Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-14
State In force
Source BWB
artikelen 1277
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De minister stelt de door de lidstaten vast te stellen maximale steunbedragen, bedoeld in artikel 26, van verordening 2022/126, vast.

2.

De minister stelt de door de lidstaten vast te stellen vervoerskosten, bedoeld in artikel 25 van verordening 2022/126, vast.

3.

De minister stelt de door lidstaten vast te stellen steunbedragen voor groen oogsten en niet oogsten, bedoeld in artikel 17 van verordening 2022/126, vast.

Artikel 5.3.176
1.

Als erkende liefdadigheidsinstellingen of -organisaties als bedoeld in artikel 52, zesde lid, onderdeel a, onder ii, van verordening 2021/2115 worden aangewezen voedselbanken die op grond van artikel 5b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn aangemerkt als algemeen nut beogende instelling.

2.

Als personen die op grond van de nationale wetgeving recht hebben op overheidsbijstand, met name omdat zij over onvoldoende middelen beschikken om in hun onderhoud te voorzien als bedoeld in artikel 52, zesde lid, onderdeel a, onder i) van verordening 2021/2115, worden aangemerkt:

  • b. andere personen die ten genoegen van de voedselbanken kunnen aantonen niet over voldoende middelen te beschikken om in hun onderhoud te voorzien.
3.

Het overnamecertificaat, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel d, van verordening 2022/126 wordt getekend door:

  • a. het regionaal distributiecentrum, in het geval de uit de markt genomen producten geleverd worden aan een regionale distributiecentrum voor voedselbanken; en
  • b. de voedselbank, in het geval de uit de markt genomen producten geleverd worden aan de voedselbank die de uit de markt genomen producten daadwerkelijk uitreikt aan de eindontvangers.
4.

Indien een voedselbank van haar aanvragers een symbolische bijdrage vraagt voor de voedselpakketten vraagt de voedselbank hiervoor vooraf toestemming aan Onze minister en houdt zij hiervoor een financiële boekhouding bij.

5.

Indien een voedselbank de op grond van deze regeling ontvangen producten verwerkt of laat verwerken toont de voedselbank aan dat de verwerkte producten volledig ten goede komen aan de personen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5.3.177
1.

Producentenorganisaties sluiten schriftelijke overeenkomsten met afnemers voor toegestane bestemmingen als bedoeld in artikel 5.3.173, vierde lid, en transporteurs van uit de markt genomen producten met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, waarin de afnemers en transporteurs worden verplicht:

  • a. tot naleving van de voorwaarden van artikel 28 van verordening 2022/126, inclusief het voeren van een aparte voorraadboekhouding voor de betrokken concrete acties;
  • b. bij ontvangst van de uit de markt genomen producten de daarbij behorende door de minister ter beschikking gestelde vrachtbrief te ondertekenen;
  • c. de vrachtbrief en de overeenkomst met de producentenorganisatie gedurende tenminste 7 kalenderjaren, volgend op het kalenderjaar waarin het verkoopseizoen eindigt, te bewaren; en
2.

In aanvulling op het eerste lid worden ontvangers van uit de markt genomen producten als bedoeld in artikel 5.3.173, vierde lid, onderdelen a en b, verplicht om de uit de markt genomen producten:

  • a. een niet voor menselijke consumptie geschikte bestemming te geven die:
  • 1°. de normale afzet van de betrokken productie niet in de weg staat; en
  • 2°. geen negatieve milieu-impact of negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen heeft als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van verordening 2022/126, en
  • b. bij ontvangst per vracht te wegen en de weegbrieven gedurende tenminste 7 kalenderjaren, volgend op het kalenderjaar waarin het verkoopseizoen eindigt, te bewaren.
3.

Indien voor gratis verstrekking, als bedoeld in artikel 5.3.173, vierde lid, onderdeel c, bestemd product door de verwerkende industrie wordt verwerkt toont de afnemer ten genoegen van de minister aan de hand van bewijsstukken aan dat het product niet opnieuw in het commerciële handelscircuit terecht komt.

Artikel 5.3.178

Uit de bewijsstukken, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van verordening 2022/126 blijkt:

  • a. vanaf welk adres de uit de markt genomen producten bestemd voor gratis uitreiking vervoerd zijn;
  • b. het adres waar de uit de markt genomen goederen bestemd voor gratis uitreiking zijn afgeleverd aan een voedselbank als bedoeld in artikel 5.3.167, eerste lid; en
  • c. het aantal afgelegde kilometers.
Artikel 5.3.179
1.

Als producten als bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdelen g en h, van verordening 2021/2115 worden aangewezen:

  • a. tomaten met GN code 0702 00 00;
  • b. niet-scherpsmakende pepers (paprika’s) met GN code 0709 60 10;
  • c. bloemkool en broccoli met GN code 0704 10 00;
  • d. komkommers met GN code 0707 00 05;
  • e. appelen met GN code 0808 10;
  • f. peren met GN code 0808 30; en
  • g. aardbeien met GN code 0810 10.
  • h. aubergines met GN code 0709 30.
2.

In het geval van een crisis kan de minister besluiten om uitgaven voor het groen oogsten en niet oogsten van producten als bedoeld in artikelen 5.3.179 tot en met 5.3.184 ook voor andere producten subsidiabel te stellen.

Artikel 5.3.180
1.

Uitgaven van de producentenorganisatie voor het groen oogsten van producten als bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel g, van verordening 2021/2115 zijn subsidiabel.

2.

Uitgaven voor het groen oogsten van percelen beplant met appelbomen of perenbomen jonger dan twee jaar, zijn niet subsidiabel.

Artikel 5.3.181
1.

Uitgaven van de producentenorganisatie voor het niet oogsten van producten als bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel h, van verordening 2021/2115 zijn subsidiabel.

2.

Uitgaven voor het niet oogsten van percelen beplant met appelbomen of perenbomen jonger dan twee jaar, zijn niet subsidiabel.

Artikel 5.3.182
1.

Een voorafgaande melding als bedoeld in artikel 17, zesde lid, van verordening 2022/126, wordt elektronisch ingediend bij de Minister.

2.

In de melding wordt het door de minister toegekende registratienummer van het toepasselijke perceel of de registratienummers van de toepasselijke percelen, zoals vermeld op het formulier, bedoeld in de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave zoals die geldt op het moment waarop de melding wordt gedaan, opgegeven.

3.

Ten behoeve van de melding maakt de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties gebruik van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

4.

Indien de melding plaatsvindt voor 0:00 uur, vindt de controle op areaal en kwaliteit uiterlijk de derde werkdag plaats of informeert de minister de producentenorganisatie dat er geen controle zal plaatsvinden.

Artikel 5.3.183
1.

Voor de toepassing van artikel 17, achtste lid, onderdeel e, van verordening 2022/126, wordt de vergoeding voor producten waarvoor de normale oogst reeds begonnen is, maar die een langere oogstperiode hebben dan een maand, beperkt tot de resterende oogstcapaciteit indien de resterende oogstperiode minder bedraagt dan zes weken.

2.

De resterende oogstcapaciteit wordt door de producentenorganisatie ten genoegen van de minister bepaald aan de hand van:

  • a. afleverbonnen van de planten;
  • b. de normale productiecyclus van een gewas; en
  • c. de oorspronkelijk geplande ruimdatum.
Artikel 5.3.184
1.

De producentenorganisatie voert het vernietigde gewas, indien van toepassing, of het groen geoogste product af.

2.

Als toegestane bestemmingen voor afvoer worden aangewezen:

  • a. afvalverwerkers; en
  • b. veehouders ten behoeve van vervoedering.
3.

Afvalverwerkers beschikken over een geldige milieuvergunning.

4.

Producentenorganisaties sluiten schriftelijke overeenkomsten met afnemers en transporteurs van de in het eerste lid bedoelde gewassen en producten met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, waarin de afnemers en transporteurs worden verplicht:

  • a. tot naleving van de voorwaarden uit artikel 28, tweede lid, van verordening 2022/126, inclusief het voeren van een aparte voorraadboekhouding voor de betrokken concrete acties;
  • b. bij ontvangst van de gewassen en producten de daarbij behorende door de minister ter beschikking gestelde vrachtbrief te ondertekenen; en
  • c. de vrachtbrief en de overeenkomst met de producentenorganisatie gedurende tenminste 7 kalenderjaren, volgend op het kalenderjaar waarin het verkoopseizoen eindigt, te bewaren.
5.

In aanvulling op het vierde lid worden ontvangers van de gewassen en producten verplicht om deze gewassen en producten:

  • a. een niet voor menselijke consumptie geschikte bestemming te geven die:
  • 1°. de normale afzet van de betrokken productie niet in de weg staat; en
  • 2°. geen negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen heeft als bedoeld in artikel 17, achtste lid, onderdeel c, van verordening 2022/126; en
  • b. bij ontvangst per vracht te wegen en de weegbrieven gedurende tenminste 7 kalenderjaren, volgend op het kalenderjaar waarin het verkoopseizoen eindigt, te bewaren.
Artikel 5.3.185
1.

Uitgaven voor premies ten behoeve van een oogst- en productieverzekering als bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel i, van verordening 2021/2115 en artikel 18 van verordening 2022/126 zijn subsidiabel voor zover de producentenorganisatie deze actie heeft opengesteld aan al haar leden.

2.

Uitgaven zijn slechts subsidiabel indien zij betrekking hebben op het deel van de polis dat betrekking heeft op gewasschade als gevolg van natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, ziekten of plagen.

3.

Assurantiebelasting en polis- of andere soortgelijke kosten zijn niet subsidiabel.

4.

Bij de aanvraag tot subsidievaststelling wordt door de producentenorganisatie aan de Minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, in geval van de uitgaven informatie overlegd over de verzekering en de daaraan deelnemende leden.

5.

Overeenkomstig artikel 18, tweede alinea, van verordening 2022/126 hebben oogst- en productieverzekeringen geen betrekking op verzekeringsuitkeringen die meer dan 100% van het door de producent geleden inkomensverlies dekken, inclusief vergoedingen die de producent ontvangt op grond van andere steun- of verzekeringsregelingen voor het verzekerde risico.

Artikel 5.3.186
1.

Uitgaven van personeelskosten en reis- en verblijfkosten voor begeleiding van andere producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties die op grond van verordening 1308/2013 zijn erkend of uitgaven voor coaching van individuele producenten, als bedoeld in artikel 47, tweede lid onderdeel j, van verordening 2021/2115 zijn subsidiabel indien voldaan is aan de voorwaarden uit artikel 13 van verordening 2022/126.

2.

Uitgaven zijn subsidiabel indien de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, uitvoering geven aan de in artikel 13, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van verordening 2022/126 bedoelde doelen.

3.

Voor de reis- en verblijfkosten gelden de voorwaarden van artikel 5.2.74.

Artikel 5.3.187
1.

Uitgaven van de producentenorganisatie, inclusief personeelskosten, die gerelateerd zijn aan de in artikel 47, tweede lid, onderdeel k van verordening 2021/2115 bedoelde uitvoering en het beheer van sanitaire en fytosanitaire voorschriften van derde landen op het grondgebied van de Europese Unie om de toegang tot de markten van derde landen te vergemakkelijken, zijn subsidiabel.

2.

Indien de producentenorganisatie in het kader van fytosanitaire protocollen met derde landen uitgaven moet doen als bedoeld in artikel 5.3.103, geldt in afwijking van artikel 5.3.104, eerste lid, dat de kosten volledig subsidiabel zijn.

Artikel 5.3.188

Uitgaven van de producentenorganisatie, inclusief personeelskosten, voor communicatieacties gericht op bewustmaking en het informeren van consumenten, als bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel l van verordening 2021/2115 zijn subsidiabel.

§ 12. Verbetering van de arbeidsvoorwaarden en handhaving van de werkgeversverplichtingen en van de vereisten voor gezondheid en veiligheid op het werk

§ 7.3. Uitgaven voor overige kosten

Artikel 5.3.189

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling verbetering van de arbeidsvoorwaarden en handhaving van de werkgeversverplichtingen en van de vereisten voor gezondheid en veiligheid op het werk, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel k, van verordening 2021/2115.

§ 7.1. Algemene bepalingen

Artikel 5.3.190
1.

Uitgaven van de producentenorganisatie voor een investering in een duurzaam productiemiddel ten behoeve van de bescherming van de gezondheid van medewerkers op de locatie van de producentenorganisatie, een dochteronderneming of een lid in geval van een uitbraak van besmettelijke humane ziekten is subsidiabel.

2.

Investeringen, bedoeld in het eerste lid, zijn onder meer speciale voorzieningen zoals schermen of technische aanpassingen.

§ 7.2. Investering in een duurzaam productiemiddel

Artikel 5.3.191
1.

Uitgaven van de producentenorganisatie, inclusief personeelskosten, ten behoeve van bescherming van de gezondheid van medewerkers op de locatie van de producentenorganisatie, een dochteronderneming of een lid in geval van een uitbraak van besmettelijke humane ziekten zijn subsidiabel.

2.

Uitgaven, bedoeld in het eerste lid, zijn onder meer de inhuur van hygiënediensten.

3.

Niet subsidiabel zijn onder meer uitgaven voor:

  • a. persoonlijke hygiëne zoals mondkapjes, handschoenen, zeep, beschermende kleding;
  • b. bloed- of speekseltesten;
  • c. hygiënemaatregelen in ruimten die niet gerelateerd zijn aan de teelt, bewerking of verkoop van producten.

Afdeling 5.3.3. Subsidieaanvraag en gedeeltelijke betalingen

Artikel 5.3.192

Indien een uitgave afwijkt van de in het operationele programma opgenomen begroting voor een uitgavenpost, wordt deze afwijking bij de aanvraag tot subsidievaststelling over het voorafgaande jaar voldoende gemotiveerd.

Artikel 5.3.193

De producentenorganisatie dient tussen 1 maart en 1 april om 12:00 uur een aanvraag tot subsidievaststelling over het voorafgaande jaar in, vergezeld van een overzicht van de per project en activiteit gevraagde subsidie en de detailstaat declaratie in, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 5.3.194
1.

Uitgaven als bedoeld in afdeling 5.2.3, paragraaf 3, en afdeling 5.3.2 worden opgenomen in de aanvraag voor een gedeeltelijke betaling of aanvraag tot subsidievaststelling voor het uitvoeringsjaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd, tenzij in afdeling 5.2.3, paragraaf 3 en afdeling 5.3.2 anders wordt bepaald.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen uitgaven als bedoeld in afdeling 5.2.3, paragraaf 3 en afdeling 5.3.2 worden betaald in de periode van 1 januari tot en met de datum van het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling in het jaar volgend op het uitvoeringsjaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd, indien de uitgaven in die periode in het actiefonds worden verwerkt.

3.

Crediteringen en creditfacturen worden in mindering gebracht op de hoogte van de financiële steun in de aanvraag tot gedeeltelijke betaling of aanvraag tot subsidievaststelling.

4.

Crediteringen en creditfacturen die na indiening van een aanvraag tot gedeeltelijke betaling of na afloop van de aanvraag tot subsidievaststelling worden ontvangen worden onverwijld gemeld aan de minister.

Artikel 5.3.195
1.

Producentenorganisaties laten een extern accountant de juistheid van de aanvraag tot subsidievaststelling controleren en laten de aanvraag tot subsidievaststelling door de accountant waarmerken.

2.

De accountant stelt op basis van de door hem uitgevoerde controle een controleverklaring op met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, alsmede een verslag van de verrichte werkzaamheden.

Artikel 5.3.196
1.

In afwijking van de artikelen 2.14 en 5.1.8 kan een producentenorganisatie de Minister tussen 15 mei en 15 juni om 12:00 uur of tussen 15 september en 15 oktober om 12:00 uur van enig jaar verzoeken om een betaling van ten hoogste 80% van de reeds gerealiseerde uitgaven in het kader van het operationele programma en nog niet aan de producentenorganisatie betaalde bedragen.

2.

Ter onderbouwing van het verzoek om gedeeltelijke betaling overlegt de producentenorganisatie de volgende bewijsstukken aan de Minister:

  • a. een rapportage, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, over de bij het verzoek betrokken periode; en
  • b. een detailstaat declaratie.
3.

Een verzoek om gedeeltelijke betaling wordt ten aanzien van overheadkosten als bedoeld in artikel 23, derde lid van verordening 2022/126 slechts gedaan voor het gedeelte van het forfait naar rato van de gerealiseerde uitgaven over de betrokken periode.

Afdeling 5.3.4. Rapportageverplichtingen

Artikel 5.3.197

Het jaarverslag over de uitvoering van operationele programma’s dat samen met de aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend bevat ten aanzien van de tijdens het voorgaande uitvoeringsjaar uitgevoerde operationele programma:

  • a. een beschrijving van de geplande en daadwerkelijke uitgevoerde werkzaamheden voor het betreffende jaar per activiteit;
  • b. een motivering van afwijkingen tussen geplande en daadwerkelijke uitgevoerde werkzaamheden;
  • c. een beschrijving per activiteit van de geplande en daadwerkelijk bereikte realisatie voor het betreffende jaar ten aanzien van de sectorale doelstellingen.
  • d. een motivering van afwijkingen tussen geplande en de daadwerkelijk bereikte realisatie; en
  • e. een beschrijving van de maatregelen die de producentenorganisatie neemt om alsnog de doelstellingen te kunnen bereiken.
Artikel 5.3.198
1.

De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties overlegt gelijktijdig met het jaarverslag over het voorlaatste jaar van de looptijd van het operationeel programma een evaluatie van het operationele programma met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

2.

De evaluatie bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

  • a. een beschrijving van de geplande en daadwerkelijke gedurende de looptijd van het operationeel programma uitgevoerde projecten en activiteiten;
  • b. een motivering van afwijkingen tussen geplande en daadwerkelijke uitgevoerde projecten en activiteiten;
  • c. een beschrijving per project en activiteit van de geplande en gedurende de looptijd van het operationeel programma daadwerkelijk bereikte realisatie van de in het goedgekeurde operationele programma vastgestelde verwachte meetbare kwantificeerbaar resultaat;
  • d. motivering van afwijkingen tussen geplande en de daadwerkelijk kwantificeerbaar bereikte realisatie, bedoeld in onderdeel c;
  • e. een beschrijving van de kwantificeerbare bijdrage die de uitvoering van het operationeel programma gedurende haar looptijd geleverd heeft aan de realisatie van het operationeel programma, met name de sectorale doelstellingen;
  • f. een beschrijving van de begrote en daadwerkelijke benutting van het actiefonds gedurende de looptijd van het operationeel programma;
  • g. een motivering van afwijkingen tussen begrote en de daadwerkelijk bereikte benutting van het actiefonds; en
  • h. een beschrijving van de wijzigingen van het operationele programma als gevolg van de afwijkingen, bedoeld in onderdelen b, d en f.
3.

Indien de looptijd van een operationeel programma is verlengd door middel van een wijziging van het operationeel programma behoeft de evaluatie slechts éénmaal te worden uitgevoerd.

4.

Als onderdeel van de evaluatie beschrijft de producentenorganisatie welke lessen te trekken zijn om toekomstige operationele programma’s te verbeteren en welke wijzigingen in het lopende operationele programma moeten worden aangebracht.

Afdeling 5.3.5. Slotbepalingen

Artikel 5.3.199
1.

Een investering in een duurzaam productiemiddel die in het operationeel programma direct voorafgaande aan het eerste operationeel programma dat wordt goedgekeurd onder verordening 2021/2115 is opgenomen en in tranches ten laste van het actiefonds werd gebracht, kan worden opgenomen in het eerste operationele programma dat wordt goedgekeurd onder verordening 2021/2115.

2.

Projecten die zijn opgenomen in het operationeel programma direct voorafgaande aan het eerste operationeel programma dat wordt goedgekeurd onder verordening 2021/2115 en op grond van artikel 51, zesde lid van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018 een looptijd hadden die de looptijd van het operationeel programma overschrijdt, kunnen worden ingebracht in het eerste operationele programma dat wordt goedgekeurd onder verordening 2021/2115.

3.

De tranches, bedoeld in het eerste lid, hoeven niet te worden ingediend in het kader van een project.

Artikel 5.3.200

Deze titel vervalt met ingang van 17 oktober 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 5.3.201

De Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018 wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op operationele programma’s die voldoen aan artikel 5, zesde lid, onderdeel c, van verordening 2021/2117. Voor deze operationele programma’s zijn de artikelen met betrekking tot erkenningen in deel 2 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018 niet langer van toepassing en gelden de artikelen met betrekking tot erkenningen in afdeling 5.2.1.

Titel 5.4. Sectorale interventie bijenteelt

Artikel 5.4.1. Begripsbepalingen
1.

In deze titel wordt verstaan onder:

  • kennisinstelling:
  • b. andere dan in onderdeel a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;
  • c. geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:
  • 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs;
  • 2°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;
  • d. rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld in onderdeel a, b of c, direct of indirect:
  • 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft;
  • 2°. volledig aansprakelijk vennoot is; of
  • 3°. overwegende zeggenschap heeft;
  • e. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld in de onderdelen a tot en met d;
  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel ee, van de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2014/C 198/01);
  • uitvoeringsjaar: van 1 juli tot en met 30 juni.
2.

In afwijking van het eerste lid loopt het eerste uitvoeringsjaar van 1 januari tot en met 30 juni 2023.

Artikel 5.4.2. Subsidieaanvraag
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan kennisinstellingen, onderzoeksorganisaties en instellingen in het groen beroepsonderwijs voor projecten op het gebied van kennisontwikkeling en kennisverspreiding die activiteiten omvatten betreffende goede imkerpraktijken of de bijengezondheid en de doorwerking naar de praktijk verbeteren.

2.

De projecten ondersteunen activiteiten die bijdragen aan de interventietypes, bedoeld in artikel 55, eerste lid onderdelen a en e, van verordening 2021/2115, en de specifieke doelstellingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen c en f, van verordening 2021/2115.

3.

Onverminderd artikel 2.9, eerste lid, wordt een aanvraag om subsidie ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld format.

Artikel 5.4.3. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten minste € 125.000 en ten hoogste € 160.000 per project.

Artikel 5.4.4. Betaling
1.

De minister verleent eenmaal per uitvoeringsjaar een betaling.

2.

De betaling bedraagt per uitvoeringsjaar ten hoogste € 80.000.

Artikel 5.4.5. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen uitsluitend kosten als bedoeld in artikel 22, derde lid, artikel 23 en bijlage III van verordening 2022/126 in aanmerking ten behoeve van het project voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van de desbetreffende subsidiabele activiteit.

2.

De aanvrager berekent de subsidiabele kosten overeenkomstig artikel 5.1.3, eerste lid, onderdeel a, en tweede en derde lid.

3.

In afwijking van het tweede lid kunnen kennisinstellingen de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 1.3b, hanteren.

4.

Als andere kosten als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel d, komen in aanmerking:

  • a. Reis- en verblijfkosten overeenkomstig de voorwaarden in artikel 5.4.6;
  • c. Kosten derden, voor zover deze derden niet betrokken zijn bij de rangschikking van de aanvragen.
5.

De uitgavenposten, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b en c, worden onderbouwd door middel van drie onderling vergelijkbare kostenbegrotingen.

6.

In afwijking van het vijfde lid kan een begroting voor een uitgavenpost voor een activiteit waarvan de uitgaven in een uitvoeringsjaar worden geraamd op minder dan € 25.000 worden onderbouwd aan de hand van een enkele kostenbegroting.

7.

Indien een uitgavenpost voor een activiteit aantoonbaar door slechts een enkele of ten hoogste twee partijen kan worden uitgevoerd of begroot, wordt een begroting, in afwijking van het vijfde lid, onderbouwd met de beschikbare kostenbegroting of kostenbegrotingen.

8.

Indien een begroting voor een uitgavenpost wordt onderbouwd aan de hand van meerdere kostenbegrotingen wordt de economisch meest voordelige kostenbegroting gekozen. De keuze voor de in de begroting opgenomen kostenbegroting wordt voldoende gemotiveerd.

Artikel 5.4.6. Berekening reis- en verblijfkosten
1.

Uitgaven voor kilometers gereden met de eigen auto door medewerkers van de begunstigde zijn subsidiabel indien:

  • a. de kilometers zijn gemaakt in het kader van een in project opgenomen activiteit;
  • b. de vergoedingen daadwerkelijk aan de medewerker zijn uitbetaald; en
  • c. de vergoeding maximaal € 0,21 per kilometer bedraagt.
2.

Uitgaven voor vliegtickets voor buitenlandse dienstreizen, plaatsbewijzen voor het openbaar vervoer en tickets voor veerboten zijn subsidiabel op basis van de economy class prijzen van deze tickets of plaatsbewijzen.

3.

Begunstigden kunnen voor uitgaven voor verblijfkosten voor dienstreizen en excursies in binnenland en in EU-lidstaten door medewerkers vergoedingen declareren voor de daadwerkelijk gemaakte kosten binnen de maxima van hoofdstuk 10 van de CAO-Rijk.

4.

Kosten voor auto’s in eigendom van of geleased dan wel gehuurd door de begunstigde zijn niet subsidiabel.

Artikel 5.4.7. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond per openstelling op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 5.4.8. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel b, is twee jaar na subsidieverlening.

Artikel 5.4.9. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 2.11, beslist de minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien een aanvraag minder dan 30 punten behaalt op basis van de rangschikking, bedoeld in artikel 5.4.10.

Artikel 5.4.10. Rangschikkingscriteria
1.

De minister kent aan een aanvraag, op basis van het bijbehorende projectplan, een hoger aantal punten toe aan de hand van de volgende criteria:

  • a. de mate van inhoudelijke diepgang, waaraan ten hoogste de volgende punten worden toegekend:
  • 1°. de doelstellingen zijn toepasselijk en duidelijk omschreven: ten hoogste 5 punten;
  • 2°. het voorstel bouwt voldoende voort op wetenschappelijke kennis: ten hoogste 16 punten;
  • 3°. de voorgestelde methode of aanpak om de doelstellingen te bereiken is duidelijk omschreven en realistisch: ten hoogste 5 punten;
  • 4°. de kwaliteit van de kennisinstelling of onderzoeksorganisatie is voldoende of er is voldoende kennis aanwezig bij de verschillende deelnemers waaronder medewerkers, projectcoördinatoren en partners: ten hoogste 5 punten;
  • 5°. het voorstel is voldoende creatief en heeft voldoende stimulerend potentieel: ten hoogste 5 punten;
  • b. de mate van relevantie voor de imkerpraktijk en potentiële impact van de activiteiten voor de imkerpraktijk, waaraan ten hoogste 45 punten worden toegekend;
  • c. de kwaliteit en efficiëntie van het voorstel, waaraan ten hoogste de volgende punten worden toegekend:
  • 1°. de kwaliteit en effectiviteit van het werkplan, inclusief de mate waarin de mensen en middelen worden ingezet, zijn voldoende om de doelstellingen en producten te realiseren: ten hoogste 2 punten;
  • 2°. de managementstructuren en procedures zijn voldoende, inclusief risico’s, ethische kwesties en omgang met gegevens om de activiteiten uit te voeren: ten hoogste 1 punt;
  • 3°. de complementariteit van de deelnemers is voldoende zodat de onderzoeksgroep of het samenwerkingsverband de noodzakelijke expertise kan leveren: ten hoogste 2 punten;
  • 4°. de rolverdeling in het voorstel is duidelijk omschreven: ten hoogste 2 punten;
  • 5°. de budgettering van het projectplan is voldoende: ten hoogste 2 punten.
2.

Het aantal punten dat wordt behaald, betreft het totaal van de punten die op grond van de onderdelen a, b en c van het eerste lid worden toegekend. Het maximum aantal punten is 90.

3.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

4.

In afwijking van artikel 2.6, tweede lid, rangschikt de minister indien aan twee of meer aanvragen in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend aan respectievelijk onderdeel a en b van het eerste lid.

Artikel 5.4.11. Verplichtingen van de subsidieontvanger
1.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

3.

De subsidieontvanger dient jaarlijks, tussen 1 juli en 1 augustus om 12:00 uur, een tussenrapportage in bij de minister met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld format. Deze tussenrapportage heeft betrekking op het voorgaande uitvoeringsjaar en bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten, de behaalde deelresultaten en een verantwoording van de gedane uitgaven.

4.

In afwijking van artikel 2.19, eerste lid, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling gelijktijdig in met de tussenrapportage, bedoeld in het derde lid.

Artikel 5.4.12. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 augustus 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen en slotbepalingen

Artikel 6.1. Wijziging van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2021

Wijzigt de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2021.

Artikel 6.1a. Overgangsrecht
1.

Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip tenzij de wijziging met terugwerkende kracht in werking treedt.

2.

Voor zover in afwijking van het eerste lid, blijven de artikelen 5.2.38, 5.2.39, 5.2.40, 5.2.47, 5.2.48, 5.3.4, 5.3.11, 5.3.12, 5.3.25, 5.3.34, 5.3.42, 5.3.46, 5.3.48, 5.3.49, 5.3.54, 5.3.71, 5.3.72, 5.3.73, 5.3.75, 5.3.76, 5.3.78, 5.3.94, 5.3.107, 5.3.112, 5.3.119, 5.3.121, 5.3.123, 5.3.130, 5.3.145 en 5.3.160, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 juni 2024, nr. WJZ/59107176, tot wijziging van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 ter wijziging van de Regeling Europese EZK- en LNV- subsidies 2021 ten behoeve van de Sectorale interventie groenten en fruit en de Sectorale interventie bijenteelt, van toepassing op subsidies voor het uitvoeringsjaar 2024 of daarvoor.

Artikel 6.1b. Wijziging van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022

Wijzigt de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022.

Artikel 6.2. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 6.3. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021.

Bijlage. behorende bij artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Procedure als bedoeld in artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Kopieën of volledig digitale documenten kunnen worden geaccepteerd als bewijsstuk. In deze bijlage worden de procedures vastgesteld voor documenten die in het kader van de uitvoering van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 en verantwoording op grond van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en op grond van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247) kunnen worden gebruikt.

1. Typen documenten

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

2. Procedure voor het gebruik van de documenten, bedoeld onder 1, onderdelen a, b en c

De in 1, onderdelen a, b en c, bedoelde bewijsstukken zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

3. Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in een elektronische versie bestaan, bedoeld onder 1, onderdeel d

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.

Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5.1.14. Belastingdienst

De Belastingdienst maakt voor de uitvoering van deze regeling het BTW-nummer van de subsidieontvanger bekend aan de minister.

Titel 5.2. Operationele programma’s

Afdeling 5.2.1. Erkenningen

§ 1. Erkenningsvereisten

§ 1.1. Rechtspersoonlijkheid

§ 1.2. Lidmaatschap

§ 1.3. Verplichtingen voor producentenorganisaties

§ 1.4. Eisen aan de statuten van producentenorganisaties

§ 2. Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning

§ 3. Informatie- en rapportageverplichtingen

§ 4. Erkenning van unies van producentenorganisaties

§ 5. Niet naleving van de erkenningscriteria

Afdeling 5.2.1. Erkenningen

§ 4.4. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van Rijkscofinanciering in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg)

§ 2. Beheer van het actiefonds

Afdeling 5.2.3. Operationele programma’s

§ 1. Eisen aan operationele programma’s

§ 2. Indienen en wijzigen operationeel programma

§ 2. Beheer van het actiefonds

§ 3.1. Algemeen

§ 3.2. Personeelskosten

§ 3.3. Duurzame productiemiddelen

§ 1.4. Eisen aan de statuten van producentenorganisaties

Titel 5.3. Interventietypes in de sector groenten en fruit

Afdeling 5.2.2. Actiefonds en waarde afgezette productie

Afdeling 5.3.2. Subsidiabele activiteiten en sectorale doelstellingen

§ 2. Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning

§ 1. Waarde afgezette productie

§ 2.1. Algemeen

§ 2.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

§ 3.2. Personeelskosten

§ 2. Indienen en wijzigen operationeel programma

§ 3.3. Investering in een duurzaam productiemiddel

§ 3.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

§ 3.3. Uitgaven voor overige kosten

§ 1. Algemeen

§ 3.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

§ 4.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

§ 2.2. Investering in een duurzaam productiemiddel

§ 5. Onderzoek naar en ontwikkeling van duurzame productietechnieken

§ 2.3. Uitgaven voor overige kosten

§ 5.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

§ 4.3. Uitgaven voor overige kosten

§ 6. Afzetbevordering, ontwikkeling en uitvoering ten behoeve van duurzaamheid

§ 6.1. Algemeen

§ 6.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

§ 6.3. Uitgaven voor overige kosten

§ 7. Bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering

§ 7.1. Algemene bepalingen

§ 4.3. Uitgaven voor overige kosten

§ 5.1. Algemene bepalingen

§ 8. Verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten

§ 7.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

§ 8.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

§ 8.1. Algemene bepalingen

§ 9. Afzetbevordering en marketing van producten

§ 7.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

§ 9.2. Uitgaven voor overige kosten

§ 8. Verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten

§ 8.1. Algemene bepalingen

§ 7.1. Algemene bepalingen

§ 9. Afzetbevordering en marketing van producten

§ 12. Verbetering van de arbeidsvoorwaarden en handhaving van de werkgeversverplichtingen en van de vereisten voor gezondheid en veiligheid op het werk

§ 7.3. Uitgaven voor overige kosten

§ 8.1. Algemene bepalingen

§ 8.1. Algemene bepalingen

Afdeling 5.3.3. Subsidieaanvraag en gedeeltelijke betalingen

Afdeling 5.3.4. Rapportageverplichtingen

Afdeling 5.3.5. Slotbepalingen

Titel 5.4. Sectorale interventie bijenteelt

Titel 5.4. Sectorale interventie bijenteelt

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 5.5.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • landbouwer: natuurlijke of rechtspersoon of een groep natuurlijke of rechtspersonen die een minimumniveau aan landbouwactiviteiten uitvoert;
  • open teelten: open teelten van de sectoren akkerbouw, vollegrondsgroententeelt, bollenteelt, sierteelt, fruitteelt en boomkwekerij;
  • schade-expert: deskundige op het gebied van schade die de gedragscode van expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars of een daarmee gelijk te stellen gedragscode in acht neemt;
  • verzekeringspolis: bewijs van verzekering tussen landbouwer en verzekeraar.
Artikel 5.5.2. Subsidieaanvraag
1.

Een landbouwer kan subsidie aanvragen in de vorm van een financiële bijdrage voor de premie ten behoeve van de brede weersverzekering.

2.

De landbouwer die in aanmerking wil komen voor de subsidie, bedoeld in het eerste lid, maakt voor de aanvraag gebruik van het beschrijvingsbiljet, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet en de daarop gebaseerde door de minister vastgestelde regeling.

3.

De landbouwer legt vóór 1 november van het jaar waarin hij de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, indient, de in artikel 5.5.7. genoemde gegevens over.

4.

De landbouwer is van de verplichting, bedoeld in het vierde lid, vrijgesteld voor zover de bewijsstukken vóór het verstrijken van de in dat lid genoemde termijn door de verzekeraar worden verstrekt.

Artikel 5.5.3. Afwijzingsgronden
1.

Onverminderd artikel 1.2., wordt geen subsidie verstrekt voor zover de landbouwer van overheidswege een andere bijdrage ontvangt voor de premie, bedoeld in artikel 5.5.2., eerste lid.

2.

Geen subsidie wordt verstrekt indien de landbouwer zijn open teelt niet tegen alle ongunstige weersomstandigheden, bedoeld in artikel 5.5.12., heeft verzekerd.

3.

Geen subsidie wordt verstrekt ten behoeve van de premie die wordt betaald voor een brede weersverzekering van de open teelt op landbouwareaal dat is gelegen buiten Nederland.

4.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien:

  • c. de landbouwer ofwel in het geval hij een volmacht heeft verleend als bedoeld in artikel 5.5.8., het deel van de premie dat overeenkomt met de gehele premie verminderd met de aangevraagde subsidie op grond van deze regeling, ofwel indien de landbouwer geen volmacht heeft verleend als bedoeld in artikel 5.5.8., de volledige premie, niet vóór 1 november van het jaar van de aanvraag heeft betaald, of,
Artikel 5.5.4. Subsidieverstrekking en hoogte
1.

De minister verstrekt een subsidie die maximaal 63,7% van de premie bedraagt, exclusief belastingen.

2.

De subsidie betreft enkel de oppervlakte van de verzekerde percelen die via het beschrijvingsbiljet, bedoeld in artikel 5.5.2., tweede lid, als zodanig zijn opgegeven.

Artikel 5.5.5. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen.

Artikel 5.5.6. Beslistermijn aanvraag

De minister beslist op een aanvraag als bedoeld in artikel 5.5.2., eerste lid, uiterlijk op 15 mei volgend op het jaar van de aanvraag.

Artikel 5.5.7. Verplichtingen aanvrager

De landbouwer verstrekt de volgende gegevens aan de minister:

  • a. het polisnummer van de brede weersverzekering;
  • b. de naam van de verzekeraar met wie de brede weersverzekering is afgesloten en een kopie van de verzekeringspolis;
  • d. toestemming aan de minister om perceelsgegevens uit te wisselen met de verzekeraar ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling;
  • f. een verklaring dat de landbouwer zich niet meer dan één keer verzekert voor dezelfde schade.
Artikel 5.5.8. Betaling subsidie
1.

De betaling van de subsidie, bedoeld in artikel 5.5.2., geschiedt overeenkomstig artikel 4:89, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig een door de landbouwer daartoe verstrekte volmacht als bedoeld in titel 3 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, aan de verzekeraar met wie de landbouwer de brede weersverzekering heeft gesloten.

2.

Bij gebreke van een volmacht als bedoeld in het eerste lid vindt betaling plaats door bijschrijving op een door de landbouwer opgegeven bankrekening.

§ 2. Voorschriften inzake de verzekeraar

Artikel 5.5.9. Aanvraag verzekeraar
1.

Een verzekeraar dient vóór 1 december, voorafgaand aan het jaar waarvoor de goedkeuring wordt gevraagd, een aanvraag in bij de minister voor goedkeuring van de voorwaarden van een brede weersverzekering.

2.

De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van:

  • a. een onderbouwing van de premie;
  • b. een verklaring van de verzekeraar dat hij zijn administratie die betrekking heeft op de verzekeringsvoorwaarden, ten minste vier kalenderjaren na afloop van de brede weersverzekering ter beschikking houdt voor de minister;
  • c. het standaardmodel van de verzekeringspolis, en
  • d. documenten waarin de verzekeraar ten genoegen van de minister aantoont dat de verzekeringsvoorwaarden voldoen aan het bepaalde in deze regeling.
3.

De minister beslist binnen een termijn van 22 weken op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.5.10. Voorwaarden goedkeuring brede weersverzekering
1.

De minister verleent uitsluitend goedkeuring aan de verzekeringsvoorwaarden indien:

  • a. het financieel verlies van de landbouwer dat wordt gedekt:
  • 1°. meer is dan 20% van de gemiddelde jaarproductie in de laatste drie jaar of van de gemiddelde productie van drie van de laatste vijf jaar waarbij de hoogste en laagste productie van deze vijf jaar niet wordt meegerekend,
  • 2°. het gevolg is van een lagere opbrengst in kwantiteit of kwaliteit,
  • 3°. optreedt op een aaneengesloten stuk grond waarop één enkel gewas wordt geteeld, en
  • 4°. redelijkerwijs is toe te rekenen aan ongunstige weersomstandigheden als bedoeld in artikel 5.5.12.;
  • b. alle open teelten verzekerd kunnen worden;
  • c. geen eisen worden gesteld aan de aard of hoeveelheid van de toekomstige productie door de verzekerde;
  • d. de voorwaarde wordt gesteld dat de schade wordt vastgesteld door een schade-expert;
  • e. de verzekeraar niet tot uitkering overgaat voor zover de landbouwer van overheidswege een tegemoetkoming in de schade ontvangt die ertoe leidt dat hij meer compensatie ontvangt dan hij schade heeft geleden;
  • f. slechts één keer tot uitkering wordt overgegaan voor dezelfde gebeurtenis bij dezelfde teelt;
  • g. de brede weersverzekering wordt aangegaan voor een periode van ten minste twaalf maanden;
  • h. de brede weersverzekering geen dekking biedt voor:
  • 1°. genomen preventiemaatregelen, en
  • i. de verzekeraar toestemming wordt verleend door de landbouwer om diens persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling;
  • j. de verzekeraar verklaart dat deze niet meer dan een keer dezelfde schade van de landbouwer verzekert;
  • k. de verzekeraar verklaart dat deze alle ontvangen subsidiebedragen aanwendt om de premienota van de betreffende landbouwer overeenkomstig de voorwaarden van deze regeling te voldoen, en
  • l. de verzekeraar verklaart dat de minister in kennis wordt gesteld van eventuele aanpassingen in de administratie van de verzekeraar, voor zover deze aanpassingen negatieve gevolgen hebben voor de betrouwbaarheid van de daarin verwerkte gegevens.
2.

De minister verleent de goedkeuring per verzekeringsjaar en kan aan de goedkeuring nadere voorschriften verbinden.

Artikel 5.5.11. Verlenging goedkeuring
1.

De goedkeuring, bedoeld in artikel 5.5.10., eerste lid, kan op verzoek van de verzekeraar steeds voor een periode van een jaar worden verlengd.

2.

De verzekeraar dient vóór 15 januari van het desbetreffende jaar een verzoek tot verlenging van de goedkeuring in bij de minister en meldt daarbij de eventuele wijzigingen van de verzekeringsvoorwaarden.

3.

De minister beslist binnen 6 weken op het verzoek, bedoeld in het eerste lid.

4.

Bij een verzoek tot verlenging verstrekt de verzekeraar het totaalbedrag aan schade-uitkeringen gedaan op het product brede weersverzekering van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor verzoek tot verlenging van de goedkeuring van de verzekeringsvoorwaarden wordt aangevraagd.

5.

Alvorens te besluiten op het verzoek tot verlenging beoordeelt de minister de redelijkheid van kosten, aan de hand van de met de schade-uitkeringsbedragen berekende loss ratio over de vijf voorafgaande jaren. Indien de minister na onderzoek concludeert dat niet meer van redelijke kosten kan worden gesproken moet de verzekeraar binnen een door de minister te bepalen termijn aangeven op welke wijze het meerjarig loss ratio getal in het nieuwe verzekeringsjaar weer boven de daartoe door de minister vastgestelde signaleringswaarde wordt gebracht. Indien niet afdoende gewaarborgd is dat het meerjarig loss ratio getal boven de signaleringswaarde blijft, wordt de goedkeuring geweigerd.

Artikel 5.5.12. Ongunstige weersomstandigheden
1.

Onder ongunstige weersomstandigheden worden in elk geval begrepen:

  • a. weersomstandigheden die volgens een schade-expert of het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, en
  • b. elk van de volgende weersomstandigheden:
  • 1°. regenval;
  • 2°. droogte;
  • 3°. (nacht)vorst;
  • 4°. sneeuw;
  • 5°. ijzel;
  • 6°. storm;
  • 7°. hagel, of
  • 8°. brand door blikseminslag.
2.

De minister kan in aanvulling op het eerste lid, in overleg met de brancheorganisatie van verzekeraars, ook andere ongunstige weersomstandigheden erkennen.

Artikel 5.5.13. Bijzondere voorwaarden
1.

In afwijking van artikel 5.5.10, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, mag een brede weersverzekering ook tot uitkering komen bij een financieel verlies van 20% of minder, mits de verzekeraar ten genoegen van de minister onderscheidt welk deel van de premie betrekking heeft op vergoeding van het financieel verlies van de landbouwer van 20% of minder. In dat geval heeft de steun slechts betrekking op het gedeelte van de premie dat ziet op verzekeringsvoorwaarden die in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze regeling.

2.

Het onderscheid, bedoeld in het eerste lid, moet helder zijn omschreven in de verzekeringsvoorwaarden.

3.

In afwijking van artikel 5.5.10, eerste lid, onderdeel g, mag een brede weersverzekering voor langer dan twaalf maanden worden aangegaan, mits de premie jaarlijks wordt betaald en de jaarlijkse premie betrekking heeft op de productie van een periode van twaalf maanden.

4.

De minister publiceert een lijst van de goedgekeurde brede weersverzekeringen op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 5.5.14. Rekenmodel
1.

In afwijking van artikel 5.5.10., eerste lid, onderdeel d, mag de schade worden vastgesteld op basis van een rekenmodel.

2.

Het rekenmodel wordt tezamen met de verzekeringsvoorwaarden goedgekeurd door de minister.

3.

De minister keurt het rekenmodel uitsluitend goed indien de verzekeraar aantoont dat de uitkomsten van het rekenmodel vergelijkbaar zijn met een schadebeoordeling door een schade-expert. Het rekenmodel bevat daartoe ten minste de noodzakelijke gegevens om de schade vast te kunnen stellen aan de hand van bedrijfsspecifieke gegevens van het landbouwbedrijf zoals het gewas en de grondsoort op perceelsniveau en de feitelijke weersomstandigheid die de schade veroorzaakt.

4.

De verzekeraar onderzoekt elk gebruik van het rekenmodel met behulp van een steekproef. De resultaten worden ter beschikking gehouden van de minister.

§ 9. Afzetbevordering en marketing van producten

Artikel 5.5.15. Vervaldatum

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)