiligheid maar kan ook per post. Gezien de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) kan geen gebruik worden gemaakt van e-mail. De IND gebruikt voor het advies model 1.53 en stuurt dit bij voorkeur via de bestandenpostbus terug naar de adviesvragende autoriteit.
Paragraaf 21.3.6. administratieve verwerking van de bevestiging
Noorwegen is vanaf 19 december 2019 niet langer partij bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg. Uitwisseling op grond van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 is sindsdien niet langer nodig.
6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a
Let op! Als de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt geen uitwisselingsformulier opgemaakt.
Bij een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN moet een bereidheidsverklaring ingevuld worden. Deze verklaring moet naar de IND worden gestuurd, zodat de optant kan worden geïnformeerd over zijn afstandsplicht en worden gecontroleerd dat de optant daadwerkelijk afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Paragraaf 3. toelichting bij artikel 5a, eerste lid
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
6-1-e. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e
Paragraaf 1.2. Bezit Nederlandse nationaliteit moeder ten tijde van geboorte van kind
paragraaf 3. Overgangsregeling
Paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h
Paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met een Nederlandse nationaliteit
Paragraaf 2. De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892
Paragraaf 1.2. Afstamming door geboorte
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 6.3.1. gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW
Paragraaf 8.2. algemeen
3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)
Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
De buitenlandse wettiging wordt erkend op grond van het toen geldende Nederlandse internationaal privaatrecht (i.e. CIEC-overeenkomst inzake wettiging door huwelijk). Het kind wordt door deze wettiging het juridisch kind van deze man vanaf de datum van het huwelijk en verkrijgt daardoor de Australische nationaliteit. Hij wordt door de wettiging geacht nooit de Nederlandse nationaliteit te hebben bezeten op grond van artikel 2ter WNI 1892, en hij wordt hiermee vreemdeling.
Paragraaf 11.11. de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892
paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring
Paragraaf 2.2.5.1. Algemeen
Paragraaf 2.2.5.5. Bewijsnood of inwilliging met toepassing van art. 4:84 Awb: geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en of geboorteakte
Paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
Paragraaf 2.2.5. Over te leggen documenten
paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging
Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
Paragraaf 18.3.2. rechten Unieburgerschap
paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
Vreemdelingen, die in de BRP zijn opgenomen als staatloos, en die in het bezit zijn van een reguliere verblijfsvergunning, moeten bij de aflegging van de optieverklaring in beginsel een geboorteakte overleggen. Zij kunnen echter wel tegen problemen aanlopen bij het verkrijgen van een geboorteakte. Als een optant volgens de BRP staatloos is, wordt bij de vraag of sprake is van bewijsnood mede betrokken wat de oorzaak is van de staatloosheid. Afhankelijk daarvan kan de aannemelijkheid worden bepaald of de optant het betreffende document niet kan verkrijgen.
paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
Paragraaf 21.3.1. Informatieverstrekking
Paragraaf 21.3.2. afleggen van de optieverklaring
Paragraaf 21.3.2.1.4. wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
paragraaf 2.9.1. De burgemeester beslist
paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking
Indien een optant bij het afleggen van de optieverklaring wel bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar is hij vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen, dan geldt het volgende. De burgemeester tekent de bereidheid van de verzoeker aan op de bereidverklaring, maar de bereidverklaring wordt vervolgens niet ondertekend, immers de verzoeker is hiertoe niet in staat. De overige formulieren kunnen in voorkomende gevallen ingevuld worden door bijvoorbeeld een gemachtigde of curator.
Indien de burgemeester een verzoek om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen (gemotiveerd) weigert, is dit een beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen de optant binnen 6 weken bezwaar kan indienen bij de burgemeester. Vervolgens staat beroep bij de bestuursrechter open.
Paragraaf 21.3.2.4.4. bereidheidsverklaring afstand
Paragraaf 21.3.2.5.1. algemeen
paragraaf 2.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
paragraaf 2.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
Paragraaf 3.5.5. Bewijsnood of inwilliging met toepassing van art. 4:84 Awb: geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en of geboorteakte
6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid
6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid
Artikel 6a
De IND geeft het gemotiveerde advies binnen een redelijke termijn, zodat de optieverklaring binnen de maximale beslistermijn van 26 weken kan worden bevestigd of geweigerd. Het advies van de IND is niet bindend voor de adviesvragende autoriteit. Het advies is geen besluit, zodat er geen afzonderlijke rechtsmiddelen tegen open staan. In het Europese deel van het Koninkrijk is dit een advies als bedoeld in afdeling 3.3 Awb. Dat betekent onder andere dat de autoriteit het advies van de IND aan het besluit ten grondslag kan leggen, en daar ter motivering van dit besluit mee kan volstaan (artikel 3:49 Awb). Indien de autoriteit van het advies afwijkt, wordt dit in het besluit gemotiveerd (artikel 3:50 Awb).
paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (model 1.35a HRWN) toe. De burgemeester maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
paragraaf 3. Procedure naturalisatie
De burgemeester bevordert dat de verkrijging van het Nederlanderschap, eventueel vastgestelde namen en het eventuele verlies van de oorspronkelijke nationaliteit in de BRP worden verwerkt.
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Artikel 5c
Nederlander wordt het kind dat in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten bij rechterlijke uitspraak is geadopteerd, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en ten minste één der adoptiefouders op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is. Het kind verkrijgt het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze laatste periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie.
Op 1 januari 2004 is artikel 5 RWN vervangen door de artikelen 5, 5a, 5b en 5c RWN (zie Stb. 2003, 284). Vernummering van artikel 5 RWN, zoals dat artikel gold vanaf 1 oktober 1998 (Stb. 1998, 303), werd nodig geacht in verband met de inwerkingtreding op 1 januari 2004 van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 2003, 283).
Zou na het tijdstip van verkrijging van het Nederlanderschap alsnog tegen de adoptiebeschikking met succes beroep of beroep in cassatie worden ingesteld (door een destijds onbekende belanghebbende), dan gaat, mits het kind dan nog minderjarig is, in principe het verkregen Nederlanderschap verloren op grond van artikel 14, zesde (tot 1 maart 2017 het tweede) lid, RWN (zie voor verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend, de toelichting bij artikel 14, zesde lid).
Paragraaf 3.1. wettekst artikel 5a, eerste lid
Paragraaf 3.2. algemeen
Paragraaf 1.2. Bezit Nederlandse nationaliteit moeder ten tijde van geboorte van kind
Paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met een Nederlandse nationaliteit
Paragraaf 6.2. algemeen
Paragraaf 1.5. Vereiste documenten
Op 1 juli 1937 is, met terugwerkende kracht tot 1 juli 1893, de WNI 1892 gewijzigd en werd een Nederlandse vrouw niet langer door te huwen staatloos, tenzij zij geen gebruik maakte van een eenvoudige wijze de nationaliteit van haar man te verkrijgen door bijvoorbeeld optie of registratie.
Paragraaf 11.7. de vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind
6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid
Hij kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN omdat hij is geboren uit een moeder die op zijn geboortedag de Nederlandse nationaliteit bezit en een (juridische) vader heeft die niet-Nederlander was op zijn geboortedag.
Paragraaf 2. Stabiel hoofdverblijf
paragraaf 2.2.1.5. Gemachtigde
Paragraaf 13.5. vereiste documenten
Paragraaf 16.1. wettekst artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n
Paragraaf 18.3.3. personele en territoriale werkingssfeer
Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
Paragraaf 19.7. bezwaar: bij nova eventueel nieuw advies IND
paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking
Paragraaf 21.3.2.1. vormvereisten: afleggen in persoon
6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid
paragraaf 2.9.1. De burgemeester beslist
6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
Bijlage 1
Ook is het mogelijk dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen en vervolgens ook niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan personen die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan personen aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde (zie hiervoor artikel 2, tweede lid, paragraaf 3.2, HRWN) Indien bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring reeds aanstonds duidelijk is dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen (zie hiervoor artikel 60a, zesde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid, paragraaf 3.2, HRWN), wordt de bereidverklaring niet ingevuld en wordt er vervolgens geen verklaring van verbondenheid afgelegd. Er moet echter wel ten minste één bewijsstuk(ken) (zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid, paragraaf 3.2, HRWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist). van de onmogelijkheid tot het invullen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid worden overgelegd door bijvoorbeeld een gemachtigde. De beoordeling of sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid ligt bij de burgemeester (Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid, paragraaf 3.2, HRWN en de toelichting op artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.12.5, HRWN ‘Zwaarwegende redenen’ (zie ook artikel 60a, zesde lid, BVVN).
Artikel 6a
6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid
6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a
paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
Paragraaf 21.3.4.2.4. naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a
6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a
Daarnaast stelt hij, als de medeverkrijging betrekking heeft op een kind dat volgens de BRP een adres heeft in een andere gemeente, de burgemeester van die gemeente van de verkrijging van het Nederlanderschap op de hoogte.
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
4-4. Toelichting ad artikel 4, vierde lid
4-3. Ad artikel 4, derde lid
4-6. Ad artikel 4 zesde lid
Artikel 5a
4-5. Ad artikel 4, vijfde lid
Artikel 4
Het komt voor dat een man zijn kind, geboren uit zijn bi- of polygaam gesloten huwelijk, in Nederland alsnog erkent, terwijl hij op dat moment nog bi- of polygaam gehuwd is. Gelet op de limitatieve opsomming van nietigheidsgronden in artikel 1:204, eerste lid, BW (sinds 1 april 2014), leidt strijd met de openbare orde niet tot nietigheid van een erkenning. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:721). Deze uitspraak heeft alleen betrekking op in Nederland gedane erkenningen op of na 1 april 2014.
Artikel 5
Paragraaf 2.3. kind geboren op of ná 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
Bijlage. bij artikel 5a RWN
Artikel 5b
Bijlage 1
5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
Bijlage. bij artikel 5a RWN
Op grond van artikel 4, eerste lid, RWN verkrijgt B het Nederlanderschap op 16 oktober 2004 (dat is de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep). Aan alle voorwaarden van artikel 4, eerste lid, RWN is voldaan; dat zijn in casu de volgende:
Op grond van artikel 4, eerste lid, RWN verkrijgt C het Nederlanderschap op 12 mei 2004. Immers, C was op 12 maart 2004 (de dag van de uitspraak in eerste aanleg) minderjarig, de rechterlijke uitspraak is op 12 mei 2004 in kracht van gewijsde gegaan en de vader was toen Nederlander. Dat C al meerderjarig was op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, speelt geen rol. Wat dat betreft is uitsluitend de dag van de uitspraak in eerste aanleg bepalend en op die dag was C nog minderjarig.
5a-alg. Toelichting algemeen
5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
Paragraaf 5.2. algemeen
Bijlage. bij artikel 5b RWN
Bijlage. bij artikel 5b RWN
Paragraaf 6.2. algemeen
Een minderjarige vreemdeling die zeven jaar of ouder is en wordt erkend door een Nederlander verkrijgt het Nederlanderschap als de Nederlandse erkenner bij of binnen een jaar na de erkenning zijn biologische ouderschap aantoont door middel van een DNA-test van een laboratorium als bedoeld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4, zesde lid).
5b-alg. Toelichting algemeen
Omstreeks 1997 is geoordeeld dat ook sprake is van verwerving van het Nederlanderschap door de minderjarige, indien door een Nederlandse rechter een verklaring voor recht werd afgegeven, inhoudende dat een buiten het Koninkrijk totstandgekomen adoptie rechtswerking binnen het Nederlandse recht heeft, én ten minste één van de adoptiefouders Nederlander was op het moment van de verklaring voor recht. Dit standpunt is met ingang van 1 oktober 1998 verlaten.
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3.2. algemeen
paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
Paragraaf 4. toelichting bij artikel 5a, tweede lid
Paragraaf 2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW
Paragraaf 4.2. algemeen
Paragraaf 3.2. Bewijsmiddelen
Paragraaf 3. toelichting bij artikel 5b, eerste lid
Paragraaf 3.1. wettekst artikel 5b, eerste lid
Paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind
Paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind
6-1-l. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l
Paragraaf 8.1. wettekst artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f
Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring
Paragraaf 13. toelichting bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k
Paragraaf 16.2. algemeen
paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid
Paragraaf 20. toelichting bij artikel 6, tweede lid
paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid
paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
Artikel 7
6-9. Toelichting ad artikel 6, negende lid
Artikel 6a
paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
Bovendien wordt de politie van de woonplaats van betrokkene(n) door de burgemeester op de hoogte gesteld.
paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
Paragraaf 21.3.6.2. administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie artikel 30c BVVN)
Als de optant de IND een bewijsstuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de IND een kopie (conform origineel) hiervan aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd. De autoriteit moet vervolgens het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit verwerken in de basisregistratie personen (BRP).
6a-2-b. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b
Mocht de optant inmiddels zijn verhuisd naar een andere gemeente in Nederland, dan zendt de IND dan wel de autoriteit die de afstandsverklaring heeft ontvangen (dit zal meestal de autoriteit zijn die de optieverklaring heeft bevestigd) een kopie (conform origineel) van de afstandsverklaring aan de autoriteit van de plaats waar de optant volgens de BRP op dat moment als ingezetene is ingeschreven, waarna vervolgens door die laatstgenoemde autoriteit het verlies van de andere nationaliteit(en) in de BRP wordt verwerkt.
De afstandsverplichting geldt niet voor de optant die is geboren in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en daar ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zijn hoofdverblijf heeft. De optant hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c
Conform artikel 5 van de Archiefwet is een bewaartermijnenlijst opgesteld (Selectielijst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en rechtsvoorgangers vanaf 5 mei 1945, 9 april 2021), zoals vastgesteld in de Staatscourant van 12 april 2021, nr. 17848. Hierbinnen is een blijvende bewaartermijn opgenomen voor stukken betreffende het verkrijgen van het Nederlanderschap, wat in de praktijk betekent dat de dossiers nooit worden vernietigd. Artikel 7 van de Archiefwet geeft de zorgdrager de bevoegdheid om documenten te vervangen door reproducties, teneinde de aldus vervangen documenten te vernietigen. In de praktijk betekent dit dat de zorgdrager, na aan de daarvoor gestelde eisen te hebben voldaan, bevoegd is om papieren documenten te digitaliseren, waarbij het document een digitale vorm krijgt (bijv. PDF-format), om vervolgens de vervangen papieren documenten te vernietigen.
Zodra de vervanging is voltooid, heeft het digitale document de juridische status die het papieren document eerst had. Artikel 6 en 8 van het Archiefbesluit verplichten de zorgdrager om een besluit op te stellen en deze bekend te maken indien er vervanging zal worden toegepast. Artikel 2, 6 en 8 van het Archiefbesluit en artikel 26a, 26b en 59a van de Archiefregeling stellen verdere eisen aan het vervangingsbesluit en aan de werkwijze inzake vervanging.
Paragraaf 21.3.8. weigering bevestiging
Paragraaf 21.3.8.1. weigering bevestiging verklaring van de optant
Indien de burgemeester concludeert dat de optieverklaring niet kan leiden tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap, omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, weigert hij deze schriftelijk. Dit is een beschikking in de zin van de Awb. Zonodig stelt de burgemeester met toepassing van artikel 4:7 Awb belanghebbenden in de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken voordat hij het besluit neemt (bijvoorbeeld als de opgevraagde antecedentgegevens afwijken van de gegevens op de verklaring omtrent verblijfsstatus en/of gedrag). Het besluit vermeldt de gronden van de weigering, en vermeldt dat de optant dan wel -indien van toepassing -zijn wettelijk vertegenwoordiger, binnen zes weken na ontvangst van het besluit bij de burgemeester een bezwaarschrift kan indienen. Een weigering van de bevestiging ten aanzien van de optant houdt tevens een weigering in ten aanzien van de in de verklaring genoemde personen. De beslissing wordt in persoon aan de optant of wettelijk vertegenwoordiger uitgereikt of per aangetekende post naar het laatst bekende adres van de optant, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde verzonden.
Paragraaf 21.3.8.2. bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
Indien de burgemeester concludeert dat de verkrijging van het Nederlanderschap wel bevestigd dient te worden ten aanzien van de optant maar niet ten aanzien van de medeverkrijging van een kind die in de optieverklaring is genoemd, bevestigt hij de verkrijging ten aanzien van de optant en weigert hij medeverkrijging voor het kind (in de bevestiging worden de personalia van dat kind niet opgenomen). Hetzelfde geldt in het geval dat het minderjarige kind in de optieverklaring van zowel zijn vader als zijn moeder is opgenomen en zowel zijn vader als moeder verkrijgen door bevestiging het Nederlanderschap. De medeverkrijging zal separaat schriftelijk door de burgemeester worden geweigerd. De schriftelijke weigering van de burgemeester is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen op de gebruikelijke wijze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten erkend is als vluchteling.
De optant die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij het optieverzoek dienen aan te tonen dat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd). De reden voor deze uitzondering op de afstandsplicht is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie optanten vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien optant bezwaar maakt tegen dat vereiste. De optant behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
De beslissing op het bezwaarschrift wordt genomen door de burgemeester. De optant of zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt zonodig in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. De hoofdstukken 6 en 7 Awb zijn van toepassing.
paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
De beslistermijn op een bezwaarschrift tegen een optieweigering eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de optant de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie.
Als de burgemeester niet binnen de wettelijke beslistermijn een beslissing kan nemen op het bezwaarschrift en/of het besluit niet kan uitreiken op de ceremonie, kan de burgemeester wellicht één van de in artikel 4:15 Awb of artikel 7:10 Awb genoemde opschortingsgronden gebruiken om de beslistermijn op te schorten. Als niet binnen de wettelijke beslistermijn op bezwaar een ceremonie kan worden gehouden, maar er is wel binnen deze termijn een beslissing op bezwaar genomen, kan de burgemeester om de beslistermijn van het bezwaar op te schorten artikel 7:10, vierde lid en onder c Awb toepassen (naleving wettelijke procedurevoorschriften, hiermee wordt gedoeld op de uitreikingstermijn van artikel 60a lid 7 BVVN).
Ad a: het moet hier gaan om een buitenlandse instantie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is geen buitenlandse instantie. Als aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht om bijvoorbeeld een ambtsbericht, is deze opschorting niet van toepassing. Deze opschortingsgrond is wel van toepassing als de burgemeester informatie opvraagt aan de autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld verificatie van een brondocument).
Ad b: de beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de optant. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:
Ad c: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.
Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:
Ad d: de mogelijkheid tot schriftelijke verdaging met zes weken behoeft geen nadere motivering.
6a-5. Toelichting ad artikel 6a, vijfde lid
Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de dag waarop de primaire beslissing bekend is gemaakt of 18 weken als een externe bezwaarcommissie is ingesteld) nog geen beslissing is genomen, kan de optant de burgemeester in gebreke stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 4:17 Awb). Indien twee weken zijn verstreken na de dag waarop de optant de burgemeester in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen (artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb). De dwangsom loopt tot aan de dag waarop de burgemeester de optant schriftelijk informeert over de beslissing op bezwaar. Voorts kan de optant gelijktijdig beroep instellen bij de rechter tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12 Awb).
De autoriteit besluit niet eerder dan na de ontvangst van het advies van Onze Minister schriftelijk op de verkrijging van het Nederlanderschap. Het advies is niet bindend, omdat een advies namelijk nooit bindend is; want dat is de aard van een advies namelijk niet. Als de autoriteit afwijkt van het advies van Onze Minister, dan moet de autoriteit wel gemotiveerd in de optiebevestiging of optieweigering aangeven waarom hij afwijkt van het advies van Onze Minister (artikel 3:50 Awb). Als de autoriteit het advies van Onze Minister overneemt in haar besluit, dan kan zij ter motivering van dit besluit volstaan met een verwijzing naar het advies (artikel 3:49 Awb). Het advies moet dan worden meegezonden aan de optant.
Paragraaf 21.3.9.2.1. bezwaarschrift gegrond
Artikel 7
Paragraaf 21.3.9.2.2. bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
Artikel 7
Als de autoriteit Onze Minister om advies vraagt, dan wordt de beslistermijn van de optieverklaring met vier weken verlengd (zie artikel 6a, lid 6, RWN). De beslistermijn wordt dus 13 weken + 4 weken of 26 weken + 4 weken). Als door de autoriteit advies is gevraagd aan Onze Minister, dan moet de autoriteit dit schriftelijk aan de optant meedelen.
Indien het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond is, wordt dit schriftelijk en gemotiveerd aan de indiener van het bezwaarschrift kenbaar gemaakt onder vermelding van de instantie waarbij en de termijn waarbinnen een beroepschrift kan worden ingediend.
RWN: artikelen 2; 8 t/m 13 en 21
Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
Op grond van artikel 37 WRvS kan zowel de optant als de burgemeester van de uitspraak van de rechtbank hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De bepalingen van de hoofdstukken 6 (zie artikel 6:24) en 8 Awb zijn -met uitzondering van enkele artikelen (zie artikel 39 WRvS) en voorzover daarvan in artikel 37 en volgende WRvS niet is afgeweken -van overeenkomstige toepassing.
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Paragraaf 18.3.4. peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Paragraaf 20.4. ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)
Paragraaf 21.3.2.1.2. minderjarige optant
Paragraaf 21.3.2.2. uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen
Paragraaf 21.3.2.4. af te leggen verklaringen
Paragraaf 21.3.2.4.1. bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36)
paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid
paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
Als naamsvaststelling heeft plaatsgevonden, worden ook de Centrale Justitiële documentatiedienst en – als in Nederland de ambtenaar van de burgerlijke stand een geboorteakte heeft opgemaakt – de betreffende ambtenaar van de burgerlijke stand op de hoogte gesteld. Dit geldt ook voor naamsvaststellingen die gevolgen hebben voor de namen van de kinderen van de optant, van welke kinderen in Nederland bij de ambtenaar van de burgerlijke stand geboorteakten zijn opgemaakt.
Sinds 4 juni 2010 zijn naast Nederland geen andere landen aangesloten bij het Tweede Protocol. Dit betekent dat sinds 4 juni 2010 geen toepassing wordt gegeven aan deze bepaling.
Als de optant aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd een bewijsstuk overlegt waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de autoriteit een kopie (conform origineel) hiervan aan de IND. Vervolgens controleert de IND of de optant het juiste document heeft overgelegd en of het document aan alle eisen voldoet.
6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c
Paragraaf 21.3.7. archivering
Tot slot archiveert de burgemeester de optieverklaring en de daarbij behorende documenten die hebben geleid tot de optiebevestiging, alsmede afschriften van de bevestiging gedurende ten minste twaalf jaar na de bekendmaking van de bevestiging (artikel 12, tweede lid, BvvN). Deze bewaarplicht in het BvvN is een uitvloeisel van artikel 14, eerste lid, RWN waarin is voorzien in de intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap binnen twaalf jaar na de bevestiging, indien de verkrijging van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De bewaarplicht op grond van artikel 12 BvvN laat overigens onverlet de (bewaar)verplichtingen op grond van de Archiefwet.
paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
Voor een optant die gehuwd is met een Nederlander (van het andere of van hetzelfde geslacht) geldt geen afstandsverplichting. Ook de optant die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN, kan een beroep doen op deze uitzondering. De optant behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In het geval dat het huwelijk -anders dan door overlijden- tussen het afleggen van de optieverklaring en de optiebevestiging door echtscheiding is ontbonden, zal de optant alsnog afstand moeten doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hetzelfde geldt voor de beëindiging met wederzijds goedvinden of door ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Immers, het moment van de optiebevestiging is doorslaggevend voor de beoordeling of optant aan de voorwaarden voldoet. Voor de optant die met een ongehuwde Nederlander een duurzame relatie heeft, geldt de afstandseis onverkort.
Personen die afstand moeten doen en die na de optiebevestiging huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie artikel 1, tweede lid, RWN) met een Nederlander aangaan, kunnen niet met succes een beroep doen op deze uitzondering. Huwen ze vóór de optiebevestiging (maar na het afleggen van de optieverklaring), dan kan alsnog met succes een beroep op deze uitzondering worden voldaan.
6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d
Paragraaf 21.3.9. bezwaar
6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid
paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
6a-5. Toelichting ad artikel 6a, vijfde lid
Ad e: een voorbeeld van het naleven van een wettelijk voorschrift in de optieprocedure (alleen in de bezwaarfase) is het afwachten van een naturalisatieceremonie.
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 21.3.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven paragraaf 21.3.7).
Als de autoriteit Onze Minister om advies vraagt, dan wordt de beslistermijn van de optieverklaring met vier weken verlengd (zie artikel 6a, lid 6, RWN). De beslistermijn wordt dus 13 weken + 4 weken of 26 weken + 4 weken). Als door de autoriteit advies is gevraagd aan Onze Minister, dan moet de autoriteit dit schriftelijk aan de optant meedelen.
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 21.3.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven paragraaf 21.3.7).
Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld ongegrond- of niet-ontvankelijkverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank, sector Bestuursrecht, binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft (artikel 8:7, tweede lid, Awb). De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8 van de Awb met betrekking tot de beroepsprocedure zijn van toepassing. (Zie voor de adressering het hoofdstuk Voorlichting.)
paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook paragraaf 21.3.12.3).
Paragraaf 21.3.12. naturalisatieceremonie
Paragraaf 21.3.12.1. algemeen
7-alg. Toelichting algemeen
paragraaf 1. Algemeen
De bevestiging die vóór 1 oktober 2006 is vastgesteld, treedt nog op de gebruikelijke wijze in werking, dat wil zeggen door bekendmaking per post daarvan aan de betrokkene. Uitreiking is in dit geval niet nodig. Voor de bepaling of de betrokken persoon opgeroepen moet worden of niet, geldt de datum waarop de bevestiging is vastgesteld.
De eis tot afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor optieverklaringen die worden afgelegd op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste optanten bij het afleggen van de optieverklaring ook een bereidverklaring tekenen. Deze optanten moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom wordt vanaf 1 maart 2009 onderscheid gemaakt tussen de optant die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de optant die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie-uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.
Hieronder wordt de procedurebeschreven voor de behandeling van verzoeken om naturalisatie.
paragraaf 1. Algemeen
De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60a, tweede lid BVVN).
Indien de opgeroepen persoon niet verschijnt, en hij heeft geen (succesvol) beroep op zwaarwegende redenen gedaan, wordt hij opnieuw opgeroepen. Na de eerste afwezigheid kan worden nagegaan of de uitnodiging aan het juiste adres is gestuurd. Daarbij mag ervan worden uitgegaan dat de bevolkingsadministratie van de gemeente het juiste adres bevat. Is de betrokkene ook na de tweede oproep niet verschenen, dan verzendt de burgemeester een derde oproep per aangetekende post. Wie geen van deze drie keren verschijnt, zal daarna zich alsnog voor een uitreiking kunnen melden. De betrokken persoon zal dan voor een (eerst)volgende ceremonie worden uitgenodigd, tenzij de bevestiging – behoudens een eerdere rechterlijke vernietiging van het besluit inzake de wijze van uitreiking – alsdan zou worden uitgereikt één jaar na haar dagtekening.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Paragraaf 13.1. wettekst artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k
Paragraaf 15.3. bewijs biologisch vaderschap erkenner
paragraaf 2.2.4. Af te leggen verklaringen
Paragraaf 16.4. eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
paragraaf 2.8. Weigering bevestiging
Paragraaf 21.3.3. inontvangstneming optieverklaring
Paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
6a-2-b. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b
Geen afstandsplicht bestaat voor de echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit (zie landenlijst) die tezamen met zijn/haar echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit een optieverzoek indient, waarbij één van hen op grond van artikel 6a, tweede lid, onder a, b of d RWN dan wel artikel 6, eerste lid, onderdeel d, e, f, g of h Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RVVN) niet afstandsplichtig is.
Paragraaf 21.3.9.1. de burgemeester beslist
paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)
paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
Paragraaf 21.3.9.2. afhandeling van de beslissing
De autoriteit besluit na ontvangst van het advies van Onze Minister schriftelijk op de verkrijging van het Nederlanderschap.
Artikel 7
Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
Awb: artikel 4:5 en hoofdstukken 6 t/m 8
WRvS: artikelen 37 en 39
Vanaf 1 januari 2006 is de burgemeester verplicht de persoon aan wie het Nederlanderschap is verleend uit te nodigen voor een ceremonie waarin de verkrijging van het Nederlanderschap wordt gevierd. Op 1 oktober 2006 is hieraan een belangrijke wijziging toegevoegd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging pas in werking door uitreiking daarvan aan de betrokkene, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. De optiebevestiging wordt aan de betrokkene bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap in werking. Vanaf 1 maart 2009 zijn ook de (mede)optanten, die op het tijdstip van afleggen van de optieverklaring, zestien jaar of ouder waren, verplicht op een naturalisatieceremonie te verschijnen (zie artikel 60a, derde lid, BVVN). Vanaf 1 maart 2009 moet de minderjarige medeoptant, die zestien jaar of ouder was op het tijdstip van het afleggen van de optieverklaring, verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen om aldaar de verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door de burgemeester (zie ook onder ‘algemeen’ van paragraaf 21.3.12.3).
Op grond van artikel 60a, eerste lid BVVN jo. artikel 2 BVVN is in Nederland de burgemeester bevoegd tot uitreiking van de optiebevestiging. Hij roept de optant tijdig op voor een naturalisatieceremonie. Verschijnt de opgeroepen persoon niet dan vindt geen uitreiking plaats en wordt een oproeping voor de volgende ceremonie toegezonden. Zonodig wordt een derde oproep per aangetekende post verzonden. Wordt de optiebevestiging niet binnen een jaar na de dag waarop zij is gedagtekend, uitgereikt, dan vervalt zij in de regel. De optant is dan geen Nederlander geworden, maar dient daarvoor een nieuwe optieverklaring af te leggen.
paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
Paragraaf 21.3.12.3. de uitreiking/naturalisatieceremonie
paragraaf 3. Procedure naturalisatie
Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase
Dit kan bijvoorbeeld spelen indien betrokkene heeft verzocht om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen en dit door de burgemeester geweigerd is. Dit kan ook voorkomen indien betrokkene een beroep op zwaarwegende redenen heeft gedaan om niet op de naturalisatieceremonie te verschijnen en dit door de burgemeester is afgewezen.
De optant die niet is verschenen en wiens besluit tot bevestiging is vervallen, kan enkel een nieuwe optieverklaring afleggen om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van de bevestiging, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van de bevestiging staat geen bezwaar of beroep open. Het betreft immers verval van rechtswege.
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring uit binnen negen weken nadat is vastgesteld dat de optant heeft voldaan aan alle voorwaarden voor optie. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd. Zie artikel 60a, vierde lid BVVN.
paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
De optant en zij die in de verkrijging van het Nederlanderschap door optie delen, zijn in één bevestiging genoemd. Deze personen worden dan ook – indien zestien jaar of ouder op het moment van het afleggen van de optieverklaring – tezamen opgeroepen te verschijnen. Indien de hoofdoptant niet aanwezig is, kan de bevestiging niet worden uitgereikt. In dat geval wordt de hoofdoptant voor de volgende ceremonie opgeroepen, op de wijze die hierboven is beschreven bij ‘termijn van oproeping’.
De persoon aan wie het besluit wordt uitgereikt, dient ter identificatie van hemzelf (en, indien van toepassing, de personen die in de bevestiging worden genoemd) een (geldig) identiteitsbewijs te overleggen.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Paragraaf 20.1. wettekst artikel 6, tweede lid
6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c
6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid
Paragraaf 21.3.10. (hoger) beroep
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook toelichting artikel 7, paragraaf 2.3.13.7, HRWN (tabel: oproepen en uitreiken).
Artikel 21 RWN bepaalt dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. Dit artikel bepaalt voorts dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld voor de wijze van inontvangstneming van verzoeken om naturalisatie en voor de verdere administratieve behandeling van verlening van het Nederlanderschap. Deze nadere regelgeving is opgenomen in de algemene maatregel van rijksbestuur BVVN. Artikel 2, aanhef en onder a, BVVN bepaalt dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verzoeken om naturalisatie zijn voor Nederland geregeld in artikel 2 tot en met 5 BVVN en artikel 31 tot en met 38 BVVN.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd (zie ook artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.12.4, HRWN). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend (artikel 60a, eerste lid BVVN). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie
paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60a, vijfde lid BVVN). Zie ook toelichting artikel 7, paragraaf 2.3.13.7, HRWN (tabel: oproepen en uitreiken).
paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
In voorkomende gevallen kan de burgemeester verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
Voor optanten die op of na 1 maart 2009 een optieverklaring afleggen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d
Het bestuursorgaan moet op het bezwaarschrift beslissen binnen zes weken na het verstrijken van de bezwaartermijn (artikel 7:10, eerste lid, Awb). Ingevolge artikel 7:10, derde lid, Awb kan de beslistermijn éénmaal met ten hoogste zes weken verdaagd worden.
Paragraaf 21.3.11. verhuizing van de optant tijdens de procedure
paragraaf 1. Algemeen
In de oproeping dient de betrokkene in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. (Zie artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.12.3, HRWN).
paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
De uitreiking van de optiebevestiging ligt in handen van de burgemeester die heeft bevestigd (artikel 60a, eerste lid BVVN jo. artikel 2 BVVN). Heeft de optant na de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant van deze uitreiking in kennis stellen.
paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de optant. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan niet worden afgeweken.
De burgemeester houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het afschrift van de optiebevestiging dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie ook artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.12.6, HRWN Procedurele aspecten na uitreiking). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Paragraaf 3.4. concrete voorwaarden voor de verkrijging van het Nederlanderschap als artikel 10:108 BW in het spel is, zijn
Paragraaf 1.1. Erkenning kind jonger dan zeven jaar
Paragraaf 2.2.5. Over te leggen documenten
Paragraaf 16.5. vereiste documenten
6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid
paragraaf 3. Procedure naturalisatie
paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking
6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid
paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a
Paragraaf 3.5.2. Buitenlands reisdocument/aantonen bezit vreemde nationaliteit
Paragraaf 21.3.9.3. bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Paragraaf 2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De periode dat een vreemdeling direct voorafgaand aan de ingangsdatum van een verblijfsvergunning als geprivilegieerde geregistreerd is geweest bij een internationale organisatie in Nederland telt mee voor de berekening of is voldaan aan de termijn van toelating.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)