Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft)

Type AMvB
Publication 2026-05-29
Laatst bijgewerkt 2026-06-02
State In force
Source BWB
artikelen 558
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 juni 2006, nr. FM 2006-01567 M;

Gelet op de artikelen 3:9, derde lid, 3:10, tweede en derde lid, 3:17, tweede lid, 3:18, tweede en derde lid, 3:29, derde lid, 3:36, vierde lid, 3:40, 3:41, 3:42, 3:43, tweede lid, 3:47, zesde lid, 3:48, 3:52, 3:53, derde lid, 3:54, derde lid, 3:55, tweede lid, 3:57, tweede en zevende lid, 3:59, tweede lid, 3:62, tweede lid, 3:63, tweede lid, 3:67, vierde lid, 3:71, tweede lid, 3:72, vijfde en zevende lid, 3:73, 3:74, tweede lid, 3:78, tweede lid, 3:81, tweede lid, 3:83, tweede lid, 3:87, tweede lid, 3:88, vierde lid, 3:89, eerste lid, 3:96, derde en vierde lid, 3:99, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht en de richtlijnen nr. 73/239/EEG, 85/611/EEG, 88/357/EEG, 91/674/EEG, 92/49/EEG, 93/6/EEG, 93/22/EEG, 2000/12/EG, 2000/46/EG en 2002/83/EG;

De Raad van State gehoord, advies van 27 juli 2006, nr. W06.06.0265/IV;

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006, nr. FM 2006-2352 M;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

authenticatie: een procedure waarmee een betaaldienstverlener de identiteit van een betaaldienstgebruiker dan wel de validiteit van het gebruik van een specifiek betaalinstrument kan verifiëren, met inbegrip van het gebruik van persoonlijke beveiligingsgegevens van de betaaldienstgebruiker;

back-to-back lening: kredietinstrument waarbij de kredietnemer geld of financiële instrumenten ter beschikking krijgt, waartegenover de kredietverstrekker een zekerheid ontvangt, direct of indirect, uit eigen liquide middelen van de kredietnemer;

betaalgegevens: gegevens die samenhangen met het houden van een betaalrekening en met het uitvoeren van een betalingstransactie vanaf deze rekening;

betalingstransactie op afstand: betalingstransactie die via het internet of met een voor communicatie op afstand bruikbaar apparaat wordt geïnitieerd;

daggeld: kortlopende vorderingen die dagelijks opvraagbaar zijn en die uiterlijk twee werkdagen na opvraging dan wel opzegging moeten worden terugbetaald;

gemiddeld uitstaand elektronisch geld: het gemiddelde totale bedrag gedurende de zes voorafgaande kalendermaanden van de met elektronisch geld verband houdende financiële verplichtingen dat op het eind van elke kalenderdag in omloop is, berekend op de eerste kalenderdag van elke kalendermaand en toegepast voor die kalendermaand.

gevoelige betaalgegevens: betaalgegevens, waaronder persoonlijke beveiligingsgegevens, met behulp waarvan fraude kan worden gepleegd, met uitzondering van de naam van de rekeninghouder en het rekeningnummer voor zover betaalinitiatie- en rekeninginformatiedienstverleners deze gegevens gebruiken ten behoeve van hun bedrijfsuitoefening;

groepsbestuurder: ieder die binnen een groep het beleid bepaalt;

incident: gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van de desbetreffende financiële onderneming;

integriteitgevoelige functie:

  • a. leidinggevende functie direct onder die van de personen die het beleid van een financiële onderneming bepalen of mede bepalen; of
  • b. functie waaraan een bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico inhoudt voor de integere uitoefening van het bedrijf van een financiële onderneming;

integriteitsrisico: gevaar voor aantasting van de reputatie of bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen of resultaat van een financiële onderneming als gevolg van een ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is voorgeschreven;

internationale jaarrekeningstandaarden: internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard overeenkomstig artikel 3 van verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG L 243);

kalenderpost: actiefpost of passiefpost waarvan de kasinstromen respectievelijk kasuitstromen als gevolg van aflossing of rentebetalingen in de vervalkalender worden opgenomen;

kasstromen van het kernbedrijf: kasstromen van leningen die met een vaste termijn zijn verstrekt aan tegenpartijen, die geen kantoren en bancaire deelnemingen zijn die niet in de rapportage worden betrokken, die geen banken en geen professionele geldmarktpartijen zijn, en van deze tegenpartijen met een vaste termijn opgenomen gelden, met inbegrip van te ontvangen onderscheidenlijk te betalen rente;

maandperiode: eerste kalendermaand volgend op de verslagdatum;

niet-volgestorte kredietprotectie: kredietrisicovermindering waarbij het kredietrisico met betrekking tot een vordering van een financiële onderneming wordt beperkt door de garantie van een derde partij om een bepaald bedrag uit te keren bij wanbetaling van de wederpartij of bij andere in de overeenkomst tot kredietprotectie vermelde gebeurtenissen die betaling onder de overeenkomst of afwikkeling van de overeenkomst tot gevolg hebben;

officiële stand-by faciliteiten: liquiditeitsgarantie die, onder door de Nederlandsche Bank te stellen voorwaarden, is ontvangen van onderscheidenlijk afgegeven door een binnenlandse of buitenlandse bank;

operationeel risico: risico van verliezen als gevolg van tekortschietende of falende interne procedures en systemen of als gevolg van externe gebeurtenissen, met inbegrip van juridische risico’s;

persoonlijke beveiligingsgegevens: gepersonaliseerde kenmerken die door de betaaldienstverlener aan een betaaldienstgebruiker worden verstrekt ten behoeve van authenticatie;

professionele geldmarktpartij: persoon die geen bank is en die in het kader van zijn middelenbeheer transacties verricht op de geldmarkt met bij de geldmarkt passende volumes en op die markt met enige regelmaat opereert op een manier die vergelijkbaar is met die van een bank;

rekeninghoudende betaaldienstverlener: een betaaldienstverlener die ten behoeve van een betaler een betaalrekening aanbiedt en beheert;

securitisatie: transactie of regeling waarbij:

  • a. het kredietrisico van een vordering of verzameling van vorderingen wordt onderverdeeld in ten minste twee tranches;
  • b. de in het kader van de transactie of regeling verrichte betalingen afhangen van de prestatie van de vordering of de verzameling van vorderingen; en
  • c. de rangorde van de tranches bepalend is voor de verdeling van de verliezen tijdens de looptijd van de transactie of regeling;

securitisatiepositie: vordering in het kader van een securitisatie;

stresstest: onderzoek naar de risico’s die ontstaan als zich veranderingen in de marktsituatie voordoen of zouden voordoen die een ongunstige invloed uitoefenen op de toereikendheid van het toetsingsvermogen van een financiële onderneming, en naar de risico’s die ontstaan als zekerheidsrechten worden uitgeoefend in crisissituaties;

tegenpartijkredietrisico: risico dat de wederpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de definitieve afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft plaatsgevonden;

toetsingsvermogen: het eigen vermogen, bedoeld in artikel 72 van de verordening kapitaalvereisten of, in het geval van beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, artikel 9 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen;

tranche: contractueel vastgesteld segment van het kredietrisico van een gesecuritiseerde vordering of verzameling van vorderingen, waarbij een securitisatiepositie in dit segment een groter of kleiner risico op verlies meebrengt dan een securitisatiepositie van dezelfde omvang in elk ander segment, indien geen rekening wordt gehouden met de volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie die door derden rechtstreeks aan de houders van de securitisatieposities in dit segment of in andere segmenten wordt geboden;

verordening digitale operationele weerbaarheid: Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011 (PbEU 2022, L 333);

verordening solvabiliteit II: gedelegeerde verordening (EU) nr. 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU L12);

verslagdatum: datum van de dag direct voorafgaande aan de periode waarover wordt gerapporteerd;

vervalkalender: overzicht van contractuele looptijden van overeenkomsten gesloten door een financiële onderneming;

volgestorte kredietprotectie: kredietrisicovermindering waarbij het kredietrisico met betrekking tot een vordering van een financiële onderneming wordt beperkt door het recht van die financiële onderneming om bij wanbetaling van de wederpartij of bij andere specifieke gebeurtenissen in verband met de wederpartij die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het kredietrisico met betrekking tot de vordering:

  • a. bepaalde activa of posten buiten de balanstelling te gelde te maken;
  • b. bepaalde activa of posten buiten de balanstelling over te nemen;
  • c. de eigendom van bepaalde activa of posten buiten de balanstelling te verwerven of te behouden;
  • d. de waarde van bepaalde activa of posten buiten de balanstelling te verlagen; of
  • e. de waarde van bepaalde activa of posten buiten de balanstelling te vervangen door het verschil tussen deze waarde en de waarde van een vordering op de financiële onderneming;

voorraadposten: liquide activa die niet in de vervalkalender worden opgenomen;

waarde van de gekwalificeerde deelneming: koopprijs van een aandeel, op het moment van de verwerving of vergroting van de gekwalificeerde deelneming, vermenigvuldigd met het aantal verworven aandelen;

weekperiode: eerste zeven kalenderdagen volgend op de verslagdatum;

de wet: de Wet op het financieel toezicht.

Artikel 2

De artikelen 1, 4, 5 tot en met 25, 27 tot en met 31, 35, 48, 50, 59, 138, 139, en 145 zijn, voor zover zij betrekking hebben op banken, van overeenkomstige toepassing op financiële instellingen die beschikken over een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 van de wet.

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4
1.

Berekeningen met betrekking tot het minimumbedrag aan eigen vermogen, de solvabiliteit, de kapitaalbuffer, de hefboomratiobuffer onderscheidenlijk de liquiditeit van financiële ondernemingen, niet zijnde verzekeraars, op grond van de hoofdstukken 9, 10, 10A onderscheidenlijk 11 worden, voor zover niet anders is bepaald, gedaan op basis van de enkelvoudige jaarrekening zoals opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.

2.

Berekeningen met betrekking tot de solvabiliteit van banken op grond van hoofdstuk 10, de kapitaalbuffer en de hefboomratiobuffer van banken op grond van hoofdstuk 10A en de liquiditeit van banken op grond van hoofdstuk 11 worden, voor zover niet anders is bepaald, gedaan op basis van de geconsolideerde jaarrekening indien deze wordt opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.

3.

Onverminderd artikel 3:69a van de wet waardeert een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voor zover in dit besluit niet anders wordt bepaald, zijn activa en passiva op basis van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4.

Een verzekeraar met beperkte risico-omvang houdt zich aan door de Nederlandsche Bank te stellen nadere regels met betrekking tot de waardering van deelnemingen.

Hoofdstuk 2. Betrouwbaarheid

Artikel 5
1.

De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, 3:11, 3:13, 3:37, derde lid en vierde lid, 3:47, eerste en vijfde lid, of 3:99, eerste lid, van de wet en van een persoon als bedoeld in artikel 17aa, vierde lid, buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van de betrouwbaarheid van een persoon door de Nederlandsche Bank op grond van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de wet.

Artikel 6

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 5, in ieder geval in aanmerking:

Artikel 7
1.

De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 5 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

  • a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
  • b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;
  • d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;
  • e. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;
  • f. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
  • g. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;
  • h. gegevens uit openbare bronnen;
  • i. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 5 bedoelde persoon betrokken is geweest;
  • j. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of
  • k. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen.
2.

Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:

  • a. de reden van het nadere onderzoek;
  • b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
  • c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
Artikel 8
1.

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 5 staat niet buiten twijfel indien:

  • a. deze onherroepelijk veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage A,waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak minder dan acht jaren zijn verstreken;
  • b. deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage A, waarbij de uitspraak nog niet onherroepelijk is of waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht of meer jaren zijn verstreken;
  • d. deze een vergrijpboete van meer dan € 62.500 opgelegd heeft gekregen terzake van een feit, genoemd in onderdeel 5 van bijlage A, en het besluit waarbij de vergrijpboete is opgelegd onherroepelijk is geworden of waarbij ten minste de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
2.

De Nederlandsche Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 9, afwijken van het eerste lid, ten aanzien van de onderdelen b, c en d.

Artikel 9

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 5, in aanmerking:

  • a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;
  • b. de belangen die de wet beoogt te beschermen; en
  • c. de overige belangen van de onderneming en de betrokkene.

Hoofdstuk 3. Integere uitoefening van het bedrijf

Artikel 10
1.

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, 3:11, 3:12, 3:12a, 3:13 of 3:14 van de wet draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitsrisico´s.

2.

De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt er zorg voor dat het beleid, bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, van de wet zijn neerslag vindt in procedures en maatregelen.

3.

De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, stelt alle relevante bedrijfsonderdelen in kennis van het beleid en de procedures en maatregelen.

4.

De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de uitvoering en de systematische toetsing van het beleid en de procedures en maatregelen.

5.

De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en de procedures en maatregelen met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf en beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de personen belast met de taak, bedoeld in artikel 21.

6.

De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf onder toezicht van de personen belast met de taak, bedoeld in artikel 21, tot een gepaste bijstelling leiden.

Artikel 11
1.

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, 3:23, 3:24a, 3:24b, 3:26 of 3:27 van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen van:

  • a. personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen;
  • b. groepsbestuurders;
  • c. leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming; en
  • d. andere werknemers of andere personen die in haar opdracht op structurele basis werkzaamheden voor haar verrichten, met haar belangen of die van haar cliënten.
2.

De entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen en groepsbestuurders.

3.

Financiële dienstverlening door de entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen of groepsbestuurders vindt uitsluitend plaats in de normale uitoefening van het bedrijf en vindt telkens slechts plaats na instemming door het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming dan wel namens een daartoe aangewezen orgaan.

4.

Financiële dienstverlening door de entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen of groepsbestuurders vindt, indien de dienst buiten de grenzen van het bij de financiële onderneming bestaande systeem van personeelscondities wordt verleend, uitsluitend plaats in de normale uitoefening van het bedrijf en tegen de gebruikelijke commerciële voorwaarden en zekerheden.

5.

Financiële dienstverlening door de entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, aan leden van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, alsmede aan familieleden, niet zijnde personeelsleden, van personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen, van groepsbestuurders en van leden van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, geschiedt uitsluitend in de normale uitoefening van het bedrijf en tegen de gebruikelijke commerciële voorwaarden en zekerheden.

Artikel 12
1.

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten.

2.

De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.

3.

De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, informeert de Nederlandsche Bank onverwijld omtrent incidenten.

Artikel 13
1.

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, maakt een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die zij wil benoemen in een integriteitsgevoelige functie.

2.

De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degenen die, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie verrichten.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voor zover het een integriteitgevoelige functie betreft die is aan te merken als een sleutelfunctie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.

Artikel 14
1.

Een bank, levensverzekeraar, premiepensioeninstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf over procedures en maatregelen met betrekking tot de acceptatie van cliënten.

2.

Onverminderd het bepaalde ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme beschikt een bank, levensverzekeraar, premiepensioeninstelling of bijkantoor als bedoeld in het eerste lid, over procedures en maatregelen met betrekking tot het vaststellen van de identiteit van cliënten en van de verificatie daarvan. De bank, levensverzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, accepteert een cliënt niet indien de identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig het daarvoor opgestelde beleid.

3.

De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt met het oog op een integere uitoefeningvan het bedrijf over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen die betrekking hebben op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.

4.

De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door de cliënt afgenomen producten of diensten, en terzake van de detectie van afwijkende transactiepatronen. Aan de hand van voornoemde procedures en maatregelen bepaalt de financiële onderneming tevens de risico’s van bepaalde cliënten, producten of diensten voor de integere uitoefening van haar bedrijf.

5.

De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling naar risico van cliënten, de identificatie en verificatie van de gegevens van cliënten en de bewaking van het handelen van cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar na de dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.

6.

De Nederlandsche Bank kan met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf regels stellen met betrekking tot het door banken en bijkantoren van banken als bedoeld in het eerste lid te voeren beleid met betrekking tot afgeschermde rekeningen.

Artikel 15
1.

Een bank of bijkantoor van een bank als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt over procedures met betrekking tot de verstrekking van back-to-back leningen.

2.

Indien de bank of het bijkantoor voornemens is een back-to-back lening te verstrekken, onderzoekt zij of het krediet voor legitieme doeleinden gebruikt zal worden.

3.

Indien er een back-to-back lening wordt verstrekt, legt de bank of het bijkantoor de overeenkomst met vermelding van de gestelde essentiële zekerheden, deugdelijk vast.

Artikel 16
1.

Een financiële onderneming of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderzoekt, op verzoek van de Nederlandsche Bank, of in haar administratie bepaalde personen of instellingen voorkomen die naar het oordeel van Onze Minister, in verband met vermoede terroristische activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten, de integriteit van de financiële sector kunnen schaden.

2.

De financiële onderneming verstrekt de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, binnen een door de Nederlandsche Bank te stellen termijn, aan de Nederlandsche Bank.

Hoofdstuk 4. Beheerste uitoefening van het bedrijf

§ 4.1. Algemene aspecten van de bedrijfsvoering

Artikel 17
1.

De bedrijfsvoering van een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, 3:23, 3:24a, 3:24b, 3:26 of 3:27 van de wet omvat:

  • a. een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur;
  • b. een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
  • c. een adequate vastlegging van rechten en verplichtingen;
  • d. eenduidige rapportagelijnen; en
  • e. een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie.
2.

De bedrijfsvoering is afgestemd op de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de werkzaamheden van de financiële onderneming of bijkantoor.

3.

De bedrijfsvoering wordt op een inzichtelijke wijze vastgelegd.

4.

De effectiviteit van de organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen wordt ten minste jaarlijks op onafhankelijke wijze getoetst. Daartoe beschikt de financiële onderneming of het bijkantoor over een organisatieonderdeel dat deze interne controlefunctie uitoefent. De financiële onderneming of bijkantoor voorziet erin dat gesignaleerde tekortkomingen worden opgeheven.

5.

De toepassing van het vierde lid op betaalinstellingen, elektronischgeldinstellingen of hun bijkantoren ziet tevens op het gebruik van hun betaaldienstagenten.

Artikel 18

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een adequate functiescheiding met het oog op een beheerste bedrijfsvoering.

Artikel 19
1.

De bedrijfsvoering van een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 voorziet in een juiste, tijdige en volledige vastlegging van alle rechten en verplichtingen van de financiële onderneming of bijkantoor in een daartoe bestemde administratie.

2.

De administratie, bedoeld in het eerste lid, van een premiepensioeninstelling is zodanig dat deze geen belemmering vormt of kan vormen voor de toepassing van het in artikel 4:71a van de wet bepaalde.

3.

Een verzekeraar met beperkte risico-omvang beschikt over een organisatie-onderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een actuariële functie uitoefent. Het organisatie-onderdeel heeft als taak de berekening van de technische voorzieningen te coördineren en te controleren en de personen die het dagelijks beleid van de verzekeraar bepalen te informeren over de adequaatheid en betrouwbaarheid van die berekening.

4.

Het derde lid is op schadeverzekeraars alleen van toepassing voor zover deze verzekeringsovereenkomsten sluiten met een contractduur van meer dan vier jaar.

Artikel 20
1.

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een informatiesysteem dat een effectieve beheersing van de bedrijfsprocessen en de risico’s mogelijk maakt en dat voorziet in interne en externe informatiebehoeften.

2.

De financiële onderneming of bijkantoor beschikt over procedures en maatregelen om de integriteit, voortdurende beschikbaarheid en beveiliging van geautomatiseerde gegevensverwerking te waarborgen.

3.

De functiescheidingen binnen de geautomatiseerde gegevensverwerking sluiten aan bij de organisatiestructuur.

4.

Onverminderd het eerste lid beschikt een bank over een netwerk- en informatiesysteem dat wordt opgericht en beheerd overeenkomstig de verordening digitale operationele weerbaarheid.

Artikel 21
1.

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent. Het organisatieonderdeel heeft als taak het controleren van de naleving van wettelijke regels en van interne regels die de financiële onderneming of bijkantoor zelf heeft opgesteld.

2.

Het organisatieonderdeel, bedoeld in het eerste lid, van een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, of 3:23, tweede lid, van de wet die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, heeft voorts als taak:

  • a. het adviseren van de personen die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten bij de naleving van wettelijke regels en interne regels;
  • b. het toezien op de deugdelijkheid en effectiviteit van de interne regels en procedures;
  • c. het beoordelen van de effectiviteit van de procedures die zijn opgesteld en maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde onvolkomenheden bij de naleving van wettelijke regels en interne regels op te heffen; en
  • d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de bank bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank inzake aangelegenheden met betrekking tot de naleving van wettelijke regels en interne regels. In de jaarlijkse rapportage wordt met name vermeld of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde tekortkomingen.
3.

Het organisatieonderdeel van een bank als bedoeld in het tweede lid beschikt over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.

Artikel 22

De opdracht tot onderzoek van de jaarrekening van een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 aan de externe accountant voorziet in een toetsing en beoordeling op hoofdlijnen met betrekking tot de toereikendheid van de organisatie-inrichting en risicobeheersing.

§ 4.2. Risicomanagement

Artikel 23
1.

Een bank, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in de artikelen 3:17, eerste en derde lid,3:22, 3:23, 3:24a, 3:24b, 3:24c, 3:26 of 3:27 van de wet voert beleid gericht op het beheersen van relevante risico’s.

2.

Onder relevante risico’s, bedoeld in het eerste lid, worden in het bijzonder verstaan het concentratierisico, krediet- en tegenpartijrisico, liquiditeitsrisico, marktrisico, operationeel risico, renterisico voortvloeiend uit niet-handelsactiviteiten, restrisico, risico van buitensporige hefboomwerking, securitisatierisico, verzekeringsrisico en afkooprisico.

3.

Het beleid wordt vastgelegd in procedures en maatregelen ter beheersing van relevante risico’s en geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. De procedures en maatregelen die zijn gericht op de beheersing van het liquiditeitsrisico hebben betrekking op het beheer van de actuele en toekomstige netto financiële positie en behoeften.

4.

De procedures en maatregelen, bedoeld in het derde lid, bestaan onder meer uit autorisatieprocedures, limietstellingen, limietbewaking en procedures en maatregelen voor noodsituaties en zijn afgestemd op de aard, de omvang, het risicoprofiel en de complexiteit van de werkzaamheden van de financiële onderneming of bijkantoor.

5.

De procedures en maatregelen, bedoeld in het derde lid, worden vastgelegd en ter kennis gebracht van alle relevante bedrijfsonderdelen van de financiële onderneming of het bijkantoor.

6.

De financiële onderneming, niet zijnde een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, heeft een onafhankelijke risicobeheerfunctie die op systematische wijze een onafhankelijk risicobeheer uitvoert dat gericht is op het identificeren, meten en evalueren van de risico’s waaraan de financiële onderneming of het bijkantoor is of kan worden blootgesteld. Het risicobeheer wordt zowel uitgevoerd ten aanzien van de financiële onderneming of het bijkantoor als geheel als ten aanzien van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.

7.

De risicobeheerfunctie beschikt over de nodige autoriteit en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken te kunnen uitoefenen.

8.

Een bank, beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:17, eerste of derde lid, 3:23 of 3:27 van de wet houdt in aanvulling op het tweede lid rekening met de risico’s die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin de onderneming actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.

9.

Een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:17, derde lid, van de wet, niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, houdt in aanvulling op het tweede lid tevens rekening met de risico’s die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin zij actief is en die verband houden met haar bedrijfscyclus en de risico’s die zij voor anderen inhoudt of kan inhouden.

10.

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:22 van de wet waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat:

  • a. de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn, voldoet aan de op een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten van toepassing zijnde verplichting bedoeld in het achtste lid; of
  • b. de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen van toepassing zou zijn, voldoet aan de op een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen van toepassing zijnde verplichting bedoeld in het negende lid.
Artikel 23a

Het beleid en de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, eerste en derde tot en met vijfde lid:

  • a. van een bank, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tiende lid, aanhef en onderdeel a, of een clearinginstelling voldoen aan de op de betrokken onderneming van toepassing zijnde technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico’s in de artikelen 79 tot en met 87 van de richtlijn kapitaalvereisten;
  • b. van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tiende lid, aanhef en onderdeel b, voldoen aan de technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico’s, bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderdelen b en c, derde lid, en 29, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en indien de beleggingsonderneming kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen aan die bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdelen a, c, en d, van die richtlijn.
Artikel 23b
1.

Het bestuur van een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, en, indien aanwezig, het orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming:

  • a. zijn betrokken bij het beleid gericht op het beheersen van relevante risico’s overeenkomstig artikel 76, eerste en tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, dan wel, in het geval van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, overeenkomstig artikel 28, eerste en tweede lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen;
  • b. worden daarbij bijgestaan en geadviseerd door een risicocommissie overeenkomstig artikel 76, derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, dan wel, in het geval van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, overeenkomstig artikel 28, vierde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen; en
  • c. hebben voldoende toegang tot informatie betreffende de risicosituatie van de financiële onderneming, de risicobeheerfunctie en de adviezen van externe deskundigen overeenkomstig artikel 76, vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, dan wel, in het geval van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, overeenkomstig artikel 28, derde en vijfde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.
2.

De risicobeheerfunctie van een bank, beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten of clearinginstelling als bedoeld in het eerste lid is ingericht overeenkomstig artikel 76, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

3.

Het eerste lid, onderdeel b, vindt slechts toepassing, indien de bank of beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten significant is ingevolge artikel 17d, respectievelijk artikel 31f van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft dan wel indien de beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

4.

Artikel 23, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.

Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.

Artikel 23c
1.

Een clearinginstelling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, beschikt over een plan dat voorziet in een duurzaam herstel van de financiële positie van de onderneming na een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie.

2.

Het plan, bedoeld in het eerste lid, wordt afgestemd op de aard, de omvang, het risicoprofiel en de complexiteit van de werkzaamheden van de clearinginstelling.

3.

De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 23d
1.

Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet die geen deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet, beschikt over een herstelplan dat door de Nederlandsche Bank is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen die de onderneming in staat stellen haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen. Een herstelplan wordt ter goedkeuring voorgelegd na vaststelling door het bestuur van de onderneming.

2.

Het herstelplan voldoet aan de eisen ingevolge de artikelen 5, derde tot en met zesde en tiende lid, en 9, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

3.

Het herstelplan wordt ten minste eenmaal per jaar herzien en voorts wanneer zich een wezenlijke verandering in de organisatie of bedrijfsvoering van de onderneming voordoet die noodzaakt tot aanpassing van het plan.

4.

De Nederlandsche Bank kan toestaan dat het bepaalde in het tweede of derde lid op vereenvoudigde wijze wordt toegepast.

5.

De Nederlandsche Bank kan, indien zij de consoliderende toezichthouder is, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten, besluiten dat een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet, beschikt over een eigen herstelplan overeenkomstig het eerste en tweede lid.

6.

De Nederlandse Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede tot en met vierde lid.

Artikel 23e
1.

Een EU-moederonderneming met zetel in Nederland van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet beschikt over een herstelplan dat door de consoliderende toezichthouder, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten, is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen met betrekking tot de EU-moederonderneming of haar dochterondernemingen, die de groep in staat stellen haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen. Een herstelplan wordt ter goedkeuring voorgelegd na vaststelling door het bestuur van de onderneming.

2.

Het groepsherstelplan voldoet aan de eisen ingevolge de artikelen 5, derde tot en met zesde en tiende lid, 7, vierde tot en met zesde lid, en 9, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

3.

Artikel 23d, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Een groepsherstelplan dat is goedgekeurd door de consoliderende toezichthouder in een andere lidstaat, is op entiteiten van een groep met zetel in Nederland van toepassing, tenzij de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 8, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluit dat deze entiteiten moeten beschikken over een eigen herstelplan, waarop artikel 23d van overeenkomstige toepassing is.

5.

De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede en derde lid.

Artikel 24
1.

Een bank, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 23, eerste lid, ziet er op systematische wijze op toe dat de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, worden nageleefd en zorgt ervoor dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden opgeheven.

2.

Een betaaldienstverlener die betaaldiensten verleent als bedoeld onder 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten, beschikt over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering, of over een andere vergelijkbare waarborg, tegen aansprakelijkheid ingevolge de artikelen 528, 545a of 547 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

3.

Een betaaldienstverlener die betaaldiensten verleent als bedoeld onder 8 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten, beschikt over een verzekering, of over een andere vergelijkbare waarborg, tegen aansprakelijkheid jegens de rekeninghoudende betaaldienstverlener of de betaaldienstgebruiker als gevolg van niet-toegestane of frauduleuze toegang tot of niet-toegestaan of frauduleus gebruik van betaalrekeninginformatie.

Artikel 24a
1.

Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, achtste lid en tiende lid, aanhef en onderdeel a, beschikt over solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat of en ervoor zorgt dat de hoogte, samenstelling en verdeling van haar toetsingsvermogen aansluiten op de omvang en de aard van haar de korte- en langetermijnrisico’s waaraan zij blootstaat of zou kunnen blootstaan.

2.

Een verzekeraar met beperkte risico-omvang gaat regelmatig na hoe zijn solvabiliteit zich verhoudt tot de korte- en langetermijnrisico’s waaraan hij blootstaat of zou kunnen blootstaan.

Artikel 25

Indien een beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank of bijkantoor als bedoeld in artikel 23, eerste lid, gebruik maakt van intern ontwikkelde modellen, beoordeelt deze die modellen en de gehanteerde veronderstellingen en variabelen op systematische wijze op validiteit, onder meer door voorspellingen van het model te vergelijken met de werkelijke uitkomsten.

Artikel 25a

De Nederlandsche Bank kan een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet verplichten gedetailleerde gegevens bij te houden over financiële contracten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 100, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen waarbij zij partij is, indien dit nodig is met het oog op:

  • a. het opstellen of het uitvoeren van een herstelplan als bedoeld in de artikelen 23d of 23e; of
Artikel 25b

Een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die een activiteit verricht of een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet, voldoet aan het bepaalde in de artikelen 23, eerste tot en met vijfde lid en negende lid, 23a, aanhef en onderdeel b, 23b, eerste, derde en vierde lid, en 24a1 voor een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen of voor een beleggingsonderneming die kwalificeert als klein en niet-verweven als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen indien wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in dat artikel. Artikel 24a2, voor zover het de toepassing van de artikelen 23, 23a en 23b betreft, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 26
1.

Een beheerder van een icbe, een bewaarder, pensioenbewaarder of premiepensioeninstelling beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de omvang en samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld.

2.

Met het oog op de bewaking en beheersing van solvabiliteitsrisico’s voorziet de bedrijfsvoering van een beheerder van een icbe of een premiepensioeninstelling in ieder geval in de bewaking en beheersing van de:

  • a. aard en omvang van de activa en passiva;
  • b. niet uit de balans blijkende verplichtingen; en
  • c. resultaatontwikkeling, uitgesplitst naar de onderscheiden bedrijfsactiviteiten en bedrijfsonderdelen.
3.

Met het oog op de bewaking en beheersing van liquiditeitsrisico’s voorziet de bedrijfsvoering van een beheerder van een icbe voor elke icbe die hij beheert onder meer in autorisatieprocedures, limietstellingen, limietbewaking en procedures en maatregelen voor noodsituaties met betrekking tot de liquiditeitspositie van de icbe.

4.

In voorkomend geval voert een beheerder van een icbe stresstests uit die een beoordeling van het liquiditeitsrisico van de instelling voor collectieve belegging in effecten in uitzonderlijke omstandigheden mogelijk maken.

5.

De beheerder van een icbe draagt er zorg voor dat voor elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten het liquiditeitsprofiel past bij het terugbetalingsbeleid dat in het fondsreglement, in de statuten of in het prospectus is vastgelegd.

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Artikel 27
1.

Een financiële onderneming of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, 3:22, 3:23, 3:24b, 3:26 of 3:27, van de wet gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien die uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.

2.

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, 3:23, 3:26 of 3:27 van de wet besteedt de taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van het beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid, niet uit.

Artikel 28

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat afbreuk doet aan de kwaliteit van haar onafhankelijke interne toetsing als bedoeld in artikel 17, vierde lid.

Artikel 29
1.

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het op structurele basis uitbesteden van werkzaamheden.

2.

De premiepensioeninstelling legt het beleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk vast en evalueert het beleid ten minste eenmaal per drie jaar en past dit zo spoedig mogelijk aan in geval van een belangrijke wijziging met betrekking tot de uitbesteding of de overige onderdelen van de bedrijfsvoering.

Artikel 30

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de op structurele basis uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.

Artikel 31
1.

Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden op structurele basis worden uitbesteed schriftelijk vast.

2.

In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld:

  • a. de onderlinge informatie-uitwisseling, met inbegrip van afspraken over het beschikbaar stellen van informatie waarom de toezichthouders ter uitvoering van hun wettelijke taak verzoeken;
  • b. de mogelijkheid voor de financiële onderneming of het bijkantoor om te allen tijde wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop de uitvoering van de werkzaamheden door de derde geschiedt;
  • c. de verplichting voor de derde om de financiële onderneming of het bijkantoor in staat te stellen blijvend te voldoen aan het bij of krachtens de wet bepaalde; en
  • d. de mogelijkheid voor de toezichthouders om onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen bij de derde; en
  • e. de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de financiële onderneming of het bijkantoor de werkzaamheden na beëindiging van de overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren.
3.

De toezichthouders maken slechts gebruik van de mogelijkheid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, indien niet op andere wijze kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de uitbestede werkzaamheden wordt voldaan aan het bij of krachtens de wet bepaalde.

Artikel 32

De artikelen 29 tot en met 31 zijn niet van toepassing op het uitbesteden van werkzaamheden aan ondernemingen met zetel in een lidstaat die deel uitmaken van de groep waartoe de financiële onderneming behoort, tenzij die financiële onderneming een bank, betaalinstelling, elektronischgeldinstelling of premiepensioeninstelling is.

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Artikel 33
1.

Een afwikkelonderneming, bank, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, 3:42, 3:43, tweede lid, of 3:49 van de wet geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van:

  • a. de personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen of het beleid van de financiële onderneming bepalen of mede bepalen;
  • b. indien van toepassing, de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming; en
  • c. indien van toepassing, de personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bank of verzekeraar, die een leidinggevende functie vervullen direct onder het echelon van de beleidsbepalers en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.
2.

De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging. De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:

  • a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
  • b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
3.

Met betrekking tot het voornemen legt de financiële onderneming de volgende gegevens over:

  • a. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in artikel 3:8 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de betrokkene;
  • b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank, onder overeenkomstige toepassing van de artikelen 6 tot en met 9, redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9, van de wet wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de betrokkene.
4.

De gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zijn:

  • a. een opgave van de naam, het adres en de functie;
  • b. een curriculum vitae;
  • c. een opgave van de geldige relevante diploma’s; en
  • d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs.
5.

Het derde lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien het voornemen tot wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel 3:9, tweede lid, van de wet.

Artikel 34
1.

Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 33, eerste lid, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een wijziging van gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9 wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen.

2.

De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste lid onverwijld schriftelijk kennis nadat zij van de wijziging op de hoogte is gekomen.

Artikel 35
1.

Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 33, eerste lid, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een wijziging in:

  • a. de naam of het adres van de financiële onderneming;
  • b. de rechtsvorm van de financiële onderneming;
  • c. indien van toepassing, de statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen;
  • d. indien van toepassing, het nummer van inschrijving in het handelsregister;
  • e. indien van toepassing, de statuten van de financiële onderneming;
  • f. de zeggenschapsstructuur binnen de financiële onderneming; en
  • g. indien van toepassing, het adres van een in een andere staat gelegen bijkantoor.
2.

De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste lid kennis binnen twee weken nadat de wijziging zich heeft voorgedaan.

Artikel 36
1.

Een afwikkelonderneming, clearinginstelling, bank, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, 3:42 of 3:43, eerste lid, van de wet geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor bepalen.

2.

Artikel 33, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 37
1.

Een afwikkelonderneming, clearinginstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet met zetel in Nederland die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat kennis van een wijziging in het adres van het bijkantoor.

2.

De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste lid kennis binnen twee weken nadat de wijziging zich heeft voorgedaan.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)