Verdrag tot samenwerking inzake octrooien

Type Verdrag
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 69
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

(2). Het rechtsgevolg voorzien in artikel 11, derde lid, houdt in de gekozen Staat op te bestaan met dezelfde gevolgen als de intrekking van een nationale aanvrage in die Staat indien de aanvrager nalaat, binnen de termijn van toepassing krachtens het eerste lid, onder a) of b), de handelingen te verrichten bedoeld in het eerste lid, onder a).

(3). Een gekozen bureau kan het rechtsgevolg, voorzien in artikel 11, derde lid, handhaven, zelfs indien de aanvrager niet voldoet aan de eisen genoemd in het eerste lid, onder a) of b).

Artikel 40. Uitstel van de nationale beoordeling en andere behandelingen

(1). Indien de keuze van een Verdragsluitende Staat is verricht vóór het verstrijken van de 19de maand, te rekenen van de datum van voorrang, is het bepaalde in artikel 23 niet van toepassing op die Staat en gaat het nationale bureau van of optredend voor die Staat, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, niet over tot de beoordeling en tot andere behandeling van de internationale aanvrage vóór het verstrijken van de krachtens artikel 39 geldende termijn.

(2). Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid kan een gekozen bureau, op uitdrukkelijk verzoek van de aanvrager, te allen tijde overgaan tot de beoordeling en de andere behandeling van de internationale aanvrage.

Artikel 41. Wijziging van de conclusies, de beschrijving en de tekeningen voor gekozen bureaus

(1). De aanvrager dient in de gelegenheid te worden gesteld binnen de voorgeschreven termijn de conclusies, de beschrijving en de tekeningen voor elk gekozen bureau te wijzigen. Een gekozen bureau verleent geen octrooi of weigert niet een octrooi te verlenen, voordat deze termijn is verstreken, behalve met de uitdrukkelijke toestemming van de aanvrager.

(2). De wijzigingen mogen niet buiten het kader van de uiteenzetting in de ingediende internationale aanvrage vallen, tenzij de nationale wetgeving van de gekozen Staat het toestaat.

(3). De wijzigingen dienen op alle punten waarin dit Verdrag en het Reglement niet voorzien, in overeenstemming te zijn met de nationale wetgeving van de gekozen Staat.

(4). Indien een gekozen bureau een vertaling van de internationale aanvrage verlangt, dienen de wijzigingen in de taal van de vertaling te zijn gesteld.

Artikel 42. Resultaten van de nationale beoordeling in gekozen bureaus

Een gekozen bureau dat het verslag van de internationale voorlopige beoordeling ontvangt, mag niet verlangen, dat de aanvrager afschriften van of inlichtingen over de inhoud verstrekt van bescheiden die verband houden met de beoordeling van dezelfde internationale aanvrage in enig ander gekozen bureau.

HOOFDSTUK III. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 43. Het verzoeken om bepaalde soorten van bescherming

Ten aanzien van elke aangewezen of gekozen Staat waarvan de wetgeving voorziet in het verlenen van uitvinderscertificaten, gebruikscertificaten, gebruiksmodellen, aanvullingsoctrooien of aanvullingscertificaten, aanvullingen van uitvinderscertificaten of aanvullingen van gebruikscertificaten, kan de aanvrager, zoals voorgeschreven in het Reglement, vermelden dat zijn internationale aanvrage bedoeld is voor het verlenen, voor zover het die Staat betreft, van een uitvinderscertificaat, een gebruikscertificaat, of een gebruiksmodel, en niet van een octrooi of dat zij bedoeld is voor het verlenen van een aanvullingsoctrooi of aanvullingscertificaat, een aanvulling van een uitvinderscertificaat of een aanvulling van een gebruikscertificaat; de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen worden beheerst door de keuze van de aanvrager. Voor de toepassing van dit artikel en van enige ingevolge dit artikel gegeven regel, is artikel 2, onder (ii), niet van toepassing.

Artikel 44. Het verzoeken om twee soorten van bescherming

Ten aanzien van elke aangewezen of gekozen Staat, waarvan de wetgeving toestaat, dat een aanvrage dienend voor het verlenen van een octrooi of van een van de andere soorten van bescherming genoemd in artikel 43, tevens dient voor de verlening van een van de andere genoemde soorten van bescherming, kan, zoals voorgeschreven in het Reglement, de aanvrager de twee soorten van bescherming vermelden die hij beoogt en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen worden beheerst door de vermeldingen van de aanvrager. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 2, onder (ii), niet van toepassing.

Artikel 45. Regionale octrooiverdragen

(1). Elk verdrag dat voorziet in de verlening van regionale octrooien („regionaal octrooiverdrag”) en dat alle personen, die overeenkomstig artikel 9 bevoegd zijn internationale aanvragen in te dienen, het recht toekent aanvragen voor zodanige octrooien in te dienen, kan bepalen, dat internationale aanvragen waarbij een Staat wordt aangewezen of gekozen, die zowel bij het regionale octrooiverdrag als bij dit Verdrag partij is, kunnen worden ingediend als aanvragen voor regionale octrooien.

(2). De nationale wetgeving van genoemde aangewezen of gekozen Staat kan bepalen, dat een aanwijzing of keuze van een zodanige Staat in de internationale aanvrage de rechtsgevolgen heeft van een vermelding van de wens tot het verkrijgen van een regionaal octrooi ingevolge het regionale octrooiverdrag.

Artikel 46. Onjuiste vertaling van de internationale aanvrage

Indien, wegens een onjuiste vertaling van de internationale aanvrage, de omvang van een octrooi, verleend op die aanvrage, ruimer is dan de omvang van de internationale aanvrage in haar oorspronkelijke taal, kunnen de bevoegde instanties van de betrokken Verdragsluitende Staat met terugwerkende kracht de omvang van het octrooi dienovereenkomstig beperken en het van nul en gener waarde verklaren voor zover zijn omvang ruimer is geweest dan de omvang van de internationale aanvrage in haar oorspronkelijke taal.

Artikel 47. Termijnen

(1). De bijzonderheden voor de berekening van de termijnen genoemd in dit Verdrag worden geregeld in het Reglement.

  • a). Alle termijnen vastgesteld in de Hoofdstukken I en II van dit Verdrag kunnen, buiten een herziening ingevolge artikel 60, worden gewijzigd bij besluit van de Verdragsluitende Staten.
  • b). Zodanige besluiten worden met eenparigheid van stemmen genomen, hetzij in de Algemene Vergadering hetzij door een schriftelijke stemming.
  • c). De bijzonderheden van de procedure worden geregeld in het Reglement.

Artikel 48. Uitstel voor het in acht nemen van bepaalde termijnen

(1). Indien een in dit Verdrag of in het Reglement gestelde termijn niet in acht wordt genomen wegens onderbreking in de postdiensten of onvermijdelijk verlies of vertraging in de post, wordt de termijn beschouwd als in acht te zijn genomen in de gevallen en behoudens de bewijzen en andere vereisten voorgeschreven in het Reglement.

  • a). Een Verdragsluitende Staat kan, voor zover het die Staat betreft, op grond van door zijn nationale wetgeving toegelaten redenen, uitstel voor het in acht nemen van een termijn toestaan.
  • b). Een Verdragsluitende Staat kan, voor zover het die Staat betreft, op grond van andere redenen dan die bedoeld onder a) uitstel voor het in acht nemen van termijnen toestaan.

Artikel 49. Recht tot optreden voor internationale instanties

Elke advocaat, octrooigemachtigde of andere persoon die het recht heeft op te treden voor het nationale bureau waarbij de internationale aanvrage werd ingediend, is gerechtigd ten aanzien van deze aanvrage op te treden voor het Internationale Bureau en de bevoegde Instantie voor internationaal nieuwheidsonderzoek en de bevoegde Instantie voor de Internationale Voorlopige Beoordeling.

HOOFDSTUK IV. Technische diensten

Artikel 50. Diensten voor inlichtingen inzake octrooien

(1). Het Internationale Bureau kan diensten verlenen door het verstrekken van technische en andere ter zake dienende inlichtingen waarover het beschikt op grond van gepubliceerde documenten, voornamelijk octrooien en gepubliceerde aanvragen (in dit artikel de „inlichtingendiensten” genoemd).

(2). Het Internationale Bureau kan deze inlichtingendiensten rechtstreeks verlenen dan wel door middel van een of meer instanties voor internationaal nieuwheidsonderzoek of andere nationale of internationale gespecialiseerde instellingen waarmede het Internationale Bureau een overeenkomst kan sluiten.

(3). De inlichtingendiensten dienen op zodanige wijze te functioneren dat zij het met name voor Verdragsluitende Staten die ontwikkelingslanden zijn, gemakkelijk maken technische kennis en technologie, met inbegrip van de beschikbare gepubliceerde „know-how”, te verwerven.

(4). De inlichtingendiensten staan ter beschikking van de Regeringen van Verdragsluitende Staten en hun onderdanen en inwoners. De Algemene Vergadering kan besluiten deze diensten ook aan anderen ter beschikking te stellen.

  • a). Elke dienst aan Regeringen van Verdragsluitende Staten wordt verleend tegen kostprijs, met dien verstande dat indien het de Regering betreft van een Verdragsluitende Staat die een ontwikkelingsland is, de dienst wordt verleend tegen minder dan de kostprijs, indien het verschil kan worden gedekt uit winsten gemaakt op diensten, verleend aan anderen dan Regeringen van Verdragsluitende Staten of uit de middelen bedoeld in artikel 51, vierde lid.
  • b). Onder de kostprijs bedoeld onder a) dient te worden verstaan de kosten die uitgaan boven die welke normaal verbonden zijn aan het verrichten van de diensten door een nationaal bureau of de vervulling van de verplichtingen door een Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek.

(6). De bijzonderheden betreffende de uitvoering van het bepaalde in dit artikel worden geregeld door besluiten van de Algemene Vergadering en, binnen de door de Algemene Vergadering vast te stellen grenzen, van de werkgroepen die de Algemene Vergadering voor dit doel kan instellen.

(7). Wanneer zij dit nodig acht beveelt de Algemene Vergadering methoden aan voor het verschaffen van aanvullende fondsen ter aanvulling op die genoemd in het vijfde lid.

Artikel 51. Technische bijstand

(1). De Algemene Vergadering stelt een Commissie voor technische bijstand in (in dit artikel „de Commissie” genoemd).

  • a). De leden van de Commissie worden gekozen uit de Verdragsluitende Staten, die daarbij goede aandacht schenken aan het vertegenwoordigd zijn van ontwikkelingslanden.
  • b). De Directeur-Generaal verzoekt, op eigen initiatief of op verzoek van de Commissie, vertegenwoordigers van intergouvernementele organisaties die zich bezighouden met technische bijstand aan ontwikkelingslanden, deel te nemen aan de werkzaamheden van de Commissie.
  • a). De taak van de Commissie behelst het organiseren van en het toezicht houden op de technische bijstand aan Verdragsluitende Staten die ontwikkelingslanden zijn, bij de ontwikkeling van hun afzonderlijke of regionale octrooistelsels.
  • b). De technische bijstand omvat onder meer de opleiding van specialisten, het uitlenen van deskundigen en de verschaffing van uitrusting, zowel voor demonstraties als voor gebruik.

(4). Het Internationale Bureau tracht overeenkomsten te sluiten met enerzijds internationale financieringsorganisaties en intergouvernementele organisaties, in het bijzonder de Verenigde Naties, de organen van de Verenigde Naties en de Gespecialiseerde Organisaties die banden hebben met de Verenigde Naties en zich bezighouden met technische bijstand en, anderzijds, met de Regeringen van de Staten die de technische bijstand ontvangen, voor de financiering van projecten uit hoofde van dit artikel.

(5). De bijzonderheden betreffende de uitvoering van het bepaalde in dit artikel worden geregeld door besluiten van de Algemene Vergadering en, binnen de door de Algemene Vergadering vast te stellen grenzen, van de werkgroepen die de Algemene Vergadering hiertoe kan instellen.

Artikel 52. Betrekkingen met andere bepalingen van het Verdrag

Het bepaalde in dit Hoofdstuk laat de financiële bepalingen neergelegd in enig ander Hoofdstuk van dit Verdrag onverlet. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op dit Hoofdstuk, noch op de toepassing daarvan.

HOOFDSTUK V. Administratieve bepalingen

Artikel 53. Algemene Vergadering

  • a). Behoudens het bepaalde in artikel 57, achtste lid, bestaat de Algemene Vergadering uit de Verdragsluitende Staten.
  • b). De Regering van elke Verdragsluitende Staat is vertegenwoordigd door een afgevaardigde, die zich kan doen bijstaan door plaatsvervangers, adviseurs en deskundigen.
  • a). De Algemene Vergadering:
  • (i). neemt alle vraagstukken in behandeling betreffende de instandhouding en de ontwikkeling van de Unie en de toepassing van dit Verdrag;
  • (ii). verricht de taken die haar in het bijzonder zijn opgedragen krachtens andere bepalingen van dit Verdrag:
  • (iii). verstrekt aan het Internationale Bureau richtlijnen betreffende de voorbereiding van de herzieningsconferenties;
  • (iv). bestudeert en hecht haar goedkeuring aan de rapporten en werkzaamheden van de Directeur-Generaal met betrekking tot de Unie en geeft hem alle van belang zijnde richtlijnen met betrekking tot vraagstukken ter zake van de competentie van de Unie;
  • (v). bestudeert en hecht haar goedkeuring aan de rapporten en werkzaamheden van de Uitvoerende Commissie, ingesteld ingevolge het negende lid, en geeft richtlijnen aan deze Commissie;
  • (vi). stelt het programma en de driejaarlijkse begroting van de Unie vast en keurt haar afrekeningen goed;
  • (vii). stelt het financiële reglement van de Unie vast;
  • (viii). roept de commissies en werkgroepen in het leven die zij dienstig acht voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie;
  • (ix). beslist welke andere Staten dan Verdragsluitende Staten en, onverminderd het bepaalde in het achtste lid, welke intergouvernementele en internationale niet-gouvernementele organisaties als waarnemers tot haar vergaderingen worden toegelaten;
  • (x). verricht alle andere handelingen die dienstig zijn ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie en verricht alle overige taken die in dit Verdrag besloten liggen.
  • b). Aangaande de vraagstukken die eveneens andere door de Organisatie beheerde Unies raken, doet de Algemene Vergadering uitspraak na het advies van de Coördinatiecommissie van de Organisatie te hebben ingewonnen.

(3). Een afgevaardigde mag slechts één Staat vertegenwoordigen en slechts uit naam van deze Staat zijn stem uitbrengen.

(4). Elke Verdragsluitende Staat heeft één stem.

  • a). Het quorum wordt gevormd door de helft van de Verdragsluitende Staten.
  • b). Wanneer er geen quorum aanwezig is kan de Algemene Vergadering besluiten nemen, maar, met uitzondering van die welke haar eigen procedure betreffen, worden al deze besluiten rechtens eerst uitvoerbaar indien het quorum en de vereiste meerderheid zijn bereikt door middel van een schriftelijke stemming zoals bepaald in het Reglement.
  • b). Onthouding geldt niet als stem.

(7). Ten aanzien van vraagstukken die uitsluitend van belang zijn voor de Staten die zijn gebonden door Hoofdstuk II wordt elke verwijzing naar Verdragsluitende Staten in het vierde, het vijfde en het zesde lid beschouwd als uitsluitend geldend voor Staten die zijn gebonden door Hoofdstuk II.

(8). Elke intergouvernementele organisatie die als Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of als Instantie voor de Internationale Voorlopige Beoordeling is aangewezen, wordt als waarnemer tot de Vergadering toegelaten.

(9). Indien het aantal Verdragsluitende Staten groter is dan veertig, stelt de Algemene Vergadering een Uitvoerende Commissie in. Elke verwijzing naar de Uitvoerende Commissie in dit Verdrag en in het Reglement dient te worden uitgelegd als verwijzing naar een zodanige Commissie wanneer deze eenmaal is ingesteld.

(10). Tot het tijdstip waarop de Uitvoerende Commissie is ingesteld hecht de Algemene Vergadering, binnen de grenzen van het programma en de driejaarlijkse begroting, haar goedkeuring aan de door de Directeur-Generaal opgestelde jaarlijkse programma's en begrotingen.

  • a). De Algemene Vergadering komt eenmaal in de twee jaar in gewone zitting bijeen op uitnodiging van de Directeur-Generaal en, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, gedurende dezelfde periode en te zelfder plaatse als de Algemene Vergadering van de Organisatie.
  • b). De Algemene Vergadering komt in buitengewone zitting bijeen op uitnodiging van de Directeur-Generaal, ingevolge het verzoek van de Uitvoerende Commissie of ingevolge het verzoek van een/vierde van de Verdragsluitende Staten.

(12). De Algemene Vergadering stelt haar reglement van orde vast.

Artikel 54. Uitvoerende Commissie

(1). Wanneer de Algemene Vergadering een Uitvoerende Commissie heeft ingesteld is deze Commissie onderworpen aan de hierna gegeven bepalingen.

  • a). De Uitvoerende Commissie is, onverminderd het bepaalde in artikel 57, achtste lid, samengesteld uit Staten, door de Algemene Vergadering gekozen uit de Staten die lid zijn van de Algemene Vergadering.
  • b). De Regering van elke Staat die lid is van de Uitvoerende Commissie is vertegenwoordigd door een afgevaardigde, die zich kan doen bijstaan door plaatsvervangers, adviseurs en deskundigen.

(3). Het aantal Staten dat lid is van de Uitvoerende Commissie is gelijk aan een/vierde van het aantal Staten dat lid is van de Algemene Vergadering. Bij de berekening van het aantal zetels wordt het overschot na deling van het aantal door vier buiten beschouwing gelaten.

(4). Bij de verkiezing van de leden van de Uitvoerende Commissie houdt de Algemene Vergadering rekening met een billijke geografische verdeling.

  • a). Elk lid van de Uitvoerende Commissie is in functie vanaf de sluiting van de zitting van de Algemene Vergadering tijdens welke het werd gekozen tot de sluiting van de volgende gewone zitting van de Algemene Vergadering.
  • b). Ten hoogste twee/derde van de zittende leden van de Uitvoerende Commissie is herkiesbaar.
  • c). De Algemene Vergadering stelt de wijze van verkiezing en eventuele herverkiezing van de leden van de Uitvoerende Commissie vast.
  • a). De Uitvoerende Commissie:
  • (i). stelt de ontwerp-agenda voor de Algemene Vergadering op;
  • (ii). legt aan de Algemene Vergadering voorstellen voor betreffende de door de Directeur-Generaal opgestelde ontwerpen voor een programma en een tweejaarlijkse begroting van de Unie;
  • (iii). vervallen;
  • (iv). legt aan de Algemene Vergadering de van geëigende toelichtingen voorziene periodieke rapporten voor van de Directeur-Generaal alsmede de jaarlijkse rapporten over het nazien van de rekeningen;
  • (v). neemt alle maatregelen die met het oog op de uitvoering van het programma van de Unie door de Directeur-Generaal nodig zijn overeenkomstig de besluiten van de Algemene Vergadering en met inachtneming van al hetgeen zich tussen twee gewone zittingen van de Algemene Vergadering kan voordoen;
  • (vi). verricht alle overige taken die haar in het kader van dit Verdrag worden opgedragen.
  • (b). Aangaande de vraagstukken die eveneens andere door de Organisatie beheerde Unies raken doet de Uitvoerende Commissie uitspraak na het advies van de Coördinatiecommissie van de Organisatie te hebben ingewonnen.
  • a). De Uitvoerende Commissie komt eenmaal per jaar in gewone zitting bijeen op uitnodiging van de Directeur-Generaal, bij voorkeur gedurende dezelfde periode en te zelfder plaatse als de Coördinatiecommissie van de Organisatie.
  • b). De Uitvoerende Commissie komt in buitengewone zitting bijeen op uitnodiging van de Directeur-Generaal, hetzij op diens eigen initiatief, hetzij ingevolge een verzoek van de voorzitter der Commissie of van een/vierde van haar leden.
  • a). Elke Staat die lid is van de Uitvoerende Commissie heeft één stem.
  • b). Het quorum wordt gevormd door de helft van de leden van de Uitvoerende Commissie.
  • c). De besluiten worden genomen bij gewone meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen.
  • d). Onthouding geldt niet als stem.
  • e). Een afgevaardigde kan slechts één enkele Staat vertegenwoordigen en kan slechts uit naam van deze Staat zijn stem uitbrengen.

(9). De Verdragsluitende Staten die geen lid zijn van de Uitvoerende Commissie, alsook intergouvernementele organisaties die zijn aangewezen tot Instantie voor internationaal nieuwheidsonderzoek of voor de Internationale Voorlopige Beoordeling kunnen haar vergaderingen bijwonen als waarnemers.

(10). De Uitvoerende Commissie stelt haar reglement van orde vast.

Artikel 55. Het Internationale Bureau

(1). De administratieve taken betreffende de Unie worden verricht door het Internationale Bureau.

(2). Het Internationale Bureau voorziet in het secretariaat van de verschillende organen van de Unie.

(3). De Directeur-Generaal is de hoogste functionaris van de Unie en tevens haar vertegenwoordiger.

(4). Het Internationale Bureau geeft een mededelingenblad uit en andere publikaties zoals bepaald in het Reglement of door de Algemene Vergadering.

(5). Het Reglement bevat een nadere omschrijving van de diensten die de nationale bureaus moeten verrichten om het Internationale Bureau en de Instanties voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek en voor de Internationale Voorlopige Beoordeling bij te staan in de uitvoering van hun taken krachtens dit Verdrag.

(6). De Directeur-Generaal en ieder door hem aangewezen lid van het personeel nemen zonder stemrecht deel aan alle bijeenkomsten van de Algemene Vergadering, van de Uitvoerende Commissie en van alle andere commissies of werkgroepen die krachtens dit Verdrag of het Reglement zijn ingesteld. De Directeur-Generaal of een door hem aangewezen lid van het personeel is ambtshalve secretaris van die organen.

  • a). Het Internationale Bureau bereidt volgens de aanwijzingen van de Algemene Vergadering en in samenwerking met de Uitvoerende Commissie de herzieningsconferenties voor.
  • b). Het Internationale Bureau kan bij de voorbereiding van de herzieningsconferenties het advies inwinnen van intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties.
  • c). De Directeur-Generaal en de door hem aangewezen personen nemen zonder stemrecht deel aan de beraadslagingen tijdens de herzieningsconferenties.

(8). Het Internationale Bureau voert alle overige aan hem opgedragen taken uit.

Artikel 56. Commissie voor Technische Samenwerking

(1). De Algemene Vergadering stelt een Commissie voor Technische Samenwerking in (in dit artikel „de Commissie” genoemd).

  • a). De Algemene Vergadering bepaalt de samenstelling van de Commissie en benoemt haar leden en schenkt daarbij goede aandacht aan een billijke vertegenwoordiging van de ontwikkelingslanden.
  • b). De Instanties voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek en voor de Internationale Voorlopige Beoordeling zijn ambtshalve lid van de Commissie. Ingeval zulk een Instantie het nationale bureau van een Verdragsluitende Staat is, kan deze Staat daarnaast niet op andere wijze in de Commissie zijn vertegenwoordigd.
  • c). Indien het aantal Verdragsluitende Staten zulks toelaat, is het totale aantal leden van de Commissie meer dan het dubbele van het aantal ambtshalve zittende leden.
  • d). De Directeur-Generaal nodigt, op eigen initiatief of op verzoek van de Commissie, vertegenwoordigers van belanghebbende organisaties uit tot deelneming aan voor hen van belang zijnde besprekingen.

(3). Het doel van de Commissie is, door adviezen en aanbevelingen, bij te dragen tot:

  • (i). de voortdurende verbetering van de diensten, waarin door dit Verdrag wordt voorzien,
  • (ii). het verzekeren, zolang er meer dan een Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek en meer dan een Instantie voor de Internationale Voorlopige Beoordeling is, van de grootste mate van eenvormigheid in hun documentatiemateriaal en arbeidsmethoden en de grootste mate van een eenvormig hoge kwaliteit van hun verslagen, en
  • (iii). op initiatief van de Algemene Vergadering of de Uitvoerende Commissie, de oplossing van de technische vraagstukken, die in het bijzonder verband houden met de instelling van een enkele Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek.

(4). Elke Verdragsluitende Staat en elke belanghebbende internationale organisatie kan zich schriftelijk tot de Commissie wenden inzake vraagstukken die tot de bevoegdheid van de Commissie behoren.

(5). De Commissie kan haar meningen en aanbevelingen richten tot de Directeur-Generaal of, via hem, tot de Algemene Vergadering, de Uitvoerende Commissie en alle of enkele van de Instanties voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek en voor de Internationale Voorlopige Beoordeling, en alle of enkele van de ontvangende bureaus.

  • a). In alle gevallen zendt de Directeur-Generaal aan de Uitvoerende Commissie de teksten toe van alle meningen en aanbevelingen van de Commissie. Hij kan deze teksten van commentaar voorzien.
  • b). De Uitvoerende Commissie kan haar oordeel geven over elke mening, aanbeveling of andere activiteit van de Commissie en kan de Commissie verzoeken vraagstukken die tot haar competentie behoren te bestuderen en daarover verslag uit te brengen. De Uitvoerende Commissie kan de meningen, de aanbevelingen en het verslag van de Commissie, voorzien van passend commentaar, aan de Algemene Vergadering voorleggen.

(7). Tot het tijdstip waarop de Uitvoerende Commissie is ingesteld, gelden de verwijzingen in het zesde lid naar de Uitvoerende Commissie als verwijzingen naar de Algemene Vergadering.

(8). De bijzonderheden van de procedure van de Commissie worden geregeld door de besluiten van de Algemene Vergadering.

Artikel 57. Financiën

  • a). De Unie heeft een begroting.
  • b). De begroting van de Unie omvat de eigen inkomsten en uitgaven van de Unie, en haar bijdrage aan de begroting van de gemeenschappelijke uitgaven van de Unies, die worden beheerd door de Organisatie.
  • c). Als gemeenschappelijke uitgaven der Unies worden beschouwd de uitgaven die niet uitsluitend ten laste van de Unie komen maar tevens van een of meer andere Unies. Het aandeel van de Unie in deze gemeenschappelijke uitgaven is evenredig aan het belang dat deze uitgaven voor haar vertegenwoordigen.

(2). De begroting van de Unie wordt vastgesteld met inachtneming van de vereisten tot coördinatie met de begrotingen van de andere door de Organisatie beheerde Unies.

(3). Onverminderd de bepalingen van het vijfde lid wordt de begroting van de Unie gefinancierd uit de volgende bronnen van inkomsten:

  • (i). de taksen en gelden verschuldigd voor diensten verleend door het Internationale Bureau in verband met de Unie;
  • (ii). de verkoop van en de royalties op publikaties van het Internationale Bureau betreffende de Unie;
  • (iii). giften, legaten en subsidies;
  • (iv). huuropbrengsten, renten en overige inkomsten.

(4). De bedragen van de aan het Internationale Bureau verschuldigde taksen en gelden en de prijzen van zijn publikaties worden zo vastgesteld dat zij, onder normale omstandigheden, voldoende zijn om alle onkosten van het Internationale Bureau in verband met de uitvoering van dit Verdrag te dekken.

  • a). Indien een boekjaar sluit met een tekort, betalen de Verdragsluitende Staten, met inachtneming van het bepaalde onder b) en c), bijdragen om dit tekort te dekken.
  • b). De grootte van de bijdrage van elke Verdragsluitende Staat wordt bepaald door de Algemene Vergadering, met inachtneming van het aantal internationale aanvragen dat uit elk van de Staten in het betrokken jaar is binnengekomen.
  • c). Indien andere middelen om een tekort of een gedeelte daarvan voorlopig te dekken worden verkregen, kan de Algemene Vergadering besluiten dat dit tekort wordt overgeboekt naar het volgende jaar en dat de Verdragsluitende Staten niet wordt gevraagd bijdragen te betalen.
  • d). Indien de financiële situatie van de Unie zulks toelaat kan de Algemene Vergadering besluiten dat krachtens het bepaalde onder a) betaalde bijdragen worden terugbetaald aan de Verdragsluitende Staten die deze hebben betaald.
  • e). Een Verdragsluitende Staat die niet binnen twee jaar na de door Algemene Vergadering vastgestelde vervaldatum zijn bijdrage krachtens het bepaalde onder b) heeft betaald kan in geen der organen Unie zijn stemrecht uitoefenen. Elk orgaan van de Unie kan evenwel zulk een Staat vergunnen zijn stemrecht in dat orgaan te blijven uitoefenen, zolang het ervan overtuigd is dat de achterstalligheid wordt veroorzaakt door uitzonderlijke en onvermijdelijke omstandigheden.

(6). Indien de begroting niet is vastgesteld voor de aanvang van het nieuwe begrotingsjaar, wordt de begroting van het voorgaande jaar aangehouden volgens de werkwijze voorzien in het financieel reglement.

  • a). De Unie bezit een operationeel fonds, gevormd door een eenmalige storting van elke Verdragsluitende Staat. Indien het fonds ontoereikend blijkt, treft de Algemene Vergadering regelingen voor bijstorting. Indien een deel van het fonds niet langer nodig is, wordt het terugbetaald.
  • b). Het bedrag van de eerste storting door iedere Verdragsluitende Staat aan genoemd fonds of van zijn deelneming in de bijstorting wordt bepaald door de Algemene Vergadering op grond van overeenkomstige beginselen als die genoemd in het vijfde lid, onder b).
  • c). De betalingsvoorwaarden worden vastgesteld door de Algemene Vergadering op voorstel van de Directeur-Generaal en na ingewonnen advies van de Coördinatiecommissie van de Organisatie.
  • d). Elke terugbetaling is evenredig aan de door elke Verdragsluitende Staat betaalde bedragen met inachtneming van de tijdstippen waarop zij zijn betaald.
  • a). In de overeenkomst betreffende de zetelvestiging, gesloten met de Staat op wiens grondgebied de Organisatie haar zetel heeft, wordt bepaald dat, telkens wanneer het operationele fonds niet toereikend is, die Staat voorschotten verstrekt. Het bedrag van deze voorschotten en de voorwaarden waarop zij worden verstrekt, vormen telkenmale het onderwerp van afzonderlijke overeenkomsten tussen deze Staat en de Organisatie. Zolang deze Staat gehouden is voorschotten te verstrekken, beschikt hij van rechtswege over een zetel in de Algemene Vergadering en in de Uitvoerende Commissie.
  • b). De Staat bedoeld onder a) en de Organisatie hebben elk het recht de verplichting tot het verstrekken van voorschotten schriftelijk op te zeggen. De opzegging wordt van kracht drie jaar na afloop van het jaar waarin de kennisgeving is gedaan.

(9). Het nazien der rekeningen wordt verricht, op de wijze voorzien in het financieel reglement, door een of meer Verdragsluitende Staten of door onafhankelijke accountants. Zij worden, met hun instemming, aangewezen door de algemene Vergadering.

Artikel 58. Reglement

(1). Het als bijlage bij dit Verdrag gevoegde Reglement bevat regels betreffende:

  • (i). aangelegenheden ten aanzien waarvan dit Verdrag uitdrukkelijk verwijst naar het Reglement of uitdrukkelijk bepaalt dat daaromtrent regels zijn of worden opgesteld,
  • (ii). administratieve vereisten, aangelegenheden of procedures,
  • (iii). bijzonderheden die van nut zijn voor de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag.
  • a). De Algemene Vergadering kan het Reglement wijzigen.
  • b). Onverminderd het bepaalde in het derde lid zijn voor wijzigingen drie vierde van het aantal uitgebrachte stemmen vereist.
  • a). Het Reglement bevat de Regels die kunnen worden gewijzigd,
  • (i). uitsluitend bij eenparigheid van stemmen, of
  • (ii). uitsluitend indien geen van de Verdragsluitende Staten, waarvan het nationale bureau als Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of voor de Internationale Voorlopige Beoordeling optreedt, deze afwijst en, indien een zodanige Instantie een intergouvernementele organisatie is, indien de Verdragsluitende Staat die lid van die organisatie is, en hiertoe door de andere Lid-Staten binnen het bevoegde orgaan van een zodanige organisatie is gemachtigd, niet een afwijzend standpunt inneemt.
  • b). Voor de toekomstige uitsluiting van zulke Regels van het geldende vereiste is vereist dat aan de voorwaarden genoemd onder a), sub (i), onderscheidenlijk onder a), sub (ii), is voldaan.
  • c). Voor toekomstige opneming van een Regel in een van beide categorieën, genoemd onder a), is eenparigheid van stemmen vereist.

(4). Het Reglement voorziet in de opstelling, onder toezicht van de Algemene Vergadering, van Administratieve Instructies door de Directeur-Generaal.

(5). In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van het Verdrag en die van het Reglement hebben de bepalingen van het Verdrag voorrang.

HOOFDSTUK VI. Geschillen

Artikel 59. Geschillen

Onverminderd artikel 64, vijfde lid, kan elk geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Staten betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag of van het Reglement, dat niet door onderhandelingen wordt beslecht, door een der betrokken Staten worden voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof, tenzij de betrokken Staten een andere wijze ter beslechting van het geschil overeenkomen. Het Internationale Bureau dient door de eisende Verdragsluitende Staat in kennis te worden gesteld van het aan het Hof voorgelegde geschil; het Internationale Bureau stelt de andere Verdragsluitende Staten hiervan in kennis.

HOOFDSTUK VII. Herziening en wijziging

Artikel 60. Herziening van het Verdrag

(1). Dit Verdrag kan van tijd tot tijd worden herzien door een bijzondere conferentie van de Verdragsluitende Staten.

(2). Tot bijeenroeping van een herzieningsconferentie wordt besloten door de Algemene Vergadering.

(3). Intergouvernementele organisaties die zijn aangewezen als Instantie voor internationaal nieuwheidsonderzoek of voor de Internationale Voorlopige Beoordeling worden als waarnemer tot een herzieningsconferentie toegelaten.

(4). De artikelen 53, vijfde, negende en elfde lid, 54, 55, vierde tot en met achtste lid, 56 en 57 kunnen worden gewijzigd door een herzieningsconferentie of overeenkomstig het bepaalde in artikel 61.

Artikel 61. Wijziging van enige bepalingen van het Verdrag

  • b). Deze voorstellen worden door de Directeur-Generaal ten minste zes maanden voordat zij aan het onderzoek der Algemene Vergadering worden onderworpen, medegedeeld aan de Verdragsluitende Staten.
  • a). De wijzigingen van de in het eerste lid genoemde artikelen worden door de Algemene Vergadering aangenomen.
  • b). Voor deze aanneming is drie/vierde van de uitgebrachte stemmen vereist.
  • a). De wijzigingen van de in het eerste lid genoemde artikelen worden van kracht een maand na ontvangst door de Directeur-Generaal van de schriftelijke verklaringen van aanvaarding, verricht overeenkomstig hun onderscheiden constitutionele procedures, door drie/vierde van de Staten die lid waren van de Algemene Vergadering op het tijdstip waarop deze de wijzigingen aannam.
  • b). Een aldus aanvaarde wijziging van de genoemde artikelen bindt alle Staten die lid zijn van de Algemene Vergadering op het tijdstip waarop de wijziging van kracht wordt, met dien verstande dat wijzigingen die de financiële verplichtingen van de Verdragsluitende Staten verzwaren slechts die Staten binden die te kennen hebben gegeven deze wijzigingen te aanvaarden.
  • c). Wijzigingen aanvaard overeenkomstig het bepaalde onder a) binden alle Staten die lid van de Algemene Vergadering worden na de datum waarop de wijziging van kracht werd overeenkomstig het bepaalde onder a).

HOOFDSTUK VIII. Slotbepalingen

Artikel 62. Partij worden bij het Verdrag

(1). Een Staat die lid is van de Internationale Unie tot Bescherming van de Industriële Eigendom kan partij worden bij dit Verdrag door:

  • (i). ondertekening gevolgd door de nederlegging van een akte van bekrachtiging, of
  • (ii). nederlegging van een akte van toetreding.

(2). De akten van bekrachtiging of toetreding worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal.

(3). De bepalingen van artikel 24 van de Akte van Stockholm bij het Verdrag van Parijs tot Bescherming van de Industriële Eigendom zijn van toepassing op het onderhavige Verdrag.

(4). Het derde lid mag op generlei wijze zo worden uitgelegd, dat het de erkenning of stilzwijgende aanvaarding door een Verdragsluitende Staat inhoudt van de feitelijke situatie betreffende een gebied waarop dit Verdrag door een andere Verdragsluitende Staat op grond van dat derde lid van toepassing is verklaard.

Artikel 63. Inwerkingtreding van het Verdrag

  • a). Behoudens de bepalingen van het derde lid treedt dit Verdrag in werking drie maanden nadat acht Staten hun akten van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd, mits ten minste vier van deze Staten elk voldoen aan een van de onderstaande vereisten:
  • (i). het aantal in de Staat ingediende aanvragen heeft volgens de meest recente jaarlijkse statistieken, gepubliceerd door het Internationale Bureau, de 40.000 overschreden,
  • (ii). de onderdanen of inwoners van de Staat hebben volgens de meest recente jaarlijkse statistieken, gepubliceerd door het Internationale Bureau, ten minste 1000 aanvragen in een ander land ingediend,
  • (iii). het nationale bureau van de Staat heeft, volgens de meest recente jaarlijkse statistieken, gepubliceerd door het Internationale Bureau, ten minste 10.000 aanvragen ontvangen van onderdanen of inwoners van andere landen.
  • b). Voor de toepassing van dit lid omvat het woord „aanvragen” geen aanvragen voor gebruiksmodellen.

(2). Onverminderd het bepaalde in het derde lid wordt een Staat die geen partij bij dit Verdrag wordt bij de inwerkingtreding krachtens het eerste lid, door dit Verdrag gebonden drie maanden na de datum waarop deze Staat zijn akte van bekrachtiging of toetreding heeft nedergelegd.

(3). De bepalingen van Hoofdstuk II en de overeenkomstige bepalingen van het aan dit Verdrag gehechte Reglement worden evenwel eerst van toepassing op de datum waarop drie Staten die elk voldoen aan ten minste een van de in het eerste lid aangegeven vereisten, partij bij dit Verdrag zijn geworden zonder overeenkomstig artikel 64, eerste lid, te verklaren dat zij zich niet gebonden achten door de bepalingen van Hoofdstuk II. Die datum kan evenwel niet voor de datum van de eerste inwerkingtreding ingevolge het eerste lid liggen.

Artikel 64. Voorbehouden

  • a). Elke Staat kan verklaren dat hij niet is gebonden door de bepalingen van Hoofdstuk II.
  • b). Staten die een verklaring afleggen als bedoeld onder a) zijn niet gebonden door de bepalingen van Hoofdstuk II en de overeenkomstige bepalingen van het Reglement.
  • a). Een Staat die geen verklaring ingevolge het eerste lid, onder a), heeft afgelegd, kan verklaren dat:
  • (i). hij niet is gebonden door de bepalingen van artikel 39, eerste lid ten aanzien van het verschaffen van een afschrift van de internationale aanvrage en een vertaling daarvan (zoals voorgeschreven),
  • (ii). de verplichting de nationale behandeling uit te stellen, zoals voorzien in artikel 40, niet de openbaarmaking van de internationale aanvrage of een vertaling daarvan, door of via zijn nationale bureau belet, met dien verstande evenwel, dat hij niet is vrijgesteld van de verplichtingen, voorzien in de artikelen 30 en 38.
  • b). Staten die een zodanige verklaring afleggen zijn dienovereenkomstig gebonden.
  • a). Een Staat kan verklaren dat, voor zover het hem betreft, internationale openbaarmaking van internationale aanvragen niet vereist is.
  • b). Indien, na het verstrijken van 18 maanden van de datum van voorrang, de internationale aanvrage de aanwijzing bevat van alleen die Staten die verklaringen hebben afgelegd als bedoeld onder a), wordt de internationale aanvrage niet openbaar gemaakt krachtens artikel 21, tweede lid.
  • c). Indien het bepaalde onder b) van toepassing is, wordt de internationale aanvrage niettemin door het Internationale Bureau openbaar gemaakt:
  • (i). op verzoek van de aanvrager, zoals voorzien in het Reglement,
  • (ii). indien een nationale aanvrage of een octrooi, gebaseerd op de internationale aanvrage, openbaar wordt gemaakt door of voor het nationale bureau van enige aangewezen Staat die een verklaring als bedoeld onder a) heeft afgelegd, onverwijld na een zodanige openbaarmaking maar niet vóór het verstrijken van 18 maanden te rekenen van de datum van voorrang.
  • a). Elke Staat waarvan de nationale wetgeving aan zijn octrooien gevolgen wat betreft de stand van de techniek verbindt vanaf de datum voor de openbaarmaking, maar niet voor de bepaling van de stand van de techniek, de datum van voorrang waarop men zich beroept ingevolge het Verdrag van Parijs tot Bescherming van de Industriële Eigendom, gelijkstelt met de werkelijke datum van indiening in die Staat, kan verklaren dat de indiening buiten die Staat van een internationale aanvrage, waarin die Staat is aangewezen, niet gelijk wordt gesteld aan een werkelijke indiening in die Staat voor de bepaling van de stand van de techniek.
  • b). Een Staat die een verklaring als bedoeld onder a) aflegt, is in zoverre niet gebonden door het bepaalde in artikel 11, derde lid.
  • c). Een Staat die een verklaring als bedoeld onder a) aflegt, geeft tegelijkertijd schriftelijk aan met ingang van welke datum en onder welke voorwaarden de gevolgen voor de stand van de techniek van internationale aanvragen, waarin die Staat wordt aangewezen, in die Staat van kracht worden. Deze verklaring kan te allen tijde worden gewijzigd door een kennisgeving gericht tot de Directeur-Generaal.

(5). Elke Staat kan verklaren, dat hij zich niet gebonden acht door artikel 59. Ten aanzien van geschillen tussen een Verdragsluitende Staat die een zodanige verklaring heeft afgelegd en een andere Verdragsluitende Staat zijn de bepalingen van artikel 59 niet van toepassing.

  • a). Een verklaring volgens dit artikel dient schriftelijk te worden afgelegd. Zij kan worden afgelegd op het tijdstip van de ondertekening van dit Verdrag, op het tijdstip van de nederlegging van de akte van bekrachtiging of toetreding, of, behalve in het geval genoemd in het vijfde lid, op elk later tijdstip door middel van een tot de Directeur-Generaal gerichte kennisgeving. In het geval van genoemde kennisgeving wordt de verklaring van kracht zes maanden na de dag waarop de Directeur-Generaal de kennisgeving heeft ontvangen en heeft zij geen invloed op internationale aanvragen die zijn ingediend voor het verstrijken van deze termijn van zes maanden.
  • b). Een verklaring afgelegd volgens dit artikel kan te allen tijde worden ingetrokken door middel van een tot de Directeur-Generaal gerichte kennisgeving. Een zodanige intrekking wordt van kracht drie maanden na de dag waarop de Directeur-Generaal de kennisgeving heeft ontvangen en in het geval van de intrekking van een krachtens het derde lid afgelegde verklaring heeft zij geen invloed op internationale aanvragen die zijn ingediend voor het verstrijken van deze termijn van drie maanden.

(7). Ten aanzien van dit Verdrag zijn geen andere voorbehouden dan die ingevolge het eerste tot en met het vijfde lid toegestaan.

Artikel 65. Geleidelijke toepassing

(1). Indien de overeenkomst met een Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of voor de Internationale Voorlopige Beoordeling als overgangsmaatregel voorziet in beperkingen van het aantal of de aard van de internationale aanvragen die een zodanige Instantie op zich neemt te behandelen, neemt de Algemene Vergadering de noodzakelijke maatregelen voor de geleidelijke toepassing van dit Verdrag en van het Reglement ten aanzien van bepaalde categorieën internationale aanvragen. Deze bepaling is eveneens van toepassing op verzoeken voor een nieuwheidsonderzoek van internationaal type ingevolge artikel 15, vijfde lid.

(2). De Algemene Vergadering stelt de data vast met ingang waarvan, behoudens het bepaalde in het eerste lid, internationale aanvragen kunnen worden ingediend en verzoeken om internationale voorlopige beoordeling kunnen worden ingediend. Deze data liggen uiterlijk zes maanden nadat dit Verdrag in werking is getreden overeenkomstig de bepalingen van artikel 63, eerste lid, onderscheidenlijk nadat Hoofdstuk II van toepassing is geworden ingevolge artikel 63, derde lid.

Artikel 66. Opzegging

(1). Een Verdragsluitende Staat kan dit Verdrag opzeggen door middel van een aan de Directeur-Generaal gerichte kennisgeving,

(2). De opzegging wordt van kracht zes maanden nadat de Directeur-Generaal de genoemde kennisgeving heeft ontvangen. Zij heeft geen invloed op de gevolgen van de internationale aanvrage in de Staat die de opzegging doet, indien de internationale aanvrage is ingediend en, indien de Staat die de opzegging doet was gekozen, de keuze is gedaan voor het verstrijken van genoemde termijn van zes maanden.

Artikel 67. Ondertekening en talen

  • a). Dit Verdrag wordt ondertekend in een enkel oorspronkelijk exemplaar, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.
  • b). Officiële teksten worden vastgesteld door de Directeur-Generaal, na raadpleging van de betrokken Regeringen, in de Duitse, de Japanse de Portugese, de Russische en de Spaanse taal en in andere door de Algemene Vergadering aan te wijzen talen.

(2). Dit Verdrag staat open voor ondertekening te Washington tot 31 december 1970.

Artikel 68. Depositaris

(1). Het oorspronkelijke exemplaar van dit Verdrag wordt, wanneer het niet langer open staat voor ondertekening, nedergelegd bij de Directeur-Generaal.

(2). De Directeur-Generaal verstrekt twee door hem voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag en van het daaraan gehechte Reglement aan de Regeringen van alle Staten die partij zijn bij het Verdrag van Parijs tot Bescherming van de Industriële Eigendom en, op verzoek, aan de Regeringen van andere Staten.

(3). De Directeur-Generaal doet dit Verdrag registreren bij het Secretariaat van de Verenigde Naties.

(4). De Directeur-Generaal verstrekt twee door hem voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van alle wijzigingen van dit Verdrag en van het Reglement aan de Regeringen van alle Verdragsluitende Staten en, op verzoek, aan de Regeringen van andere Staten.

Artikel 69. Kennisgevingen

De Directeur-Generaal stelt de Regeringen van alle Staten die partij zijn bij het Verdrag van Parijs tot Bescherming van de Industriële Eigendom in kennis van:

  • (ii). nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding ingevolge artikel 62,
  • (vi). opzeggingen ontvangen ingevolge artikel 66, en

DEEL A. Inleidende regels

Regel 1. Afkortingen

1.1. Betekenis van afkortingen

  • a). In dit Reglement wordt onder het woord „Verdrag” verstaan het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien.
  • b). In dit Reglement verwijzen de woorden „Hoofdstuk” en „artikel” naar het aangegeven Hoofdstuk of artikel van het Verdrag.

Regel 2. Betekenis van bepaalde woorden

2.1. „Aanvrager”

Het woord „aanvrager” wordt zo uitgelegd dat het ook de gemachtigde of andere vertegenwoordiger van de aanvrager aanduidt, behalve daar waar het tegendeel duidelijk blijkt uit de bewoordingen of de aard van de bepaling of het zinsverband waarin het woord is gebruikt zoals, in het bijzonder, wanneer de bepaling verwijst naar de woonplaats of de nationaliteit van de aanvrager.

2.2. „Gemachtigde”

Het woord „gemachtigde” wordt zo uitgelegd, dat het een gemachtigde aanduidt die is benoemd ingevolge Regel 90.1, tenzij het tegendeel duidelijk blijkt uit de bewoordingen of de aard van de bepaling of het zinsverband waarin het woord is gebruikt.

2.2bis. „Gemeenschappelijke vertegenwoordiger”

De uitdrukking „gemeenschappelijke vertegenwoordiger” wordt zo uitgelegd, dat zij een aanvrager aanduidt die ingevolge Regel 90.2 is benoemd of wordt beschouwd als de gemeenschappelijke vertegenwoordiger.

2.3. „Ondertekening”

Het woord „ondertekening” wordt zo verstaan dat, indien de nationale wetgeving toegepast door het ontvangende bureau of de bevoegde Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of voor de Internationale Voorlopige Beoordeling het gebruik van een zegel in plaats van een ondertekening vereist, het woord, voor zover dat bureau of die Instantie betreft, zegel betekent.

2.4. „Termijn van voorrang”

  • a. Indien de uitdrukking „termijn van voorrang” wordt gebruikt in verband met een beroep op een recht van voorrang, wordt dit verstaan als het tijdvak van 12 maanden vanaf de datum van indiening van de eerdere aanvrage, waarvoor aldus een beroep op een recht van voorrang wordt gedaan. De datum van indiening van de eerdere aanvrage wordt niet bij dat tijdvak inbegrepen.
  • b. Regel 80.5 is van overeenkomstige toepassing op de termijn van voorrang.

DEEL B. Regels betreffende hoofdstuk I van het Verdrag

Regel 3. Het verzoekschrift (vorm)

3.1. Vorm van het verzoekschrift

Het verzoekschrift dient te worden gesteld op een gedrukt formulier of te worden ingediend in de vorm van een computeruitdraai.

3.2. Beschikbaarheid van formulieren

Exemplaren van het gedrukte formulier worden gratis aan de aanvragers verstrekt door het ontvangende bureau of, indien het ontvangende bureau zulks wenst, door het Internationale Bureau.

3.3. Controlelijst

  • a). Het verzoekschrift bevat een lijst die aangeeft:
  • (i). het totale aantal bladen waaruit de internationale aanvrage bestaat en het aantal bladen van elk onderdeel van de internationale aanvrage: verzoekschrift, beschrijving (waarin apart het aantal bladen wordt aangegeven van een eventueel sequentie-opsommingsdeel in de beschrijving), conclusies, tekeningen, uittreksel;
  • (ii). indien van toepassing, dat de internationale aanvrage zoals ingediend vergezeld gaat van een volmacht (d.w.z. een document waarin een gemachtigde of gemeenschappelijke vertegenwoordiger wordt benoemd), een afschrift van een algemene volmacht, een voorrangsbewijs, een sequentie-opsomming in elektronische vorm, een document betreffende de betaling van taksen of eventuele andere bescheiden (aan te geven in de controlelijst);
  • (iii). het nummer van die figuur van de tekeningen die volgens het voorstel van de aanvrager het uittreksel dient te vergezellen wanneer het uittreksel wordt gepubliceerd; in uitzonderlijke gevallen kan de aanvrager meer dan een figuur voorstellen.
  • b). De lijst wordt ingevuld door de aanvrager, bij gebreke waarvan het ontvangende bureau de nodige vermeldingen invult, met dien verstande dat het nummer bedoeld in paragraaf a iii niet door het ontvangende bureau mag worden ingevuld.

3.4. Nadere bijzonderheden

Onverminderd Regel 3.3 worden de nadere bijzonderheden van het gedrukte formulier voor het verzoekschrift en van een in de vorm van een computeruitdraai ingediend verzoekschrift voorgeschreven in de Administratieve Instructies.

Regel 4. Het verzoekschrift (inhoud)

4.1. Verplichte en facultatieve inhoud; ondertekening

  • a). Het verzoekschrift bevat:
  • (i). een verzoek,
  • (ii). de titel van de uitvinding,
  • (iii). gegevens betreffende de aanvrager en de gemachtigde, indien er een gemachtigde is,
  • (iv). gegevens betreffende de uitvinder, indien de nationale wetgeving van ten minste een van de aangewezen Staten voorschrijft dat de naam van de uitvinder wordt medegedeeld op het tijdstip van indiening van een nationale aanvrage.
  • b). Het verzoekschrift bevat in voorkomend geval:
  • i. een beroep op een recht van voorrang, of
  • ii. gegevens met betrekking tot een eerder nieuwheidsonderzoek zoals voorzien in de Regels 4.12 i en 12bis.1 b en d,
  • iii. een verwijzing naar een hoofdaanvrage of hoofdoctrooi,
  • iv. een aanduiding van de door de aanvrager gekozen bevoegde Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek.
  • c). Het verzoekschrift kan het volgende bevatten:
  • i. gegevens betreffende de uitvinder wanneer de nationale wetgeving van geen der aangewezen Staten vereist dat de naam van de uitvinder wordt verstrekt op het tijdstip van indiening van een nationale aanvrage;
  • ii. een verzoek gericht aan het ontvangende bureau om het voorrangsbewijs gereed te maken en te verzenden aan het Internationale Bureau indien de aanvrage, waarvoor een beroep wordt gedaan op een recht van voorrang, ingediend werd bij het nationale bureau of de intergouvernementele instantie die het ontvangende bureau is,
  • iii. verklaringen zoals voorzien in Regel 4.17,
  • iv. een verklaring zoals voorzien in Regel 4.18,
  • v. een verzoek om herstel van het recht van voorrang,
  • vi. een verklaring zoals voorzien in Regel 4.12 ii.
  • d). Het verzoekschrift dient te zijn ondertekend.

4.2. Het verzoek

Het verzoek dient de volgende strekking te hebben en bij voorkeur in de volgende bewoordingen te zijn gesteld: „Ondergetekende verzoekt dat de onderhavige internationale aanvrage zal worden behandeld overeenkomstig het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien”.

4.3. Titel van de uitvinding

De titel van de uitvinding dient kort (bij voorkeur tussen twee en zeven woorden wanneer zij in het Engels is gesteld of in deze taal is vertaald) en nauwkeurig te zijn.

4.4. Namen en adressen

  • a). De namen van natuurlijke personen dienen te worden aangegeven met de familienaam en de voorna(a)m(en) van de persoon, waarbij de familienaam voorafgaat aan de voorn(a)m(en).
  • b). De namen van rechtspersonen dienen te worden aangegeven met hun volledige officiële benaming.
  • c). Adressen dienen zodanig te worden aangegeven dat zij voldoen aan de gebruikelijke vereisten voor een snelle postbestelling op het aangegeven adres en dienen in elk geval te bestaan uit alle desbetreffende administratieve eenheden tot en met het eventuele huisnummer. Wanneer de nationale wetgeving van de aangewezen Staat de vermelding van het huisnummer niet vereist, heeft het nalaten van de vermelding van een zodanig nummer in die Staat geen rechtsgevolgen. Ten behoeve van een snelle communicatie met de aanvrager, wordt aanbevolen adressen van telexen, telefoon- en faxnummers of overeenkomstige gegevens van andere soortgelijke communicatiemiddelen van de aanvrager of, indien van toepassing, van de gemachtigde of de gemeenschappelijke vertegenwoordiger te vermelden.
  • d). Voor elke aanvrager, uitvinder of gemachtigde kan slechts één adres worden aangegeven maar, indien geen gemachtigde werd aangewezen om de aanvrager of alle aanvragers, wanneer er meer dan één is, te vertegenwoordigen, dan kan de aanvrager of, indien er meer dan één aanvrager is, de gemeenschappelijke vertegenwoordiger naast elk ander adres vermeld in het verzoekschrift nog één adres aangeven waarnaar de kennisgevingen moeten worden gezonden.

4.5. De aanvrager

  • a). Het verzoekschrift bevat:
  • i. de naam
  • ii. het adres en
  • iii. de nationaliteit en de woonplaats van de aanvrager, of indien er meerdere aanvragers zijn, van ieder van hen.
  • b). De nationaliteit van de aanvrager dient te worden aangegeven door de naam van de Staat waarvan hij onderdaan is.
  • c). De woonplaats van de aanvrager dient te worden aangegeven door de naam van de Staat waarvan hij inwoner is.
  • d). Bij verschillende aangewezen Staten mogen in het verzoekschrift verschillende aanvragers zijn vermeld. In dit geval dienen in het verzoekschrift de aanvrager of aanvragers per aangewezen Staat of groep aangewezen Staten te zijn vermeld.
  • e). Wanneer de aanvrager is geregistreerd bij het nationale bureau dat optreedt als ontvangend bureau, kan het verzoekschrift het nummer of de andere aanduiding vermelden waaronder de aanvrager daar is geregistreerd.

4.6. De uitvinder

  • a). Wanneer Regel 4.1 a iv of c i van toepassing is, dient het verzoekschrift de naam en het adres van de uitvinder te vermelden of, indien er meer dan een uitvinder is, van ieder van hen.
  • b). Indien de aanvrager de uitvinder is dient het verzoekschrift in plaats van de vermelding ingevolge paragraaf a) een verklaring hieromtrent te bevatten.
  • c). Het verzoekschrift kan voor verschillende aangewezen Staten verschillende personen als uitvinder vermelden wanneer de vereisten van de nationale wetgevingen van de aangewezen Staten in dit opzicht niet gelijk zijn. In zulk een geval dient het verzoekschrift een afzonderlijke verklaring te bevatten voor elke aangewezen Staat of groep Staten waarin een bepaalde persoon of dezelfde persoon als de uitvinder dient te worden beschouwd of waarin bepaalde personen of dezelfde personen als de uitvinder dienen te worden beschouwd.

4.7. De gemachtigde

  • a. Indien een gemachtigde is benoemd dient het verzoekschrift zulks te vermelden en zijn naam en adres aan te geven.
  • b. Wanneer de gemachtigde is geregistreerd bij het nationale bureau dat optreedt als ontvangend bureau, kan het verzoekschrift het nummer of de andere aanduiding vermelden waaronder de gemachtigde daar is geregistreerd.

4.8. Gemeenschappelijke vertegenwoordiger

Indien een gemeenschappelijke vertegenwoordiger is benoemd dient het verzoekschrift zulks te vermelden.

4.9. Aanwijzing van staten, soorten van bescherming, nationale en regionale octrooien

  • a. De indiening van een verzoekschrift houdt in:
  • i. de aanwijzing van alle Verdragsluitende Staten die op de datum van internationale indiening door het Verdrag worden gebonden;
  • ii. een aanduiding dat de internationale aanvrage, ten aanzien van elke aangewezen Staat waarop artikel 43 of 44 van toepassing is, de verlening van elk soort bescherming betreft die door middel van de aanwijzing van die Staat beschikbaar is;
  • iii. een aanduiding dat de internationale aanvrage, ten aanzien van elke aangewezen Staat waarop artikel 45, eerste lid, van toepassing is, de verlening van een regionaal octrooi betreft en tevens, tenzij artikel 45, tweede lid, van toepassing is, een nationaal octrooi.
  • b. Indien, onverminderd paragraaf a, i, op 5 oktober 2005 de nationale wetgeving van een Verdragsluitende Staat bepaalt dat de indiening van een internationale aanvrage die de aanwijzing van die staat omvat en waarin een beroep op een recht van voorrang wordt gedaan van een eerdere nationale aanvrage met rechtsgevolgen in die staat waardoor de eerdere nationale aanvrage ophoudt rechtsgevolgen te hebben, hetgeen dezelfde gevolgen heeft als intrekking van de eerdere nationale aanvrage, kan elk verzoekschrift waarin een beroep wordt gedaan op de voorrang van een eerder in die staat ingediende nationale aanvrage, een vermelding bevatten dat die staat niet wordt aangewezen, op voorwaarde dat het aangewezen bureau het Internationale Bureau uiterlijk op 5 januari 2006 ervan in kennis stelt dat deze paragraaf van toepassing is op aanwijzingen van die staat en dat de kennisgeving nog steeds van kracht is op de datum van internationale indiening. Het Internationale Bureau publiceert de ontvangen kennisgeving onverwijld in het mededelingenblad.

4.10. Beroep op een recht van voorrang

  • a. In elke verklaring bedoeld in artikel 8, eerste lid, (Beroep op een recht van voorrang) kan een beroep worden gedaan op een recht van voorrang van een of meer eerdere aanvragen ingediend hetzij in, hetzij voor een land dat partij is bij het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom of in of voor elk lid van de Wereldhandelsorganisatie dat geen partij is bij dat verdrag. Een beroep op een recht van voorrang wordt gedaan in het verzoekschrift; het bestaat uit een verklaring met de strekking dat een beroep wordt gedaan op een recht van voorrang van een eerdere aanvrage en bevat:
  • i. de datum waarop de eerdere aanvrage werd ingediend;
  • ii. het nummer waaronder de eerdere aanvrage is ingediend;
  • iv. wanneer de eerdere aanvrage een regionale aanvrage is, de instantie belast met de verlening van regionale octrooien ingevolge het regionale verdrag inzake octrooien dat van toepassing is;
  • v. wanneer de eerdere aanvrage een internationale aanvrage is, het ontvangende bureau waarbij zij is ingediend.
  • b. In aanvulling op de ingevolge paragraaf a onder iv of v vereiste gegevens:
  • ii. wanneer de eerdere aanvrage een regionale aanvrage is en ten minste een van de landen die partij zijn bij het verdrag inzake regionale octrooien noch partij is bij het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom noch Lid is van de Wereldhandelsorganisatie, geeft het beroep op een recht van voorrang ten minste een land aan dat partij is bij dat Verdrag of een Lid van die Organisatie waarvoor die eerdere aanvrage is ingediend.

4.11. Verwijzing naar voortzetting of gedeeltelijke voortzetting, of hoofdaanvrage of verleend hoofdoctrooi

  • a. Indien dient zulks alsmede de desbetreffende hoofdaanvrage, hoofdoctrooi of ander verleend hoofdrecht te zijn vermeld in het verzoekschrift.
  • i. de aanvrager ingevolge Regel 49bis.1 a of b beoogt aan te geven dat hij verlangt dat de internationale aanvrage in elke aangewezen Staat wordt behandeld als een aanvrage om een aanvullingsoctrooi, een aanvullingscertificaat, een aanvulling bij een uitvinderscertificaat of een aanvulling bij een gebruikscertificaat; of
  • ii. de aanvrager ingevolge Regel 49bis.1 d beoogt aan te geven dat hij verlangt dat de internationale aanvrage in elke aangewezen Staat wordt behandeld als een aanvrage om voortzetting of gedeeltelijke voortzetting van een eerdere aanvrage;
  • b. Het opnemen in het verzoekschrift van een vermelding ingevolge paragraaf a laat de werking van Regel 4.9 onverlet.

4.12. In aanmerking nemen van uitkomsten van eerder nieuwheidsonderzoek

Indien de aanvrager wenst dat de Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek bij het verrichten van het internationale nieuwheidsonderzoek de uitkomsten van een eerder internationaal nieuwheidsonderzoek, van een nieuwheidsonderzoek van internationaal type of van een nationaal nieuwheidsonderzoek verricht door dezelfde of een andere Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of door een nationaal bureau („eerder nieuwheidsonderzoek”) in aanmerking neemt:

  • i. dient zulks in het verzoekschrift te worden vermeld, waarbij ook de desbetreffende instantie of het desbetreffende bureau en de aanvrage ter zake waarvan het eerdere nieuwheidsonderzoek werd verricht worden vermeld;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)