Binnenvaartregeling
De geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat, het aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat en het certificaat van onderzoek bedraagt voor nieuwe schepen:
- a. vijf jaar voor passagiersschepen en snelle schepen;
- b. tien jaar voor andere binnenschepen.
De geldigheidsduur wordt in de in het eerste lid bedoelde certificaten aangetekend.
Voor binnenschepen die reeds vóór het onderzoek in bedrijf waren, stelt minister de geldigheidsduur van het certificaat voor elk geval afzonderlijk vast, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, doch niet langer dan in het eerste lid bepaald.
Artikel 3.12
De minister houdt overeenkomstig deel I, bijlage 3, onderdeel VI, van ES-TRIN een register bij van alle door hem op grond van deze paragraaf afgegeven certificaten van onderzoek.
Artikel 3.13
Het certificaat van onderzoek vermeldt het uniek Europees scheepsidentificatienummer dat is toegekend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de plaats van teboekstelling of de thuishaven van het binnenschip is gelegen.
Aan binnenschepen die niet uit een der lidstaten van de Europese Unie afkomstig zijn, kent de minister het uniek Europees scheepsidentificatienummer toe.
De eigenaar van het binnenschip brengt het in het certificaat van onderzoek vermelde scheepsidentificatienummer op het binnenschip aan en verwijdert dit zodra het ongeldig is geworden.
Dit artikel is niet van toepassing op pleziervaartuigen.
§ 5. Het onderzoek van schepen voor het certificaat van onderzoek
Artikel 3.14
Een te onderzoeken binnenschip wordt onbeladen, gereinigd en voorzien van de voorgeschreven uitrusting aangeboden.
De commissie van deskundigen bezichtigt het binnenschip bij een eerste onderzoek op het droge. Dit kan achterwege blijven indien een verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd, of indien een certificaat wordt overgelegd waaruit blijkt dat de minister al voor andere doeleinden een bezichtiging op het droge heeft verricht. Bij periodieke onderzoeken of onderzoeken overeenkomstig artikel 3.16 kan de commissie van deskundigen een bezichtiging op het droge verlangen.
Bij het eerste onderzoek van motorschepen en samenstellen alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting, doet de commissie van deskundigen een proefvaart plaatsvinden.
De commissie van deskundigen kan, eveneens tijdens de bouw, extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere bewijzen verlangen.
De eigenaar van het binnenschip verleent verdere medewerking aan het onderzoek, onder meer door de toegang te vergemakkelijken tot de delen van de romp en tot de installaties, die niet of moeilijk toegankelijk of zichtbaar zijn, door personeel beschikbaar te stellen of door proefvaarten te houden.
Artikel 3.15
Voor de beoordeling van de stabiliteit van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip wordt het schip, indien het een eerste onderzoek betreft, aan een hellingproef onderworpen.
Indien de uitkomsten van de hellingproef van een zusterschip van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip beschikbaar zijn en daaraan voldoende stabiliteitsgegevens kunnen worden ontleend, kan de minister toestaan dat een hellingproef achterwege blijft.
Voor de beoordeling van de stabiliteit van andere schepen dan in het eerste lid genoemd, kan de minister bepalen dat een hellingproef wordt gehouden indien de inrichting of de bijzondere bestemming van het schip daartoe aanleiding geeft.
De hellingproef wordt, behalve bij schepen met een lengte op de waterlijn van ten hoogste 25 meter, door of namens de eigenaar gehouden in aanwezigheid van de commissie van deskundigen.
Bij passagiersschepen met een lengte op de waterlijn van ten hoogste 25 meter kan voldoende stabiliteit worden aangetoond door het uitvoeren van een stabiliteitsproef met het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen, bij de ongunstigste vullingsgraad van de brandstof- en drinkwatertanks.
Bij de in het vijfde lid bedoeld stabiliteitsproef wordt het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen zodanig op het voor passagiers bestemde gedeelte van het dek naar de zijde van het schip verplaatst, dat aldaar een dichtheid van 3,75 personen per vierkante meter, overeenkomend met 285 kg per vierkante meter, wordt verkregen.
Bij de in het zesde lid bedoelde gewichtsverplaatsing mag de slagzij na het verplaatsen niet meer dan 7 graden bedragen. Het resterende vrijboord en de resterende veiligheidsafstand mogen niet kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,20 meter en 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,10 meter.
Artikel 3.16
Indien naar aanleiding van omstandigheden als in bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet een onderzoek plaatsvindt als bedoeld in dat artikel omvat dit een onderzoek van de constructie, de werktuigen en uitrusting van het binnenschip, voor zover deze betrokken zijn bij de schade, de herstelling, de verbouwing, de wijziging of de gebreken. Tevens kan de stabiliteit worden beoordeeld.
Indien het een onderzoek van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip betreft kan de minister bepalen dat een hellingproef wordt gehouden.
Indien het onderzoek andere schepen dan de in het tweede lid genoemde betreft is artikel 3.15, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Indien na een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, het binnenschip aan de bij of krachtens artikel 8 van de wet gestelde voorschriften voldoet, geeft de minister een nieuw certificaat van onderzoek af of verlengt de geldigheidsduur van het certificaat.
Artikel 3.17
Indien een certificaat van onderzoek door de minister is afgegeven, deelt de eigenaar elke verandering van naam, overgang van de eigendom, iedere hermeting van een binnenschip alsmede elke wijziging van het uniek Europees scheepsidentificatienummer, van de teboekstelling of van de thuishaven aan de minister mee. Hij legt daarbij het certificaat van onderzoek ter wijziging voor.
Artikel 3.18
Voor afloop van de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek kan een binnenschip aan een periodiek onderzoek worden onderworpen.
Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt de nieuwe geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek vastgesteld. De geldigheidsduur wordt aangetekend in het certificaat en wordt ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven.
Indien in plaats van verlenging van de geldigheidsduur, als bedoeld in het tweede lid, het certificaat van onderzoek door een nieuw wordt vervangen, wordt het oude certificaat teruggezonden aan de bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven.
In uitzonderingsgevallen kan de minister op een met redenen omkleed verzoek besluiten de geldigheidsduur van het door hem afgegeven certificaat van onderzoek zonder onderzoek met ten hoogste zes maanden te verlengen. Deze verlenging wordt in het certificaat vermeld.
Artikel 3.19
De minister onderzoekt ook schepen die niet onder de reikwijdte van richtlijn (EU) 2016/1629 of van het RosR vallen, indien zij ter onderzoek worden aangeboden.
Als uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat het schip voldoet aan richtlijn (EU) 2016/1629 of aan het RosR, geeft de minister een certificaat van onderzoek af.
Artikel 3.20
Als ES-TRIN bepaalt dat op een binnenschip bepaalde materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken moeten worden gebruikt of aan boord moeten zijn, of dat bepaalde bouwkundige maatregelen moeten worden getroffen of bepaalde opstellingen moeten worden aangehouden, kan de minister de toepassing of de aanwezigheid aan boord van dit binnenschip van andere materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken toestaan, dan wel toestaan dat andere bouwkundige maatregelen worden getroffen of dat andere opstellingen worden aangehouden, mits deze volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 als gelijkwaardig zijn erkend.
Zolang het comité, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van richtlijn (EU) 2016/1629, in het kader van de procedure van artikel 33, tweede lid, van die richtlijn, nog geen aanbeveling inzake gelijkwaardigheid overeenkomstig het eerste lid heeft gedaan, kan de minister een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat afgeven.
Binnen een maand na afgifte van het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat, overeenkomstig artikel 9, onder g, van richtlijn (EU) 2016/1629, stelt de minister, volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van die richtlijn, met opgave van de naam en het unieke Europees scheepsidentificatienummer van het binnenschip, het comité, bedoeld in het tweede lid, in kennis van de aard van de afwijking en van het land waar het binnenschip is te boek gesteld of waarin zijn thuishaven is gelegen.
Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan de minister op grond van een aanbeveling van het comité, bedoeld in het tweede lid, volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/1629, voor een binnenschip met nieuwe technische voorzieningen die afwijken van de bepalingen van bijlage II bij die richtlijn, een Uniebinnenvaartcertificaat afgeven, voor zover deze nieuwe voorzieningen een gelijkwaardige veiligheid bieden.
§ 6. Erkenning van documenten van deugdelijkheid
Artikel 3.21
Voor passagiersschepen en zeilende passagiersschepen voor de in Nederland gelegen zone 2, erkent de minister voor de toepassing van artikel 7, onderdeel c, van het besluit, scheepsattesten afgegeven op grond van richtlijn 2009/100/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake de wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (Pb L 259), indien het schip tevens voldoet aan de desbetreffende regels voor zone 2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op veerboten, met dien verstande dat de erkenning voor zone 2 slechts geldt indien de veerboot tevens voldoet aan de voorschriften van bijlage 3.7.
Artikel 3.22
De minister kan voor de toepassing van artikel 7, onderdeel c, van het besluit, een document erkennen dat door een bevoegde autoriteit van een andere staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is afgegeven ten bewijze van de deugdelijkheid van een aldaar teboekstaand schip.
Erkenning van het in het eerste lid bedoelde document van deugdelijkheid vindt plaats indien het naar het oordeel van de minister voldoende waarborg biedt voor de deugdelijkheid van het schip.
Het document van deugdelijkheid wordt erkend voor de in Nederland gelegen binnenwateren van de zones 2, 3 of 4 indien het document naar het oordeel van de minister voldoende waarborg biedt voor de veiligheid van de vaart op die wateren.
De erkenning kan betrekking hebben op een enkel document van deugdelijkheid of op een groep gelijke documenten.
Artikel 3.23
Met het certificaat voor passagiersschepen, veerboten, patrouillevaartuigen, zeilende passagiersschepen of bunkerstations wordt gelijkgesteld een document van deugdelijkheid afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat in de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, welk document is afgegeven op basis van onderzoekingen die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoen.
Hoofdstuk 4. Meetbrief
§ 7. Erkenning keuringsinstanties
Artikel 4.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- belanghebbende: eigenaar van het binnenschip of degene die namens de eigenaar optreedt;
- ligger: register waarin de minister elke meetbrief inschrijft die hij uitreikt, alsmede de datum van de uitreiking, de naam en het Europese scheepidentificatienummer van het binnenschip of andere gegevens waardoor een binnenschip kan worden geïdentificeerd;
- maximum toelaatbare waterverplaatsing: in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing van een binnenschip tot het vlak van de grootste toegelaten diepgang;
- meetbrief: meetbrief, afgegeven door de minister overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel afgegeven door de bevoegde autoriteit van een andere staat, aangesloten bij de Overeenkomst;
- Overeenkomst: op 15 februari 1966 te Genève ondertekende en op 14 september 1967 goedgekeurde Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, met Bijlage en Protocol van Ondertekening (Trb. 1967, 43);
- verplaatsing: in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing van een binnenschip tussen het vlak van inzinking van het lege binnenschip in zoet water en het vlak van de grootste toegelaten diepgang.
Artikel 4.2
De meting van binnenschepen heeft tot doel:
- a. de verplaatsing vast te stellen, evenals, indien nodig, een deel van de verplaatsing in samenhang met de inzinking;
- b. indien het binnenschip bestemd is of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen: het mogelijk te maken het gewicht van de lading volgens de inzinking te bepalen;
- c. indien het binnenschip niet bestemd is of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen: de maximum toelaatbare waterverplaatsing en de waterverplaatsing in lege toestand te bepalen.
Artikel 4.3
De minister onderhoudt een ligger tot inschrijving van de gemeten binnenschepen.
De minister houdt van de afgifte, de verlenging en de intrekking van de meetbrief en van de hermeting aantekening in de ligger.
De minister maakt van de aantekeningen als bedoeld in artikelen 4.19, eerste lid, en 4.20, eerste lid, melding in de ligger.
§ 2. Aanvraag van de meting en de voorwaarden waaronder de meting plaatsheeft
Artikel 4.4
De meting, hermeting of controle-meting wordt uitgevoerd op aanvraag van de belanghebbende door de minister of de daartoe door de minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen.
Degene die de meting heeft aangevraagd, volgt gedurende de meting alle voorschriften op van de minister met betrekking tot de ligging van het vaartuig op het vlak van inzinking van het lege vaartuig en de eventuele verplaatsing van losse voorwerpen en verschaft de nodige hulp bij de meting en bij het aanbrengen van de ijkmerken of de ijkplaten en stelt daartoe een deugdelijke roeiboot met ten minste twee personen beschikbaar.
Artikel 4.5
De ligplaats van het te meten binnenschip of van het binnenschip waarvan de meting gecontroleerd wordt, is in stil, bij voorkeur zoet water en zodanig, dat het vaartuig van alle zijden toegankelijk is.
Indien in brak of zout water wordt gemeten, wordt de lege diepgang gecorrigeerd.
Het water in stoomketels van schepen zonder voortstuwingswerktuig behoort tot de uitrusting van het vaartuig.
Zaken die niet behoren tot die, welke volgens het derde lid en volgens artikel 4.7 aanwezig zijn, bevinden zich niet aan boord.
Is de uitrusting niet volledig, dan wordt zij voor de meting aangevuld.
Het schip is voor de meting behoorlijk schoon; op de bodem is geen water aanwezig.
Het vaartuig ligt gedurende de meting zoveel mogelijk dwarsscheeps horizontaal en stil.
Zolang niet aan de dit artikel bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt de meting niet verricht.
§ 3. Meting
Artikel 4.6
Voor de meting van een binnenschip worden de maten aan het vaartuig zelf gemeten. Het te meten deel van het binnenschip is het deel dat begrepen is tussen het vlak van de grootste toegelaten diepgang en het vlak van inzinking van het lege vaartuig.
Bij het meten van lengten en breedten worden de onderdelen van centimeters rekenkundig afgerond.
Bij het meten van hoogten worden de onderdelen van centimeters tot op millimeters in aanmerking genomen.
Bij de berekening worden breuken van duizendste delen, rekenkundig afgerond tot duizendsten.
Bij de eindberekening van de verplaatsing worden onderdelen van een kubieke decimeter verwaarloosd.
Artikel 4.7
Het vlak van inzinking van het lege vaartuig, is het vlak overeenkomende met het wateroppervlak, indien:
- a. het binnenschip geen brandstof of verplaatsbare ballast aan boord heeft maar slechts de uitrusting, de proviand en de bemanning die normaal aan boord zijn als het vaartuig vaart; alsmede water dat niet door gebruikelijke middelen uit het ruim kan worden verwijderd en de drinkwatervoorraad, die 0,5% van de grootste verplaatsing van het vaartuig niet aanzienlijk mag overschrijden;
- b. de werktuigen, ketels, pijpleidingen en installaties, nodig voor de voortstuwing, voor de noodzakelijke hulpwerktuigen, of voor verwarming of koeling, water, olie of andere vloeistoffen bevatten waarvan zij in gewone omstandigheden worden voorzien om dienst te kunnen doen;
- c. het binnenschip zich in zoet water bevindt met een soortelijk gewicht gelijk aan 1.
Indien het binnenschip zich bij de meting niet in de toestand, bedoeld in het eerste lid bevindt, of niet in omstandigheden die leiden tot dezelfde inzinking en ongeveer dezelfde trimligging, worden het verschil in belasting en het verschil in soortelijk gewicht van het water in aanmerking genomen bij het maken van de berekeningen.
De gewichten aan boord die behoren bij de lege inzinking worden in de meetbrief vermeld.
Artikel 4.8
Het vlak van de grootste toegelaten diepgang wordt vastgesteld overeenkomstig de voor dat binnenschip geldende regels van artikel 4.03, tweede lid, van ES-TRIN.
Voor binnenschepen die bestemd of gebruikt zijn voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang ten hoogste tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld dan in het eerste lid bepaald.
In bijzondere gevallen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang meer dan tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld, mits aan de minister wordt aangetoond dat de grootste diepgang waarop het schip zal kunnen varen geringer is dan de diepgang, bepaald volgens het tweede lid.
Voor binnenschepen die niet zijn bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang lager worden gesteld dan overeenkomstig het eerste lid bepaald.
Artikel 4.9
Op de meting is bijlage 4.1 van toepassing.
§ 1. Algemeen
Artikel 4.10
De belanghebbende kan binnen zesentwintig weken na de afgifte van de meetbrief bij de minister hermeting verzoeken. De hermeting is beslissend.
De hermeting en zonodig de vernieuwing van de ijkmerken of de ijkplaten geschieden kosteloos, indien het verschil met de eerste meting meer bedraagt dan:
- a. 1 procent voor de verplaatsingscijfers van maximaal 500 kubieke meter;
- b. 5 kubieke meter voor de verplaatsingscijfers van meer dan 500 kubieke meter tot maximaal 2000 kubieke meter;
- c. 0,25 procent voor de verplaatsingscijfers van meer dan 2000 kubieke meter.
Het verschil wordt bepaald over een zelfde laadhoogte.
De minister geeft in de in het tweede lid genoemde gevallen een nieuwe meetbrief af, waarin de onderscheidingstekenen en het volgnummer van inschrijving in de ligger van de eerste meetbrief worden overgenomen.
Is het verschil met de eerste meting gelijk aan of minder dan de percentages of het aantal kubieke meters, vermeld in het tweede lid, dan wordt de eerste meting als juist aangemerkt en is de belanghebbende voor de hermeting de voor de meting gestelde vergoeding verschuldigd.
Artikel 4.11
De belanghebbende geeft bij hermeting de bij de vorige meting behorende meetbrief aan de minister af.
Indien het een meetbrief betreft die in het buitenland is afgegeven, geeft de minister de bevoegde autoriteit in de andere staat hiervan kennis onder bijvoeging van de ingetrokken meetbrief.
Artikel 4.12
Op de hermeting is bijlage 4.1 van toepassing.
§ 2. Aanvraag van de meting en de voorwaarden waaronder de meting plaatsheeft
Artikel 4.13
De minister verstrekt de meetbrief uiterlijk zeven werkdagen na de meting.
De meetbrief wordt vastgesteld overeenkomstig het model in de Overeenkomst.
Op de meetbrief worden de zones als bedoeld in artikel 1.3, waarin het binnenschip bestemd is te varen, vermeld.
Artikel 4.14
De geldigheidsduur van een meetbrief is ten hoogste vijftien jaar, te rekenen van de datum van afgifte.
De vervaldatum wordt op de meetbrief vermeld.
Artikel 4.15
De geldigheidsduur van een meetbrief wordt op verzoek van de belanghebbende verlengd, indien bij een controlemeting blijkt dat de gegevens van de meetbrief nog juist zijn. Daartoe worden de volgende afmetingen van het binnenschip gecontroleerd:
- a. de lengte en de breedte, alsmede de inzinking van het lege vaartuig ter plaatse van elk ijkmerk;
- b. ingeval het vaartuig blijvende vervormingen heeft: enkele breedten aan de hand van de laatste meting, om na te gaan of de vervormingen vóór of na de laatste meting zijn ontstaan.
De geldigheidsduur van de meetbrief kan overeenkomstig het eerste lid worden verlengd:
- a. indien het een binnenschip betreft dat bestemd of gebruikt is voor het vervoer van goederen: voor een periode van ten hoogste tien jaar;
- b. indien het een ander binnenschip betreft dan bedoeld in onderdeel a: voor een periode van ten hoogste vijftien jaar.
Van de uitkomst van de controle en van de datum waarop de geldigheidsduur van de meetbrief is verlengd, houdt de minister aantekening in de ligger.
Tenzij de betreffende bij de Overeenkomst aangesloten staat zulks niet toestaat, kan de geldigheidsduur van een door een van zijn bureaus van meting afgegeven meetbrief voor een vaartuig, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen, worden verlengd, overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.
Van de uitkomst van de controle van een in het buitenland gemeten binnenschip alsmede van de datum waarop de geldigheidsduur van een dergelijke meetbrief is verlengd, wordt kennis gegeven aan de minister. Laatstgenoemde geeft daarna aan zijn ambtgenoot in het andere land hiervan kennis.
Artikel 4.16
De meetbrief vervalt:
- a. door het verstrijken van de geldigheidsduur;
- b. wanneer het binnenschip een verbouwing ondergaat die van invloed is op de ligging van het vlak van inzinking van het lege vaartuig, op de verplaatsing dan wel op de in de meetbrief vermelde afmetingen;
- c. wanneer het binnenschip, een andere bestemming krijgt of anders gebruikt wordt dan waarvoor de meetbrief is afgegeven;
- d. wanneer de meetbrief is gewijzigd door daartoe niet bevoegde personen;
- e. wanneer aan het binnenschip andere veranderingen dan wel blijvende beschadigingen zijn aangebracht, waardoor de omschrijving in de meetbrief niet meer juist is;
- f. wanneer de meetbrief niet meer volledig is.
Als een verbouwing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt onder meer aangemerkt: het verlengen van het schip, het verhogen van het gangboord, het wijzigen van de positie van een of meer lichtranden of patrijspoorten onmiddellijk boven de lastlijn, alle in- en uitwendige verbouwingen aan de romp, laadhoofden en de bovenbouw van het schip en het plaatsen, verwijderen of veranderen van machines, ketels of de inventaris, voor zover daardoor het vlak van inzinking van het lege vaartuig of het vlak van de grootste toegelaten diepgang is verplaatst.
Indien een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, zich voordoet, wordt de afgegeven meetbrief voor zover nodig vervangen of gewijzigd.
Artikel 4.17
Indien de minister constateert, dat zich ten aanzien van een in Nederland geregistreerd binnenschip één der gevallen, genoemd in artikel 4.16, eerste lid, voordoet trekt hij de meetbrief in.
Indien één der gevallen, genoemd in artikel 4.16, eerste lid, zich voordoet ten aanzien van een in het buitenland geregistreerd binnenschip, informeert de minister de bevoegde autoriteit in het land waar het binnenschip is geregistreerd. In de meetbrief van het desbetreffende binnenschip wordt een verklaring gehecht als vastgesteld door de minister.
Artikel 4.18
Een meetbrief, afgegeven door een bureau van meting van een andere staat, aangesloten bij de Overeenkomst, wordt gelijkgesteld aan een meetbrief afgegeven door de minister overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Artikel 4.19
In geval van wijziging van de naam van een binnenschip wordt op verzoek van de belanghebbende de nieuwe naam op de meetbrief aangetekend.
De minister maakt van deze aantekening melding in de ligger.
Indien het een binnenschip betreft dat in het buitenland is gemeten, geeft de minister aan de bevoegde autoriteit van de andere staat van deze aantekening kennis.
De in het eerste lid van dit artikel bedoelde aantekening wordt door de minister geautoriseerd.
Artikel 4.20
Onverminderd het in artikel 4.16, eerste lid, bepaalde, kunnen veranderingen ten aanzien van het vaartuig anders dan bedoeld in artikel 4.17, op de meetbrief worden aangetekend. De aantekening geschiedt op aanvraag van de belanghebbende door de minister.
Indien het een binnenschip betreft dat in het buitenland is gemeten, is een schriftelijke machtiging van de bevoegde autoriteit die de meetbrief heeft afgegeven nodig voor het aanbrengen van een zodanige aantekening.
Zonder de in het tweede lid bedoelde schriftelijke machtiging is een aantekening in de meetbrief ook mogelijk met een geldigheid van niet meer dan drie maanden.
Een aantekening als bedoeld in het tweede of derde lid wordt in de daarvoor bestemde rubriek in de meetbrief gewaarmerkt, waarbij tevens de duur van de voorlopige geldigheid wordt vermeld.
De minister geeft de bevoegde autoriteit van de andere staat van de aantekening kennis.
Artikel 4.21
Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgegeven omdat het origineel niet meer aanwezig is, bevat dit afschrift aan het hoofd de volgende zin: Dit afschrift treedt in plaats van het origineel, dat is verloren geraakt.
De Minister kan een afschrift van de meetbrief verstrekken, indien dat moet worden gedeponeerd op een buitenlands hypotheekkantoor waar het schip is of zal worden ingeschreven. Dit wordt voor eensluidend afschrift ondertekend en bevat aan het hoofd de volgende zin: ‘Afschrift, bestemd voor nederlegging ten hypotheekkantore te .....’.
De minister kan uittreksels van meetbrieven verstrekken.
Artikel 4.22
De belanghebbende levert bij verloren gaan, slopen of blijvend ongeschikt worden voor de vaart van een gemeten binnenschip de meetbrief in bij de minister.
§ 5. Meetbrief
Artikel 4.23
Binnenschepen, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen, kunnen bij meting of hermeting van ijkschalen worden voorzien, indien de belanghebbende dit verzoekt.
Artikel 4.24
De ijkmerken of de ijkplaten worden door de belanghebbende zodanig onderhouden, dat zij steeds duidelijk zichtbaar zijn. De ijkmerken worden in lichte kleur op donkere achtergrond of in donkere kleur op lichte achtergrond aangebracht.
Zijn één of meer ijkmerken of ijkplaten verloren geraakt, versleten of onzichtbaar geworden, dan worden deze, mits de meetbrief nog geldig is, op verzoek van belanghebbende door de minister door nieuwe vervangen.
Hoofdstuk 5. Vaartijden en bemanningssterkte
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 5.1
Behoudens paragraaf 5 is dit hoofdstuk van toepassing op de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren uitgezonderd de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek.
Artikel 5.2
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- bilgeboot: schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel scheepsbedrijfsafval, als bedoeld in artikel 15.01, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, van deze schepen in te nemen;
- bunkerschip: schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel deze schepen te bevoorraden;
- exploitatiewijze A1: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, ten hoogste 14 uur dan wel overeenkomstig artikel 5.4, eerste lid, 16 uur bedraagt;
- exploitatiewijze A2: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, ten hoogste 18 uur bedraagt;
- exploitatiewijze B: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, meer dan 18 uur bedraagt;
- hotelschip: passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
- motorschip: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd om door middel van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen;
- pompoverslagboot: schip dat langszij andere schepen of installaties gaat, met als doel droge bulkgoederen uit die schepen of installaties te zuigen;
- rusttijd: de tijd waarin een bemanningslid geen taak verricht noch daartoe verplicht is. De bewaking en het toezicht op een stilliggend schip worden niet beschouwd als taak in de zin van deze definitie;
- sleepschip: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, gebouwd om te worden gesleept en dat:
- 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk
- 2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn;
- S1 en S2: standaarden S1 en S2 met betrekking tot uitrustingsvoorschriften voor schepen die met een minimumbemanning worden geëxploiteerd als bedoeld in 19.01, eerste lid, van het Rsp;
- tachograaf: een registratieapparaat ter controle van de naleving van bij of krachtens de wet gegeven voorschriften met betrekking tot de vaartijden van het schip, van een door de minister goedgekeurd model.
§ 2. Vaartijden en rusttijden
Artikel 5.3
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt rekening gehouden met de rust- en vaartijden, vervuld gedurende een tijdvak van 48 uur, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het schip de binnenwateren, bedoeld in artikel 1.2 is binnengevaren.
Een schip dat de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren binnenvaart is voorzien van een vaartijdenboek als bedoeld in artikel 18.04 van het Rsp of een ander document, waaruit blijkt op welke wijze de rusttijden van elk der bemanningsleden alsmede de vaartijden van het schip gedurende de in het eerste lid bedoelde periode zijn vervuld.
Artikel 5.4
Bij de exploitatiewijzen A1 en A2 zijn artikel 18.01, tweede en derde lid, van het Rsp en artikel 18.04, vijfde lid, van het Rsp van overeenkomstige toepassing.
Ten aanzien van een sleepschip dat niet zelfstandig vaart, en een schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel door een schip of meer andere schepen wordt verzorgd, is artikel 18.01, tweede en derde lid, van het Rsp van overeenkomstige toepassing, indien het eerste lid in acht wordt genomen op het schip of de schepen die zorg dragen voor de voortstuwing van het hecht samenstel of het sleepschip.
Artikel 5.5
Bij wisseling en herhaling van exploitatiewijzen is artikel 18.03 van het Rsp van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Ijkschalen, ijkplaten en ijkmerken
Artikel 5.6
De minimumbemanning van de navolgende categorieën van schepen wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 19.02 van het Rsp, met dien verstande dat de stuurman in voetnoot 3 de bekwaamheid van schipper bezit bedoeld in artikel 2.9, tweede lid:
- a. motorschepen;
- b. duwboten;
- c. passagiersschepen, niet zijnde stoomschepen, die zonder passagiers aan boord varen;
- d. drijvende werktuigen die zelfvarend zijn tijdens transport;
- e. bunkerschepen;
- f. bilgeboten;
- g. pompoverslagboten.
In afwijking van het eerste lid mag de minimumbemanning van bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten die volgens exploitatiewijze A2 varen worden vervangen door de bemanning die is voorgeschreven voor exploitatiewijze A1, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften voor:
- a. de rusttijd van een bemanningslid bedraagt ten minste 12 uur, waarvan ten minste 6 uur ononderbroken in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van de voorafgaande ononderbroken rusttijd van 6 uur. De volgende periode dient uiterlijk om 00.00 uur aan te vangen;
- b. de resterende rusttijd wordt opgenomen in ononderbroken blokken van tenminste 1 uur;
- c. de rusttijd is buiten de vaartijd gelegen;
- d. het schip is uitgerust met een goed werkende tachograaf die voortdurend in werking is gesteld.
Voor bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten met een lengte van minder dan 35 meter die zijn ingezet op Nederlandse binnenwateren met uitzondering van de Westerschelde, geldt tevens dat de bemanning die is voorgeschreven voor exploitatiewijze A1 kan worden vervangen door:
- a. hetzij een schipper mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften:
- 1°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag en 50 uur per week;
- 2°. het schip is uitgerust met een goed werkende tachograaf die voortdurend in werking is gesteld;
- 3°. het vervoer van gevaarlijke stoffen, waarvoor op grond van artikel 3.14 van het BPR en RPR een teken moet worden gevoerd is niet toegestaan;
- 4°. het bepaalde in artikel 6.30 en 6.32 van het Binnenvaartpolitiereglement respectievelijk het Rijnvaartpolitiereglement blijft onverkort van kracht;
- 5°. De afstand tot de plaats van waaruit bunkeractiviteiten wordt bedreven bedraagt niet meer dan 30 km, gemeten over de vaarweg. De plaats van waaruit de bunkeractiviteiten wordt bedreven staat vermeld op het certificaat van onderzoek.
- b. hetzij een schipper en een lichtmatroos mits de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder ten derde, in acht worden genomen.
De minimumbemanning van hechte samenstellen, schepen voor dagtochten, stoomschepen voor dagtochten, hotelschepen, veerboten en sleepschepen wordt onderscheidenlijk vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen 5.1 tot en met 5.6.
De minimumbemanning van sleepboten en sleepboten die havendiensten verrichten wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 5.7.
De minimumbemanning van snelle veerponten wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 5.8. De schipper is in het bezit van een specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar, als bedoeld in artikel 7.11b, eerste lid, onderdeel c.
In afwijking van de krachtens dit artikel gestelde minimumbemanning wordt aan de voorgeschreven minimumbemanning voor een bepaalde exploitatiewijze en uitrustingsstandaard op een bepaald schip ook volstaan met de minimumbemanning die is voorgeschreven op hetzelfde schip voor een exploitatiewijze met een langere vaartijd of voor een hogere uitrustingsstandaard.
Artikel 5.7
Op motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, indien zij met een minimumbemanning worden geëxploiteerd, is artikel 19.01 onderscheidenlijk artikel 19.05 van het Rsp van overeenkomstige toepassing.
Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften bedoeld in het eerste lid wordt door de minister in een verklaring vastgelegd.
De verklaring, bedoeld in artikel 19.01, tweede lid, van het Rsp wordt met de in het tweede lid bedoelde verklaring gelijkgesteld.
Artikel 5.8
Voor de toepassing van deze paragraaf is artikel 17.01, eerste en tweede lid, met uitzondering van de derde alinea, van het Rsp van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.9
Een vrouw, die krachtens arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht, maakt geen deel uit van de minimumbemanning gedurende ten minste 14 weken rondom de vermoedelijke datum van haar bevalling, waarvan ten minste 6 weken vóór deze datum en ten minste 7 weken na de datum van de bevalling liggen.
Artikel 5.10
Ten aanzien van zeeschepen die voldoen aan de bepalingen van Resolutie A. 890 (21) van de Internationale Maritieme Organisatie van 25 november 1999 en het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de normen van zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, met bijlage, (Trb. 1981, 144 en 1992, 109) is artikel 19.07 van het Rsp van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder een persoon die houder is van een kwalificatiecertificaat schipper een persoon wordt verstaan die in het bezit is van een document als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid.
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 5.11
Onverminderd artikel 2.9, zijn ten aanzien van het dienstboekje de artikelen 3.02, 5.01 en 20.01 van het Rsp, alsmede de op grond van artikel 1.04 van dat reglement vastgestelde dienstinstructies van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
- a. als plaatselijk bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5.01, derde lid, de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt aangewezen;
- b. onder schipper de gezagvoerder wordt verstaan.
Een vervangend exemplaar treedt in de plaats van een eerder afgegeven dienstboekje en wordt niet eerder afgegeven dan nadat het geheel of ten dele onleesbaar geworden exemplaar, waarvoor het wordt afgegeven, is ingeleverd bij de minister.
De aanvrager wiens eerder uitgereikt dienstboekje verloren is geraakt of teniet is gegaan, legt hieromtrent bij het indienen van zijn aanvraag een schriftelijke verklaring af. Op bladzijde 1 van het vervangende exemplaar van het dienstboekje wordt aangetekend dat de hiervoor bedoelde verklaring is afgelegd.
Artikel 5.12
Ten aanzien van het vaartijdenboek is artikel 5.11, tweede en derde lid, alsmede de artikelen 18.04 en 20.02 van het Rsp van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
- a. als autoriteit de voorzitter van de commissie van deskundigen wordt aangewezen;
- b. onder schipper de gezagvoerder wordt verstaan; en
- c. de uitzondering voor sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren niet van toepassing is.
Wanneer bij de overdracht van een schip de overdragende partij het bij het schip behorende vaartijdenboek niet levert, kan dit bewijs van aangifte worden vervangen door een door de koper en de minister te ondertekenen verklaring.
Indien het volgnummer, bedoeld in artikel 18.04, tweede lid, van het Rsp, van het te vervangen vaartijdenboek onbekend is bij de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt het nieuwe vaartijdenboek voorzien van het volgnummer 1.
Artikel 5.13
Het vaartijdenboek is niet vereist met betrekking tot veerboten, veerponten en open rondvaartboten.
De gezagvoerder van een veerboot of een veerpont, onderscheidenlijk van een open rondvaartboot draagt er zorg voor dat aan boord een scheepsjournaal aanwezig is, onderscheidenlijk ten kantore een scheepsjournaal aanwezig is, waarin de volgende gegevens worden vermeld:
- a. de naam van het schip;
- b. het begin en einde van de veerdienst van het schip;
- c. het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer;
- d. de leden van de bemanning bij het begin van de dagelijkse veerdienst van het schip met vermelding van naam en functie, en vervolgens telkens wanneer deze van samenstelling verandert.
Artikel 5.14
Bij uitvoering van exploitatiewijze A1 of A2 met een tachograaf is bijlage 5, onderdeel V, van ES-TRIN van toepassing, alsmede bijlage 1.4.
Indien gebruik wordt gemaakt van een tachograaf bewaart de gezagvoerder de registraties van de tachograaf gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord.
§ 3. Bemanningssterkte
Artikel 5.15
Motorschepen en zelfvarende drijvende werktuigen met een lengte van minder dan 55 meter zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. hetzij:
- 1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper;
- 2°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag en 50 uur per kalenderweek;
- 3°. de minimale dagelijkse ononderbroken rusttijd van de schipper bedraagt ten minste 12 uur in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van iedere rustperiode van ten minste 12 uur;
- 4°. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van 12 uur waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen;
- 5°. er is een vanuit het stuurhuis bedienbaar reserve-toplicht aanwezig;
- 6°. het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die in werking is gesteld vanaf het begin van de voorafgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart en waarvan de gegevens gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord worden bewaard;
- 7°. vervoer van stoffen waarvoor op grond van het ADN een certificaat van goedkeuring als bedoeld in bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen is vereist, is niet toegestaan;
- 8°. er wordt niet gevaren op de Westerschelde;
- 9°. het schip voldoet aan artikel 5.7, en
- 10°. voor zover het motorschip een lengte heeft van meer dan 33 meter, is actieve boegbesturing bedienbaar vanuit het stuurhuis aanwezig;
- b. hetzij:
- 1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een lichtmatroos of deksman;
- 2°. er wordt slechts tussen 22.00 en 06.00 gevaren indien de onder 1° bedoelde lichtmatroos of deksman 18 jaar of ouder is; en
- 3°. de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder 7° tot en met 10°, worden in acht genomen.
Een wisseling van de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, naar de exploitatiewijze A1, A2 of B, is slechts toegestaan indien:
- a. de schipper is afgelost, of
- b. bij controle kan worden aangetoond dat het voor de exploitatiewijze A1, A2 of B bestemde bemanningslid dat niet is afgelost, onmiddellijk voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van 8 uur buiten de vaartijd in acht heeft genomen, en de voor deze exploitatiewijzen voorgeschreven minimumbemanning zich aan boord bevindt.
Van de exploitatiewijze A1, A2 of B mag slechts naar de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, worden overgegaan, indien de voor de vaart onder de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstelling voorgeschreven schipper onmiddellijk voor de wisseling geen deel heeft uitgemaakt van de bemanning van het schip, dan wel bij controle kan worden aangetoond dat de schipper, indien deze niet is afgelost, onmiddellijk voor de wisseling een rusttijd van 12 uur buiten de vaartijd van het schip in acht heeft genomen.
Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, voor een identieke vaart worden ingezet indien de schipper wordt vervangen door een andere schipper.
Het aantonen van de rusttijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, derde en vierde lid, geschiedt door middel van het vaartijdenboek van het schip.
Zelfvarende drijvende werktuigen met een lengte van minder dan 20 meter zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voorgeschreven minimumbemanning, indien wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdelen 1° tot en met 4° en 7° tot en met 10°.
Artikel 5.16
Patrouillevaartuigen zijn vrijgesteld van artikel 5.4 en paragraaf 4.
Artikel 5.17
Passagiersschepen die in de exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit:
- 1°. voor de passagiersschepen uit groep 4 die ten hoogste 600 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 3 voor de exploitatiewijze A1;
- 2°. voor de passagiersschepen uit groep 3 die ten hoogste 250 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 2 voor de exploitatiewijze A1;
- 3°. voor de passagiersschepen uit groep 2 die ten hoogste 75 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 1 voor de exploitatiewijze A1; en
- b. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast.
Passagiersschepen uit groep 1, met een lengte van maximaal 45 meter, die ten hoogste 40 personen aan boord hebben en in de exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een lichtmatroos of een deksman van ten minste 18 jaar;
- b. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van ten minste 16 uur, waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen: en
- c. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast.
Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde passagierschepen is in geval van vaart zonder passagiers artikel 5.15, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, onder voorwaarde dat het schip beschikt over vrij toegankelijke gangboorden die voldoen aan de in artikel 14.02, van ES-TRIN gestelde eisen.
Artikel 5.18
Rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper.
Open rondvaartboten zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper.
Artikel 5.19
Schepen, bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, voor zover zij in exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van artikel 5.4 en van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, in bijlage 5.2 onderscheidenlijk bijlage 5.4 voorgeschreven minimumbemanning, mits de bemanning bestaat uit:
- a. een schipper, en
- b. een lichtmatroos of deksman, die ten minste 18 jaar is.
Artikel 5.20
Van de artikelen 5.6, vierde lid, en 5.7, eerste lid, zijn vrijgesteld schepen die:
- a. een minimumbemanning hebben van één schipper;
- b. zijn bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning;
- c. zijn bestemd of gebruikt voor de sportvisserij en varen op, dan wel op weg zijn van of naar, de binnenwateren ingedeeld in zone 2 en varen in exploitatiewijze A1.
Artikel 5.21
Onverminderd artikel 5.15 wordt ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 1 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;
- b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;
- c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en
- d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.
Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een matroos;
- b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;
- c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en
- d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.
Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een lichtmatroos; en
- b. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.
Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;
- b. het schip onderbreekt de vaart gedurende de periode tussen 22.00 uur en 06.00 uur;
- c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip;
- d. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;
- e. het schip is uitgerust met een eenmansstuurstelling voor het varen op radar en voldoet aan artikel 7.13, van ES-TRIN; en
- f. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.
Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en één matroos; en
- b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid onder e en f.
Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 1 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;
- b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;
- c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en
- d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.
Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een matroos;
- b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;
- c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en
- d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.
Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een lichtmatroos; en
- b. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.
Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;
- b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder b tot en met e; en
- c. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.
Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en een matroos; en
- b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f.
Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een matroos; en
- b. de voorschriften, bedoeld in het het vierde lid, onder e en f.
Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften:
- a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en twee matrozen; en
- b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f.
Hoofdstuk 6. Geneeskundig onderzoek
Artikel 6.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- aanvrager: degene die in aanmerking wenst te komen voor de afgifte van:
- a. een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet met inbegrip van een CCR-kwalificatiecertificaat schipper als bedoeld in artikel 11.01, eerste lid, van het Rsp of een patent als bedoeld in artikel 11.02 van het Rsp,
- b. een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk artikel 5.11, eerste lid, of de artikelen 4.01 en 4.02 Rsp;
- c. een kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied;
- d. een kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied als bedoeld in artikel 7.6; of
- e. een zeilbewijs als bedoeld in artikel 7.9;
- arts: deskundige, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet en artikel 4.01, tweede lid, van het Rsp;
- scheidsrechter: deskundige, bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wet;
- medisch adviseur scheepvaart: medisch adviseur scheepvaart van de Minister, of diens plaatsvervanger;
- geneeskundig onderzoek: onderzoek, bedoeld in artikel 6.4, ter verkrijging van:
- a. een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet of een Rijnpatent als bedoeld in artikel 11.02 van het Rsp,
- b. een dienstboekje als bedoeld in respectievelijkartikel 5.11, eerste lid, alsmede de artikelen 4.01 en 4.02 Rsp;
- gezondheidsverklaring: verklaring, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het besluit.
Artikel 6.2
Een arts is de geneeskundige die bij beschikking op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen is aangewezen of de instelling die bij beschikking op grond van artikel 28, eerste lid, van de Binnenvaartwet is aangewezen.
Een scheidsrechter is de geneeskundige die bij beschikking op grond van artikel 32, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen is aangewezen. De scheidsrechter is niet degene door wie het eerste onderzoek is verricht.
Artikel 6.3
De aanvrager wendt zich voor een geneeskundig onderzoek tot een arts, niet zijnde de behandelend arts van de aanvrager.
De arts gaat niet tot een geneeskundig onderzoek over dan nadat de aanvrager zich heeft gelegitimeerd en de arts heeft kunnen vaststellen dat hij gezien de eerdere uitslagen of aantekeningen gerechtigd is de keuring te verrichten.
Artikel 6.4
De arts verricht het geneeskundig onderzoek op basis van de keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in bijlage 6.1.
Indien ingevolge bijlage 6.I een medisch rapport is voorgeschreven, dan wel bij twijfel of de aanvrager voldoet aan de keuringseisen, vraagt de arts de benodigde geneeskundige informatie op bij de behandelend arts. Bij het ontbreken van voldoende informatie verwijst de arts de aanvrager voor een deelonderzoek door naar een specialist.
Het geneeskundig onderzoek wordt door de arts afgerond na ontvangst van de informatie van de behandelend arts of de uitslag van het specialistisch deelonderzoek.
De arts maakt uitsluitend gebruik van het keuringsformulier en de formulieren voor de geneeskundige verklaring en het bericht van afkeuring die hem door de medisch adviseur scheepvaart kosteloos worden verstrekt.
De arts bewaart het keuringsformulier en eventuele andere stukken betrekking hebbende op het onderzoek, gedurende vijftien jaar.
Artikel 6.5
De aanvrager is geschikt als hij voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. De arts vermeldt bij geschiktheid van de aanvrager de uitslag van het geneeskundig onderzoek op de geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het model, opgenomen in bijlage 6.2 en verstrekt de geneeskundige verklaring aan de aanvrager.
Bij tijdelijke geschiktheid van de aanvrager verstrekt de arts de aanvrager een geneeskundige verklaring van tijdelijke geschiktheid.
In het geval, bedoeld in het tweede lid, vindt een volgende keuring plaats door dezelfde arts die de aanvrager tijdelijk geschikt heeft bevonden, dan wel diens opvolger of waarnemer, tenzij de medisch adviseur scheepvaart instemt met keuring door een andere arts.
Artikel 6.6
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)