Binnenvaartregeling

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 883
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De aanvrager is ongeschikt als hij niet voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. De arts die na het volledige geneeskundig onderzoek van oordeel is dat de aanvrager ongeschikt is, deelt dit de aanvrager mee. De arts overhandigt de aanvrager een verklaring van medische ongeschiktheid, dat is vastgesteld volgens het model, opgenomen in bijlage 6.3. De arts deelt de aanvrager tevens mee dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij een scheidsrechter.

2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, verzendt de arts nog dezelfde dag de verklaring van medische ongeschiktheid, waarin de reden of redenen tot afkeuring zijn vermeld, aan de medisch adviseur scheepvaart. De medisch adviseur scheepvaart doet mededeling van de afkeuring aan de instanties die belast zijn met onderscheidenlijk de afgifte van vaarbewijzen, Rijnpatenten, zeilbewijzen, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes.

3.

De aanvrager die een heronderzoek wenst, richt zich daarvoor tot een scheidsrechter onder toezending van de verklaring van medische ongeschiktheid.

4.

Ten aanzien van het heronderzoek zijn de artikelen 6.3, tweede lid, en 6.4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat reeds door de arts in orde bevonden onderdelen van de keuring niet behoeven te worden herhaald, tenzij over de uitslag twijfel bestaat bij de scheidsrechter. Het heronderzoek kan bestaan uit het uitsluitend beoordelen van de reeds ter beschikking staande gegevens.

5.

Indien de scheidsrechter na het heronderzoek van oordeel is dat de aanvrager medisch ongeschikt is, doet de medisch adviseur scheepvaart na ontvangst van de verklaring van medische ongeschiktheid hiervan mededeling aan de instanties die belast zijn met onderscheidenlijk de afgifte van vaarbewijzen, Rijnpatenten, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes.

Artikel 6.7

De arts die na het volledige geneeskundig onderzoek van oordeel is dat de aanvrager tijdelijk ongeschikt is, deelt dit de aanvrager mee. De arts overhandigt de aanvrager een verklaring van tijdelijke ongeschiktheid. In afwijking van artikel 6.6, eerste lid, deelt de arts de aanvrager tevens mee dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij dezelfde arts die de aanvrager tijdelijk geschikt heeft bevonden, dan wel diens opvolger of waarnemer, tenzij de medisch adviseur scheepvaart instemt met keuring door een andere arts.

Artikel 6.8

Indien nog geen heronderzoek heeft plaatsgevonden, is een geneeskundige verklaring, waarop is aangegeven dat de aanvrager geschikt is en die is afgegeven nadat hij door een andere arts ongeschikt is bevonden, ongeldig.

Artikel 6.9

De aanvrager van een klein vaarbewijs of een groot pleziervaartbewijs die met toepassing van artikel 26, eerste lid, van het besluit, een gezondheidsverklaring overlegt aan het CBR, zoals bedoeld in artikel 6.10, derde lid, maakt daartoe gebruik van het door het CBR vastgesteld model.

Artikel 6.10
1.

Indien alle vragen van de gezondheidsverklaring met ‘nee’ zijn beantwoord, stuurt de aanvrager de ingevulde en ondertekende gezondheidsverklaring samen met de aanvraag voor het vaardocument naar de instantie die belast is met de afgifte van het vaarbewijs dat hij aanvraagt.

2.

Indien ten minste een van de vragen van de gezondheidsverklaring met ‘ja’ is beantwoord wordt deze voorzien van een aantekening van een arts naar eigen keuze waaruit de aard en de ernst van de afwijking blijkt.

3.

De aanvrager zendt de gezondheidsverklaring ter beoordeling aan het CBR.

Artikel 6.11
1.

In het geval, bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, verklaart de beoordelaar de aanvrager geschikt. In het geval, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, wordt de aanvrager door de beoordelaar opgeroepen voor nader onderzoek. In geval van twijfel kan de beoordelaar de aanvrager oproepen voor een nader onderzoek. Indien nodig kan de beoordelaar de aanvrager doorverwijzen voor een deelonderzoek naar een specialist.

2.

De aanvrager is geschikt als hij naar het oordeel van de beoordelaar voldoet aan de keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in bijlage 6.1. In dat geval verstrekt de beoordelaar de aanvrager een geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het model, opgenomen in bijlage 6.2.

3.

De aanvrager is ongeschikt als hij niet voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. In het geval, dat de beoordelaar de aanvrager ongeschikt verklaart, zendt de beoordelaar de aanvrager een verklaring van medische ongeschiktheid, onder mededeling van de mogelijkheid van heronderzoek.

4.

In het geval, bedoeld in het derde lid, zendt de beoordelaar de medisch adviseur scheepvaart nog dezelfde dag de verklaring van medische ongeschiktheid, waarin de reden of redenen tot afkeuring zijn vermeld.

5.

De aanvrager die ongeschikt is verklaard en een heronderzoek wenst, wendt zich tot een scheidsrechter die niet reeds bij de beoordeling van de gezondheidsverklaring was betrokken. Ten aanzien van het heronderzoek is artikel 6.4, eerste tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat het heronderzoek kan bestaan uit het uitsluitend beoordelen van de ter beschikking staande gegevens.

6.

De medisch adviseur scheepvaart doet mededeling van de afkeuring aan de instanties die belast zijn met de afgifte van onderscheidenlijk vaarbewijzen, Rijnpatenten, zeilbewijzen, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes.

Artikel 6.12

Een geldig kwalificatiecertificaat als bedoeld in artikel 22 van het besluit geldt als een geldige geneeskundige verklaring bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

Artikel 6.13

De Minister kan aanwijzingen geven ter uitvoering van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen.

Hoofdstuk 6. Geneeskundig onderzoek

§ 1. Vaarbewijzen en vrijstellingen
Artikel 7.1
1.

Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over een vereiste vaartijd dan dient het aantonen daarvan te geschieden door middel van het dienstboekje, bedoeld in artikel 5.11, indien nodig aangevuld met het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.12, of andere stukken.

2.

In afwijking van het eerste lid kan het aantonen van vaartijd voor het verkrijgen van een kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied, bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, onderdeel d, en voor het verkrijgen van een kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, ook geschieden door middel van een werkgeversverklaring in combinatie met aanvullende stukken.

3.

De beoordeling van de vaartijd en het beoordelen of aanvullende stukken nodig zijn, geschiedt door de minister.

Artikel 7.2

Behoudens de paragrafen 1 en 2 is dit hoofdstuk van toepassing op de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren uitgezonderd de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek.

Artikel 7.3

De kwalificatiecertificaten, met uitzondering van de kwalificatiecertificaten genoemd in de artikelen 7.5 en 7.6, de specifieke vergunningen en het klein vaarbewijs worden vastgesteld volgens de modellen opgenomen in bijlage 7.3.

Artikel 7.4
1.

Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van het besluit, voor schepen gebezigd ten behoeve van reiniging van grachten en soortgelijke wateren.

2.

Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in artikel 16, onderdelen c en d, van het besluit, voor Belgische redeboten op de Westerschelde en in de daarmee in open verbinding staande havens en voorhavens.

3.

Een vaarbewijs is niet vereist voor schepen als bedoeld in artikel 16, onderdelen b en d, van het besluit, die deelnemen aan wedstrijden op binnenwateren die voor het openbaar scheepvaartverkeer niet toegankelijk zijn.

Artikel 7.5
1.

Artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het besluit, is indien het schip vaart op de binnenwateren van zone 4, dan wel op de Beulakerwijde of de Belterwijde en behoudens schepen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van het besluit, niet van toepassing voor open rondvaartboten als bedoeld in artikel 1.1, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning, met een lengte gemeten op het vlak van de grootste inzinking van minder dan 20 meter, voor zover de schipper in het bezit is van het kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4.

2.

Het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat wordt door de minister afgegeven na overlegging van:

  • a. CBR diploma theorie rondvaartboot;
  • b. CBR verklaring praktijkexamen schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied;
  • d. een bewijs als resultaat van de beoordeling bedoeld in artikel 7.1, derde lid, waaruit blijkt dat de aanvrager ten minste 30 vaardagen heeft gemaakt op een open rondvaartboot.
3.

De praktijktoetsen ter verkrijging van de verklaring praktijkexamen, bedoeld in het tweede lid, onder b, en het examen ter verkrijging van het CBR diploma theorie rondvaartboot, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden afgenomen met inachtneming van examenreglementen en examenprogramma’s die zijn goedgekeurd door de minister.

4.

Op de aanvragen van het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat is artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing.

5.

Op het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat is artikel 27, eerste lid, en artikel 30 van de wet van overeenkomstige toepassing.

6.

Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat artikel 22 van het besluit van overeenkomstige toepassing.

7.

Het kwalificatiecertificaat, bedoeld in het eerste lid, is aan boord van het schip aanwezig.

Artikel 7.6
1.

Artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het besluit, is niet van toepassing voor rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, als bedoeld in artikel 1.1 voor zover varend op de binnenwateren van zone 4 of met toestemming van de vaarwegbeheerder op zone 3, en voor zover de schipper in het bezit is van:

  • a. het kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4; en
  • b. een verklaring van de vaarwegbeheerder houdende de vermelding voor welke wateren, behorende tot zone 3 met uitzondering van de wateren genoemd in artikel 2, eerste lid van het vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement voor zover die behoren tot zone 3 en de Maas voor wat betreft de gedeelten die behoren tot zone 3, het kwalificatiecertificaat rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype geldt alsmede de door de vaarwegbeheerder opgelegde voorwaarden waaronder op deze wateren mag worden gevaren.
2.

Het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat wordt door de minister afgegeven na overlegging van een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, niet ouder dan drie maanden, en:

  • a. het diploma Schipper rondvaartboot beperkt vaargebied, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen met de opleidingscodes 95050 of 25385, 23277 of 25676, en een bewijs als resultaat van de beoordeling bedoeld in artikel 7.1, derde lid, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van ten minste 180 vaardagen heeft opgebouwd; of
  • b. de CBR verklaring praktijkexamen schipper rondvaartboot Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied ten bewijze dat het Praktijkexamen schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied met goed gevolg is afgelegd en een bewijs als resultaat van de beoordeling bedoeld in artikel 7.1, derde lid, waaruit blijkt dat de aanvrager ten minste 90 vaardagen heeft opgebouwd op een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype tijdens het praktijkexamentraject.
3.

De praktijktoetsen ter verkrijging van de verklaring praktijkexamen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden slechts afgenomen wanneer de kandidaat beschikt over het CBR diploma theorie rondvaartboot, bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, onderdeel a, en worden afgenomen met inachtneming van examenreglementen en examenprogramma’s die zijn goedgekeurd door de minister.

4.

Op de aanvragen van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat is artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing.

5.

Op het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat zijn de artikelen 27, eerste lid, en 30 van de wet van overeenkomstige toepassing.

6.

Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat artikel 22 van het besluit van overeenkomstige toepassing.

7.

Het kwalificatiecertificaat en de verklaring van de vaarwegbeheerder, bedoeld in het eerste lid, zijn aan boord van het schip aanwezig.

Artikel 7.7
1.

Artikel 14, eerste lid, van het besluit, is niet van toepassing op gierponten, kabelponten en andere niet-vrijvarende veerponten op de rivieren, kanalen en meren indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs, en:

  • a. de veerpont is uitgerust met een marifooninstallatie en de schipper in het bezit is van een bedieningscertificaat; of
  • b. de veerpont is uitgerust met een radarinstallatie en de schipper in het bezit is van het certificaat Radaropleiding voor objectenpersoneel van de vakopleiding Transport en Logistiek, van de Maritieme academie, van het Scheepvaart- en Transportcollege STC of een getuigschrift van een andere door de Minister aangewezen of erkende opleiding.
2.

Artikel 14, eerste lid, van het besluit, is niet van toepassing op schepen die in het kader van hulpverlening op zee of op de binnenwateren, dan wel in het kader van het oefenen voor die hulpverlening:

  • a. worden bestuurd door medewerkers van een reddingmaatschappij; of
  • b. dienen als sleepduwboot voor schepen met een lengte van meer dan 20 meter of schepen waarvoor het product van lengte, breedte en diepgang in meters ten minste 100 m3 bedraagt.
3.

Artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van het besluit is niet van toepassing op het voeren van sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van minder dan 20 meter of het daarmee slepen, langszij vastgemaakt meevoeren of duwen van een schip met een lengte van minder dan 20 meter indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs.

Artikel 7.8
1.

Artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit is niet van toepassing op pleziervaartuigen met een lengte van 25 tot 40 meter, indien de schipper in het bezit is van:

  • a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4; of
  • b. een vaarbewijs als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 of 1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011.
2.

Artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit is niet van toepassing voor pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 40 meter, indien de schipper in het bezit is van:

  • a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4, voorzien van de aantekening ‘40 meter plus’; of
3.

Het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan:

  • a. degene die geslaagd is voor het examen groot motorschip van het CBR;
  • b. de houder van een ander hiertoe door de minister erkend diploma;
  • c. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van 25 tot 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Binnenvaartwet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of
  • d. degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van 25 tot 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig.
4.

Het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan:

  • a. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van meer dan 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die bij het in werking treden van de wet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of
  • b. aan degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van meer dan 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig.
5.

In afwijking van het derde en vierde lid worden de in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen I afgegeven aan de houder van:

  • a. een geldig kwalificatiecertificaat schipper;
  • b. een geldig CCR-kwalificatiecertificaat schipper; of
  • c. een kwalificatiecertificaat schipper of een CCR-kwalificatiecertificaat schipper dat ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip.
6.

In afwijking van het derde en vierde lid worden de in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen II afgegeven aan de houder van:

  • a. een geldig kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard;
  • b. een geldig CCR-kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard;
  • c. een geldig zeilbewijs;
  • d. een geldig klein patent; of
  • e. een van de onder a tot en met d genoemde documenten die ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip.
7.

De houder van een groot pleziervaartbewijs I die tevens in het bezit is van een klein vaarbewijs II komt in aanmerking voor het groot pleziervaartbewijs II.

8.

De in het derde lid, onderdelen a en b, bedoelde diploma’s worden verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen.

9.

Op het groot pleziervaartbewijs zijn artikel 30 van de wet alsmede artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing.

10.

Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het groot pleziervaartbewijs artikel 26 van het besluit en de nadere regels die van toepassing zijn op het klein vaarbewijs van overeenkomstige toepassing.

11.

Het groot pleziervaartbewijs is tijdens de vaart aan boord van het schip aanwezig.

Artikel 7.9
1.

De artikelen 14, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, onder 1°, en 16 van het besluit, zijn niet van toepassing op schepen, bestemd of gebruikt voor bedrijfsmatig vervoer van personen en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, indien de schipper in het bezit is van een zeilbewijs overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4 en zolang er niet wordt gevaren op de wateren genoemd in artikel 2, eerste lid, van het vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement.

2.

Van artikel 16 van het besluit zijn vrijgesteld de gezagvoerders van schepen, voor zover zij zijn voorzien van het in het eerste lid bedoelde zeilbewijs.

3.

Het zeilbewijs wordt door de minister afgegeven na overlegging van:

  • a. het diploma Schipper zeilvaart van het CBR dan wel het diploma Stuurman Kleine Zeilvaart van de Enkhuizer zeevaartschool;
  • c. een dienstboekje als bedoeld in artikel 5.11, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van twee jaar als lid van de dekbemanning aan boord van zeilschepen heeft doorlopen.
4.

Het in het derde lid, onderdeel a, bedoelde diploma wordt verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen.

5.

Op de aanvraag van het zeilbewijs is artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing.

6.

Op het zeilbewijs zijn artikel 27, eerste lid, en artikel 30 van de wet van overeenkomstige toepassing.

7.

Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het zeilbewijs artikel 22 van het besluit van overeenkomstige toepassing.

8.

Het eerste, zesde en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op zeilbewijzen afgegeven door de Stichting Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart.

9.

Het zeilbewijs is aan boord van het schip.

Artikel 7.9a

Artikel 14, eerste lid, onderdeel h, van het besluit is, zolang niet wordt gevaren op de wateren genoemd in artikel 2, eerste lid, van het vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement, niet van toepassing op drijvende werktuigen met een lengte van:

  • a. minder dan 15 meter;
  • b. minimaal 15 meter maar minder dan 20 meter, indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs.
§ 1. Vaarbewijzen en vrijstellingen
Artikel 7.10

De minister kan een vaarbewijs gelijkwaardig aan een klein vaarbewijs als bedoeld in artikel 16 van het besluit erkennen voor de vaart op rivieren, kanalen en meren of voor de vaart op alle binnenwateren, voor zover het bewijs naar zijn oordeel voldoende waarborg biedt voor het veilig voeren van een schip op de betrokken wateren.

Artikel 7.11
1.

De in bijlage 7.1 genoemde buitenlandse bewijzen van vaarbekwaamheid worden erkend als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onderdeel a, van het besluit.

2.

Buitenlandse kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, specifieke vergunningen en vaartijdenboeken die in een andere EU-lidstaat zijn afgegeven overeenkomstig de eisen gesteld in richtlijn 2017/2397 zijn geldig in plaats van de vergelijkbare vaardocumenten die geldig zijn op grond van deze regeling.

3.

De in artikel 17, tweede lid, van het besluit bedoelde, krachtens de Herziene Rijnvaartakte afgegeven, bewijzen van vaarbevoegdheid zijn:

4.

Buitenlandse bewijzen van vaarbevoegdheid die zijn erkend op grond van artikel 10, derde lid, van richtlijn 2017/2397 gelden als erkend zoals bedoeld in artikel 17, vierde lid, onderdeel a, van het besluit.

5.

Buitenlandse bewijzen van kennis en bekwaamheid die zijn erkend op grond van artikel 10, derde lid, van richtlijn 2017/2397 zijn geldig als vervanging van de vergelijkbare documenten die geldig zijn op grond van deze regeling.

Artikel 7.12

De in bijlage 7.2 genoemde bewijzen van vaarbekwaamheid onderscheidenlijk getuigschriften worden erkend voor gehele respectievelijk gedeeltelijke vrijstelling van het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid om een schip te voeren, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van het besluit.

§ 3. Radarpatenten
Artikel 7.13

Vervallen

§ 4. Examens
Artikel 7.14

In deze paragraaf wordt onder examinator verstaan de instellingen of personen bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet.

Artikel 7.15
1.

Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs I heeft betrekking op de volgende onderwerpen:

  • a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op rivieren, kanalen en meren;
  • b. de behandeling van de voortstuwingswerktuigen;
  • c. de veiligheidsmaatregelen;
  • d. de waterwegen, de omstandigheden van het vaarwater en elementaire meteorologie;
  • e. het varen, manoeuvreren en de onder bijzondere omstandigheden te nemen maatregelen.
2.

Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs II heeft betrekking op de in het eerste lid genoemde onderwerpen alsmede op:

  • a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op de Westerschelde, de Eems en de Dollard;
  • b. het gebruik van nautische bescheiden;
  • c. de koers- en plaatsbepaling;
  • d. meteorologie.
Artikel 7.16
1.

Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor schipper heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 2 van bijlage II en rubriek 2 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en genoemd in onderdeel II van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12 en omvat een praktijkexamen.

2.

Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor stuurman, volmatroos of matroos heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 1 van bijlage II en rubriek 1 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en genoemd in onderdeel I van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12.

3.

De basisopleiding veiligheid deksman is gebaseerd op de Standaarden voor de basisopleiding veiligheid voor deksmannen, vastgesteld door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart in het besluit CESNI 2021-I-1.

4.

Het examen ter verkrijging van een specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 3.1 van bijlage II en rubriek 3.1 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en genoemd in onderdeel III van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12.

5.

Het examen ter verkrijging van de specifieke vergunning voor het varen op een waterweg die is ingedeeld als binnenwatertraject met specifieke risico’s omvat de examenonderdelen die door de EU-lidstaat die de binnenwateren met specifieke risico’s heeft aangewezen verplicht worden gesteld en heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen die die lidstaat heeft vastgesteld.

6.

Het examen ter verkrijging van een specifieke vergunning voor radarvaart heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 3.2 van bijlage II en rubriek 3.2 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en omvat een praktijkexamen en genoemd in onderdeel IV van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12.

7.

Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor deskundige voor de passagiersvaart heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 4.1 van bijlage II en rubriek 4.1 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en genoemd in onderdeel V van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12 en omvat een praktijkexamen.

8.

Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 4.2 van bijlage II en rubriek 4.2 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en genoemd in onderdeel VI van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12 en omvat een praktijkexamen.

9.

Een wijziging van bijlage II of bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 of bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12 gaat voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 7.17
1.

Nadat het examen ter verkrijging van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning met gunstig gevolg is afgelegd, wordt de verklaring bedoeld in artikel 26, eerste lid, of artikel 26a, vierde lid, van de wet, afgegeven door de instantie die het examen heeft afgenomen.

2.

De verklaring vermeldt voor welk vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning het examen is afgelegd.

3.

Een verklaring met betrekking tot het succesvol afleggen van een praktijkexamen op een simulator die voldoet aan artikel 21 van richtlijn (EU) 2017/2397, afgegeven in een andere EU-lidstaat, zijn geldig in plaats van de vergelijkbare verklaring bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7.18
1.

Om voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat schipper in aanmerking te komen:

  • a. heeft de aanvrager van ten minste 18 jaar oud een goedgekeurd opleidingsprogramma van ten minste drie jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in artikel 7.16, eerste lid, heeft de aanvrager een vaartijd van ten minste 360 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma of na afloop daarvan en is deze houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008;
  • b. beschikt de aanvrager van ten minste 18 jaar oud over de relevante verklaring, bedoeld in artikel 7.17, toont deze daarnaast aan dat een vaartijd is opgebouwd van ten minste 180 dagen in de functie stuurman en is de aanvrager houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008;
  • c. beschikt de aanvrager van ten minste 18 jaar oud over de relevante verklaring, bedoeld in artikel 7.17, toont deze daarnaast aan dat een vaartijd is opgebouwd van ten minste 540 dagen, die verminderd worden tot 180 dagen indien de aanvrager 500 dagen werkervaring aan boord van een zeeschip kan aantonen, en is de aanvrager houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008; of
  • d. heeft de aanvrager een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma van ten minste anderhalf jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in artikel 7.16, eerste lid, heeft de aanvrager een vaartijd van ten minste 180 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma en ten minste 180 dagen na afloop daarvan, is de aanvrager houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008 en heeft de aanvrager voorafgaand aan de inschrijving voor het opleidingsprogramma vijf jaar werkervaring opgebouwd, 500 dagen werkervaring als dekbemanningslid op een zeeschip opgebouwd of een beroepsopleiding voltooid van ten minste drie jaar.
2.

De volgende vaarbewijzen zijn tot en met 17 januari 2032 gelijkwaardige documenten zoals bedoeld in artikel 21 van het besluit:

  • a. het beperkt groot vaarbewijs A en het groot vaarbewijs A voor de afgifte van het kwalificatiecertificaat schipper met de specifieke vergunning voor het varen op wateren van maritieme aard;
  • b. het beperkt groot vaarbewijs B en het groot vaarbewijs B voor de afgifte van het kwalificatiecertificaat schipper.
3.

De opleidingsprogramma’s die gebaseerd zijn op de competentienormen en onderwerpen zoals genoemd in onderdeel 2 van bijlage II en rubriek 2 van tabel B van bijlage IV van Richtlijn 2017/2397 zijn de opleidingsprogramma’s die resulteren in het diploma kapitein binnenvaart, schipper binnenvaart of bootman, zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen onder de respectieve nummers 25612, 25611 en 25635.

Artikel 7.19
1.

De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard in aanmerking wil komen beschikt over verklaring als bedoeld in artikel 7.17.

2.

De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen op waterwegen die zijn ingedeeld als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s in aanmerking wil komen beschikt over de relevante verklaring, bedoeld in artikel 7.17.

3.

De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor radarvaart in aanmerking wil komen beschikt over een verklaring als bedoeld in artikel 7.17, over een radarpatent, bedoeld in artikel 20.09, van het Rsp, of kan aantonen dat het diploma kapitein binnenvaart of schipper binnenvaart zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de respectieve opleidingscodes 10650, 25511, 25612, 93110, 95640, 25972, 10651, 25510, 25971, 25635, 91900, 95630 dan wel het onderdeel radar van die opleidingen is behaald.

4.

De afgifte van een specifieke vergunning voor het gebruik van vloeibaar aardgas als brandstof vindt plaats in de vorm van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), bedoeld in artikel 7.19a, derde lid.

5.

De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen in grote konvooien in aanmerking wil komen heeft een vaartijd opgebouwd van ten minste 720 dagen, waarvan ten minste 540 dagen als schipper en ten minste 180 dagen als begeleider van een groot konvooi.

6.

De afgifte van de specifieke vergunningen zoals bedoeld in het eerste tot en met het derde lid en het vijfde lid vindt plaats door aantekening op het kwalificatiecertificaat schipper of het CCR-kwalificatiecertificaat schipper van de aanvrager en wordt bij een verlenging van het kwalificatiecertificaat opnieuw aangetekend.

7.

In afwijking van het zesde lid, wordt indien de aanvrager geen houder is van een kwalificatiecertificaat schipper of CCR-kwalificatiecertificaat schipper maar wel houder is van een als gelijkwaardig erkend vaarbewijs als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het besluit, de specifieke vergunning als een losse verklaring afgegeven.

Artikel 7.20
1.

De examinator biedt ten minste eenmaal per jaar de mogelijkheid examens af te leggen. Hij maakt tijdig bekend voor welk tijdstip en bij wie aanmelding voor een examen dient te geschieden. Hij vermeldt tevens welke vergoeding voor het afleggen van het examen verschuldigd is, alsmede de wijze van betaling.

2.

De examinator zorgt dat de examens worden afgenomen in daartoe geschikte locaties. Hij zorgt voor toezicht en een goede gang van zaken bij het examen. Onder meer worden maatregelen getroffen om bedrog te voorkomen.

3.

Indien zich tijdens het examen onregelmatigheden hebben voorgedaan stelt de examinator zo spoedig mogelijk een verslag op omtrent het voorgevallene.

4.

De examinator bewaart het verslag en de examenbescheiden gedurende een jaar na afloop van het examen.

Artikel 7.21
1.

De examens, bedoeld in de artikelen 7.15 en 7.16 en het examen ter verkrijging van een verklaring praktijkexamen machinist worden afgenomen met inachtneming van een examenreglement en een examenprogramma die zijn goedgekeurd door de minister.

2.

De minister keurt het examenreglement en het examenprogramma slechts goed indien deze naar zijn oordeel voldoende waarborgen bevatten dat de vereiste kennis en bekwaamheid van de kandidaat naar behoren worden onderzocht.

§ 2. Erkenningen
Artikel 7.22
1.

Een aanvraag tot afgifte van een duplicaat wordt door de houder van het klein vaarbewijs ingediend bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het klein vaarbewijs, onder vermelding van de reden.

2.

De aanvrager wiens eerder uitgereikt klein vaarbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, legt hieromtrent bij het indienen van zijn aanvraag een schriftelijke verklaring af.

3.

Voor zover het klein vaarbewijs nog aanwezig is, wordt dit tegelijk met de aanvraag overgelegd.

4.

Indien de houder van een verloren geraakt klein vaarbewijs dit weer tot zijn beschikking heeft gekregen, levert hij dit klein vaarbewijs onverwijld in bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het klein vaarbewijs.

Artikel 7.23
1.

Bij naamswijziging van de houder van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning, en indien de geldigheidsduur van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning niet langer dan een jaar verstreken is, kan onder handhaving van de oorspronkelijke geldigheidsduur een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning voorzien van de gewijzigde gegevens worden afgegeven.

2.

Bij verlies van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning kan onder handhaving van de oorspronkelijke geldigheidsduur een vervangend document worden afgegeven, indien de betreffende kwalificatie vermeld staat in het register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten bedoeld in artikel 33a van het Binnenvaartbesluit.

3.

Een aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt door de houder van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning ingediend bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning, onder vermelding van de reden.

4.

Bij de aanvraag wordt het te vervangen vaarbewijs, het te vervangen kwalificatiecertificaat of de te vervangen specifieke vergunning indien mogelijk ingeleverd.

§ 3. Radarpatenten
Artikel 7.24
1.

De instanties die belast zijn met de afgifte van vaarbewijzen, kwalificatiecertificaten of specifieke vergunningen stellen de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie alsmede de dienst Zeehavenpolitie van de regionale eenheid Rotterdam onverwijld schriftelijk in kennis van:

  • a. de ongeldigverklaring voor de gehele of gedeeltelijke geldigheidsduur van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning;
  • b. de ongeldigverklaring van een groot pleziervaartbewijs als bedoeld in artikel 7.8;
  • c. de ongeldigverklaring van een zeilbewijs als bedoeld in artikel 7.9;
  • d. de ongeldigverklaring van een vrijstellingsbewijs als bedoeld in artikel 7.6.
2.

Van de in het eerste lid bedoelde in kennis stelling wordt gelijktijdig mededeling gedaan aan de houder van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning.

3.

Een registratie in het register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten bedoeld in artikel 33a van het Binnenvaartbesluit geldt als een schriftelijke in kennisstelling bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 8. Overige documenten

Artikel 8.1

De Minister verstrekt een Rijnvaartverklaring, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a van het besluit, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 5 van de bijlage bij verordening (EEG) 2919/85.

Artikel 8.2
1.

De Rijnvaartverklaring wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 8.1 bij deze regeling.

2.

De verklaring bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de bijlage bij verordening (EEG) 2919/85 wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 8.2 bij deze regeling.

Artikel 8.3
1.

De Minister verstrekt een bewijs van toelating, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, indien wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de herziene Rijnvaartakte.

2.

Het bewijs van toelating wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 8.3 bij deze regeling.

Artikel 8.4

Als geëigend document, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, zijn aangewezen de attesten, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3921/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een Lid-Staat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 373).

Artikel 8.5

De houder van een document van toelating draagt er zorg voor dat dit document op een van de volgende wijzen kan worden gecontroleerd:

  • a. aan boord van het binnenschip, waarvoor het document is afgegeven; of
  • b. ten kantore van de eigenaar of de exploitant van dat binnenschip.

Hoofdstuk 9. Registratie en statistiek

Artikel 9.1

Het registratienummer, bedoeld in artikel 30 van het besluit, wordt op het binnenschip aangebracht op de plaats en wijze, bedoeld in artikel 2.01, eerste lid, onder a, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.01, derde lid, van dat reglement.

Artikel 9.2

Degene die daadwerkelijk en bij voortduring leiding geeft aan de vervoersactiviteit van een onderneming bestaande uit het bedrijfsmatig vervoer van goederen, anders dan bestemd voor of afkomstig van de eigen onderneming, met vaartuigen met een laadvermogen van 50 ton of meer, alsmede de personen bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, zijn verstrekken periodiek over één of meer door het Centraal Bureau voor de Statistiek nader vast te stellen tijdvakken en uiterlijk binnen veertien dagen na afloop daarvan aan het Centraal Bureau voor de Statistiek een opgave van:

  • a. de datum van het vervoer;
  • b. de soorten van vervoer;
  • c. de scheepsgegevens;
  • d. het land, de regio of het gebied en de plaats van lading en lossing, respectievelijk het land, de regio of het gebied en plaats van vertrek en aankomst bij leegvaart;
  • e. de afstand tussen de plaats of plaatsen van lading en de plaats of plaatsen van lossing, respectievelijk de afstand tussen de plaats van vertrek en aankomst bij leegvaart;
  • f. het gewicht, uitgedrukt in tonnen, van de vervoerde goederen;
  • g. de aard van de vervoerde goederen;
  • h. het aantal beladen en lege containers naar grootte;
  • i. het identificatienummer, klasse en cijfer van de vervoerde stof in geval van vervoer van gevaarlijke stoffen.

Hoofdstuk 10. Toezicht en handhaving

Artikel 10.1

Als ambtenaren in de zin van artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die belast zijn met toezicht en opsporing.

Artikel 10.2

Als ambtenaren in de zin van artikel 40, tweede lid, van de wet worden aangewezen de ambtenaren, onderscheidenlijk medewerkers, van:

  • a. de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Amsterdam N.V.;
  • b. het directoraat-generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;
  • c. de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Rotterdam N.V.;
  • d. de Arbeidsinspectie.
Artikel 10.3
1.

Als ambtenaren in de zin van artikel 40, tweede lid, van de wet worden aangewezen de ambtenaren van de in artikel 10.4 genoemde provincies, gemeenten onderscheidenlijk waterschappen die daartoe door het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur als zodanig zijn aangesteld.

2.

Het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur stelt slechts ambtenaren aan die naar zijn oordeel voldoende bekwaam zijn ter zake van de wet en van toezicht of opsporing.

Artikel 10.4
1.

De in artikel 10.3, eerste lid, bedoelde provincies zijn: Fryslân, Groningen en Overijssel.

2.

De in artikel 10.3, eerste lid, bedoelde gemeenten zijn: Aalsmeer en Amsterdam.

3.

Het in artikel 10.3, eerste lid, bedoelde waterschap is: Rivierenland.

Hoofdstuk 8. Overige documenten

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen en wijzigingen in andere regelingen

§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 12.1
1.

Op binnenschepen die niet onder het toepassingsbereik van richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 tot het vaststellen van de technische voorschriften voor binnenschepen (PbEG L 301) vielen, maar wel onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen, is artikel 29, tweede, derde en vierde lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 van toepassing.

2.

Als tekortkomingen die geen klaarblijkelijk gevaar opleveren als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede alinea, van richtlijn (EU) 2016/1629 worden in ieder geval de tekortkomingen gerekend die voor binnenschepen als bedoeld in het eerste lid voortvloeien uit de tot het in werking treden van de wet toegepaste overgangsbepalingen van het Binnenschepenbesluit zoals dat op dat moment luidde.

Artikel 12.2

Ten aanzien van een binnenschip waarvan het vlak van de grootste toegelaten diepgang bij de laatste meting is vastgesteld volgens artikel 5 van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van het besluit van 23 maart 1998, houdende wijziging van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978, kan bij hermeting het vlak van de grootste toegelaten diepgang op verzoek van de belanghebbende worden vastgesteld met toepassing van dat artikel, mits het vaartuig sinds de laatste meting geen verbouwing heeft ondergaan die van invloed kan zijn op de vaststelling van dat vlak.

Artikel 12.3
1.

Klein vaarbewijzen en groot pleziervaartbewijzen, afgegeven krachtens deze regeling tot 1 januari 2020 blijven geldig totdat hun geldigheid is verstreken.

2.

Dienstboekjes, vaartijdenboeken, Rijnpatenten, attesten en andere documenten, afgegeven vóór 1 juli 2011 op grond van hoofdstuk 23 van het RosR 1995, het Patentreglement Rijn of het Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen, blijven geldig totdat hun geldigheid is verstreken.

Artikel 12.4

Ambtenaren die op het moment voor inwerkingtreding van de wet krachtens aanwijzing door de Minister bevoegd waren tot toezicht op de naleving of tot opsporing van het bepaalde bij of krachtens de Binnenschepenwet, de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, de Wet vervoer binnenvaart of de Herziene Rijnvaartakte, behouden die bevoegdheid tot 31 december 2009 of zoveel eerder als zij ingevolge hoofdstuk 10 worden aangewezen onderscheidenlijk van hun bevoegdheid tot toezicht of opsporing worden ontheven.

Artikel 12.5

De tot 1 juli 2009 door de Stichting Commissie Watersport Opleidingen te Nieuwegein afgegeven diploma’s CWO groot motorschip alsook het door Scouting Nederland afgegeven diploma Machtiging voor bootleiding (MBL) M3 en het tot 1 januari 2020 door de Stichting VAMEX afgegeven diploma CWO groot motorschip gelden als het in artikel 7.8, derde lid, onderdeel a, bedoelde door het CBR afgegeven diploma.

§ 2. Wijzigingen in andere regelingen
Artikel 12.6

Wijzigt de Regeling bemanning zeegaande zeilschepen.

Artikel 12.7

Wijzigt de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen.

Artikel 12.8

Wijzigt de Subsidieregeling dieselmotoren voor binnenvaartschepen.

Artikel 12.9

Wijzigt de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

Artikel 12.10

Wijzigt de Regeling aanwijzing wetgeving ex art. 4:2, tweede lid, Besluit politiegegevens.

Artikel 12.11

Wijzigt de Regeling tarieven scheepvaart 2005.

Hoofdstuk 9. Registratie en statistiek

Artikel 13.1

Deze regeling treedt gelijktijdig in werking met de Binnenvaartwet.

Artikel 13.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Binnenvaartregeling.

Bijlage 1.1. : Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid

Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995

Bijlage 1.2. : Patentreglement Rijn als bedoeld in artikel 1.9

Patentreglement Rijn

Bijlage 1.3. : Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen (RVP) als bedoeld in artikel 1.13

Reglement veiligheidspersoneel passagiersschepen

Bijlage 1.1. : Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid

Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995

§ 1. Typegoedkeuring

Artikel 1

Artikel 2

De typegoedkeuring kan worden verleend indien de tachograaf voldoet aan de voorschriften van de bijlage H, onderdeel A, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995.

Artikel 1

De tachograaf wordt zodanig op het schip geïnstalleerd, dat alle met de tachograaf verband houdende bestanddelen deugdelijk tegen beschadiging zijn beschermd.

Artikel 4

Artikel 3

Artikel 6

De Dienst Wegverkeer kan een erkenning als installateur of reparateur intrekken als aan de voorschriften in deze regeling of in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 niet wordt voldaan.

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 9

§ 1. Typegoedkeuring

De fabrikant of importeur van tachografen die in het bezit is van een erkenning als installateur of reparateur van tachografen is verplicht zorg te dragen dat:

Artikel 2

De typegoedkeuring kan worden verleend indien de tachograaf voldoet aan de voorschriften van de bijlage H, onderdeel A, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995.

Bijlage 1.2. : Patentreglement Rijn als bedoeld in artikel 1.9

Vervallen

§ 1. Typegoedkeuring

§ 1. Typegoedkeuring

Een lantaarn is een apparaat dat is bestemd om het licht van een kunstmatige lichtbron te verspreiden met inbegrip van de onderdelen die noodzakelijk zijn voor het filteren, de breking en de reflectie van het licht, alsmede voor de bevestiging en het doen branden van de lichtbron.

Het vrijboord bedraagt ten minste 0,40 m.

Artikel 1

Artikel 1

Het vrijboord bedraagt ten minste 0,40 m.

Artikel 2

Artikel 3

§ 1. Typegoedkeuring

2. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor het apparaat voor het visualiseren van elektronische binnenvaartkaarten

Artikel 7. Kleur van de lichten

Artikel 4

k: de coëfficiënt als bedoeld in bijlage II van richtlijn 2006/87/EG, artikel 10.01 tweede lid;

Artikel 4

§ 1. Typegoedkeuring

Artikel 5

Er is een radiotelefonie-installatie aanwezig waardoor gesprekken in het openbare verkeer mogelijk zijn.

Er is een radiotelefonie-installatie aanwezig waardoor gesprekken in het openbare verkeer mogelijk zijn.

Minimumeisen:

Minimumeisen:

Artikel 7

2. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor het apparaat voor het visualiseren van elektronische binnenvaartkaarten

de meest recente officiële elektronische navigatiekaarten gebruiken.

2. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor het apparaat voor het visualiseren van elektronische binnenvaartkaarten

Minimumeisen:

Aanbevelingen:

1. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor de elektronische binnenvaartkaarten

Artikel 4

Aanbeveling:

Artikel 1

2. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor het apparaat voor het visualiseren van elektronische binnenvaartkaarten

Artikel 1

Aanbevelingen:

Minimumeisen:

Artikel 3

Artikel 3

2. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor het apparaat voor het visualiseren van elektronische binnenvaartkaarten

Artikel 3. Berekening van het ten hoogste toegestane aantal passagiers

Aanbevelingen:

3. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor de software waarmee elektronische binnenvaartkaarten gevisualiseerd kunnen worden

Minimumeisen:

Artikel 4

Naast de in bijlage 1.1a voorgeschreven uitrusting hebben schepen in zone 2 de volgende uitrusting aan boord:

Artikel 5

P = k.B.T + 4.Af [kg]

Artikel 6

k: de coëfficiënt als bedoeld in bijlage II van richtlijn 2006/87/EG, artikel 10.01 tweede lid;

Artikel 7

Passagiersschepen die op de zone 2 varen zijn voorzien van een aantekening in het certificaat van onderzoek waaruit blijkt dat zij voldoen aan de aanvullende voorschriften in deze bijlage.

Artikel 8

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 1

Deze bijlage is van toepassing in het havengebied van Amsterdam, Zaanstad, Beverwijk en Velsen, met inbegrip van het Noordzeekanaal, de Zaan, de Knollendammervaart en het Noordhollandsch Kanaal vanaf het IJ tot de kruising met de Knollendammervaart, met dien verstande dat de grenzen van dit gebied aan oostelijke zijde gevormd worden door de Oranjesluizen, aan de westelijke zijde door de sluizen van IJmuiden en op het Amsterdam-Rijnkanaal door de monding van het Lozingskanaal.

Artikel 2

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde, voldoen Amsterdamse dekschuiten aan bijlage 1.1a met uitzondering van de artikelen 8.08, 13.01, 13.02, 13.07, 13.08, eerste lid, en 14.02, tweede en vierde lid.

Op geen enkele plaats van de scheepshuid is de volgens artikel 19.02, eerste lid, onderdelen a of b, van ES-TRIN berekende waarde minder dan 4 mm.

Artikel 7

Passagiersschepen op zone 2 zijn voorzien van een aantekening in het certificaat van onderzoek waaruit blijkt dat zij voldoen aan de aanvullende voorschriften in deze bijlage.

Artikel 8

Artikel 3

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2. Toepassing van de richtlijn

Artikel 2

Artikel 1

Artikel 3

Artikel 2. Toepassing van de richtlijn

De vulaansluiting van een CNG-tank:

Artikel 4. Beveiliging van passagiers

Artikel 7. Reddingsboeien

Artikel 1

Artikel 6. Ramen

Artikel 2. Toepassing van de richtlijn

Artikel 3. Berekening van het ten hoogste toegestane aantal passagiers

Artikel 4. Beveiliging van passagiers

Artikel 6. Ramen

Artikel 5. Toegangen, uitgangen en verbindingswegen

Bij gebruik op de binnenwateren van zone 3 zijn de schepen voorzien van een anker met een gewicht van ten minste 50 kg en een ankerketting of ankerdraad met een lengte van ten minste 30 m. Het ankergewicht mag worden verminderd bij toepassing van bijzondere ankertypen met verhoogde houdkracht.

De constructie van de ramen is van voldoende sterkte, afhankelijk van de hoogte boven de geladen lastlijn en van de zone van het vaarwater.

Buitenboordaansluitingen zijn direct op de huid voorzien van een afsluiter. Dit geldt niet voor toiletten die zijn voorzien van een metalen pot, gemonteerd op een dikwandige stalen pijp, zodanig dat de bovenrand van de pot een veiligheidsafstand van ten minste 0,40 m heeft.

Buitenboordaansluitingen zijn direct op de huid voorzien van een afsluiter. Dit geldt niet voor toiletten die zijn voorzien van een metalen pot, gemonteerd op een dikwandige stalen pijp, zodanig dat de bovenrand van de pot een veiligheidsafstand van ten minste 0,40 m heeft.

Indien de rondvaartboot is voorzien van een CNG-installatie is de ruimte waarin de voortstuwingsmotor is geplaatst voorzien van een vast opgestelde brandblusinstallatie.

Artikel 9. Uitrusting

Artikel 10. Schotten

Artikel 11. Buitenboordaansluitingen

Artikel 16. Combinaties van onderdelen

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Voor open rondvaartboten kan ontheffing van artikel 15.04, eerste lid, van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG worden verleend.

Artikel 14. Eisen aan de toelating van onderdelen voor de CNG-installatie

Artikel 15. Drukbestendigheid

De onderdelen van de CNG-installatie zijn bestand tegen de hoogste druk die onder normale bedrijfsomstandigheden kan optreden in het gedeelte van de CNG-installatie waar een onderdeel is aangebracht.

Artikel 19 , derde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op de ruimte waarin de voortstuwingsmotor van een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype, voorzien van een CNG-installatie, is geplaatst.

Artikel 17. Constructie

Artikel 18. Bijzondere constructie-eisen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)