Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie

Type Verdrag
Publication 2017-01-23
State In force
Source BWB
artikelen 311
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Partijen bij deze Overeenkomst,

Erkennende dat hun betrekkingen op het gebied van handel en economie dienen te zijn gericht op verhoging van de levensstandaard, werkgelegenheid voor iedereen en een ruim, gestaag toenemend reëel inkomen en een grote, gestaag toenemende effectieve vraag, en op uitbreiding van de produktie van en handel in goederen en diensten, met optimaal gebruik van de mondiale hulpbronnen in overeenstemming met het doel van duurzame ontwikkeling, waarbij ernaar wordt gestreefd zowel het milieu te beschermen en te behouden, als de middelen hiertoe uit te breiden op een wijze die tegemoetkomt aan hun onderscheiden behoeften en belangen op verschillende niveaus van economische ontwikkeling,

Voorts erkennende dat daadwerkelijke inspanningen noodzakelijk zijn om te verzekeren dat ontwikkelingslanden, en vooral de minstontwikkelde landen, een aandeel verwerven in de groei van de internationale handel dat evenredig is aan de behoeften van hun economische ontwikkeling,

Geleid door de wens bij te dragen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen door het aangaan, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel, van overeenkomsten die een aanzienlijke verlaging van douanetarieven en een aanzienlijke vermindering van andere handelsbelemmeringen, alsmede de afschaffing van discriminerende behandeling in het internationale handelsverkeer, beogen,

Derhalve vastbesloten een geïntegreerd, meer levensvatbaar en duurzaam multilateraal handelsstelsel te ontwikkelen, dat de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, de resultaten van in het verleden gedane pogingen tot handelsliberalisatie en alle resultaten van de Uruguay-Ronde van multilaterale handelsbesprekingen omvat,

Vastbesloten de aan dit multilaterale handelsstelsel ten grondslag liggende grondbeginselen en doelstellingen te beschermen en te bevorderen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel I. Oprichting van de organisatie

Hierbij wordt de Wereldhandelsorganisatie (hierna te noemen „de WTO”) opgericht.

Artikel II. Werkingssfeer van de WTO

1.

De WTO vormt het gemeenschappelijke institutionele kader voor het onderhouden van handelsbetrekkingen tussen haar Leden in aangelegenheden die verband houden met de verdragen en bijbehorende juridische instrumenten die zijn opgenomen in de Bijlagen bij deze Overeenkomst.

2.

De overeenkomsten en bijbehorende juridische instrumenten opgenomen in de Bijlagen 1, 2 en 3 (hierna te noemen de „Multilaterale Handelsovereenkomsten”) vormen een integrerend onderdeel van deze Overeenkomst, en zijn bindend voor alle Leden.

3.

De overeenkomsten en bijbehorende juridische instrumenten opgenomen in Bijlage 4 (hierna te noemen de „Plurilaterale Handelsovereenkomsten”) vormen eveneens een onderdeel van deze Overeenkomst voor de Leden die deze overeenkomsten hebben aanvaard, en zijn bindend voor die Leden. De Plurilaterale Handelsovereenkomsten scheppen geen verplichtingen of rechten voor Leden die deze niet hebben aanvaard.

4.

De Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel van 1994, zoals genoemd in Bijlage 1A (hierna te noemen „GATT-Overeenkomst van 1994”) staat juridisch los van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel van 30 oktober 1947, gehecht aan de slotakte van de Tweede Zitting van de Voorbereidende Commissie van de Conferentie der Verenigde Naties over Handel en Werkgelegenheid, zoals daarna verbeterd, geamendeerd of gewijzigd (hierna te noemen „GATT-Overeenkomst van 1947”).

Artikel III. Taken van de WTO

1.

De WTO vergemakkelijkt de toepassing, het beheer en de werking en bevordert de doelstellingen van deze Overeenkomst en van de Multilaterale Handelsovereenkomsten, en biedt tevens het kader voor de toepassing, het beheer en de werking van de Plurilaterale Handelsovereenkomsten.

2.

De WTO biedt het forum voor onderhandelingen tussen haar Leden betreffende hun multilaterale handelsbetrekkingen in aangelegenheden die het onderwerp zijn van de overeenkomsten in de bijlagen bij deze Overeenkomst. De WTO kan ook een forum zijn voor verdere onderhandelingen tussen haar Leden betreffende hun multilaterale handelsbetrekkingen, en een kader voor de toepassing van de resultaten van zulke onderhandelingen, wanneer de Ministeriële Conferentie hiertoe besluit.

3.

De WTO voert het beheer over het Memorandum van Overeenstemming inzake regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen (hierna te noemen „Memorandum inzake Geschillenbeslechting” of „DSU”), in Bijlage 2 bij deze Overeenkomst.

4.

De WTO voert het beheer over de Regeling inzake toetsing van het handelsbeleid, (hierna te noemen de „TPRM”) opgenomen in Bijlage 3 bij deze Overeenkomst.

5.

Met het oog op het bereiken van een grotere samenhang in de mondiale economische beleidsvorming werkt de WTO, als passend, samen met het Internationale Monetaire Fonds en met de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling en de daarmede verbonden organisaties.

Artikel IV. Structuur van de WTO

1.

Er is een Ministeriële Conferentie, bestaande uit vertegenwoordigers van alle Leden, die ten minste eenmaal per twee jaar bijeenkomt. De Ministeriële Conferentie verricht de taken van de WTO en neemt de hiertoe noodzakelijke maatregelen. De Ministeriële Conferentie heeft de bevoegdheid besluiten te nemen inzake alle aangelegenheden vallend onder Multilaterale Handelsovereenkomsten, indien daarom door een Lid is verzocht, overeenkomstig de specifieke vereisten voor de besluitvorming in deze Overeenkomst en in de desbetreffende Multilaterale Handelsovereenkomst.

2.

Er is een Algemene Raad, bestaande uit vertegenwoordigers van alle Leden, die als passend bijeenkomt. In de perioden tussen de bijeenkomsten van de Ministeriële Conferentie worden haar taken verricht door de Algemene Raad. De Algemene Raad verricht ook de hem in deze Overeenkomst opgedragen taken. De Algemene Raad stelt zijn eigen procedureregels vast en hecht zijn goedkeuring aan de procedureregels voor de in het zevende lid bedoelde Commissies.

3.

De Algemene Raad komt als passend bijeen om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden van het Orgaan voor Geschillenbeslechting voorzien in het Memorandum inzake Geschillenbeslechting. Het Orgaan voor Geschillenbeslechting heeft zijn eigen voorzitter en stelt de procedureregels vast die het nodig acht voor het nakomen van deze verantwoordelijkheden.

4.

De Algemene Raad komt als passend bijeen om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden van het Orgaan voor de toetsing van het handelsbeleid voorzien in de Regeling voor toetsing van het handelsbeleid in Bijlage 3. Het Orgaan voor de toetsing van het handelsbeleid heeft zijn eigen voorzitter en stelt de procedureregels vast die het nodig acht voor het nakomen van deze verantwoordelijkheden.

5.

Er is een Raad voor de Handel in goederen, een Raad voor de Handel in diensten en een Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (hierna te noemen de „Raad voor TRIPs”), die hun werkzaamheden verrichten onder het algemene toezicht van de Algemene Raad. De Raad voor de Handel in goederen ziet toe op de werking van de Multilaterale Handelsovereenkomsten in Bijlage 1A. De Raad voor de Handel in diensten ziet toe op de werking van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (hierna te noemen „de GATS”). De Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom ziet toe op de werking van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (hierna te noemen „de Overeenkomst inzake TRIPs”). Deze Raden verrichten de hun in de onderscheiden overeenkomsten en door de Algemene Raad opgedragen taken. Zij stellen hun onderscheiden procedureregels vast, onder voorbehoud van goedkeuring door de Algemene Raad. Het lidmaatschap van deze Raden staat open voor vertegenwoordigers van alle Leden. Deze Raden komen zo vaak bijeen als nodig is om hun taken te verrichten.

6.

De Raad voor de Handel in goederen, de Raad voor de Handel in diensten en de Raad voor TRIPs stellen de eventueel vereiste ondersteunende organen in. Deze ondersteunende organen stellen hun onderscheiden procedureregels vast, onder voorbehoud van goedkeuring door hun onderscheiden Raden.

7.

De Ministeriële Conferentie stelt in een Commissie inzake handel en ontwikkeling, een Commissie inzake beperkingen op grond van de betalingsbalans en een Commissie inzake begroting, financiën en administratie, die de taken verrichten welke hun zijn opgedragen in deze Overeenkomst en in de Multilaterale Handelsovereenkomsten en bijkomende taken hun opgedragen door de Algemene Raad, en kan bijkomende Commissies instellen met de door hem passend geachte taken. Als onderdeel van haar taken beziet de Commissie inzake handel en ontwikkeling periodiek de bijzondere bepalingen in de Multilaterale Handelsovereenkomsten ten gunste van de Leden die minstontwikkeld land zijn en brengt zij aan de Algemene Raad verslag uit met het oog op passende maatregelen. Het lidmaatschap van deze Commissies staat open voor vertegenwoordigers van alle Leden.

8.

De in de Plurilaterale Handelsovereenkomsten voorziene organen verrichten de taken die hun bij deze overeenkomsten zijn opgedragen en functioneren binnen het institutionele kader van de WTO. Deze organen houden de Algemene Raad regelmatig op de hoogte van hun werkzaamheden.

Artikel V. Betrekkingen met andere organisaties

1.

De Algemene Raad treft passende regelingen voor doeltreffende samenwerking met andere intergouvernementele organisaties met verantwoordelijkheden die verband houden met die van de WTO.

2.

De Algemene Raad kan passende regelingen treffen voor overleg en samenwerking met niet-gouvernementele organisaties die zich bezighouden met aangelegenheden die verband houden met die van de WTO.

Artikel VI. Secretariaat

1.

Er is een Secretariaat van de WTO (hierna te noemen „het Secretariaat”) met aan het hoofd een Directeur-Generaal.

2.

De Ministeriële Conferentie benoemt de Directeur-Generaal en neemt voorschriften aan waarin de bevoegdheden, taken, arbeidsvoorwaarden en ambtstermijn van de Directeur-generaal zijn vastgelegd.

3.

De Directeur-Generaal benoemt het personeel van het Secretariaat en bepaalt de taken en arbeidsvoorwaarden overeenkomstig de door de Ministeriële Conferentie aangenomen voorschriften.

4.

De verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal en van het personeel van het Secretariaat hebben een uitsluitend internationaal karakter. Bij de vervulling van hun taken vragen noch ontvangen de Directeur-Generaal en het personeel van het Secretariaat instructies van een regering of andere autoriteit buiten de WTO. Zij onthouden zich van elk optreden dat een nadelige weerslag zou kunnen hebben op hun positie als internationale functionarissen. De Leden van de WTO eerbiedigen het internationale karakter van de verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal en het personeel van het Secretariaat en pogen niet dezen te beïnvloeden bij de vervulling van hun taken.

Artikel VII. Begroting en bijdragen

1.

De Directeur-Generaal legt aan de Commissie inzake begroting, financiën en administratie de raming van de jaarlijkse begroting en het financieel overzicht van de WTO voor. De Commissie inzake begroting, financiën en administratie bestudeert de door de Directeur-Generaal voorgelegde raming van de jaarlijkse begroting en het financieel overzicht en doet daarover aanbevelingen aan de Algemene Raad. De raming van de jaarlijkse begroting is onderworpen aan goedkeuring door de Algemene Raad.

2.

De Commissie inzake begroting, financiën en administratie stelt aan de Algemene Raad financiële voorschriften voor, die bepalingen omvatten waarin is vastgelegd:

  • a. de schaal van bijdragen aan de hand waarvan de kosten van de WTO tussen haar Leden worden verdeeld; en
  • b. de maatregelen te nemen ten aanzien van Leden met een betalingsachterstand.

De financiële voorschriften zijn, voor zover uitvoerbaar, gebaseerd op de voorschriften en praktijken van de GATT-Overeenkomst van 1947.

3.

De Algemene Raad neemt de financiële voorschriften en de ramingen van de jaarlijkse begroting aan met een meerderheid van twee derde die meer dan de helft van de Leden van de WTO omvat.

4.

Elk Lid draagt onverwijld zijn aandeel in de kosten van de WTO bij aan de WTO in overeenstemming met de door de Algemene Raad aangenomen financiële voorschriften.

Artikel VIII. Status van de WTO

1.

De WTO bezit rechtspersoonlijkheid, en aan de WTO wordt door elk van haar Leden de rechtsbevoegdheid toegekend die nodig is voor de uitoefening van haar taken.

2.

Aan de WTO worden door elk van haar Leden de voorrechten en immuniteiten toegekend die nodig zijn voor de uitoefening van haar taken.

3.

Aan de functionarissen van de WTO en de vertegenwoordigers van de Leden worden eveneens door elk van haar Leden de voorrechten en immuniteiten toegekend die nodig zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun taken in verband met de WTO.

4.

De door een Lid aan de WTO, haar functionarissen en de vertegenwoordigers van de Leden toe te kennen voorrechten en immuniteiten zijn gelijk aan de voorrechten en immuniteiten bepaald in het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties, goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 21 november 1947.

5.

De WTO kan een zetelovereenkomst sluiten.

Artikel IX. Besluitvorming

1.

De WTO zet de praktijk voort van besluitvorming door middel van consensus die werd gehanteerd ingevolge de GATT-Overeenkomst van 19471)Het betrokken orgaan wordt geacht bij consensus een besluit te hebben genomen omtrent een daaraan voorgelegde aangelegenheid als geen enkel Lid dat aanwezig is op de bijeenkomst waarop het besluit wordt genomen, formeel bezwaar maakt tegen het voorgestelde besluit.. Behalve indien anders bepaald, wordt de aangelegenheid in kwestie, wanneer er geen besluit door middel van consensus wordt bereikt, beslist door stemming. Op vergaderingen van de Ministeriële Conferentie en de Algemene Raad heeft elk Lid van de WTO één stem. Wanneer de Europese Gemeenschappen hun stemrecht uitoefenen, hebben zij een aantal stemmen gelijk aan het aantal van hun lidstaten1)Het aantal stemmen van de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten mag in geen geval het aantal lidstaten van de Europese Gemeenschappen te boven gaan. die lid van de WTO zijn. Besluiten van de Ministeriële Conferentie en de Algemene Raad worden genomen met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen, tenzij in deze Overeenkomst of in de desbetreffende Multilaterale Handelsovereenkomst anders bepaald. Besluiten van de Ministeriële Conferentie en de Algemene Raad worden genomen met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen, tenzij in deze Overeenkomst of in de desbetreffende Multilaterale Handelsovereenkomst2)Besluiten van de Algemene Raad, wanneer deze bijeenkomt als Orgaan voor Geschillenbeslechting, worden slechts genomen in overeenstemming met de bepalingen van paragraaf 2.4 van het Memorandum inzake Geschillenbeslechting. anders bepaald.

2.

De Ministeriële Conferentie en de Algemene Raad hebben de uitsluitende bevoegdheid om interpretaties van deze Overeenkomst en van de Multilaterale Handelsovereenkomsten aan te nemen. In geval van een interpretatie van een Multilaterale Handelsovereenkomst in Bijlage 1, oefenen zij deze bevoegdheid uit op basis van een aanbeveling van de Raad die toeziet op de werking van die overeenkomst. Het besluit om een interpretatie aan te nemen wordt genomen met een drie vierde meerderheid van de Leden. Dit lid mag niet worden gehanteerd op een wijze die de wijzigingsbepalingen in artikel X zou ondermijnen.

3.

In uitzonderlijke omstandigheden kan de Ministeriële Conferentie besluiten een Lid van een door deze Overeenkomst of een Multilaterale Handelsovereenkomst opgelegde verplichting te ontheffen, mits een zodanig besluit wordt goedgekeurd door drie vierde 3)Een besluit een ontheffing te verlenen ten aanzien van een verplichting die is onderworpen aan een overgangstermijn of een termijn voor gefaseerde toepassing, welke verplichting het Lid dat het verzoek doet niet is nagekomen aan het einde van de desbetreffende termijn, wordt slechts bij consensus genomen. van de Leden.

  • a. Een verzoek om ontheffing betreffende deze Overeenkomst wordt ter bestudering aan de Ministeriële Conferentie voorgelegd ingevolge het gebruik van besluitvorming bij consensus. De Ministeriële Conferentie stelt een termijn van ten hoogste 90 dagen vast om het verzoek te bestuderen. Indien gedurende deze termijn geen consensus wordt bereikt, wordt een besluit om ontheffing te verlenen genomen door drie vierde van de Leden.
  • b. Een verzoek om ontheffing betreffende de Multilaterale Handelsovereenkomsten in de Bijlagen 1A of 1B of 1C en de bijlagen daarbij wordt aanvankelijk voorgelegd aan onderscheidenlijk de Raad voor de handel in goederen, de Raad voor de handel in diensten of de Raad voor TRIPs ter bestudering gedurende een termijn van ten hoogste 90 dagen. Aan het einde van de termijn legt de desbetreffende Raad een rapport voor aan de Ministeriële Conferentie.
4.

Een besluit van de Ministeriële Conferentie waarbij ontheffing wordt verleend dient de uitzonderlijke omstandigheden te vermelden die het besluit rechtvaardigen, de voorwaarden betreffende de toepassing van de ontheffing en de datum waarop de ontheffing eindigt. Een ontheffing voor een termijn van langer dan één jaar wordt door de Ministeriële Conferentie uiterlijk een jaar nadat zij is verleend opnieuw bezien en daarna elk jaar, totdat de ontheffing eindigt. Bij elke toetsing onderzoekt de Ministeriële Conferentie of de uitzonderlijke omstandigheden die de ontheffing rechtvaardigen nog steeds aanwezig zijn en of aan de aan de ontheffing verbonden voorwaarden is voldaan. Op basis van de jaarlijkse toetsing kan de Ministeriële Conferentie de ontheffing verlengen, wijzigen of beëindigen.

5.

Voor besluiten ingevolge een Plurilaterale Handelsovereenkomst, met inbegrip van besluiten inzake interpretaties en ontheffingen, gelden de bepalingen van die overeenkomst.

Artikel X. Wijzigingen

1.

Ieder Lid van de WTO kan een voorstel doen tot wijziging van de bepalingen van deze Overeenkomst of van de Multilaterale Handelsovereenkomsten in Bijlage 1 door een zodanig voorstel voor te leggen aan de Ministeriële Conferentie. De in artikel IV, lid 5, genoemde Raden kunnen ook voorstellen aan de Ministeriële Conferentie voorleggen tot wijziging van de bepalingen van de Multilaterale Handelsovereenkomsten in Bijlage 1 op de werking waarvan zij toezien. Gedurende een termijn van 90 dagen nadat het voorstel formeel tijdens de Ministeriële Conferentie is ingediend, dient een besluit van de Ministeriële Conferentie om de voorgestelde wijziging ter aanvaarding aan de Leden voor te leggen, bij consensus te worden genomen, tenzij de Ministeriële Conferentie besluit tot een langere termijn. In dat besluit wordt aangegeven of de bepalingen van de leden 3 of 4 van toepassing zijn, tenzij de bepalingen van de leden 2, 5 of 6 van toepassing zijn. Indien consensus is bereikt, legt de Ministeriële Conferentie de voorgestelde wijziging onverwijld aan de Leden voor ter aanvaarding. Indien niet binnen de vastgestelde termijn consensus is bereikt tijdens een vergadering van de Ministeriële Conferentie, besluit de Ministeriële Conferentie met een twee derde meerderheid van de Leden of de voorgestelde wijziging ter aanvaarding aan de Leden wordt voorgelegd. Behalve zoals bepaald in de leden 2, 5 en 6, zijn de bepalingen van lid 3 van toepassing op de voorgestelde wijziging, tenzij de Ministeriële Conferentie met een drie vierde meerderheid van de Leden besluit dat de bepalingen van lid 4 van toepassing zijn.

2.

Wijzigingen van de bepalingen van dit artikel en van de bepalingen van de hieronder genoemde artikelen worden slechts van kracht na aanvaarding door alle Leden:

  • Artikel IX van deze Overeenkomst;
  • De artikelen I en II van de GATT-Overeenkomst van 1994;
  • Artikel II:1 van de GATS;
  • Artikel 4 van de Overeenkomst inzake TRIP's.
3.

Wijzigingen van andere bepalingen van deze Overeenkomst of van de Multilaterale Handelsovereenkomsten in de Bijlagen 1A en 1C dan die genoemd in de leden 2 en 6, die van zodanige aard zijn dat daardoor de rechten en verplichtingen van de Leden zouden worden gewijzigd, worden voor de Leden die deze hebben aanvaard van kracht na aanvaarding door twee derde van de Leden en daarna voor elk ander Lid nadat dit de wijzigingen heeft aanvaard. De Ministeriële Conferentie kan met een drie vierde meerderheid van de Leden besluiten dat wijzigingen die ingevolge dit lid van kracht worden van zodanige aard zijn dat een Lid dat deze niet binnen een per geval door de Ministeriële Conferentie bepaalde termijn heeft aanvaard, vrij is zich terug te trekken uit de WTO of Lid te blijven met toestemming van de Ministeriële Conferentie.

4.

Wijzigingen van andere bepalingen van deze Overeenkomst of van de Multilaterale Handelsovereenkomsten in de Bijlagen 1A en 1C dan die genoemd in de leden 2 en 6, die van zodanige aard zijn dat daardoor de rechten en verplichtingen van de Leden niet worden gewijzigd, worden voor alle Leden van kracht na aanvaarding door twee derde van de Leden.

5.

Behalve zoals bepaald in lid 2 worden wijzigingen van de Delen I, II en III van de GATS en de onderscheiden bijlagen voor de Leden die deze wijzigingen hebben aanvaard van kracht na aanvaarding door twee derde van de Leden en daarna voor elk Lid dat deze wijzigingen aanvaardt. De Ministeriële Conferentie kan met een drie vierde meerderheid van de Leden besluiten dat wijzigingen die van kracht worden ingevolge de voorgaande bepaling, van zodanige aard zijn dat een Lid dat deze niet heeft aanvaard binnen een door de Ministeriële Conferentie per geval bepaalde termijn, vrij is zich terug te trekken uit de WTO of Lid te blijven met toestemming van de Ministeriële Conferentie. Wijzigingen van de Delen IV, V en VI van de GATS en de onderscheiden bijlagen worden voor alle Leden van kracht na aanvaarding door twee derde van de Leden.

6.

Niettegenstaande de andere bepalingen van dit artikel kunnen wijzigingen van de Overeenkomst inzake TRIP's, die voldoen aan de vereisten van artikel 71, lid 2, van die Overeenkomst door de Ministeriële Conferentie worden aangenomen zonder verdere formele aanvaardingsprocedure.

7.

Ieder Lid dat een wijziging van deze Overeenkomst of van een Multilaterale Handelsovereenkomst in Bijlage 1 aanvaardt, dient binnen de door de Ministeriële Conferentie bepaalde termijn voor aanvaarding een akte van aanvaarding neder te leggen bij de Directeur-Generaal van de WTO.

8.

Ieder Lid van de WTO kan een voorstel doen tot wijziging van de bepalingen van de Multilaterale Handelsovereenkomsten in de Bijlagen 2 en 3 door een zodanig voorstel voor te leggen aan de Ministeriële Conferentie. Het besluit om wijzigingen van de Multilaterale Handelsovereenkomst in Bijlage 2 goed te keuren dient bij consensus te worden genomen en deze wijzigingen worden van kracht voor alle Leden na goedkeuring door de Ministeriële Conferentie. Besluiten tot goedkeuring van wijzigingen van de Multilaterale Handelsovereenkomst in Bijlage 3 worden van kracht voor alle Leden na goedkeuring door de Ministeriële Conferentie.

9.

Op verzoek van de Leden die partij zijn bij een Handelsovereenkomst kan de Ministeriële Conferentie uitsluitend bij consensus besluiten die Overeenkomst toe te voegen aan Bijlage 4. Op verzoek van de Leden die partij zijn bij een Plurilaterale Handelsovereenkomst in Bijlage 4 kan de Ministeriële Conferentie besluiten die Overeenkomst uit Bijlage 4 te schrappen.

10.

Voor wijzigingen van een Plurilaterale Handelsovereenkomst gelden de bepalingen van die Overeenkomst.

Artikel XI. Oorspronkelijk lidmaatschap

1.

Op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden de partijen bij de GATT-Overeenkomst van 1947 en de Europese Gemeenschappen, mits zij deze Overeenkomst en de Multilaterale Handelsovereenkomst aanvaarden met inbegrip van de Lijsten van Concessies en Verbintenissen gehecht aan de GATT-Overeenkomst van 1994 alsmede de Lijsten van Specifieke Verbintenissen gehecht aan de GATS, oorspronkelijke Leden van de WTO.

2.

Van de als zodanig door de Verenigde Naties erkende minstontwikkelde landen wordt slechts verlangd dat zij verbintenissen aangaan en concessies doen in de mate die overeenstemt met hun individuele ontwikkeling, financiële behoeften en handelsbehoeften of hun administratieve en institutionele vermogens.

Artikel XII. Toetreding

1.

Iedere staat die of ieder afzonderlijk douanegebied dat volledige zelfstandigheid bezit in de buitenlandse handelsbetrekkingen of in de andere aangelegenheden geregeld in deze Overeenkomst en de Multilaterale Handelsovereenkomsten kan tot deze Overeenkomst toetreden op tussen deze staat of dat gebied en de WTO overeen te komen voorwaarden. Deze toetreding geldt voor deze Overeenkomst en de daaraan gehechte Multilaterale Handelsovereenkomsten.

2.

Besluiten inzake toetreding worden genomen door de Ministeriële Conferentie. De Ministeriële Conferentie hecht haar goedkeuring aan de overeenkomst omtrent de toetredingsvoorwaarden met een twee derde meerderheid van de Leden van de WTO.

3.

Voor toetreding tot een Plurilaterale Handelsovereenkomst gelden de bepalingen van die Overeenkomst.

Artikel XIII. Niet-toepassing van Multilaterale Handelsovereenkomsten tussen bepaalde Leden

1.

Deze Overeenkomst en de Multilaterale Handelsovereenkomsten in de Bijlagen 1 en 2 zijn niet van toepassing tussen een Lid en een ander Lid indien een van beide Leden, op het tijdstip waarop het Lid wordt, niet instemt met deze toepassing.

2.

Op het eerste lid kan tussen oorspronkelijke Leden van de WTO die Partij waren bij de GATT-Overeenkomst van 1947 slechts een beroep worden gedaan, wanneer eerder een beroep was gedaan op artikel XXXV van die Overeenkomst en dat artikel van toepassing was tussen die Overeenkomstsluitende Partijen op het tijdstip waarop deze Overeenkomst voor hen in werking treedt.

3.

Het eerste lid is slechts van toepassing tussen een Lid en een ander Lid dat ingevolge artikel XII toetreedt, indien het Lid dat niet met de toepassing instemt de Ministeriële Conferentie daarvan in kennis heeft gesteld vóór de goedkeuring van de overeenkomst inzake de toetredingsvoorwaarden door de Ministeriële Conferentie.

4.

Op verzoek van een Lid kan de Ministeriële Conferentie de werking van dit artikel in bepaalde gevallen toetsen en passende aanbevelingen doen.

5.

Voor niet-toepassing van een Plurilaterale Handelsovereenkomst tussen Partijen bij die Overeenkomst gelden de bepalingen van die Overeenkomst.

Artikel XIV. Aanvaarding en inwerkingtreding, en nederlegging van akten

1.

Deze Overeenkomst staat open voor aanvaarding, door ondertekening of op andere wijze, door de Partijen bij de GATT-Overeenkomst van 1947 en door de Europese Gemeenschappen die gerechtigd zijn oorspronkelijke Leden van de WTO te worden in overeenstemming met artikel XI van deze Overeenkomst. Deze aanvaarding geldt voor deze Overeenkomst en de daaraan gehechte Multilaterale Handelsovereenkomsten. Deze Overeenkomst en de daaraan gehechte Multilaterale Handelsovereenkomsten treden in werking op de datum door de Ministers bepaald in overeenstemming met paragraaf 3 van de Slotakte waarin de resultaten van de Uruguay-Ronde van de multilaterale handelsbesprekingen zijn neergelegd en blijft voor aanvaarding openstaan voor een tijdvak van twee jaar na die datum tenzij de Ministers anders besluiten. Aanvaarding na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst wordt van kracht op de dertigste dag na de nederlegging van de akte van aanvaarding.

2.

Een Lid dat deze Overeenkomst na de inwerkingtreding ervan aanvaardt, past de concessies en verplichtingen in de Multilaterale Handelsovereenkomsten die moeten worden toegepast in de loop van een termijn welke aanvangt op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst toe, alsof het deze Overeenkomst had aanvaard op de datum van inwerkingtreding.

3.

Tot de inwerkingtreding van deze Overeenkomst zijn de tekst van deze Overeenkomst en van de Multilaterale Handelsovereenkomsten nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Partijen bij de GATT-Overeenkomst van 1947. De Directeur-Generaal verstrekt onverwijld een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze Overeenkomst en van de Multilaterale Handelsovereenkomsten en een kennisgeving van elke aanvaarding daarvan, aan elke regering en aan de Europese Gemeenschappen die deze Overeenkomst aanvaardt. Deze Overeenkomst en de Multilaterale Handelsovereenkomsten en eventuele wijzigingen daarop worden bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de WTO.

4.

Op de aanvaarding en inwerkingtreding van een Plurilaterale Handelsovereenkomst zijn de bepalingen van die Overeenkomst van toepassing. Deze Overeenkomsten worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Partijen bij de GATT-Overeenkomst van 1947. Na inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden deze overeenkomsten nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de WTO.

Artikel XV. Terugtrekking

1.

Ieder Lid kan zich terugtrekken uit deze Overeenkomst. Deze terugtrekking geldt zowel voor deze Overeenkomst als voor de Multilaterale Handelsovereenkomsten en wordt van kracht na het verstrijken van zes maanden na de datum waarop de schriftelijke kennisgeving van terugtrekking door de Directeur-Generaal van de WTO is ontvangen.

2.

Voor de terugtrekking uit een Plurilaterale Overeenkomst gelden de bepalingen van die Overeenkomst.

Artikel XVI. Diverse bepalingen

1.

Behalve indien anders bepaald in deze Overeenkomst of in de Multilaterale Handelsovereenkomsten, laat de WTO zich leiden door de besluiten, procedures en gebruikelijke praktijken gehanteerd door de Partijen bij de GATT-Overeenkomst van 1947 en de in het kader van de GATT-Overeenkomst van 1947 ingestelde organen.

2.

Voor zover uitvoerbaar wordt het Secretariaat van de GATT-Overeenkomst van 1947 het Secretariaat van de WTO en treedt de Directeur-Generaal van de Partijen bij de GATT-Overeenkomst van 1947 op als Directeur-Generaal van de WTO, totdat de Ministeriële Conferentie een Directeur-Generaal heeft benoemd in overeenstemming met artikel VI, lid 2, van deze Overeenkomst.

3.

In geval van strijdigheid tussen een bepaling van deze Overeenkomst en een bepaling van een Multilaterale Handelsovereenkomst, is de bepaling van deze Overeenkomst doorslaggevend wat deze strijdigheid betreft.

4.

Elk Lid waarborgt dat zijn wetten, voorschriften en administratieve procedures overeenstemmen met zijn verplichtingen zoals bepaald in de aangehechte Overeenkomsten.

5.

Er mogen geen voorbehouden worden gemaakt ten aanzien van enige bepaling in deze Overeenkomst. Voorbehouden ten aanzien van enige bepaling van de Multilaterale Handelsovereenkomsten mogen slechts worden gemaakt voor zover voorzien in die Overeenkomsten. Met betrekking tot voorbehouden ten aanzien van een bepaling van een Plurilaterale Handelsovereenkomst gelden de bepalingen van die Overeenkomst.

6.

Deze Overeenkomst wordt geregistreerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

1. De Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 („GATT 1994”) bestaat uit:

a. de bepalingen in de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van 30 oktober 1947, gehecht aan de Slotakte die werd goedgekeurd aan het einde van de tweede zitting van de Voorbereidende Commissie van de Conferentie van de Verenigde Naties over Handel en Werkgelegenheid (exclusief het protocol van Voorlopige Toepassing), zoals verbeterd, herzien of gewijzigd via wettelijke instrumenten die vóór de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst van kracht werden;

b. de bepalingen van de onderstaande wettelijke instrumenten die krachtens GATT 1947 vóór de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst van kracht werden:

  • i. protocollen en certificaties betreffende tariefconcessies;
  • ii. toetredingsprotocollen (exclusief de bepalingen a betreffende voorlopige toepassing en intrekking van voorlopige toepassing en b krachtens welke Deel II van GATT 1947 voorlopig wordt toegepast voor zover zulks niet onverenigbaar is met de op de datum van het protocol bestaande wetgeving);
  • iii. besluiten betreffende krachtens artikel XXV van GATT 1947 toegekende ontheffingen die op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst nog van kracht zijn1)De onder deze bepaling vallende ontheffingen worden vermeld in voetnoot 7 op bladzijden 11 en 12 in deel II van document MTN-FA van 15 december 1993 en in MTN/FA/Corr. 6 van 21 maart 1994. De Ministeriële Conferentie stelt in haar eerste zitting een herziene lijst van onder deze bepaling vallende ontheffingen op waarop tevens alle krachtens GATT 1947 na 15 december 1993 en vóór de datum van de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst toegekende ontheffingen worden opgenomen en waarop de dan vervallende ontheffingen worden geschrapt.;
  • iv. andere besluiten van de Overeenkomstsluitende Partijen bij GATT 1947;

c. de hiernavolgende Memoranda van Overeenstemming:

  • i. Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel II, lid 1, sub b., van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994;
  • ii. Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XVII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994;
  • iii. Memorandum van Overeenstemming betreffende de betalingsbalansbepalingen van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994;
  • iv. Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994;
  • v. Memorandum van Overeenstemming betreffende ontheffingen van verplichtingen krachtens de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994;
  • vi. Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994; en

d. het Protocol van Marrakesh bij GATT 1994.

2. Verklarende aantekeningen:

a. Waar in de bepalingen van GATT 1994 „Overeenkomstsluitende Partij” staat, moet worden gelezen „Lid”. Waar staat „minder ontwikkelde Overeenkomstsluitende Partij” en „ontwikkelde Overeenkomstsluitende Partij” moet worden gelezen „een Lid dat een ontwikkelingsland is” en „een Lid dat een ontwikkeld land” is. Waar staat „Uitvoerend Secretaris” moet worden gelezen „Directeur-Generaal van de WTO”.

b. De verwijzingen naar een gezamenlijk optreden van de OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN in artikel XV, leden 1, 2 en 8, artikel XXXVIII en in de aantekeningen ad artikel XII en ad artikel XVIII alsmede in de bepalingen betreffende bijzondere valuta-overeenkomsten in artikel XV, leden 2, 3, 6, 7 en 9, van GATT 1994 moeten worden gezien als verwijzingen naar de WTO. De overige functies die de bepalingen van GATT 1994 aan de gezamenlijk optredende OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN toewijzen, worden door de Ministeriële Conferentie toegekend.

  • i. De tekst van GATT 1994 is authentiek in het Engels, Frans en Spaans.
  • ii. In de tekst van GATT 1994 in het Frans worden de in bijlage A bij document MTN.TNC/41 vermelde terminologische verbeteringen aangebracht.
  • iii. De authentieke tekst van GATT 1994 in het Spaans is de tekst in Volume IV van de Basic Instruments and Selected Document Series waarop de in bijlage B bij document MTN.TNC/41 vermelde terminologische wijzigingen worden aangebracht.

3

a. De bepalingen van Deel II van GATT 1994 zijn niet van toepassing op door een Lid getroffen maatregelen krachtens door dat Lid voordat het Overeenkomstsluitende Partij bij GATT 1947 werd vastgestelde specifieke verplichte wetgeving die het gebruik, de verkoop of (ver)huur van in het buitenland gebouwde of in het buitenland omgebouwde schepen voor commerciële toepassingen tussen punten in de nationale wateren of de wateren van een exclusieve economische zone verbiedt. Deze vrijstelling is van toepassing op: a. de handhaving of onmiddellijke verlenging van een niet-conforme bepaling van dergelijke wetgeving en b. de wijziging op een niet-conforme bepaling van dergelijke wetgeving, voor zover de wijziging de overeenstemming van de bepaling met deel II van GATT 1947 niet vermindert. Deze vrijstelling blijft beperkt tot maatregelen getroffen krachtens in het voorgaande beschreven wetgeving die vóór de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst wordt aangemeld en gespecificeerd. Indien dergelijke wetgeving vervolgens wordt gewijzigd om haar overeenstemming met Deel II van GATT 1994 te verminderen, komt zij niet langer in aanmerking om onder deze paragraaf te vallen.

b. De Ministeriële Conferentie onderzoekt deze vrijstelling op zijn laatst vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst opnieuw en vervolgens zolang de vrijstelling van kracht is om de twee jaar om te bezien of de voorwaarden die de noodzaak van de vrijstelling schiepen nog gelden.

c. Een Lid wiens maatregelen onder deze vrijstelling vallen, legt jaarlijks een gedetailleerd statistisch bericht over omvattende een zich over vijf jaar uitstrekkend voortschrijdend gemiddelde van feitelijke en verwachte leveringen van bedoelde schepen alsmede aanvullende informatie over het gebruik, de verkoop, de (ver)huur of het herstel van bedoelde onder deze vrijstelling vallende schepen.

d. Een Lid dat meent dat deze vrijstelling zo functioneert dat zij een wederkerige en evenredige beperking op het gebruik, de verkoop, de (ver)huur of het herstel van op het grondgebied van het Lid dat een beroep op de vrijstelling doet gebouwde schepen rechtvaardigt, is vrij een dergelijke beperking in te stellen, behoudens voorafgaande kennisgeving aan de Ministeriële Conferentie.

e. Deze vrijstelling laat in sectoriële overeenkomsten of in het kader van andere fora overeengekomen oplossingen betreffende specifieke aspecten van de onder deze vrijstelling vallende wetgeving onverlet.

De Leden komen het volgende overeen:

1

Met het oog op de doorzichtigheid van de wettelijke rechten en verplichtingen voortvloeiende uit lid 1, sub b. van artikel II worden de aard en het niveau van alle in die bepaling bedoelde „andere rechten of heffingen” die op geconsolideerde tariefposten worden geheven in de aan GATT 1994 gehechte Lijsten van concessies naast de tariefpost waarop zij betrekking hebben, vermeld. Overeengekomen wordt dat deze vermelding het wettelijk karakter van „andere rechten of heffingen” niet wijzigt.

2

De datum met ingang waarvan „andere rechten of heffingen” voor de toepassing van artikel II zijn geconsolideerd, is 15 april 1994. „Andere rechten of heffingen” worden derhalve in de met de op die datum geldende niveaus in de Lijsten vermeld. Bij alle volgende heronderhandelingen over een concessie of onderhandelingen over een nieuwe concessie wordt de geldende datum voor de tariefpost in kwestie de datum van opneming van de nieuwe concessie op de desbetreffende Lijst. De datum van het instrument via hetwelk een concessie ten aanzien van een bepaalde tariefpost voor het eerst in GATT 1947 of GATT 1994 werd opgenomen, zal evenwel ook in kolom 6 van de losbladige Lijsten blijven worden aangegeven.

3

Voor alle tariefconsolidaties vindt vermelding van „andere rechten of heffingen” plaats.

4

Wanneer ten aanzien van een tariefpost eerder een concessie werd toegekend, is het niveau van de in de desbetreffende Lijst vermelde „andere rechten of heffingen” niet hoger dan het niveau dat bij de eerste opneming van de concessie op die Lijst gold. Het staat ieder Lid vrij om het bestaan van een „ander recht of andere heffing” te betwisten op grond van het feit dat een dergelijk „ander recht of een dergelijke andere heffing” ten tijde van de oorspronkelijke consolidatie van de tariefpost in kwestie niet bestond alsmede op grond van de samenhang van het vermelde niveau van een „ander recht of andere heffing” met het eerder geconsolideerde niveau, en wel gedurende een periode van drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst of drie jaar na de datum van neerlegging bij de Directeur-Generaal van de WTO van het instrument via hetwelk bedoelde Lijst in GATT 1994 werd opgenomen, indien die datum later valt.

5

De vermelding van „andere rechten of heffingen” in de Lijsten laat hun verenigbaarheid met rechten en verplichtingen uit hoofde van GATT 1994 andere dan die waarop punt 4 betrekking heeft onverlet. Alle Leden behouden het recht om de verenigbaarheid van een „ander recht of andere heffing” met die verplichtingen te allen tijde te betwisten.

6

Voor de toepassing van dit Memorandum van Overeenstemming gelden de bepalingen van de artikelen XXII en XXIII van GATT 1994, zoals gepreciseerd en tenuitvoergelegd in het Memorandum van Overeenstemming inzake de beslechting van geschillen.

7

„Andere rechten of heffingen” die op een Lijst zijn weggelaten bij de nederlegging van het instrument via hetwelk die Lijst in GATT 1994 wordt opgenomen bij, tot de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, de Directeur-Generaal van de Overeenkomstsluitende Partijen van GATT 1947 of, daarna, bij de Directeur-Generaal van de WTO, worden later niet aan die Lijst toegevoegd en „andere rechten of heffingen” waarvoor een lager niveau werd aangegaan dan het bestaande op de geldende datum worden niet tot dat niveau verhoogd, tenzij dergelijke toevoegingen of wijzigingen binnen zes maanden na de datum van nederlegging van het instrument geschieden.

8

Het besluit in punt 2 betreffende de voor elke concessie geldende datum met het oog op de toepassing van lid 1, sub b. van artikel II van GATT 1994 doet het op 26 maart 1980 genomen besluit betreffende de geldende datum (BISD 27S/24) teniet.

De Leden,

Erop wijzende dat in artikel XVII voor de Leden verplichtingen worden vastgesteld ten aanzien van de activiteiten van de in lid 1 van dat Artikel bedoelde staatshandelsondernemingen, welke in overeenstemming moeten zijn met de algemene beginselen van non-discriminatoire behandeling voorgeschreven in GATT 1994 voor overheidsmaatregelen betreffende de invoer of uitvoer door particuliere handelaren;

Er voorts op wijzende dat de Leden zijn onderworpen aan hun verplichtingen uit hoofde van GATT 1994 wat betreft de overheidsmaatregelen die betrekking hebben op staatshandelsondernemingen;

Erkennende dat dit Memorandum de in artikel XVII beschreven essentiële disciplines onverlet laat;

Komen het volgende overeen:

1

Teneinde de doorzichtigheid van de activiteiten van staatshandelsondernemingen te verzekeren, melden de Leden de aan de volgende werkdefinitie beantwoordende ondernemingen bij de Raad voor de handel in goederen aan voor toetsing door de krachtens lid 5 op te richten werkgroep:

  • „Overheids- en niet-overheidsondernemingen, inclusief marketingbureaus, waaraan uitsluitende of bijzondere rechten of voorrechten zijn verleend, inclusief wettelijke of constitutionele bevoegdheden, bij de uitoefening waarvan zij door hun verkopen of aankopen het niveau of de koers van de in- of uitvoer beïnvloeden.”

Deze aanmeldingseis geldt niet voor de invoer van produkten die zijn bestemd voor onmiddellijk of eindverbruik door of voor rekening van de overheid of door de in het voorgaande beschreven ondernemingen en niet om te worden herverkocht of gebruikt bij de produktie van voor de verkoop bestemde goederen.

2

Elk Lid onderwerpt zijn beleid met betrekking tot de aanmelding van staatshandelsondernemingen bij de Raad voor de handel in goederen aan een onderzoek met inachtneming van het bepaalde in dit Memorandum. Bij dit onderzoek dient elk Lid rekening te houden met de noodzaak om bij zijn aanmeldingen een zo groot mogelijke doorzichtigheid te verzekeren zodat een duidelijk beeld kan worden verkregen van de functioneringswijze van de aangemelde ondernemingen en het effect van hun activiteiten op de internationale handel.

3

De aanmeldingen worden gedaan overeenkomstig de op 24 mei 1960 (BISD 9S/184-185) goedgekeurde vragenlijst betreffende de staatshandel, met dien verstande dat de Leden de in lid 1 bedoelde ondernemingen aanmelden ongeacht of er al dan niet inderdaad in- of uitvoer heeft plaatsgevonden.

4

Elk Lid dat reden heeft om aan te nemen dat een ander Lid niet op passende wijze aan zijn aanmeldingsplicht heeft voldaan, kan zulks opnemen met het betrokken Lid. Indien de zaak niet op bevredigende wijze wordt opgelost, kan het Lid bij de Raad voor de handel in goederen een tegenaanmelding aandoen die door de krachtens lid 5 opgerichte werkgroep moet worden onderzocht en waarvan het betrokken Lid tezelfdertijd op de hoogte wordt gesteld.

5

Namens de Raad voor de handel in goederen wordt een werkgroep opgericht die belast wordt met het onderzoek van aanmeldingen en tegenaanmeldingen. In het licht van dit onderzoek en onverminderd lid 4, sub c. van artikel XVII kan de Raad voor de handel in goederen aanbevelingen doen aangaande de toereikendheid van aanmeldingen en de noodzaak van verder informatie. De werkgroep onderzoekt in het licht van de ontvangen aanmeldingen tevens de geschiktheid van voornoemde vragenlijst inzake staatshandel en welke staatshandelsondernemingen krachtens lid 1 werden aangemeld. Zij stelt eveneens een enuntiatieve lijst op van de soorten betrekkingen tussen overheden en ondernemingen en de soorten activiteiten waarmee deze ondernemingen zich bezighouden en die voor de toepassing van artikel XVII van belang kunnen zijn. Overeengekomen wordt dat het secretariaat ten behoeve van de werkgroep een algemeen voorlichtingsdocument zal opstellen over de activiteiten van staatshandelsondernemingen die betrekking hebben op de internationale handel. Alle Leden die zulks wensen, kunnen deel uitmaken van de werkgroep die binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst bijeenkomt en vervolgens tenminste éénmaal per jaar. Zij brengt jaarlijks verslag uit aan de Raad voor de handel in goederen1)De activiteiten van deze werkgroep worden gecoördineerd met die van de werkgroep waarin deel III van het op 15 april 1994 goedgekeurde Ministerieel Besluit inzake aanmeldingsprocedures voorziet..

De Leden,

Erkennende de bepalingen van artikel XII en XVIII, deel B, van GATT 1994 en van de op 28 november 1979 goedgekeurde Verklaring inzake ter bescherming van de betalingsbalans genomen handelsmaatregelen (BISD 26S/205-209, in dit Memorandum de „Verklaring van 1979” genoemd) en teneinde deze bepalingen te verduidelijken1)Niets in dit Memorandum beoogt de rechten en verplichtingen van Leden krachtens de artikelen XII of XVIII, deel B, van GATT 1994 te wijzigen. Er kan een beroep worden gedaan op de bepalingen van de artikelen XXII en XXIII van GATT 1994, zoals gepreciseerd en tenuitvoergelegd in het Memorandum inzake beslechting van geschillen, voor zaken voortvloeiende uit de toepassing van ter bescherming van de betalingsbalans genomen beperkende invoermaatregelen..

De toepassing van maatregelen

1

De Leden bevestigen hun verbintenis tot het zo spoedig mogelijk bekendmaken van tijdschema's voor de opheffing van ter bescherming van de betalingsbalans getroffen beperkende invoermaatregelen. Overeengekomen wordt dat dergelijke tijdschema's zo nodig kunnen worden gewijzigd om rekening te houden met veranderingen in de betalingsbalanssituatie. Telkens wanneer een tijdschema niet door een Lid bekend wordt gemaakt, moet dat Lid de redenen waarom zulks niet geschiedde, opgeven.

2

De Leden bevestigen hun verbintenis tot het geven van de voorkeur aan die maatregelen die het handelsverkeer het minst verstoren. Dergelijke maatregelen (in dit Memorandum „op prijzen gebaseerde maatregelen” genoemd) omvatten aanvullende heffingen bij invoer, borgstellingsverplichtingen of andere soortgelijke handelsmaatregelen die van invloed zijn op de prijs van ingevoerde goederen. Er wordt overeengekomen dat ter bescherming van de betalingsbalans genomen op prijzen gebaseerde maatregelen, in afwijking van het bepaalde in artikel II, door een Lid kunnen worden toegepast bovenop de in de Lijst van dat Lid vermelde rechten. Voorts geeft dat Lid overeenkomstig de kennisgevingsprocedures van dit Memorandum duidelijk en afzonderlijk aan met welk bedrag de op prijzen gebaseerde maatregel het geconsolideerde recht overschrijdt.

3

De Leden streven naar voorkoming van het opwerpen van nieuwe kwantitatieve beperkingen ter bescherming van de betalingsbalans, tenzij op prijzen gebaseerde maatregelen wegens een kritieke betalingsbalanssituatie een plotselinge verslechtering van het saldo van het goederen- en dienstenverkeer niet tot stilstand kunnen brengen. Voor de gevallen waarin een Lid kwantitatieve beperkingen toepast, geeft het de redenen op waarom op prijzen gebaseerde maatregelen geen passend instrument zijn om de betalingsbalanssituatie op te lossen. Een Lid dat kwantitatieve beperkingen blijft opleggen, brengt bij successievelijk overleg verslag uit over de voortgang geboekt met het aanmerkelijk verminderen van de gevolgen en het beperkend effect van die maatregelen. Overeengekomen wordt dat hetzelfde produkt niet kan worden onderworpen aan meer dan één soort ter bescherming van de betalingsbalans getroffen beperkende invoermaatregel.

4

De Leden bevestigen dat ter bescherming van de betalingsbalans genomen beperkende invoermaatregelen slechts mogen worden toegepast om het algemene niveau van de invoer te regelen en niet meer mogen inhouden dan hetgeen in verband met de betalingsbalanssituatie noodzakelijk is. Ten einde bijkomende beschermende effecten tot een minimum te beperken, past een Lid de beperkingen op doorzichtige wijze toe. De autoriteiten van het importerende Lid motiveren de criteria op grond waarvan werd bepaald welke produkten aan beperkingen worden onderworpen op passende wijze. Zoals in lid 3 van artikel XII en lid 10 van artikel XVIII bepaald, kunnen de Leden ingeval van bepaalde essentiële produkten de toepassing van algemene aanvullende extra heffingen of andere ter bescherming van de betalingsbalans genomen maatregelen uitsluiten of beperken. Onder „essentiële produkten” worden verstaan produkten die beantwoorden aan fundamentele verbruiksbehoeften of een bijdrage leveren aan de inspanningen van het Lid ter verbetering van de betalingsbalanssituatie, zoals kapitaalgoederen of voor produktie benodigde inputs. Bij het beheer van kwantitatieve beperkingen maakt een Lid slechts gebruik van de toekenning van discretionaire vergunningen, wanneer zulks onvermijdelijk is en deze worden geleidelijk opgeheven. De gebruikte criteria ter vaststelling van toegestane invoerhoeveelheden of -waarden worden op passende wijze gemotiveerd.

Procedures voor overleg over de betalingsbalans

5

De Commissie inzake beperkingen ten behoeve van de betalingsbalans (in dit Memorandum de „Commissie” genoemd) pleegt overleg om alle ter bescherming van de betalingsbalans genomen beperkende invoermaatregelen te onderzoeken. Alle Leden die zulks wensen, kunnen zitting nemen in de Commissie. De Commissie volgt de op 28 april 1970 goedgekeurde procedures voor overleg over betalingsbalansbeperkingen (BISD 18S/48-53, in dit Memorandum „volledige overlegprocedures” genoemd) met inachtneming van onderstaande bepalingen.

6

Een Lid dat nieuwe beperkingen toepast of het algemene niveau van zijn bestaande beperkingen via aanzienlijke verscherping van de maatregelen verhoogt, pleegt binnen vier maanden na de invoering van die maatregelen overleg met de Commissie. Het Lid dat dergelijke maatregelen treft, kan krachtens lid 4, sub a. van artikel XII of lid 12, sub a. van artikel XVIII verzoeken om het plegen van overleg. Indien een dergelijk verzoek niet wordt ingediend, verzoekt de voorzitter van de Commissie het Lid om dergelijk overleg te plegen. Elementen die bij het overleg kunnen worden onderzocht, zijn ondermeer de invoering van nieuwe soorten beperkende maatregelen ter bescherming van de betalingsbalans of verhoging van het niveau van de beperkingen of uitbreiding van het toepassingsgebied van de door beperkingen getroffen produkten.

7

Alle ter bescherming van de betalingsbalans toegepaste beperkingen worden krachtens lid 4, sub b. van artikel XII of lid 12, sub b. van artikel XVIII regelmatig in de Commissie onderzocht, met dien verstande dat de mogelijkheid bestaat om het regelmatig overleg, na ruggespraak met het tot het plegen van overleg opgeroepen Lid of overeenkomstig een specifieke onderzoeksprocedure die door de Algemene Raad kan worden aanbevolen, te wijzigen.

8

Er kan overleg worden gepleegd volgens de op 19 december 1972 goedgekeurde vereenvoudigde procedures (BISD 20S/47-49, in dit Memorandum „vereenvoudigde overlegprocedures” genoemd) in het geval van Leden die minstontwikkelde landen zijn of in het geval van Leden die ontwikkelingslanden zijn welke liberalisatie-inspanningen verrichten overeenkomstig het bij eerder overleg aan de Commissie overgelegde schema. Er kan eveneens gebruik worden gemaakt van de vereenvoudigde overlegprocedures, wanneer de toetsing van het handelsbeleid van een Lid dat een ontwikkelingsland is voor hetzelfde kalenderjaar is gepland als het overleg. In dergelijke gevallen wordt het besluit of er gebruik moet worden gemaakt van de volledige overlegprocedures genomen op basis van de in punt 8 van de Verklaring van 1979 opgesomde factoren. Behalve in het geval van Leden die minstontwikkelde landen zijn, mag het overleg niet meer dan twee achtereenvolgende keren volgens de vereenvoudigde overlegprocedures plaatsvinden.

Kennisgeving en documenten

9

Een Lid stelt de Algemene Raad in kennis van de invoering van ter bescherming van de betalingsbalans getroffen beperkende invoermaatregelen of iedere wijzing in de toepassing van dergelijke maatregelen alsmede van iedere wijziging in de tijdschema's voor de opheffing van dergelijke maatregelen zoals in lid 1 uiteengezet. De Algemene Raad wordt van belangrijke wijzigingen in kennis gesteld vóór of op zijn laatst 30 dagen ná hun afkondiging. Elke Lid legt jaarlijks aan het secretariaat een samenvattende kennisgeving over waarin alle wijzigingen in wetten, regelingen, beleidsverklaringen of berichten aan het publiek zijn vervat, zodat de Leden daarvan kennis kunnen nemen. De kennisgevingen omvatten voor zover mogelijk volledige informatie op het niveau van de tarieflijn over het soort toegepaste maatregelen, de voor hun beheer gehanteerde criteria, welke produkten hieronder vallen en welke de getroffen handelsstromen zijn.

10

Op verzoek van een Lid kunnen de kennisgevingen door de Commissie worden onderzocht. Dergelijke onderzoeken zullen worden beperkt tot de verduidelijking van specifieke door een kennisgeving aan de orde gestelde punten of het bezien of overleg overeenkomstig lid 4, sub a. van artikel XII of lid 12, sub a. van artikel XVIII vereist is. Leden die redenen hebben om aan te nemen dat een beperkende invoermaatregel door een ander Lid getroffen, werd genomen ter bescherming van de betalingsbalans kunnen de Commissie daarop wijzen. De Voorzitter van de Commissie wint inlichtingen over de maatregel in die zij aan alle Leden doet toekomen. Onverminderd het recht van ieder lid van de Commissie om tijdens overleg om ter zake doende verduidelijkingen te vragen, kunnen van tevoren vragen aan het Lid dat tot het plegen van overleg wordt opgeroepen, worden overgelegd.

11

Het Lid dat tot het plegen van overleg wordt opgeroepen, werkt een basisdocument voor het overleg uit dat naast alle andere relevant geachte informatie moet omvatten: a. een overzicht van de betalingsbalanssituatie en -vooruitzichten, inclusief een uiteenzetting van de interne en externe factoren die van invloed zijn op de betalingsbalanssituatie en de interne beleidsmaatregelen die werden genomen om het evenwicht grondig en duurzaam te herstellen; b. een volledige beschrijving van de ter bescherming van de betalingsbalans toegepaste beperkingen, hun wettelijke grondslag en de genomen maatregelen om bijkomende beschermende effecten te verminderen; c. de sedert het laatste overleg in het licht van de conclusies van de Commissie genomen maatregelen ter liberalisatie van de invoerbeperkingen; d. een plan voor de opheffing en geleidelijke versoepeling van de resterende beperkingen. Er kan eventueel worden verwezen naar de in andere kennisgevingen of verslagen aan de WTO verstrekte informatie. In het kader van de vereenvoudigde overlegprocedures legt het Lid dat tot het plegen van overleg wordt opgeroepen een schriftelijke verklaring over waarin essentiële informatie over de elementen van het basisdocument wordt verstrekt.

12

Het secretariaat stelt met het oog op vergemakkelijking van het overleg in de Commissie een informatief document op waarin de verschillende aspecten van het plan voor overleg aan de orde komen. In het geval van Leden die ontwikkelingslanden zijn, omvat het document van het secretariaat relevante algemene en analytische gegevens over het effect van het externe handelsklimaat op de betalingsbalanssituatie en -vooruitzichten van het Lid dat tot het plegen van overleg wordt opgeroepen. Op verzoek van een Lid dat een ontwikkelingsland is, staan de technische bijstandsdiensten van het secretariaat het bij de opstelling van de documenten voor het overleg bij.

Conclusies van het betalingsbalansoverleg

13

De Commisie brengt over haar overleg verslag uit aan de Algemene Raad. Wanneer gebruik werd gemaakt van de volledige overlegprocedures dienen in het verslag de conclusies van de Commissie ten aanzien van aangaande de verschillende elementen van het plan voor overleg alsmede de feiten en gronden waarop zij zijn gebaseerd te worden vermeld. De Commissie streeft ernaar in haar conclusies voorstellen op te nemen voor aanbevelingen ter bevordering van de tenuitvoerlegging van de artikelen XII en XVIII, deel B, de Verklaring van 1979 en het onderhavige Memorandum. In die gevallen waarin een tijdschema voor de opheffing van ter bescherming van de betalingsbalans genomen beperkende maatregelen werd overgelegd, kan de Algemene Raad aanbevelen dat een Lid bij het naleven van dat tijdschema wordt geacht te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van GATT 1994. Wanneer de Algemene Raad specifieke aanbevelingen heeft gedaan, worden de rechten en verplichtingen van Leden in het licht van die aanbevelingen beoordeeld. Bij het ontbreken van specifieke voorstellen voor aanbevelingen van de Algemene Raad moeten de verschillende in de Commissie naar voren gebrachte meningen in de conclusies van de Commissie worden opgenomen. Wanneer er gebruik werd gemaakt van de vereenvoudigde overlegprocedures dient het verslag een samenvatting van de voornaamste in de Commissie besproken onderwerpen en een besluit over de vraag of volledige overlegprocedures vereist zijn te omvatten.

De Leden,

Gelet op het bepaalde in artikel XXIV van GATT 1994;

Erkennende dat douane-unies en vrijhandelszones sedert de vaststelling van GATT 1947 sterk in aantal en belang zijn toegenomen en thans een groot deel van de wereldhandel voor hun rekening nemen;

Erkennende de bijdrage die door nauwere integratie van de economieën van de partijen bij dergelijke overeenkomsten aan de uitbreiding van de wereldhandel kan worden geleverd;

Voorts erkennende dat deze bijdrage wordt verhoogd, indien de afschaffing van rechten en andere handelsbeperkende regelingen tussen de samenstellende gebieden zich uitstrekt tot alle handel, en wordt verminderd, indien een belangrijke handelssector van deze afschaffing wordt uitgesloten;

Opnieuw bevestigende dat het doel van dergelijke overeenkomsten vergemakkelijking van de handel tussen de samenstellende gebieden moet zijn en niet het opwerpen van belemmeringen voor de handel van andere Leden met dergelijke gebieden; en dat de partijen bij dergelijke overeenkomsten bij de totstandbrenging of uitbreiding daarvan het toebrengen van schade aan de handel van andere Leden zoveel mogelijk dienen te voorkomen;

Eveneens overtuigd van de noodzaak van versterking van de doeltreffendheid van de rol van de Raad voor de handel in goederen bij de toetsing van krachtens artikel XXIV aangemelde overeenkomsten door verduidelijking van de criteria en procedures voor de beoordeling van nieuwe of uitgebreide overeenkomsten, en verbetering van de doorzichtigheid van alle in het kader van artikel XXIV gesloten overeenkomsten;

Erkennende de noodzaak van een gemeenschappelijke interpretatie van de verplichtingen van de Leden krachtens lid 12 van artikel XXIV;

Komen het volgende overeen:

1

Douane-unies, vrijhandelszones en voorlopige overeenkomsten leidende tot de totstandbrenging van een douane-unie of vrijhandelszone moeten, om in overeenstemming met artikel XXIV te zijn, onder meer voldoen aan het bepaalde in de leden 5, 6, 7 en 8 van dat artikel.

Artikel XXIV, lid 5

2

De evaluatie krachtens lid 5, sub a. van artikel XXIV van de vóór en na de totstandbrenging van een douane-unie geldende rechten en andere handelsregelingen wordt voor wat de rechten en heffingen betreft, gebaseerd op een globale beoordeling van gewogen gemiddelde tarieven en geïnde douanerechten. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van voor een voorgaande representatieve periode door de douane-unie per tarieflijn, met vermelding van de waarde en het volume en het WTO-land van oorsprong, te verstrekken invoerstatistieken. Het secretariaat berekent de gewogen gemiddelde tarieven en geïnde douanerechten volgens de methodologie die werd gebruikt bij de beoordeling van de tijdens de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde gedane tariefaanbiedingen. In dit verband zijn de rechten en heffingen waarmee rekening moet worden gehouden de toegepaste rechten. Erkend wordt dat voor de globale beoordeling van andere handelsregelingen die moeilijk zijn te kwantificeren en bij elkaar op te tellen een onderzoek van de individuele maatregelen, regelingen, betrokken produkten en handelsstromen vereist kan zijn.

3

De in lid 5, sub c. van artikel XXIV genoemde „redelijke termijn” mag slechts in uitzonderlijke gevallen de tien jaar overschrijden. In de gevallen waarin de Leden die Partij bij een voorlopige overeenkomst zijn, menen dat 10 jaar onvoldoende is, dienen zij omstandig aan de Raad voor de handel in goederen uiteen te zetten waarom een langere periode noodzakelijk is.

Artikel XXIV, lid 6

4

In lid 6 van artikel XXIV wordt de te volgen procedure vastgesteld wanneer een Lid dat een douane-unie tot stand brengt, voornemens is een geconsolideerd recht te verhogen. In dit verband bevestigen de Leden opnieuw dat de in artikel XXVIII uiteengezette procedure, zoals die wordt gepreciseerd in de op 10 november 1980 goedgekeurde richtsnoeren (BISD 27S/26-28) en in het Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XXVIII van GATT 1994, moet worden aangevangen voordat er bij de totstandbrenging van een douane-unie of een voorlopige overeenkomst leidende tot de totstandbrenging van een douane-unie tariefconcessies worden gewijzigd of ingetrokken.

5

Deze onderhandelingen zullen te goeder trouw worden aangeknoopt met het oog op het treffen van een over en weer bevredigende compenserende regeling. Bij deze onderhandelingen wordt, zoals lid 6 van artikel XXIV vereist, naar behoren rekening gehouden met de door andere samenstellende delen van de douane-unie bij haar totstandbrenging uitgevoerde verlagingen van rechten op dezelfde tarieflijn. Mochten dergelijke verlagingen onvoldoende zijn om te zorgen voor de noodzakelijke compenserende correctie dan biedt de douane-unie compensatie die de vorm van verlagingen van rechten op andere tarieflijnen kan aannemen. Een dergelijk aanbod wordt in overweging genomen door de Leden die onderhandelingsrechten hebben voor de consolidatie die wordt gewijzigd of ingetrokken. Mocht de compenserende correctie nog steeds onaanvaardbaar zijn dan dienen de onderhandelingen te worden voortgezet. Indien er ondanks deze inspanningen niet binnen een redelijke termijn te rekenen vanaf het begin van de onderhandelingen overeenstemming kan worden bereikt bij de onderhandelingen over compensaties in het kader van artikel XXVIII, zoals gepreciseerd in het Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XXVIII van GATT '94, staat het de douane-unie niettemin vrij de concessies te wijzigen of in te trekken; de hierdoor getroffen Leden zijn dan overeenkomstig artikel XXVIII vrij om nagenoeg gelijkwaardige concessies in te trekken.

6

GATT 1994 verplicht Leden die ingevolge de totstandbrenging van een douane-unie of een voorlopige overeenkomst leidende tot de totstandbrenging van een douane-unie een verlaging van rechten genieten niet tot het verstrekken van compensaties aan de samenstellende delen van de douane-unie.

Onderzoek van douane-unies en vrijhandelszones

7

Alle krachtens lid 7, sub a. van artikel XXIV gedane mededelingen worden door een werkgroep onderzocht in het licht van de relevante bepalingen van GATT 1994 en lid 1 van dit Memorandum. De werkgroep legt aan de Raad voor de handel in goederen een rapport over haar bevindingen over. De Raad voor de handel in goederen kan de aanbevelingen aan de Leden doen die hij passend acht.

8

Ten aanzien van voorlopige overeenkomsten kan de werkgroep in haar rapport passende aanbevelingen doen aangaande de voorgestelde termijn en de maatregelen die nodig zijn om de douane-unie of vrijhandelszone tot stand te brengen. Zij kan, zo nodig, de overeenkomst verder onderzoeken.

9

De Leden die partij bij een voorlopige overeenkomst zijn, stellen de Raad voor de handel in goederen in kennis van substantiële wijzigingen in het in die overeenkomst opgenomen plan en tijdschema; de Raad onderzoekt de wijzigingen desgewenst.

10

Indien een voorlopige overeenkomst, waarvan krachtens lid 7, sub a., van artikel XXIV mededeling werd gedaan, in strijd met lid 5, sub c., van artikel XXIV, geen plan en tijdschema omvat, doet de werkgroep in haar rapport aanbevelingen voor een dergelijk plan en tijdschema. Partijen handhaven een dergelijke overeenkomst niet of doen haar niet in werking treden, indien zij niet bereid zijn haar in overeenstemming met deze aanbevelingen te wijzigen. Er wordt voorzien in onderzoek van de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen.

11

Douane-unies en samenstellende delen van vrijhandelszones brengen regelmatig verslag over de werking van de relevante overeenkomst uit aan de Raad voor de handel in goederen, zoals voorzien door de Overeenkomstsluitende Partijen bij GATT 1947 in hun instructie aan de Raad van GATT 1947 betreffende rapporten over regionale overeenkomsten (BISD 18S/38). Alle belangrijke veranderingen en/of ontwikkelingen in de overeenkomsten moeten, zodra zij zich voordoen, worden gemeld.

Geschillenbeslechting

12

Er kan een beroep worden gedaan op de bepalingen van artikel XXII en XXIII van GATT 1994, zoals gepreciseerd en toegepast in het Memorandum van Overeenstemming betreffende de beslechting van geschillen, voor wat betreft vraagstukken voortvloeiende uit de toepassing van de bepalingen van artikel XXIV betreffende douane-unies, vrijhandelszones of voorlopige overeenkomsten leidende tot de totstandbrenging van een douane-unie of vrijhandelszone.

Artikel XXIV, lid 12

13

Elk Lid is krachtens GATT 1994 volledig verantwoordelijk voor de naleving van alle bepalingen van GATT 1994 en neemt alle redelijke binnen zijn bereik liggende maatregelen teneinde een dergelijke naleving door de regionale en plaatselijke overheden en administraties binnen zijn grondgebied te verzekeren.

14

Er kan een beroep worden gedaan op de bepalingen van artikel XXII en XXIII van GATT 1994, zoals gepreciseerd en tenuitvoergelegd in het Memorandum van Overeenstemming betreffende de beslechting van geschillen, voor wat betreft door regionale of plaatselijke overheden en administraties binnen het grondgebied van een Lid genomen maatregelen die afbreuk doen aan de naleving van GATT 1994. Wanneer het Orgaan voor geschillenbeslechting heeft beslist dat een bepaling van GATT 1994 niet werd nagekomen, neemt het verantwoordelijke Lid alle redelijke binnen zijn bereik liggende maatregelen om de naleving van die bepaling te verzekeren. De bepalingen betreffende compensatie en schorsing van concessies of andere verplichtingen zijn van toepassing in de gevallen waarin het niet mogelijk was zich van deze naleving te verzekeren.

15

Elk Lid zegt toe een gewillig oor te zullen lenen aan door een ander Lid geuite protesten betreffende binnen het grondgebied van eerstgenoemde genomen maatregelen die afbreuk doen aan de werking van GATT 1994 en passende mogelijkheden tot overleg over dergelijke protesten te zullen bieden.

De Leden komen het volgende overeen:

1

Een verzoek om een ontheffing of verlenging van een bestaande ontheffing geeft een beschrijving van de maatregelen die het Lid voornemens is te nemen, de specifieke beleidsdoelstellingen die het Lid nastreeft en de gronden die het Lid verhinderen zijn beleidsdoelstellingen te bereiken via maatregelen die verenigbaar zijn met zijn verplichtingen uit hoofde van GATT 1994.

2

Iedere op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst van kracht zijnde ontheffing loopt teneinde, tenzij zij overeenkomstig voornoemde procedures en de procedures van artikel IX van de WTO-Overeenkomst wordt verlengd, op haar vervaldatum of twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, als laatstgenoemde datum eerder valt.

3

Elk Lid dat meent dat een hem krachtens GATT 1994 toekomend voordeel wordt teniet gedaan of uitgehold als gevolg van:

  • a. het in gebreke blijven van het Lid waaraan een ontheffing werd toegekend de daaraan verbonden voorwaarden in acht te nemen, of
  • b. de toepassing van een maatregel die in overeenstemming met de voorwaarden van de ontheffing is,

kan zich beroepen op de bepalingen van artikel XXIII van GATT 1994, zoals die zijn gepreciseerd en ten uitvoer gelegd in het Memorandum van Overeenstemming inzake de beslechting van geschillen.

De Leden komen het volgende overeen:

1

Ten behoeve van wijziging of intrekking van een concessie wordt het Lid met naar verhouding de hoogste onder deze concessie vallende uitvoer (dat wil zeggen uitvoer van het produkt naar de markt van het Lid dat de concessie wijzigt of intrekt) ten opzichte van zijn totale uitvoer geacht de voornaamste leverancier te zijn, indien het niet reeds beschikt over een oorspronkelijk onderhandelingsrecht of een belang als voornaamste leverancier, zoals bedoeld in lid 1 van artikel XXVIII. Er wordt evenwel overeengekomen dat dit lid vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst door de Raad voor de handel in goederen opnieuw zal worden bezien teneinde te besluiten of via dit criterium op bevredigende wijze een herschikking van onderhandelingsrechten ten gunste van kleine en middelgrote exporterende Leden kon worden bewerkstelligd. Indien dit niet het geval is, zullen eventuele verbeteringen worden overwogen, inclusief de overgang, in het licht van de beschikbaarheid van passende gegevens, op een criterium dat is gebaseerd op de verhouding tussen de onder de concessie vallende uitvoer en de uitvoer naar alle markten van het produkt in kwestie.

2

Wanneer een Lid meent een voornaamste leverancier in de zin van lid 1 te zijn, moet het zulks schriftelijk, vergezeld van bewijsmateriaal, mededelen aan het Lid dat voornemens is een concessie te wijzigen of in te trekken en tezelfdertijd het secretariaat hiervan op de hoogte stellen. Lid 4 van de op 10 november 1980 goedgekeurde „Procedures voor onderhandelingen krachtens artikel XXVIII” (BISD 27S/26-28) is in deze gevallen van toepassing.

3

Bij de vaststelling welke Leden voornaamste leveranciers (hetzij zoals bedoeld in vorenstaand lid 1, hetzij zoals bedoeld in lid 1 van artikel XXVIII) zijn of een substantieel belang hebben, wordt slechts rekening gehouden met de handel in het onder de concessie vallende produkt die op basis van de meestbegunstigingsclausule plaatsvond. Er wordt evenwel ook rekening gehouden met de handel in bedoeld produkt waarop niet contractuele preferenties van toepassing zijn, indien die handel ten tijde van de onderhandelingen over de wijziging of intrekking van de concessie niet langer voor een dergelijke preferentiële behandeling in aanmerking komt, en dus handel wordt waarop de meestbegunstigingsclausule van toepassing is, of door de afronding van die onderhandelingen in aanmerking zal komen.

4

Wanneer een tariefconcessie voor een nieuw produkt (dat wil zeggen een produkt waarvoor geen zich over drie jaar uitstrekkende handelsstatistieken voorhanden zijn) wordt gewijzigd of ingetrokken, wordt het Lid dat oorspronkelijke onderhandelingsrechten heeft voor de tarieflijn waaronder het produkt is of voorheen was ingedeeld, geacht een oorspronkelijke onderhandelingsrecht voor de concessie in kwestie te hebben. Bij de vaststelling wie de voornaamste leverancier is en een substantieel belang heeft en de berekening van compensatie wordt onder meer rekening gehouden met de produktiecapaciteit voor en investeringen in bedoeld produkt in het exporterende Lid en de geraamde stijging van de uitvoer alsmede met prognoses van de vraag naar het produkt in het importerende Lid. Voor de toepassing van dit lid wordt onder „nieuw produkt” mede verstaan een tariefpost die het gevolg is van een afscheiding van een bestaande tarieflijn.

5

Wanneer een Lid meent voornaamste leverancier te zijn of een substantieel belang te hebben in de zin van lid 4, dient het zulks schriftelijk, vergezeld van bewijsmateriaal, mede te delen aan het Lid dat voornemens is een concessie te wijzigen of in te trekken en tezelfdertijd het secretariaat van een en ander in kennis te stellen. Lid 4 van voornoemde „Procedures voor onderhandelingen krachtens artikel XXVIII” is in deze gevallen van toepassing.

6

Wanneer een onbeperkte tariefconcessie wordt vervangen door een tariefcontingent moet het totaal van de verstrekte compensatie het totaal van de daadwerkelijk door de wijziging van de concessie getroffen handel overschrijden. De grondslag voor de berekening van de compensatie moet het bedrag zijn waarmee toekomstige handelsvooruitzichten het niveau van het contingent overschrijden. Overeengekomen wordt dat de berekening van de toekomstige handelsvooruitzichten wordt gebaseerd op:

  • a. de gemiddelde jaarlijkse handel in de meest recente representatieve periode van drie jaar, verhoogd met het gemiddelde jaarlijkse groeipercentage van de invoer in diezelfde periode dan wel met 10%, indien dat een hogere uitkomst oplevert; of
  • b. de handel in het meest recente jaar verhoogd met 10%, indien deze uitkomst hoger uitvalt dan die sub a. In geen geval is de aansprakelijkheid van een Lid voor compensatie groter dan de compensatie die het gevolg zou zijn van volledige intrekking van de concessie.

7

Aan ieder Lid dat een belang van voornaamste leverancier , zoals bedoeld in vorenstaand lid 1 of in lid 1 van artikel XXVIII, heeft in een concessie die wordt gewijzigd of ingetrokken wordt een oorspronkelijk onderhandelingsrecht in de compenserende concessies toegekend, tenzij door de betrokken Leden een andere vorm van compensatie wordt overeengekomen.

De Leden,

Hebbende overeenkomstig de Ministeriële Verklaring betreffende de Uruguay-Ronde onderhandelingen gevoerd in het kader van GATT 1947,

Komen het volgende overeen:

1

De aan dit Protocol gehechte lijst betreffende een Lid wordt een lijst van GATT 1994 betreffende dat Lid op de dag waarop de WTO-Overeenkomst voor dat Lid van kracht wordt. Alle overeenkomstig het Ministeriële besluit inzake maatregelen ten behoeve van minstontwikkelde landen ingediende lijsten worden geacht aan dit Protocol te worden gehecht.

2

De door elk Lid toegezegde tariefverlagingen worden in vijf gelijke tariefverlagingsrondes uitgevoerd, behalve indien in een lijst van een Lid anders wordt bepaald. De eerste verlaging wordt op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst van kracht en elke volgende verlaging op 1 januari van elk van de daarop volgende jaren; het definitieve tarief wordt uiterlijk op de datum die vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst valt van kracht, behalve indien in de lijst van dat Lid anders wordt bepaald. Tenzij in zijn lijst anders wordt bepaald, doet een Lid dat de WTO-Overeenkomst na haar inwerkingtreding aanvaardt, op de datum waarop die overeenkomst voor dat Lid van kracht wordt, alle tariefverlagingen die reeds hebben plaatsgevonden, ingaan tezamen met de verlagingen die het Lid krachtens de voorgaande zin verplicht was op 1 januari van het volgende jaar te doen ingaan en doet het alle resterende tariefverlagingen ingaan volgens het in de vorige zin gegeven tijdschema. Het verlaagde tarief dient in elke etappe tot de eerste decimaal te worden afgerond. Voor landbouwprodukten als bedoeld in artikel 2 van de Overeenkomst inzake de landbouw vinden de verlagingen plaats zoals in de desbetreffende delen van de lijsten aangegeven.

3

De tenuitvoerlegging van de concessies en verbintenissen vervat in de aan dit Protocol gehechte lijsten wordt, desgewenst, onderworpen aan multilateraal onderzoek door de Leden. Zulks laat de rechten en verplichtingen van Leden krachtens overeenkomsten in bijlage 1A van de WTO-Overeenkomst onverlet.

4

Nadat de aan dit Protocol gehechte lijst betreffende een Lid overeenkomstig het bepaalde in lid 1 een lijst bij GATT 1994 is geworden, is een dergelijk Lid vrij om de concessie in die lijst ten opzichte van een produkt waarvan de voornaamste leverancier een andere deelnemer van de Uruguay-Ronde is wiens lijst nog geen lijst bij GATT 1994 is geworden, te allen tijde geheel of gedeeltelijk op te schorten of in te trekken. Dit kan evenwel slechts worden gedaan nadat de Raad voor de handel in goederen schriftelijk op de hoogte is gesteld van een dergelijke opschorting of intrekking van een concessie en nadat, desgevraagd, overleg is gepleegd met elk Lid wiens lijst een lijst bij GATT 1994 is geworden en dat een substantieel belang bij het betrokken produkt heeft. Alle aldus uitgevoerde opschortingen of intrekkingen vervallen vanaf de dag waarop de lijst van het Lid dat voornaamste leverancier is een lijst bij GATT 1994 wordt.

5

a. Onverminderd het bepaalde in lid 2 van artikel 4 van de Overeenkomst inzake de landbouw is met het oog op de verwijzing naar de datum van GATT 1994 in lid 1, sub b. en sub c., van artikel II van die overeenkomst, de geldende datum voor elk produkt dat het voorwerp vormt van een concessie waarin een aan dit Protocol gehechte lijst van concessies voorziet, de datum van dit Protocol.

b. Met het oog op de verwijzing naar de datum van GATT 1994 in lid 6, sub a. van artikel II van die overeenkomst, is de geldende datum voor een aan dit Protocol gehechte lijst van concessies de datum van dit Protocol.

6

In gevallen van wijziging of intrekking van concessies met betrekking tot de non-tarifaire maatregelen, vervat in deel III van de lijsten, zijn de bepalingen van artikel XXVIII van GATT 1994 en de op 10 november 1980 (BISD 27S/26-28) goedgekeurde „Procedures voor onderhandelingen overeenkomstig artikel XXVIII „ van toepassing. Zulks laat de rechten en verplichtingen van Leden uit hoofde van GATT 1994 onverlet.

7

Telkens wanneer een aan dit Protocol gehechte lijst voor een produkt resulteert in een minder gunstige behandeling dan voor dat produkt was voorzien in de lijsten van GATT 1947 vóór de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, wordt het Lid waarop de lijst betrekking heeft, geacht dezelfde passende stappen te hebben genomen als die welke nodig zouden zijn in het kader van de relevante bepalingen van artikel XXVIII van GATT 1947 of 1994. De bepalingen van dit Lid gelden slechts voor Egypte, Peru, Zuid-Afrika en Uruguay.

8

De aan dit Protocol gehechte lijsten zijn authentiek in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal naar gelang in elke lijst wordt aangegeven.

9

De datum van dit Protocol is 15 april 1994.

De Leden,

Besloten hebbende de grondslag te leggen voor een hervorming van de handel in landbouwprodukten volgens de in de Verklaring van Punta del Este vermelde onderhandelingsdoelstellingen;

Eraan herinnerend dat bij de Tussentijdse Evaluatie (Mid-Term Review-MTR) van de Uruguay-Ronde een billijk en marktgeoriënteerd handelssysteem voor landbouwprodukten als doelstelling voor de lange termijn is overeengekomen en dat via verbintenissen ten aanzien van ondersteuning en bescherming, alsmede door vaststelling van aangescherpte en efficiëntere GATT-regels en -disciplines een hervormingsproces op gang moet worden gebracht;

Er voorts aan herinnerend dat bovengenoemde lange–termijndoelstelling ertoe moet leiden dat gedurende een overeengekomen periode de ondersteuning en bescherming van de landbouw aanzienlijk en progressief wordt verlaagd, zodat restricties en distorsies op de wereldmarkten voor landbouwprodukten gecorrigeerd en voorkomen worden;

Vastbesloten om te komen tot specifieke verbintenissen ten aanzien van markttoegang, interne steun en concurrentie op exportgebied, alsmede tot een overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen;

Overeengekomen zijnde dat de Leden die ontwikkelde landen zijn bij de uitvoering van hun verbintenissen inzake markttoegang ten volle rekening zullen houden met de bijzondere behoeften en omstandigheden van Leden die ontwikkelingslanden zijn, door grotere verbeteringen in de mogelijkheden en voorwaarden voor markttoegang voor landbouwprodukten die van bijzonder belang zijn voor laatstgenoemde Leden, waaronder – zoals overeengekomen tijdens de MTR – een zo groot mogelijke vrijmaking van de handel in tropische landbouwprodukten, en ook voor produkten die van bijzonder belang zijn in het kader van overschakeling op de teelt van andere gewassen dan illegale gewassen voor de produktie van drugs;

Erop wijzende dat de verbintenissen in het kader van het hervormingsprogramma evenwichtig over alle Leden gespreid dienen te worden, rekening houdende met andere doelstellingen dan die op handelsgebied, zoals de continuïteit in de voedselvoorziening en de noodzaak tot bescherming van het milieu, en met de afspraak dat een bijzondere en afwijkende behandeling voor de ontwikkelingslanden een integrerend deel is van de onderhandelingen, alsmede met de mogelijke negatieve effecten van uitvoering van het hervormingsprogramma op de minstontwikkelde landen en op de landen die netto-importeur van voedsel zijn,

Komen het volgende overeen:

DEEL I

Artikel 1. Definities

In deze Overeenkomst en tenzij uit de context anders blijkt,

  • a. wordt onder „Geaggregeerde Steun” (Aggregate Measurement of Support) en „AMS” verstaan, de in geld uitgedrukte steun die per jaar voor een landbouwprodukt is verleend aan de producenten van het referentielandbouwprodukt en de niet-produktgebonden steun aan landbouwers in het algemeen, behalve de steun in het kader van programma's die op grond van Bijlage 2 bij deze 0vereenkomst zijn vrijgesteld van de steunverlagingsverbintenis, zijnde
  • i. wat betreft de basisperiode, de steun die is gespecificeerd in de relevante tabellen van de documentatie die via verwijzing daarnaar zijn opgenomen in Deel IV van de Lijst van een Lid, en
  • ii. wat betreft een jaar van de uitvoeringsperiode en van de periode daarna, de steun die is berekend overeenkomstig de bepalingen van Bijlage 3 bij deze overeenkomst daarbij rekening houdende met de gegevens en de methodes die zijn gebruikt voor de tabellen in de documentatie die via verwijzing daarnaar zijn opgenomen in Deel IV van de Lijst van een Lid;
  • b. wordt wat betreft de verbintenissen inzake interne steun onder „referentielandbouwprodukt” verstaan, het produkt dat zo kort mogelijk volgt op het produkt bij eerste verkoop en dat is gespecificeerd in de Lijst van een Lid en in de bijbehorende documentatie;
  • c. wordt onder „begrotingsuitgaven” ook verstaan, de gederfde inkomsten;
  • d. wordt onder „Equivalente Steun” (Equivalent Measurement of Support) verstaan, de in geld uitgedrukte steun die per jaar aan producenten van een referentielandbouwprodukt is verleend via een of meer maatregelen, maar waarvan de omvang niet kan worden berekend overeenkomstig de AMS-methode, behalve de steun in het kader van programma's die op grond van Bijlage 2 bij deze Overeenkomst zijn vrijgesteld van de steunverlagingsverbintenis, zijnde:
  • i. wat betreft de steun voor de basisperiode, de steun die is gespecificeerd in de relevante tabellen van de documentatie die via verwijzing zijn opgenomen in Deel IV van de Lijst van een Lid, en
  • ii. wat betreft de steun in een jaar van de uitvoeringsperiode en van de periode daarna, de steun die is berekend overeenkomstig de bepalingen van Bijlage 4 bij deze Overeenkomst daarbij rekening houdende met de gegevens en de methodes die zijn gebruikt voor de tabellen in de documentatie die via verwijzing zijn opgenomen in Deel IV van de Lijst van een Lid;
  • e. wordt onder „uitvoersubsidies” verstaan, subsidies die afhankelijk zijn van uitvoer, waaronder de uitvoersubsidies die zijn opgesomd in artikel 9 van deze Overeenkomst;
  • f. wordt onder „uitvoeringsperiode” verstaan, een periode van zes jaar ingaande in 1995, behalve voor artikel 13 waarvoor het gaat om een periode van negen jaar ingaande in 1995;
  • g. wordt onder „concessies inzake markttoegang” verstaan, alle verbintenissen inzake markttoegang die zijn aangegaan in het kader van deze Overeenkomst”;
  • h. wordt onder „Totale Geaggregeerde Steun” (Total Aggregate Measurement of Support”) en „Totale AMS” verstaan, het totaal van alle interne steun aan landbouwers, zijnde de som van alle AMS voor referentielandbouwprodukten, alle niet-produktgebonden AMS, alsmede alle Equivalente Steun voor landbouwprodukten, welke som:
  • i. zowel wat betreft de steun die is verleend in de basisperiode (d.w.z. het „Basisbedrag van de Totale AMS” – „Base Total AMS”), als het toegestane maximum per jaar van de uitvoeringsperiode en van de periode daarna (d.w.z. het Geconsolideerde Jaar- en Eindniveau van de Verbintenissen Annnual and Final Bound Commitment Levels) is gespecificeerd in Deel IV van de Lijst van een Lid, en
  • ii. wat betreft de steun die feitelijk is verleend in een jaar van de uitvoeringsperiode en van de periode daarna (d.w.z. de „Actuele Totale AMS” – „Current Total AMS”), is berekend overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, waaronder artikel 6, en de gegevens en methodes die zijn gebruikt voor de tabellen in de documentatie die via verwijzing daarnaar zijn opgenomen in Deel IV van de Lijst van een Lid;
  • i. wordt voor f) en voor de specifieke verbintenissen van een lid onder „jaar” verstaan, het kalenderjaar, begrotingsjaar of verkoopseizoen dat is gespecificeerd in de Lijst van het betrokken Lid.

Artikel 2. Produkten

Deze Overeenkomst is van toepassing op de produkten bedoeld in de lijst die is opgenomen in Bijlage 1 bij deze Overeenkomst, hierna „landbouwprodukten” genoemd.

DEEL II

Artikel 3. Integratie van concessies en verbintenissen

1.

De in Deel IV van de Lijst van een Lid vermelde verbintenissen inzake interne steun en uitvoersubsidies zijn verbintenissen tot beperking van de subsidiëring en zijn een integrerend deel van de GATT 1994.

2.

Onverminderd artikel 6 verleent een Lid de interne producenten geen steun boven de niveaus waartoe hij zich heeft verbonden en die zijn gespecificeerd in Sectie I van Deel IV van zijn Lijst.

3.

Onverminderd artikel 9, lid 2, b., en lid 4, geeft een Lid voor de landbouwprodukten of groepen produkten die zijn gespecificeerd in Sectie II van Deel IV van zijn Lijst geen uitvoersubsidies als vermeld in artikel 9, lid 1, boven de daarin gespecificeerde verbintenissen inzake begrotingsuitgaven en hoeveelheden, en geeft hij dergelijke subsidies ook niet voor landbouwprodukten die niet zijn gespecificeerd in die Sectie.

DEEL III

Artikel 4. Markttoegang

1.

De in de Lijsten opgenomen concessies inzake markttoegang betreffen consolidaties en verlagingen van tarieven, en andere daarin gespecificeerde verbintenissen inzake markttoegang.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)