Binnenvaartregeling

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 883
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Bijlage 1.1. Reglement onderzoek schepen op de Rijn

Reglement onderzoek schepen op de Rijn

Bijlage 1.1a. Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen

Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen

Bijlage 1.3. : Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen (RVP) als bedoeld in artikel 1.13

Vervallen

Bijlage 1.4. Voorschriften met betrekking tot typegoedkeuring en installatie tachografen Rijnvaart als bedoeld in artikel 1.8

Het vrijboord bedraagt ten minste 0,40 m.

Minimumeisen:

Aanbeveling:

Voor passagiersschepen wordt de totale massa P van het boeganker berekend volgens de formule:

Bijlage 1.6. : Voorschriften omtrent de minimum eisen en de keuringsvoorwaarden voor radarinstallaties voor de Rijnvaart, als bedoeld in artikel 1.15, eerste lid

Vervallen

2. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor het apparaat voor het visualiseren van elektronische binnenvaartkaarten

3. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor de software waarmee elektronische binnenvaartkaarten gevisualiseerd kunnen worden

Minimumeisen:

Bijlage 1.9. als bedoeld in artikel 1.9

Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (Rsp)

Deze bijlage is van toepassing in het havengebied van Amsterdam, Zaanstad, Beverwijk en Velsen, met inbegrip van het Noordzeekanaal, de Zaan, de Knollendammervaart en het Noordhollandsch Kanaal vanaf het IJ tot de kruising met de Knollendammervaart, met dien verstande dat de grenzen van dit gebied aan oostelijke zijde gevormd worden door de Oranjesluizen, aan de westelijke zijde door de sluizen van IJmuiden en op het Amsterdam-Rijnkanaal door de monding van het Lozingskanaal.

Bijlage 3.4. : Technische eisen voor open rondvaartboten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel c

Buitenboordaansluitingen zijn direct op de huid voorzien van een afsluiter. Dit geldt niet voor toiletten die zijn voorzien van een metalen pot, gemonteerd op een dikwandige stalen pijp, zodanig dat de bovenrand van de pot een veiligheidsafstand van ten minste 0,40 m heeft.

Voor open rondvaartboten kan ontheffing van artikel 15.04, eerste lid, van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG worden verleend.

De vulaansluiting van een CNG-tank:

Bijlage 3.5. : Technische eisen voor skûtsjes als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel d

Bijlage 3.6. Technische eisen voor veerponten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel e

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

De begripsbepalingen van artikel 1.01 van bijlage 1.1a zijn van overeenkomstige toepassing op deze bijlage.

Bijlage 3.7. Technische eisen voor veerboten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel f

Veerponten die zijn gebouwd en ingericht voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen zijn, op of in de onmiddellijke nabijheid van het rijdek, voorzien van ten minste twee draagbare blustoestellen. De in de artikelen 13.03 en 19.12, eerste lid, van ES-TRIN bedoelde draagbare blustoestellen worden daartoe meegerekend.

Hoofdstuk 8. Uitrusting

4.01, 4.02, 19.02, tweede tot en met dertiende lid, 19.03, 19.04, 19.05, tweede lid, 19.07, 19.09, eerste lid, tweede alinea.

In een dwarsschot is het toegestaan een sprong of nis aan te brengen, mits alle delen van de sprong binnen de in artikel 2.2, vierde lid, bedoelde veilige zone zijn gelegen.

De bepalingen van de hoofdstukken 2 tot en met 10 van deze bijlage zijn van toepassing op veerboten, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.

Indien de in artikel 2.2 bedoelde openingen en deuren zijn toegestaan, wordt in het certificaat het volgende bedrijfsvoorschrift opgenomen:

Bijlage 3.8. Technische eisen voor bunkerstations als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel g

Veerboten zijn uitgerust met draagbare vluchtmaskers die een werkingsduur van ten minste 15 minuten hebben. Het aantal daarvan bedraagt ten minste vier vermeerderd met twee voor elk dek dat is bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen. De vluchtmaskers worden op een geschikte plaats aangebracht. Zij zijn voorzien van duidelijke aanwijzingen met betrekking tot het gebruik.

Het bunkerstation is voorzien van duidelijke borden met het toegangsverbod en het rookverbod. De borden zijn aan beide zijden van het bunkerstation zowel overdag als ’s nachts duidelijk zichtbaar. Zo nodig wordt aan boord aangegeven waar en onder welke omstandigheden een verbod niet van kracht is.

Elektrisch geleidende verbindingen tussen het bunkerstation en de wal en het bunkerstation en het te bunkeren schip zijn zodanig, dat zij geen ontstekingsbron vormen.

Elektrische inrichtingen verkeren in onberispelijke staat.

Artikel 31. Verlichting

De volgende documenten bevinden zich aan boord:

Bijlage 3.9. : Technische eisen voor patrouillevaartuigen als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel h

Schoonmaakwerkzaamheden in de onderdeks gelegen ladingzone met behulp van vloeistoffen met een vlampunt beneden 55 °C zijn verboden.

Voor bunkerstations die op 1 februari 2002 reeds in bedrijf waren geldt dat:

Artikel 1

Artikel 65

Bijlage 4.1. Metingsvoorschriften als bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.12

Artikel 5

Bijlage 3.11. bedoeld in artikel 3.26

Pakket 1a. Tankschepen gevaarlijke stoffen onder klasse
Dit pakket is bij wet voorbehouden aan klassenbureaus
Pakket 1b. Tankschepen gevaarlijke stoffen geen klasse
Motortankschip
type N-gesloten
type N-open met vlamkering
type N-open
Tankduwbak
type N-gesloten
type N-open met vlamkering
type N-open
Sleeptankschip
type N-gesloten
type N-open met vlamkering
type N-open
Bunkerboot
Bilgeboot
Schoonmaak-bewaarschip
Bunkerstation
Bunkerponton
Pakket 2. Vervoer van droge lading
Zeeschip (vervoer droge lading)
Motorvrachtschip
Vrachtduwbak
Ponton
Kopbak
Dekschuit
Zeeschipbak
Motortankschip (zonder vervoer ADN)
Sleepvrachtschip
Sleeptankschip (zonder vervoer ADN)
Amsterdamse dekschuit
Pakket 3. Overige schepen en passagiersschepen tot een lengte van 45m.
Sleepboot
Sleepboot met duwsteven
Sleep-Duwboot
Duwboot
Passagiersschepen
Hotelschip
Rondvaartdagboot (dagtochten)
Zeilend passagiersschip
Amsterdams grachtentype
Open rondvaartboot
Skûtsje
Veerpont
Auto
Fiets/voet
Patrouillevaartuig
Patrouillevaartuig
Oliebestrijdingsvaartuig
Brandblusboot
Reddingsboot
Pleziervaartuig
Snel schip (verplicht klasse na 2023) >40km/h
Drijvend werktuig
Werkvaartuig
Pompoverslagboot
Drijvend voorwerp
Pakket 4. Passagiersschepen vanaf 45 m
Passagiersschip
Hotelschip
Rondvaartdagboot (dagtochten)
Zeilend passagiersschip
Veerboten
Veerpont
Auto
Fiets/voet

Bijlage 4.1. Metingsvoorschriften als bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.12

Bijlage 5.1. : Minimumbemanning van hechte samenstellen als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid

Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2
Groep Bemanningsleden A1 A1 A1 A2 A2 B B B B
Groep Bemanningsleden S1 S1 S2 S1 S2 S1 S1 S2 S2
1. Afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m schipper stuurman volmatroos matroos**** lichtmatroos machinist of matroos-motordrijver 1 – – 1 – – 1 – – 1 – – 2 – – – – – 2 – – 1 1* – 2 – – 1 1* – 2 – – – 2* *** – 2 – – – 2* *** –
2. Afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m schipper stuurman volmatroos matroos**** lichtmatroos machinist of matroos-motordrijver 1 of – 1 – – – 1 – – 1 1 – 1 – – 1 1 – * 2 – – – 1* – 2 – – 2 – – 2 – – 2 – – 2 – – 1 1 – 2 – – 1 1 –
3. Duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m schipper stuurman volmatroos matroos**** lichtmatroos machinist of matroos-motordrijver 1 of 1 – 1 – – * 1 1 – – 2 – 1 1 – 1 – 2 – – 1 1* – 2 – – – 2* – 2 of 1 – 2 – – 2 1** – 1 – – 2 1 – 1 1 – 2 1 – 1 1 –
4. Duwboot + 2 duwbakken) motorschip + 1 duwbak) schipper stuurman volmatroos matroos **** lichtmatroos machinist of matroos-motordrijver 1 1 – 1 1* – 1 1 – 1 1* – 1 1 – – 2* – 2 – – 2 1* – 2 – – 1 2* – 2 of 1 – 2 – 1 2 1** – 2 – – 2 of 1 – 1 1 1 2 1** – 1 1 –
5. Duwboot + 3 of 4 duwbakken) motorschip + 2 of 3 duwbakken) schipper stuurman volmatroos matroos**** lichtmatroos Machinist of motordrijver 1 of 1 – 2 – 1 1 1 – 2 2 1 1 1 – 1 1 1 2 – – 2 1* 1 2 – – 1 2* 1 2 of 1 – 2 1* 1 2 1** – 2 – 1 2 of 1 – 1 2 1 2 1** – 1 1 1
6. Duwboot + meer dan 4 duwbakken*) schipper stuurman volmatroos matroos**** lichtmatroos machinist of matroos-motordrijver 1 of 1 – 3 – 1 * 1 1 – 2 2 1 1 1 1 1 1 1 2 – – 3 1* 1 2 – – 2 2* 1 2 of 1 – 3 1* 1 2 1** – 3 – 1 2 of 1 – 2 2* 1 2 1** – 2 1 1
  • De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.

** De stuurman bezit de bekwaamheid van schipper als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid.

*** Een van de lichtmatrozen is ouder dan 18 jaar.

**** De matrozen mogen worden vervangen door lichtmatrozen die de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.

* De minimumbemanning:

a)

in de groep 2, exploitatiewijze A 1, Standaard S2; en

b)

in de groep 3, 5 en 6 exploitatiewijze A1, Standaard S1

kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool wordt aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in noot ****.

*) In de groepen 4, 5 en 6 van deze tabel wordt als duwbak aangemerkt al datgene wat tijdens transport geduwd of langszij meegevoerd wordt.

Bovendien is de volgende gelijkwaardigheid van toepassing: 1 duwbak = meerdere duwbakken met een totale lengte tot en met 76,50 m en een totale breedte tot en met 15 m.

C: een coëfficiënt, te bepalen aan de hand van de formule:

In deze formule betekent:

De veiligheidsafstand van patrouillevaartuigen bedraagt niet minder dan:

Deze bijlage is van toepassing op drijvende werktuigen die werkzaamheden uitvoeren op wateren van zone 4 en waarvan:

Rekening wordt gehouden met het feit dat er aan boord vele werkzaamheden zijn waarbij langdurige concentratie is vereist:

Artikel 7

Indien niet naar alle zijden van het drijvend werktuig voldoende vrij zicht kan worden gegarandeerd, is het drijvend werktuig voorzien van adequate hulpmiddelen om het gebrek aan vrij zicht te compenseren.

Stuurhuizen en verblijven zijn voorzien van doeltreffende verwarming en ventilatie.

Bijlage 6.2. : Model geneeskundige verklaring binnenvaart als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid

Bijlage 6.3. : Model verklaring van medische ongeschiktheid als bedoeld in artikel 6.6, eerste lid

Bijlage 4.1. Metingsvoorschriften als bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.12

De lenspomp bedoeld in artikel 22.02, derde lid, onderdeel a, van ES-TRIN, mag worden vervangen door een elektrische of handmatig aangedreven pomp met een minimale capaciteit van 40 liter per minuut.

Bij gebruik van geneesmiddelen laat de arts zich leiden door de navolgende richtlijnen:

Bijlage 7.1. Erkende vaarbewijzen als bedoeld in artikel 7.11 en met het groot pleziervaartbewijs gelijkgestelde vaarbewijzen als bedoeld in artikel 7.8, eerste lid

Van groot belang is vooral het tijdig herkennen en (laten) behandelen van die aandoeningen die een duidelijk risicoverhogende factor betekenen. In het algemeen dient de betrokkene om in aanmerking te komen voor een geneeskundige verklaring vrij te zijn van enige afwijking, ziekte of verwonding die een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmert. Daarnaast mag de aanwezigheid van de betrokkene aan boord geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de overige opvarenden.

Bijlage 5.2. Minimumbemanning voor schepen voor dagtochten als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid

Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2
Groep Bemanningsleden A1 A1 A1 A2 A2 B B
Groep Bemanningsleden S1 S1 S2 S1 S2 S1 S2
1. Toegestaan aantal passagiers: tot en met 75 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist of volmatroos 1 – – 1 – – 1 – – 1 – – 2 – – 1 – – 2 – – 2 – – 2 – – 1 1 –
2. Toegestaan aantal passagiers: van 76 tot en met 250 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist of volmatroos 1 of – – 1 1 – 1 – – – – 1 1 – – 1 1 – 2 – – – 1* 1 2 – – 1 1* 1
3. Toegestaan aantal passagiers: van 251 tot en met 600 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist 1 of – 1 – – 1*** 1 – 1 – 2 –*** 1 – 1 – 1 –*** 2 – – 1 – 1**** 2 – – – 1 1**** 3 – – 1 – 1**** 3 – – – 1 1****
4. Toegestaan aantal passagiers: van 601 tot en met 1.000 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist of volmatroos 1 1 – 1 1* 1 1 1 – 1 1* 1 1 1 – – 2* 1 2 – – 2 – 1 2 – – 1 1 1 3 – – 2 – 1 3 – – 1 1 1
5. Toegestaan aantal passagiers: van 1.001 tot en met 2.000 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist of volmatroos 2 of – – 3 – 1 2 – – 2 2 1 2 – – 2 1 1 2 – – 3 1* 1 2 – – 2 2* 1 3 – – 3 1* 1 3 – – 2 2* 1
6. Toegestaan aantal passagiers: meer dan 2000 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist of volmatroos 2 – – 3 1* 1 2 – – 3 1* 1 2 – – 2 2* 1 2 – – 4 – 1 2 – – 3 1 1 3 – – 4 1* 1 3 – – 3 2* 1
  • De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.

** De matrozen mogen worden vervangen door lichtmatrozen, die de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.

*** De machinist mag worden vervangen door een matroos.

**** De machinist mag worden vervangen door een volmatroos.

* De minimumbemanning:

a)

in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2;

b)

in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1;

c)

in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2;

d)

in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2; en

e)

in de groep 6, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2.

kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool wordt aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven.

(achterzijde)

Bijlage 7.3. : Modellen vaarbewijzen als bedoeld in artikel 7.3

Bijlage 8.1. : Model rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 8.2, eerste lid

Bijlage 7.5. Model-ICC, als bedoeld in artikel 7.1

(85 mm x 54 mm – achtergrond blauw)

NL INTERNATIONAL CERTIFICATE FOR OPERATORS OF PLEASURE CRAFT NL INTERNATIONAL CERTIFICATE FOR OPERATORS OF PLEASURE CRAFT NL INTERNATIONAL CERTIFICATE FOR OPERATORS OF PLEASURE CRAFT
Pasfoto 6 1.
2. 5.
3.
4. 8.
9.
Handtekening 7 10. 11.
12. 13.
14.
INTERNATIONAL CERTIFICATE FOR OPERATORS OF PLEASURE CRAFT (resolution 40 of the UN/ECE Working Party On Inland Water Transport) CERTIFICATE INTERNATIONAL DE CONDUCTEUR DE BATEAU DE PLA’SANCE (Résolution No. 40 de groupe de travail CEE-ONU des transports par voie navigable) CERTIFICATE INTERNATIONAL DE CONDUCTEUR DE BATEAU DE PLA’SANCE (Résolution No. 40 de groupe de travail CEE-ONU des transports par voie navigable)
--- --- ---
1. ACHTERNAAM SURNAME NOM
2. VOORNAMEN FIRST NAMES PRÉNOMS
3. GEBOORTEDATUM EN- PLAATS DATE AND PLACE OF BIRTH DATE ET LIEU DE NAISSANCE
4. NATIONALITEIT NATIONALITY NATIONALITÉ
5. BURGER SERVICE NUMMER CITIZEN SERVICE NUMBER NUMÉRO DE SERVICE CITOYEN
6. PASFOTO VAN DE HOUDER PHOTOGRAPH OF HOLDER PHOTO DE DÉTENTEUR
7. HANDTEKENING VAN DE HOUDER SIGNATURE OF HOLDER SIGNATURE DU TITULAIRE
8. VAARBEWIJSNUMMER CERTIFICATE NUMBER NUMÉRO DU CERTIFICAT
9. GELDIG VOOR VALID FOR VALABLE POUR
10. AFGIFTEDATUM DATE OF ISSUE DATE D’ÉMISSION
11. VERVALDATUM DATE OF EXPIRY DATE D’EXPIRATION
12. AFGEGEVEN DOOR ISSUED BY DÉLIVRÉ PAR
13. AANGEWEZEN DOOR AUTHORISED BY AUTORISÉ PAR
14. BEPERKINGEN/VERMELDINGEN RESTRICTIONS/MENTIONS RESTRICTIONS/MENTIONS
STICHTING VAMEX + 31 (88) 4564567 WWW.VAMEX.NL info@vamex.nl STICHTING VAMEX + 31 (88) 4564567 WWW.VAMEX.NL info@vamex.nl STICHTING VAMEX + 31 (88) 4564567 WWW.VAMEX.NL info@vamex.nl

Bijlage 7.1. Erkende vaarbewijzen als bedoeld in artikel 7.11 en met het groot pleziervaartbewijs gelijkgestelde vaarbewijzen als bedoeld in artikel 7.8, eerste lid

Deze regeling zal in een bijlage bij de Staatscourant worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 7.9b
1.

Als vaarbewijs als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet, worden aangewezen het kwalificatiecertificaat schipper, het klein vaarbewijs I, het klein vaarbewijs II, het kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, het kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied, bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, het zeilbewijs, bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, een erkend buitenlands bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel 7.11, en de specifieke vergunningen, bedoeld in artikel 7.11b.

2.

Als categorieën vaarbewijzen, bedoeld in de artikelen 48, vijfde lid, en 49, tweede lid, van de wet, worden aangewezen het klein vaarbewijs I, het klein vaarbewijs II, alsmede erkende buitenlandse bewijzen van vaarbekwaamheid als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 en 1.4.

§ 2. Erkenningen
§ 3. Radarpatenten
Artikel 7.19a
1.

De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen voor de passagiersvaart in aanmerking wil komen is ten minste 18 jaar oud en heeft een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma afgerond dat gebaseerd is op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in artikel 7.16, zevende lid.

2.

Het kwalificatiecertificaat voor deskundigen voor de passagiersvaart is vijf jaar geldig en kan verlengd worden door het tonen van een nieuwe relevante verklaring zoals bedoeld in artikel 7.17.

3.

De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) in aanmerking wil komen heeft een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma afgerond dat gebaseerd is op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 4.2 van bijlage II en rubriek 4.2 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en beschikt over een relevante verklaring, bedoeld in artikel 7.17.

4.

Het kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) is vijf jaar geldig en kan verlengd worden door het tonen van een nieuwe relevante verklaring zoals bedoeld in artikel 7.17 of door het aantonen van opgebouwde vaartijd op een schip dat vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruikt van 180 dagen in de afgelopen vijf jaar of 90 dagen in het afgelopen jaar.

§ 5. Vervanging en afgifte van duplicaten van vaarbewijzen
§ 6. Gegevensverstrekking

Hoofdstuk 9. Registratie en statistiek

Hoofdstuk 9. Registratie en statistiek

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen en wijzigingen in andere regelingen

§ 1. Overgangsbepalingen
§ 2. Wijzigingen in andere regelingen

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Aanbevelingen:

Bijlage 1.8. : Voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers voor de rijnvaart, als bedoeld in de artikelen 1.15, eerste lid, en 1.16, eerste lid

Vervallen

Bijlage 3.3. : Technische eisen voor rondvaartboten van het Amsterdams grachtentype als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel b

De veiligheidsafstand bedraagt ten minste:

Artikel 3

Bijlage 3.4. : Technische eisen voor open rondvaartboten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel c

De vulaansluiting van een CNG-tank:

Bijlage 3.5. : Technische eisen voor skûtsjes als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel d

Bijlage 3.6. Technische eisen voor veerponten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel e

Open rondvaartboten zijn bij gebruik op de binnenwateren van zone 3 van een anker met ankertros van voldoende lengte voor het betrokken vaarwater voorzien. Het gewicht van dit anker bedraagt ten minste 25 kg. Het ankergewicht mag worden verminderd bij toepassing van bijzondere ankertypen met verhoogde houdkracht.

Bijlage 3.7. Technische eisen voor veerboten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel f

Veerponten die zijn gebouwd en ingericht voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen zijn, op of in de onmiddellijke nabijheid van het rijdek, voorzien van ten minste twee draagbare blustoestellen. De in de artikelen 13.03 en 19.12, eerste lid, van ES-TRIN bedoelde draagbare blustoestellen worden daartoe meegerekend.

4.01, 4.02, 19.02, tweede tot en met dertiende lid, 19.03, 19.04, 19.05, tweede lid, 19.07, 19.09, eerste lid, tweede alinea.

Indien de in artikel 2.2 bedoelde openingen en deuren zijn toegestaan, wordt in het certificaat het volgende bedrijfsvoorschrift opgenomen:

Bijlage 3.8. Technische eisen voor bunkerstations als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel g

Op veerboten die tussen 1 juli 2009 en 1 januari 2011 zijn voorzien van een certificaat van onderzoek zijn van toepassing:

Het bunkerstation is voorzien van duidelijke borden met het toegangsverbod en het rookverbod. De borden zijn aan beide zijden van het bunkerstation zowel overdag als ’s nachts duidelijk zichtbaar. Zo nodig wordt aan boord aangegeven waar en onder welke omstandigheden een verbod niet van kracht is.

Draagbare lampen in gebruik in de ladingzone en aan dek zijn voorzien van een eigen stroombron en zijn explosieveilig uitgevoerd.

De volgende documenten bevinden zich aan boord:

Elektrisch geleidende verbindingen tussen het bunkerstation en de wal en het bunkerstation en het te bunkeren schip zijn zodanig, dat zij geen ontstekingsbron vormen.

Hoofdstuk 4. Elektrische installaties

Artikel 45. Bunkercontrolelijst

In de ladingzone en in ruimten die niet behoren tot de woning, de winkel of een kantoor geldt een rookverbod en is gebruik van open vuur verboden.

Bijlage 3.10. Model van het certificaat van onderzoek voor bunkerstations als bedoeld in 3.9, zesde lid

Bijlage 3.10. Model van het certificaat van onderzoek voor bunkerstations als bedoeld in 3.9, zesde lid

Patrouillevaartuigen zijn uitgerust met één of twee boegankers waarvan het totale gewicht P in kg wordt berekend met de formule:

Bijlage 6.3. : Model verklaring van medische ongeschiktheid als bedoeld in artikel 6.6, eerste lid

Bijlage 5.2. Minimumbemanning voor schepen voor dagtochten als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid

Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2
Groep Bemanningsleden A1 A1 A1 A2 A2 B B
Groep Bemanningsleden S1 S1 S2 S1 S2 S1 S2
1. Toegestaan aantal passagiers: tot en met 75 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist of volmatroos 1 – – 1 – – 1 – – 1 – – 2 – – 1 – – 2 – – 2 – – 2 – – 1 1 –
2. Toegestaan aantal passagiers: van 76 tot en met 250 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist of volmatroos 1 of – – 1 1 – 1 – – – – 1 1 – – 1 1 – 2 – – – 1* 1 2 – – 1 1* 1
3. Toegestaan aantal passagiers: van 251 tot en met 600 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist 1 of – 1 – – 1*** 1 – 1 – 2 –*** 1 – 1 – 1 –*** 2 – – 1 – 1**** 2 – – – 1 1**** 3 – – 1 – 1**** 3 – – – 1 1****
4. Toegestaan aantal passagiers: van 601 tot en met 1.000 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist of volmatroos 1 1 – 1 1* 1 1 1 – 1 1* 1 1 1 – – 2* 1 2 – – 2 – 1 2 – – 1 1 1 3 – – 2 – 1 3 – – 1 1 1
5. Toegestaan aantal passagiers: van 1.001 tot en met 2.000 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist of volmatroos 2 of – – 3 – 1 2 – – 2 2 1 2 – – 2 1 1 2 – – 3 1* 1 2 – – 2 2* 1 3 – – 3 1* 1 3 – – 2 2* 1
6. Toegestaan aantal passagiers: meer dan 2000 schipper stuurman volmatroos matroos** lichtmatroos machinist of volmatroos 2 – – 3 1* 1 2 – – 3 1* 1 2 – – 2 2* 1 2 – – 4 – 1 2 – – 3 1 1 3 – – 4 1* 1 3 – – 3 2* 1
  • De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.

** De matrozen mogen worden vervangen door lichtmatrozen, die de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.

*** De machinist mag worden vervangen door een matroos.

**** De machinist mag worden vervangen door een volmatroos.

* De minimumbemanning:

a)

in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2;

b)

in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1;

c)

in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2;

d)

in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2; en

e)

in de groep 6, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2.

kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool wordt aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven.

Artikel 7. Meting van binnenschepen, niet bestemd of gebruikt zijn voor het vervoer van goederen (regel II)

Bijlage 5.1. Minimumbemanning van hechte samenstellen als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid

(Externe link) http://wetten.overheid.nl/id/BWBR0025958/2017-07-01/0/Bijlage5.1

Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2
Groep Bemanningsleden A1 A1 A1 A2 A2 B B B B
Groep Bemanningsleden S1 S1 S2 S1 S2 S1 S1 S2 S2
1. Afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m schipper stuurman volmatroos matroos**** lichtmatroos machinist of volmatroos 1 – – 1 – – 1 – – 1 – – 2 – – – – – 2 – – 1 1* – 2 – – 1 1* – 2 – – – 2**** – 2 – – – 2**** –
2. Afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m schipper stuurman volmatroos matroos**** lichtmatroos machinist 1 of – 1 – – –** 1 – – 1 1 –* 1 – – 1 1 –* 2 – – – 1** 2 – – 2 – –* 2 – – 2 – –* 2 – – 1 1 –* 2 – – 1 1 –*
3. Duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m schipper stuurman volmatroos matroos**** lichtmatroos machinist of volmatroos 1 of 1 – 1 – – 1 1 – – 2*** – 1 1 – 1 2 – – 1 1* – 2 – – – 2* – 2 of 1 – 2 – – 2 1** – 1 – – 2 1 – 1 1 – 2 1 – 1 1 –
4. Duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 duwbak schipper stuurman volmatroos matroos **** lichtmatroos machinist of volmatroos 1 1 – 1 1* – 1 1 – 1 1* – 1 1 – – 2* – 2 – – 2 1* – 2 – – 1 2* – 2 of 1 – 2 – 1 2 1** – 2 – – 2 of 1 – 1 1 1 2 1** – 1 1 –
5. Duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken schipper stuurman volmatroos matroos**** lichtmatroos Machinist 1 of 1 – 2 – 1* 1 1 – 1 2 1* 1 1 – 1 1 1* 2 – – 2 1 1** 2 – 1 – 2 1* 2 of 1 – 2 1 1** 2 1 – 2 – 1* 2 of 1 1 – 2 1** 2 1 1 – 1 1****
  • De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.

** De stuurman bezit de bekwaamheid van schipper als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid.

*** Een van de lichtmatrozen is ouder dan 18 jaar.

**** De matrozen mogen worden vervangen door lichtmatrozen die de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het laatste leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.

* De voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig de tabel, kan

a)

in de groep 1, exploitatiewijze B, Standaard S2,

b)

in de groep 2, exploitatiewijze Al, Standaard S2,

c)

in de groep 3, exploitatiewijze Al, Standaard S1 en exploitatiewijze A2, Standaard S2,

d)

in de groep 4, exploitatiewijze Al, Standaard S2 en exploitatiewijze A2, Standaard S2, en

e)

in de groep 5, exploitatiewijze Al, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2, voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel a en het tweede alternatief van onderdeel c, d en het tweede alternatief van onderdeel e zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in noot ****.

** de machinist mag worden vervangen door een matroos;

* de machinist mag worden vervangen door een volmatroos;

Bovendien is de volgende gelijkwaardigheid van toepassing: 1 duwbak = meerdere duwbakken met een totale lengte tot en met 76,50 m en een totale breedte tot en met 15 m.

Wanneer een duwbak breder is dan 15 meter is, op basis van de lengte van het samenstel, de naast hogere groep van toepassing.

Hoofdstuk 1. Algemene keuringsaanwijzingen

(85 mm x 54 mm – achtergrond blauw)

Bij de keuring is men zich terdege bewust van de specifieke werkomstandigheden aan boord, die afhankelijk van het soort schip en vaargebied sterk kunnen variëren:

Deze regeling zal in een bijlage bij de Staatscourant worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Indien de veerpont in ledige toestand een waterverplaatsing heeft van meer dan 75m3 dient er een bijboot aanwezig te zijn.

In een dwarsschot is het toegestaan een sprong of nis aan te brengen, mits alle delen van de sprong binnen de in artikel 2.2, vierde lid, bedoelde veilige zone zijn gelegen.

Bijlage 3.8. Technische eisen voor bunkerstations als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel g

Veerboten zijn uitgerust met draagbare vluchtmaskers die een werkingsduur van ten minste 15 minuten hebben. Het aantal daarvan bedraagt ten minste vier vermeerderd met twee voor elk dek dat is bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen. De vluchtmaskers worden op een geschikte plaats aangebracht. Zij zijn voorzien van duidelijke aanwijzingen met betrekking tot het gebruik.

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

De volgende documenten bevinden zich aan boord:

Bijlage 3.9. : Technische eisen voor patrouillevaartuigen als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel h

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen patrouillevaartuigen aan de voorschriften van dit hoofdstuk indien zij gebouwd of bestemd zijn om ligplaats te nemen langszijde van:

Bijlage 3.11. bedoeld in artikel 3.26

Pakket 1a. Tankschepen gevaarlijke stoffen onder klasse
Dit pakket is bij wet voorbehouden aan klassenbureaus
Pakket 1b. Tankschepen gevaarlijke stoffen geen klasse
Motortankschip
type N-gesloten
type N-open met vlamkering
type N-open
Tankduwbak
type N-gesloten
type N-open met vlamkering
type N-open
Sleeptankschip
type N-gesloten
type N-open met vlamkering
type N-open
Bunkerboot
Bilgeboot
Schoonmaak-bewaarschip
Bunkerstation
Bunkerponton
Pakket 2. Vervoer van droge lading
Zeeschip (vervoer droge lading)
Motorvrachtschip
Vrachtduwbak
Ponton
Kopbak
Dekschuit
Zeeschipbak
Motortankschip (zonder vervoer ADN)
Sleepvrachtschip
Sleeptankschip (zonder vervoer ADN)
Amsterdamse dekschuit
Pakket 3. Overige schepen en passagiersschepen tot een lengte van 45m.
Sleepboot
Sleepboot met duwsteven
Sleep-Duwboot
Duwboot
Passagiersschepen
Hotelschip
Rondvaartdagboot (dagtochten)
Zeilend passagiersschip
Amsterdams grachtentype
Open rondvaartboot
Skûtsje
Veerpont
Auto
Fiets/voet
Patrouillevaartuig
Patrouillevaartuig
Oliebestrijdingsvaartuig
Brandblusboot
Reddingsboot
Pleziervaartuig
Snel schip (verplicht klasse na 2023) >40km/h
Drijvend werktuig
Werkvaartuig
Pompoverslagboot
Drijvend voorwerp
Pakket 4. Passagiersschepen vanaf 45 m
Passagiersschip
Hotelschip
Rondvaartdagboot (dagtochten)
Zeilend passagiersschip
Veerboten
Veerpont
Auto
Fiets/voet

Deze bijlage is van toepassing op drijvende werktuigen die werkzaamheden uitvoeren op wateren van zone 4 en waarvan:

Artikel 8.3a

Van de verplichting bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Binnenvaartbesluit, zijn vrijgesteld veerponten die de stroom dwars oversteken.

Hoofdstuk 9. Registratie en statistiek

Hoofdstuk 11. Bestuurlijke boete

§ 1. Overgangsbepalingen
§ 2. Wijzigingen in andere regelingen

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen en wijzigingen in andere regelingen

Artikel 5

1. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor de elektronische binnenvaartkaarten

Aanbeveling:

Bijlage 1.9. als bedoeld in artikel 1.9

Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (Rsp)

Bijlage 3.3. : Technische eisen voor rondvaartboten van het Amsterdams grachtentype als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel b

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Bijlage 3.4. : Technische eisen voor open rondvaartboten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel c

Bijlage 3.5. : Technische eisen voor skûtsjes als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel d

Bijlage 3.4. Technische eisen voor open rondvaartboten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel c

Bijlage 3.7. Technische eisen voor veerboten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel f

‘Door een daartoe strekkende opdracht aan het personeel wordt verzekerd, dat alle openingen en deuren in waterdichte schotten in geval van gevaar onverwijld waterdicht worden gesloten’.

Bijlage 3.8. Technische eisen voor bunkerstations als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel g

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen bunkerstations aan de hoofdstukken 3, 4, 8 met uitzondering van de artikelen 8.03 en 8.10, eerste en tweede lid, 9 met uitzondering van de artikelen 9.02 en 9.17, 10 met uitzondering van de artikelen 10.01, 10.02 en 10.03a tot en met 10.04, 11 en 12 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG.

Op veerboten die tussen 1 juli 2009 en 1 januari 2011 zijn voorzien van een certificaat van onderzoek zijn van toepassing:

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen bunkerstations aan de hoofdstukken 3, 4, 8 met uitzondering van de artikelen 8.03 en 8.10, eerste en tweede lid, 9 met uitzondering van de artikelen 9.02 en 9.17, 10 met uitzondering van de artikelen 10.01, 10.02 en 10.03a tot en met 10.04, 11 en 12 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG.

Het bunkerstation is voorzien van duidelijke borden met het toegangsverbod en het rookverbod. De borden zijn aan beide zijden van het bunkerstation zowel overdag als ’s nachts duidelijk zichtbaar. Zo nodig wordt aan boord aangegeven waar en onder welke omstandigheden een verbod niet van kracht is.

Draagbare lampen in gebruik in de ladingzone en aan dek zijn voorzien van een eigen stroombron en zijn explosieveilig uitgevoerd.

Draagbare lampen in gebruik in de ladingzone en aan dek zijn voorzien van een eigen stroombron en zijn explosieveilig uitgevoerd.

Draagbare lampen in gebruik in de ladingzone en aan dek zijn voorzien van een eigen stroombron en zijn explosieveilig uitgevoerd.

De volgende documenten bevinden zich aan boord:

Bijlage 3.9. : Technische eisen voor patrouillevaartuigen als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel h

Bijlage 4.1. Metingsvoorschriften als bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.12

Voor binnenschepen die niet bestemd zijn of gebruikt worden voor het vervoer van goederen en beschikken over een normale scheepsvorm, worden de metingen van de verlangde waterverplaatsingen als volgt aan boord, zo nodig met behulp van betrouwbare tekeningen, uitgevoerd:

Bijlage 5.5. Minimumbemanning voor veerboten1Indien zonder passagiers gevaren wordt, kan volstaan worden met een schipper, een stuurman, een 1e machinist en een 2e machinist. als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid

Groep naar toegestaan aantal passagiers Bemanningsleden Aantal bemanningsleden
1. max. 300 passagiers schipper stuurman 1e machinist 2e machinist 2 matroos lichtmatroos 1 1 1 1 1 –
2. max. 600 passagiers schipper stuurman 1e machinist 2e machinist 2 matroos lichtmatroos 1 1 1 1 1 1
3. max. 900 passagiers schipper stuurman 1e machinist 2e machinist 2 matroos lichtmatroos 1 1 1 1 1 2
4. max. 1200 passagiers schipper stuurman 1e machinist 2e machinist 2 matroos lichtmatroos 1 1 1 1 1 3
5. max. 1500 passagiers schipper stuurman 1e machinist 2e machinist 2 matroos lichtmatroos 1 1 1 1 1 4
6. max. 1750 passagiers schipper stuurman 1e machinist 2e machinist 2 matroos lichtmatroos 1 1 1 1 1 5

2De 2e machinist kan vervallen indien er sprake is van een eenmansbediening met betrekking tot de voortstuwingsmiddelen en de stuurinrichting.

Bijlage 5.4. Minimumbemanning voor hotelschepen als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid

Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2
Groep Bemanningsleden A1 A1 A1 A2 A2 B B
Groep Bemanningsleden S1 S1 S2 S1 S2 S1 S2
1. Toegestaan aantal bedden: tot en met 50 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 – 1 – – 1** 1 – 1 – – 1** 1 – – – 2 1** 2 – – 1 – 1*** 2 – – – 1 1*** 3 – – 1 – 1*** 3 – – – 1 1***
2. Toegestaan aantal bedden: van 51 tot en met 100 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist of volmatroos 1 1 – 1 – 1 1 1 – 1 – 1 1 1 – – 1 1 2 – – 1 – 1 2 – – – 1 1 3 – – 1 – 1 3 – – – 1 1
3. Toegestaan aantal bedden: meer dan 100 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist of volmatroos 1 of 1 – 2 – 1 1 1 – 1 2* 1 1 1 – 1 1 1 2 – – 3 – 1 2 – – 2 1 1 3 – – 3 – 1 3 – – 2 1 1
  • De minimumbemanning
a)

in groep 1, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en

b)

in groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten door een periode van minimaal een maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven.

** De machinist mag worden vervangen door een matroos.

*** De machinist mag worden vervangen door een volmatroos.

Bijlage 5.7. Minimumbemanning van sleepboten en sleepboten die havendiensten verrichten als bedoeld in artikel 5.6, vijfde lid

De minimumbemanning van sleepboten bestaat uit:

Groepen naar het vermogen P van de voortstuwingsmotoren in kW Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze
Groepen naar het vermogen P van de voortstuwingsmotoren in kW Bemanningsleden A1 A2 B
1. P < 500 schipper 1 1 2
1. P < 500 matroos 1 * 1
2. 500 > P < 1250 ** schipper 1 2 2
2. 500 > P < 1250 ** matroos 1 1
3. 1250 > P < 3750 ** schipper 1 2 2
3. 1250 > P < 3750 ** volmatroos 1 1 1
3. 1250 > P < 3750 ** matroos 1 1 2
4. P > 3750 Wordt individueel door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. Wordt individueel door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. Wordt individueel door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. Wordt individueel door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld.
  • Voor de vaart op de Rijn buiten Nederland bestaat de minimumbemanning uit een schipper en een matroos. De matroos is binnenlands niet nodig.

** Indien een schip, ingedeeld in groep 2 dan wel in groep 3, voldoet aan de volgende bepalingen betreffende de bouw en de inrichting wordt de minimumbemanning verminderd met één matroos:

a. alle belangrijke bedieningsapparatuur en signalerings- en controle instrumenten voor de hoofdaandrijfinstallaties, de stroomvoorziening en overige voor het bedrijf belangrijke installaties, zijn in het stuurhuis aangebracht;

b. een schip dat is ingedeeld in groep 2 is voorzien van een sleeplier, dan wel van een sleephaak gecombineerd met een kaapstander of een draadberglier;

c. een schip dat is ingedeeld in groep 3 is voorzien van een sleeplier, dan wel van een sleephaak gecombineerd met een draadberglier;

d. sleeplieren en draadberglieren kunnen zowel vanaf het dek als vanaf de brug worden bediend;

e. er is een noodbediening waarmee de sleeplier dan wel de sleephaak kan worden gevierd c.q. geslipt, welke ook in geval van stroomuitval vanaf het dek is verzekerd;

f. stuurstellingen op de brug zijn zodanig geplaatst en uitgevoerd dat bij alle voorkomende manoeuvreeromstandigheden een volledig overzicht door degene die het vaartuig voert, is gegarandeerd;

g. bedieningsapparatuur is aangebracht binnen het bereik van degene die het vaartuig voert. Zowel bij de bedieningsplaats voor de sleeplier dan wel de draadberglier als op de plaats waar signalerings- en controle instrumenten kunnen worden waargenomen, is voldoende ruimte aanwezig zodat de bediening van de sleeplier dan wel de draadberglier door degene die het vaartuig voert niet bemoeilijkt wordt bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden;

h. het schip is voorzien van een radarinstallatie, waarvan het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar is;

i. door adequate middelen is gewaarborgd dat onder alle weersomstandigheden door de ruiten die in de belangrijkste blikrichtingen zijn gelegen, helder zicht mogelijk is;

j. gemeenschappelijke reddingmiddelen zijn zodanig opgesteld dat zij door slechts één bemanningslid te water kunnen worden gelaten;

k. regelbare dekverlichting voor het belichten van de sleeplijn, die vanuit het stuurhuis kan worden bediend, is geïnstalleerd. De lampen voor het werkdek zijn zo geplaatst en zodanig uitgevoerd dat een ongestoorde verlichting van het werkdek is verzekerd en voorts geen gevaar bestaat voor verblinding van degene die het vaartuig voert. Hierbij is met name rekening gehouden met het geval van mist; en

l. De Minister van Infrastructuur en Milieu geeft een verklaring af waaruit blijkt dat wordt voldaan aan deze bepalingen.

De minimumbemanning van sleepboten gedurende de tijd dat havensleepdiensten worden verricht bestaat uit:

Paaltrek*** F < 15 ton 1 schipper
Paaltrek*** F < 15 ton 1 matroos
15 > F ≤ 25 ton 1 schipper
15 > F ≤ 25 ton 2 matrozen
25 > F ≤ 75 ton 1 schipper
25 > F ≤ 75 ton 1 volmatroos
25 > F ≤ 75 ton 2 matrozen
F > 75 ton Wordt individueel door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld.

*** Paaltrek: de maximale trekkracht die het schip via een sleepdraad kan uitoefenen op een te slepen object als aangegeven op een certificaat, afgegeven door een binnen de sfeer van de sleepvaart algemeen daartoe erkende organisatie. Indien geen certificaat betreffende de paaltrek wordt overgelegd, wordt voor de paaltrek een trekkracht aangenomen van 20 kg/kW van het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen.

Bij gebruik van geneesmiddelen laat de arts zich leiden door de navolgende richtlijnen:

Bijlage 7.4. : Modellen vrijstellingsbewijzen als bedoeld in de artikelen 7.6, eerste lid, 7.8, eerste lid, en 7.9, eerste lid

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)