Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-14
State In force
Source BWB
artikelen 3776
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door het afleggen van valse verklaringen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel b, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

  • c. artikel 72, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 167/2013;
  • d. artikel 76, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 168/2013;
  • e. artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2015/758;
  • f. artikel 84, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2018/858;
3.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door het achterhouden van gegevens of technische specificaties als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel c, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

  • c. artikel 72, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 167/2013;
  • d. artikel 76, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 168/2013;
  • e. artikel 11, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 2015/758;
  • f. artikel 84, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 2018/858;
4.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door het weigeren van toegang tot informatie als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel d, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

  • a. artikel 72, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 167/2013;
  • b. artikel 76, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 168/2013;
  • c. artikel 84, derde lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2018/858.
5.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door het niet nakomen van op hem rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel e, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

  • a. artikel 13, eerste lid, in samenhang met artikel 4, eerste, tweede of derde lid, 5, eerste of tweede lid, of 11, eerste lid, van verordening (EG) 715/2007;
  • b. artikel 11, eerste lid, in samenhang met artikel 4, eerste of tweede lid, artikel 5, eerste, tweede of derde lid, 5bis, of artikel 9, van verordening (EG) 595/2009;
  • c. artikel 72, eerste lid, in samenhang met artikel 7, 8, 9, 10, 11,12, 13, 14, 15, 16, 53, 54 of 55 van verordening (EU) 167/2013;
  • d. artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikelen 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 55, 56, 57 58 of 59 van verordening (EU) 168/2013;
  • e. artikel 11, eerste lid, in samenhang met artikel 4, 5 of artikel 11, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 2015/758;
  • f. artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 9, vijfde lid, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 48, 49, 50, 59 of 65, van verordening (EU) 2018/858;

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten

Artikel 5.1.1
1.

Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:

  • a. niet deugdelijk van bouw of inrichting is, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert;
  • b. zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft;
  • d. indien het een mobiele machine betreft, wordt voortbewogen in een andere rijstand dan door de voertuigfabrikant is bepaald.
2.

Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.

3.

Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk vermelde categorieën motorvoertuigen, de in afdeling 2 van dit hoofdstuk vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.1.2

Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.

Artikel 5.1.3

Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de aantekeningen die ingevolge artikel 52b van de wet voor het voertuig in het kentekenregister zijn opgenomen.

Artikel 5.1.4

Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in afdeling 9 van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt.

Artikel 5.1.5
1.

Artikel 72, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:

  • a. een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven dat de lettergroep ZZZ bevat, dan wel de lettergroep ZZ of de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W, X of Z en twee groepen van twee cijfers;
  • c. een voertuig op de dag dat dit door ambtenaren van de Dienst Wegverkeer of door de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, wordt onderzocht in verband met de inschrijving of de wijziging van de inschrijving;
  • d. rijdende werktuigen met:
  • 1°. een lengte van meer dan 12,00 m;
  • 2°. een breedte van meer dan 2,55 m, indien de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 10.000 kg;
  • 3°. een breedte van meer dan 2,60 m, indien de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 10.000 kg;
  • 4°. een toegestane maximummassa van meer dan 50.000 kg, dan wel
  • 5°. een toegestane maximumlast onder enige as van meer dan 10.000 kg voor een niet-aangedreven as, dan wel van meer dan 11.500 kg voor een aangedreven as.
2.

Van de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde uitzondering wordt melding gemaakt in het kentekenregister.

Artikel 5.1.6
1.

Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, die in gebruik is genomen na 31 december 2011 en reeds vóór de datum van eerste ingebruikname van een klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.

2.

Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, welke is voorzien van een klimaatregelingssysteem, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, tenzij het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2018 en het klimaatregelingssysteem reeds dergelijke gassen bevat.

3.

Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, die is voorzien van een klimaatregelingssysteem waaruit een abnormale hoeveelheid koelvloeistof lekt, verboden dit klimaatregelingssysteem bij te vullen of te laten bijvullen met gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de noodzakelijke herstelling is voltooid.

Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad

Artikel 5.1a.1

Bij de vaststelling van de afmetingen van motorvoertuigen en samenstellen daarvan, met uitzondering van gehandicaptenvoertuigen, worden delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten overeenkomstig bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 1, paragraaf 1.

Artikel 5.1a.2
1.

De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.

2.

De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in afdeling 18 van hoofdstuk 5, bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.

Artikel 5.1a.3
1.

Voor de bepaling van het aantal wielen wordt een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd, aangemerkt als één wiel.

2.

In afwijking van het eerste lid, worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

  • a. landbouw- of bosbouwtrekkers,
  • b. motorrijtuigen met beperkte snelheid,
  • c. mobiele machines,
  • d. landbouw- of bosbouwaanhangwagens, en
  • e. verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.
Artikel 5.1a.4
1.

Voor de bepaling van het aantal lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die:

  • a. dezelfde functie vervullen;
  • b. licht van dezelfde kleur uitstralen, en
  • c. een verlichtingsinrichting vormen waarvan:
  • 1°. de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak van de kleinste vierhoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten kan worden beschreven, of
  • 2°. de onderlinge afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten niet meer dan 75 mm bedraagt.
2.

Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien het voertuig is uitgerust met van fabriekswege aangebrachte lichten.

Artikel 5.1a.5

Met betrekking tot de verlichting moet voor de bepaling van de hoogte boven het wegdek en de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig, worden gemeten de kortste afstand vanaf de rand van het lichtdoorlatende gedeelte.

Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad

Artikel 5.1b.1

Met betrekking tot de in dit hoofdstuk opgenomen eisen en de wijze van keuren daarvan, wordt verstaan onder:

  • a. bedrijfstemperatuur: temperatuur van een motor na ongeveer vijftien minuten functioneren onder normale bedrijfsomstandigheden;
  • b. stationair toerental: toerental van de draaiende motor, waarbij:
  • 1°. de koudstartinrichting of het handgas niet is ingeschakeld;
  • 2°. het gaspedaal of het handgas en het koppelingspedaal in ruststand zijn;
  • 3°. de keuzehendel van de versnellingsbak in de neutrale stand staat bij een niet- of halfautomatische versnellingsbak dan wel in de parkeerstand of in de neutrale stand bij een volautomatische versnellingsbak;
  • 4°. lampen en andere stroomverbruikers niet zijn ingeschakeld, met uitzondering van lampen die bij het starten automatisch gaan branden; en
  • 5°. geen hydraulische functies actief zijn;
  • c. controleapparaat: controleapparaat als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PbEU 2014, L 60).
Artikel 5.1b.2
1.

De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd zonder demontage, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

2.

De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd met de banden op de juiste spanning.

3.

De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd zonder rijproef, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

4.

De keuring van voertuigen met variabele afmetingen wordt uitgevoerd in de stand waarin het voertuig ter keuring wordt aangeboden.

Artikel 5.1b.3
1.

Indien in dit hoofdstuk een visuele controle wordt voorgeschreven en deze controle onvoldoende uitsluitsel biedt, wordt het desbetreffende onderdeel aanvullend op één van de volgende wijzen gecontroleerd:

  • a. door gebruik te maken van hulpmiddelen zoals een spiegel, hamertje, bandijzer, staalborstel of schuurpapier, en
  • b. door het uitoefenen van een kracht, al dan niet met behulp van gereedschap.
2.

Teneinde een goede controle te waarborgen, worden de hierna vermelde onderdelen verwijderd of geopend in de daarachter beschreven gevallen:

a. wieldoppen; voor zover deze de wielbevestigingsbouten afdekken;
b. kofferdeksel; in alle gevallen;
c. motorkap; in alle gevallen;
d. tankklep; voor zover deze een visuele controle van de brandstofdop onmogelijk maakt;
e. beschermdop op koppelingskogel; in alle gevallen;
f. onderbeplating ten behoeve van stroomlijning of geluidsisolatie; voor zover deze een visuele controle onmogelijk maakt van direct voor de verkeersveiligheid van belang zijnde aspecten, zoals de bevestiging van het stuurhuis of de wielophanging;
g. kunststofbeplating in of over de wielkasten; alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is;
h. tapijt of vloerbedekking; alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is;
i. zijskirts, waaronder kunststofspoilers aan dorpels; alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en verwijdering kan geschieden zonder lakbeschadiging (bijvoorbeeld bevestigd met parkers). Zijskirts bevestigd door middel van popnagels of andere permanente bevestigingsmiddelen mogen niet worden verwijderd;
j. beschermkappen om stuurkoppelingen; alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van die koppelingen, voor zover deze kappen een visuele controle van die koppelingen onmogelijk maken;
k. beschermkappen om reminrichtingen; voor zover deze een visuele controle van remschijven onmogelijk maken;
l. overige onderdelen; voor zover deze een visuele controle onmogelijk maken.
3.

Indien het verwijderen dan wel openen van de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met e en l, niet mogelijk is, wordt een beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs afgegeven.

4.

De verwijdering van onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen f tot en met k, mag alleen geschieden indien er geen gevaar voor beschadiging van het voertuig of het onderdeel bestaat. Na eventuele verwijdering moeten de desbetreffende onderdelen wederom worden gemonteerd.

5.

Indien, ondanks twijfel omtrent de conditie van het afgedekte onderdeel, niet tot verwijdering is overgegaan vanwege het gevaar voor beschadiging, moet op het keuringsrapport worden vermeld dat het afgedekte onderdeel niet is beoordeeld.

6.

Voor het meten van voertuigafmetingen, wielbasis en spoorbreedte wordt een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III met voldoende bereik gebruikt.

7.

Voor de beoordeling van de werking van de reminrichting mag uitsluitend tot demontage van wielen en remtrommels worden overgegaan, indien twijfel bestaat:

  • a. over de goede bevestiging van de remvoering, dan wel
  • b. of de drager dan wel het bevestigingsmiddel van de remvoering, de remtrommel of remschijf raakt.
Artikel 5.1b.4

Indien in het kentekenregister of op het kentekenbewijs deel 1A dan wel deel I onder ‘bijzonderheden’ uitzonderingen op de eisen zijn vermeld, moeten deze in acht worden genomen.

Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad

Artikel 5.2.0

Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.2.1
Eisen Wijze van Keuren
1. De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing.
2. De personenauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten.
3. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. Visuele controle.
4. De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5. Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de personenauto staat.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.2.3
Eisen Wijze van Keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen: Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
Artikel 5.2.4
Eisen Wijze van Keuren
De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.2.6
Eisen Wijze van Keuren
Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
Artikel 5.2.7
Eisen Wijze van Keuren
1. De last onder de assen van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De totale massa of de som van de aslasten van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa.

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.2.9
Eisen Wijze van Keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. – Visuele controle, terwijl de personenauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
– Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen.
– Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.2.10
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.
6. Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. Visuele controle.
7. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.2.10a
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de personenauto is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van koel-of verwarmingsinstallaties ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte of een koelinstallatie ten behoeve van het koelen van de laadruimte. Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
7. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
10. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.2.11
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle, terwijl de personenauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden.
4. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing.
5. De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing.
6. Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing.
7. De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing.
8. Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 40 van toepassing. Visuele controle.
9. Bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking waarvan: – de in het kentekenregister vermelde deeltjesmassa type 1 kleiner is dan of gelijk is aan 0,005 g/km respectievelijk 5 mg/km, of – de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie gelijk is aan of groter is dan Euro 6 of Euro VI, of – in het kentekenregister is vastgelegd dat een roetfilter is vastgesteld, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn. Visuele controle.
10. Als bij personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van bijlage VIII van toepassing.
11. Bij personenauto’s met roetfilter zoals bedoeld in het negende lid, dient het roetfilter goed te werken. Hierbij is het bepaalde in de Bijlage VIII, artikelen 45e tot en met 45g, van toepassing.
12. De verplichtingen, bedoeld in het zevende en tiende lid, gelden niet voor personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking en roetfilter als bedoeld in het negende lid.
Artikel 5.2.12
Eisen Wijze van Keuren
1. De accu van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.2.13
Eisen Wijze van Keuren
1. De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.2.15
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Indien een personenauto moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de personenauto zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is.
Artikel 5.2.16
Eisen Wijze van Keuren
1. De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.2.18
Eisen Wijze van Keuren
1. De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing.
Artikel 5.2.19
Eisen Wijze van Keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 5.2.20
Eisen Wijze van Keuren
1. De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.2.21
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.2.1 getoetst.
2. Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.2.22
Eisen Wijze van Keuren
De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan 15 mm verschillen. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.2.23
Eisen Wijze van Keuren
De spoorbreedte van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.2.24
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van personenauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.2.26
Eisen Wijze van Keuren
1. Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.2.27
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen van personenauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
5. De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken ‘ ’, met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de personenauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. Visuele controle.
7. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
8. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan.
9. De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden.
– Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden.
– Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden.
– Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden.
– De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar.
– Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht.
10. De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.2.28
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Personenauto’s moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 5. Assen

Artikel 5.2.29
Eisen Wijze van Keuren
1. De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15° zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen.
2. Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast.
3. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust.
4. Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
5. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen.
6. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing.
7. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van:
a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast;
b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
– In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
8. Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
9. De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.
10. Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing.
11. De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden.
12. De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.2.31
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle.
2. De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren. – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
– Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt.
4. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
5. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
6. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien.
7. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
8. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
9. Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is.
10. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en d. mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
11. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 11 en 12: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
12. De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
Artikel 5.2.32
Eisen Wijze van Keuren
1. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
2. De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. Visuele controle.
Artikel 5.2.38
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,8 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen.
2. Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
3. Personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
4. De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
5. Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. Leden 5 en 6: de wijze van keuren bij het eerste tot en met derde lid is van toepassing.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid, moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
Artikel 5.2.39
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
2. De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden.
3. De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren.
4. De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.2.41
Eisen Wijze van Keuren
1. De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten.
2. Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten.
3. De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.
Artikel 5.2.42
Eisen Wijze van Keuren
1. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95 van toepassing. Visuele controle.
2. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Visuele controle.
5. Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.2.43
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
2. Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.2.44
Eisen Wijze van Keuren
Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.2.45
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik genomen na 25 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel. Leden 1 tot en met 6: visuele controle.
2. Indien met de in het eerste lid bedoelde binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
3. Personenauto’s in gebruik genomen vóór 26 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en een binnenspiegel.
4. De in het derde lid bedoelde personenauto’s moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel, indien met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
5. De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
6. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
7. In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. Visuele controle
Artikel 5.2.46
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. Visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. personenauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten; b. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande personenauto; en c. personenauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h.
3. De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2, van toepassing. Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling.
4. Bij zitplaatsen waarvan de rugleuning toegang geeft tot een daarachter gelegen zitplaats moet de ontgrendeling van de rugleuning goed werken. Visuele controle
Artikel 5.2.47
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. Leden 1 en 2: visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een doorlopende bank geen (heup)gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats en behoeft geen (heup)gordel te zijn aangebracht. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels.
2. Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
3. Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen. Leden 3 en 4: visuele controle.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen, zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in stilstaande personenauto’s en personenauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h.
5. De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken.
6. De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd.
7. De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 7 en 8: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
8. De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
Artikel 5.2.47a
Eisen Wijze van keuren
1. Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in artikel 5.2.78 gestelde eisen. Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Personenauto’s die zijn voorzien van een ligplaats moeten voldoen aan de in artikel 5.2.79 gestelde eisen.
Artikel 5.2.48
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van personenauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, mogen personenauto’s aan de voorzijde niet zijn voorzien van voorzieningen die in geval van botsing de kans op lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen en voorzieningen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Leden 4 en 5: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
5. De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto’s: a. moeten goed zijn afgeschermd; b. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en c. mogen niet aanlopen.
6. Geen deel van de buitenzijde van de personenauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. Visuele controle.
Artikel 5.2.49a
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 2018 mogen niet zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat gefluoreerde broeikasgassen bevat met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150. Visuele controle. Indien uit het in de motorruimte aanwezige opschrift blijkt dat de gassen (R)12, (R)32, (R)125 of (R)134a zijn toegepast, wordt niet voldaan aan deze eis. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien.
Artikel 5.2.50

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)