Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-08-19
State In force
Source BWB
artikelen 454
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
CI Onderzoek/Biometrie
1 Infectieziekten
- indien R
onbehandeld
2 Endocriene organen
- diabetes mellitus A
3 Psychische aandoeningen
- Psychosyndromen en psychotische A
toestandsbeelden
- claustrofobie A
4 Zenuwstelsel * baseline
- episoden van bewustzijnsverlies, convulsies, neurologische status
gezichtsverlies, verlies motoriek * visus
en/of oriëntatie A
- duizeligheid A
- epilepsie A
5 Tractus circulatorius * ergometrie
- septumdefecten A
- angina pectoris A
- decompensatio A
cordis
- myocard infarct A
- arrythmiën R
- hypertensie R
6 Tractus respiratorius * 1ste keuring : X-thorax
- luchtembolie A * longfunctieonderzoek
- CARA A
7 Tractus digestivus
- hiatus herniae/abdominale hernia R
- acute en/of chronische hepatitis of - A
pancreatitis
- haemorrhoiden R
8 Tractus urogenitalis * urineonderzoek
- aandoeningen met abnormale A
nierfunctie
9 Keel-Neus-Oor * toonaudiogram
- chronische otitis media A
- middenoor plastieken A
- M. Ménière A
- mastoiditis A
- gebitstoestand (losse elementen) R
10 Haematologie * volledig
- thallassaemia major A bloedbeeld incl. Hb,
Ht en leucocyten
* glucose
* sikkelcel
uitsluiten op indicatie
11 Overige aandoeningen
- maligniteit R

CI (contraindicatie): A = absoluut, R = relatief (meestal tot correctie)

Bijlage XVIII. behorend bij artikel 8.10

Intrinsieke kenmerken:

  • rond;
  • zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van 45° ten opzichte van de horizontale lijn. De rode kleur beslaat ten minste 35% van het oppervlak van het bord.

Intrinsieke kenmerken:

  • driehoekig;
  • zwart pictogram op gele achtergrond, zwarte rand. De gele kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Intrinsieke kenmerken:

  • rond;
  • wit pictogram op blauwe achtergrond. De blauwe kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord

Intrinsieke kenmerken:

  • rechthoekig of vierkant;
  • wit pictogram op groene achtergrond. De groene kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Intrinsieke kenmerken:

  • rechthoekig of vierkant;
  • wit pictogram op rode achtergrond. De rode kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Bijlage XIX. behorend bij artikel 8.26

A. Algemene Gebaren A. Algemene Gebaren A. Algemene Gebaren
Betekenis Beschrijving Illustratie
BEGIN Pas op! Begin van commando Beide armen zijn horizontaal gestrekt met de handpalmen naar boven
STOP Onderbreking Einde van de beweging  De rechterhand is opgeheven en de rechterhandpalm naar voren gehouden
EINDE Einde van de werkzaamheden Beide handen zijn ter hoogte van de borst samengevoegd
B. Verticale bewegingen B. Verticale bewegingen B. Verticale bewegingen
--- --- ---
Betekenis Beschrijving Illustratie
HIJSEN Met de opgeheven rechterarm en naar voren gebrachte rechterhandpalm wordt traag een cirkelbeweging gemaakt
VIEREN Met de naar beneden gerichte rechterarm en naar binnen gehouden rechterhandpalm wordt traag een cirkelbeweging gemaakt
VERTICALE AFSTAND De afstand wordt met de handen aangegeven
C. Horizontale bewegingen C. Horizontale bewegingen C. Horizontale bewegingen
--- --- ---
Betekenis Beschrijving Illustratie
VOORUIT Beide armen worden gebogen, palmen worden naar binnen gehouden en met de voorarmen worden trage bewegingen naar het lichaam toe gemaakt
ACHTERUIT Beide armen worden gebogen, beide handpalmen worden naar buiten gehouden, met de voorarmen worden trage beweging van het lichaam af gemaakt
NAAR RECHTS ten opzichte van de signaalgever Met de ongeveer horizontaal gestrekte rechterarm en de naar beneden gehouden rechterhandpalm worden trage, richting aanwijzende bewegingen gemaakt
NAAR LINKS ten opzichte van de signaalgever Met de ongeveer horizontaal gestrekte linkerarm en de naar beneden gehouden linkerhandpalm worden trage richtingaanwijzende bewegingen gemaakt
HORIZONTALE AFSTAND De afstand wordt met de handen aangegeven
D. Gevaar D. Gevaar D. Gevaar
--- --- ---
Betekenis Beschrijving Illustratie
GEVAAR Beide handen opgeheven, handpalmen naar voren
SNELLE BEWEGING De gecodeerde, bevelende gebaren ter aangeving van de beweging worden zeer snel uitgevoerd
TRAGE BEWEGING De gecodeerde, bevelende gebaren ter aangeving van de bewegingen worden zeer langzaam uitgevoerd
Artikel 4.17f. Afgifte certificaat opsporen van ontplofbare oorlogsresten

Een certificaat voor het opsporen van ontplofbare oorlogsresten als bedoeld in artikel 4.10, vijfde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in hoofdstuk 2, 3 en 4 van het Certificatieschema voor het Opsporen van ontplofbare oorlogsresten, dat is vastgesteld door de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen op 15 oktober 2020 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 13 november 2020, (Stcrt. 2020, 58198).

Paragraaf 4.6. Certificatiebepalingen arbeid met asbest

Hoofdstuk 6. Arbeid onder overdruk

Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid

Paragraaf 6.1. Certificatie

Paragraaf 6.1. Certificatie

Hoofdstuk 8. Veiligheids- en Gezondheidssignalering

Hoofdstuk 8a. Overtredingen en maatregelen

13. Geldigheidscondities

Lijst van wettelijke grenswaarden op grond van de artikelen 4.3, eerste lid, en 4.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit

H (Huidopname)

TGG

B. Lijst met wettelijke grenswaarden voor kankerverwekkende en reprotoxische stoffen

A. Lijst wettelijke grenswaarden

Artikel 3:. melding door de Certificerende Instelling aan de Nederlandse Arbeidsinspectie van afwijkingen die leiden tot (een groot risico op) asbestemissie (bijlage A van dit protocol)

Artikel 5:. melding door de Certificerende Instelling aan de Nederlandse Arbeidsinspectie van categorie III en IV afwijkingen (bijlage H van SC 530)

B. Lijst met wettelijke grenswaarden voor kankerverwekkende en reprotoxische stoffen

6.3. Verslag van bevindingen

6.4. Klachten betreffende de certificaathouder

Bijlage A. Afwijkingen genoemd in bijlage H van SC 530 die direct telefonisch aan de Nederlandse Arbeidsinspectie moeten worden gemeld

4.1. Persoonscertificatie bij werken onder overdruk

Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht op certificatie-instellingen belast met: persoonscertificatie op het gebied van Werken onder Overdruk

C. Lijst met wettelijke grenswaarden voor allergenen, vastgesteld volgens de risicobenadering en na haalbaarheidsafweging

3. Werkveldspecifieke kenmerken

Protocol Informatieuitwisseling ASBESTverwijdering Nederlandse Arbeidsinspectie – Certificerende Instellingen

8. Entreecriteria

Artikel 1:. begripsomschrijvingen

Artikel 8:. privacy-aspecten

Artikel 11:. evaluatie

Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht op certificatie-instellingen belast met: persoonscertificatie op het gebied van Werken onder Overdruk

3.3. Risicoanalyse

4.1.1. Wijziging van het certificatieschema

4.1.2. Voldoende personeel

5. Toezicht

2. Definities

3.2. Beschrijving van het schema

3.4. Risicoanalyse en afbreukcriteria

4. Certificatiereglement

4.3. Certificatiebeslissing

4.4. Geldigheidsduur van het certificaat

4.5. Geldigheidscondities

6.1. Medewerking aan toezicht

4.6.2. Klachten over het bedrijf of de persoon

4.6.3. Klachtenregeling

6.3.1. Uitvoeringsplan

4.7. Bezwaarprocedure

4.7. Bezwaarprocedure

4.7.1. Inleiding

4.7.1. Inleiding

4.7.2. Werkwijze

4.7.2. Werkwijze

4.7.3. Procedure

4.7.3. Procedure

4.8. Register voor vakbekwaamheid

4.10. Aanvraag van het certificaat bij herintreding

6.2. Frequentie van het toezicht

6.2. Frequentie van het toezicht

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.3.3. Beoordeling van een praktijkverrichting

6.4. Verslag van bevindingen

6.5. Maatregelen

Bijlage IId. behorend bij Artikel 2.17

6.5.2. Intrekking

6.5.3. Weigering

6.5.3. Weigering

5. Het examenreglement

8. Entreecriteria

9. Eindtermen

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

10.1. Toetstermen

4.6.3. Klachtenregeling

11.2. Beoordelingsmethode

11.3. Cesuur van de beoordeling

12. Certificaat

13. Geldigheidscondities

13. Geldigheidscondities

2. Definities

4. Certificatiereglement

4.6.3. Klachtenregeling

Klachten over het bedrijf of de persoon

4.7. Bezwaarprocedure

4.7.2. Werkwijze

4.7.3. Procedure

4.9. Norminterpretatie

4.10. Aanvraag van het certificaat bij herintreding

5. Examenreglement

5. Examenreglement

5.4.1. Beslotenheid

1. Algemene informatie

6.2. Frequentie van het toezicht

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.4. Verslag van bevindingen

6.3.2. Inzage in het duikploegleiderlogboek

6.4. Verslag van bevindingen

6.4. Verslag van bevindingen

6.4. Verslag van bevindingen

6.5. Maatregelen

6.6. Melding aan de Nederlandse Arbeidsinspectie

6.5.3. Weigering

8. Entreecriteria

6.6. Melding aan de Nederlandse Arbeidsinspectie

8. Entreecriteria

9. Eindtermen

9.1. Algemeen

9.2. Duikploegleider

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

10.1. Toetstermen

10.2.1. Algemene eisen ten aanzien van het duikploegleiderlogboek

10.2.1. Algemene eisen ten aanzien van het duikploegleiderlogboek

11.1. Toetstermen voor hercertificatie

11. Hercertificatie

11.1. Toetstermen voor hercertificatie

11.3. Uitslagregel van de beoordeling

12. Certificaat

Hoofdstuk 2. Eisen

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikarbeid (WSCS-WOD-D)

Bijlage III. behorend bij artikel 3.1

Vervallen

Bijlage IV. behorend bij artikel 3.9, onderdeel b

De informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel b, betreft voor zover van toepassing:

  • a. een locatiekaart waarop de inter- en intrafieldpijpleidingen alsmede de onder water afgewerkte boorgaten zijn aangeduid;
  • c. voor- en zijaanzichten van het mijnbouwwerk;
  • d. een stroomdiagram dat het gehele behandelingsproces van delfstoffen omvat met een massabalans;
  • e. tekeningen van pijpen, instrumentatie voor de processystemen en de ondersteunende systemen (deze tekeningen worden alleen op verzoek van een toezichthouder opgestuurd);
  • f. tekeningen van gevarenzones;
  • g. oorzaak- en gevolgtekeningen die behoren bij de alarm- en insluitsystemen;
  • h. tekeningen van de aanleg en situering van brand- en gasdetectiesystemen;
  • i. tekeningen van brandbeschermende voorzieningen;
  • j. tekeningen van reddingsmiddelen en ontsnappingsroutes;
  • k. Heating Ventilation Air Conditioning (HVAC)-tekeningen;
  • l. een diagram van alle oproep-, alarmerings- en communicatiesystemen;
  • m. tekeningen van de indeling van het oproep- en alarmsysteem;
  • n. een beschrijving van het elektrisch systeem aan de hand van een één-lijndiagram waarop de noodsystemen zijn aangegeven;
  • p. de locatie en capaciteit van opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen;
  • q. de locatie van opslagplaatsen voor chemische stoffen, en
  • r. de locatie van opslagplaatsen voor ontplofbare stoffen.

Bijlage V. behorend bij artikel 3.9, onderdeel c

De informatie met betrekking tot het brandbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, betreft:

    1. een plattegrond van het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, en, voor zover nodig, een situatieschets van elk van de op het mijnbouwwerk aanwezige installaties, verblijven of overige lokalen, waarop zijn aangegeven:
  • a. de plaatsen en ruimten waar stoffen, voor welke verhoogd brandgevaar bestaat, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen zomede de plaatsen en ruimten, waar stoffen, die direct of indirect gevaar voor ontploffing kunnen veroorzaken, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, met de naaste omgeving daarvan;
  • b. de plaatsen, waar gas of vloeistof, eventueel ter verbranding, wordt afgevoerd;
  • c. de plaatsen waar handbediende en automatische brandmeldinstallaties met bijbehorende alarmsignalen zijn geïnstalleerd; de soort signalering dient te worden vermeld;
  • d. de plaatsen, waar brandblusinstallaties of grote blusmiddelen zijn opgesteld, met vermelding van type, soort (handbediend of automatisch) en capaciteit van elk der installaties en middelen;
  • e. het globale aantal en de soort handbrandblusapparaten per ruimte; de plaatsen, waar pompen voor de bluswatervoorziening zijn opgesteld, de capaciteit van deze pompen, de plaatsen waar hydranten en brandslangen aanwezig zijn en brandslangen aan de bluswaterleiding kunnen worden aangesloten;
  • f. indien het brandbestrijdingsplan betrekking heeft op een mijnbouwwerk op het land als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a: de aanwezigheid van vijvers en sloten, indien bluswater zonodig aan het oppervlaktewater zal worden onttrokken;
    1. de organisatie van de brandbestrijdingsdienst;
    1. de wijze van brandmelding en van alarmering;
    1. de regeling van de hulpverlening bij brand of ontploffing;
    1. gegevens betreffende ademhalingsbeschermingsmiddelen voor de met het bestrijden van brand belaste personen.
    1. Indien het brandbestrijdingsplan betrekking heeft op een mijnbouwwerk op het land als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a moet op de plattegrond, bedoeld in het eerste lid, onder a, bovendien zijn aangegeven de plaats, waar zich een brandweerkazerne bevindt, en moet het plan gegevens bevatten betreffende het aantal en soort van de grote mobiele brandbluseenheden in die kazerne.

Bijlage VII. behorend bij artikel 3.9, onderdelen f en i

Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot iedere als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c en iedere andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d betreft ten aanzien van:

  • A. het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik:
  • het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
  • het aantonen dat de opgeslagen hoeveelheid koolwaterstoffen geminimaliseerd is;
  • het aantonen van de doeltreffendheid van de geïnstalleerde systemen;
  • het aantonen dat het risico van brand, hittestraling, ontploffing en het vrijkomen van giftige gassen of dampen geminimaliseerd is;
  • het evalueren van definitieve berekeningen van overdruk ten gevolge van explosies;
  • het aantonen dat de veiligheidssystemen doeltreffend beschermd zijn;
  • het aantonen dat de algemene preventie principes in het ontwerp zijn meegenomen;
  • het aantonen dat de kans op binnentreden van rook of gas in de accommodatieruimten geminimaliseerd is;
  • het aantonen dat de kwaliteit van de in te ademen lucht in de accommodatieruimten is gewaarborgd;
  • het aantonen dat de evacuatie-, ontsnappings-, en reddingssystemen doeltreffend zijn;
  • het evalueren van de bestaande systemen van toezicht ten aanzien van de werkzaamheden;
  • het evalueren van de procedures voor het in gebruik nemen en het verwijderen van de als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c of andere verplaatsbare mijnbouwinstallatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d;
  • B. het addendum gebruik:
  • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik;
  • het nagaan of alle aanbevelingen uit doorlichtingen, inspecties of het onderzoek naar voorvallen, ongevallen en klachten zijn uitgevoerd; en
  • het nagaan of alle veranderingen, bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de verschillende doorlichtingen en inspecties op schrift zijn vastgelegd.
  • C. het addendum grote wijzigingen:
  • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het addendum gebruik;
  • het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
  • het uitvoeren van een risico-analyse van de voorgestelde grote wijzigingen;
  • het evalueren van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van de procedure en de beheersmaatregelen gedurende de constructieactiviteiten; en
  • het aantonen van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van alle beheerssystemen.

Bijlage VIII. behorend bij artikel 3.14

De informatie met betrekking tot het noodplan, bedoeld in artikel 3.14, betreft:

  • a. een beschrijving van de organisatiestructuur van de werkgever en de en verantwoordelijke personen in geval van nood alsmede een overzicht van hun taken en bevoegdheden;
  • b. een beschrijving van de organisatie van de personen belast met het gebruik van en het geoefend zijn in het gebruik van evacuatie-, ontsnappings- en reddingsmiddelen alsmede de personen belast met speciale taken bij het evacueren en redden van personen op een mijnbouwinstallatie;
  • c. de wijze van alarmering;
  • d. de regeling van de hulpverlening;
  • e. het aantal, soort en type evacuatie-, ontsnappings-, en reddingsmiddelen, alsmede de persoonlijke reddingsmiddelen die op de mijnbouwinstallatie in gebruik zijn;
  • f. de criteria voor de capaciteit van bijstandschepen en helikopters, inclusief de reactietijd daarvan;
  • g. het aantal personen, dat ervaren is in het gebruik van het materieel, bedoeld in onderdeel e en f van deze bijlage;
  • h. een schematische overzichtstekening waarop de evacuatie-, ontsnappings- en reddingsmiddelen op de mijnbouwinstallatie zijn aangegeven;
  • i. het soort en de frequentie van de te houden oefeningen;
  • j. de te nemen maatregelen ter verzekering van de veiligheid en gezondheid van met reddingswerk belaste personen, met name met het oog op de aan het verrichten van reddingswerk in een atmosfeer, waarin verstikkende of giftige gassen aanwezig zijn, of in een met radioactieve stoffen besmette atmosfeer verbonden gevaren.

Bijlage XI. behorend bij Artikel 4.17e

Bijlage XI. behorend bij Artikel 4.17e

Bijlage XI. behorend bij Artikel 4.17e

Paragraaf 4.3. Certificatiebeslissing

Paragraaf 5.1. Algemeen

Paragraaf 5.4. Eisen inzake het examen

Hoofdstuk 6. Toezicht

Paragraaf 6.1. Medewerking aan toezicht

Paragraaf 7.1. Dieper duiken dan aangegeven in de categorie van het certificaat (geldt alleen voor de categorieën A3, B3, B4)

Paragraaf 8.2. B. SSE

Paragraaf 8.4. Eisen aan het opleidingscurriculum

Paragraaf 8.4.2. Opleidingscurriculum A2 SCUBA (tot en met een diepte van 15 meter)

Paragraaf 8.4.2. Opleidingscurriculum A2 SCUBA (tot en met een diepte van 15 meter)

Paragraaf 8.4.3. Opleidingscurriculum A3 SCUBA (tot en met 30 meter)

Paragraaf 8.4.3. Opleidingscurriculum A3 SCUBA (tot en met 30 meter)

Bijlage XII. behorend bij Artikel 4.17f

Paragraaf 8.4.6. Opleidingscurriculum B2 SSE (tot en met 30 meter)

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikmedisch Begeleider

Paragraaf 8.4.7. Opleidingscurriculum B3 SSE (tot 50 meter)

Paragraaf 8.5. Algemene eisen duiklogboek

Paragraaf 8.4.9. Opleidingscurriculum C Gesloten duikklok (met ademgas)

Paragraaf 11.4. Beoordeling bij hercertificatie

Paragraaf 8.6. Beoordeling van de entreecriteria

Hoofdstuk 9. Eindtermen

Hoofdstuk 9. Eindtermen

Paragraaf 9.2. B. SSE

Paragraaf 10.1.2. B. SSE

Paragraaf 10.2.5. Uitvoering van het theorie-examen

Paragraaf 10.2.6. Praktijkexamen

4.4. Geldigheidsduur van het certificaat

Paragraaf 11.2.1. Eindtermen doorlopende beroepservaring

Paragraaf 11.1. Toetscriteria voor hercertificatie

Paragraaf 11.1. Toetscriteria voor hercertificatie

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikmedisch Begeleider

1. Inleiding

3.1. Algemeen

3. Werkveldspecifieke kenmerken

3.3. Actieve partijen

3.4. Risicoanalyse en afbreukcriteria

4. Certificatiereglement

4. Certificatiereglement

4.5. Geldigheidscondities

4.6.1. Klachten over de CKI

4.6.3. Klachtenregeling

4.7. Bezwaarprocedure

4.7.3. Procedure

5.4. Eisen te stellen aan het examen

6.1. Medewerking aan toezicht

6.3.2. Beoordeling van een praktijkverrichting

6.5.1. Schorsing

6.5. Maatregelen

6.5.2. Intrekking

8. Entreecriteria

6.6. Melding aan de Nederlandse Arbeidsinspectie

8. Entreecriteria

10.2. Beoordelingsmethode

11.3. Cesuur van de beoordeling

11.3. Cesuur van de beoordeling

2. Definities

4. Certificatiereglement

3.4. Risicoanalyse en afbreukcriteria

4.2. Certificatieprocedure

4.3. Certificatiebeslissing

4.5. Geldigheidscondities

4.6.1. Klachten over de CKI

4.6.2. Klachten over het bedrijf of de persoon

6.3.1. Uitvoeringsplan

4.7. Bezwaarprocedure

4.7.2. Werkwijze

6.3.4. Beoordeling naar aanleiding van klachten

4.7.4. Beslissing op het bezwaarschrift

4.8. Register voor vakbekwaamheid

6. Toezicht

6.2. Frequentie van het toezicht

6.3.4. Beoordeling naar aanleiding van klachten

6.4. Verslag van bevindingen

Bijlage XIIa. behorend bij artikel 4.18

De grenswaarde voor een gevaarlijke stof geldt in beginsel alleen voor blootstelling aan de stof in zuivere vorm en is niet zonder meer van toepassing indien de stof een bestanddeel is van een mengsel van stoffen, waaraan blootstelling plaatsvindt of kan plaatsvinden.

Het is mogelijk dat het gezondheidkundige gevolg van een dergelijk mengsel de som is van de afzonderlijke stoffen. Hiervan is sprake bij een mengsel van verschillende organische oplosmiddelen. Het is ook mogelijk dat bij een gecombineerde blootstelling het gezondheidkundige gevolg van de afzonderlijke stoffen aanzienlijk worden versterkt of verminderd.

Indien de verschillende stoffen in een mengsel afzonderlijk hetzelfde gezondheidkundige gevolg hebben op hetzelfde orgaansysteem, wordt de beoordeling van het risico van blootstelling aan de voor elk van die stoffen vastgestelde grenswaarde als volgt uitgevoerd:

De som van alle afzonderlijke blootstellingconcentraties als fractie van de afzonderlijke grenswaarden, is kleiner dan één. Of te wel:

Bijlage XIII. behorend bij artikel 4.19, eerste lid

6.5. Maatregelen

6.5.3. Weigering

6.6. Melding aan de Nederlandse Arbeidsinspectie

6.5.2. Intrekking

6.5.3. Weigering

9. Eindtermen

Bijlage XIIIa. behorend bij Artikel 4.27

10.1.1. Duikploegleider

10.3.1. Praktijkexamen

10.3.1. Praktijkexamen

12. Certificaat

13. Geldigheidscondities

4.9. Personeelsdossiers

8. Entreecriteria

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige

10.2. Uitslagregel van het examen

11.2. Beoordelingsmethode

11.2.2. Hercertificatie met aantekening

11.3. Cesuur van de beoordeling

11.3. Cesuur van de beoordeling

13. Geldigheidscondities

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikploegleider

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave

2. Definities

3.1. Algemeen

3.1. Algemeen

3.3. Actieve partijen

4.7. Bezwaarprocedure

4.1. Doelstelling

4. Certificatiereglement

4.1. Doelstelling

4.2. Certificatieprocedure

4.6.. Klachtenregeling

4.6.1. Klachten over de CKI

4.6.3. Klachtenregeling

4.6.2. Klachten over het bedrijf of de persoon

4.6.3. Klachtenregeling

5.5. Beheer itembank

6. Toezicht

6.1. Medewerking aan toezicht

6.2. Frequentie van het toezicht

4.7.1. Inleiding

4.7.1. Inleiding

4.7. Bezwaarprocedure

4.7.4. Beslissing op het bezwaarschrift

4.7.2. Werkwijze

4.7.3. Procedure

4.7.4. Beslissing op het bezwaarschrift

4.7.3. Procedure

4.7.4. Beslissing op het bezwaarschrift

4.8. Register voor vakbekwaamheid

4.9. Norminterpretatie

5. Examenreglement

5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel

5.4.2. Algemene regels

6. Toezicht

6.1. Medewerking aan toezicht

6.1. Medewerking aan toezicht

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.2. Frequentie van het toezicht

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.3.2. Inzage in het duikploegleiderlogboek

6.4. Verslag van bevindingen

6.5. Maatregelen

6.5. Maatregelen

6.5.2. Intrekking

6.6. Melding aan de Inspectie SZW

7. Onderwerp van de certificatie

9.1. Algemeen

10.1.1. Duikploegleider

10.2.1. Algemene eisen ten aanzien van het duikploegleiderlogboek

10.2.2. Entreecriteria

10.2.3. Algemeen

10.2.6. Praktijkexamen

10.2.6. Praktijkexamen

11.1. Toetstermen voor hercertificatie

11. Hercertificatie

11.1. Toetstermen voor hercertificatie

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikarbeid (WSCS-WOD-D)

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikarbeid (WSCS-WOD-D)

(Hoofdstuk 3. vervallen)

Hoofdstuk 2. Eisen

(Hoofdstuk 3. vervallen)

Paragraaf 4.5. Norminterpretatie

Paragraaf 5.1. Algemeen

Paragraaf 6.3.1. Uitvoeringsplan

Paragraaf 6.4. Verslag van bevindingen

Paragraaf 6.5.2. Intrekking

Hoofdstuk 8. Entreecriteria

Paragraaf 8.4. Eisen aan het opleidingscurriculum

4.1.4. Aan derden uitbestede werkzaamheden

4.1.4. Aan derden uitbestede werkzaamheden

Paragraaf 8.4.5. Opleidingscurriculum B1 SSE (tot en met 15 meter)

Paragraaf 8.4.5. Opleidingscurriculum B1 SSE (tot en met 15 meter)

Paragraaf 8.4.5. Opleidingscurriculum B1 SSE (tot en met 15 meter)

4.1.9. Gebruik van het beeldmerk

Paragraaf 8.4.7. Opleidingscurriculum B3 SSE (tot 50 meter)

Paragraaf 8.4.7. Opleidingscurriculum B3 SSE (tot 50 meter)

Paragraaf 8.4.8. Opleidingscurriculum B4 SSE (met open duikklok)

Paragraaf 8.6. Beoordeling van de entreecriteria

Paragraaf 8.6. Beoordeling van de entreecriteria

Hoofdstuk 9. Eindtermen

Hoofdstuk 10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

Paragraaf 10.1.2. B. SSE

Paragraaf 10.1.2. B. SSE

Paragraaf 10.2. Beoordeling eindtermen

4.6.3. Klachtenregeling

Artikel 7. Administratie in Nederlandse taal

Hoofdstuk 11. Hercertificatie

Paragraaf 11.1. Toetscriteria voor hercertificatie

Hoofdstuk 11. Hercertificatie

Paragraaf 11.2.1. Eindtermen doorlopende beroepservaring

Hoofdstuk 13. Geldigheidscondities

3. Werkveldspecifieke kenmerken

3.1. Algemeen

3.2. Beschrijving van het schema

4. Certificatiereglement

4. Certificatiereglement

4.1. Doelstelling

4.4. Geldigheidsduur van het certificaat

4.5. Geldigheidscondities

4.6.1. Klachten over de CKI

6.5.2. Intrekking

4.7. Bezwaarprocedure

4.7.1. Inleiding

4.7.4. Beslissing op het bezwaarschrift

5.4.1. Beslotenheid

5.4. Eisen te stellen aan het examen

10.2. Uitslagregel van het examen

6.1. Medewerking aan toezicht

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.3.2. Beoordeling van een praktijkverrichting

6.4. Verslag van bevindingen

6.5. Maatregelen

6.6. Melding aan de Inspectie SZW

7. Onderwerp van de certificatie

8. Entreecriteria

8. Entreecriteria

8. Entreecriteria

3.3. Actieve partijen

9. Eindtermen

9. Eindtermen

10.3. Uitslagregel van het examen

10.3. Uitslagregel van het examen

11.2. Beoordelingsmethode

11.3. Cesuur van de beoordeling

Op het certificaat wordt de tekst opgenomen dat de certificerende instelling verklaart dat de betreffende persoon voldoet aan eisen van het normdocument WSCS-WOD-B Persoonscertificaat duikmedisch begeleider en dientengevolge als vakbekwaam als duikmedisch begeleider in de categorie die wordt vermeld op certificaat.

3. Werkveldspecifieke kenmerken

3.1. Algemeen

3. Werkveldspecifieke kenmerken

3.2. Beschrijving van het schema

Dit werkveldspecifieke certificatieschema wordt voluit aangehaald als persoonscertificaat duikploegleider bij de brandweer. De verkorte aanduiding is WSCS-WOD-F.

3.4. Risicoanalyse en afbreukcriteria

Binnen het kader van dit certificatieschema zijn actief:

3.4. Risicoanalyse en afbreukcriteria

4.1. Doelstelling

De afzonderlijke risicofactoren treden vaak in onderlinge combinatie en per definitie in combinatie met de onderdompeling in een vloeistof op. De gevolgen van een incident kunnen daarom zeer ernstig zijn. In de praktijk blijken de naleving van voorschriften en het gebruik van deugdelijk duik- en caissonmaterieel de belangrijkste factoren ter voorkoming van incidenten te zijn.

4.1. Doelstelling

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor de juiste toepassing van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer de procedures van de aanvraag, toelating, examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, afgifte van certificaten, procedures bij het uitvoeren van beoordelingen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoeken om herziening.

4.2. Certificatieprocedure

De geldigheidsduur van het certificaat is vier jaar. De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in het leidinggeven, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. Gedurende de periode van vier jaar is het voor de certificaathouder noodzakelijk om de doorlopende beroepservaring te onderhouden.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden nadere condities gesteld. Als niet aan de condities wordt voldaan, dan heeft dat consequenties voor het certificaat. De condities en de wijze van toezicht daarop door de CKI worden beschreven in deel II van het certificatieschema.

De geldigheidsduur van het certificaat is vier jaar. De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in het leidinggeven, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. Gedurende de periode van vier jaar is het voor de certificaathouder noodzakelijk om de doorlopende beroepservaring te onderhouden.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht.

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

4.7. Bezwaarprocedure

4.7.4. Beslissing op het bezwaarschrift

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

4.7.3. Procedure

4.7.3. Procedure

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de CKI zal voorschrijven in welk digitaal format de toelevering van gegevens moet plaats vinden, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt. SWOD is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

4.7.5. Bestuursrechter

De kandidaat die beschikt over een certificaat waarvan de geldigheidsduur is verlopen en/of niet voldoet aan de eisen gesteld aan de procedure tot hercertificatie, moet een initiële certificatie aanvragen. De CKI gaat dan over tot het vaststellen van het theorie-examen en praktijkexamen waarmee de huidige vakbekwaamheid van de kandidaat kan worden getoetst. De kandidaat dient te voldoen aan de gestelde entree-eisen.

5.1. Algemeen

De CKI houdt hierbij rekening met:

5. Examenreglement

De CKI houdt hierbij rekening met:

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het persoonscertificaat duikploegleider bij de brandweer. Het examenreglement is onderdeel van het certificatieschema duikploegleider bij de brandweer (WSCS-WOD-F).

5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel

Voor de toepassing van dit certificatieschema is als examenreglement het document ‘Proeve van vakbekwaamheid voor duikploegleider’ zoals vastgesteld door het bestuur van het Nederlands bureau brandweerexamens (Nbbe) van toepassing.

De CKI stelt haar werkwijze rond de examens nader vast in een uitvoeringsbesluit ten aanzien van het examenreglement. Het uitvoeringsbesluit bevat ten minste de volgende bepalingen:

Medewerkers van de certificatie-/exameninstelling dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven, voor zover deze opgaven geen onderdeel uitmaken van een publieke norm. Verificatie en implementatie hiervan dient te geschieden door de certificatie-instelling. Medewerkers van de exameninstelling moeten een verklaring van geheimhouding hebben ondertekend.

Medewerkers van de certificatie-/exameninstelling dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven, voor zover deze opgaven geen onderdeel uitmaken van een publieke norm. Verificatie en implementatie hiervan dient te geschieden door de certificatie-instelling. Medewerkers van de exameninstelling moeten een verklaring van geheimhouding hebben ondertekend.

Het document ‘Proeve van vakbekwaamheid voor duikploegleider’ zoals vastgesteld door het bestuur van het Nederlands bureau brandweerexamens (Nbbe) is van toepassing.

Medewerkers van de certificatie-/exameninstelling dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven, voor zover deze opgaven geen onderdeel uitmaken van een publieke norm. Verificatie en implementatie hiervan dient te geschieden door de certificatie-instelling. Medewerkers van de exameninstelling moeten een verklaring van geheimhouding hebben ondertekend.

Het toezicht heeft tot doel om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te borgen. De CKI moet beoordelen of de certificaathouder blijft voldoen aan de gestelde eisen. De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de CKI, de nationale accreditatie-instantie en de Inspectie SZW.

Het toezicht heeft tot doel om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te borgen. De CKI moet beoordelen of de certificaathouder blijft voldoen aan de gestelde eisen. De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de CKI, de nationale accreditatie-instantie en de Nederlandse Arbeidsinspectie.

6.3.1. Uitvoeringsplan

De CKI voert indien nodig tussentijdse controles uit. De CKI moet een certificaathouder in elk geval tussentijds controleren in de volgende situaties:

De beoordeling van de relevante beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de CKI ten minste tweejaarlijks inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven dan wel zodra aan deze eis van doorlopende beroepservaring is voldaan.

De CKI maakt een plan voor de uitvoering van een controle, wanneer zich een situatie voordoet, waarin zij op grond van paragraaf 6.2 moet controleren.

De CKI maakt een plan voor de uitvoering van een controle, wanneer zich een situatie voordoet, waarin zij op grond van paragraaf 6.2 moet controleren.

6.3.2. Inzage in het duikploegleiderlogboek

Indien de CKI de beoordeling van een praktijkverrichting noodzakelijk acht, dan moet de keuze van de vereiste verrichting beargumenteerd in verhouding staan tot de aanleiding voor de controle en de eindtermen en toetstermen van het certificatieschema.

6.3.4. Beoordeling naar aanleiding van klachten

De CKI maakt een verslag van de bevindingen naar aanleiding van de controles in het kader van het tussentijds toezicht. In het verslag wordt ingegaan op:

De CKI maakt een verslag van de bevindingen naar aanleiding van de controles in het kader van het tussentijds toezicht. In het verslag wordt ingegaan op:

6.5.1. Schorsing

Indien blijkt dat de certificaathouder een tijdelijke tekortkoming, bedoeld onder de punten 3 en 4, heeft, dan wordt hij binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld om de tekortkoming te corrigeren door een nadere opleiding of praktijkervaring en een daarop volgende examinering. De schorsing wordt opgeheven, indien de certificaathouder de tekortkoming heeft gecorrigeerd.

6.5.2. Intrekking

De certificerende instelling besluit tot weigering van een certificaat, indien de certificaathouder:

8. Entreecriteria

De kandidaat wordt toegelaten tot het certificatieproces ter verkrijging van het wettelijk vereiste persoonscertificaat duikploegleider, indien hij voldoet aan de volgende entreecriteria:

9.1. Algemeen

De vakbekwaamheidseisen zijn weergegeven als eindtermen en worden in het volgende hoofdstuk uitgewerkt in toetstermen. In de omschrijving van de eind- en toetstermen wordt gesproken over elementaire kennis en uitgebreide kennis. Deze indicaties van het kennisniveau worden in dit certificatieschema als volgt geïnterpreteerd:

De kandidaat is vakbekwaam als duikploegleider, indien hij voldoet aan de volgende eindtermen:

De CKI hanteert een standaardmethodiek om te beoordelen of de kandidaat voldoet aan de eindtermen. De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt voor de verkrijging van het persoonscertificaat duikploegleider getoetst aan de volgende toetscriteria:

De leidinggevende ervaring van de kandidaat wordt beoordeeld aan de hand van gegevens uit het duikploegleiderlogboek, waarin ten minste melding wordt gemaakt van:

Voor de wijze van beoordelen van de toetstermen is het document ‘Proeve van vakbekwaamheid duikploegleider’ zoals vastgesteld door het bestuur van het Nederlands bureau brandweerexamens (Nbbe) van toepassing.

Voor de wijze van beoordelen van de toetstermen is het document ‘Proeve van vakbekwaamheid duikploegleider’ zoals vastgesteld door het bestuur van het Nederlands bureau brandweerexamens (Nbbe) van toepassing.

Voor de vervolgafgifte van het wettelijk verplichte persoonscertificaat duikploegleider bij de brandweer gelden de volgende toetstermen:

Voor de vervolgafgifte van het wettelijk verplichte persoonscertificaat duikploegleider bij de brandweer gelden de volgende toetstermen:

Voor de vervolgafgifte van het wettelijk verplichte persoonscertificaat duikploegleider bij de brandweer gelden de volgende toetstermen:

De hercertificatie na iedere periode van vier jaar wordt beoordeeld door middel van:

De hercertificatie wordt na een periode van vier jaar verleend, indien aan de hercertificatie-eis na een wordt voldaan en tevens de toetskaart met voldoende resultaat is beoordeeld.

Op het certificaat moeten minimaal de volgende gegevens vermeld zijn:

13. Geldigheidscondities

Op het certificaat wordt de tekst opgenomen dat de CKI verklaart dat de betreffende persoon voldoet aan eisen van het normdocument WSCS-WOD-F, persoonscertificaat duikploegleider bij de brandweer en dientengevolge als duikploegleider vakbekwaam is om leiding te geven aan duikwerkzaamheden in de categorie die wordt vermeld op certificaat.

Op het certificaat wordt de tekst opgenomen dat de CKI verklaart dat de betreffende persoon voldoet aan eisen van het normdocument WSCS-WOD-F, persoonscertificaat duikploegleider bij de brandweer en dientengevolge als duikploegleider vakbekwaam is om leiding te geven aan duikwerkzaamheden in de categorie die wordt vermeld op certificaat.

Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan het certificaat worden geschorst of ingetrokken.

Paragraaf 8.4. Eisen aan het opleidingscurriculum

Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan het certificaat worden geschorst of ingetrokken.

Paragraaf 8.2. B. SSE

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur van het type SCUBA bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat minimaal 600 duikminuten worden gemaakt tot een maximale duikdiepte van 9 meter, waarvan;

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A2 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie A1 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

4.6.3. Klachtenregeling

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur van het type SCUBA bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 300 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende specificaties:

Paragraaf 8.4.3. Opleidingscurriculum A3 SCUBA (tot en met 30 meter)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A3 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie A1 en A2 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B0 worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur met ademluchtvoorziening van de oppervlakte (SSE) bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 100 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende specificaties:

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B1 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor B0 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

4.6.2. Klachten over het bedrijf of de persoon

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat voor de in deze subcategorie aanvullende theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

4.8. Register voor vakbekwaamheid

Paragraaf 8.4.8. Opleidingscurriculum B4 SSE (met open duikklok)

Paragraaf 8.4.8. Opleidingscurriculum B4 SSE (met open duikklok)

4.7.3. Procedure

Paragraaf 8.5. Algemene eisen duiklogboek

Paragraaf 8.6. Beoordeling van de entreecriteria

4.7.4. Beslissing op het bezwaarschrift

Paragraaf 9.1. A. SCUBA

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie C, indien de kandidaat in aanvulling op de eindtermen van categorie A3 en B4 voldoet aan de volgende eindtermen:

Paragraaf 9.3. C. Gesloten duikklok

Hoofdstuk 9. Eindtermen

Paragraaf 9.1. A. SCUBA

T15C. de kandidaat is in staat de procedures voor het in- en uitsluizen (lock-out) en het vervoer onder druk uit te voeren.

Hoofdstuk 10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Paragraaf 10.1.1. A. SCUBA

Paragraaf 10.1.2. B. SSE

De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt voor de beoordeling ter verkrijging van het persoonscertificaat duikarbeid:

Paragraaf 10.1.3. C. Gesloten duikklok

die elk worden aangevuld met de volgende relevante toetscriteria:

De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt ter verkrijging van het persoonscertificaat duikarbeid in categorie C getoetst aan de volgende aanvullende toetscriteria:

Paragraaf 10.2. Beoordeling eindtermen

De CKI maakt een verslag van de bevindingen naar aanleiding van de controles in het kader van het tussentijds toezicht. In het verslag wordt ingegaan op:

De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt voor de beoordeling ter verkrijging van het persoonscertificaat duikarbeid:

die elk worden aangevuld met de volgende relevante toetscriteria:

In de overeenkomst tussen de certificerende instelling en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waartoe ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder behoren:

Paragraaf 10.2.4. Theorie-examen C. Gesloten duikklok (met ademgas)

Het theorie-examen wordt uitgevoerd conform het examenreglement.

Paragraaf 10.2.6. Praktijkexamen

Praktijkexamen A1

Praktijkexamen A1

Paragraaf 10.2.4. Theorie-examen C. Gesloten duikklok (met ademgas)

Praktijkexamen A3

6.3.1. Uitvoeringsplan

Praktijkexamen B1

Praktijkexamens B2 en B3

6.3.1. Uitvoeringsplan

Een portfoliocontrole op categorie B3 en in aanvulling hierop ten minste een van de hieronder genoemde onderdelen A of B:

Hoofdstuk 11. Hercertificatie

Voor categorie C voert de certificerende instelling een portfoliobeoordeling uit. Indien hieruit blijkt dat de kandidaat tijdens zijn opleiding getoetst is, is geen aanvullend praktijkexamen nodig.

Voor de vervolgafgifte van het persoonscertificaat duikarbeid gelden de volgende toetscriteria:

Paragraaf 11.1. Toetscriteria voor hercertificatie

Voor de vervolgafgifte van het persoonscertificaat duikarbeid gelden de volgende toetscriteria:

Portfoliobeoordeling C

Voor categorie C voert de certificerende instelling een portfoliobeoordeling uit. Indien hieruit blijkt dat de kandidaat tijdens zijn opleiding getoetst is, is geen aanvullend praktijkexamen nodig.

De hercertificatie wordt verleend, indien op basis van de met het duiklogboek aangetoonde praktijkervaring en de door de certificerende instelling beoordeelde proeve van bekwaamheid wordt aangetoond dat aan de toetscriteria H1 en H2 wordt voldaan.

Paragraaf 11.4. Beoordeling bij hercertificatie

De hercertificatie wordt verleend, indien op basis van de met het duiklogboek aangetoonde praktijkervaring en de door de certificerende instelling beoordeelde proeve van bekwaamheid wordt aangetoond dat aan de toetscriteria H1 en H2 wordt voldaan.

Paragraaf 11.5. Ingangsdatum van hercertificatie

De schorsing wordt verder opgeheven, indien de certificaathouder heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd onder de punten 1, 2 en 5, of het misbruik van het beeldmerk heeft gestaakt en de eventuele schade heeft hersteld.

Hoofdstuk 13. Geldigheidscondities

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, wordt dezelfde procedure doorlopen als bij initiële certificatie. Bij het opleggen van een sanctie geeft de certificerende instelling aan en registreert hij dat na een periode van één jaar certificatie weer is toegestaan. Een verzoek tot hercertificatie kan worden ingediend vanaf één jaar na intrekking van het certificaat. De certificerende instelling verifieert voorafgaand aan de verstrekking van een certificaat in het centraal register of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikmedisch Begeleider

Document: WSCS-WOD-B

Document: WSCS-WOD-B

Inhoudsopgave

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ opgesteld. Het betreft certificatie op het gebied van duikmedische begeleiding in een duikploeg. Dit schema is goedgekeurd door de Stichting werken onder overdruk en is vastgesteld door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit schema vervangt eerdere versies.

10.2.1. Algemene eisen ten aanzien van het duikploegleiderlogboek

De te certificeren vakbekwaamheid betreft het optreden als duikmedisch begeleider. Het persoonscertificaat duikmedisch begeleider is wettelijk vereist op grond van artikel 6.16 lid 7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De duikmedisch begeleider maakt deel uit van de duikploeg en ondersteunt de persoon die duikarbeid verricht. Onder duikarbeid wordt in overeenstemming met artikel 6.13 lid 1 onder letter a van het Arbeidsomstandighedenbesluit verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

2. Definities

Het is mogelijk dat enkele gedefinieerde begrippen of afkortingen niet letterlijk in de tekst van het certificatieschema voorkomen, maar deze begrippen of afkortingen zijn toch in de definitielijst opgenomen in verband met het feit dat de beheerstichting en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze begrippen of afkortingen in direct verband tot dit certificatieschema kunnen hanteren.

Het is mogelijk dat enkele gedefinieerde begrippen of afkortingen niet letterlijk in de tekst van het certificatieschema voorkomen, maar deze begrippen of afkortingen zijn toch in de definitielijst opgenomen in verband met het feit dat de beheerstichting en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze begrippen of afkortingen in direct verband tot dit certificatieschema kunnen hanteren.

3. Werkveldspecifieke kenmerken

Duikarbeid is een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van personen die duikmedische begeleiding verlenen.

3.1. Algemeen

3.2. Beschrijving van het schema

Dit werkveldspecifieke certificatieschema wordt aangeduid als WSCS-WOD-B. Het certificatieschema is door de Stichting werken onder overdruk (SWOD), als beheerstichting goedgekeurd en aangeboden aan het Ministerie van Sociale Zaken. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt het schema vast. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit schema vervangt eerdere versies. Op- en aanmerkingen over het certificatieschema kunnen worden ingediend bij het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’.

3.3. Actieve partijen

Binnen het kader van dit certificatieschema zijn actief:

Binnen het kader van dit certificatieschema zijn actief:

3.4. Risicoanalyse en afbreukcriteria

3.2. Beschrijving van het schema

De afzonderlijke risicofactoren treden vaak in onderlinge combinatie en per definitie in combinatie met de onderdompeling in water op. De gevolgen van een incident kunnen daarom zeer ernstig zijn. In de praktijk blijken de naleving van voorschriften in wet- en regelgeving en het gebruik van deugdelijk duik- en caissonmaterieel de belangrijkste factoren ter voorkoming van incidenten te zijn.

3.3. Actieve partijen

De persoon die duikarbeid verricht, is afhankelijk van materieel en van de andere leden van de duikploeg. De duiklocatie is vaak ver verwijderd van medische assistentie en in relatie tot duiken kunnen specifieke complicaties optreden. De duikmedisch begeleider in de duikploeg is in staat om in het geval van calamiteiten onmiddellijk assistentie te verlenen.

4. Certificatiereglement

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor de juiste toepassing van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer de procedures van de aanvraag, examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, afgifte van certificaten, procedures bij het uitvoeren van beoordelingen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoeken om herziening.

4.1. Doelstelling

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor de juiste toepassing van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer de procedures van de aanvraag, examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, afgifte van certificaten, procedures bij het uitvoeren van beoordelingen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoeken om herziening.

De aanvrager dient in overeenstemming met dit certificatiereglement een aanvraag in voor het Persoonscertificaat Duikmedisch Begeleider bij een certificerende instelling (CKI). Vervolgens verstrekt de certificerende instelling alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces.

De aanvrager dient in overeenstemming met dit certificatiereglement een aanvraag in voor het Persoonscertificaat Duikmedisch Begeleider bij een certificerende instelling (CKI). Vervolgens verstrekt de certificerende instelling alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces.

4.3. Certificatiebeslissing

4.4. Geldigheidsduur van het certificaat

De geldigheidsduur van het certificaat beperkt duikmedische begeleider (EHBO duikarbeid), duikmedisch begeleider (mad A) en uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) is op grond van de risicoanalyse twee kalenderjaren. De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. Na vier jaar volgt de certificaathouder een herhalingsopleiding en moet opnieuw een theorie- en praktijkexamen afleggen. De herhalingsopleiding en examinering is noodzakelijk, omdat de vakbekwaamheid verrichtingen betreft die slechts in noodsituaties worden toegepast en waarin de certificaathouder normaliter geen praktijkervaring opdoet. Voor de uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) is de geldigheid op basis van andere wet en regelgeving beperkt tot 1 jaar vanwege de voorbehouden medische handelingen.

4.5. Geldigheidscondities

4.5. Geldigheidscondities

4.6. Klachtenregeling

4.6. Klachtenregeling

4.6.1. Klachten over de CKI

4.6.2. Klachten over het bedrijf of de persoon

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

4.6.2. Klachten over het bedrijf of de persoon

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

4.6.3. Klachtenregeling

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

4.6.2. Klachten over het bedrijf of de persoon

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

13. Geldigheidscondities

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

4.6.3. Klachtenregeling

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikarbeid (WSCS-WOD-D)

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

4.7. Bezwaarprocedure

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

4.7. Bezwaarprocedure

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

4.7.2. Werkwijze

Algemeen:

4.7.3. Procedure

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

4.7.3. Procedure

4.7.4. Beslissing op het bezwaarschrift

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)