Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)

Type AMvB
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-14
State In force
Source BWB
artikelen 3321
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Artikel 4.404. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.402, wordt voldaan aan de regels over:

Artikel 4.405. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met alcohol en zuren worden levensmiddelen of wordt voeder gemaakt of bewerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.406. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het maken of bewerken van levensmiddelen of voeder geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.407. (water: zuivering bij lozing in een vuilwaterriool)
1.

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater wordt vethoudend afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

  • a. een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;
  • b. een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd; of
  • c. een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
2.

Dit afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

Artikel 4.408. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  • a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  • b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
  • c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.409. (lucht: diffuse emissies)

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.410. (lucht: stuifgevoelige goederen)

Bijlage IV bevat een indeling van goederen in de stuifklassen S1 tot en met S5.

Artikel 4.411. (lucht: emissie totaal stof)
1.

Voor de emissie in de lucht bij het drogen, malen, branden of roosteren van voedingsmiddelen, dranken of grondstoffen of goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1, S2, S3 of S4, is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.412. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.413. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.411, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.414. (lucht: eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.412 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.415. (lucht: afvoeren emissies)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.416. (overgangsrecht: water)

Artikel 4.406 is niet van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van het maken of bewerken van levensmiddelen of voeder dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.417

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

§ 4.29. Regelen en meten van aardgas

Artikel 4.418. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas.

Artikel 4.419. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.418, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. de coördinaten van de installatie voor het regelen van aardgasdruk en de installatie voor het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas;
  • b. de ontwerpcapaciteit in normaal kubieke meters per uur en de werkdruk in kilopascal aan de inlaatzijde van de installaties; en
  • c. de opstelling van de installaties.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.420. (externe veiligheid: bedrijfsnoodplan)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een bedrijfsnoodplan of een veiligheidsbeheerssysteem ingevoerd met gegevens en bescheiden over:

  • a. het gebouw, de technische installaties, de locaties van gevaarlijke stoffen en de beschikbare hulpmiddelen;
  • b. de interne organisatie en taken en verantwoordelijkheden;
  • c. de actieplannen en maatregelen gebaseerd op mogelijke calamiteiten en incidenten;
  • d. de interne en externe meldingsstructuur bij calamiteiten en incidenten; en
  • e. het beheer van het bedrijfsnoodplan.
Artikel 4.421. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand van de installatie voor het regelen van aardgasdruk en de installatie voor het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas:

  • a. tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste de afstand, bedoeld in de vijfde kolom van tabel 4.421; of
  • b. tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties of tot beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld in de zesde en zevende kolom van tabel 4.421, als inachtneming van de afstand, bedoeld onder a:
  • 1°. niet mogelijk is door:
  • i. de geringe omvang van de locatie;
  • ii. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
  • iii. andere fysieke belemmeringen;
  • 2°. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
  • 3°. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
2.

De afstand is ten minste de helft van de afstand, bedoeld in het eerste lid, als het gaat om een ondergronds of semi-ondergronds opgestelde installatie en het gasvoerende deel geheel ondergronds ligt.

3.

Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

  • a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
4.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, onder b.

Categorie Ontwerpcapaciteit van de installatie in Nm 3 /u Werkdruk aan inlaatzijde van de installatie in kPa Opstelling van de installatie Afstand tot begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht in m Afstand tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in m Afstand tot beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in m
B Meer dan 10 maar niet meer dan 6.000 Meer dan 10 maar niet meer dan 1.600 In een behuizing met een opstellings-ruimte van 0,5 m3 of kleiner 4 4 2
Ondergrondse of semi-ondergrondse installatie 4 4 2
In een behuizing met een opstellings-ruimte groter dan 0,5 m3 maar kleiner dan 15 m3 6 6 4
In een behuizing met een opstellingsruimte van 15 m3 of groter of buiten een behuizing 10 10 4
C Niet meer dan 40.000 Meer dan 1.600 maar niet meer dan 10.000 – 15 15 4
Meer dan 40.000 Niet meer dan 10.000 – 25 25 4
Artikel 4.422. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.421, eerste lid, onder b, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.423. (externe veiligheid: ontwerp en installatie)
1.

Een installatie voor het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas is zo ontworpen en geïnstalleerd dat:

  • a. de installatie op een veilige wijze kan functioneren;
  • b. alle relevante onderdelen overzichtelijk zijn en onder alle omstandigheden bereikbaar zijn voor bediening, controle en onderhoud;
  • c. de installatie geheel of gedeeltelijk op eenvoudige wijze uit bedrijf kan worden genomen;
  • d. er een afsluiter is aan de uitlaatzijde van de installatie;
  • e. er geen bodemverzakking of corrosie kan ontstaan;
  • f. er geen ontoelaatbare spanningen ontstaan op componenten van de installatie; en
  • g. ongeautoriseerde of onbedoelde bediening wordt voorkomen.
2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de installatie voldoet aan de voorschriften 8.1.1 tot en met 8.3.3 en 10.1 tot en met 10.4 van NEN 1059.

Artikel 4.424. (externe veiligheid: drukbeheersing)
1.

Met een drukbeheerssysteem wordt ervoor zorg gedragen dat de druk in het systeem stroomafwaarts onder normale bedrijfsomstandigheden binnen de operationele grenzen blijft en onder abnormale bedrijfsomstandigheden onder de toegelaten grens blijft.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als het drukbeheerssysteem voldoet aan de voorschriften 9.1 tot en met 9.7.2 van NEN 1059.

Artikel 4.425. (externe veiligheid: onderhoud)
1.

Een installatie voor het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas wordt zo onderhouden dat:

  • a. de installatie op een veilige wijze kan functioneren;
  • b. alle apparatuur in een goede mechanische toestand verkeert en niet lekt, op de juiste druk is afgesteld en is beschermd tegen vuil, vloeistoffen, bevriezing en andere nadelige invloeden; en
  • c. alle relevante onderdelen onder alle omstandigheden goed bereikbaar zijn.
2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als het onderhoud wordt verricht volgens voorschrift 12.3 van NEN 1059.

Artikel 4.425a. (overgangsrecht: afstand)
1.

De artikelen 4.421, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.422 zijn niet van toepassing op het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

2.

Artikel 4.421 is niet van toepassing als op grond van een omgevingsvergunning een afwijkende afstand geldt voor een installatie:

  • b. waarvoor de vergunning is verleend voor 1 januari 2008.
3.

Voor een installatie als bedoeld in het tweede lid gelden de afstanden in de vergunning.

§ 4.30. Windturbine

Artikel 4.426. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine.

Artikel 4.427. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.426, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. het vermogen van de windturbine in kilowatt;
  • b. de diameter van de rotor in centimeters;
  • c. de hoogte van de mast in meters; en
  • d. de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

5.

Op het berekenen van de afstanden zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.428. (externe veiligheid: beoordeling)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een windturbine ten minste eenmaal per jaar beoordeeld door een deskundige op het gebied van windturbines op de beveiligingen, onderhoud en reparaties.

2.

Na constatering of vermoeden van een gebrek, waardoor de veiligheid in het geding is, wordt de windturbine onverwijld buiten gebruik gesteld.

3.

Een buiten gebruik gestelde windturbine wordt pas in gebruik genomen als alle geconstateerde gebreken zijn hersteld.

Artikel 4.429. (informeren: buiten gebruik stellen)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het buiten gebruik stellen van een windturbine.

Artikel 4.430. (externe veiligheid: ontwerp)
1.

Een windturbine is ontworpen volgens:

  • a. NEN-EN-IEC 61400-1, als het gaat om een windturbine met een rotordiameter van meer dan 16 m; of
  • b. NEN-EN-IEC 61400-2, als het gaat om een windturbine met een rotordiameter van ten hoogste 16 m.
2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als voor de windturbine een certificaat is verstrekt waaruit blijkt dat de windturbine is ontworpen volgens het eerste lid.

3.

Het certificaat is verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor NEN-EN-IEC 61400-22.

Artikel 4.430a. (overgangsrecht: ontwerp)
1.

Artikel 4.430, eerste lid, is niet van toepassing op een windturbine waarvoor voor 1 december 2001 een vergunning is verleend op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en die voldoet aan de voorschriften die aan die vergunning zijn verbonden.

2.

Een windturbine die is opgericht voor 1 januari 2017 of die een windturbine vervangt die is opgericht voor 1 januari 2017, kan in afwijking van artikel 4.430, eerste lid, ook zijn ontworpen volgens de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven voornorm NVN 11400-0.

§ 4.30a. Windturbine: tijdelijke regels geluid

Artikel 4.430b. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13.

Artikel 4.430c. (geluid: waarden windturbines)
1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

2.

Op de begrippen Lden en Lnight zijn de begripsbepalingen, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van toepassing.

Artikel 4.430d. (geluid: registratie gegevens windturbines)
1.

De volgende gegevens worden geregistreerd:

  • a. de emissieterm LE, zijnde het jaargemiddelde geluidvermogen per octaafband dat door de turbine wordt uitgestraald, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en
  • b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte.
2.

De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

3.

De parameters worden geregistreerd volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.430e. (geluid: meet- en rekenbepalingen)

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 4.430c, zijn de bij ministeriële regels gestelde regels van toepassing

§ 4.30b. Windturbine: tijdelijke regels slagschaduw en lichtschittering

Artikel 4.430f. (begripsbepaling)

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • woonschip: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip;
Artikel 4.430g. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 en:

  • a. slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of
  • b. lichtschittering veroorzaakt.
2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 4.430h. (toepassingsbereik: eerbiedigende werking)
1.

In afwijking van artikel 4.430g, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

  • b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet.
2.

In afwijking van artikel 4.430g, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

  • b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet.
Artikel 4.430i. (slagschaduw: stilstandvoorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.

2.

De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:

  • a. tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en
  • b. tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.
Artikel 4.430j. (slagschaduw: functionele binding)

Artikel 4.430i is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 4.430k. (slagschaduw: voormalige functionele binding)

Bij een agrarische activiteit is artikel 4.430i niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

  • a. op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, of een voor de inwerkingtreding van de wet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde mag worden bewoond; of
  • b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.
Artikel 4.430l. (lichtschittering: beperken van reflectie)

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 4.431. (lichtschittering: meten reflectiewaarden)

Op het verrichten van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

§ 4.31. Shredderen van autowrakken

Artikel 4.431a. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het verwerken van autowrakken in een shredderinstallatie.

Artikel 4.431b. (afval: recyclen metalen en nuttige toepassing shredderafvalstoffen)
1.

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden in een shredderinstallatie autowrakken gescheiden in direct te recyclen metaalschroot en shredderafvalstoffen.

2.

Shredderafvalstoffen worden zoveel mogelijk nuttig toegepast.

§ 4.32. Opslaan van afvalstoffen

Artikel 4.431c. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van afvalstoffen.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van:

Artikel 4.431d. (afval: termijn opslaan)

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afvalstoffen:

  • a. voorafgaand aan nuttige toepassing niet langer dan drie jaar opgeslagen; en
  • b. voorafgaand aan verwijdering niet langer dan een jaar opgeslagen.

§ 4.33. Koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak

Artikel 4.432. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak.

Artikel 4.433. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.432, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.434. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.436, eerste of tweede lid, is:

  • b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2.

Een melding bevat:

  • a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
  • b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.435. (externe veiligheid: koelinstallaties met kooldioxide of koolwaterstof)
1.

Een koelinstallatie met kooldioxide of koolwaterstoffen is zo ontworpen en geïnstalleerd en wordt zo beheerd en onderhouden dat:

  • a. deze op een veilige wijze kan functioneren;
  • b. deze snel en veilig uit bedrijf kan worden genomen; en
  • c. onveilige situaties worden voorkomen.
2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

  • a. bij een koelinstallatie met kooldioxide: deze is ontworpen en geïnstalleerd en wordt beheerd en onderhouden volgens NPR 7601, paragraaf 5.7 en de hoofdstukken 7 en 8, met uitzondering van de paragrafen 8.3 en 8.6; of
  • b. bij een koelinstallatie met koolwaterstoffen: deze is ontworpen en geïnstalleerd en wordt beheerd en onderhouden volgens NPR 7600, hoofdstuk 7, met uitzondering van paragraaf 7.6, en hoofdstuk 8, met uitzondering van de paragrafen 8.3 en 8.6.
Artikel 4.436. (externe veiligheid: koelinstallaties met ammoniak)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een koelinstallatie met ammoniak ontworpen en geïnstalleerd volgens PGS 13.

2.

De koelinstallatie wordt beheerd en onderhouden volgens PGS 13.

3.

Een koelinstallatie bij een sneeuwbaan of ijsbaan is een indirect koelsysteem als bedoeld in PGS 13.

Artikel 4.437. (overgangsrecht: koelinstallatie met ammoniak bij sneeuwbaan of ijsbaan)

Artikel 4.436, derde lid, is niet van toepassing als de koelinstallatie voor 1 januari 2010 is geïnstalleerd.

§ 4.34. Oplosmiddeleninstallatie

Artikel 4.438. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een oplosmiddeleninstallatie waarin organische oplosmiddelen worden gebruikt, als het verbruik de ondergrens, bedoeld in de tabellen 4.438a of 4.438b, overschrijdt.

2.

In deze paragraaf wordt onder bestaande oplosmiddeleninstallatie verstaan: oplosmiddeleninstallatie die voor of op 1 april 2002 in gebruik is genomen.

Nummer Activiteit Ondergrens in ton/jaar Emissiegrenswaarde in mg C/Nm3 Diffuse emissiegrenswaarde in percentage oplosmiddeleninput Totale emissiegrenswaarde
1 Heatsetrotatieoffsetdruk >15 100 30
Heatsetrotatieoffsetdruk >25 20 30
2 Illustratiediepdruk >25 75 10
3 Andere rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden, rotatiezeefdruk op textiel/karton >15 100 25
3 Andere rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden, rotatiezeefdruk op textiel/karton >25 100 20
3 Rotatiezeefdruk op textiel/karton >30 100 20
4 Oppervlaktereiniging met de stoffen, bedoeld in artikel 4.465, eerste en derde lid >1 20 15
4 Oppervlaktereiniging met de stoffen, bedoeld in artikel 4.465, eerste en derde lid >5 20 10
5 Overige oppervlaktereiniging >2 75 20
5 Overige oppervlaktereiniging >10 75 15
6 Coating van voertuigen <15 50 25
6 Overspuiten van voertuigen >0,5 50 25
7 Bandlakken >25 50 5
8 Andere coatingprocessen, waaronder metaalcoating, kunststofcoating, textielcoating, filmcoating en papiercoating, met uitzondering van rotatiezeefdruk op textiel >5 100 25
8 Droogprocessen >15 50 20
8 Coatingprocessen >15 75 20
9 Coating van wikkeldraad >5 5 g/kg
9 Voor oplosmiddeleninstallatie met een gemiddelde draaddiameter van niet meer dan 0,1 mm >5 10 g/kg
10 Coating van hout >15 100 25
10 Droogprocessen >25 50 20
10 Coatingprocessen >25 75 20
11 Chemisch reinigen 0 20 g/kg gereinigd en gedroogd product
12 Impregneren van hout >25 100 45 11 kg/m3
13 Coating van leer >10 85 g/m2
Coating van leer > 25 75 g/m2
Coating van leer voor meubelen en bepaalde lederen goederen die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen > 10 150 g/m2
14 Fabricage van schoeisel >5 25 g per gemaakt paar compleet schoeisel
15 Lamineren van hout en kunststof >5 30 g/m2
16 Het aanbrengen van een lijmlaag >5 50 25
16 Het aanbrengen van een lijmlaag >15 50 20
17 Maken van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen >100 150 5 5% van de oplosmiddelen-input
17 Maken van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen >1.000 150 3 3% van de oplosmiddelen-input
18 Bewerking van rubber >15 20 25 25% van de oplosmiddelen-input
19 Extractie van plantaardige oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën >10
19 Dierlijk vet >10 1,5 kg/ton
19 Ricinus >10 3,0 kg/ton
19 Raapzaad >10 1,0 kg/ton
19 Zonnebloemzaad >10 1,0 kg/ton
19 Sojabonen, normale maling >10 0,8 kg/ton
19 Sojabonen, witte vlokken >10 1,2 kg/ton
19 Overige zaden en ander plantaardig materiaal >10 3 kg/ton
19 Fractioneringsprocessen, met uitzondering van het verwijderen van gom uit de olie >10 1,5 kg/ton
19 Het verwijderen van gom uit de olie >10 4 kg/ton
20 Maken van geneesmiddelen >50 20 5 5% van de oplosmiddeleninput
Activiteit Ondergrens in ton/jaar Jaarlijkse productie gecoat materiaal Totale emissiegrenswaarde uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter gemaakt product en per carrosserie Totale emissiegrenswaarde uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter gemaakt product en per carrosserie
--- --- --- --- ---
Nieuwe oplosmiddeleninstallatie Bestaande oplosmiddeleninstallatie
Coating nieuwe auto’s >15 Meer dan 5.000 45 g/m2 of 60 g/m2 of
Coating nieuwe auto’s >15 Meer dan 5.000 1,3 kg/auto + 33 g/m2 1,9 kg/auto + 41 g/m2
>15 Ten hoogste 5.000 zelfdragend of meer dan 3.500 met chassis 90 g/m2 of 90 g/m2 of
>15 Ten hoogste 5.000 zelfdragend of meer dan 3.500 met chassis 1,5 kg/auto + 70 g/m2 1,5 kg/auto + 70 g/m2
Coating van nieuwe vrachtwagencabines >15 Ten hoogste 5.000 65 g/m2 85 g/m2
Coating van nieuwe vrachtwagencabines >15 Meer dan 5.000 55 g/m2 75 g/m2
Coating van nieuwe bestelwagens en vrachtwagens >15 Ten hoogste 2.500 90 g/m2 120 g/m2
Coating van nieuwe bestelwagens en vrachtwagens >15 Meer dan 2.500 70 g/m2 90 g/m2
Coating van nieuwe autobussen >15 Ten hoogste 2.000 210 g/m2 290 g/m2
Coating van nieuwe autobussen >15 Meer dan 2.000 150 g/m2 225 g/m2
Artikel 4.439. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.438, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.440. (toepassingsbereik coating voertuigen)

Als bij de coating van voertuigen het verbruik de ondergrens, bedoeld in tabel 4.438b, niet wordt overschreden, wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden en diffuse-emissiegrenswaarden voor de coating van voertuigen, bedoeld in tabel 4.438a.

Artikel 4.441. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.438, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.442. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van artikel 4.447.

Artikel 4.443. (lucht: uitleg bij tabel 4.438b)
1.

Voor het berekenen van de oppervlakte van de andere toegevoegde delen of de totale oppervlakte dat in de oplosmiddeleninstallatie wordt gecoat, wordt gebruik gemaakt van computergesteund ontwerp of een andere gelijkwaardige methode.

2.

De oppervlakte van de producten, bedoeld in tabel 4.438b, is:

  • a. de berekende oppervlakte van het totale elektroforetische coatingvlak en de oppervlakte van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en met dezelfde coating worden bekleed; of
  • b. de totale oppervlakte van het product dat in de oplosmiddeleninstallatie is gecoat.
3.

Voor de coating van de producten, bedoeld in tabel 4.438b, hebben de totale emissiegrenswaarden betrekking op alle procesfasen in dezelfde oplosmiddeleninstallatie vanaf elektroforetische coating of een ander coatingproces tot en met het uiteindelijk in de was zetten en polijsten van de toplaag, en de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase.

Artikel 4.444. (lucht: formule berekenen elektroforetisch coatingvlak)
1.

De oppervlakte van het elektroforetisch coatingvlak, bedoeld in artikel 4.443, wordt berekend volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

A: oppervlakte;

mp: gewicht product zonder coating;

hm: gemiddelde dikte metaalplaat;

ρm: dichtheid metaalplaat.

2.

Deze formule wordt ook gebruikt voor onderdelen van metaalplaat die niet gecoat zijn met elektroforese.

Artikel 4.445. (lucht: wijziging installatie)
1.

Als een bestaande installatie een belangrijke wijziging ondergaat of na de wijziging voor het eerst onder het toepassingsbereik van deze paragraaf valt, wordt als nieuwe oplosmiddeleninstallatie aangemerkt:

  • a. het deel dat verandert; of
  • b. het deel waarvan de werking verandert.
2.

Onder belangrijke wijziging wordt verstaan: een wijziging in de massa organische oplosmiddelen die in een oplosmiddeleninstallatie gemiddeld op een dag ten hoogste als input wordt gebruikt en leidt tot een emissie van vluchtige organische stoffen:

  • a. van meer dan 25%, voor een oplosmiddeleninstallatie waarin activiteiten worden verricht die vallen binnen de laagste drempelwaarde interval van de nummers 1, 3, 4, 5, 8, 10, 13, 16 of 17 van tabel 4.438a;
  • b. van meer dan 25%, voor een oplosmiddeleninstallatie waarin activiteiten worden verricht die minder dan 10 ton/jaar verbruiken en vallen onder de nummers 2, 6, 7, 9, 11, 12, 14, 15, 18, 19 of 20 van tabel 4.438a; en
  • c. van meer dan 10%, voor een oplosmiddeleninstallatie die niet onder a of b valt.
3.

De massa organische oplosmiddelen, bedoeld in het tweede lid, is de oplosmiddeleninput als de oplosmiddeleninstallatie bij de ontwerpoutput in andere omstandigheden dan opstarten, stilleggen en onderhoud functioneert.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als de totale emissies van de oplosmiddeleninstallatie niet hoger zijn dan het geval zou zijn als het deel dat de wijziging heeft ondergaan als een nieuwe oplosmiddeleninstallatie zou zijn aangemerkt.

Artikel 4.446. (lucht: opstarten en stilleggen)

Bij het opstarten en stilleggen van de oplosmiddeleninstallatie worden voorzorgsmaatregelen getroffen om de emissies van vluchtige organische stoffen tot een minimum te beperken.

Artikel 4.447. (lucht: emissiegrenswaarden)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden, de diffuse emissiegrenswaarden en de totale emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in de tabellen 4.438a en 4.438b, gemeten in een continue of periodieke meting.

2.

De totale emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als voor een activiteit als bedoeld in de tabellen 4.438a en 4.438b aan de emissiegrenswaarden en de diffuse emissiegrenswaarden wordt voldaan.

3.

De emissiegrenswaarden en de diffuse emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als voor een activiteit als bedoeld in de tabellen 4.438a en 4.438b aan de totale emissiegrenswaarden wordt voldaan.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als voor een activiteit wordt voldaan aan een reductieprogramma als bedoeld in artikel 4.462 waarmee de emissies in dezelfde mate worden beperkt als door toepassing van de emissiegrenswaarden.

Artikel 4.448. (lucht: uitzondering emissiegrenswaarde)
1.

In afwijking van tabel 4.438a is de emissiegrenswaarde bij het impregneren van hout niet van toepassing op het impregneren met creosoot.

2.

In afwijking van tabel 4.438a geldt de emissiegrenswaarde bij oppervlaktereiniging niet in milligram koolstof per kubieke meter, maar in massa van de verbindingen in milligram per kubieke meter.

Artikel 4.449. (lucht: afwijkende emissiegrenswaarde bij oplosmiddelenhergebruik)
1.

In afwijking van tabel 4.438a is de emissiegrenswaarde 150 mg C/Nm3 bij het maken van geneesmiddelen, het bandlakken, het aanbrengen van een lijmlaag of de bewerking van rubber, als technieken worden gebruikt waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is.

2.

In afwijking van tabel 4.438a is de gecombineerde emissiegrenswaarde 150 mg C/Nm3 voor het coating- en droogproces bij andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a met een ondergrens van 15 ton/jaar, als genitrogeneerde oplosmiddelen worden gebruikt met technieken waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is.

Artikel 4.450. (lucht: voorwaarde emissiegrenswaarde bij VOS)
1.

De emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.438a, voor andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in die tabel zijn van toepassing op coatingprocessen en droogprocessen waarbij de vrijkomende vluchtige organische stoffen beheerst worden afgevangen en uitgestoten.

2.

Aan de emissiegrenswaarden voor andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a hoeft niet te worden voldaan als vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten omdat dit technisch en economisch niet mogelijk is.

Artikel 4.451. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarden of de diffuse emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 4.447, worden verhoogd, wordt alleen gesteld:

  • a. als wordt aangetoond dat het voldoen aan de diffuse emissiegrenswaarde technisch niet mogelijk en niet kostenefficiënt is; en
  • b. voor andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a, als daarbij de vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten.
Artikel 4.452. (lucht: afwijking diffuse emissiegrenswaarde bestaande oplosmiddeleninstallatie)

In afwijking van tabel 4.438a is de diffuse emissiegrenswaarde voor een bestaande oplosmiddeleninstallatie bij:

  • a. illustratiediepdruk: 15%;
  • b. bandlakken: 10%; en
  • c. het maken van geneesmiddelen: 15%.
Artikel 4.453. (lucht: uitzondering diffuse emissiegrenswaarde gesloten container)

De diffuse emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.438a, is niet van toepassing op oplosmiddelen die als bestanddeel van een mengsel in een gesloten container worden verkocht, bij:

  • a. het maken van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen;
  • b. de bewerking van rubber; en
  • c. het maken van geneesmiddelen.
Artikel 4.454. (lucht: uitzondering diffuse emissiegrenswaarde)
1.

De resten van oplosmiddelen in het eindproduct bij heatsetrotatie-offdruk zijn geen onderdeel van de diffuse emissie.

2.

De diffuse emissiegrenswaarde bij overige oppervlaktereiniging is niet van toepassing als wordt aangetoond dat het gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van het reinigingsmateriaal dat al in de oplosmiddeleninstallatie wordt gebruikt ten hoogste 30 gewichtsprocenten is.

3.

Aan de diffuse emissiegrenswaarde hoeft niet te worden voldaan bij andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a, als vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten omdat dit technisch niet mogelijk is of niet kostenefficiënt is.

Artikel 4.455. (lucht: afwijkende totale emissiegrenswaarde bestaande oplosmiddeleninstallatie)

In afwijking van tabel 4.438a is de totale emissiegrenswaarde voor een bestaande oplosmiddeleninstallatie bij het maken van geneesmiddelen 15% van de oplosmiddeleninput.

Artikel 4.456. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
1.

Er wordt continu gemeten of een afgaskanaal waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en die aan de uitlaatzijde gemiddeld in totaal meer dan 10 kg organische koolstof per uur uitstoot, voldoet aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.447.

2.

In een oplosmiddeleninstallatie die voor totaal organische koolstof gemiddeld minder dan 10 kg/u uitwerpt, wordt om de drie jaar de hoeveelheid totaal organische koolstof gemeten. Tijdens elke meting worden ten minste drie meetresultaten geregistreerd.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als nabehandelingsapparatuur niet nodig is om te voldoen aan de emissiegrenswaarden of het reductieplan.

4.

Het voldoen aan de emissiegrenswaarde voor de coating van voertuigen en het overspuiten van voertuigen, bedoeld in punt 6 van tabel 4.438a, wordt aangetoond op basis van metingen die om de vijftien minuten worden verricht.

Artikel 4.457. (lucht: voldoen aan emissiegrenswaarde bij continue meting)

Bij een continue meting wordt aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.438a, voldaan, als onder normale bedrijfsomstandigheden:

  • a. het 24-uursgemiddelde voor een bepaalde stof niet hoger is dan de emissiegrenswaarde voor die stof, waarbij het 24-uursgemiddelde wordt berekend van alle geldige metingen tijdens een periode van 24 uur waarin een oplosmiddeleninstallatie onder normale omstandigheden in bedrijf is, met uitzondering van het opstarten en stilleggen van de installatie en het onderhoud van de apparatuur; en
  • b. geen van de uurgemiddelden hoger is dan anderhalf maal de emissiegrenswaarden.
Artikel 4.458. (lucht: voldoen aan emissiegrenswaarde bij periodieke meting)

Bij een periodieke meting wordt aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.438a, voldaan als bij die meting:

  • a. het gemiddelde van alle meetresultaten onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden; en
  • b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan anderhalf maal de emissiegrenswaarden.
Artikel 4.459. (lucht: naleving bij emissiegrenswaarden, diffuse emissiegrenswaarden en totale emissiegrenswaarden)

Op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten, wordt bepaald of aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden wordt voldaan.

Artikel 4.460. (lucht: gasvolumes)
1.

Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de afgassen af te koelen of te verdunnen als dit technisch gerechtvaardigd is.

2.

De toegevoegde gasvolumes worden niet betrokken bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.

Artikel 4.461. (lucht: referentiepunt reductieprogramma)

Het referentiepunt voor de emissiebeperking in een reductieprogramma komt zo goed mogelijk overeen met de emissie die het resultaat zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden worden getroffen.

Artikel 4.462. (lucht: voldoen aan reductieprogramma)
1.

Aan eenzelfde mate van emissiebeperking als bedoeld in artikel 4.447, vierde lid, wordt, bij een oplosmiddeleninstallatie waar voor het product een constant gehalte aan vaste stof kan worden aangenomen, in ieder geval voldaan als de feitelijke emissie kleiner is dan of gelijk is aan de beoogde emissie.

2.

De feitelijke emissie wordt bepaald aan de hand van de oplosmiddelenboekhouding.

3.

De beoogde emissie wordt berekend door de jaarlijkse referentie-emissie voor een activiteit waarbij de ondergrens wordt overschreden, te vermenigvuldigen met het reductiepercentage, bedoeld in tabel 4.462.

4.

De jaarlijkse referentie-emissie voor een activiteit wordt berekend door de totale massa aan vaste stof in de hoeveelheid coating, inkt, lak of kleefstof die per jaar wordt gebruikt, te vermenigvuldigen met de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in tabel 4.462.

5.

Onder vaste stof wordt in dit artikel verstaan: elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt als het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.

Nummer activiteit tabel 4.438a Activiteit Ondergrens in ton/jaar Vermenigvuldigingsfactor jaarlijkse referentie-emissie Reductiepercentage beoogde emissie
2 Illustratiediepdruk >25 4 15
3 Rotatiezeefdruk op textiel/karton >30 1,5 25
Andere rotatiezeefdruk >15 1,5 30
>25 1,5 25
Andere rotatiediepdruk, Flexografie, lamineer- of lakeenheden >15 4 30
>25 4 25
6 Coating van voertuigen waarbij minder dan 15 ton oplosmiddelen per jaar wordt verbruikt <15 1,5 40
6 Overspuiten van voertuigen >0,5 3 40
7 Bandlakken >25 3 10
8 Andere coatingprocessen Coating van textiel, met uitzondering van rotatiezeefdruk op textiel, vezel, film of papier >5 4 40
8 Andere coatingprocessen Coating van textiel, met uitzondering van rotatiezeefdruk op textiel, vezel, film of papier >15 4 25
8 Andere coatingprocessen Coating in contact met levensmiddelen, coating in luchtvaart en ruimtevaart >5 2,33 40
8 Andere coatingprocessen Coating in contact met levensmiddelen, coating in luchtvaart en ruimtevaart >15 2,33 25
8 Andere coatingprocessen Metaalcoating, kunststofcoating en overige coating >5 1,5 40
8 Andere coatingprocessen Metaalcoating, kunststofcoating en overige coating >15 1,5 25
10 Coating van hout >15 4 40
10 Coating van hout >25 4 25
16 Het aanbrengen van een lijmlaag >5 4 30
16 Het aanbrengen van een lijmlaag >15 4 25
Artikel 4.463. (lucht: afwijking tabel reductieprogramma bestaande installatie)

In afwijking van tabel 4.462 is het reductiepercentage voor bestaande oplosmiddeleninstallaties bij:

  • a. illustratiediepdruk: 20%; en
  • b. bandlakken: 15%.
Artikel 4.464. (lucht: aanpassen vermenigvuldigingsfactor reductieprogramma)

De vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in tabel 4.462, kan worden aangepast voor een individuele oplosmiddeleninstallatie bij een aangetoonde stijging van het rendement van een oplosmiddeleninstallatie.

Artikel 4.465. (lucht: gevaarlijke stoffen)
1.

Stoffen of mengsels die op grond van de CLP-verordening door hun gehalte aan vluchtige organische stoffen als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld en de gevarenaanduiding H340, H350, H350i, H360D of H360F moeten hebben, worden, voor zover mogelijk, binnen zo kort mogelijke tijd vervangen door minder schadelijke stoffen of mengsels.

2.

De emissiegrenswaarden voor gevaarlijke stoffen zijn de waarden, bedoeld in tabel 4.465, voor:

  • a. vluchtige organische stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld en de gevarenaanduiding H340, H350, H350i, H360D of H360F moeten hebben; en
  • b. gehalogeneerde vluchtige organische stoffen die de gevarenaanduiding H341 of H351 moeten hebben.
3.

Onder gevaarlijke stoffen als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, onder 18, van de richtlijn industriële emissies.

4.

Een oplosmiddeleninstallatie waarin meerdere activiteiten als bedoeld in tabel 4.438a of 4.438b worden verricht die elk de ondergrenzen, vermeld in die tabellen, overschrijdt, voldoet:

  • a. voor stoffen of mengsels als bedoeld in het eerste of tweede lid, voor elke activiteit afzonderlijk aan die leden; en
  • b. voor andere stoffen of mengsels dan bedoeld onder a:
  • 2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde.
5.

Voor de vergelijking, bedoeld in het vierde lid, wordt de totale emissie van deze activiteiten bepaald en vergeleken met de totale emissie die zou zijn veroorzaakt als artikel 4.447 voor elke activiteit afzonderlijk zou gelden.

Stoffen of mengsels Massastroom in g/u Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Vluchtige organische stoffen met aanduiding H340, H350, H350i, H360D of H360F en verplichte etikettering Ten minste 10 2
Gehalogeneerde vluchtige organische stoffen met aanduiding H341 of H351 en verplichte etikettering Ten minste 100 20
Artikel 4.466. (lucht: naleving bij gevaarlijke stoffen)

Op basis van de som van de massaconcentratie van de vluchtige organische stoffen die worden gebruikt, wordt bepaald of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.465.

Artikel 4.467. (lucht: oplosmiddelenboekhouding)
1.

Er wordt een oplosmiddelenboekhouding bijgehouden waarmee:

  • a. wordt aangetoond dat wordt voldaan aan:
  • 2°. als een reductieprogramma als bedoeld in artikel 4.462 wordt toegepast: dat programma;
  • b. de mogelijkheden voor emissiebeperking in de toekomst worden gespecificeerd; en
  • c. informatie kan worden verstrekt over het verbruik en de emissie van oplosmiddelen.
2.

Een oplosmiddelenboekhouding omvat een periode van twaalf maanden en wordt uiterlijk dertien weken na afloop van die periode afgesloten, en voldoet aan de artikelen 4.468 tot en met 4.471.

Artikel 4.468. (lucht: berekening oplosmiddelenverbruik in oplosmiddelenboekhouding)
1.

Om vast te stellen of aan een reductieprogramma wordt voldaan, wordt de totale input van organische oplosmiddelen per twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele vluchtige organische stoffen die voor hergebruik worden teruggewonnen, berekend volgens de formule:

V = I1 – 08.

2.

Voor het berekenen van de jaarlijkse referentie-emissie, bedoeld in tabel 4.462, wordt de hoeveelheid vaste stof die in coatings wordt gebruikt bepaald volgens de formule, bedoeld in het eerste lid.

3.

Onder vaste stof wordt in dit artikel verstaan: elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt als het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.

Artikel 4.469. (lucht: berekening totale emissie in oplosmiddelenboekhouding)

Om vast te stellen of aan een totale emissiegrenswaarde wordt voldaan, wordt de totale emissie berekend volgens de formule:

E = F + 01.

Artikel 4.470. (lucht: berekening diffuse emissie in oplosmiddelenboekhouding)
1.

Om vast te stellen of aan een diffuse emissiegrenswaarde wordt voldaan, wordt de diffuse emissie berekend volgens de formule:

F = I1 – 01 – 05 –06 – 07 – 08;

of

F – 02 + 03 + 04 + 09.

2.

De diffuse emissie wordt bepaald met een korte serie metingen, die niet hoeft worden herhaald zolang de oplosmiddeleninstallatie niet wordt gewijzigd.

3.

De diffuse emissie wordt uitgedrukt als een percentage van de oplosmiddeleninput, berekend volgens de formule:

I = I1 + I2.

Artikel 4.471. (lucht: symbolen emissiegrenswaarde)

Onder de symbolen die worden gebruikt in de artikelen 4.468, 4.469 en 4.470 wordt verstaan:

E: totale emissie;

F: diffuse emissie;

V: verbruik;

I: input;

I1: hoeveelheid organische oplosmiddelen die is aangekocht al dan niet in mengsels, die in het proces worden ingevoerd tijdens de termijn waarover de massabalans wordt bepaald;

I2: hoeveelheid oplosmiddelen die worden hergebruikt, waarbij teruggewonnen oplosmiddelen worden meegerekend als ze worden gebruikt om de activiteit te verrichten;

O: output;

O1: hoeveelheid vluchtige organische stoffen in de emissies via de schoorsteen;

O2: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in water, rekening houdend met de afvalwaterzuivering bij het berekenen van O5;

O3: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in elk product, die achterblijft als verontreiniging of als residu in de producten die bij de activiteit zijn gemaakt;

O4: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in de lucht;

O5: organische oplosmiddelen en organische verbindingen die door chemische of fysische reacties verloren gaan, met inbegrip van hoeveelheden organische oplosmiddelen die door verbranding, een andere zuivering van afgassen of door afvalwaterzuivering worden vernietigd of door adsorptie worden opgevangen, als die niet bij O6, O7 of O8 worden meegerekend;

O6: organische oplosmiddelen in ingezamelde afvalstoffen;

O7: organische oplosmiddelen al dan niet in mengsels als product met handelswaarde voor de verkoop, met uitzondering van oplosmiddelen die vallen onder O3;

O8: hoeveelheid organische oplosmiddelen, met inbegrip van organische oplosmiddelen in mengsels, die voor hergebruik is teruggewonnen maar niet opnieuw bij de activiteit wordt gebruikt en die niet onder O7 valt;

O9: hoeveelheid vluchtige organische stoffen, die op andere wijze dan bedoeld onder O1 tot en met O8 vrijkomt.

§ 4.35. Tanken en opslaan van LPG

Artikel 4.472. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG.

2.

Als voertuigen of werktuigen met LPG worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van LPG.

Artikel 4.472a. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.472, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. het aantal opslagtanks voor LPG dat aanwezig is op de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht;
  • b. de coördinaten van:
  • 1°. het vulpunt;
  • 2°. de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;
  • 3°. de aansluitpunten van die leiding en pomp;
  • 4°. de bovengrondse opslagtank; en
  • 5°. de tankzuil;
  • d. de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en
  • e. een inschatting van de doorzet van LPG in kubieke meters per jaar.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.472b. (melding: treffen gelijkwaardige maatregel)
1.

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.473, is:

  • b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2.

Een melding bevat:

  • a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
  • b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.472c. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp, de bovengrondse opslagtank en de tankzuil tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste de afstand, bedoeld in tabel 4.472c.

2.

De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

  • a. niet mogelijk is door:
  • 1°. de geringe omvang van de locatie;
  • 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
  • 3°. andere fysieke belemmeringen;
  • b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
  • c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of
  • d. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 16.
3.

Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

  • a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
4.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Doorzet per jaar Afstand vanaf vulpunt Afstand vanaf bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp Afstand vanaf bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp Afstand vanaf de bovengrondse opslagtank Afstand vanaf de tankzuil
Minder dan 500 m3 25 m 25 m 25 m 120 m 15 m
500 m3 of meer maar minder dan 1.000 m3 35 m 25 m 25 m 120 m 15 m
1.000 m3 of meer 40 m 25 m 25 m 120 m 15 m
Artikel 4.472d. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.472c, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.473. (externe veiligheid: PGS 16)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.472, voldaan aan PGS 16.

Artikel 4.474. (externe veiligheid: tanken in brandstofreservoir)
1.

LPG wordt getankt in een brandstofreservoir dat is bevestigd aan een voertuig of werktuig en dat is bedoeld voor de aandrijving daarvan en de berging van LPG.

2.

Gasflessen en wisselreservoirs worden niet getankt met LPG.

3.

LPG kan worden getankt in het reservoir van een LPG-tankwagen, als de opslagtank voor LPG leeg wordt gemaakt.

Artikel 4.475. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.472c, eerste lid, en 4.472d zijn niet van toepassing op het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.476

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

§ 4.36. Tanken en opslaan van LNG

Artikel 4.477. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen, vaartuigen of werktuigen met LNG.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)