Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-14
State In force
Source BWB
artikelen 1277
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • b. documenten met daarin de hoogte van het peil, uitgedrukt in centimeters ten opzichte van het Normaal Amsterdamse Peil, rondom de percelen die aan de beheermaatregel geringere drooglegging, bedoeld in bijlage 3, onderdeel 6a, hebben meegedaan voor de maanden april tot en met september van dat jaar, inclusief een intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart van de percelen van het samenwerkingsverband met per perceel veengrond de CO2-emissie per hectare vermeld;
  • c. documenten met daarin informatie per melkveehouderijbedrijf over de jaarlijkse totale dierexcretie en totale stikstofbemesting per bedrijf, voor zover de activiteit extensivering, bedoeld in bijlage 3, onderdeel 6b, jaarlijks is uitgevoerd, inclusief een jaarlijkse intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart waaruit blijkt dat het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf voor meer dan 50% ligt binnen overgangsgebied N2000 of binnen veenweidegebied;
  • d. documenten met daarin informatie over de wijze van plaatsing van de investering, voor zover het investeringsproject betrekking heeft op een investering in een of meer waterinfiltratiesystemen als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 5a:
  • 1°. een intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart van de percelen veengrond waarop de investering of investeringen geplaatst zijn;
  • 2°. gegevens over de diepte van de ligging van de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in centimeters, ten opzichte van het Normaal Amsterdamse Peil;
  • 3°. gegevens over de afstand tussen de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in meters; en
  • 4°. bij de aanleg van drukdrainage wordt uitgegaan van het medium scenario in het CO2-rekenmodel;
  • e. de GPS-coördinaten van de aangelegde digitale grondwaterpeilbuizen;
  • f. een verklaring van de aanvrager waaruit volgt dat gedurende vijf jaar na de datum van de subsidievaststelling voldaan zal worden aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 5.8.3.8, vierde en vijfde lid, voor zover het investeringsproject betrekking heeft op een investering in grondwaterpeilbuizen als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 5b.
Artikel 5.8.3.10. Voorschot en deelbetaling
1.

Er wordt ambtshalve een voorschot verstrekt dat 20% van de verleende subsidie bedraagt.

2.

Er kunnen deelbetalingen worden verstrekt. Een deelbetaling bedraagt ten minste € 50.000. Een deelbetaling kan maximaal twee keer per jaar worden aangevraagd.

3.

De subsidieontvanger dient een aanvraag voor een deelbetaling in, onder bijvoeging van de in artikel 5.8.3.9, vijfde lid, onder a, b en c, bedoelde facturen en documenten, na afloop van de uitvoering van een product of activiteit, bedoeld in bijlage 3.

4.

Onverminderd artikel 5.1.8 bedragen de deelbetalingen en het voorschot samen ten hoogste 90% van de verleende subsidie.

Artikel 5.8.3.11. Subsidievaststelling

In afwijking van artikel 2.19, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend uiterlijk binnen twee maanden na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid.

§ 5.7.3. Verstrekking van advies- en cursusvoucher aan een landbouwer

Artikel 5.8.4.1. Subsidieaanvraag
1.

De Minister verstrekt op aanvraag aan een samenwerkingsverband subsidie voor een project gericht op het in overgangsgebieden N2000 uitvoeren van extensiveringsmaatregelen door melkveehouderijbedrijven en akkerbouwbedrijven.

2.

Een project ondersteunt acties die bijdragen aan de interventietypes, bedoeld in artikel 77 van verordening 2021/2115, en aan de specifieke doelstellingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen e en f, en tweede lid, van verordening 2021/2115.

3.

Voor zover aan het samenwerkingsverband anderen dan landbouwers deelnemen en de subsidie niet hoofdzakelijk ten goede komt aan de landbouwsector bevat de subsidie, bedoeld in het eerste lid, staatssteun en wordt zij gerechtvaardigd door artikel 59 van de landbouwvrijstellingsverordening.

Artikel 5.8.4.2. Hoogte subsidie
1.

De hoogte van de subsidie bedraagt ten minste € 125.000.

2.

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 5.8.4.3, eerste lid, onderdelen a tot en met e, niet meer dan 25% van de totale subsidiabele kosten bedragen.

Artikel 5.8.4.3. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen in aanmerking kosten die verband houden met alle aspecten van de samenwerking ten behoeve van de uitvoering van het project, overeenkomstig de tabel van Bijlage 3 en voor zover deze zien op:

  • a. kosten voor uitwerking plan;
  • b. kosten voor bedrijfsplannen;
  • c. kosten voor het begeleiden en uitvoeren van bedrijfsplannen en van de uitwerking;
  • d. kosten voor communicatie;
  • e. kosten voor rapportage;
  • f. kosten voor een extensiveringsmaatregel.
2.

De aanvrager berekent de subsidiabele kosten overeenkomstig artikel 5.1.3a.

3.

In afwijking van het vorige lid en artikel 5.1.2 worden de kosten voor de extensiveringsmaatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, bepaald op basis van de vaste vergoedingen opgenomen in bijlage 3, onderdelen 6b en 6c.

4.

Kosten van extensiveringsmaatregelen van melkveehouderijbedrijven komen niet in aanmerking voor subsidie als:

  • a. de dierexcretie van het melkveehouderijbedrijf voor minder dan 70% afkomstig is van melk- en kalfkoeien of het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf voor minder dan 80% bestaat uit grasland;
  • b. de gemiddelde dierexcretie van het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar minder dan 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;
  • c. het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar ook met extensiveringsmaatregelen deelneemt aan een samenwerkingsverband dat op grond van paragraaf 5.8.3 subsidie ontvangt;
  • d. meer dan 50% van het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf buiten overgangsgebieden N2000 ligt in het betreffende kalenderjaar;
  • e. het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar niet met al het landbouwareaal meedoet aan het samenwerkingsverband;
  • f. de reductie op het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar ten opzichte van het referentiejaar, bedoeld in het zesde lid, minder bedraagt dan:
  • i. 5% van de gemiddelde dierexcretie per hectare per jaar; of
  • ii. 10% van de gemiddelde stikstofbemesting per hectare per jaar.
5.

Kosten van extensiveringsmaatregelen van akkerbouwbedrijven komen niet in aanmerking voor subsidie als:

  • a. het landbouwareaal van het akkerbouwbedrijf in het betreffende kalenderjaar voor meer dan 20% bestaat uit blijvende grasland of blijvende teelt, tenzij sprake is van voedselbos;
  • b. de gemiddelde dierexcretie van het akkerbouwbedrijf in het betreffende kalenderjaar meer is dan 50 kilogram stikstof per hectare;
  • c. minder dan 50% van het bouwland van het akkerbouwbedrijf in het betreffende kalenderjaar bestaat uit een rustgewasplus als hoofdteelt met een zichtbare bedekking;
  • d. meer dan 50% van het landbouwareaal van het akkerbouwbedrijf buiten overgangsgebieden N2000 ligt in het betreffende kalenderjaar;
  • e. het akkerbouwbedrijf in het betreffende kalenderjaar niet met al het landbouwareaal meedoet aan het samenwerkingsverband;
  • f. de reductie op het akkerbouwbedrijf in het betreffende kalenderjaar ten opzicht van het referentiejaar, bedoeld in het zede lid, minder bedraagt dan 10% van de gemiddelde stikstofbemesting per hectare per jaar.
6.

Het referentiejaar, genoemd in het vierde lid, onderdeel f en het vijfde lid, onderdeel f, is 2025 of, voor het geval in het jaar 2025 sprake is geweest van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, 2024.

7.

Voor zover de in dit artikel genoemde voorwaarden betrekking hebben op landbouwareaal, wordt uitgegaan van de feitelijke situatie bij de deelnemer aan het samenwerkingsverband.

8.

Bij het bepalen van de feitelijke situatie, genoemd in het zevende lid, wordt uitgegaan van de situatie op 15 mei van het betreffende kalenderjaar.

9.

Voor subsidie komen niet in aanmerking:

  • a. kosten voor vrijwilligers;
  • b. bijdragen in natura.
Artikel 5.8.4.4. Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 5.8.4.5. Start- en realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van het project wordt uiterlijk binnen twee maanden na de subsidieverlening gestart.

2.

Het project is uiterlijk op 31 december 2028 afgerond.

Artikel 5.8.4.6. Afwijzingsgronden
1.

Onverminderd artikel 2.11 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:

  • a. de ligging van de deelnemende percelen van het samenwerkingsverband voor meer dan 50% is beoogd buiten een overgangsgebied N2000;
  • b. aan een aanvraag minder dan 2,5 punten zijn toegekend voor effectiviteit;
  • c. de gezamenlijke deelnemende percelen van het samenwerkingsverband een oppervlakte betreffen van minder dan 200 hectare;
  • d. een melkveehouderijbedrijf of akkerbouwbedrijf deelneemt aan meer dan één samenwerkingsverband dat op grond van deze paragraaf een subsidieaanvraag indient;
  • e. een deelnemer aan het samenwerkingsverband, niet zijnde een landbouwer, een onderneming is die geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de landbouwvrijstellingsverordening;
  • f. er geen sprake is van een nieuwe samenwerkingsvorm of het verrichten van nieuwe activiteiten door een bestaande samenwerkingsvorm;
  • g. op basis van de aanvraag minder dan 21 punten zijn behaald.
2.

Voor zover de in dit artikel genoemde vereisten betrekking hebben op landbouwareaal, wordt uitgegaan van de feitelijke situatie bij de deelnemer aan het samenwerkingsverband.

3.

Bij het bepalen van de feitelijke situatie, genoemd in het tweede lid, wordt uitgegaan van de situatie op 15 mei van het betreffende kalenderjaar.

Artikel 5.8.4.7. Rangschikkingscriteria
1.

De Minister kent aan het uitvoeren van een project gericht op het in overgangsgebieden N2000 uitvoeren van extensiveringsmaatregelen door melkveehouderijbedrijven en akkerbouwbedrijven een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. de mate van effectiviteit hoger is;
  • b. de haalbaarheid hoger is;
  • c. de mate van efficiëntie hoger is; en
  • d. de mate van urgentie hoger is.
2.

Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 5 en minimaal 1.

3.

De wegingsfactoren voor het eerste lid, onderdelen a, b, c en d bedragen respectievelijk 4, 1, 1 en 1.

4.

Indien aan twee of meer aanvragen een gelijk totaal aantal punten is toegekend, rangschikt de Minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor een rangschikkingscriterium met een hogere wegingsfactor.

5.

De score voor de mate van urgentie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt per stikstofgevoelig Natura 2000 gebied bepaald overeenkomstig bijlage 2.

Artikel 5.8.4.8. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De subsidieontvanger maakt de resultaten van het project openbaar via het EIP-netwerk, bedoeld in artikel 154 van Verordening 2021/2115, en andere geëigende netwerken.

2.

De uitvoering van de activiteiten vindt plaats op landbouwareaal.

3.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan monitoring en evaluatie van de effecten van de uitgevoerde activiteiten voor zover deze medewerking redelijkerwijs van de subsidieontvanger verlangd kan worden.

4.

De verplichting tot medewerking, bedoeld in het derde lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 5.8.4.9. Informatieverplichtingen
1.

Onverminderd artikel 2.9 bevat de aanvraag ten minste de volgende gegevens:

  • a. een intekening door de aanvrager op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart met daarin aangegeven de percelen waar het samenwerkingsverband de activiteiten wil uitvoeren;
  • b. een beschrijving van de beoogde activiteiten die door het samenwerkingsverband uitgevoerd gaan worden en een begroting van de kosten van die activiteiten volgens de omschrijving in bijlage 3;
  • c. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een melkveehouderijbedrijf deelneemt, een berekening van de gemiddelde dierexcretie in het jaar 2025 en, in het geval 2025 niet het referentiejaar is, zoals bedoeld in artikel 5.8.4.3, zesde lid, het jaar 2024 van elk van de deelnemende melkveehouderijbedrijven, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare per bedrijf per jaar;
  • d. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een akkerbouwbedrijf deelneemt, een berekening van de gemiddelde dierexcretie in het jaar 2025;
  • e. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een melkveehouderijbedrijf deelneemt, een berekening van de gemiddelde dierexcretie van elk van de deelnemende melkveehouderijbedrijven na uitvoering van het project, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare per bedrijf per jaar;
  • f. een berekening van de gemiddelde stikstofbemesting in het referentiejaar, bedoeld in artikel 5.8.4.3, zesde lid, van elk van de deelnemende melkveehouderijbedrijven en akkerbouwbedrijven, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare per bedrijf per jaar;
  • g. een berekening van de gemiddelde stikstofbemesting na uitvoering van het project van elk van de deelnemende melkveehouderijbedrijven en akkerbouwbedrijven, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare per bedrijf per jaar;
  • h. een toelichting op de haalbaarheid van het project in relatie tot de kennis en ervaring met extensieve melkveehouderijbedrijven en akkerbouwbedrijven;
  • i. een beschrijving van de mogelijke omgevingseffecten en uitkomsten van de afstemming met regionale overheden en relevante gebiedspartijen;
  • j. een beschrijving van welke percelen van welke bedrijven meedoen.
2.

Onverminderd artikel 2.18 dient de subsidieontvanger uiterlijk 1 april 2028 een tussenrapportage in bij de Minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten en de behaalde deelresultaten na het eerste beheerjaar in 2027.

3.

Onverminderd artikel 2.19, vierde en vijfde lid, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:

  • b. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een melkveehouderijbedrijf deelneemt, documenten met daarin informatie per melkveehouderijbedrijf over de jaarlijkse totale dierexcretie, de jaarlijkse totale stikstofbemesting en een intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart waaruit blijkt dat het landbouwareaal van het bedrijf voor meer dan 50% ligt binnen overgangsgebied N2000;
  • c. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een akkerbouwbedrijf deelneemt, documenten met daarin informatie per akkerbouwbedrijf over de jaarlijkse totale dierexcretie en de jaarlijkse totale stikstofbemesting, het percentage van het landbouwareaal waarop een rustgewasplus is geteeld en een intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart waaruit blijkt dat het landbouwareaal van het bedrijf voor meer dan 50% ligt binnen overgangsgebied N2000;
  • d. in geval van een akkerbouwbedrijf dat alleen biologische gewasbeschermingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen die zijn opgenomen in de Skal inputlijst gebruikt, documenten met daarin informatie over de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen.
Artikel 5.8.4.10. Deelbetaling
1.

Er wordt ambtshalve een voorschot verstrekt dat 20% van de verleende subsidie bedraagt.

2.

Er kunnen deelbetalingen worden verstrekt. Een deelbetaling bedraagt ten minste € 50.000. Een deelbetaling kan maximaal twee keer per jaar worden aangevraagd.

3.

De subsidieontvanger dient een aanvraag voor een deelbetaling in, onder bijvoeging van de in artikel 5.8.4.9, derde lid, onder a, b, c en d, bedoelde facturen en documenten na afloop van de uitvoering van een product of activiteit, bedoeld in bijlage 3.

4.

Onverminderd artikel 5.1.8 bedragen de deelbetalingen en het voorschot samen ten hoogste 90% van de verleende subsidie.

Artikel 5.8.4.11. Subsidievaststelling

In afwijking van artikel 2.19, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend uiterlijk binnen twee maanden na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid.

§ 5.7.10. Slotbepaling

Artikel 5.8.5.1. Subsidieaanvraag
1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een samenwerkingsverband-watersysteem voor het uitvoeren van projecten tot het doen van een niet-productieve investering in de verbetering van het watersysteem in veenweidegebieden.

2.

De in het eerste lid genoemde verbetering van het watersysteem houdt in dat watertekort, wateroverlast of problemen met verslechterde waterkwaliteit die het gevolg zijn van reeds genomen of nog te nemen maatregelen tot geringe drooglegging of plaatsing van waterinfiltratiesystemen in veenweidegebieden, worden verminderd.

3.

Voor zover aan het samenwerkingsverband-watersysteem anderen dan landbouwers deelnemen en de subsidie niet hoofdzakelijk ten goede komt aan de landbouwsector bevat de subsidie, bedoeld in het eerste lid, staatssteun en wordt zij gerechtvaardigd door artikel 59 van de landbouwvrijstellingsverordening.

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen en slotbepalingen

Bijlage 1. Behorende bij artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Procedure als bedoeld in artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Kopieën of volledig digitale documenten kunnen worden geaccepteerd als bewijsstuk. In deze bijlage worden de procedures vastgesteld voor documenten die in het kader van de uitvoering van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 en verantwoording op grond van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en op grond van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247) kunnen worden gebruikt.

1. Typen documenten

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

2. Procedure voor het gebruik van de documenten, bedoeld onder 1, onderdelen a, b en c

De in 1, onderdelen a, b en c, bedoelde bewijsstukken zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

3. Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in een elektronische versie bestaan, bedoeld onder 1, onderdeel d

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.

Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

Bijlage 2. Behorende bij de artikelen 5.8.1, 5.8.2.7, vijfde lid en 5.8.4.7, vijfde lid

stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als bedoeld in artikel 5.8.1 (begripsomschrijving overgangsgebieden N2000) en de score urgentie als bedoeld in de artikelen 5.8.2.7, vijfde lid en 5.8.4.7, vijfde lid.

provincie Groningen score urgentie
Lieftinghsbroek (21)1 3,0
provincie Friesland score urgentie
Alde Feanen (13) 3,0
Bakkeveense duinen (17) 3,5
Duinen Ameland (5) 4,0
Duinen Schiermonnikoog (6) 3,5
Duinen Terschelling (4) 3,5
Duinen Vlieland (3) 3,0
Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (10) 2,9
Rottige Meenthe & Brandemeer (18) 3,5
Van Oordt's Mersken (15) 3,0
Wijnjeterper Schar (16) 3,0
provincie Drenthe score urgentie
Bargerveen (33) 4,5
Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27) 5,0
Drentsche Aa-gebied (25) 4,0
Drouwenerzand (26) 3,0
Dwingelderveld (30) 5,0
Elperstroomgebied (28) 3,0
Fochteloërveen (23) 5,0
Holtingerveld (29) 4,0
Mantingerbos (31) 3,0
Mantingerzand (32) 3,5
Norgerholt (22) 3,0
provincie Overijssel score urgentie
Aamsveen (55) 4,5
Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek (47) 3,0
Bergvennen & Brecklenkampse Veld (46) 4,0
Boetelerveld (41) 3,5
Borkeld (44) 3,5
Buurserzand & Haaksbergerveen (53) 4,5
De Wieden (35) 3,5
Dinkelland (49) 3,0
Engbertsdijksvenen (40) 4,5
Landgoederen Oldenzaal (50) 3,0
Lemselermaten (48) 3,0
Lonnekermeer (51) 4,0
Olde Maten & Veerslootslanden (37) 3,5
Sallandse Heuvelrug (42) 4,0
Springendal & Dal van de Mosbeek (45) 3,5
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (36) 2,9
Vecht- en Beneden-Reggegebied (39) 5,0
Weerribben (34) 4,0
Wierdense Veld (43) 4,0
Witte Veen (54) 3,5
provincie Gelderland score urgentie
Bekendelle (63) 3,0
De Bruuk (69) 3,0
Korenburgerveen (61) 5,0
Landgoederen Brummen (58) 3,5
Lingegebied & Diefdijk Zuid (70) 3,0
Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem (71) 2,9
Rijntakken (38) 3,0
Stelkampsveld (60) 3,5
Veluwe (57) 5,0
Willinks Weust (62) 3,0
Wooldse Veen (64) 4,5
provincie Utrecht score urgentie
Binnenveld (65) 3,0
Botshol (83) 3,5
Kolland & Overlangbroek (81) 3,0
Uiterwaarden Lek (82) 3,0
Zouweboezem (105) 2,9
provincie Noord-Holland score urgentie
Duinen Den Helder – Callantsoog (84) 3,5
Duinen en Lage Land Texel (2) 3,5
Eilandspolder (89) 3,0
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (92) 3,0
Kennemerland-Zuid (88) 4,5
Naardermeer (94) 4,0
Noordhollands Duinreservaat (87) 5,0
Oostelijke Vechtplassen (95) 4,0
Polder Westzaan (91) 3,0
Schoorlse Duinen (86) 4,0
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (90) 3,0
Zwanenwater & Pettemerduinen (85) 3,0
provincie Zuid-Holland score urgentie
Coepelduynen (96) 3,0
Duinen Goeree & Kwade Hoek (101) 3,5
Meijendel & Berkheide (97) 3,5
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) 3,5
Solleveld & Kapittelduinen (99) 4,0
Voornes Duin (100) 4,0
Westduinpark & Wapendal (98) 4,0
provincie Zeeland score urgentie
Canisvliet (125) 2,9
Groote Gat (124) 2,9
Kop van Schouwen (116) 4,5
Manteling van Walcheren (117) 4,5
Vogelkreek (126) 2,9
Yerseke en Kapelse Moer (121) 2,9
Zwin & Kievittepolder (123) 2,9
provincie Noord-Brabant score urgentie
Biesbosch (112) 3,0
Brabantse Wal (128) 5,0
Deurnsche Peel & Mariapeel (139) 5,0
Groote Peel (140) 4,5
Kampina & Oisterwijkse Vennen (133) 5,0
Kempenland-West (135) 4,5
Langstraat (130) 3,5
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (136) 4,0
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (131) 4,5
Oeffelter Meent (141) 2,9
Regte Heide & Riels Laag (134) 3,5
Strabrechtse Heide & Beuven (137) 4,0
Ulvenhoutse Bos (129) 4,0
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (132) 3,5
provincie Limburg score urgentie
Bemelerberg & Schiepersberg (156) 3,0
Boschhuizerbergen (144) 4,5
Brunssummerheide (155) 3,0
Bunder- en Elslooërbos (153) 3,0
Geleenbeekdal (154) 3,0
Geuldal (157) 4,0
Kunderberg (158) 3,0
Leudal (147) 3,0
Maasduinen (145) 5,0
Meinweg (149) 4,0
Noorbeemden & Hoogbos (161) 3,0
Roerdal (150) 3,0
Sarsven en De Banen (146) 4,5
Savelsbos (160) 3,5
Sint Jansberg (142) 3,0
Sint Pietersberg & Jekerdal (159) 3,5
Swalmdal (148) 2,9
Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138) 4,5
Zeldersche Driessen (143) 3,0
Ministerie van I&W score urgentie
Grevelingen (115) 3,5
Krammer-Volkerak (114) 2,9
Noordzeekustzone (7) 2,9
Oosterschelde (118) 3,0
Voordelta (113) 2,9
Waddenzee (1) 3,0
Westerschelde & Saeftinghe (122) 2,9
Ministerie van Defensie score urgentie
Witterveld (24) 4,0

1 De nummering tussen haakjes betreft de 162 aangewezen N2000 gebieden als vermeld op de website www.natura2000.nl.

Bijlage 3. Behorende bij titel 5.8, paragraaf 5.8.3 en paragraaf 5.8.4

1 2 3 3
Product/activiteit Omschrijving resultaat berekeningsmethode berekeningsmethode
1. Uitwerking 1. Uitwerking 1. Uitwerking 1. Uitwerking
a. uitwerking op het niveau van het samenwerkings-verband Document met een inhoudelijke beschrijving van de uit te voeren activiteiten in het samenwerkingsverband met: a. een uitwerking op het niveau van het samenwerkingsverband voor onderstaande doelen: 1°. Reductie CO2-emissie uit veenweidepercelen of; 2°. Reductie ammoniakemissie in overgangsgebieden N2000; b. een beschrijving van de huidige situatie in het samenwerkingsverband in het licht van de doelen, bedoeld in onderdeel a; c. een beschrijving van de beoogde activiteiten op de percelen in het samenwerkingsverband zoals omschreven in onderdelen 5 en 6 van deze tabel; d. een beschrijving van de overige activiteiten van het samenwerkingsverband, zoals omschreven in onderdelen 1b t/m 4, die op effectieve en efficiënte wijze kunnen bijdragen aan het behalen van een van de doelen, bedoeld in onderdeel a; e. de verwachte uitkomsten van de activiteiten bedoeld in onderdelen 5 en 6; f. een beschrijving van de rol en de taken van de bij de uitvoering van het plan betrokken partijen; g. een kaart waarop is aangegeven op welke percelen de activiteiten, bedoeld in onderdelen 5 en 6, uitgevoerd gaan worden; h. (een inschatting van) de (neven)effecten op andere actoren binnen of buiten het projectgebied; en i. de planning van de uitvoering van het project. Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs Offerten: per aanvraag; Offerten: per aanvraag;
b. bedrijfsplan per deelnemend agrarisch bedrijf of grondeigenaar Document met een beschrijving van de activiteiten van een deelnemend bedrijf of grondeigenaar en de bijdrage die hiermee aan het beoogde doel geleverd wordt, waaronder: – onderbouwing keuze voor te ontwikkelen doelen en uit te voeren activiteiten, waarbij ook de opbouw van kennis en ervaring wordt toegelicht; – relaties met andere deelnemende bedrijven of partners; – begroting van de kosten van de activiteiten in onderdelen 5 en 6 van deze tabel; – een kaart waarin is aangegeven op welke percelen de activiteiten, bedoeld in onderdelen 5 en 6 worden uitgevoerd. Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs Offerten: per deelnemend agrarisch bedrijf of grondeigenaar Offerten: per deelnemend agrarisch bedrijf of grondeigenaar
2. Begeleiding projecten 2. Begeleiding projecten 2. Begeleiding projecten 2. Begeleiding projecten
a. werven deelnemers Voeren van individuele gesprekken met potentiële deelnemers om te komen tot afspraken over deelname aan het project of over het opstellen van een bedrijfsplan. Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur betaalbewijs Offerten: per potentiële deelnemer Offerten: per potentiële deelnemer
b. begeleiden deelnemers Begeleiding van deelnemers bij de uitvoering van het bedrijfsplan. Bepalen aan de hand van gemaakte bedrijfsplannen. Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs Offerten: per deelnemer Offerten: per deelnemer
3. Communicatie 3. Communicatie 3. Communicatie 3. Communicatie
a. communicatieplan Document met een overkoepelend communicatieplan voor het project met aandacht voor: – producten – doelgroepen – begroting op basis van de productenlijst – fasering In het plan wordt expliciet aandacht besteed aan de bijdrage die het project levert aan de doelstelling van het project. Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs Offerten Offerten
b. kleine bijeenkomst Bijeenkomst van maximaal 15 personen; voorbereiding, facilitaire zaken en verslaglegging. Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs Offerten per bijeenkomst Offerten per bijeenkomst
c. grote bijeenkomst Bijeenkomst van meer dan 15 personen; voorbereiding, facilitaire zaken en verslaglegging. Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs Offerten per bijeenkomst Offerten per bijeenkomst
4. Rapportage 4. Rapportage 4. Rapportage 4. Rapportage
a. tussenrapportage Document met inhoudelijke beschrijving van de voortgang van het project, evaluatie, leerpunten, evt. aanpassingen in het project. Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs Offerten per tussenrapportage; Offerten per tussenrapportage;
b. eindrapportage Document met inhoudelijke beschrijving van de resultaten van het project, evaluatie en leerpunten. Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs Offerten Offerten
5. Niet-productieve investeringen veenweide 5. Niet-productieve investeringen veenweide 5. Niet-productieve investeringen veenweide 5. Niet-productieve investeringen veenweide
a. aanschaf en plaatsen van waterinfiltratie-systemen, zoals onderwaterdrainage of drukdrainage Waterinfiltratiesystemen, zoals onderwaterdrainage en drukdrainage, zijn niet-productieve investeringen met als doel de grondwaterstand in veenweidepercelen te verhogen. Dit kan alleen op grasland, zowel op landbouwareaal als op niet-landbouwareaal. Voor berekeningen van de CO2-emissie wordt bij drukdrainage alleen gerekend met de medium variant in SOMERS (www.nobveenweiden.nl/bevindingen). Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs werkelijke kosten op basis van factuur en betaalbewijs werkelijke kosten op basis van factuur en betaalbewijs
b. aanschaf en plaatsen van grondwaterpeil-buizen Grondwaterpeilbuizen geven inzicht in de grondwaterstand in veenweidepercelen. Vanwege de benodigde datalevering zijn digitale meetsystemen noodzakelijk. Dit kan alleen op grasland, zowel op landbouwareaal als op niet-landbouwareaal. Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs. Werkelijke kosten op basis van factuur en betaalbewijs Werkelijke kosten op basis van factuur en betaalbewijs
c. onderhoud waterinfiltratie-systeem en grondwaterpeil-buizen Voor onderhoud ter zake van onderdelen 5a en 5b zijn geen jaarlijkse bijdragen voorzien maar kan per keer een factuur en betaalbewijs worden overgelegd. In de begroting van het project kan maximaal 10% van de kosten van 5a en 5b gezamenlijk worden opgenomen. Werkelijke kosten op basis van factuur en betaalbewijs Werkelijke kosten op basis van factuur en betaalbewijs
6. Uitvoeren beheeractiviteiten 6. Uitvoeren beheeractiviteiten 6. Uitvoeren beheeractiviteiten 6. Uitvoeren beheeractiviteiten
a. geringere drooglegging Het verschil tussen het peil rondom het perceel (in cm ten opzichte van het NAP) en de gemiddelde hoogte van het maaiveld van het perceel (in cm ten opzichte van het NAP) voor de periode van april tot en met september leidt tot de berekende subsidie. - De hoogte van het peil rondom het perceel, het peilvak of een deel daarvan, voor de genoemde periode is schriftelijk vastgelegd in bijvoorbeeld een peilbesluit, vergunning of ontheffing van het waterschap. – De hoogte van het maaiveld van het perceel is af te lezen op de AHN-viewer (www.ahn.nl). – De percelen moeten landbouwareaal en grasland betreffen. – Per samenwerkingsverband moet minimaal 90% van het areaal van deze percelen onder de definitie veenweidegebied vallen. Bij combinatie van deze beheeractiviteit met extensiveren (onderdeel 6b) wordt de subsidie voor deze beheeractiviteit berekend met de lagere referentie gewasopbrengst door extensiveren Drooglegging is max. 40 cm: € 545 per ha/jr Drooglegging is max. 30 cm: € 790 per ha/jr Drooglegging is max. 20 cm: € 1.355 per ha/jr Combinatie met extensiveren (6b): bij 150 kg N dierexcretie/ha/bedrijf: 40 cm = € 450 per ha 30 cm = € 645 per ha 20 cm = € 1.105 per ha bij 100 kg N dierexcretie/ha/bedrijf: 40 cm = € 410 per ha 30 cm = € 585 per ha 20 cm = € 995 per ha Drooglegging is max. 40 cm: € 545 per ha/jr Drooglegging is max. 30 cm: € 790 per ha/jr Drooglegging is max. 20 cm: € 1.355 per ha/jr Combinatie met extensiveren (6b): bij 150 kg N dierexcretie/ha/bedrijf: 40 cm = € 450 per ha 30 cm = € 645 per ha 20 cm = € 1.105 per ha bij 100 kg N dierexcretie/ha/bedrijf: 40 cm = € 410 per ha 30 cm = € 585 per ha 20 cm = € 995 per ha
b. extensiveren Het productie- en bemestingsvolume van het melkveehouderijbedrijf is maximaal 150 of 100 kg stikstof dierexcretie per ha per bedrijf waarbij het gebruik van stikstofhoudende kunstmest niet is toegestaan en waarbij minimaal 50% van het areaal van de percelen van het bedrijf ligt binnen overgangsgebied N2000 of binnen veenweidegebied. Voor de aanvraag op overgangsgebieden N2000 (artikel 5.8.4.): Voor de puntenberekening van de weidegang wordt gekeken naar de ecoactiviteit verlengde weidegang. Max. 150 kg N dierexcretie/ha per bedrijf: € 1.680 per ha/jr Max. 100 kg N dierexcretie/ha per bedrijf: € 2.430 per ha/jr Max. 150 kg N dierexcretie/ha per bedrijf: € 1.680 per ha/jr Max. 100 kg N dierexcretie/ha per bedrijf: € 2.430 per ha/jr

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3.1.1a. Berekening loonkosten en eigen arbeid

Bij de berekening van loonkosten en eigen arbeid is artikel 1.3c niet van toepassing.

Artikel 3.1.1b. Communicatiekosten en reiskosten
1.

De hoogte van de subsidiabele kosten voor:

  • a. een plaat of bord als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2021/1060, is € 40;
  • b. een affiche of equivalent elektronisch display als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel d, van verordening 2021/1060, is € 20.
2.

De hoogte van de subsidiabele kosten van eigen medewerkers in loondienst en van vrijwilligers voor reizen met ander vervoer dan openbaar vervoer is gelijk aan het tarief, bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 3.1.7a. Geen omvlagging of overdracht van vissersvaartuig naar buiten de Europese Unie

Indien subsidie is verstrekt die ziet op een vissersvaartuig en het vissersvaartuig wordt binnen vijf jaar na de datum van de laatste betaling naar buiten de Europese Unie overgedragen of omgevlagd, wordt de beschikking tot subsidievaststelling onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger gewijzigd.

§ 3.2. Investeringen in mosselzaadinvanginstallaties

§ 3.4. Innovatieve projecten in de aquacultuur

Artikel 3.4.1. Subsidieverstrekking
1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie voor de uitvoering van een innovatief project dat past binnen het doel van bevordering van duurzame aquacultuuractiviteiten, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2021/1139.

2.

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a. een onderneming;
  • b. een kennisinstelling;
  • c. een vereniging;
  • d. een coöperatie;
  • e. een stichting; of
  • f. een deelnemer in een samenwerkingsverband van ten minste twee partijen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e.
3.

In afwijking van het tweede lid wordt geen subsidie verstrekt aan door provincies, gemeenten of waterschappen opgerichte privaatrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 3.4.2. Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt 75 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 500.000 per project.

Artikel 3.4.3. Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.4.4. Start- en realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van het project wordt gestart na de datum van indiening van de subsidieaanvraag en uiterlijk binnen twaalf maanden na de subsidieverlening.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel b, is:

  • a. 36 maanden na subsidieverlening voor aanvragen die voor 31 juli 2026 zijn ingediend;
  • b. 24 maanden na subsidieverlening voor aanvragen die op of na 31 juli 2026 zijn ingediend.

Het project wordt binnen die termijn uitgevoerd.

3.

De Minister kan op verzoek van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien de subsidieontvanger binnen twaalf maanden na subsidieverlening niet de noodzakelijke vergunningen, ontheffingen en toestemmingen bezit en dit hem niet is aan te rekenen.

Artikel 3.4.5. Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 2.11 en 3.1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening, indien:

  • a. de subsidiabele kosten minder dan € 150.000 bedragen;
  • c. het project niet bijdraagt aan de kweek of teelt van voor menselijke consumptie geschikte aquacultuurproducten;
  • e. het project gericht is op dieren die niet mogen worden gehouden;
  • f. het project gericht is op aquacultuurproducten die op grond van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) niet op de markt gebracht mogen worden; of
  • g. bij het project geen kennisinstelling wordt betrokken.
Artikel 3.4.6. Rangschikkingscriteria
1.

De Minister kent aan een aanvraag om subsidie een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. het aangevraagd project een meer innovatief karakter heeft;
  • b. het aangevraagd project meer economisch of technisch perspectief heeft op toepassing op praktijkschaal;
  • c. de economische of technische haalbaarheid van het aangevraagd project hoger is;
  • d. het aangevraagd project een grotere bijdrage levert aan de ecologische verduurzaming van de aquacultuur, zijnde dat het project:
  • 1°. bijdraagt aan het verminderen van afval;
  • 2°. in het geval van viskweekprojecten bijdraagt aan aantoonbaar en significante verbetering van dierenwelzijn;
  • 3°. rekening houdt met de natuurlijke leefomgeving en ecosystemen;
  • 4°. bijdraagt aan efficiënter grondstof- en energieverbruik;
  • e. de kwaliteit van de aanvraag hoger is.
2.

Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 10.

3.

Voor het totaal aantal punten is de wegingsfactor voor de onderdelen a tot en met e van het eerste lid respectievelijk 20%, 15%, 15%, 35% en 15%.

4.

De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Artikel 3.4.7. Deelbetaling
1.

Er kan een deelbetaling worden verstrekt.

2.

Een aanvraag tot deelbetalingverlening wordt in ieder geval ingediend tegelijkertijd met een tussenrapportage als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid.

3.

Onverminderd het tweede lid kan een aanvraag tot deelbetalingverlening op een ander moment worden ingediend. In dat geval gaat de aanvraag vergezeld van een beschrijving van de voortgang van het project.

Artikel 3.4.8. Informatieverplichtingen

Onverminderd de artikelen 2.9 en 3.1.4 gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:

  • b. indien de aanvraag om subsidie niet wordt ingediend door een kennisinstelling of een samenwerkingsverband waaraan een kennisinstelling deelneemt:
  • 1°. een beschrijving waaruit blijkt hoe de actieve betrokkenheid van een kennisinstelling bij een project wordt geborgd;
  • 2°. een verklaring van de kennisinstelling waaruit blijkt dat deze bereid is om actief betrokken te zijn, overeenkomstig de beschrijving, bedoeld onder 1°, en om de resultaten van het project te valideren;
  • c. het nummer waarmee de subsidieaanvrager geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel.
Artikel 3.4.9. Indienen aanvraag tot subsidievaststelling

Indien de aanvraag om subsidievaststelling niet wordt ingediend door een kennisinstelling of een samenwerkingsverband waaraan een kennisinstelling deelneemt, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling onverminderd de artikelen 2.19 en 3.1.6 een verklaring van de kennisinstelling, bedoeld in artikel 3.4.8, onderdeel b, dat zij de in dat onderdeel bedoelde rol heeft vervuld.

Artikel 3.4.10. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 3.5.1. Subsidieverstrekking
1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie voor de uitvoering van een innovatief project ter ondersteuning van innovatieve producten, processen of uitrusting in de visserij, dat past binnen het doel van het versterken van economisch, sociaal en ecologisch duurzame visserijactiviteiten, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2021/1139.

2.

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a. een onderneming;
  • b. een kennisinstelling;
  • c. een vereniging;
  • d. een coöperatie;
  • e. een stichting; of
  • f. een deelnemer in een samenwerkingsverband van ten minste twee partijen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e.
3.

In afwijking van het tweede lid wordt geen subsidie verstrekt aan door provincies, gemeenten of waterschappen opgerichte privaatrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 3.5.2. Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt 75 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 1.000.000 per project.

Artikel 3.5.3. Verdeling van het subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.5.4. Start- en realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van het project wordt gestart na de datum van indiening van de subsidieaanvraag en uiterlijk binnen twaalf maanden na de subsidieverlening.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel b, is 36 maanden na subsidieverlening. Het project wordt binnen die termijn uitgevoerd.

3.

De Minister kan op verzoek van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien de subsidieontvanger binnen twaalf maanden na subsidieverlening niet de noodzakelijke vergunningen, ontheffingen en toestemmingen bezit en dit hem niet is aan te rekenen.

Artikel 3.5.5. Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 2.11 en 3.1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening, indien:

  • a. de subsidiabele kosten minder dan € 250.000 bedragen of, indien het aangevraagde project uitsluitend betrekking heeft op binnenvisserij of kustvisserij, minder dan € 150.000 bedragen;
  • c. bij het project geen kennisinstelling wordt betrokken; of
  • d. bij het project sprake is van verhoging van de brutotonnage van een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 19, derde lid, onderdeel c, van verordening 2021/1139.
Artikel 3.5.6. Rangschikkingscriteria
1.

De Minister kent aan een aanvraag om subsidie een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. het aangevraagde project een meer innovatief karakter heeft;
  • b. het aangevraagde project meer economisch of technisch perspectief heeft op toepassing op praktijkschaal;
  • c. de economische of technische haalbaarheid van het aangevraagde project hoger is;
  • d. het aangevraagde project een grotere bijdrage levert aan de ecologische verduurzaming van de visserij, zijnde dat het project bijdraagt aan:
  • 1°. de beperking van bodemberoering in de visserij;
  • 2°. de selectiviteit van vismethoden;
  • 3°. energie-efficiëntie;
  • 4°. de verbetering van dierenwelzijn;
  • e. het aangevraagde project een grotere bijdrage levert aan de economische verduurzaming van de visserij, zijnde dat het project bijdraagt aan:
  • 1°. de verbetering van de veiligheid aan boord;
  • 2°. de flexibilisering van vismethoden.
2.

Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 10.

3.

Voor het totaal aantal punten per aanvraag is de wegingsfactor voor onderdelen a, b, c, d en e respectievelijk 20%, 10%, 10%, 40% en 20%.

4.

De Minister rangschikt een aanvraag waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan de aanvraag zijn toegekend.

Artikel 3.5.7. Deelbetaling
1.

Er kan een deelbetaling worden verstrekt.

2.

Een aanvraag tot deelbetalingverlening wordt in ieder geval ingediend tegelijkertijd met een tussenrapportage als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid.

3.

Onverminderd het tweede lid kan een aanvraag tot deelbetalingverlening op een ander moment worden ingediend. In dat geval gaat de aanvraag vergezeld van een beschrijving van de voortgang van het project.

Artikel 3.5.8. Informatieverplichtingen

Onverminderd de artikelen 2.9 en 3.1.4 gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:

  • a. indien de aanvraag om subsidie niet wordt ingediend door een kennisinstelling of een samenwerkingsverband waaraan een kennisinstelling deelneemt:
  • 1°. een beschrijving waaruit blijkt hoe de actieve betrokkenheid van een kennisinstelling bij een project wordt geborgd;
  • 2°. een verklaring van de kennisinstelling waaruit blijkt dat deze bereid is om actief betrokken te zijn, overeenkomstig de beschrijving, bedoeld onder 1°, en om de resultaten van het project te valideren;
  • b. het nummer waarmee de subsidieaanvrager geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel.
Artikel 3.5.9. Indienen aanvraag tot subsidievaststelling

Indien de aanvraag om subsidievaststelling niet wordt ingediend door een kennisinstelling of een samenwerkingsverband waaraan een kennisinstelling deelneemt, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling onverminderd de artikelen 2.19 en 3.1.6 in ieder geval een verklaring van de kennisinstelling, bedoeld in artikel 3.5.8, onderdeel b, dat zij de in dat onderdeel bedoelde rol heeft vervuld.

Artikel 3.5.10. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Hoofdstuk 4. Europees fonds voor regionale ontwikkeling

§ 3.6. Vernieuwingen in de keten van visserij en aquacultuur

§ 4.2. Regels omtrent subsidieverstrekking door de beheerautoriteit in het kader van de landsdelige EFRO-programma’s

§ 4.3. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van de Rijkscofinanciering in het kader van de landsdelige EFRO-programma’s

Hoofdstuk 5. Europees Landbouwgarantiefonds en Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling

Titel 5.1. Algemene bepalingen

Titel 5.2. Operationele programma’s

§ 1.1. Rechtspersoonlijkheid

§ 1.2. Lidmaatschap

§ 1.3. Verplichtingen voor producentenorganisaties

§ 1.3. Verplichtingen voor producentenorganisaties

§ 1. Erkenningsvereisten

§ 3. Informatie- en rapportageverplichtingen

§ 4. Erkenning van unies van producentenorganisaties

§ 2. Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning

Afdeling 5.2.2. Actiefonds en waarde afgezette productie

§ 2. Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning

§ 2. Beheer van het actiefonds

Afdeling 5.2.2. Actiefonds en waarde afgezette productie

§ 2. Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning

§ 2. Beheer van het actiefonds

§ 3.2. Personeelskosten

§ 3.3. Duurzame productiemiddelen

§ 3.4. Overige kosten

Titel 5.3. Interventietypes in de sector groenten en fruit

Afdeling 5.3.1. Algemene bepalingen

Afdeling 5.3.2. Subsidiabele activiteiten en sectorale doelstellingen

§ 1. Algemeen

§ 2. Productieplanning en -organisatie

§ 3.3. Investering in een duurzaam productiemiddel

§ 3. Concentratie van het aanbod en in de handel brengen van de producten

§ 2.2. Investering in een duurzaam productiemiddel

§ 4. Verbetering van het concurrentievermogen

§ 3.2. Investering in een duurzaam productiemiddel

§ 5. Onderzoek naar en ontwikkeling van duurzame productietechnieken

§ 3.3. Uitgaven voor overige kosten

§ 5.2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

§ 6. Afzetbevordering, ontwikkeling en uitvoering ten behoeve van duurzaamheid

§ 7. Bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering

§ 7.3. Uitgaven voor overige kosten

§ 7.1. Algemene bepalingen

§ 9. Afzetbevordering en marketing van producten

§ 8.2. Investering in een duurzaam productiemiddel

§ 8.3. Uitgaven voor overige kosten

§ 10. Verhoging van de consumptie van producten van de sector groenten en fruit

§ 8.3. Uitgaven voor overige kosten

§ 11. Crisispreventie en risicobeheer

§ 12. Verbetering van de arbeidsvoorwaarden en handhaving van de werkgeversverplichtingen en van de vereisten voor gezondheid en veiligheid op het werk

§ 12.1. Algemene bepalingen

§ 10.1. Algemene bepalingen

§ 9.1. Algemene bepalingen

Afdeling 5.3.3. Subsidieaanvraag en gedeeltelijke betalingen

Afdeling 5.3.4. Rapportageverplichtingen

Afdeling 5.3.5. Slotbepalingen

Titel 5.4. Sectorale interventie bijenteelt

Titel 5.4. Sectorale interventie bijenteelt

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Voorschriften inzake de verzekeraar

§ 3. Slotbepalingen

Titel 5.6. Samenwerken aan innovatie door operationele groepen in het kader van EIP

Titel 5.5. Brede weersverzekering

§ 1. Algemene bepalingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3. Slotbepalingen

§ 3. Slotbepalingen

§ 5.7.7. Demonstratieprojecten duurzame landbouw verzorgd door een demonstratiebedrijf

§ 5.7.10. Slotbepaling

Titel 5.8. Samenwerking in veenweiden en overgangsgebieden N2000

§ 5.7.6. Verstrekking subsidie aan een kennisinstelling

§ 5.8.2. Oprichten samenwerkingsverband of opstellen gebiedsplan

§ 5.8.3. Verhogen grondwaterstand in veenweidegebieden

§ 5.7.9. Verstrekking subsidie aan een erkende bedrijfsadviseur

§ 5.8.5. Slotbepalingen

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen en slotbepalingen

Bijlage 1. Behorende bij artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Procedure als bedoeld in artikel 3.1.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Kopieën of volledig digitale documenten kunnen worden geaccepteerd als bewijsstuk. In deze bijlage worden de procedures vastgesteld voor documenten die in het kader van de uitvoering van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 en verantwoording op grond van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en op grond van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247) kunnen worden gebruikt.

1. Typen documenten

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

2. Procedure voor het gebruik van de documenten, bedoeld onder 1, onderdelen a, b en c

De in 1, onderdelen a, b en c, bedoelde bewijsstukken zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

3. Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in een elektronische versie bestaan, bedoeld onder 1, onderdeel d

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.

Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

Bijlage 2. Behorende bij de artikelen 5.8.1, 5.8.2.7, vijfde lid en 5.8.4.7, vijfde lid

stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als bedoeld in artikel 5.8.1 (begripsomschrijving overgangsgebieden N2000) en de score urgentie als bedoeld in de artikelen 5.8.2.7, vijfde lid en 5.8.4.7, vijfde lid.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)