Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving)

Type AMvB
Publication 2026-07-01
Laatst bijgewerkt 2026-07-18
State In force
Source BWB
artikelen 934
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
Fundamentele belastingscombinaties Buitengewone belastingscombinaties Buitengewone belastingscombinaties bepalingsmethode niet bezwijken bepalingsmethode niet bezwijken bepalingsmethode niet bezwijken tijdelijk bouwwerk tijdelijk bouwwerk
artikel 4.12 4.13 4.13 4.14 4.14 4.14 4.15 4.15
lid * 1 2 1 2 3 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie
a in een woongebouw * 1 2 1 2 1 2
b andere woonfunctie * 1 2 1 2 3 1 2
7 Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw * 1 2 1 2 1 2
b andere logiesfunctie * 1 2 1 2 3 1 2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties * 1 2 1 2 1 2
Artikel 4.12. (fundamentele belastingscombinaties)

Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990.

Artikel 4.13. (buitengewone belastingscombinaties)
1.

Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990, als dit leidt tot het bezwijken van een andere bouwconstructie die niet in de directe nabijheid ligt van de bouwconstructie. Daarbij wordt uitgegaan van de bekende buitengewone belastingen, bedoeld in NEN-EN 1991.

2.

Een dak of een vloerafscheiding bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990. Daarbij wordt uitgegaan van stootbelastingen, bedoeld in NEN-EN 1991.

Artikel 4.14. (bepalingsmethode niet-bezwijken)
1.

Het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, wordt bepaald volgens:

  • a. NEN-EN 1999 of NEN-EN 1993, als de constructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen;
  • b. NEN-EN 1992 of NEN-EN 1996, als de constructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen;
  • c. NEN-EN 1994, als de constructie is vervaardigd van staal-beton als bedoeld in die norm;
  • d. NEN-EN 1995, als de constructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm;
  • e. NEN 2608, als de constructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm; of
  • f. NEN 6707, als de constructie van de bevestiging van de dakbedekking is vervaardigd van materiaal als bedoeld in die norm.
2.

Als een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan bedoeld in het eerste lid, wordt het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, bepaald volgens NEN-EN 1990.

3.

Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen gebruiksfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.

Artikel 4.15. (tijdelijk bouwwerk)
1.

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 5 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.12 en 4.14 van overeenkomstige toepassing.

2.

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 15 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.12 tot en met 4.14 van overeenkomstige toepassing.

§ 4.2.1a. Stabiliteit, drijvend vermogen en sterkte drijvende bouwwerken

Artikel 4.15a. (aansturingsartikel)
1.

Een drijvend bouwwerk en een drijvend tijdelijk bouwwerk heeft voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte.

2.

Voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 of CC2 als bedoeld in NEN-EN 1990, zonder vloer van een verblijfsgebied hoger dan 6 m boven de waterlijn en niet gelegen in:

  • a. een rivier, kanaal, meer of ander water dat bestemd is voor motorvrachtschepen; of
  • b. een water dat onderhevig is aan getijdenwisseling;

wordt aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.15b. (afstand en scheefstand)
1.

De afstand tussen het metacentrum van een drijvend bouwwerk en het zwaartepunt van het drijvend bouwwerk is ten minste 0,25 m bij gevolgklasse CC1 en 0,60 m bij gevolgklasse CC2. Hierbij ligt het metacentrum boven het zwaartepunt.

2.

De loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde waarboven een drijvend bouwwerk niet meer waterdicht is, is bepaald volgens NEN 2778 ten minste:

  • a. 0 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1;
  • b. 0 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam zonder holle ruimte;
  • c. 150 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam met een of meer holle ruimten.
3.

Als de significante golfhoogte, bepaald volgens tabel 4.15b.1 of 4.15b.2, vermenigvuldigd met 1,125 groter is dan 300 mm, wordt de in het tweede lid bedoelde afstand verhoogd met het verschil tussen de waarde in de tabel vermenigvuldigd met 1,125, en 300 mm.

4.

De scheefstand van het horizontale vlak van het drijflichaam, behorend bij de in het tweede lid bedoelde afstand, mag niet groter zijn dan 5 graden.

Waterdiepte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m)
Waterdiepte (m) 30 50 75 100 150 200 500 700 1.000 1.500
2 250 310 370 420 490 490 630 680 730 780
2.5 250 310 370 420 490 560 680 740 800 870
3 250 310 370 420 490 560 700 780 850 940
3.5 250 310 370 420 490 560 820 810 890 990
4 250 310 370 420 490 560 820 830 920 1.030
4.5 250 310 370 420 490 560 820 940 950 1.060
5 250 310 370 420 490 560 820 940 1.090 1.090
5.5 250 310 370 420 490 560 820 940 1.090 1.110
6 250 310 370 420 490 560 820 940 1.090 1.300
6.5 250 310 370 420 490 560 820 940 1.090 1.300
Waterdiepte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m) Strijklengte (m)
--- --- --- --- --- --- --- --- --- --- ---
Waterdiepte (m) 30 50 75 100 150 200 500 700 1.000 1.500
2 230 290 340 390 460 460 600 650 700 750
2.5 230 290 340 390 460 520 640 700 760 830
3 230 290 340 390 460 520 670 740 810 890
3.5 230 290 340 390 460 520 760 760 850 940
4 230 290 340 390 460 520 760 880 870 980
4.5 230 290 340 390 460 520 760 880 890 1.010
5 230 290 340 390 460 520 760 880 1.020 1.030
5.5 230 290 340 390 460 520 760 880 1.020 1.050
6 230 290 340 390 460 520 760 880 1.020 1.210
6.5 230 290 340 390 460 520 760 880 1.020 1.210
Artikel 4.15c. (bepaling afstanden)
1.

De afstand, bedoeld in artikel 4.15b, eerste lid, wordt bepaald op basis van:

  • a. de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990;
  • b. de blijvende belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991 de volgende belastingen ook als blijvende belastingen worden beschouwd:
  • 1°. scheidingswanden;
  • 2°. permanent aanwezige installatie;
  • 3°. het trimgewicht; en
  • c. de opgelegde belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991:
  • 1°. geen rekening wordt gehouden met een ongunstige plaatsing van de gebruiksbelasting op een vloer; en
  • 2°. op een vloer de extreme waarde van de belasting in rekening is gebracht en op de overige vloeren de reductiefactor ψo in rekening is gebracht.
2.

De afstand, bedoeld in artikel 4.15b, tweede en derde lid, wordt bepaald op basis van:

  • a. de meest ongunstige belastingscombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990;
  • b. de blijvende belasting volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991 de volgende belastingen ook als blijvende belastingen worden beschouwd:
  • 1°. scheidingswanden;
  • 2°. permanent aanwezige installaties;
  • 3°. het trimgewicht; en
  • c. de veranderlijke belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991:
  • 1°. de opgelegde belasting, als deze overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, op een vloer met de extreme waarde en op de meest ongunstige plaats wordt beschouwd en op de overige vloeren de reductiefactor ψo in rekening is gebracht, waarbij de opgelegde belasting niet gecombineerd wordt met overige veranderlijke belastingen;
  • 2°. de opgelegde belasting, als deze niet overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, niet op de meest ongunstige plaats op een vloer wordt beschouwd; en
  • 3°. belastingen door golven volgens NEN-EN 1997 uitgaande van golven met een significante golfhoogte die zijn bepaald volgens de tabellen 4.15b.1 en 4.15b.2 voor zover deze hoger zijn dan 0,5 m.
3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingsmethoden worden alleen toegepast als:

  • a. de scheefstand van het drijvend bouwwerk bij oplevering niet groter is dan 0,5 graden;
  • b. het een drijvend bouwwerk betreft met een drijflichaam met holle ruimte beschikt over een waterniveau-alarm; en
  • c. het een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 betreft met een drijflichaam met holle ruimte, waarbij het drijflichaam bestaat uit ten minste twee gescheiden compartimenten en het drijvend bouwwerk beschikt over een automatische pomp die binnendringend water direct afvoert in ieder compartiment.
Artikel 4.15d. (niet bezwijken van een drijflichaam)

Het niet bezwijken van een drijflichaam van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:

  • b. de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.12, waarbij de volgende belastingen, zonder rekening te houden met het gelijktijdig plaatsvinden van die belastingen, zijn meegenomen als veranderlijke belasting:
  • 1°. de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997;
  • 2°. voor zover het een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 betreft de verticale belasting door golven tegen de onderkant van het drijflichaam, uitgaande van golven met een significante golfhoogte die is bepaald volgens tabel 4.15b.1 of 4.15b.2, voor zover deze golven hoger zijn dan 0,5 m; en
  • c. de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.13, waarbij het drijflichaam niet zodanig mag bezwijken dat het drijvend bouwwerk zinkt. Dit geldt niet voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 met niet meer dan twee bouwlagen.
Artikel 4.15e. (niet bezwijken van een aanmeerconstructie)

Het niet bezwijken van een aanmeerconstructie van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:

  • b. de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.12, waarbij de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997 is meegenomen als veranderlijke belasting.

§ 4.2.2. Constructieve veiligheid bij brand

Artikel 4.16. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is bestand tegen brand zodat geen sprake zal zijn van instorting die gevaar oplevert voor het vluchten of voor hulpverlening bij brand, gedurende een redelijke tijd.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.16 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken tijdsduur niet-bezwijken bepalingsmethode niet-bezwijken bepalingsmethode niet-bezwijken
artikel 4.17 4.17 4.17 4.17 4.17 4.17 4.17 4.17 4.18 4.18
lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 3 1 2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang met bedgebied 1 5 6 1 2
b andere bijeenkomstfunctie 1 4 6 1 2
3 Celfunctie Celfunctie 1 5 6 1 2
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a met bedgebied 1 5 6 1 2
b andere gezondheidszorgfunctie 1 4 6 1 2
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 4 6 1 2
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 4 6 1 2
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 5 6 1 2
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 1 4 6 1 2
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 4 6 1 2
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 4 6 1 2
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a voor personenvervoer 1 4 6 1 2
b voor het stallen van motorvoertuigen 1 4 6 1 2
c andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 7 1 2
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 8 1 2
Artikel 4.17. (tijdsduur niet-bezwijken)
1.

Een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute voert, bezwijkt niet binnen 30 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die vluchtroute niet ligt. Dit is niet van toepassing op de vloer van een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175.

2.

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 4.17a aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Voor zover dat brandcompartiment een woonfunctie is, geldt dit niet voor een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.

woonfunctie tijdsduur in minuten
Als geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau 60
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 90
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 120
3.

In afwijking van het tweede lid wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort als geen vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau en de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2.

4.

Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau of lager dan 5 m onder het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 90 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

5.

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 4.17b aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

gebruiksfunctie maar geen woonfunctie tijdsduur in minuten
Als geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau 60
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en geen vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 90
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 120
6.

In afwijking van het vierde en vijfde lid wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort als de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2.

7.

Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 60 minuten en voor zover deze onder open water ligt niet binnen 120 minuten bij brand in de tunnel.

8.

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Artikel 4.18. (bepalingsmethode niet-bezwijken)
1.

Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie als bedoeld in artikel 4.17 wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN-EN 1990 kunnen optreden bij brand.

2.

De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 4.17, wordt afhankelijk van het materiaal van de bouwconstructie bepaald volgens:

  • a. NEN-EN 1992;
  • b. NEN-EN 1993;
  • c. NEN-EN 1994;
  • d. NEN-EN 1995;
  • e. NEN-EN 1996;
  • f. NEN-EN 1999; of
  • g. NEN 6069.

§ 4.2.3. Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan

Artikel 4.19. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan door personen zo veel mogelijk wordt voorkomen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.19 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing waarden
aanwezigheid aanwezigheid aanwezigheid aanwezigheid aanwezigheid hoogte hoogte hoogte hoogte hoogte hoogte openingen openingen openingen openingen openingen voorkomen overklauteren voorkomen overklauteren openingen
artikel artikel artikel 4.20 4.20 4.20 4.20 4.20 4.21 4.21 4.21 4.21 4.21 4.21 4.22 4.22 4.22 4.22 4.22 4.23 4.23 4.22
lid lid lid 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 1 2 1
[m]
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 2 3 4 1 2 3 5 1 2 3 4 1 0,2
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 2 3 4 1 2 3 5 1 2 3 4 1 0,1
b andere kinderopvang 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 1 0,2
c andere bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
3 Celfunctie Celfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,3
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 3 4 0,5
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie
a voor basisonderwijs 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 1 0,2
b andere onderwijsfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 0,5
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a voor langzaam verkeer 1 2 3 4 5 1 2 3 5 6 1 3 4 0,5
b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 3 4 0,5
Artikel 4.20. (aanwezigheid afscheiding)
1.

Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een niet-beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

2.

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet-beweegbare afscheiding.

3.

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet-beweegbare afscheiding.

4.

Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

  • a. een trap; en
  • b. een hellingbaan.
5.

Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

  • a. een rand van een podium;
  • b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst;
  • c. een rand van een laadvloer;
  • d. een rand van een perron; en
  • e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d gelijk te stellen rand van een vloer.
Artikel 4.21. (hoogte afscheiding)
1.

Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 1 m, gemeten vanaf de vloer.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft een vloer die hoger ligt dan 13 m boven een aangrenzende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,2 m, gemeten vanaf de vloer.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de vloer.

4.

In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,7 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1,1 m is.

5.

Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20, tweede of derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

6.

In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een vloer waarvan de vloerafscheiding direct is gelegen naast een pad of strook bedoeld voor langzaam verkeer, een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,3 m, gemeten vanaf de vloer.

Artikel 4.22. (openingen afscheiding)
1.

Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 heeft geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 4.19 aangegeven diameter.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 tot een hoogte van 0,7 m boven een vloer of een tredevlak geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan 0,1 m.

3.

De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 is niet groter dan 0,05 m.

4.

De bovenregel van een in artikel 4.20 bedoelde afscheiding heeft geen onderbreking van meer dan 0,1 m.

5.

Het tweede lid is niet van toepassing op een vloer of een tredevlak of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.

Artikel 4.23. (voorkomen overklauteren)
1.

Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 of een constructieonderdeel dat, bouwwerkinstallatie die of onderdeel van een bouwwerkinstallatie dat aan of naast een dergelijke afscheiding is geplaatst heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een vloer of een tredevlak.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een vloer of een tredevlak of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.

§ 4.2.4. Veilig overbruggen van hoogteverschillen

Artikel 4.24. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.24 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

gebruiksfunctie gebruiksfunctie gebruiksfunctie leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing leden van toepassing
voorziening bij hoogteverschil voorziening bij hoogteverschil afmetingen trap afmetingen trap markering trap trapbordes leuning leuning regenwerend afmetingen hellingbaan hellinbaanbordes geleiderand tijdelijk bouwwerk
artikel artikel artikel 4.25 4.25 4.26 4.26 4.26a 4.27 4.28 4.28 4.29 4.30 4.31 4.32 4.33
lid lid lid 1 2 1 2 * * 1 2 * * * * *
1 Woonfunctie Woonfunctie 1 1 2 * 1 * * * * *
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a. voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 1 2 * 1 * * * *
b. andere kinderopvang 1 1 2 * 1 * * * *
c. voor alcoholgebruik 1 1 2 * * 1 2 * * * *
d. voor het aanschouwen van sport, voor film, voor muziek, of voor theater 1 1 2 * * 1 2 * * * *
c. andere bijeenkomstfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
3 Celfunctie Celfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie 1 1 2 * * 1 2 * * * *
5 Industriefunctie Industriefunctie 1 1 * 1 * * * *
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
7 Logiesfunctie Logiesfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie
a. voor basisonderwijs 1 1 2 * 1 * * * *
b. andere onderwijsfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
9 Sportfunctie Sportfunctie 1 1 2 * 1 * * * *
10 Winkelfunctie Winkelfunctie 1 1 2 * * 1 2 * * * *
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie 1 1 * 1 * * * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde
a. tunnel of tunnelvorming bouwwerk voor verkeer 1 2 1 * 1 * * * *
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 1 * 1 * * * *
Artikel 4.25. (voorziening bij hoogteverschil)
1.

Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt voor een hoogteverschil tussen:

  • a. vloeren waarover een vluchtroute voert;
  • b. vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten;
  • c. vloeren voor bezoekers; en
  • d. vloeren van een verkeersroute die deze vloeren met elkaar verbindt.

Dit geldt ook voor een hoogteverschil op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde vloer.

2.

Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.

Artikel 4.26. (afmetingen trap)
1.

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voldoet aan de in tabel 4.26 aangegeven afmetingen.

2.

Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 m.

reguliere trap reguliere trap trap uitsluitend voor ontvluchten
woonfunctie andere gebruiksfunctie alle gebruiksfuncties
Minimum breedte van de trap 0,8 m 0,8 m 0,8 m
Minimum vrije hoogte boven de trap 2,3 m 2,1 m 2,1 m
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede 0,22 m 0,185 m 0,185 m
Maximum hoogte van een optrede 0,188 m 0,21 m 0,21 m
Minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak 0,05 m 0,05 m 0,05 m
Minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak 0,23 m 0,23 m 0,23 m
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap 0,3 m 0,3 m 0,3 m
Artikel 4.26a. (markering trap)

Een trap als bedoeld in artikel 4.25, is op de bovenste en onderste trederand over de volle breedte voorzien van een markering van ten minste 50 mm met een hoog contrast. De overige treden zijn aan beide zijkanten voorzien van markeringen van ten minste 50 mm met een hoog contrast.

Artikel 4.27. (trapbordes)

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m.

Artikel 4.28. (leuning)
1.

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en met een helling ter plaatse van de klimlijn groter dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m.

2.

Een trap als bedoeld in het eerste lid heeft aan beide zijkanten een leuning die aan het begin en aan het einde van de trap ten minste 30 cm horizontaal doorloopt.

Artikel 4.29. (regenwerend)

Een gemeenschappelijke verkeersruimte met een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1,5 m is ter plaatse van die trap, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend. Dit is niet van toepassing op een trap die alleen bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten.

Artikel 4.30. (afmetingen hellingbaan)

Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25, 4.172, 4.182, 4.189 en 4.192 heeft een breedte van ten minste 1,1 m, een hoogte van niet meer dan 1 m en een helling van ten hoogste:

  • a. 1 : 6 als het hoogteverschil niet groter is dan 0,05 m;
  • b. 1 : 10 als het hoogteverschil groter is dan 0,05 m, maar niet groter dan 0,10 m;
  • c. 1 : 12 als het hoogteverschil groter is dan 0,10 m, maar niet groter dan 0,25 m;
  • d. 1 : 16 als het hoogteverschil groter is dan 0,25 m, maar niet groter dan 0,5 m; en
  • e. 1 : 20 als het hoogteverschil groter is dan 0,5 m.
Artikel 4.31. (hellingbaanbordes)

Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25, 4.172, 4.182, 4.189 en 4.192 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 1,4 m x 1,4 m. Dit geldt niet als het hoogteverschil van de hellingbaan kleiner is dan 0,03 m.

Artikel 4.32. (geleiderand)

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m.

Artikel 4.33. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.25 van toepassing.

§ 4.2.5. Beweegbare constructieonderdelen

Artikel 4.34. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.35. (beweegbaar constructieonderdeel: gevarenzone)
1.

Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg of boven een strook van 0,6 m grenzend aan die weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg of strook.

2.

Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een niet voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 2,2 m boven die weg. Dit is niet van toepassing op een nooddeur.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2.

Artikel 4.36. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.35, tweede en derde lid, van toepassing.

§ 4.2.6. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

Artikel 4.37. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.

2.

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.38. (stookplaats)

Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats voldoet aan brandklasse A1 of voor zover het de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan betreft aan brandklasse A1fl, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1, als:

  • a. op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2; of
  • b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.
Artikel 4.39. (schacht, koker of kanaal)
1.

Materiaal toegepast aan de binnenzijde van een schacht, een koker of een kanaal grenzend aan meer dan een brandcompartiment of subbrandcompartiment met een inwendige doorsnede groter dan 0,015 m2, voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

  • a. een schacht die alleen is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten en die niet door andere ruimten voert;
  • b. ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de in dat lid bedoelde binnenzijde; en
  • c. het materiaal van een constructie- of bouwwerkinstallatieonderdeel dat wordt omsloten door een in dat lid bedoelde schacht, koker of kanaal.
Artikel 4.40. (rookgasafvoer)

Een voorziening voor de afvoer van rookgas is brandveilig, bepaald volgens NEN 6062.

Artikel 4.41. (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.38 tot en met 4.40 van toepassing.

§ 4.2.7. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

Artikel 4.42. (aansturingsartikel)
1.

Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

2.

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)