Binnenvaartregeling

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 883
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Artikel 19 , derde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op de ruimte waarin de voortstuwingsmotor van een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype, voorzien van een CNG-installatie, is geplaatst.

De vulaansluiting van een CNG-tank:

De vulaansluiting van een CNG-tank:

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde, voldoen open rondvaartboten aan bijlage II van richtlijn 2006/87/EG met uitzondering van de artikelen 3.03, eerste tot en met vijfde lid, 3.04, tweede tot en met zevende lid, 8.04, voor zover het open rondvaartboten met buitenboordmotoren betreft, 8.05, eerste en dertiende lid, 8.08, 10.01, 10.02, 10.03, eerste lid, 10.05, eerste en tweede lid, 11.08, 11.04, 11.02, tweede en vierde lid, 15.05 richtlijn, 15.06, eerste lid, onder b, vierde lid, zesde lid, onder f, elfde lid en zeventiende lid, 15.09, 15.10, tweede tot en met zevende lid richtlijn, 15.11, zeventiende lid, en 15.12.

Artikel 23. Cng-motorkamer

Artikel 28. Gasleidingen- en slangen

Aan boord is ten minste de volgende uitrusting in bruikbare staat aanwezig:

Voor open rondvaartboten kan ontheffing van artikel 15.04, eerste lid, van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG worden verleend.

Artikel 26. Manometer

Artikel 27. Vulaansluiting

De vulaansluiting van een CNG-tank:

Structurele effecten betreffen het gedrag van mechanische onderdelen, vooral resonantietrillingen en materiaalmoeheid, zonder dat daarmee directe invloeden op het functioneren en wijzigingen in de functiegegevens behoeven samen te gaan.

Voor de dompelpomp is een capaciteit van 3000 l/uur voldoende.

Voor de dompelpomp is een capaciteit van 3000 l/uur voldoende.

Bij gebruik van buitenboordmotoren zijn brandstoftanks van deze motoren zodanig op of buiten het schip geplaatst, dat ze niet kunnen verschuiven en brandstof zich niet in het schip kan verzamelen.

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Voor de dompelpomp is een capaciteit van 3000 l/uur voldoende.

Voor de dompelpomp is een capaciteit van 3000 l/uur voldoende.

Voor open rondvaartboten kan ontheffing van artikel 19.04, eerste lid, van bijlage 1.1a worden verleend.

Artikel 36. Wederzijdse erkenning

Artikel 5. Ten hoogste toegestane aantal passagiers

Op open rondvaartboten wordt bij gebruik op binnenwateren van de zone 4 de voor passagiers bestemde, niet afgesloten gedeelten van dekken, welke geheel bezet zijn met dwarsscheeps geplaatste vast opgestelde zitbanken, voorzien van vaste verschansingen of relingen met een hoogte van tenminste 0,30 m, gemeten boven de zitting van de bank.

Voor open rondvaartboten kan ontheffing van artikel 19.04, eerste lid, van ES-TRIN worden verleend.

De begripsbepalingen van artikel 1.01 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG zijn van overeenkomstige toepassing op deze bijlage.

Open rondvaartboten moeten bij gebruik op de binnenwateren van zone 3 na vollopen voldoende reservedrijfvermogen bezitten. Dit reservedrijfvermogen wordt voldoende geacht indien het schip in volgelopen toestand nog een vrijboord van ten minste 0,05 m heeft.

Artikel 4. Veiligheidsafstand

Artikel 10. Ankergerei

Open rondvaartboten zijn bij gebruik op de binnenwateren van zone 3 van een anker met ankertros van voldoende lengte voor het betrokken vaarwater voorzien. Het gewicht van dit anker bedraagt ten minste 25 kg. Het ankergewicht mag worden verminderd bij toepassing van bijzondere ankertypen met verhoogde houdkracht.

In een dwarsschot is het toegestaan een sprong of nis aan te brengen, mits alle delen van de sprong binnen de in artikel 2.2, vierde lid, bedoelde veilige zone zijn gelegen.

Open rondvaartboten zijn bij gebruik op de binnenwateren van zone 3 van een anker met ankertros van voldoende lengte voor het betrokken vaarwater voorzien. Het gewicht van dit anker bedraagt ten minste 25 kg.

In de nabijheid van de motorinstallatie is een draagbaar blustoestel met een vulgewicht van ten minste 4 kg poeder aanwezig. Afwijkend daarvan is op een open rondvaartboot waarop geen vloeibaargasinstallatie is geïnstalleerd, een sproeischuimbrandblusser met tot -20°C vorstvrije blusmiddelen bestaande uit water met AFFF-schuim (Aqua Film Forming Foam) toegestaan, ook als die niet geschikt is voor brandklasse C. De minimuminhoud van de brandblusser bedraagt in dat geval 6 liter.

Aan boord is ten minste de volgende uitrusting in bruikbare staat aanwezig:

Aan boord is ten minste de volgende uitrusting in bruikbare staat aanwezig:

Artikel 14. Overgangsbepalingen

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 12. Draagbare blustoestellen

In de nabijheid van de motorinstallatie is een draagbaar blustoestel met een vulgewicht van ten minste 4 kg poeder aanwezig. Afwijkend daarvan is op een open rondvaartboot waarop geen vloeibaargasinstallatie is geïnstalleerd, een sproeischuimbrandblusser met tot -20°C vorstvrije blusmiddelen bestaande uit water met AFFF-schuim (Aqua Film Forming Foam) toegestaan, ook als die niet geschikt is voor brandklasse C. De minimuminhoud van de brandblusser bedraagt in dat geval 6 liter.

Aan boord is ten minste de volgende uitrusting in bruikbare staat aanwezig:

Artikel 1

Deze bijlage is van toepassing op de binnen de provincies Friesland, Groningen en Drenthe gelegen wateren van de zones 3 en 4.

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 4

Bij gebruik van buitenboordmotoren zijn brandstoftanks van deze motoren zodanig op of buiten het schip geplaatst, dat ze niet kunnen verschuiven en brandstof zich niet in het schip kan verzamelen.

Bij gebruik van buitenboordmotoren zijn brandstoftanks van deze motoren zodanig op of buiten het schip geplaatst, dat ze niet kunnen verschuiven en brandstof zich niet in het schip kan verzamelen.

Deze bijlage is van toepassing op de binnen de provincies Friesland, Groningen en Drenthe gelegen wateren van de zones 3 en 4.

Artikel 2

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bij gebruik van buitenboordmotoren zijn brandstoftanks van deze motoren zodanig op of buiten het schip geplaatst, dat ze niet kunnen verschuiven en brandstof zich niet in het schip kan verzamelen.

Bij gebruik van buitenboordmotoren zijn brandstoftanks van deze motoren zodanig op of buiten het schip geplaatst, dat ze niet kunnen verschuiven en brandstof zich niet in het schip kan verzamelen.

Artikel 5

De begripsbepalingen van artikel 1.01 van ES-TRIN zijn van overeenkomstige toepassing op deze bijlage.

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen veerponten aan hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 19, alsmede hoofdstuk 33 van ES-TRIN, met uitzondering van de volgende artikelen:

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 1.1. Definities

De begripsbepalingen van artikel 1.01 van ES-TRIN zijn van overeenkomstige toepassing op deze bijlage.

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen veerponten aan hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 15 alsmede hoofdstuk 24a van bijlage 1.1a, met uitzondering van de volgende artikelen:

Artikel 2.4. Sprongen en nissen in schotten

In een dwarsschot is het toegestaan een sprong of nis aan te brengen, mits alle delen van de sprong binnen de in artikel 2.2, vierde lid, bedoelde veilige zone zijn gelegen.

Artikel 2.1. Schotten algemeen

‘Door een daartoe strekkende opdracht aan het personeel wordt verzekerd, dat alle openingen en deuren in waterdichte schotten in geval van gevaar onverwijld waterdicht worden gesloten’.

‘Door een daartoe strekkende opdracht aan het personeel wordt verzekerd, dat alle openingen en deuren in waterdichte schotten in geval van gevaar onverwijld waterdicht worden gesloten’.

Artikel 2.4. Sprongen en nissen in schotten

In een dwarsschot is het toegestaan een sprong of nis aan te brengen, mits alle delen van de sprong binnen de in artikel 2.2, vierde lid, bedoelde veilige zone zijn gelegen.

Indien de in artikel 2.2 bedoelde openingen en deuren zijn toegestaan, wordt in het certificaat het volgende bedrijfsvoorschrift opgenomen:

Indien de in artikel 2.2 bedoelde openingen en deuren zijn toegestaan, wordt in het certificaat het volgende bedrijfsvoorschrift opgenomen:

‘Door een daartoe strekkende opdracht aan het personeel wordt verzekerd, dat alle openingen en deuren in waterdichte schotten in geval van gevaar onverwijld waterdicht worden gesloten’.

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Veerponten die zijn gebouwd en ingericht voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen zijn, op of in de onmiddellijke nabijheid van het rijdek, voorzien van ten minste twee draagbare blustoestellen. De in artikel 10.03 en 15.12, eerste lid, van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG bedoelde draagbare blustoestellen worden daartoe meegerekend.

Artikel 3.1. Waterdichte indeling

Hoofdstuk 4. Stabiliteit

De begripsbepalingen in artikel 1.01 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG zijn van overeenkomstige toepassing op deze bijlage.

Het verdient aanbeveling de test op de bestandheid tegen weersinvloeden uit te voeren met een en hetzelfde proefmodel (bij niet-destructieve beproeving voor de te onderzoeken verandering in eigenschappen, zoals bijv. van de kleurechtheid bij blootstelling aan de weersinvloeden) of met meerdere proefmodellen (bij destructieve beproeving, zoals bijv. van de schokvastheid) in overeen te komen bestralingsgradaties. Daarmee kan de ontwikkeling van een verandering in eigenschappen van een uit kunststof vervaardigd produkt gedurende de totale duur van de blootstelling aan weersinvloeden worden bepaald.

Artikel 4.3. Kenterende momenten

Indien de veerpont in ledige toestand een waterverplaatsing heeft van meer dan 75m3 dient er een bijboot aanwezig te zijn.

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde, voldoen veerboten aan hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 15 alsmede hoofdstuk 24a van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG met uitzondering van de artikelen:

Hoofdstuk 5. Veiligheidsafstand en vrijboord

Artikel 5.1. Resterend vrijboord en resterende veiligheidsafstand

Veerponten die zijn gebouwd en ingericht voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen zijn, op of in de onmiddellijke nabijheid van het rijdek, voorzien van ten minste twee draagbare blustoestellen. De in de artikelen 13.03 en 19.12, eerste lid, van bijlage 1.1a bedoelde draagbare blustoestellen worden daartoe meegerekend.

Veerponten die zijn gebouwd en ingericht voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen zijn, op of in de onmiddellijke nabijheid van het rijdek, voorzien van ten minste twee draagbare blustoestellen. De in de artikelen 13.03 en 19.12, eerste lid, van bijlage 1.1a bedoelde draagbare blustoestellen worden daartoe meegerekend.

Op veerponten met een lengtewaterlijn van 35 m of meer, zijn luidsprekers aanwezig waarmee alle passagiers kunnen worden bereikt.

Artikel 6.1. Berekening van het ten hoogste toegestane aantal passagiers

Hoofdstuk 7. Constructie

Op veerponten met een lengtewaterlijn van 35 m of meer, zijn luidsprekers aanwezig waarmee alle passagiers kunnen worden bereikt.

Op veerponten met een lengtewaterlijn van 35 m of meer, zijn luidsprekers aanwezig waarmee alle passagiers kunnen worden bereikt.

Bijlage 1.6. : Voorschriften omtrent de minimum eisen en de keuringsvoorwaarden voor radarinstallaties voor de Rijnvaart, als bedoeld in artikel 1.15, eerste lid

Artikel 8.2. Brandbestrijding

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen

Indien de veerpont in ledige toestand een waterverplaatsing heeft van meer dan 75m3 dient er een bijboot aanwezig te zijn.

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen

Op niet-vrijvarende veerponten is de opstelling van de voertuigen zodanig dat het uitzicht tijdens de vaart in alle richtingen voldoende is.

Artikel 8.5. Ankergerei

Indien de veerpont in ledige toestand een waterverplaatsing heeft van meer dan 75m3 dient er een bijboot aanwezig te zijn.

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen

Artikel 9.1. Manoeuvreereigenschappen

Artikel 10.1. Overgangsbepalingen

Artikel 9.2. Vrij uitzicht

Op niet-vrijvarende veerponten is de opstelling van de voertuigen zodanig dat het uitzicht tijdens de vaart in alle richtingen voldoende is.

Hoofdstuk 10. Overgangsbepalingen

Artikel 10.1. Overgangsbepalingen

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde, voldoen veerboten aan hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 19 alsmede hoofdstuk 33 van bijlage 1.1a met uitzondering van de artikelen:

Hoofdstuk 2. Schotten

Artikel 1.2. Toepassing van ES-TRIN op veerboten

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definities

Artikel 1.3. Toepassing van ES-TRIN op passagiersschepen als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, onderdeel f

Artikel 1.2. Toepassing van ES-TRIN op veerboten

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde, voldoen veerboten aan hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 19 alsmede hoofdstuk 33 van ES-TRIN met uitzondering van de artikelen:

Artikel 2.2. Openingen en deuren in schotten

Artikel 1.3. Toepassing van ES-TRIN op passagiersschepen als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, onderdeel f

Artikel 1.4. Toepasselijkheid van deze bijlage op veerboten

Artikel 2.3. Doorvoeringen van pijpleidingen

Hoofdstuk 2. Schotten

Artikel 2.1. Schotten algemeen

Artikel 2.2. Openingen en deuren in schotten

Artikel 2.3. Doorvoeringen van pijpleidingen

Artikel 2.4. Sprongen en nissen in schotten

Hoofdstuk 4. Stabiliteit

Artikel 2.5. Aantekening in het certificaat

Artikel 4.2. Beladingstoestanden

‘Door een daartoe strekkende opdracht aan het personeel wordt verzekerd, dat alle openingen en deuren in waterdichte schotten in geval van gevaar onverwijld waterdicht worden gesloten’.

Hoofdstuk 3. Waterdichte indeling

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen bunkerstations aan de hoofdstukken 3, 4, 8 met uitzondering van de artikelen 8.03 en 8.10, eerste en tweede lid, 9 met uitzondering van de artikelen 9.02 en 9.17, 10 met uitzondering van de artikelen 10.01, 10.02 en 10.03a tot en met 10.04, 11 en 12 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG.

Hoofdstuk 4. Stabiliteit

Naast de in de richtlijn voorgeschreven uitrusting hebben veerboten de volgende uitrusting aan boord:

De wijzerschaal moet ten minste 30 mm lang zijn. De indicatie moet op alle afstandsbereiken functioneren, ook als er geen radarecho's zijn. De indicatie moet eveneens functioneren als de versterking of de golfonderdrukking wordt ingeschakeld.

De ladingtanks zijn gebouwd voor of aangepast aan opslag en levering van gasolie, dieselolie of benzine.

Artikel 4.4. Kenterend moment ten gevolge van verplaatsen van personen

Artikel 4.5. Belading met voertuigen

Op veerboten die tussen 1 juli 2009 en 1 januari 2011 zijn voorzien van een certificaat van onderzoek zijn van toepassing:

Veerboten zijn uitgerust met draagbare vluchtmaskers die een werkingsduur van ten minste 15 minuten hebben. Het aantal daarvan bedraagt ten minste vier vermeerderd met twee voor elk dek dat is bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen. De vluchtmaskers worden op een geschikte plaats aangebracht. Zij zijn voorzien van duidelijke aanwijzingen met betrekking tot het gebruik.

Artikel 5.2. Vrijboord en veiligheidsafstand

Veerboten zijn uitgerust met draagbare vluchtmaskers die een werkingsduur van ten minste 15 minuten hebben. Het aantal daarvan bedraagt ten minste vier vermeerderd met twee voor elk dek dat is bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen. De vluchtmaskers worden op een geschikte plaats aangebracht. Zij zijn voorzien van duidelijke aanwijzingen met betrekking tot het gebruik.

De lengte van het spoor mag eventueel worden aangepast aan de operationele eisen, doch mag niet langer dan twee omwentelingen duren.

Veerboten zijn uitgerust met draagbare vluchtmaskers die een werkingsduur van ten minste 15 minuten hebben. Het aantal daarvan bedraagt ten minste vier vermeerderd met twee voor elk dek dat is bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen. De vluchtmaskers worden op een geschikte plaats aangebracht. Zij zijn voorzien van duidelijke aanwijzingen met betrekking tot het gebruik.

Hoofdstuk 7. Constructie

Naast de in de richtlijn voorgeschreven uitrusting hebben veerboten de volgende uitrusting aan boord:

Artikel 7.2. Relingen, ramen en poorten

Hoofdstuk 8. Uitrusting

Artikel 8.1. Reddingmiddelen en noodontschepingsvoorzieningen

Artikel 8.2. Persoonlijke beschermingsmiddelen

Hoofdstuk 10. Overgangsbepalingen

Elektrisch geleidende verbindingen tussen het bunkerstation en de wal en het bunkerstation en het te bunkeren schip zijn zodanig, dat zij geen ontstekingsbron vormen.

Autoruimen en overdekte autodekken zijn voorzien van een vaste brandblusinstallatie. In bijzondere gevallen kan de minister voorschrijven dat deze installatie bij brand automatisch in werking treedt.

Artikel 8.5. Nautische apparatuur

Artikel 10.1

Artikel 8.6. Vaste brandblusinstallatie van autoruimen

Artikel 10.2

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen

Artikel 9.1. Machinekamers

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 10.1

Artikel 2. Toepassing

Artikel 10.2

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bijlage 3.8. Technische eisen voor bunkerstations als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, onderdeel g

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Draagbare lampen in gebruik in de ladingzone en aan dek zijn voorzien van een eigen stroombron en zijn explosieveilig uitgevoerd.

Artikel 6. Indeling

Het bunkerstation is voorzien van duidelijke borden met het toegangsverbod en het rookverbod. De borden zijn aan beide zijden van het bunkerstation zowel overdag als ’s nachts duidelijk zichtbaar. Zo nodig wordt aan boord aangegeven waar en onder welke omstandigheden een verbod niet van kracht is.

Artikel 3. Materialen

Het bunkerstation is voorzien van duidelijke borden met het toegangsverbod en het rookverbod. De borden zijn aan beide zijden van het bunkerstation zowel overdag als ’s nachts duidelijk zichtbaar. Zo nodig wordt aan boord aangegeven waar en onder welke omstandigheden een verbod niet van kracht is.

Artikel 10. Inrichting kofferdammen

Artikel 5. Ladingtankruimten en ladingtanks

Artikel 6. Indeling

Artikel 7. Openingen van de ladingtanks

Elektrisch geleidende verbindingen tussen het bunkerstation en de wal en het bunkerstation en het te bunkeren schip zijn zodanig, dat zij geen ontstekingsbron vormen.

Artikel 9. Druk in de laad- en losleidingen

Artikel 10. Inrichting kofferdammen

Het bewijs van beproeving van brandblustoestellen, bedoeld in artikel 35, onderdeel f, wordt tevens aangebracht op de toestellen.

Artikel 12. Toegangen

Artikel 13. Uitlaatgassenleidingen

Artikel 14. Brandstoftanks

Artikel 15. Lens- en ballastinrichting

Artikel 16. Machinekamers

Elektrisch geleidende verbindingen tussen het bunkerstation en de wal en het bunkerstation en het te bunkeren schip zijn zodanig, dat zij geen ontstekingsbron vormen.

Artikel 18. Gevaar voor vonkvorming

Artikel 23. Inrichting met betrekking tot het toegangsverbod en het rookverbod

Artikel 19. Inspectie, ventilatie en reiniging

Artikel 20. Veiligheids- en controle-inrichtingen ten behoeve van het beladen van bunkerstations

Artikel 21. Veiligheids- en controle-inrichtingen ten behoeve van het bunkeren

Elektrische inrichtingen verkeren in onberispelijke staat.

Het bunkerstation is voorzien van duidelijke borden met het toegangsverbod en het rookverbod. De borden zijn aan beide zijden van het bunkerstation zowel overdag als ’s nachts duidelijk zichtbaar. Zo nodig wordt aan boord aangegeven waar en onder welke omstandigheden een verbod niet van kracht is.

Elektrische inrichtingen verkeren in onberispelijke staat.

Het bunkerstation is voorzien van duidelijke borden met het toegangsverbod en het rookverbod. De borden zijn aan beide zijden van het bunkerstation zowel overdag als ’s nachts duidelijk zichtbaar. Zo nodig wordt aan boord aangegeven waar en onder welke omstandigheden een verbod niet van kracht is.

Elektrische inrichtingen verkeren in onberispelijke staat.

300°/min.

Artikel 30. Draagbare lampen

Draagbare lampen in gebruik in de ladingzone en aan dek zijn voorzien van een eigen stroombron en zijn explosieveilig uitgevoerd.

De volgende documenten bevinden zich aan boord:

Artikel 27. Aarding

De volgende documenten bevinden zich aan boord:

Artikel 29. Sein-, navigatie- en loopplankverlichting

Artikel 30. Draagbare lampen

Hoofdstuk 6. Bescheiden Aan Boord

Het is verboden motoren te gebruiken die gebruik maken van een brandstof met een vlampunt lager dan 55 °C.

Hoofdstuk 5. Brandveiligheid

In het derde jaar van geldigheid van het certificaat worden door een erkend installateur gekeurd:

Artikel 33. Brandblusvoorzieningen

Artikel 34. Brandmeldinstallatie

Hoofdstuk 6. Bescheiden Aan Boord

Artikel 35. Documenten

De volgende documenten bevinden zich aan boord:

Het bewijs van beproeving van brandblustoestellen, bedoeld in artikel 35, onderdeel f, wordt tevens aangebracht op de toestellen.

In het derde jaar van geldigheid van het certificaat worden door een erkend installateur gekeurd:

Het bewijs van beproeving van brandblustoestellen, bedoeld in artikel 35, onderdeel f, wordt tevens aangebracht op de toestellen.

In het derde jaar van geldigheid van het certificaat worden door een erkend installateur gekeurd:

De minister kan voor de verlenging van het certificaat afzien van een droogstaande keuring als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, indien de toestand van de romp een controle van binnenuit redelijkerwijs toelaat.

De meetapparatuur wordt voor ieder gebruik conform de gebruiksaanwijzing door de gebruiker beproefd. Artikel 39 is niet van toepassing.

Artikel 40. Elektrische inrichtingen

Artikel 42. Beproeving van de druk

Te bunkeren en te lossen schepen worden zodanig gemeerd, dat de elektrische kabels en de buigzame leidingen niet onder trek- of buigspanning komen te staan. In geval van gevaar kan snel worden ontmeerd.

Artikel 42. Beproeving van de druk

Artikel 43. Beproeving door de bemanning

Bijlage 3.9. : Technische eisen voor patrouillevaartuigen als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel h

Artikel 44. Droogstaande keuring

De minister kan voor de verlenging van het certificaat afzien van een droogstaande keuring als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, indien de toestand van de romp een controle van binnenuit redelijkerwijs toelaat.

Hoofdstuk 8. Voorschriften voor laden, bunkeren en ontgassen

Te bunkeren en te lossen schepen worden zodanig gemeerd, dat de elektrische kabels en de buigzame leidingen niet onder trek- of buigspanning komen te staan. In geval van gevaar kan snel worden ontmeerd.

Artikel 46. Meren

Hoofdstuk 9. Overige voorschriften

Behalve tijdens laden, bunkeren of ontgassen zijn afsluitinrichtingen van de laad- en losleidingen gesloten.

Artikel 48. Maatregelen tijdens het laden

Artikel 49. Maatregelen tijdens het ontgassen

Hoofdstuk 9. Overige voorschriften

Artikel 50. Ladingtanks

Gasolie, dieselolie of benzine wordt opgeslagen in de ladingtanks.

Artikel 51. Ladingtankdeksels

Behalve tijdens controle of reiniging van geloste ladingtanks en peiling of monstername zijn ladingtankdeksels gesloten.

Artikel 52. Laad- en losleidingen

Behalve tijdens laden, bunkeren of ontgassen zijn afsluitinrichtingen van de laad- en losleidingen gesloten.

Artikel 53. Motoren

Het is verboden motoren te gebruiken die gebruik maken van een brandstof met een vlampunt lager dan 55 °C.

Artikel 54. Controle, lekkage en reinheid

Bijlage 3.10. : Model van het certificaat van onderzoek voor bunkerstations als bedoeld in artikel 3.10, vijfde lid.

Bijlage 3.1. : Aanvullende voorschriften voor passagierschepen op zone 2 als bedoeld in artikel 3.3

Artikel 57. Toegang

Met uitzondering van afmeerwerkzaamheden zijn werkzaamheden in de ladingzone waarbij de mogelijkheid van vonkvorming bestaat verboden.

Artikel 61. Reparatie- en onderhoudswerkzaamheden

Met uitzondering van afmeerwerkzaamheden zijn werkzaamheden in de ladingzone waarbij de mogelijkheid van vonkvorming bestaat verboden.

Artikel 59. Schoonmaakwerkzaamheden

Schoonmaakwerkzaamheden in de onderdeks gelegen ladingzone met behulp van vloeistoffen met een vlampunt beneden 55 °C zijn verboden.

Patrouillevaartuigen zijn uitgerust met één of twee boegankers waarvan het totale gewicht P in kg wordt berekend met de formule:

Met uitzondering van afmeerwerkzaamheden zijn werkzaamheden in de ladingzone waarbij de mogelijkheid van vonkvorming bestaat verboden.

In deze formule betekent:

Voor bunkerstations die op 1 februari 2002 reeds in bedrijf waren geldt dat:

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Voor bunkerstations die op 1 februari 2002 reeds in bedrijf waren geldt dat:

Artikel 64. Overgangsbepalingen voor bunkerstations die op 1 februari 2002 reeds in bedrijf waren

Voor bunkerstations die op 1 februari 2002 reeds in bedrijf waren geldt dat:

Hoofdstuk 12. Wederzijdse erkenning

Patrouillevaartuigen met een lengte korter dan 20 meter die zich ter onderzoek aanbieden voldoen aan deze bijlage met uitzondering van het bepaalde in dit hoofdstuk.

Artikel 3

Artikel 4.05 van ES-TRIN is niet van toepassing.

Hoofdstuk 1

Bij open patrouillevaartuigen waarvan de voortstuwingsmotor in een open kuip staat opgesteld, behoeft het verblijf niet gasdicht van deze ruimte gescheiden te zijn. De motor is geheel omsloten door een brandvertragende omkasting.

Hoofdstuk 2

Patrouillevaartuigen behoeven geen hekanker te hebben.

Bijlage 5.8. : Minimumbemanning snelle veerponten als bedoeld in artikel 5.6, zesde lid

De minimumbemanning van veerponten die een snelheid van meer dan 30 km per uur, maar niet meer dan 40 km per uur, kunnen bereiken bestaat uit:

Groepen toegestane aantal passagiers Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze
Groepen toegestane aantal passagiers Bemanningsleden Dagvaart Semi continuvaart Continuvaart
1. tot en met 75 personen Schipper Matroos 1 1 2 1 2 2
2. van 76 tot en met 250 personen Schipper matroos-motordrijver Lichtmatroos 1 1* – 2 1 1* 2 2 1*
3. van 251 tot en met 600 personen Schipper Volmatroos Matroos-motordrijver 1 1 1* 2 – 2* 3 – 2*
  • Op wateren van de zone 3 en 4 mag de matroos-motordrijver worden vervangen door een matroos.

** De lichtmatroos is ten minste 18 jaar oud.

Groepen toegestane aantal passagiers Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze
Groepen toegestane aantal passagiers Bemanningsleden Dagvaart Dagvaart Semi continuvaart Continuvaart
1. tot en met 75 personen Schipper Matroos 2 – 2 – 3 – 4 –
2. van 76 tot en met 250 personen Schipper Matroos Lichtmatroos 2 – – 2 – – 3 – 1** 4 – 1**
3. van 251 tot en met 600 personen Schipper 2 2 3 4
3. van 251 tot en met 600 personen Volmatroos 1 of
3. van 251 tot en met 600 personen Matroos-motordrijver –1 –1 1 1

** De lichtmatroos is ten minste 18 jaar oud.

Hoofdstuk 5. Vrijwillig onderzoek

C: een coëfficiënt, te bepalen aan de hand van de formule:

Artikel 6

In deze formule betekent:

Artikel 7

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen patrouillevaartuigen aan de voorschriften van dit hoofdstuk indien zij gebouwd of bestemd zijn om ligplaats te nemen langszijde van:

Artikel 8

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen patrouillevaartuigen aan de voorschriften van dit hoofdstuk indien zij gebouwd of bestemd zijn om ligplaats te nemen langszijde van:

Bijlage 3.3. : Technische eisen voor rondvaartboten van het Amsterdams grachtentype als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel b

Hoofdstuk 4. Technische voorschriften voor patrouillevaartuigen die geschikt zijn om ligplaats te nemen langszijde van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren

Patrouillevaartuigen zijn uitgerust met één of twee boegankers waarvan het totale gewicht P in kg wordt berekend met de formule:

Artikel 11

Patrouillevaartuigen met een lengte korter dan 20 meter die zich ter onderzoek aanbieden voldoen aan deze bijlage met uitzondering van het bepaalde in dit hoofdstuk.

Artikel 9

Artikel 13

Patrouillevaartuigen zijn uitgerust met één of twee boegankers waarvan het totale gewicht P in kg wordt berekend met de formule:

Hoofdstuk 5. Vrijwillig onderzoek

Artikel 11

Patrouillevaartuigen met een lengte korter dan 20 meter die zich ter onderzoek aanbieden voldoen aan deze bijlage met uitzondering van het bepaalde in dit hoofdstuk.

Artikel 12

Patrouillevaartuigen zijn voorzien van of worden bij vervanging van de bestaande loopplank uitgerust met een loopplank in overeenstemming met artikel 13.02, derde lid, onderdeel d, ES-TRIN.

Artikel 13

Hoofdstuk 6. Overgangsbepalingen

P = C × B × T

Artikel 16

Artikel 14

T: de grootst toegelaten diepgang van het schip in m.

Hoofdstuk 6. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 6. Overgangsbepalingen

Artikel 15

Artikel 16

Voor de waarde van C mag niet minder dan 15 worden genomen.

Artikel 14

Artikel 18

Hoofdstuk 6. Overgangsbepalingen

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Hoofdstuk 7. Wederzijdse erkenning

Artikel 18

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 2

Certificaat van onderzoek bunkerstations

Artikel 2

Artikel 4

De veiligheidsafstand van het drijvend werktuig bedraagt minimaal 150 mm.

Artikel 5

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 7

Artikel 4

Artikel 8

Artikel 5

De lenspomp bedoeld in artikel 22.02, derde lid, onderdeel a, van bijlage 1.1a bij deze regeling, mag worden vervangen door een handmatig aangedreven pomp met een minimale capaciteit van 40 liter per minuut.

Artikel 12

Artikel 7

Indien niet naar alle zijden van het drijvend werktuig voldoende vrij zicht kan worden gegarandeerd, is het drijvend werktuig voorzien van adequate hulpmiddelen om het gebrek aan vrij zicht te compenseren.

Bijlage 3.4. : Technische eisen voor open rondvaartboten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel c

Artikel 14

Een drijvend werktuig is voorzien van tenminste één draagbaar blustoestel dat voldoet aan de Europese normen EN 3-7:2007 en EN 3-8:2007.

Artikel 15

Artikel 10

Artikel 4. Algemene bepalingen voor de lastlijn van vaartuigen, die niet bestemd of gebruikt zijn voor het vervoer van goederen

Rekening wordt gehouden met het feit dat er aan boord vele werkzaamheden zijn waarbij langdurige concentratie is vereist:

Artikel 2. Te meten inhoud

Artikel 12

De bescheiden bedoeld in artikel 10.01, tweede lid, van ES-TRIN, zijn te allen tijde beschikbaar bij de exploitant van het drijvend werktuig.

Artikel 13

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 14

Artikel 3. Algemene bepalingen de lastlijn betreffende

Behoudens het bepaalde in artikel 8, tweede lid, wordt het inbeitelen van de ijk- en metingsmerken, dan wel het plaatsen van de ijkplaten door een bekwaam vakman onder toezicht en volgens aanwijzing van de minister gedaan.

Artikel 5. Algemene bepalingen bij de uitvoering van de meting

Artikel 6. Meting van binnenschepen, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen (regel I)

Alle chronische longaandoeningen met de mogelijkheid van acute verslechtering van de longfunctie die de lichamelijke gesteldheid dusdanig aantasten dat niet meer kan worden voldaan aan de in de algemene keuringsaanwijzingen onder artikel drie tot en met vijf gestelde criteria zijn een reden voor ongeschiktheid.

Artikel 2. Te meten inhoud

Aan boord is ten minste de volgende uitrusting in bruikbare staat aanwezig:

Artikel 4. Algemene bepalingen voor de lastlijn van vaartuigen, die niet bestemd of gebruikt zijn voor het vervoer van goederen

Artikel 5. Algemene bepalingen bij de uitvoering van de meting

Als één of meer vragen met JA zijn beantwoord moet u een arts een toelichting laten schrijven waarmee de aard en de ernst van de aandoening worden verduidelijkt, zodat de medisch adviseur vaarbewijzen kan beoordelen of u voldoet aan de keuringseisen.

Bijlage 5.4. Minimumbemanning voor hotelschepen als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid

Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2
Groep Bemanningsleden A1 A1 A1 A2 A2 B B
Groep Bemanningsleden S1 S1 S2 S1 S2 S1 S2
1. Toegestaan aantal bedden: tot en met 50 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 – 1 – – 1** 1 – 1 – – 1** 1 – – – 2 1** 2 – – 1 – 1*** 2 – – – 1 1*** 3 – – 1 – 1*** 3 – – – 1 1***
2. Toegestaan aantal bedden: van 51 tot en met 100 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist of volmatroos 1 1 – 1 – 1 1 1 – 1 – 1 1 1 – – 1 1 2 – – 1 – 1 2 – – – 1 1 3 – – 1 – 1 3 – – – 1 1
3. Toegestaan aantal bedden: meer dan 100 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist of volmatroos 1 of 1 – 2 – 1 1 1 – 1 2* 1 1 1 – 1 1 1 2 – – 3 – 1 2 – – 2 1 1 3 – – 3 – 1 3 – – 2 1 1
  • De minimumbemanning
a)

in groep 1, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en

b)

in groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten door een periode van minimaal een maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven.

** De machinist mag worden vervangen door een matroos.

*** De machinist mag worden vervangen door een volmatroos.

Artikel 11. Aanvullende bepalingen voor hermeting, of controlemeting

Behoudens het bepaalde in artikel 8, tweede lid, wordt het inbeitelen van de ijk- en metingsmerken, dan wel het plaatsen van de ijkplaten door een bekwaam vakman onder toezicht en volgens aanwijzing van de minister gedaan.

Artikel 9. Metingsmerk op het achterschip

§ 3. Erkende diploma’s en opleidingen die vrijstelling geven van onderdelen van het examen voor het klein vaarbewijs

Artikel 10. Inbeiteling van ijk- en metingsmerken

Behoudens het bepaalde in artikel 8, tweede lid, wordt het inbeitelen van de ijk- en metingsmerken, dan wel het plaatsen van de ijkplaten door een bekwaam vakman onder toezicht en volgens aanwijzing van de minister gedaan.

Artikel 11. Aanvullende bepalingen voor hermeting, of controlemeting

Artikel 17. Aandoeningen die leiden tot een aanzienlijke bewegingsbeperking, verlies of sterke vermindering van de functie in een der ledematen die voor de uit te voeren handelingen van belang zijn

(85 mm × 54 mm – achtergrond blauw)

Bijlage 5.3. Minimumbemanning voor stoomschepen voor dagtochten als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid

Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2
Groep Bemanningsleden A1 A1 A1 A1 A2 A2 A2 B B B
Groep Bemanningsleden S1 S1 S1 S2 S1 S2 S2 S1 S1 S2
1. Toegestaan aantal passagiers: van 501 tot en met 1.000 schipper stuurman volmatroos matroos* lichtmatroos machinist of volmatroos 1 1 – 2 – 2 1 1 – 2 – 2 1 1 – 2 – 2 1 1 – 1 1 2 2 – – 2 – 2 2 – – 1 1 2 2 – – 1 1 2 3 – – 2 – 3 3 – – 2 – 3 3 – – 1 1 3
2. Toegestaan aantal passagiers: van 1.001 tot en met 2.000 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos* Machinist of volmatroos 2 of – – 3 – 3 2 of – – 3 – 3 2 – – 2 2 3 2 – – 2 1 3 2 – – 3 1* 3 2 – – 2 2* 3 2 – – 2 2* 3 3 – – 3 1* 3 3 – – 3 1* 3 3 – – 2 2* 3
  • De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.

** De minister bepaalt of machinisten of volmatrozen vereist zijn en vult dat in het Certificaat van Onderzoek in onder nummer 52.

*** De matrozen mogen worden vervangen door lichtmatrozen, die de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het laatste leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.

**** De minimumbemanning kan

a)

in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S1,

b)

in de groep 2, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en

c)

in de groep 2, exploitatiewijze B, Standaard S2,

voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel b en c zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in noot ***.

Artikel 3. Specifieke werkzaamheden aan boord

Bij de keuring is men zich terdege bewust van de specifieke werkomstandigheden aan boord, die afhankelijk van het soort schip en vaargebied sterk kunnen variëren:

Artikel 1. Inleiding

Van groot belang is vooral het tijdig herkennen en (laten) behandelen van die aandoeningen die een duidelijk risicoverhogende factor betekenen. In het algemeen dient de betrokkene om in aanmerking te komen voor een geneeskundige verklaring vrij te zijn van enige afwijking, ziekte of verwonding die een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmert. Daarnaast mag de aanwezigheid van de betrokkene aan boord geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de overige opvarenden.

Artikel 2. Overleg met de medisch adviseur

Artikel 2. Overleg met de medisch adviseur

Artikel 3. Specifieke werkzaamheden aan boord

Hoofdstuk 1. Algemene keuringsaanwijzingen

Artikel 1. Inleiding

Artikel 4. Waakzaamheid en concentratievermogen

Artikel 5. Geneesmiddelengebruik

Artikel 2. Overleg met de medisch adviseur

Artikel 6. Uitgangspunten voor afkeuring

Artikel 3. Specifieke werkzaamheden aan boord

Bij de keuring is men zich terdege bewust van de specifieke werkomstandigheden aan boord, die afhankelijk van het soort schip en vaargebied sterk kunnen variëren:

Artikel 4. Waakzaamheid en concentratievermogen

Artikel 7

Artikel 5. Geneesmiddelengebruik

Bij gebruik van geneesmiddelen laat de arts zich leiden door de navolgende richtlijnen:

Artikel 6. Uitgangspunten voor afkeuring

De medische maatstaven die zijn beschreven in § 2 tot en met § 5 dienen te worden gehanteerd bij de keuring voor een geneeskundige verklaring. Medisch ongeschikt voor de binnenvaart is de persoon die niet voldoet aan deze maatstaven. De arts laat zich bij een beslissing tot afkeuring verder leiden door de navolgende algemene richtlijnen:

1.1. Voor het groot vaarbewijs en beperkt groot vaarbewijs op alle binnenwateren

Hoofdstuk 2. Keuringseisen

Artikel 7

Voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist, waaruit blijkt dat redelijkerwijs geen acute problemen zijn te verwachten.

§ 1. Het gezichtsvermogen

Artikel 8

Bij een progressieve of chronische oogaandoening is een specialistisch rapport vereist, waaruit blijkt dat het gezichtsvermogen niet dusdanig wordt bedreigd dat binnen afzienbare tijd niet meer kan worden voldaan aan de criteria:

Bijlage 7.2. Erkende bewijzen van vaarbekwaamheid, onderscheidenlijk diploma’s en opleidingen, die geheel respectievelijk gedeeltelijk dispensatie geven van het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid om een schip te voeren als bedoeld in artikel 7.12

Artikel 9

§ 3. Ziekten of lichamelijke gebreken

V = volledige vrijstelling

Artikel 11. Aandoeningen of laesies van het centrale of perifere zenuwstelsel, gepaard gaande met duidelijke functionele stoornissen; in het bijzonder organische aandoeningen van de hersenen of het ruggenmerg en de daarbij optredende restverschijnselen, functionele stoornissen na schedel- of hersenletsel, en cerebrale doorbloedingsstoornissen

= nummer van de eindterm betreft gedeeltelijke vrijstelling

Artikel 13. Suikerziekte

§ 3. Erkende diploma’s en opleidingen die vrijstelling geven van onderdelen van het examen voor het klein vaarbewijs

Artikel 14. Manifeste endocriene stoornissen

Model kwalificatiecertificaten en specifieke vergunningen

Artikel 15. Ernstige aandoeningen van de bloedvormende orgaansystemen

Model-groot vaarbewijs A en B voor de binnenvaart

Artikel 16. Chronische longaandoeningen met aanvallen

Model-Beperkt groot vaarbewijs A en B voor de binnenvaart

Artikel 17. Aandoeningen of veranderingen in het hart of de bloedsomloop resulterend in een verminderde belastbaarheid

Artikel 18. Aandoeningen die leiden tot een aanzienlijke bewegingsbeperking, verlies of sterke vermindering van de functie in een der ledematen die voor de uit te voeren handelingen van belang zijn

Artikel 19. Chronisch alcoholisme, verslaving aan verdovende middelen of andere vormen van verslaving

Model-klein vaarbewijs/ICC voor de binnenvaart

Model vrijstellingsbewijs

Model vrijstellingsbewijs

Model-groot pleziervaartbewijs/ICC

1.1. Vaarbewijzen tot en met 17 januari 2032 gelijkgesteld aan het kwalificatiecertificaat schipper met inbegrip van de specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwateren van maritieme aard

(85 mm x 54 mm)

1.3. Voor het klein vaarbewijs alsmede, mits behaald vóór 1 juli 2011, voor het groot pleziervaartbewijs op alle binnenwateren.

1.4. Voor het klein vaarbewijs alsmede, mits behaald vóór 1 juli 2011, voor het groot pleziervaartbewijs op rivieren, kanalen en meren.

1.5. Voor het groot pleziervaartbewijs op alle binnenwateren

Model vrijstellingsbewijs

1.6. Voor het groot pleziervaartbewijs op rivieren, kanalen en meren

Artikel 18. Reddingmiddelen en noodontschepingsvoorzieningen

Toepassing tarievenlijst

(85 mm × 54 mm – achtergrond blauw)

§ 2. Erkende diploma’s die vrijstelling geven van onderdelen van het examen voor het kwalificatiecertificaat schipper

Artikel 21. Ankergerei

Toepassing tarievenlijst

2 Stuurman KHV (werktuigkundige Kleine Schepen), GHV, Maritiem waterbouwer en BOL Baggeraar/Stuurman geven dezelfde vrijstellingen als SMBW, indien de vaarbevoegdheidsbewijs (COC) nog geldig is.

Model-zeilbewijs

Artikel 23

WEB – Wet educatie en beroepsonderwijs

Bijlage 8.2. Model verklaring als bedoeld in artikel 8.2, tweede lid

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Toepassing tarievenlijst

Hoofdstuk 2. Constructie-eisen

Toepassing tarievenlijst

Artikel 4. Opslag in ladingtanks

BOL – Beroepsopleidende leerweg

Artikel 5. Ladingtankruimten en ladingtanks

Artikel 6. Indeling

§ 3. Erkende diploma’s en opleidingen die vrijstelling geven van onderdelen van het examen voor het klein vaarbewijs

Artikel 8. Laad- en losleidingen

Model kwalificatiecertificaten en specifieke vergunningen

Artikel 10. Inrichting kofferdammen

Model-groot vaarbewijs A en B voor de binnenvaart

Artikel 12. Toegangen

Artikel 13. Uitlaatgassenleidingen

Model-Beperkt groot vaarbewijs A en B voor de binnenvaart

Artikel 15. Lens- en ballastinrichting

Artikel 16. Machinekamers

Model-klein vaarbewijs/ICC voor de binnenvaart

Artikel 18. Gevaar voor vonkvorming

Elektrisch geleidende verbindingen tussen het bunkerstation en de wal en het bunkerstation en het te bunkeren schip zijn zodanig, dat zij geen ontstekingsbron vormen.

Model kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied

Model kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied

Model-groot pleziervaartbewijs/ICC

Hoofdstuk 3. Inrichting en uitrusting

Model-zeilbewijs

Artikel 23. Inrichting met betrekking tot het toegangsverbod en het rookverbod

(achterzijde)

Hoofdstuk 4. Elektrische installaties

Artikel 24. Elektrische inrichtingen

Elektrische inrichtingen verkeren in onberispelijke staat.

Artikel 25. Verdeelsystemen

Artikel 26. Typen en plaatsen van de elektrische inrichtingen

Toepassing tarievenlijst

Artikel 28. Elektrische kabels

Artikel 29. Sein-, navigatie- en loopplankverlichting

Artikel 30. Draagbare lampen

Draagbare lampen in gebruik in de ladingzone en aan dek zijn voorzien van een eigen stroombron en zijn explosieveilig uitgevoerd.

Artikel 31. Verlichting

Hoofdstuk 5. Brandveiligheid

Artikel 32. Vuur en onbeschermd licht

Artikel 33. Brandblusvoorzieningen

Artikel 34. Brandmeldinstallatie

Hoofdstuk 6. Bescheiden Aan Boord

Artikel 35. Documenten

De volgende documenten bevinden zich aan boord:

Artikel 36. Schriftelijke instructies

Artikel 37. Verklaring bij brandblustoestellen

Het bewijs van beproeving van brandblustoestellen, bedoeld in artikel 35, onderdeel f, wordt tevens aangebracht op de toestellen.

Artikel 38. Bescheiden betreffende elektrische installaties

Hoofdstuk 7. Keuringen

Artikel 39. Tot keuren bevoegde personen

Artikel 40. Elektrische inrichtingen

In het derde jaar van geldigheid van het certificaat worden door een erkend installateur gekeurd:

Artikel 41. Uitrusting

Artikel 42. Beproeving van de druk

Artikel 43. Beproeving door de bemanning

De meetapparatuur wordt voor ieder gebruik conform de gebruiksaanwijzing door de gebruiker beproefd. Artikel 39 is niet van toepassing.

Artikel 44. Droogstaande keuring

De minister kan voor de verlenging van het certificaat afzien van een droogstaande keuring als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, indien de toestand van de romp een controle van binnenuit redelijkerwijs toelaat.

Hoofdstuk 8. Voorschriften voor laden, bunkeren en ontgassen

Artikel 45. Bunkercontrolelijst

Artikel 46. Meren

Te bunkeren en te lossen schepen worden zodanig gemeerd, dat de elektrische kabels en de buigzame leidingen niet onder trek- of buigspanning komen te staan. In geval van gevaar kan snel worden ontmeerd.

Artikel 47. Maatregelen tijdens het bunkeren

Artikel 48. Maatregelen tijdens het laden

Artikel 49. Maatregelen tijdens het ontgassen

Hoofdstuk 9. Overige voorschriften

Artikel 50. Ladingtanks

Gasolie, dieselolie of benzine wordt opgeslagen in de ladingtanks.

Artikel 51. Ladingtankdeksels

Behalve tijdens controle of reiniging van geloste ladingtanks en peiling of monstername zijn ladingtankdeksels gesloten.

Artikel 52. Laad- en losleidingen

Behalve tijdens laden, bunkeren of ontgassen zijn afsluitinrichtingen van de laad- en losleidingen gesloten.

Artikel 53. Motoren

Het is verboden motoren te gebruiken die gebruik maken van een brandstof met een vlampunt lager dan 55 °C.

Artikel 54. Controle, lekkage en reinheid

Artikel 55. Opslag

Artikel 56. Bekendheid veiligheidszaken

Artikel 57. Toegang

Artikel 58. Gebruik van open vuur

In de ladingzone en in ruimten die niet behoren tot de woning, de winkel of een kantoor geldt een rookverbod en is gebruik van open vuur verboden.

Hoofdstuk 10. Voorschriften met betrekking tot de arbeid aan boord

Artikel 59. Schoonmaakwerkzaamheden

Schoonmaakwerkzaamheden in de onderdeks gelegen ladingzone met behulp van vloeistoffen met een vlampunt beneden 55 °C zijn verboden.

Artikel 60. Werkzaamheden in de ladingzone

Met uitzondering van afmeerwerkzaamheden zijn werkzaamheden in de ladingzone waarbij de mogelijkheid van vonkvorming bestaat verboden.

Artikel 61. Reparatie- en onderhoudswerkzaamheden

Artikel 62. Toegang

Artikel 63. Gebruik speciale uitrusting

Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen

Artikel 64. Overgangsbepalingen voor bunkerstations die op 1 februari 2002 reeds in bedrijf waren

Voor bunkerstations die op 1 februari 2002 reeds in bedrijf waren geldt dat:

Hoofdstuk 12. Wederzijdse erkenning

Artikel 65

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bijlage 3.9. : Technische eisen voor patrouillevaartuigen als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel h

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Hoofdstuk 2

Artikel 2

Artikel 3

De artikelen 4.04 en 4.05 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG zijn niet van toepassing.

Artikel 4

Bij open patrouillevaartuigen waarvan de voortstuwingsmotor in een open kuip staat opgesteld, behoeft het verblijf niet gasdicht van deze ruimte gescheiden te zijn. De motor is geheel omsloten door een brandvertragende omkasting.

Artikel 5

Patrouillevaartuigen behoeven geen hekanker te hebben.

Hoofdstuk 3. Aanvullende eisen aan de uitrusting voor patrouillevaartuigen op zone 2

Artikel 6

Hoofdstuk 4. Technische voorschriften voor patrouillevaartuigen die geschikt zijn om ligplaats te nemen langszijde van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren

Artikel 7

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen patrouillevaartuigen aan de voorschriften van deze paragraaf indien zij gebouwd of bestemd zijn om ligplaats te nemen langszijde van:

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Hoofdstuk 5. Vrijwillig onderzoek

Artikel 11

Patrouillevaartuigen met een lengte korter dan 20 meter die zich ter onderzoek aanbieden voldoen aan deze bijlage met uitzondering van het bepaalde in deze paragraaf.

Artikel 12

Patrouillevaartuigen met een lengte van meer dan 15 meter zijn voorzien van een loopplank die ten minste 3,0 m lang en 0,4 m breed is en is voorzien van lichtgeschilderde banden langs de zijkanten en een handreling.

Artikel 13

Patrouillevaartuigen zijn uitgerust met één of twee boegankers waarvan het totale gewicht P in kg wordt berekend met de formule:

P = C × B × T

In deze formule betekent:

B: de grootste breedte van het schip in m;

T: de grootst toegelaten diepgang van het schip in m.

C: een coëfficiënt, te bepalen aan de hand van de formule:

C = 15 + (L – 15) × 1,5

In deze formule betekent:

L: de grootste lengte van het schip in m, het roer en de boegspriet niet inbegrepen.

Voor de waarde van C mag niet minder dan 15 worden genomen.

Artikel 14

De veiligheidsafstand van patrouillevaartuigen bedraagt niet minder dan:

Hoofdstuk 6. Overgangsbepalingen

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Voor de toepassing van hoofdstuk 4 zijn op de voorschriften genoemd in de voorschriften van Bijlage 1 van de VBG, waarnaar wordt verwezen, de overgangsvoorschriften van Bijlage 1 van de VBG van toepassing, die zijn opgenomen in 1.6.7.1 en 1.6.7.2, met dien verstande dat:

Hoofdstuk 7. Wederzijdse erkenning

Artikel 18

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bijlage 3.10. : Model van het certificaat van onderzoek voor bunkerstations als bedoeld in artikel 3.10, vijfde lid.

Certificaat van onderzoek bunkerstations

Bijlage 4.1. : Metingsvoorschriften als bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.12

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 2. Te meten inhoud

Artikel 3. Algemene bepalingen de lastlijn betreffende

Artikel 4. Algemene bepalingen voor de lastlijn van vaartuigen, die niet bestemd of gebruikt zijn voor het vervoer van goederen

Artikel 5. Algemene bepalingen bij de uitvoering van de meting

Artikel 6. Meting van binnenschepen, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen (regel I)

Artikel 7. Meting van binnenschepen, niet bestemd of gebruikt zijn voor het vervoer van goederen (regel II)

Voor binnenschepen die niet bestemd zijn of gebruikt worden voor het vervoer van goederen en beschikken over een normale scheepsvorm, worden de metingen van de verlangde waterverplaatsingen als volgt aan boord, zo nodig met behulp van betrouwbare tekeningen, uitgevoerd:

Artikel 8. Algemene bepalingen voor werkzaamheden na afloop van de meting

Artikel 9. Metingsmerk op het achterschip

Het metingsmerk wordt ingebeiteld op het achterschip in de nabijheid van de roerkoning. In de regel is de achterwand van de roef hiertoe het meest geschikt. Het merk wordt aangebracht op een van buiten in het oog vallende plaats. Een aantekening omtrent de plaats van het merk op het achterschip wordt in de meetbrief vermeld.

Artikel 10. Inbeiteling van ijk- en metingsmerken

Behoudens het bepaalde in artikel 8, tweede lid, wordt het inbeitelen van de ijk- en metingsmerken, dan wel het plaatsen van de ijkplaten door een bekwaam vakman onder toezicht en volgens aanwijzing van de minister gedaan.

Artikel 11. Aanvullende bepalingen voor hermeting, of controlemeting

Bijlage 5.1. : Minimumbemanning van hechte samenstellen als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)