Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021)
Artikel 5.5.16. Overgangsrecht
Een lopende aanvraag van een verzekeraar als bedoeld in artikel 4.1.10. van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies, wordt bij inwerkingtreding van artikel 5.5.9. beschouwd als aanvraag op grond van artikel 5.5.9.
Een verzoek tot verlenging van de goedkeuring op grond van artikel 4.1.12., tweede lid, van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies, wordt bij inwerkingtreding van artikel 5.5.11. beschouwd als aanvraag op grond van artikel 5.5.11.
Hoofdstuk 6. Overige bepalingen en slotbepalingen
Bijlage. behorende bij artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021
Procedure als bedoeld in artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021
Kopieën of volledig digitale documenten kunnen worden geaccepteerd als bewijsstuk. In deze bijlage worden de procedures vastgesteld voor documenten die in het kader van de uitvoering van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 en verantwoording op grond van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en op grond van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247) kunnen worden gebruikt.
1. Typen documenten
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
2. Procedure voor het gebruik van de documenten, bedoeld onder 1, onderdelen a, b en c
De in 1, onderdelen a, b en c, bedoelde bewijsstukken zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:
Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.
Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.
3. Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in een elektronische versie bestaan, bedoeld onder 1, onderdeel d
Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.
Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 3.3.1. Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- CE-markering: markering als bedoeld in besluit nr. 768/2008/EG van de het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/Eeg van de Raad (PbEU L 218/82);
- SCR-katalysator: nabehandelingssysteem voor selectieve katalytische reductie.
Artikel 3.3.2. Subsidieverstrekking
De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een visserijonderneming voor de volgende activiteiten:
- a. de aankoop en installatie van een SCR-katalysator voor een vissersvaartuig ten behoeve van de reeds ingebouwde motor, voor zover dit leidt tot een vermindering van de uitstoot van stikstofoxiden met ten minste 60 procent van de norm die wordt gesteld aan een motor met vergelijkbaar vermogen met een type goedkeuring CCR2;
- b. het laten opstellen van een rapport door een erkend meetbedrijf of een gecertificeerd meetbedrijf waarin de meetresultaten van emissies van de motor na uitvoering van de in onderdeel a, bedoelde maatregelen in de praktijk zijn weergegeven, voorafgaand aan de aanvraag tot subsidievaststelling. De metingen worden uitgevoerd conform de norm ISO 8178, testcyclus E3 of D2.
Per vissersvaartuig kan één aanvraag worden ingediend.
Subsidie kan slechts worden aangevraagd door een visserijonderneming die op het moment van indiening van de aanvraag een vissersvaartuig in eigendom heeft.
Artikel 3.3.3. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 51.000 per vissersvaartuig.
Artikel 3.3.4. Subsidiabele kosten
Voor zover zij direct verbonden zijn aan de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, komen als subsidiabele kosten in aanmerking:
- a. de kosten voor de aankoop en installatie van een SCR-katalysator;
- b. opstellen van een rapport door een erkend meetbedrijf of een gecertificeerd meetbedrijf.
Artikel 3.3.5. Verdeling subsidieplafond
De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.3.6. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel b, is 24 maanden na subsidieverlening. De activiteiten, bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, worden uiterlijk op 31 december 2026 uitgevoerd.
Artikel 3.3.7. Afwijzingsgronden
Onverminderd de artikelen 2.11 en 3.1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening, indien:
- a. de aanvrager geen houder is van een vergunning voor het vangen van garnalen als bedoeld in artikel 36 van de Uitvoeringsregeling visserij;
- b. er aan de aanvrager ten behoeve van een vissersvaartuig reeds een subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, is verstrekt.
Artikel 3.3.8. Informatieverplichtingen
Onverminderd de artikelen 2.9, eerste tot en met vierde lid, zesde en zevende lid, en 3.1.4, gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:
- a. een investeringsplan met daarin een beschrijving van de investering;
- b. een begroting van de kosten voor aankoop en installatie van die SCR-katalysator;
- c. CFR-nummer van het vissersvaartuig.
Artikel 3.3.9. Verplichtingen subsidieontvanger
Onverminderd de artikelen 1.7, 2.15 en 3.1.7, is de subsidieontvanger verplicht:
- a. de betaling van de kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, te doen plaatsvinden voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling; en
- b. in het jaar dat de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.2.10, wordt aangevraagd, houder te zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling visserij voor het vissen op garnalen.
Artikel 3.3.10. Subsidievaststelling
Onverminderd de artikelen 2.19 en 3.1.6, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling in ieder geval:
- a. facturen, inclusief de CE-markering, en betaalbewijzen van de ten behoeve van de subsidiabele activiteit gemaakte en betaalde kosten;
- b. een rapport als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 3.3.11. Niet-subsidiabele kosten
Onverminderd de artikelen 1.4 en 3.1.2, komen de volgende kosten niet in aanmerking voor subsidie:
- a. kosten van lease en huurkoop;
- b. kosten als bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onderdelen a, b en c;
- c. legeskosten.
Artikel 3.3.12. Vervaltermijn
Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Hoofdstuk 4. Europees fonds voor regionale ontwikkeling
§ 4.1. Algemene bepalingen
§ 3.4. Innovatieve projecten in de aquacultuur
§ 4.3. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van de Rijkscofinanciering in het kader van de landsdelige EFRO-programma’s
§ 4.1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 5. Europees Landbouwgarantiefonds en Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling
Titel 5.1. Algemene bepalingen
Titel 5.2. Operationele programma’s
Afdeling 5.2.1. Erkenningen
§ 1. Erkenningsvereisten
§ 1.1. Rechtspersoonlijkheid
§ 1.2. Lidmaatschap
§ 1.3. Verplichtingen voor producentenorganisaties
§ 1.4. Eisen aan de statuten van producentenorganisaties
§ 2. Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning
§ 3. Informatie- en rapportageverplichtingen
§ 5. Niet naleving van de erkenningscriteria
Afdeling 5.2.2. Actiefonds en waarde afgezette productie
§ 5. Niet naleving van de erkenningscriteria
§ 2. Beheer van het actiefonds
Afdeling 5.2.3. Operationele programma’s
§ 1. Eisen aan operationele programma’s
§ 3. Informatie- en rapportageverplichtingen
§ 3. Algemene voorschriften voor subsidiabele uitgaven
§ 1.4. Eisen aan de statuten van producentenorganisaties
§ 3.2. Personeelskosten
§ 3.3. Duurzame productiemiddelen
§ 3.4. Overige kosten
Titel 5.3. Interventietypes in de sector groenten en fruit
Afdeling 5.3.1. Algemene bepalingen
Afdeling 5.3.2. Subsidiabele activiteiten en sectorale doelstellingen
§ 1. Algemeen
§ 2. Productieplanning en -organisatie
§ 3.3. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 2.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 2. Productieplanning en -organisatie
§ 2.1. Algemeen
§ 2.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 4. Verbetering van het concurrentievermogen
§ 4.1. Algemene bepalingen
§ 4.1. Algemene bepalingen
§ 4.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 2. Productieplanning en -organisatie
§ 3.1. Algemeen
§ 3.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 4. Verbetering van het concurrentievermogen
§ 4.1. Algemene bepalingen
§ 2.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 4.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 7. Bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering
§ 6.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 6.1. Algemeen
§ 8. Verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten
§ 8.1. Algemene bepalingen
§ 7.1. Algemene bepalingen
§ 10. Verhoging van de consumptie van producten van de sector groenten en fruit
§ 7.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 10.2. Uitgaven voor overige kosten
§ 10. Verhoging van de consumptie van producten van de sector groenten en fruit
§ 12. Verbetering van de arbeidsvoorwaarden en handhaving van de werkgeversverplichtingen en van de vereisten voor gezondheid en veiligheid op het werk
§ 12.1. Algemene bepalingen
§ 12.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen
§ 12.3. Uitgaven voor overige kosten
Afdeling 5.3.3. Subsidieaanvraag en gedeeltelijke betalingen
Afdeling 5.3.4. Rapportageverplichtingen
Afdeling 5.3.4. Rapportageverplichtingen
Titel 5.5. Brede weersverzekering
§ 1. Algemene bepalingen
§ 11. Crisispreventie en risicobeheer
§ 10. Verhoging van de consumptie van producten van de sector groenten en fruit
Hoofdstuk 6. Overige bepalingen en slotbepalingen
Bijlage. behorende bij artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021
Procedure als bedoeld in artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021
Kopieën of volledig digitale documenten kunnen worden geaccepteerd als bewijsstuk. In deze bijlage worden de procedures vastgesteld voor documenten die in het kader van de uitvoering van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 en verantwoording op grond van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en op grond van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247) kunnen worden gebruikt.
1. Typen documenten
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
2. Procedure voor het gebruik van de documenten, bedoeld onder 1, onderdelen a, b en c
De in 1, onderdelen a, b en c, bedoelde bewijsstukken zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:
Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.
Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.
3. Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in een elektronische versie bestaan, bedoeld onder 1, onderdeel d
Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.
Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.1.3a. Berekening subsidiabele kosten met forfait voor arbeidskosten
De arbeidskosten worden berekend door de overige kosten te vermenigvuldigen met 0,23.
De overige kosten worden berekend door een factuur of een document met gelijkwaardige bewijskracht te overleggen.
Artikel 5.1.3b. Berekening subsidiabele kosten met forfait voor overige kosten
Voor de berekening van de subsidiabele kosten kiest de aanvrager uit één van de berekeningswijzen genoemd in het tweede of derde lid.
De subsidiabele kosten kunnen worden berekend door:
- a. in het geval van arbeidskosten, het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met:
- 1°. voor eigen arbeid, een uurtarief van € 43;
- 2°. voor loonkosten, een per medewerker bepaald individueel uurtarief, berekend overeenkomstig artikel 5.1.3, tweede lid; en
- b. de in onderdeel a berekende arbeidskosten te vermenigvuldigen met 0,4 voor de overige kosten.
De subsidiabele kosten kunnen worden berekend door het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met de volgende uurtarieven:
- 1°. € 54,– voor de arbeidskosten van een projectmedewerker;
- 2°. € 60,– voor de arbeidskosten van een landbouwer;
- 3°. € 95,– voor de arbeidskosten van een adviseur;
- 4°. € 107,– voor de arbeidskosten van een projectleider/ expert.
Indien deelnemers aan een samenwerkingsverband het tweede lid van dit artikel toepassen voor de berekening van de subsidiabele kosten, worden de overige kosten van een kennisinstelling die gebruik maakt van de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 1.3b, eerste lid, niet toegerekend aan het project.
Indien investeringskosten of meerdere percentages van de subsidiabele kosten onderdeel kunnen zijn van de berekening van de hoogte van de subsidie, maakt de aanvrager geen gebruik van de berekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
Artikel 5.1.12a. Adviescommissie gemeenschappelijk landbouwbeleid 2023–2027
Er is een Adviescommissie gemeenschappelijk landbouwbeleid 2023–2027, ingesteld overeenkomstig artikel 2.8, die de minister adviseert omtrent aanvragen tot subsidie voor zover dat in dit hoofdstuk is bepaald.
De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste dertien leden.
De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd.
Titel 5.2. Operationele programma’s
Afdeling 5.2.1. Erkenningen
§ 4.4. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van Rijkscofinanciering in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg)
§ 1.1. Rechtspersoonlijkheid
§ 1.2. Lidmaatschap
§ 1.3. Verplichtingen voor producentenorganisaties
§ 1.4. Eisen aan de statuten van producentenorganisaties
§ 2. Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning
§ 4. Erkenning van unies van producentenorganisaties
Afdeling 5.2.2. Actiefonds en waarde afgezette productie
§ 1. Waarde afgezette productie
Afdeling 5.2.3. Operationele programma’s
§ 1. Eisen aan operationele programma’s
§ 4. Erkenning van unies van producentenorganisaties
§ 5. Niet naleving van de erkenningscriteria
§ 1.2. Lidmaatschap
§ 3.2. Personeelskosten
§ 3.3. Duurzame productiemiddelen
§ 3.1. Algemeen
Titel 5.3. Interventietypes in de sector groenten en fruit
Afdeling 5.3.1. Algemene bepalingen
Afdeling 5.2.3. Operationele programma’s
§ 3. Algemene voorschriften voor subsidiabele uitgaven
§ 2. Productieplanning en -organisatie
§ 2.1. Algemeen
§ 3.3. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 3. Concentratie van het aanbod en in de handel brengen van de producten
§ 3.1. Algemeen
§ 2.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 1. Algemeen
§ 4.1. Algemene bepalingen
§ 2.1. Algemeen
§ 5. Onderzoek naar en ontwikkeling van duurzame productietechnieken
§ 2.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 3.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 6. Afzetbevordering, ontwikkeling en uitvoering ten behoeve van duurzaamheid
§ 6.1. Algemeen
§ 3.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 5.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 7. Bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering
§ 5.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 6.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 8. Verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten
§ 8.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen
§ 7. Bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering
§ 6.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 7.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 7. Bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering
§ 7.1. Algemene bepalingen
§ 7.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 11. Crisispreventie en risicobeheer
§ 8. Verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten
§ 8.1. Algemene bepalingen
§ 8.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 9.1. Algemene bepalingen
Afdeling 5.3.3. Subsidieaanvraag en gedeeltelijke betalingen
Afdeling 5.3.5. Slotbepalingen
Titel 5.4. Sectorale interventie bijenteelt
Titel 5.5. Brede weersverzekering
§ 11. Crisispreventie en risicobeheer
§ 3. Slotbepalingen
Titel 5.6. Samenwerken aan innovatie door operationele groepen in het kader van EIP
Artikel 5.6.1. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- agrarisch collectief: organisatie met rechtspersoonlijkheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een geldig certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, verleend door gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied haar werkgebied is gelegen;
- ANLb: Agrarisch natuur- en landschapsbeheer, als bedoeld in paragraaf 3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies;
- bedrijf: alle voor landbouwactiviteiten gebruikte en door een landbouwer beheerde registergoederen in juridisch eigendom of onder het recht van reguliere pacht of erfpacht;
- eco-regeling: de Eco-regeling voor Klimaat en Leefomgeving, bedoeld in paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;
- EIP: Europees Innovatiepartnerschap voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 127 van verordening 2021/2115;
- gebiedsgerichte fieldlab: een fysieke praktijkomgeving waar nationale en regionale overheden, bedrijven, onderwijsinstellingen en kennisinstellingen in een regionaal netwerk samenkomen om gebiedsgericht nieuwe technologische en sociale innovaties te ontwikkelen, ermee te experimenten, te demonstreren, ervan te leren, op te schalen, te implementeren of onderzoek naar te doen;
- gebruiker: een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, twaalfde lid van verordening 2023/2854;
- gegevenshouder: een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, dertiende lid van verordening 2023/2854;
- gegevensontvanger: een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, veertiende lid van verordening 2023/2854;
- innovatie: vernieuwing die gebruikt wordt in de praktijk;
- kennisoverdrachtsactiviteiten: acties als bedoeld in artikel 78, tweede lid van verordening 2021/2115;
- landbouwrobot: een apparaat dat geheel of gedeeltelijk automatisch functioneert op basis van elektronische of digitale besturing en specifiek ontworpen is of ingezet wordt voor het uitvoeren van landbouwactiviteiten;
- legkip: legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van andere eieren dan broedeieren;
- operationele groep: samenwerkingsverband dat deel uitmaakt van een EIP en bestaat uit minimaal twee actoren, waarvan minimaal één landbouwer, en dat is gericht op het ontwikkelen, valideren en verfijnen van innovaties;
- opfoklegkip: een nog niet legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden om, nadat het legrijp is geworden, als legkip te worden gehouden;
- ouderdier: dier als bedoeld in artikel 2.65a van het Besluit houders van dieren;
- potentiële jonge landbouwer: landbouwer die jonger is dan 40 jaar op 31 december van het jaar waarin de steun wordt aangevraagd en beschikt over de vereiste passende opleiding of vaardigheden;
- reguliere pacht: een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 7:317 tot en met 7:326 van het Burgerlijk Wetboek;
- SWOT analyse: bedrijfskundig model dat intern de sterktes en zwaktes en in de omgeving de kansen en bedreigingen analyseert;
- veehouderij: landbouwbedrijf waar dieren bedrijfsmatig worden gehouden met het oog op de productie van dieren;
- verordening 2023/2854: Verordening (EU) 2023/2854 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 betreffende geharmoniseerde regels inzake eerlijke toegang tot en eerlijk gebruik van data en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn (EU) 2020/182;
- vleeskuiken: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees.
Artikel 5.6.2. Subsidieverlening
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de operationele groep voor een project dat bestaat uit het ontwikkelen van innovatieve initiatieven die bijdragen aan de transitie naar een duurzame en toekomstbestendige landbouw en de uitwisseling van kennis hierover.
In afwijking van het eerste lid, verstrekt de minister enkel subsidie voor een project dat is gericht op de categorie, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, aan een operationele groep die bestaat uit ten minste vijf varkenshouders, een slachterij en een afzetkanaal van producten uit de varkenshouderij. Een varkenshouder die varkens, niet zijnde biggen, of enkel biggen houdt, kan enkel deelnemen aan een operationele groep indien de eerste type houder biggen afneemt van de laatste type houder en beide houders deelnemen aan dezelfde operationele groep.
In afwijking van het eerste lid, verstrekt de minister enkel subsidie voor een project dat is gericht op de categorie, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, aan een operationele groep die bestaat uit ten minste één jonge landbouwer, potentiële jonge landbouwer of nieuwe landbouwer.
Het project bestaat uit:
- a. de voorbereiding op de uitvoering van het projectplan, en
- b. de uitvoering van het projectplan.
Het project draagt bij aan een of meer van de doelstellingen bedoeld in artikel 6, eerste lid, en aan de doelstelling, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van verordening 2021/2115.
Het project is gericht op één van de volgende categorieën van activiteiten:
- a. Het aantrekken en behouden van jonge landbouwers, potentiële jonge landbouwers en nieuwe landbouwers en bevordering van duurzame bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden;
- b. Het minder toepassen van het verwijderen van een deel van de staart bij biggen in de varkenshouderij in de in artikel 2.3, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen, bedoelde situatie en naar aanleiding hiervan het opdoen van ervaring voor het opstellen van een nieuwe ecoregeling als bedoeld in artikel 31 van verordening 2021/2115;
- c. Het uitwerken van een ontwerp voor het opzetten van een gebiedsgerichte fieldlab;
- d. Het ontwikkelen van andere innovaties die bijdragen aan de doelstellingen, bedoeld in het vijfde lid;
- e. Het op orde brengen van digitale randvoorwaarden om digitale innovaties in de agrarische bedrijfsvoering en landbouwrobots te kunnen ontwikkelen of implementeren, om bij te dragen aan het versterken en versnellen van de groene transitie en het reduceren van arbeidsmarkttekorten door middel van een grotere inzet van digitalisering en landbouwrobots voor een toekomstbestendig landbouw- en voedselsysteem en een robuuste natuur;
- f. Het experimenteren met het vermarkten van dierlijke producten die zijn geproduceerd op een veehouderij waar maatregelen worden toepast gericht op het bereiken van een dierwaardige veehouderij binnen één van de volgende sectoren:
- 1°. Legkippen, opfoklegkippen, vleeskuikens, of ouderdieren;
- 2°. Varkens;
- 3°. Rundvee;
- g. het formuleren van een plan voor de doorontwikkeling van de eco-regeling, gericht op toekomstbestendige landbouw, waarbij de in het plan opgenomen maatregelen op bedrijfsniveau bijdragen aan het verlagen van de administratieve lasten voor landbouwers en ten minste één van de volgende doelen:
- 1°. waterweerbaarheid en aanpassing aan klimaatverandering;
- 2°. beperking van klimaatverandering;
- 3°. bodemgezondheid;
- 4°. behoud van biodiversiteit;
- 5°. ontwikkeling van biologische landbouw;
- 6°. diergezondheid of dierenwelzijn.
Voor zover aan de operationele groep anderen dan landbouwers deelnemen bevat de subsidie, bedoeld in het eerste lid, staatssteun en wordt zij gerechtvaardigd door artikel 40 van de landbouwvrijstellingsverordening.
Een jonge landbouwer, potentiële jonge landbouwer en nieuwe landbouwer beschikken voor de toepassing van deze titel over een passende opleiding of passende vaardigheden als bedoeld in artikel 5.1.1, eerste lid, indien deze beschikt over:
- a. een diploma of een getuigschrift van een opleiding landbouw, tuinbouw of aanverwant op het niveau middelbaar beroepsonderwijs of hoger onderwijs; of
- b. een bewijs van ten minste twee jaar aantoonbare ervaring met land- en tuinbouwproductie, op het tijdstip van de subsidieaanvraag, tellend vanaf het moment dat de leeftijd van 16 jaar is bereikt.
Een jonge landbouwer is bedrijfshoofd als bedoeld in artikel 5.1.1, eerste lid, en een nieuwe landbouwer is bedrijfshoofd als bedoeld in artikel 5.1.1, indien deze op de datum van indiening van de aanvraag:
- a. voor ten minste 50 procent zeggenschap heeft in een landbouwbedrijf;
- b. als natuurlijk persoon daadwerkelijke langdurige zeggenschap heeft in een landbouwbedrijf als bedoeld in artikel 16 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 dat, behoudens de datum, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, van overeenkomstige toepassing is; en
- c. minimaal het aantal uren per kalenderjaar, genoemd in artikel 3.6, eerste lid, aanhef, van de Wet inkomstenbelasting 2021, werkzaam is in het bedrijf.
Van de 50 procent zeggenschap, bedoeld in het negende lid, onderdeel a, is sprake, ingeval een jonge landbouwer en nieuwe landbouwer:
- a. ten minste 50 procent van een bedrijf juridisch in eigendom of onder het recht van reguliere pacht of erfpacht heeft; of
- b. ten minste 50 procent van de aandelen bezit in geval van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap.
In afwijking van het eerste lid, verstrekt de minister enkel subsidie voor een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in het zesde lid, onderdeel f, aan een operationele groep die bestaat uit ten minste één veehouderij en ten minste één afzetkanaal.
Indien aan het landbouwbedrijf meerdere jonge landbouwers of nieuwe landbouwers als bedrijfshoofd deelnemen, dan hebben de jonge landbouwers of nieuwe landbouwers individueel de vereiste daadwerkelijke langdurige zeggenschap, bedoeld in het negende lid, onderdeel b, en gezamenlijk ten minste het percentage van de zeggenschap, bedoeld in het negende lid, onderdeel a.
In afwijking van het eerste lid verstrekt de minister enkel subsidie voor een project dat is gericht op de categorie, bedoeld in het zesde lid, onderdeel g, aan een operationele groep die bestaat uit ten minste twee landbouwers die geen onderdeel uitmaken van een agrarisch collectief en ten minste één agrarisch collectief.
Artikel 5.6.3. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen uitsluitend kosten ten behoeve van het project in aanmerking voor zover deze zien op:
- a. in afwijking van artikel 1.3, tweede lid, voorbereidingskosten, bestaande uit de oprichting van een operationele groep en het gezamenlijk formuleren van een projectplan, de volgende activiteiten:
- 1°. het werven van de deelnemers;
- 2°. het netwerken om het project goed te definiëren;
- 3°. het opstellen van een projectplan en de samenwerkingsovereenkomst;
- 4°. projectmanagement en projectadministratie;
- b. uitvoeringskosten, de volgende activiteiten:
- 1°. coördinatie van de operationele groep;
- 2°. operationele activiteiten die direct verbonden zijn aan de uitvoering van het project;
- 3°. projectmanagement en projectadministratie;
- c. tijdens de projectduur gemaakte kosten voor investeringen, voor:
- 1°. bouw of verbetering van onroerende zaken;
- 2°. verwerving of leasing van onroerende zaken:
- 3°. indien het project gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2., zesde lid, onderdeel a, de aankoop van grond;
- 4°. de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;
- 5°. indien het project is gericht op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel d of e, de koop of huurkoop van software en digitale hardware en bijbehorende licenties;
- d. kennisoverdrachtsactiviteiten, voor zover deze worden uitgevoerd in samenwerking met relevante partners en gericht zijn op de doelstellingen van de regeling, de volgende activiteiten:
- 1°. het ontwikkelen en uitvoeren van workshops, trainingen, demonstratieactiviteiten, advies en coaching, hackathons, simulaties en innovatiecompetities;
- 2°. het ontwikkelen en uitvoeren van netwerken, studiegroepen, innovatieclusters, mentorprogramma’s en partnerschappen;
- 3°. het ontwikkelen, inzetten en verspreiden van (digitale) leer- en kennismaterialen en innovatieve leeromgevingen;
- 4°. het organiseren van excursies, studiereizen, stages en uitwisselingstrajecten;
- 5°. communicatie via open dagen, beurzen, brochures, video’s en sociale media.
In afwijking van het eerste lid komen de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, niet voor subsidie in aanmerking indien het project gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdelen c en g.
In afwijking van artikel 1.3, tweede lid, komen de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor subsidie in aanmerking indien deze maximaal één jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag voor subsidie en niet eerder dan 1 januari 2023 zijn gemaakt.
De aanvrager berekent de subsidiabele kosten overeenkomstig artikel 5.1.3., eerste lid, onderdeel a en tweede lid en derde lid, overeenkomstig artikel 5.1.3a. of overeenkomstig artikel 5.1.3b., tweede en vierde lid.
In afwijking van het vierde lid kunnen kennisinstellingen de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 1.3b, hanteren.
Artikel 5.6.4. Hoogte subsidie
De hoogte van de subsidie bedraagt minimaal € 125.000 en maximaal € 500.000.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel a, minimaal € 25.000 en maximaal € 125.000.
De varkenshouders die deelnemen aan de operationele groep, bedoeld in artikel 5.6.2, tweede lid, ontvangen samen ten minste 60% van het totale subsidiebedrag.
De hoogte van de subsidie bedraagt:
- a. Indien gebruik wordt gemaakt van de berekeningswijze, benoemd in artikel 5.1.2, eerste lid, onderdelen a en b:
- 1°. 40% van de subsidiabele kosten voor investeringen;
- 2°. 100% van de overige subsidiabele kosten.
- b. Indien gebruik wordt gemaakt van de berekeningswijze, benoemd in artikel 5.1.2, eerste lid, onderdeel c, 100% van de subsidiabele kosten.
De hoogte van de subsidie voor de aankoop van landbouwgrond bedraagt ten hoogste 10% van de totale subsidiabele kosten van het project.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g, minimaal € 25.000 en maximaal € 100.000.
Artikel 5.6.5. Start- en realisatietermijn
Met de uitvoering van het project wordt uiterlijk binnen 6 maanden na de subsidieverlening gestart.
Het project is uiterlijk 3 jaar na subsidieverlening afgerond en niet later dan 31 december 2028.
In afwijking van het tweede lid is een project dat gericht is op de categorieën, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdelen b of c, uiterlijk 2 jaar na subsidieverlening afgerond.
In afwijking van het tweede lid is een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g, uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening afgerond en niet later dan 31 december 2028.
Artikel 5.6.6. Afwijzingsgronden
Onverminderd artikel 2.11 beslist de minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:
- a. het project niet nieuw is voor een deelnemer aan een operationele groep als bedoeld in artikel 5.6.2, eerste lid;
- b. aan een aanvraag minder dan 30 punten zijn toegekend op grond van artikel 5.6.8;
- c. met de uitvoering van het project, niet zijnde de uitvoering van voorbereidingsactiviteiten, bedoeld in artikel 5.6.3, eerste lid, onderdeel a, is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.
Onverminderd het eerste lid, beslist de minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening van een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel b, indien:
- a. een varkenshouder die produceert volgens de biologische productiewijze of een varkenshouder die in het jaar voorafgaand aan het tijdstip van aanvraag varkens met hele staarten op de markt heeft gebracht, deelneemt aan de operationele groep, bedoeld in artikel 5.6.2, tweede lid;
- b. niet is gebleken dat passende maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van staartbijten en andere gedragsstoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, onderdeel b, onder 3, van het Besluit diergeneeskundigen;
- c. het project start met minder dan vijf tomen biggen per deelnemer aan de operationele groep die biggen houdt.
Artikel 5.6.7. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond voor elke categorie, bedoeld in artikel 5.6.2., zesde lid, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 5.6.8. Rangschikkingscriteria
De minister kent aan een aanvraag, op basis van het bijbehorende projectplan, een hoger aantal punten toe naarmate:
- a. de mate van effectiviteit hoger is;
- b. de haalbaarheid hoger is;
- c. de mate van efficiëntie van uitvoering hoger is; en
- d. de mate van innovatie hoger is.
Het aantal punten dat wordt gegeven bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 5.
Voor de rangschikking van een aanvraag voor een project dat bijdraagt aan de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdelen a, b en f, wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, b, c, en d, vermenigvuldigd met onderscheidenlijk de wegingsfactoren 4, 3, 1 en 2.
Voor de rangschikking van een aanvraag voor een project dat bijdraagt aan de doelstelling, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel c, wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, vermenigvuldigd met onderscheidenlijk de wegingsfactoren 3, 4, 1 en 2.
Voor de rangschikking van een aanvraag voor een project dat bijdraagt aan de doelstelling, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel d, wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, vermenigvuldigd met onderscheidenlijk de wegingsfactoren 3, 2, 1 en 4.
Voor de rangschikking van een aanvraag voor een project dat bijdraagt aan de doelstelling, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdelen e en g, wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, vermenigvuldigd met onderscheidenlijk de wegingsfactoren 4, 2, 1 en 3.
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.
Indien aan twee of meer aanvragen binnen een categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor een rangschikkingscriterium met een hogere wegingsfactor.
Artikel 5.6.9. Adviescommissie
De adviescommissie gemeenschappelijk landbouwbeleid 2023–2027, bedoeld in artikel 5.1.12a, heeft in het kader van deze titel tot taak de minister te adviseren omtrent de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 5.6.8.
Artikel 5.6.10. Verplichtingen subsidieontvanger
Onverminderd artikel 2.9 wordt de aanvraag ingediend met gebruikmaking van een format dat door de minister beschikbaar wordt gesteld en neemt de penvoerder in het bij de aanvraag gevoegde het projectplan op:
- a. de startdatum van het project;
- b. de te verwachten resultaten;
- c. de beoogde activiteiten voor de kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken;
- d. de mogelijke risico’s en randvoorwaarden;
- e. de mogelijke negatieve omgevingseffecten;
- f. een beschrijving van de rol en de taken van de bij de uitvoering van het plan betrokken partijen; en
- g. een beschrijving van de innovativiteit ten opzichte van bestaande initiatieven.
Onverminderd het eerste lid neemt de penvoerder in het projectplan van een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel b, op:
- a. gegevens die aantonen dat in het jaar voorafgaand aan de aanvraag passende maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van staartbijten en andere gedragsstoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, onderdeel b, onder 3, van het Besluit diergeneeskundigen;
- b. een beschrijving van de wijze waarop is voldaan aan artikel 2.22 van het Besluit houders van dieren;
- c. gegevens die aantonen dat het risico op staartbijten relatief laag is of aannemelijk maken dat dit risico relatief laag zal zijn als gevolg van het project;
- d. het aandeel grootvee-eenheden, bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023, die deelnemen aan het project.
Onverminderd het eerste lid onderbouwt de penvoerder in het projectplan van een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel a, dat het project niet bijdraagt aan een vervroegd pensioen van landbouwers.
De penvoerder maakt een samenvatting en de resultaten van het project openbaar via de geëigende netwerken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
Onverminderd artikel 2.18, dient de penvoerder jaarlijks en bij de aanvraag van een deelbetaling een tussenrapportage in bij de minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten en de behaalde deelresultaten.
Onverminderd het derde lid en de artikelen 2.18, eerste lid en 2.19, vijfde lid, bevatten een tussenrapportage en eindverslag de volgende gegevens:
- a. het aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de operationele groep heeft geprofiteerd om betere duurzame economische, sociale, milieu en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren;
- b. in het geval van een project als bedoeld in het tweede lid, de staartlengte van en schade aan staarten bij de varkens die onderdeel zijn van het project, zoals geregistreerd door de deskundige, bedoeld in het zevende lid.
Een project als bedoeld in het tweede lid wordt begeleid door een dierenarts of andere deskundige op het gebied van het verminderen van het verwijderen van een deel van staarten vanuit het oogpunt van diergezondheid en dierenwelzijn. Ten behoeve van deze begeleiding bezoekt deze deskundige de varkenshouders die deelnemen aan het project elke twee maanden vanaf de start van het project en registreert de schade aan staarten van varkens. Deelnemende varkenshouders verlenen hieraan hun medewerking.
Onverminderd het eerste lid onderbouwt de penvoerder in het projectplan van een project dat gericht is op de categorie bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel f, dat het project gericht is op maatregelen die verder gaan dan wettelijk verplichte maatregelen gericht op het bereiken van een dierwaardige veehouderij.
Onverminderd het eerste lid bevat, indien aan de operationele groep een nieuwe landbouwer deelneemt, de aanvraag voor een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel a, een verklaring over het arbeidsverleden van de nieuwe landbouwer waaruit blijkt dat deze voor het eerst bedrijfshoofd is.
Onverminderd het eerste lid bevat de aanvraag voor een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel a, bewijsstukken in geval van reguliere pacht of erfpacht.
Onverminderd artikel 2.9 en het eerste lid bevat een aanvraag voor een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g:
- a. het geldig certificaat van het collectief agrarisch natuurbeheer, verleend door gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied haar werkgebied is gelegen;
- b. een verklaring van de landbouwers die geen onderdeel uitmaken van een agrarisch collectief, als bedoeld in het vorige onderdeel, dat zij geen lid zijn van een agrarisch collectief, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
Onverminderd het eerste lid neemt de penvoerder in het projectplan van een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g, een SWOT analyse op waarin tenminste een beschrijving en een onderbouwing is opgenomen van de kansen en bedreigingen die van invloed zijn op de bijdrage aan de doelstellingen, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g en waaruit de keuze volgt voor de bijdragen op de doelstellingen, bedoeld in dat artikel.
Onverminderd artikel 2.19, vijfde lid, bevat het eindverslag van een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g, ten minste:
- a. een waardeberekening, gebaseerd op gederfde inkomsten en/of gemaakte kosten, van de in het plan opgenomen maatregelen;
- b. een beschrijving van de toekomstige werkwijze van de eco-regeling, in samenhang met het beheer van het ANLb;
- c. een uitwerking van de controleerbaarheid en verlaging van de administratieve lasten.
Artikel 5.6.11. Deelbetaling en voorschot
Er wordt ambtshalve een voorschot verstrekt voor maximaal 50% van het verleende subsidiebedrag.
Een aanvraag tot deelbetaling bedraagt minimaal 25% van de verleende subsidie en ten minste € 50.000 van de verleende subsidie. Een deelbetaling kan maximaal twee keer per jaar worden aangevraagd.
Onverminderd de artikelen 5.1.7, tweede lid, en 5.1.8 bedragen de deelbetalingen en het voorschot samen ten hoogste 90% van de verleende subsidie.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g.
Artikel 5.6.12. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Hoofdstuk 6. Overige bepalingen en slotbepalingen
Bijlage. behorende bij artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021
Procedure als bedoeld in artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021
Kopieën of volledig digitale documenten kunnen worden geaccepteerd als bewijsstuk. In deze bijlage worden de procedures vastgesteld voor documenten die in het kader van de uitvoering van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 en verantwoording op grond van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en op grond van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247) kunnen worden gebruikt.
1. Typen documenten
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
2. Procedure voor het gebruik van de documenten, bedoeld onder 1, onderdelen a, b en c
De in 1, onderdelen a, b en c, bedoelde bewijsstukken zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:
Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.
Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.
Procedure als bedoeld in artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021
Kopieën of volledig digitale documenten kunnen worden geaccepteerd als bewijsstuk. In deze bijlage worden de procedures vastgesteld voor documenten die in het kader van de uitvoering van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 en verantwoording op grond van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en op grond van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247) kunnen worden gebruikt.
Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.3.35a
Uitgaven ter voorkoming van ziekten en plagen zijn subsidiabel. Het gaat om insectengaas voor eenjarig gebruik.
Niet subsidiabel zijn:
- a. bodem- en materiaalsterilisatie in de kas; en
- b. vliesdoeken.
§ 3. Concentratie van het aanbod en in de handel brengen van de producten
§ 3.1. Algemeen
§ 2.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 4. Verbetering van het concurrentievermogen
§ 2.1. Algemeen
§ 3. Concentratie van het aanbod en in de handel brengen van de producten
§ 3.1. Algemeen
§ 5.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen
§ 3.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 6. Afzetbevordering, ontwikkeling en uitvoering ten behoeve van duurzaamheid
§ 3.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 6.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen
artikel 5.3.97a
Uitgaven voor investeringen ter voorkoming van ziekten en plagen zijn subsidiabel. Het gaat om:
- a. insectengaas voor meerjarig gebruik; en
- b. autoclipper kapmachine voor gebruik in de kas om het risico op het doden van nuttige insecten te voorkomen.
Niet subsidiabel zijn:
- a. bodem- en materiaalsterilisatie in de kas; en
- b. vliesdoeken.
§ 4.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
Artikel 5.3.117a
Vervallen
§ 7. Bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering
§ 5.2. Investering in een duurzaam productiemiddel
§ 5.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 7.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 8. Verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten
§ 8.1. Algemene bepalingen
§ 8.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen
Artikel 5.3.142a
Uitgaven voor investeringen ten behoeve van de verwerking van uitsluitend restproducten van groenten en fruit door de producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien het gaat om uitgaven voor verwerking tot:
- a. materialen voor de teelt van groenten en fruit;
- b. verpakkingen voor producten bestemd voor menselijke of dierlijke voedselconsumptie; en
- c. andere toepassingen ten behoeve van menselijke of dierlijke voedselconsumptie.
§ 6.3. Uitgaven voor overige kosten
Artikel 5.3.155a
Uitgaven voor de verwerking van uitsluitend restproducten van groenten en fruit door de producentenorganisatie zijn subsidiabel, inclusief personeelskosten, indien het gaat om uitgaven voor verwerking tot:
- a. materialen voor de teelt van groenten en fruit;
- b. verpakkingen voor producten bestemd voor menselijke of dierlijke voedselconsumptie; en
- c. andere toepassingen ten behoeve van menselijke of dierlijke voedselconsumptie.
§ 9.1. Algemene bepalingen
§ 9.2. Uitgaven voor overige kosten
§ 10.1. Algemene bepalingen
§ 10.2. Uitgaven voor overige kosten
§ 8. Verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten
§ 12. Verbetering van de arbeidsvoorwaarden en handhaving van de werkgeversverplichtingen en van de vereisten voor gezondheid en veiligheid op het werk
§ 8.3. Uitgaven voor overige kosten
§ 9.1. Algemene bepalingen
§ 9.2. Uitgaven voor overige kosten
Afdeling 5.3.3. Subsidieaanvraag en gedeeltelijke betalingen
Artikel 5.3.194a
Facturen en betaalbewijzen zijn op naam gesteld van de producentenorganisatie, de unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming.
In afwijking van het eerste lid kan in geval van een oogst- en productieverzekering als bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel i, van verordening 2021/2115 de factuur en het betaalbewijs aan de verzekeringsmaatschappij op naam van het bij de producentenorganisatie aangesloten lid staan.
Afdeling 5.3.4. Rapportageverplichtingen
Artikel 5.3.198a
De producentenorganisatie overlegt bij de aanvraag tot gedeeltelijke betaling of de aanvraag tot subsidievaststelling in voorkomend geval gegevens aan de Minister over:
- a. het aantal deelnemers dat aan de actie heeft deelgenomen;
- b. het aantal leden en de identificatie van de leden die aan de actie hebben deelgenomen;
- c. de geïnstalleerde jaarlijkse capaciteit van het duurzaam productiemiddel, per duurzaam productiemiddel uitgedrukt in Megawatt;
- d. het aantal hectares en de toepasselijke percelen waarop de actie is uitgevoerd, in voorkomend geval uitgesplitst naar arealen die SKAL zijn gecertificeerd en naar arealen die in omschakeling zijn;
- e. Het volume en het percentage waterbesparing per duurzaam productiemiddel;
- f. aantal afzetbevorderings-, communicatie- en marketinginterventies per doelstelling als bedoeld in artikel 46, onderdelen h en i, van verordening 2021/2115;
- g. het geslacht van de jonge landbouwer of nieuwe landbouwer.
De producentenorganisatie overlegt de informatie door middel van een door de Minister ter beschikking gesteld model.
Afdeling 5.3.5. Slotbepalingen
Titel 5.4. Sectorale interventie bijenteelt
Artikel 5.4.5a. Onderbouwing personeelskosten
De kennisinstelling, onderzoeksorganisatie of instelling in het groen beroepsonderwijs houdt ter onderbouwing van de gewerkte uren, bedoeld in artikel 23, eerste lid, derde alinea, van verordening 2022/126, een volledige urenadministratie bij.
Op verzoek van de Minister overlegt de kennisinstelling, onderzoeksorganisatie of instelling in het groen beroepsonderwijs de urenregistratie en de urenadministratie.
Titel 5.5. Brede weersverzekering
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. Voorschriften inzake de verzekeraar
§ 3. Slotbepalingen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)