Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)

Type AMvB
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-14
State In force
Source BWB
artikelen 3321
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • a. ten minste eenmaal per kwartaal een representatief grondmonster genomen en de hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor bepaald;
  • b. de hoeveelheid toegediende meststoffen geregistreerd onder vermelding van de samenstelling van de meststof en de oppervlakte die wordt bemest; en
  • c. de hoeveelheid toegediende totaal stikstof en totaal fosfor per oppervlakte-eenheid per jaar geregistreerd.
4.

De resultaten van de metingen en de registraties worden ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel 4.791o. (gegevens en bescheiden: rapportage)

Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een rapportage verstrekt met de volgende gegevens over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar:

Artikel 4.791p. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  • a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  • b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en
  • c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.791pa. (overgangsrecht: water)
1.

Artikel 4.791j is niet van toepassing op het lozen van drainagewater of spoelwater op een oppervlaktewaterlichaam dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

2.

Het eerste lid is van toepassing tot het tijdstip dat:

  • a. na de inwerkingtreding van dit besluit volledig kan worden geloosd op het vuilwaterriool waarop tot de inwerkingtreding van dit besluit gedeeltelijk werd geloosd; of
  • b. na de inwerkingtreding van dit besluit op een afstand van 40 m of minder van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.791h, op een vuilwaterriool kan worden geloosd.
3.

Het eerste en tweede lid zijn vanaf 1 januari 2027 niet van toepassing.

§ 4.78. Overig afvalwater van kassen

Artikel 4.791q. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a. het lozen van afvalwater uit een hemelwaterafvoersysteem van een kas; en
  • b. het lozen van condenswater afkomstig van condensvorming aan de binnenzijde van de kas dat via condensgootjes wordt verzameld.
Artikel 4.791r. (melding lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Het is verboden het afvalwater of condenswater, bedoeld in artikel 4.791q, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.791s. (water: lozen uit hemelwaterafvoersysteem)
1.

Bij het lozen uit het hemelwaterafvoersysteem van een kas wordt, als een hemelwateropvangvoorziening aanwezig is die volledig is benut, het hemelwater geloosd via een overstortvoorziening, die is aangebracht voorafgaand aan de hemelwateropvangvoorziening.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

  • a. de hemelwateropvangvoorziening een inhoud heeft van ten minste 3.500 m3/ha teeltoppervlakte;
  • b. de kas zo is gebouwd dat condenswater niet in het hemelwaterafvoersysteem terecht kan komen;
  • c. in de kas gewasbeschermingsmiddelen of biociden zo worden gebruikt dat deze niet in het hemelwaterafvoersysteem terecht kunnen komen; of
  • d. in de kas alleen biologische productiemethoden worden toegepast.
Artikel 4.791t. (water: niet lozen verontreinigd condenswater)
1.

Condenswater wordt niet geloosd als in de kas gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als alleen biologische productiemethoden worden toegepast.

Artikel 4.791u. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  • a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  • b. of de punten waarop het afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en
  • c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

§ 4.79. Lozen afvalwater bij telen van gewassen in een gebouw

Artikel 4.792. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a. het lozen van proceswater bij het telen van gewassen op watercultuur in een gebouw; en
  • b. het lozen van ander afvalwater bij het telen van gewassen in een gebouw.
2.

In deze paragraaf wordt onder proceswater verstaan: het water dat circuleert tijdens het telen van gewassen op watercultuur in een gebouw.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing als het gebouw een kas is.

Artikel 4.793. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit en de lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 4.792, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de lozingsroutes.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.794. (water: opnieuw gebruiken proceswater)

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging van het afvalwater wordt het proceswater opnieuw gebruikt.

Artikel 4.795. (water: lozingsroutes)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het telen van gewassen in een gebouw gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Afvalwater afkomstig van biologische teelt of van teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt kan ook worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het verspreiden over landbouwgronden of lozen op een vuilwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

3.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 4.796. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 4.795, tweede lid, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.796, gemeten in een steekmonster.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/l
Onopgeloste stoffen 100
Biochemisch zuurstofverbruik 60
Chemisch zuurstofverbruik 300
Artikel 4.797. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 4.795, eerste lid, dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde 300 mg/l voor onopgeloste stoffen, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.798. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen en op het analyseren is van toepassing:

  • a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
  • b. voor het biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
  • c. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
Artikel 4.799. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  • a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  • b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
  • c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

§ 4.80. Bereiden van gietwater

Artikel 4.800. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van natriumarm gietwater waarbij brijn ontstaat.

Artikel 4.801. (water: niet lozen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt brijn afkomstig van het bereiden van natriumarm gietwater waarbij brijn ontstaat, niet geloosd.

Artikel 4.802. (water: overgangsrecht)

Artikel 4.801 is tot en met 30 juni 2022 niet van toepassing op het lozen in de bodem bij het telen van gewassen in kassen als hiervoor op 31 december 2012 een ontheffing als bedoeld in artikel 3.90, zevende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, is verleend.

§ 4.80. Bereiden van gietwater

Artikel 4.803. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren waarbij brijn ontstaat.

Artikel 4.804. (water: niet lozen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater bij het bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren waarbij brijn ontstaat, wordt brijn niet geloosd.

§ 4.82. Dierenverblijven

Artikel 4.805. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf.

2.

Als landbouwhuisdieren worden gehouden in een dierenverblijf, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast reinigen en ontsmetten van veewagens.

Artikel 4.806. (uitzonderingen emissiearme huisvesting: dieraantallen)
1.

De artikelen 4.818 tot en met 4.823 zijn niet van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf voor een diercategorie als niet meer dan het volgende aantal dieren van die diercategorie wordt gehouden:

  • a. 10 melkkoeien van 2 jaar en ouder en kalfkoeien van 2 jaar en ouder;
  • b. 10 vleeskalveren jonger dan 1 jaar;
  • c. 20 gespeende biggen van minder dan 25 kg;
  • d. 15 varkens als dit zijn:
  • 1°. kraamzeugen;
  • 2°. guste en dragende zeugen;
  • 3°. vleesvarkens van 25 kg en meer;
  • 4°. opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden; en
  • 5°. opfokzeugen van 25 kg en meer;
  • e. 500 kippen;
  • f. 10 vleeskalkoenen; of
  • g. 10 vleeseenden.
2.

In deze paragraaf wordt onder emissiepunt verstaan:

  • a. het punt waar een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of
  • b. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waar een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.
Artikel 4.807. (uitzonderingen emissiearme huisvesting: systemen)
1.

De artikelen 4.818 tot en met 4.823 zijn ook niet van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf met:

  • a. een vrijloopstal waarin melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder worden gehouden;
  • b. een huisvestingssysteem voor landbouwhuisdieren die worden gehouden volgens de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van de bio-verordening, en waarin geen melkkoeien van 2 jaar en ouder en kalfkoeien van 2 jaar en ouder worden gehouden;
  • d. een huisvestingssysteem voor varkens, waarvan het leefoppervlakte in het overdekte dierenverblijf en de oppervlakte van de verharde uitloop ten minste de oppervlakte, bedoeld in tabel 4.807, is.
2.

Een vrijloopstal is een huisvestingssysteem voor melkkoeien van 2 jaar en ouder en kalfkoeien van 2 jaar en ouder zonder ligboxen en met een zachte vochtdoorlatende of absorberende bodem, waarbij de totale oppervlakte ten minste het aantal dieren, vermenigvuldigd met 10 m2, is.

Diercategorie Leefoppervlakte overdekt dierenverblijf in m2 per varken Leefoppervlakte verharde uitloop in m2 per varken
Vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan zeven maanden en opfokzeugen van 25 kg en meer 1,1 0,7
Gespeende biggen van minder dan 25 kg 0,5 n.v.t.
Kraamzeugen 6,5 n.v.t.
Guste en dragende zeugen 2,5 1,0
Artikel 4.808. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.805, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;
  • b. per dierenverblijf:
  • 1°. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;
  • 2°. een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en
  • 3°. een beschrijving van de wijze van ventilatie;
  • c. per dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor geur of PM10 is vastgesteld:
  • 1°. een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter;
  • 2°. een doorsnedentekening met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en
  • d. de lozingsroutes.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.809. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.805, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.810. (registratie)

Er wordt elke maand een registratie bijgehouden van het aantal tijdens die maand in een dierenverblijf aanwezige landbouwhuisdieren.

Artikel 4.811. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem:

  • a. heeft de vloer van een dierenverblijf een aaneengesloten bodemvoorziening; en
  • b. worden vloeistoffen die vrijkomen opgevangen.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing als zich direct onder de vloer van het dierenverblijf een mestkelder bevindt die lekdicht is.

Artikel 4.812. (water: opslag spuiwater)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt het spuiwater afkomstig van een luchtwassysteem in een lekdichte voorziening opgeslagen.

Artikel 4.813. (water: lozingsroute dierenverblijven en veewagens)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven en veewagens gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.814. (water: opnieuw gebruiken voorspoelwater)

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging hiervan wordt bij het reinigen en spoelen bij het melken:

  • a. het spoelproces onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen; en
  • b. het voorspoelwater opnieuw gebruikt.
Artikel 4.815. (water: lozingsroutes bij melken)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen naspoelwater afkomstig van het reinigen en spoelen bij het melken:

  • a. geloosd in een vuilwaterriool; of
  • b. gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.
2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.816. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  • a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  • b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
  • c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.817. (lucht: luchtemissies huisvestingssysteem)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht voldoet een huisvestingssysteem of aanvullende techniek aan de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.818. (lucht: emissie ammoniak voor melkkoeien en kalfkoeien)
1.

Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder is de emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar, niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.818.

2.

Als een dierenverblijf voor de huisvesting van melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder is opgericht op of na 1 juli 2015, geldt de emissiegrenswaarde die in tabel 4.818 is opgenomen in kolom A in plaats van kolom B als:

  • a. de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, uiterlijk op 30 juni 2015 onherroepelijk is en het dierenverblijf uiterlijk op 30 september 2016 is opgericht; of
3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.

Diercategorie Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar
A Dierenverblijf opgericht voor 1 juli 2015 B Dierenverblijf opgericht op of na 1 juli 2015 en voor 1 januari 2018 C Dierenverblijf opgericht op of na 1 januari 2018
Melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder die niet worden beweid 12,2 11,0 8,6
Melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder die worden beweid 13,0 11,0 8,6
Artikel 4.819. (lucht: emissie ammoniak bij vleeskalveren)

Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor vleeskalveren jonger dan een jaar is de emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar, niet meer dan 2,5 kg.

Artikel 4.820. (lucht: emissie ammoniak bij varkens, kippen of kalkoenen)
1.

Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor varkens, kippen of kalkoenen is de emissie van ammoniak niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.820.

2.

Als een dierenverblijf is opgericht op of na 1 juli 2015, geldt in tabel 4.820 kolom A in plaats van kolom B als:

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op een uitloop bij een huisvestingssysteem voor kippen als de oppervlakte van die uitloop geen deel uitmaakt van de op grond van het Besluit houders van dieren vereiste bruikbare oppervlakte.

Diercategorie Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar
A Dierenverblijf opgericht voor 1 juli 2015 B Dierenverblijf: – opgericht in de periode van 1 juli 2015 tot 1 januari 2020, – opgericht op of na 1 januari 2020 en geen ippc-installatie C Dierenverblijf opgericht op of na 1 januari 2020 en ippc-installatie C Dierenverblijf opgericht op of na 1 januari 2020 en ippc-installatie C Dierenverblijf opgericht op of na 1 januari 2020 en ippc-installatie
Varkens
Gespeende biggen van minder dan 25 kg 0,21 0,21 0,21 0,21 0,21
Kraamzeugen 2,9 2,9 2,9 2,5 2,5
Guste en dragende zeugen 2,6 2,6 2,6 1,3 1,3
Vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan zeven maanden en opfokzeugen van 25 kg en meer 1,6 1,5 1,5 1,1 1,1
Kippen
Opfokhennen en hanen van legkippen jonger dan 18 weken:
batterijhuisvesting zonder geïntegreerde droogtunnel 0,006 0,006 0,006 0,006 0,006
batterijhuisvesting met geïntegreerde droogtunnel 0,016 0,016 0,016 0,016 0,016
niet-batterijhuisvesting – 0,110 0,110 0,051 0,051
Legkippen van 18 weken en ouder 0,125 0,068 0,068 0,068 0,068
Ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder 0,150 0,150 0,150 0,150 0,150
Ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken – 0,183 0,183 0,183 0,183
Ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder 0,435 0,435 0,435 0,250 0,250
Vleeskuikens 0,045 0,035 0,035 0,024 0,024
Kalkoenen
Vleeskalkoenen mechanisch geventileerde stal – 0,49 0,49 0,49 0,49
Vleeskalkoenen natuurlijk geventileerde stal – – – 0,49 0,49
Artikel 4.821. (lucht: emissie ammoniak)

De emissie, bedoeld in de artikelen 4.818, 4.819 en 4.820, wordt bepaald en berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.822. (lucht: emissie fijnstof bij kippen, kalkoenen en eenden)
1.

Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, in een dierenverblijf voor de diercategorieën, bedoeld in tabel 4.822, is de emissie van PM10, uitgedrukt in gram PM10 per dierplaats per jaar, niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in die tabel.

2.

Het eerste lid geldt niet voor vleeseenden die buiten worden gemest.

Diercategorie Diercategorie Emissiegrenswaarde PM10 in gram per dierplaats per jaar
Kippen Kippen
Opfokhennen en hanen van legkippen jonger dan 18 weken Opfokhennen en hanen van legkippen jonger dan 18 weken
batterijhuisvesting 17
volièrehuisvesting 17
grondhuisvesting 21
Legkippen van 18 weken en ouder, ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder Legkippen van 18 weken en ouder, ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder
volièrehuisvesting 46
grondhuisvesting 59
Ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken Ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken 16
Ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder Ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder 30
Vleeskuikens Vleeskuikens 16
Kalkoenen Kalkoenen
Vleeskalkoenen Vleeskalkoenen
mechanisch geventileerde stal 60
natuurlijk geventileerde stal –
Eenden
Vleeseenden
mechanisch geventileerde stal 58
natuurlijk geventileerde stal –
Artikel 4.823. (lucht: emissie PM10)

De emissie, bedoeld in artikel 4.822, wordt bepaald en berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.824. (lucht: meetplicht emissie ammoniak, geur en PM10)
1.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld voor een overig huisvestingssysteem waarbij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een andere emissiefactor voor ammoniak, geur of PM10 heeft vastgesteld dan de bij ministeriële regeling vastgestelde emissiefactor, worden de emissies binnen twee jaar na het in gebruik nemen van dat huisvestingssysteem gemeten volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld voor een niet in de ministeriële regeling opgenomen aanvullende techniek waarbij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een reductiepercentage voor de reductie van ammoniak, geur of PM10 heeft vastgesteld, worden de emissies binnen twee jaar na het in gebruik nemen van die aanvullende techniek gemeten volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.825. (gegevens en bescheiden: rapport meetplicht ammoniak en PM10)

Uiterlijk twee jaar na de ingebruikname van het huisvestingssysteem in een dierenverblijf of de aanvullende techniek wordt het rapport van de metingen, bedoeld in artikel 4.824, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.826. (lucht: emissies luchtwassysteem)

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht bij gebruik van een luchtwassysteem is:

  • a. de capaciteit ten minste gelijk aan de totale maximale ventilatiebehoefte van het aantal en de categorie landbouwhuisdieren die worden gehouden in een huisvestingssysteem; en
  • b. voor een evenredige verdeling van de stallucht door het luchtwassysteem:
  • 1°. de doorstroomoppervlakte van het luchtkanaal ten minste 1 cm2/m3 lucht bij de maximale capaciteit van het luchtwassysteem; en
  • 2°. de afstand tussen de ventilatoren die de lucht uit het huisvestingssysteem zuigen en de eerste reinigingsstap ten minste 3 m en, als de ventilatoren na het filterpakket zijn geplaatst, de afstand tussen de laatste reinigingsstap en de ventilatoren ten minste 1 m.
Artikel 4.827. (werkinstructie luchtwassysteem)
1.

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht bij gebruik van een luchtwassysteem:

  • a. is er een werkinstructie beschikbaar; en
  • b. wordt het luchtwassysteem ten minste eenmaal per twaalf maanden door een ter zake deskundige onderhouden en gecontroleerd op de deugdelijkheid van het functioneren hiervan.
2.

In de werkinstructie is in ieder geval beschreven welke werkwijze wordt gevolgd bij de controles en schoonmaak van het luchtwassysteem en welke maatregelen als bedoeld in artikel 4.829, tweede lid, worden getroffen.

Artikel 4.828. (lucht: opleveringsverklaring luchtwassysteem)
1.

Als landbouwhuisdieren worden gehouden in een huisvestingssysteem met een luchtwassysteem is een door de leverancier van het luchtwassysteem afgegeven opleveringsverklaring beschikbaar.

2.

De opleveringsverklaring bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • a. per luchtwassysteem: het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat kan worden gehouden en de maximale ventilatiebehoefte van die landbouwhuisdieren;
  • b. de maximale capaciteit van het luchtwassysteem in kubieke meters per uur;
  • c. de aanstroomoppervlakte van het filterpakket waardoor lucht stroomt in vierkante meters;
  • d. de afmetingen, het volume en de samenstelling van het filterpakket;
  • e. de afmetingen van de drukkamer;
  • f. de drukval over het filterpakket in Pascal;
  • g. het zuurverbruik in liters per dag als er een chemische wasstap is;
  • h. het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt;
  • i. het spuiwaterdebiet in liters per uur en de spuifrequentie; en
  • j. het waswaterdebiet in liters per uur.
3.

De parameters van het luchtwassysteem blijven binnen de bandbreedtes van de opleveringsverklaring.

Artikel 4.829. (lucht: elektronische monitoring luchtwassysteem)
1.

Het luchtwassysteem heeft een elektronisch monitoringssysteem waarmee de volgende parameters elk uur worden geregistreerd:

  • a. de pH van het waswater;
  • b. de geleidbaarheid van het waswater in milliSiemens per centimeter;
  • c. de totale spuiwaterproductie in kubieke meters vanaf het in werking stellen van het luchtwassysteem;
  • d. de drukval over het filterpakket in Pascal; en
  • e. het totale elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt vanaf het in werking stellen van het luchtwassysteem.
2.

Als uit de monitoring blijkt dat de parameters buiten de bandbreedtes van de opleveringsverklaring of de systeembeschrijving vallen, worden maatregelen getroffen om de werking van het luchtwassysteem te waarborgen.

3.

Het waswater heeft een laagdebietalarmering die zo spoedig mogelijk in werking treedt als het debiet van het waswater te laag is.

4.

De parameters worden geregistreerd volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.830. (water: meetinstrumenten)
1.

Bij de spuiwaterproductie is per spuiwaterstroom een geschikte debietmeter in de spuileiding aanwezig.

2.

De sensoren voor het meten van de pH en het meten van de geleidbaarheid van het waswater worden ten minste eenmaal per zes maanden gekalibreerd door een ter zake deskundige.

Artikel 4.831. (overgangsrecht emissie ammoniak voor melkkoeien en kalfkoeien)
1.

Artikel 4.818 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder dat deel uitmaakt van een dierenverblijf dat voor 1 juli 2015 is opgericht en voldoet aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, 2°, 3° of 4°, van het Besluit emissiearme huisvesting zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van dit besluit.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf voor 1 juli 2015.

Artikel 4.832. (overgangsrecht emissie ammoniak vleeskalveren)
1.

Artikel 4.819 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor vleeskalveren jonger dan een jaar dat deel uitmaakt van een dierenverblijf dat is opgericht voor 1 januari 2020.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf voor 1 januari 2020.

Artikel 4.833. (overgangsrecht intern salderen emissie ammoniak)

Artikel 4.820 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor varkens, kippen of kalkoenen dat deel uitmaakt van een dierenverblijf dat voor 1 januari 2007 is opgericht, als de totale emissie van ammoniak van de op het perceel aanwezige huisvestingssystemen niet hoger is dan de totale emissies van ammoniak die de huisvestingssystemen op grond van de artikelen 4.818, 4.819 en 4.820, eerste lid, berekend op basis van de emissiegrenswaarden, bedoeld in de tabellen 4.818, 4.819 en 4.820, per afzonderlijk huisvestingssysteem zouden mogen veroorzaken.

Artikel 4.834. (overgangsrecht emissie fijnstof)
1.

Artikel 4.822 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor kippen, vleeskalkoenen en vleeseenden dat deel uitmaakt van een dierenverblijf:

  • a. dat is opgericht voor 1 juli 2015;
  • b. dat is opgericht op of na 1 juli 2015, en:
  • 1°. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een omgevingsvergunning onherroepelijk is en dat is opgericht voor 1 oktober 2016; of
  • 2°. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die voldoet aan de indieningsvereisten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit luidde, waarbij de omgevingsvergunning op 30 juni 2015 niet onherroepelijk is en waarbij het dierenverblijf is opgericht binnen 15 maanden nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.
2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.

§ 4.83. Opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie

Artikel 4.835. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van meer dan 3 m3.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek.

Artikel 4.836. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.835, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat het totaal volume van de opslagcapaciteit in kubieke meters bij een opslag van meer dan 600 m3.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.837. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.835, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.838. (bodem: opslag)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, champost of dikke fractie, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

  • a. op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of
  • b. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag op een locatie niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
2.

Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

  • a. in een gebouw waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en met een aaneengesloten bodemvoorziening en voldoende ventilatie om condensvorming te voorkomen;
  • b. in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of
  • c. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag op een locatie niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
Artikel 4.839. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.840. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  • a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  • b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
  • c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

§ 4.84. Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 4.841. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen.

Artikel 4.842. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.841, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.841, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

3.

De melding, bedoeld in het tweede lid, bevat de locaties van de lozingspunten.

4.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

5.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.843. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.841, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.844. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 4.845. (water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.846. (water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen geloosd op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam als:

  • a. het niet in contact is geweest met het kuilvoer of de vaste bijvoedermiddelen; en
  • b. het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.
Artikel 4.847. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  • a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  • b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
  • c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

§ 4.85. Opslaan van gebruikt substraatmateriaal

Artikel 4.848. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal met een totaal volume van meer dan 3 m3.

Artikel 4.849. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.848, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.848, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

3.

De melding, bedoeld in het tweede lid, bevat de locaties van de lozingspunten.

4.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

5.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.850. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.848, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.851. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt gebruikt substraatmateriaal opgeslagen op een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.852. (water: lozingsroute)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater afkomstig van het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, worden vrijkomende vloeistoffen gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.853. (water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor de opslag van gebruikt substraatmateriaal geloosd op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam als:

  • a. het niet in contact is geweest met het substraatmateriaal; en
  • b. het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.
Artikel 4.854. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  • a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  • b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
  • c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

§ 4.86. Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

Artikel 4.855. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin.

Artikel 4.856. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.855, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. het volume en de oppervlakte van het mestbassin; en
  • b. het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins op de locatie als het gezamenlijke volume meer is dan 2.500 m3 of de gezamenlijke oppervlakte ten minste 350 m2 is.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.857

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.858. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een mestbassin lekdicht en zijn aan de buitenzijde van het mestbassin bij de aansluitpunten van de vulleidingen, aftapleidingen en roerleidingen voorzieningen getroffen om lekkage te beperken.

2.

Van een mestbassin dat geheel of gedeeltelijk boven het maaiveld ligt en is uitgevoerd met een binnenafdichting van folie is de draagconstructie bestand tegen krachten die ontstaan bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie.

3.

Folie dat voor een mestbassin wordt gebruikt, is voor gebruik bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gecertificeerd door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor BRL-K519, BRL-K537, BRL-K538, BRL-K546 of BRL 1149.

Artikel 4.858a. (water: voorkomen lozen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is een mestbassin dat is uitgevoerd als een met folie beklede grondput of een mestzak, waar bij lekkage drijfmest, digestaat of dunne fractie in het oppervlaktewaterlichaam terecht zou kunnen komen, volledig omringd door een dijklichaam:

  • a. waarvan het binnendijkse volume ten minste gelijk is aan de maximale inhoud van het mestbassin of de mestzak; en
  • b. dat is bestand tegen krachten die ontstaan bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie.
Artikel 4.859. (lucht: emissie ammoniak)

Met het oog op het beperken van emissies van ammoniak in de lucht is een mestbassin volledig afgedekt, met uitzondering van de ontluchtingsopeningen voor het voorkomen van het ophopen van gas.

Artikel 4.859a. (overgangsrecht)

Artikel 4.858a is tot 1 januari 2031 niet van toepassing op een mestzak die voor inwerkingtreding van dit besluit al werd gebruikt en waarvan de locatie niet wijzigt.

§ 4.87. Mestbehandelingsinstallatie

Artikel 4.860. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het behandelen van dierlijke meststoffen.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

  • a. het behandelen van dierlijke meststoffen als onderdeel van een huisvestingssysteem waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor ammoniak is vastgesteld; en
  • b. het vergisten, drogen, indampen, verbranden en composteren van dierlijke meststoffen.
Artikel 4.861. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.860, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. de gebruikte behandelingstechniek; en
  • b. de hoeveelheid dierlijke meststoffen in kubieke meters per jaar die ten hoogste wordt behandeld.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.862

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.863. (geur)

Met het oog op het beperken van geurhinder gebeurt het hygiëniseren van dierlijke meststoffen in een gesloten ruimte of een gesloten systeem.

§ 4.88. Mestvergistingsinstallatie

Artikel 4.864. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het vergisten van dierlijke meststoffen in een vergistingstank.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op:

  • a. een na-opslag van digestaat zolang dat biologisch actief is;
  • b. een gaszak of opslagtank voor de opslag van vergistingsgas;
  • c. een gedeelte voor de bewerking van vergistingsgas; of
  • d. een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten.
Artikel 4.864a. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.864, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. de maximale verwerkingscapaciteit van dierlijke meststoffen in kubieke meters per jaar;
  • b. de maximale opslagcapaciteit van het vergistingsgas in kubieke meters;
  • c. de coördinaten van:
  • 1°. het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen; en
  • 2°. het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen;
  • d. de methode van bewerking en de bestemming van het vergistingsgas; en
  • e. de methode van stabilisatie van het digestaat.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.865. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.864, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.866. (externe veiligheid: afstand)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht, ten minste 50 m.

2.

De afstand vanaf het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht, is ten minste 50 m.

3.

De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste en tweede lid:

  • a. niet mogelijk is door:
  • 1°. de geringe omvang van de locatie;
  • 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
  • 3°. andere fysieke belemmeringen;
  • b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
  • c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
4.

Het derde lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

  • a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
5.

Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het derde lid.

Artikel 4.867. (informeren: afstand)

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.866, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.868. (externe veiligheid: overnachting en recreatief verblijf)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 50 m vanaf een gaszak of een opslagtank waarin vergistingsgas wordt opgeslagen of het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen.

Artikel 4.869. (veiligheid bij bewerken vergistingsgas)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt kooldioxide die vrijkomt bij het bewerken van vergistingsgas bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.870. (externe veiligheid: visuele inspectie)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een gaszak voor vergistingsgas eenmaal per twaalf maanden visueel geïnspecteerd op tekenen van verwering of slijtage.

2.

Op een vast opgestelde opslagtank voor vloeibaar gemaakt vergistingsgas is PGS 33-1 van overeenkomstige toepassing.

3.

Bij het legen van de opslagtank is PGS 33-1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.871. (externe veiligheid en lucht: mestvergistingsinstallatie)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht:

  • a. is een mestvergistingsinstallatie gasdicht en beveiligd tegen overdruk; en
  • b. voldoet een mestvergistingsinstallatie aan de NTA 9766 en is een verklaring beschikbaar waaruit dit blijkt.
2.

De verklaring heeft een geldigheid van ten hoogste vijftien jaar. Kort voor het verlopen van de geldigheid wordt een mestvergistingsinstallatie opnieuw beoordeeld.

Artikel 4.872. (externe veiligheid en lucht: digestaat)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht:

  • a. wordt digestaat dat nog biologisch actief is:
  • 1°. niet getransporteerd; en
  • 2°. buiten de vergistingstank niet gemengd met vaste mest of drijfmest; en
  • b. wordt het overgebleven digestaat gestabiliseerd zodra een vergistingstank of na-opslag buiten bedrijf wordt gesteld en niet meer gasdicht is.
Artikel 4.873. (externe veiligheid en lucht: plotselinge drukval leiding)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht wordt bij vergistingsgas uit een mestvergistingsinstallatie dat de locatie via een leiding verlaat die installatie zo afgesteld dat:

  • a. bij een plotselinge drukval in de leiding de levering van vergistingsgas onverwijld wordt stopgezet; en
  • b. na stopzetting van de levering deze pas weer wordt hervat als het probleem is opgelost.
Artikel 4.874. (externe veiligheid en lucht: bemonstering en analyse vergistingsgas)
1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht wordt het vergistingsgas uit een mestvergistingsinstallatie bij ingebruikname bemonsterd, waarbij het gehalte aan waterstofsulfide wordt geanalyseerd.

2.

Als vergistingsgas via een leiding naar een andere locatie wordt getransporteerd, wordt bij het punt waarop het gas in de leiding wordt gebracht ook het gehalte aan ammoniak geanalyseerd en het dauwpunt bij een druk van 8 bar bepaald.

Artikel 4.875. (lucht: voldoen aan emissiegrenswaarden)
1.

Bij het verlaten van een mestvergistingsinstallatie is de grenswaarde voor het gehalte waterstofsulfide in vergistingsgas 430 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

2.

Als vergistingsgas via een leiding naar een andere locatie wordt getransporteerd, is:

  • a. de grenswaarde voor het gehalte ammoniak in het vergistingsgas 15 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting; en
  • b. het dauwpunt niet meer dan -3 °C bij een druk van 8 bar.
Artikel 4.876. (lucht: monitoring)
1.

Een mestvergistingsinstallatie heeft een elektronisch monitoringssysteem.

2.

Als de resultaten van de monitoring hiertoe aanleiding geven, worden maatregelen getroffen om de werking van een mestvergistingsinstallatie te waarborgen en onveilige situaties of emissies van vergistingsgas te voorkomen.

Artikel 4.877. (bodem: bodembeschermende voorziening)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevinden de vergistingstank en de na-opslag van digestaat of het gedeelte voor de bewerking van vergistingsgas zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.878. (water: niet lozen)

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het bewerken van vergistingsgas niet geloosd.

Artikel 4.878a. (overgangsrecht: afstand)

De artikelen 4.866, eerste en tweede lid, en 4.867 zijn niet van toepassing op het vergisten van dierlijke meststoffen in een installatie dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4.89. Composteren en opslaan van groenafval

Artikel 4.879. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het composteren en opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

Artikel 4.880. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.879, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. het maximale volume van de opslag of het composteren; en
  • b. de lozingsroutes.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.881. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.879, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.882. (bodem: opslag groenafval)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt niet-houtachtig groenafval, dat meer dan veertien dagen wordt opgeslagen, op een aaneengesloten bodemvoorziening opgeslagen.

2.

Als de opslag van groenafval op een locatie niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd, is een absorberende laag die voorkomt dat vloeistoffen in de bodem treden voldoende.

Artikel 4.883. (water: beperken uitspoeling)

Met het oog op het beperken van uitspoeling van vermestende stoffen naar de bodem wordt een composteringshoop in de periode van 1 november tot 1 maart tegen inregenen beschermd. Een composteringshoop wordt regelmatig omgezet.

Artikel 4.884. (water: lozingsroutes bij composteren)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het composteren geloosd op of in de bodem of in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in de bodem, in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.885. (water: lozingsroutes bij opslaan)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van groenafval gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.886. (water: riooltekening)

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  • a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  • b. of die punten zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en
  • c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

§ 4.90. Reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten

Artikel 4.887. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het reinigen van veewagens.

Artikel 4.888. (melding)
1.

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.887, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. gegevens of bescheiden waaruit blijkt welke handelingen met gewasbeschermingsmiddelen worden verricht; en
  • b. de lozingsroute.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.889. (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.887, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.890. (bodem: bodembeschermende voorziening)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden voertuigen en werktuigen na het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, gereinigd op een wasplaats die een aaneengesloten bodemvoorziening heeft.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het reinigen gebeurt op landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of als het reinigen incidenteel gebeurt.

Artikel 4.891. (water: wasplaats)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is er geen directe afvoer voor afvalwater en hemelwater van de wasplaats naar een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 4.892. (water: lozingsroutes uitwendig reinigen na gebruik gewasbeschermingsmiddelen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het uitwendig reinigen van voertuigen of werktuigen na het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen:

  • a. bij het reinigen op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt, geloosd op die landbouwgronden;
  • b. als het reinigen incidenteel gebeurt, geloosd op onverharde bodem; of
  • c. opgevangen en gezuiverd, zodat geen afvalwater wordt geloosd.
2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b, geloosd op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of op onverharde bodem of geloosd via die andere route.

Artikel 4.893. (water: lozingsroutes inwendig reinigen met gewasbeschermingsmiddelen)
1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van voertuigen of werktuigen na het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen:

  • a. gelijkmatig verspreid over landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt; of
  • b. opgevangen en gezuiverd, zodat geen afvalwater wordt geloosd.
2.

Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, gelijkmatig verspreid op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of geloosd via die andere route.

Artikel 4.894. (water: lozingsroutes reinigen zonder gewasbeschermingsmiddelen)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)