Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-14
State In force
Source BWB
artikelen 3776
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Eisen Wijze van Keuren
Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 115 en 117, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
c. twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten;
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
i. een achterkentekenplaatverlichting;
j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing;
o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing.
Artikel 5.3a.51a
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bus herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bussen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken.
3. Bussen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bus herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten.
Artikel 5.3a.53
Eisen Wijze van Keuren
1. De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen.
3. De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
6. De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
7. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
Artikel 5.3a.55
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.3a.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.3a.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten.
7. De in artikel 5.3a.51 bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. Visuele controle.
8. Indien de bus is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend.
Artikel 5.3a.56
Eisen Wijze van Keuren
1. De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
2. Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing.
Artikel 5.3a.57
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; c. twee extra stadslichten; – Onderdelen a tot en met q: visuele controle. – Onderdelen r en s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met aa: visuele controle.
d. twee extra achterlichten;
e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn;
f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn;
g. twee staaklichten;
h. één extra mistachterlicht;
i. extra achteruitrijlichten;
j. parkeerlichten;
k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig;
l. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig;
m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand;
n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is;
q. werklichten;
r. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
s. in afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd;
t. in afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht;
u. twee dagrijlichten;
v. twee bochtlichten;
w. twee hoeklichten;
x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; hierbij is het bepaalde in bijlage VIII van toepassing;
y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is bijlage VIII, artikel 153 van toepassing;
z. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig;
aa. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt.
2. Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.3a.51a verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. Bussen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
4. De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.3a.58
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
Artikel 5.3a.59
Eisen Wijze van Keuren
1. De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, dan wel indien zij zijn ingebouwd in de zijrichtingaanwijzers, niet anders dan ambergeel stralen.
3. De extra richtingaanwijzers, extra waarschuwingsknipperlichten en extra zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen.
4. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
5. De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6. De dagrijlichten, bochtlichten, hoeklichten en manoeuvreerlichten mogen niet anders dan wit stralen.
7. Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
8. De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen. Visuele controle.
9. De lijn- en contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- en contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. Visuele controle.
Artikel 5.3a.59a
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.3a.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.3a.61
Eisen Wijze van Keuren
1. Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3a.51 en 5.3a.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, de rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten.
Artikel 5.3a.62
Eisen Wijze van Keuren
1. Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de bus na 31 december 1997 in gebruik genomen is, de mistvoorlichten indien de bus na 31 december 2012 in gebruik is genomen, en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de bus na 31 december 1997 in gebruik genomen is, moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.3a.64
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Bussen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. Visuele controle.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
4. In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van bussen synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. Visuele controle.
Artikel 5.3a.65
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3a.51,5.3a.51a,5.3a.57 en 5.3a.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig, behoudens de ingevolge artikel 5.3a.41, zesde lid, verplichte binnenverlichting. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Bussen niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

§ 5. Assen

Artikel 5.3a.66
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
Artikel 5.3a.67
Eisen Wijze van Keuren
Indien de bus is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
Artikel 5.3a.68
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bus is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; b. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46 mm bedragen; c. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55 mm bedragen. Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. De in het eerste lid bedoelde koppelingen moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren; – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel meten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm.
e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn, en – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm.
h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.3a.71
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.
2. Bussen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. Hybride elektrische of elektrische bussen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
5. Met uitzondering van bussen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen bussen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.

Afdeling 4. Motorfietsen

Artikel 5.4.0

Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.4.1
Eisen Wijze van Keuren
1. De motorfiets moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis of frame zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.
3. De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd.
4. Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de motorfiets staat.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.4.3
Eisen Wijze van Keuren
1. Het frame of de zelfdragende constructie alsmede de voor- en achtervork van motorfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; – Onderdelen a en b: visuele controle. – Onderdeel c: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
b. niet zijn doorgeroest;
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed.
2. Onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.4.4
Eisen Wijze van Keuren
Een aan een motorfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de motorfiets zijn bevestigd. Visuele controle.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.4.6
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
2. Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorvoertuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.4.9
Eisen Wijze van Keuren
1. Alle onderdelen van de brandstofsystemen van motorfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.
2. De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle. Een LPG-installatie wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.4.10
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.4.9, voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
4. De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.4.10a
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de motorfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.4.9, voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn.
4. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd. Daarna wordt door het contact uit te schakelen gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen.
5. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 5 tot en met 8: visuele controle
6. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
7. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
8. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.4.11
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle bij draaiende motor.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. Motorfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 33, 34 en 35, van toepassing.
4. Motorfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen te hoog geluidsniveau produceren. Hierbij is het bepaalde inbijlage VIII, artikelen 33, 34 en 35, van toepassing.
Artikel 5.4.12
Eisen Wijze van Keuren
1. De accu van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.4.13
Eisen Wijze van Keuren
1. De motor van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.4.15
Eisen Wijze van Keuren
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. Visuele controle.
Artikel 5.4.16
Eisen Wijze van Keuren
De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.4.18
Eisen Wijze van Keuren
1. De assen van motorfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Visuele controle.
Artikel 5.4.20
Eisen Wijze van Keuren
1. De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.4.21
Eisen Wijze van Keuren
De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij artikel 5.1a.2 van toepassing is.
Artikel 5.4.24
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van motorfietsen mogen geen breuken, scheuren, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

Artikel 5.4.27
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen van motorfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle.
2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,0 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter.
5. De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. Leden 5 en 6: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
6. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
7. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de motorfiets. Visuele controle.
Artikel 5.4.28
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de motorfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Visuele controle, waarbij de motorfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.4.29
Eisen Wijze van Keuren
1. De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
2. De voorvork moet zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien. Visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van de motorfiets op de grond rust.
3. De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen. Visuele controle, waarbij de motorfiets voorwaarts wordt bewogen en de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.4.31
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl het remsysteem onder druk wordt gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt langzaam ingetrapt, totdat een kracht van 500 N (50 kg) op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Bij een remhendel wordt de drukproef uitgevoerd met maximale handkracht.
2. Remschijven mogen geen dusdanige slijtage vertonen dat gevaar op breuk ontstaat. Visuele controle.
3. Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht.
4. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
5. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle.
De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
6. Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend.
7. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.
8. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
9. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle.
10. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
11. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
12. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: Visuele controle.
a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en
d. mogen geen lekkage vertonen.
Artikel 5.4.38
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen moeten ofwel met twee afzonderlijke bedrijfsremsystemen, ofwel met een gescheiden bedrijfsremsysteem zijn uitgerust, waarbij ten minste één rem het voorwiel en ten minste één rem het achterwiel remt.
2. Motorfietsen in gebruik genomen na 31 maart 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,9 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,6 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; Leden 2 en 3: bij twijfel, controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 40 km/h bedragen. De maximale bedieningskrachten, vermeld in het vijfde lid, moeten in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 3, van toepassing.
c. bij gebruik van de voorwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt;
d. bij gebruik van de achterwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt;
e. in geval van een gecombineerde reminrichting:
1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting en minste 4,5 m/s2 bedraagt, dan wel ten minste 4,8 m/s2 bedraagt bij aangekoppelde zijspanwagen, en
2°. bij gebruik van de andere rem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt.
3. Motorfietsen in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s2;
b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s2 bedraagt;
c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s2 bedraagt.
4. Motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,2 m/s2 bedraagt. Leden 4 en 5: bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 40 km/h bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 3, van toepassing.
5. Motorfietsen in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
6. De voor het gebruik van de remmen benodigde bedieningskracht mag bij motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, bij gebruik van een remhendel niet meer dan 200 N en bij gebruik van een rempedaal niet meer bedragen dan: a. 500 N, dan wel b. 350 N indien de motorfiets na 31 maart 1997 in gebruik is genomen.

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

Artikel 5.4.41
Eisen Wijze van Keuren
1. Windschermen en stroomlijnkappen van motorfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren. Visuele controle, waarbij het stuur naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen en de handels van de koppeling en reminrichting worden bediend.
2. Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.4.45
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 16 juni 2003, moeten zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 2003, moeten zijn voorzien van: a. een linkerbuitenspiegel, en b. een rechterbuitenspiegel indien de maximumsnelheid van het voertuig 100 km/h of meer kan bedragen en het voertuig na 31 december 1996 in gebruik is genomen.
3. De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
5. In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels bij motorfietsen met een gedeeltelijk gesloten carrosserie zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. Visuele controle
Artikel 5.4.46
Eisen Wijze van Keuren
1. De zitplaats of zitplaatsen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Voetsteunen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.4.48
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk banden van motorfietsen mogen niet aanlopen.
3. Geen deel aan de buitenzijde van een motorfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.4.51
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen moeten zijn voorzien van: a. één groot licht; Leden 1 en 2: visuele controle.
b. één dimlicht;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 december 1996; het licht van de richtingaanwijzers van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
d. één stadslicht indien het voertuig na 31 oktober 1997 in gebruik is genomen;
e. één achterlicht;
f. één remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 26 november 1975;
g. achterkentekenplaatverlichting;
h. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.
2. Onverminderd het eerste lid, onderdeel c, mag, indien de motorfiets is voorzien van een zijspanwagen en in gebruik is genomen na 31 oktober 1997, de aan de motorfiets aangebrachte richtingaanwijzer aan de zijde van de zijspanwagen niet functioneren.
Artikel 5.4.51a
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan een motorfiets in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets of zijspanwagen verbonden aan een motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken.
3. Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets of zijspanwagen verbonden aan een motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten.
Artikel 5.4.52
Eisen Wijze van Keuren
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, moeten zijn voorzien van: Visuele controle.
a. één richtingaanwijzer aan de voorzijde en één richtingaanwijzer aan de achterzijde indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997;
b. één achterlicht;
c. één stadslicht indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997;
d. één remlicht indien de motorfiets in gebruik in genomen na 31 oktober 1997, en
e. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.
Artikel 5.4.52a

Vervallen

Artikel 5.4.53
Eisen Wijze van Keuren
1. De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. Visuele controle, waarbij het rempedaal wordt ingetrapt dan wel de remhendel wordt bediend.
5. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. Visuele controle, waarbij het desbetreffende licht wordt ingeschakeld.
Artikel 5.4.54
Eisen Wijze van Keuren
1. De afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten van de richtingaanwijzers aan de voorzijde bedraagt ten minste 240 mm. Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt de afstand tussen de richtingaanwijzers gemeten.
2. De afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten van de richtingaanwijzers aan de achterzijde bedraagt ten minste 180 mm.
Artikel 5.4.55
Eisen Wijze van Keuren
1. De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 tot en met 8: visuele controle.
7. De retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloed.
8. Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem.
Artikel 5.4.56
Eisen Wijze van Keuren
1. Het dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
2. Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing.
Artikel 5.4.57
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen mogen zijn voorzien van: Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
a. één extra groot licht;
b. één extra dimlicht;
c. één extra stadslicht;
d. één of twee mistvoorlichten;
e. één of twee mistachterlichten;
f. waarschuwingsknipperlichten;
g. één of twee parkeerlichten;
h. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig;
i. één witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig;
j. werklichten;
k. één extra achterlicht;
l. één of twee extra remlichten;
m. één of twee dagrijlichten;
n. één of twee bochtlichten.
2. Lichten die ingevolge artikel 5.4.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.4.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen.
3. Motorfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
4. Indien een motorfiets is verbonden aan een zijspanwagen mag de combinatie voorzien zijn van ten hoogste twee dagrijlichten.
Artikel 5.4.57a
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Motorfietsen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.
3. Motorfietsen als bedoeld in artikel 41a van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld, naar achteren niet rood stralen en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig.
Artikel 5.4.58
Eisen Wijze van Keuren
1. Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, mogen zijn voorzien van: Leden 1 en 2: visuele controle.
a. een stadslicht;
b. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;
c. een remlicht;
d. een witte retroreflector aan de voorzijde van de zijspanwagen;
e. een ambergele retroreflector aan elke zijkant van de zijspanwagen;
f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen;
g. een dagrijlicht.
2. Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
Artikel 5.4.58a

Vervallen

Artikel 5.4.59
Eisen Wijze van Keuren
1. Het mistvoorlicht, het dimlicht, het groot licht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen. Indien twee stadslichten zijn gemonteerd, mogen de stadslichten ambergeel stralen. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
3. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4. Het remlicht en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen.
5. De dagrijlichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit stralen.
Artikel 5.4.59a
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.4.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.4.62
Eisen Wijze van Keuren
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.4.64
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
Artikel 5.4.65
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.4.51, 5.4.51a, 5.4.57,5.4.57a en 5.4.58 is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Motorfietsen niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.4.66
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de motorfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast of vervormd. Visuele controle.
2. Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.4.71
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.
2. Motorfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de motorfiets of de zijspanwagen te voorkomen, alsmede van een geluidssignaal dat de bestuurder kenbaar maakt dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld. Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle.
3. Hybride elektrische of elektrische motorfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
5. Met uitzondering van motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen motorfietsen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

Artikel 5.5.0

Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.5.1
Eisen Wijze van Keuren
1. Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing.
2. Het driewielige motorrijtuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat.
3. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis of frame zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. Visuele controle.
4. De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5. De kentekenplaat aan de achterzijde mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het driewielig motorrijtuig staat.

§ 5. Assen

Artikel 5.5.3
Eisen Wijze van Keuren
1. De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van driewielige motorrijtuigen mogen: Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
2. Indien het driewielig motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork, mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
3. De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.5.4
Eisen Wijze van Keuren
De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.5.6
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
2. Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
Artikel 5.5.7
Eisen Wijze van Keuren
1. De ledige massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan 1.000 kg. Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De totale massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister is vermeld, en in elk geval niet meer dan:
a. 1.300 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het personenvervoer;
b. 2.500 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het goederenvervoer.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.5.9
Eisen Wijze van Keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. – Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor.
– Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen.
– Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.5.10

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)