Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.
28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
Op grond van artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen, in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 29
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 2017, 52) bevat geen bepaling die het mogelijk maakt deze wet met terugwerkende kracht toe te passen. In het besluit van 10 februari 2017 (Stb. 2017, 67) waarin het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 14, vierde lid, van de RWN is vastgesteld op 1 maart 2017, zijn dan ook geen bijzondere werkingsregels opgenomen. Dat betekent dat deze bepaling onmiddellijke werking heeft en daarmee van toepassing is op feiten en omstandigheden die zich op of na 1 maart 2017 voordeden. Artikel 14, vierde lid kan niet worden toegepast in gevallen waarin de aan de beoogde intrekking ten grondslag liggende relevante feiten zich vóór 1 maart 2017 hebben voorgedaan (zie ECLI:NL:RVS:2019:990; ECLI:NL:RVS:2019:1246).
II RRWN-alg. Toelichting algemeen
Indien vóór inwerkingtreding van artikel 14, eerste lid, RWN (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt artikel II RRWN. Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Artikel IV RRWN
IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Het mogelijke verlies van het Unieburgerschap wordt meegewogen bij het intrekkingsbesluit. Daarnaast worden overige elementen meegewogen, zoals de leeftijd van betrokkene, de gevolgen van de intrekking voor betrokkene en zijn gezinsleden en de banden met Nederland en het land van de tweede nationaliteit.
RWN: artikelen 11.8; 15.1c en 24.1
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgersch1ap.
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
Paragraaf 5.3.2.3. individueel belang
V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Artikel VI RRWN
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Paragraaf 1. Algemeen
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Paragraaf 2.7.5. algemeen belang
Paragraaf 2.8. administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 1
Paragraaf 3.1. wettekst artikel 14, tweede lid
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010 (Stb. 2010, 242) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk is, indien het misdrijf bedoeld in artikel 14, tweede lid, is gepleegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet. Dit betekent dat alleen een misdrijf als bedoeld in voornoemd artikellid dat is gepleegd ná inwerkingtreding van de wet (dus ná 1 oktober 2010) reden kan zijn om het Nederlanderschap in te trekken op grond van artikel 14, tweede lid.
Omdat het hier gaat om een feit dat is gepleegd in 2009 dus vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 oktober 2010 (artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010 (Stb. 2010, 242), kan wegens dit strafrechtelijk feit met terroristisch oogmerk nooit sprake zijn van intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN. A behoudt dan ook zijn Nederlanderschap.
16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
16a-alg. Toelichting
16a-alg. Toelichting
18-alg. Toelichting algemeen
Artikel 19
Artikel 20
21-alg. Toelichting algemeen
21-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 3.3.4. het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN
Artikel 22A
23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
24-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 3.4. procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
25-alg. Toelichting algemeen
26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid
Paragraaf 4.1. wettekstartikel 14, derde lid
Om het Nederlanderschap wegens in dienst treden in vreemde krijgsdienst te kunnen intrekken moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
Artikel 28
Artikel 28
Paragraaf 4.3.3.7. weging belangen
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken moet sprake zijn van aansluiting bij een organisatie op de hiervoor genoemde lijst. De intrekking kan alleen plaatsvinden als betrokkene bij de organisatie was of zich heeft aangesloten op of na 11 maart 2017 (zie ECLI:NL:RVS:2019:990; ECLI:NL:RVS:2019:1246).
Artikel II RRWN
Met de voorwaarde van de uit de gedragingen van betrokkene blijkende intentie om zich aan te sluiten is gegarandeerd dat altijd sprake is van vrijwillige aansluiting. De intentie tot aansluiting kan bijvoorbeeld blijken uit eerdere uitingen van betrokkene, bijvoorbeeld op internet of op sociale media.
II RRWN-alg. Toelichting algemeen
De intrekking van het Nederlanderschap vindt alleen plaats als de betrokkene ongewenst kan worden verklaard. De ongewenstverklaring is noodzakelijk om de legale terugkeer naar Nederlands grondgebied te voorkomen. Redenen om van de ongewenstverklaring af te zien kunnen in de eerste plaats zijn gelegen in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Gedacht kan worden aan de situatie dat het belang van betrokkene om ongehinderd in Nederland zijn gezinsleven te kunnen uitoefenen zwaarder weegt dat het belang van de Nederlandse staat. Gelet op de ernst van de bedreiging van de nationale veiligheid bij een dreigende terroristische aanslag zal ongewenstverklaring alleen in uitzonderingssituaties niet aan de orde zijn. Als ongewenstverklaring niet mogelijk is wordt van de intrekking van het Nederlanderschap afgezien.
Artikel III RRWN
De intrekking van het Nederlanderschap vindt evenmin plaats als staatloosheid daarvan het gevolg is of als de betrokkene jonger is dan achttien jaar.
Paragraaf 5.3.1. belangenafweging
De elementen die betrokken worden bij de belangenafweging zijn dwingend voorgeschreven in artikel 68c BVVN. Dit betekent dat de volgende elementen in ieder individueel besluit terug moeten komen:
14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Artikel IV RRWN
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
RWN: artikel 8.1c en 8.1d; 8.3, 8.4 en 8.5BNT: artikel 7BVVN: artikelen 34.1; 36.1 en 73.1
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
Paragraaf 3.3.2.3.2. artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Paragraaf 3.3.2.5. misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
Artikel 22
Artikel 24
24-alg. Toelichting algemeen
26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
26-alg. Toelichting algemeen
Artikel 27
Paragraaf 4.3.3.1. algemeen
28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
Paragraaf 4.3.3.5. algemeen belang
Paragraaf 5.1. wettekst artikel 14, vierde lid
Artikel III RRWN
V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
(artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap;
artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
(artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Paragraaf 2.7.7. weging belangen
16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
Artikel 16a
23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid
Artikel 28
27-alg. Toelichting algemeen
27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
Artikel V RRWN
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
Artikel VII RRWN
Paragraaf 5.3.2.4. algemeen belang
VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
Paragraaf 5.3.2.5. peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
Deze toelichting is vervallen in 2014.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
Paragraaf 1
16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
Paragraaf 3.3.5.1. algemeen
23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid
27-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 4.3.3.3. bewijslast
Paragraaf 4.3.3.4. individueel belang
Paragraaf 5.3.2.6. weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
Paragraaf 5.4. procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
Alvorens een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen wordt dit ter beoordeling aan Onze Minister voorgelegd.
paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de RRWN bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van artikel 73, eerste lid, BVVN (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
Op grond van artikel 70, eerste lid, BVVN wordt een afschrift van het besluit tot intrekking bedoeld in artikel 14, vierde lid, RWN verzonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon of aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. In het belang van het voorkomen van de terugkeer naar Nederland verwerkt de betreffende autoriteit het besluit op zo kort mogelijk termijn in de basisadministratie, ook als het besluit nog niet onherroepelijk is.
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
(artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap;
artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
(artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
Paragraaf 2.7.2. rechten Unieburgerschap
Paragraaf 1
Artikel 23
Paragraaf 4.3.1. algemeen
Paragraaf 4.3.3.2. rechten Unieburgerschap
28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
Op grond van artikel 14, vierde lid, RWN kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.
VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
Artikel VII, tweede lid RRWN, nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van artikel 8 lid 1 en onder c RWN op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de leden 3, 4 en 5 van artikel 8, moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
(artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap;
artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
(artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
(artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap;
artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
(artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Artikel 16
Paragraaf 3.2. algemene wettelijke uitgangspunten
Artikel 21
Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
(artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap;
artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
(artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
Paragraaf 2.7.3. bewijslast
Paragraaf 2.9.1. voornemenprocedure
Paragraaf 1
28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
Paragraaf 2.3.2. gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Paragraaf 2.10.3. gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
Paragraaf 4.3.3. evenredigheidstoets Unieburgerschap
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, RWN wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan geven (Kamerstukken I, 34 356, nr. C, blz. 13). Artikel 4:11, onder a en onder c Awb verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen namelijk een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen, zonder dat de betrokken persoon naar aanleiding van een voornemen de gelegenheid wordt geboden terug te keren naar Nederland. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen.
Anders dan bij intrekking op grond van het eerste en tweede lid staat tegen de intrekking van het Nederlanderschap op grond van het vierde lid geen bezwaar open. De betrokkene of zijn gemachtigde kan rechtstreeks beroep indienen tegen het besluit. Bepalingen over beroep en hoger beroep zijn opgenomen in artikel 22A, 22B en 22C, RWN.
Paragraaf 5.4.1. administratieve handelingen
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken vervalt het Nederlandse paspoort van rechtswege (art. 47 lid 1 onder a Paspoortwet). Van het vervallen van het paspoort wordt terstond melding gedaan bij de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Deze melding heeft tot doel te voorkomen dat paspoort uitgevende autoriteiten een nieuw reisdocument verstrekken waarmee de betrokkene Nederland kan inreizen.
Naar aanleiding van de melding wordt het paspoort opgenomen in het Basisregister Reisdocumenten (BR) en in het Register Paspoortsignaleringen (RPS). Deze registers zijn gekoppeld aan het Schengeninformatiesysteem (SIS-II) en de database Stolen and Lost Travel Documents (SLTD) van Interpol.
Paragraaf 6. toelichting bij artikel 14, vijfde lid
Paragraaf 6.1. wettekstartikel 14, vijfde lid
De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van het tweede, derde of vierde lid, kan de Nederlandse nationaliteit niet herkrijgen. Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken, indien ten minste vijf jaar jaren zijn verstreken sedert het verlies van de Nederlandse nationaliteit.
Paragraaf 6.2. algemeen
De persoon, van wie het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14, tweede, derde of vierde lid, kan in beginsel het Nederlanderschap niet opnieuw verkrijgen. Een optie of een naturalisatie is derhalve in beginsel niet mogelijk als gevolg van de werking van artikel 14, vijfde lid RWN.
Door de intrekking van het Nederlanderschap is de band met het Koninkrijk definitief verbroken. De tweede zin van artikel 14, vijfde lid, maakt evenwel in een bijzonder geval de herkrijging van het Nederlanderschap mogelijk.
Het is mogelijk het Nederlanderschap te herkrijgen als ten minste vijf jaren zijn verstreken sinds de intrekking van het Nederlanderschap.
Het is echter niet de bedoeling dat op grote schaal van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. De uitzondering is alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen.
Het Nederlanderschap kan worden herkregen nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. De Minister zal aan de Raad van State dus advies dienen te vragen.
Bij koninklijk besluit (KB) zal de Kroon al dan niet toestemming verlenen voor de herkrijging van het Nederlanderschap. Zonder deze toestemming kan het Nederlanderschap niet worden verkregen of verleend. Dit betekent dat de betrokken persoon alvorens een naturalisatieverzoek in te dienen of optieverklaring af te leggen, een toestemmings-KB moet overleggen, wil zijn verzoek toegewezen kunnen worden. Hij zal de Minister in de eerste plaats gemotiveerd, onder aanvoering van de zeer bijzonderheid van zijn omstandigheden, moeten verzoeken om te bevorderen dat er een toestemmings-KB wordt geslagen.
Indien de Kroon niet de vereiste toestemming verleend voor de herkrijging van het Nederlanderschap, kan tegen een geweigerd toestemmings-KB bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep en hoger beroep worden ingesteld.
Paragraaf 7. toelichting bij artikel 14, zesde lid
Paragraaf 7.1. wettekst artikel 14, zesde lid
Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000, Stb. 618en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictrecht adoptie (Stb. 284). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (Stb. 268).
Paragraaf 7.2. algemeen
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van artikel III RRWN 2000 heeft de redactie van het huidige artikel 14, zesde lid, RWN terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 7.3.
Ingevolge dit artikellid gaat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend. Het Nederlanderschap moet dan wel zijn verkregen ingevolge artikel 3, 4, 5 oud, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, dan wel ingevolge artikel 4 RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003 (dat betrof verkrijging van het Nederlanderschap door erkenning of wettiging door een Nederlander).
Op grond van artikel II, lid 4 RRWN 2009 gaat het Nederlanderschap voor minderjarigen op grond van dit artikel verloren als het Nederlanderschap is verkregen op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie op grond van het overgangsrecht).
Bij de verkrijging op grond van artikel 6, lid 1 onder c RWN en op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie na 01.03.2009 na een erkenning in de periode 01.04.2003 – 01.03.2009 door een Nederlandse man) is het Nederlanderschap verkregen door een optiebesluit en niet van rechtswege. De optieverklaring kan alleen afgelegd worden als het kind is erkend door een Nederlander. Als de familierechtelijke betrekking met de Nederlandse erkenner vervalt, dan gaat het Nederlanderschap ook automatisch verloren. Er is geen intrekkingsbesluit nodig.
Verlies als bedoeld zal echter niet intreden indien:
Bij het vervallen van familierechtelijke betrekkingen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld: ontkenning vaderschap, vernietiging erkenning of herroeping adoptie.
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in op de dag waarop in het algemeen de rechterlijke uitspraak niet meer openstaat voor beroep, mits het kind op die dag (nog) minderjarig is. Betreft het een Nederlandse rechterlijke uitspraak dan is dat als gevolg van wijziging van het Burgerlijk Procesrecht met ingang van 1 januari 2002 (zie artikel 358 WBRv en artikel 426 WBRv):
Hierbij dient wel te worden bedacht dat, indien bovenbedoelde beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, die termijn ingevolge artikel 1 van de Algemene termijnenwet wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Pas de dag daarop gaat dan het Nederlanderschap verloren.
Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak, die volgens de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht hier te lande moet worden erkend, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
Voor rechterlijke uitspraken van na 1 januari 1985, maar vóór 1 januari 2002 dient te worden bedacht dat de termijn voor het instellen van de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie korter is geweest dan de termijn van drie maanden die per 1 januari 2002 geldt. Voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verloren, dient rekening te worden gehouden met het feit dat deze uitspraken eerder in kracht van gewijsde zijn gegaan.
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
Immers, zonder bedoelde familierechtelijke betrekking had nooit sprake kunnen zijn van het Nederlanderschap ex artikel 3, derde lid, RWN. Met andere woorden, vervalt de familierechtelijke betrekking met de persoon via wie het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 3, derde lid, RWN, ook dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en bij artikel 5a, paragraaf 2, HRWN.
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Zie verder paragraaf 18, HRWN. In voorkomende gevallen en indien mogelijk, ligt het voor de hand om door de verliesbepaling van artikel 14, zesde lid, RWN geraakte personen actief voor te lichten over deze mogelijkheid om het Nederlanderschap te herkrijgen.
Paragraaf 7.3. overgangsrecht artikel 14, zesde lid
Ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN 2000 heeft artikel 14, zesde lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van het voormalige tweede lid (tot 2010, en daarna het vierde lid, en vanaf 2017 het zesde lid van artikel 14 RWN). Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, zesde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
Verder is sedert 1 april 2003 in onderhavig artikellid tot uitdrukking gebracht dat de betreffende verliesbepaling alleen van toepassing is op minderjarigen. Ook dat moet ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN geacht worden te gelden sedert 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een meerderjarige, op grond van het toen geldende artikel 14, eerste lid, RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het als gevolg van bijvoorbeeld herroeping van adoptie vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
N.B. Tot 1 april 2003 gold een verliesgrond, in hoofdlijnen overeenkomend met het huidige artikel 14, zesde lid, RWN. Die verliesgrond was opgenomen in het eerste lid van het oude artikel 14 RWN en tevens van toepassing op meerderjarigen. Voorwaarde was dat het Nederlanderschap moest worden ontleend aan artikel 3, 4 of 5 RWN. De vraag die zich bij de toepassing van die bepaling voordeed was: wat rechtens indien de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892? Uit de uitspraak van de Rechtbank ‘s-Gravenhage van 16 april 1999, nr. 98 637, blijkt dat het oude artikel 14, eerste lid, RWN naar de letter dient te worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat in die gevallen waarin de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de WNI, betrokkene niet geacht wordt het Nederlanderschap door het vervallen van de betrekking te hebben verloren.
A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.
Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van het toen geldende artikel 14, tweede lid RWN, (dit artikellid, is in 2010 vernummerd tot het vierde lid RWN en vervolgens in 2017 tot het zesde lid RWN). Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2011 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2011 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.
De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2011 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN, maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN. Hij bezat het via de vader uitsluitend op grond van die bepaling.
Zou B het Nederlanderschap tevens via de moeder aan artikel 3, derde lid, RWN ontlenen, dan zou voor hem geen verlies intreden. De familierechtelijke betrekking met de moeder is immers niet vervallen.
C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkreeg op grond van het toen geldende artikel 4 RWN. Sindsdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan het toen geldende artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
D ontleent bij haar geboorte in 2006 de Dominicaanse nationaliteit aan haar ongehuwde moeder. Op 11 maart 2012 wordt zij erkend door een Nederlandse man. Zij verkrijgt daardoor het Nederlanderschap op grond van artikel 4 lid 2 RWN en behoudt de Dominicaanse nationaliteit. Haar moeder vestigt zich kort daarna met D in Nederland en dient op 20 oktober 2017, na vijf jaar toelating en hoofdverblijf, een verzoek om naturalisatie in. In april 2018 wordt aan haar het Nederlanderschap verleend. De Nederlandse man verzoekt de rechtbank in mei 2018 zijn erkenning van D te vernietigen. De rechtbank gaat daartoe over bij beschikking van 30 september 2018. Daartegen wordt geen hoger beroep ingesteld, zodat de beschikking op 31 december 2018 in kracht van gewijsde gaat. Hoewel uit artikel 1:206 lid 1 BW volgt dat de erkenning wordt geacht nimmer rechts gevolg te hebben gehad, verliest D het Nederlanderschap niet omdat haar moeder op 31 december 2018 Nederlander was. Dat de moeder op 11 maart 2012 nog geen Nederlander was, is niet van belang.
Paragraaf 8. toelichting bij artikel 14, zevende lid
Paragraaf 8.1. wettekst artikel 14, zevende lid
Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.
Paragraaf 8.2. algemeen
Uit deze bepaling blijkt dat de RWN limitatief de rechtsgronden opsomt waarop het Nederlanderschap verloren gaat. Alle verliesgronden zijn opgenomen in hoofdstuk 5 (artikelen 14 t/m 16A RWN).
Paragraaf 9. toelichting bij artikel 14, achtste lid
Paragraaf 9.1. wettekst artikel 14, achtste lid
Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, vindt geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien het gevolg daarvan zou zijn dat betrokkene door geen enkele staat, krachtens en diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd.
Paragraaf 9.2. algemeen
Hoofdregel bij verlies van het Nederlanderschap is, dat geen verlies optreedt indien dat leidt tot staatloosheid. Op de hoofdregel formuleert dit artikellid één uitzondering, namelijk het geval waarin sprake is van intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, eerste lid, RWN (intrekking wegens valse verklaring, bedrog of verzwijging van een relevant feit). In een dergelijk geval kan het verlies van het Nederlanderschap wél leiden tot staatloosheid.
Deze staatloosheid wordt niet vastgesteld op grond van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid. Daarom wordt de term staatloosheid hier niet (meer) genoemd in de wettekst. De vraag of iemand door geen enkele staat, krachtens en diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd wordt bepaald door uitleg van de toepasselijke nationaliteitswetgeving.
Paragraaf 10. toelichting bij artikel 14, negende lid
Paragraaf 10.1. wettekst artikel 14, negende lid
De in het vierde lid bedoelde lijst wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten en wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.
Paragraaf 11. toelichting bij artikel 14, tiende lid
Paragraaf 11.1. wettekst artikel 14, tiende lid
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid.
Paragraaf 11.2. algemeen
In artikel 68 tot en met 68 c BVVN zijn nadere regels gesteld over de belangenafweging die plaatsvindt bij een intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste tot en met het vierde lid. Deze belangenafweging is in deze handleiding nader uitgewerkt in de toelichting op artikel 14, eerste tot en met vierde lid, RWN.
Artikel 15
Paragraaf 1. wettekst artikel 15
RWN: artikelen 1.1b; 1.2; 2.2 en 14.4
RRWN: artikelen IV enV
BVVN: artikelen 3; 61 t/m 70 en 72
Boek 10 BW: artikel 19
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
Paragraaf 2. toelichting algemeen
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door meerderjarigen. Meerderjarig zijn volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN:
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Zie verder Paragraaf 18, HRWN.
Paragraaf 3. toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
Paragraaf 3.1. wettekst artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit.
Paragraaf 3.2. vrijwillige verkrijging
Paragraaf 3.2.1. algemeen
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
In de volgende gevallen kan niet worden gesteld dat de wil is gericht op het verkrijgen van een andere nationaliteit:
Hierbij speelt geen rol of men (voor de verkrijging of erna) de mogelijkheid had om af te zien van verkrijging van de andere nationaliteit. De wil is immers niet rechtstreeks gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit, maar op het aanvaarden van een bepaalde functie of op het aangaan van het huwelijk. Ervan uitgaande dat het betreffende vreemde recht afstand van de nationaliteit toestaat, zou hooguit kunnen worden gezegd dat het behoud van die andere nationaliteit vrijwillig is, maar dat is geen zelfstandige verliesgrond volgens de RWN.
Zijn de redenen om een andere nationaliteit te verkrijgen zo dwingend, dat niet meer kan worden gesproken van een vrijwillige verkrijging van die nationaliteit, dan brengt het onderhavige artikellid geen verlies van het Nederlanderschap mee. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat de andere nationaliteit op verzoek is verkregen ter voldoening aan de door de autoriteiten van het land waar men woont gestelde eis, dat verblijf in het betreffende land alleen kan worden gecontinueerd indien men de nationaliteit van dat land verkrijgt.
Het hiervoor bedoelde dwingende karakter wordt niet snel aangenomen. Zo zal wel verlies op grond van dit artikellid intreden, indien een vreemde nationaliteit is verkregen en betrokkene daar zelf om heeft verzocht, indien bijvoorbeeld voor een bepaalde beroepsuitoefening, aanstelling of toelating tot een bepaalde studie de nationaliteit van dat land was vereist. Het feit dat betrokkene alleen kon worden aangesteld of tot de studie kon worden toegelaten als hij de nationaliteit van het land bezat, betekent nog niet dat daardoor zijn keuze voor de betreffende nationaliteit niet vrijwillig zou zijn geweest.
Of een vreemde nationaliteit wel of niet met terugwerkende kracht wordt verkregen is niet relevant voor de werking van het Nederlandse nationaliteitsrecht. Dit betekent dat indien de vrijwillige verkrijging van een vreemde nationaliteit bijvoorbeeld terugwerkt tot het moment waarop deze nationaliteit in het verleden werd verloren, dit niet als gevolg heeft dat het Nederlanderschap alsnog met terugwerkende kracht wordt verloren (vergelijk artikel 2, eerste lid, RWN). Het betekent wél dat betrokkene het Nederlanderschap verliest wegens de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit, alleen is hij vanaf heden geen Nederlander meer.
Artikel 15 , aanhef en onder a RWN 1985 dan wel artikel 15 lid 1 onder a RWN 2003 gaan echter niet op als het gaat om verkrijging van de Duitse nationaliteit ex lege Duitse wet ingeval van Paragraph 3 Abs. (2) StaG (2007). De verkrijging van Duitse nationaliteit vond dan van rechtswege plaats en was derhalve niet vrijwillig.
N.B. Gaat het Nederlanderschap verloren door de vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een staat die partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, nr. 4), en die Hoofdstuk I van het Verdrag (dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit) toepast, dan is geen sprake van verlies van het Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, maar van verlies op grond van het Verdrag van Straatsburg (zie de toelichting bij artikel 15A RWN).
Paragraaf 3.2.2. verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van een vreemde nationaliteit door een Nederlander beogen van oudsher te leiden tot verlies van het Nederlanderschap en strekken op die manier tot het vermijden van meervoudige nationaliteit.
Als een andere nationaliteit, anders dan de in paragraaf 3.2 genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.
Het is bij deze regel van belang of de vreemde nationaliteit voor of na 1 april 2003 is verkregen. Op 1 april 2003 is artikel 15, tweede lid RWN ingevoerd. Hierin zijn gronden opgenomen die het verlies van het Nederlanderschap tegenhouden. In de gevallen die artikel 15, tweede lid RWN noemt, zal dus na 1 april 2003 wel meervoudige nationaliteit (zijn) ontstaan, omdat het Nederlanderschap dan niet is of wordt verloren.
Een voorbeeld van het bovenstaande is artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet. Tot 1 april 2003 heeft de toepassing van dat artikel geleid tot verlies van het Nederlanderschap. Door invoering van artikel 15, tweede lid en onder a RWN heeft artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet geen impact meer op het bezit van het Nederlanderschap van de Nederlander op wie op of na 1 april 2003 artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet van toepassing is.
Het moment waarop het verlies van het Nederlanderschap wegens het niet (tijdig) verwerpen van de vreemde nationaliteit intreedt, is afhankelijk van de omstandigheid of de termijn van verwerping vóór of na de verkrijging van de vreemde nationaliteit ligt.
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving alleen een termijn waarbinnen een komendeverkrijging van die nationaliteit kan worden voorkomen en maakt men van deze mogelijkheid tot niet-verkrijging geen gebruik, dan treedt het verlies van het Nederlanderschap in op de dag dat de vreemde nationaliteit van rechtswege wordt verkregen.
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving (soms: ook) een termijn waarbinnen een verwerping moet plaatsvinden dat gelegen isna de verkrijging van de vreemde nationaliteit, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag dat deze verwerpingstermijn afloopt. Men is in dit geval dus enige tijd bipatride.
Paragraaf 3.2.3. ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Op grond van artikel 15, tweede lid, RWN treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in als betrokkene:
Deze uitzonderingen gelden niet als de betrokkene de nationaliteit heeft verkregen van een staat, die partij is bij het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1964, nr. 4), maar niet ook partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265). Sinds 19 december 2019 is alleen Oostenrijk partij bij het Verdrag van Straatsburg, terwijl Oostenrijk geen partij is bij het Tweede Protocol (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN).
Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN).
Zie ook de toelichting op artikel 15, tweede lid, RWN, waarin is aangegeven wanneer de uitzondering van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN niet van toepassing is.
Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘geboren in het land van die andere nationaliteit’ (art. 15, tweede lid, a RWN) of het ‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad’ (art. 15, tweede lid, b RWN) hieronder in paragraaf 3.2.4.
Paragraaf 3.2.4. een andere nationaliteit /statenopvolging
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van ‘vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit’ als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.
Paragraaf 3.2.5. statenopvolging bij de toepassing van artikel 15, lid 2 RWN
Ook bij de toepassing van 15, tweede lid onder a of b RWN kan statenopvolging een rol spelen. Als een persoon vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen, dan kan het verlies van de Nederlandse nationaliteit toch niet intreden als de persoon in het land van die nieuwe nationaliteit is geboren en daar verblijft op het moment van de verkrijging of als hij daar vijf jaar voor zijn meerderjarigheid heeft gewoond. De Hoge Raad heeft op 26 juni 2015 uitspraak gedaan inzake de interpretatie van artikel 15 lid 2 RWN bij een statenopvolging. Het betrof in deze zaak een persoon die vóór de onafhankelijkheid van Suriname aldaar is geboren en die tevens vóór de onafhankelijkheid van Suriname vijf jaar als minderjarige aldaar had gewoond. De vraag was of hij door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit (ná 1 april 2003) de Nederlandse nationaliteit had verloren. De Hoge Raad oordeelde met de volgende overweging dat deze persoon het Nederlanderschap had behouden:
‘De in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap komt ook toe aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en – op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder a, RWN), dan wel – als minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf heeft gehad op het grondgebied van die staat voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder b, RWN).’
Deze beschikking van de Hoge Raad is niet alleen van toepassing op Suriname, maar ook op andere landen als sprake is van het krijgen van de nationaliteit van een nieuw gevormde soevereine staat. Het begrip ‘land’ van artikel 15 lid 2 onder a en b dient dan als volgt te worden uitgelegd:
Artikel 15 lid 2 onder a: Onder ‘**die in het land van die andere nationaliteit is geboren**’ moet worden verstaan: geboren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen.
Artikel 15 lid 2 onder b: onder ‘**die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ moet worden verstaan: die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen zijn hoofdverblijf heeft gehad. Kort samengevat, in de visie van de Hoge Raad moeten de volgende vragen worden gesteld:
Als bij 2. er twee keer ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
Als bij 3. ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
Paragraaf 3.3. rijkswet inperking gevolgen Brexit (terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
Op 5 oktober 2020 is de Rijkswet van 11 september 2020, houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap gepubliceerd (Rijkswet inperking gevolgen Brexit; Stb. 369). Deze Rijkswet bevat tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap voor Nederlanders, die de Britse nationaliteit verkrijgen.
Na de publicatie in het Staatsblad op 5 oktober 2020 is deze Rijkswet vooralsnog niet in werking getreden (zie artikel 4, eerste lid Rijkswet). De Rijkswet inperking gevolgen Brexit kan slechts worden ingetrokken door een andere Rijkswet. Het toepassen van artikel 4, tweede lid Rijkswet, dat gaat over het vervallen van de Rijkswet, is alleen mogelijk als eerder artikel 4, eerste lid Rijkswet heeft plaats gehad.
Dit betekent dat een Nederlander, die de Britse nationaliteit heeft aangevraagd en verkregen, het Nederlanderschap verliest, tenzij een van de situaties bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, paragraaf 3.2.3, HRWN van toepassing is of één van de uitzonderingen van artikel 15, tweede lid, RWN.
Paragraaf 4. toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
Paragraaf 4.1. wettekst artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door het afleggen van een verklaring van afstand.
Paragraaf 4.2. algemeen
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens artikel 14, achtste lid, RWN niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de BRP. Is dat niet het geval, dan moet een bewijs van de andere nationaliteit worden overgelegd. Dit bewijs kan ook worden verlangd als bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk artikel 62, tweede lid, BVVN). Dit geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN delen in de afstand.
Paragraaf 4.3. tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
Een verklaring van afstand (zie model 3.2 HRWN) moet in Nederland worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester (artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene met een adres in de BRP is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
Paragraaf 4.4. wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN) en schriftelijk (artikel 62, eerste lid, BVVN) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon (artikel 63, tweede lid, BVVN). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
Indien de burgemeester van oordeel is, dat de verschijning in persoon om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan de verklaring worden afgelegd door een schriftelijk daartoe gemachtigde, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van degene die afstand wil doen en van de gemachtigde (artikel 3, tweede lid, BVVN). Bij zwaarwegende redenen kan worden gedacht aan oorzaken van fysieke en/of psychische aard. De aangevoerde redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon te verschijnen en verschaft de nodige zekerheid over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. Er dient sprake te zijn van een schriftelijke machtiging, die is ondertekend door degene die afstand wil doen. De gemachtigde dient tevens een geldig identiteitsbewijs te overleggen van degene door wie hij is gemachtigd.
Paragraaf 4.5. delen van kinderen in de afstand
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge artikel 16 RWN minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap (artikel 62, eerste lid, BVVN). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn (artikel 63, tweede lid, BVVN) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
Paragraaf 4.6. opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend (artikel 3, derde lid, BVVN). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
Van het afgelegd hebben van een verklaring van afstand wordt door de burgemeester onverwijld een bevestiging (zie model 3.3) afgegeven aan de betrokkene, welke bevestiging – voor zoveel mogelijk – tevens de namen vermeldt van de minderjarige kinderen die ingevolge artikel 16 RWN in het verlies van het Nederlanderschap hebben gedeeld (artikel 63, derde lid, BVVN). Heeft de afgelegde verklaring geen rechtsgevolg, omdat de betrokkene door de afstand staatloos zou worden, dan zal dit in de bevestiging worden opgenomen. Het in de bevestiging opgenomen oordeel dat de verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, zal betrokkene kunnen betwisten in de gerechtelijke procedure, voorzien in artikel 17 RWN (vergelijk de toelichting bij artikel 63 BVVN).
Paragraaf 4.7. berichtgeving aan andere autoriteiten
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring en een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in artikel 22 RWN, aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten (artikel 64, eerste lid, BVVN). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de BRP zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie en Verslavingszorg van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao en de Minister van Justitie van Sint Maarten (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
Paragraaf 4.8. verdere administratieve afhandeling
Als de verklaring van afstand met rechtsgevolg is afgelegd, bevordert de burgemeester (artikel 64, derde lid, BVVN) dat:
Paragraaf 5. toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Paragraaf 5.1. wettekst artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van dertien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband.
Paragraaf 5.2. algemeen
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
Echter, ook al wordt voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarden, dan nog treedt géén verlies van het Nederlanderschap in, indien:
In verband met de wijziging van de Paspoortwet (Stb 2014, 10) heeft de Nederlandse identiteitskaart sinds 20 januari 2014 (Stb 2014, 11) binnen de EU niet langer de status van een reisdocument, maar van een identiteitskaart. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Als landen buiten de Europese Unie zijn aangewezen Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland waar binnen de grenzen van de Paspoortwet een daar woonachtige Nederlander recht heeft op verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart (artikel 5a Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001).
Als een Nederlander ingevolge paragraaf 3 Abs (2) Staatsangehörigkeitsgesetz (2007) in 2007 met terugwerkende kracht de Duitse nationaliteit heeft verkregen zou dit kunnen betekenen dat hij/zij – achteraf bezien – het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid en aanhef onder c, RWN. Voor deze benadering wordt echter niet gekozen omdat het nationaliteitsbeleid ten aanzien van Nederlanders in het buitenland daardoor zou worden beïnvloed door wetgeving van een vreemde overheid. Immers, een vreemde staat zou door het met terugwerkende kracht van rechtswege verschaffen van zijn nationaliteit aan Nederlanders, hen het Nederlanderschap kunnen ontnemen. Dat is niet gewenst.
Sinds 1 april 2022 bedraagt de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN dertien jaar. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg deze verliestermijn tien jaar. De verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar had onmiddellijke werking (Stb. 2021, nr. 572). Dat betekent dat, indien de verliestermijn van tien jaar op op 1 april 2022 nog niet was volgelopen, deze met drie jaar werd verlengd.
Voorbeeld
Betrokkene Y is het bezit van zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit en heeft nog nooit binnen het Koninkrijk of binnen de Europese Unie gewoond. Zij is ook nog nooit in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument. Y werd meerderjarig op 1 mei 2012. Wanneer verliest zij het Nederlanderschap? Antwoord: Op 1 april 2022 is de verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN (zoals dat artikel luidde van 1 april 2003 tot 1 april 2022) nog niet voltooid. De verliestermijn wordt door de verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar per 1 april 2022, met drie jaar verlengd. Derhalve verliest Y het Nederlanderschap op 1 mei 2025.
Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg de verliestermijn van artikel15, eerste lid, onder c, RWN tien jaar. Voor het overige was de tekst van dit artikel in deze periode gelijk aan de tekst van het huidige artikel.
Tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
N.B. Onder vigeur van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN kon verlies van het Nederlanderschap niet worden voorkomen door de afgifte van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument. Het verlies kon alleen worden tegengegaan óf door vóór het einde van de periode van tien jaar de woonplaats te vestigen in een ander land dan het geboorteland, óf door afstand te doen van de nationaliteit van het land van geboorte.
Paragraaf 5.3. stuiting van de verliestermijn
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van dertien jaren gestuit. In het document moet op grond van artikel 3, zesde lid Paspoortwet het Nederlanderschap van de houder zijn vermeld. Behalve door afgifte van een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt de termijn ook gestuit bij afgifte van een:
Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van dertien jaren te lopen (artikel 15, vierde lid, RWN). Dus, als men er – steeds binnen dertien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap, een Nederlands reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in de Paspoortwet, kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.
Als ‘de dag der verstrekking’ van het Nederlandse paspoort geldt in beginsel de afgiftedatum van het reisdocument. Op die in het reisdocument vermelde datum stopt in beginsel een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn en start een nieuwe termijn. Het gaat hier om een voor iedere burger en wetstoepasser duidelijke en goed vindbare datum.
Onder daartoe aanleiding gevende omstandigheden kan in een incidenteel geval worden onderzocht op welke datum (vlak voor de afgiftedatum) door de paspoortautoriteit intern is besloten om het paspoort te laten produceren. Dit is alleen van belang als een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn afloopt/eindigt in de korte periode tussen de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren en de in het vervolgens geproduceerde paspoort vermelde afgiftedatum. Het zal hier om zeer incidentele gevallen gaan. In een voorkomend geval is een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn gestuit op de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren. In een dergelijk geval wordt evenwel tevens aangenomen dat de volgende op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn is gestart op de afgiftedatum van het paspoort.
Paragraaf 5.4. verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
Uit artikel 61 BVVN volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 15, vierde lid, RWN en in artikel V, tweede lid, RRWN geldt:
Verder is in artikel 61 BVVN geregeld dat:
Is de verklaring afgegeven vóór 1 april 2003 en bedoeld om te dienen als bewijs van het bezit van het Nederlanderschap, dan wordt het document als zodanig aanvaard, mits het is verstrekt door een Nederlandse, (voormalige) Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse autoriteit (zie artikel 73, tweede lid, BVVN).
Uit de toelichting bij artikel 61 BVVN blijkt dat verklaringen omtrent het bezit van het Nederlanderschap geen andere betekenis hebben dan dat daaruit blijkt dat door de nationaliteitsrechter op het tijdstip van zijn beschikking, respectievelijk door de verstrekkende autoriteit op het tijdstip van verstrekking is vastgesteld, dat de in de beschikking of verklaring genoemde persoon op dat tijdstip de Nederlandse nationaliteit bezit.
Volgens artikel IV, eerste lid, RRWN vangt de verliestermijn bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat toen luidde, verlies van het Nederlanderschap kon intreden.
Paragraaf 5.5. onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van dertien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, artikel 15, derde lid, RWN bepaalt dat de verliestermijn van dertien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 5.3.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)