Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie
Het bepaalde in artikel XXII van de GATT 1994, zoals uitgewerkt en toegepast bij het Memorandum van Overeenstemming inzake de Beslechting van Geschillen is op deze overeenkomst van toepassing.
Artikel 8. Regeling van geschillen
Het bepaalde in artikel XXII van de GATT 1994, zoals uitgewerkt en toegepast in het Memorandum van Overeenstemming inzake de Beslechting van Geschillen is op deze overeenkomst van toepassing.
DEEL IV. HARMONISERING VAN DE OORSPRONGSREGELS
Artikel 9. Doelstellingen en beginselen
Ten einde de oorsprongsregels te harmoniseren en, onder meer, de wereldhandel meer zekerheid te verschaffen, draagt de Ministeriële Conferentie tezamen met de IDR zorg voor de uitvoering van het hierna omschreven werkprogramma dat op de volgende beginselen is gebaseerd:
- a. De oorsprongsregels dienen voor alle in artikel 1 omschreven doeleinden op dezelfde wijze te worden toegepast.
- b. De oorsprongsregels dienen als oorsprong van een produkt het land aan te wijzen waar het produkt geheel en al is verkregen of, wanneer bij de vervaardiging van het produkt meer dan een land is betrokken, het land waar de laatste ingrijpende bewerking is verricht.
- c. De oorsprongsregels dienen objectief, duidelijk en voorspelbaar te zijn.
- d. De oorsprongsregels mogen noch rechtstreeks noch onrechtstreeks gebruikt worden als instrumenten om handelsdoeleinden te vervolgen, ongeacht de maatregel of het instrument waarmee ze eventueel zijn verbonden. Zij mogen niet van dien aard zijn dat zij de internationale handel beperken, vervalsen of verstoren. Zij mogen geen onnodig strenge eisen stellen of voor de bepaling van het land van oorsprong voorwaarden stellen die geen verband houden met de vervaardiging of bewerking van produkten. Kosten die geen rechtstreeks verband houden met de vervaardiging of bewerking mogen echter voor de toepassing van een op een ad-valorem-percentage gebaseerd criterium in aanmerking worden genomen.
- e. De oorsprongsregels dienen zo te zijn dat zij op een consequente, eenvormige, onpartijdige en redelijke wijze toegepast kunnen worden.
- f. De oorsprongsregels dienen onderling samen te hangen.
- g. De oorsprongsregels dienen op positieve criteria te zijn gebaseerd. Negatieve criteria mogen worden gebruikt om positieve te verduidelijken.
- a. Het werkprogramma zal zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst worden aangevat en zal binnen drie jaar worden voltooid.
- b. De in artikel 4 bedoelde Commissie en Technische Commissie zijn de geëigende organen voor de uitvoering van de hier bedoelde werkzaamheden.
- c. Met het oog op een nauwe samenwerking met de IDR, vraagt de Commissie de Technische Commissie om mededeling van de interpretaties en adviezen die uit de hieronder omschreven werkzaamheden, op basis van de in lid 1 omschreven beginselen, voortvloeien. Met het oog op een tijdige voltooiing van het harmoniseringswerkprogramma worden de werkzaamheden uitgevoerd per produktensector op basis van de verschillende hoofdstukken en afdelingen van de nomenclatuur van het Geharmoniseerd Systeem (GS).
- i. Geheel en al verkregen produkten en minimale be- of verwerkingen De Technische Commissie stelt geharmoniseerde definities op van: De resultaten van deze werkzaamheden worden de Commissie voorgelegd binnen drie maanden na ontvangst van diens verzoek.
- –. produkten die als geheel en al in één land verkregen kunnen worden beschouwd. Deze definities zijn zo gedetailleerd mogelijk;
- –. minimale be- of verwerkingen die op zich geen oorsprong verlenen.
- ii. Ingrijpende be- of verwerking – Verandering van tariefindeling
- Aan de hand van het criterium van de ingrijpende be- of verwerking, onderzoekt de Technische Commissie het gebruik van het begrip „verandering van tariefpost of van tariefpostonderverdelingen” bij het ontwikkelen van oorsprongsregels voor bepaalde produkten of een bepaalde produktsector en, zo nodig, de minimale wijziging binnen de nomenclatuur die aan dit criterium beantwoordt.
- De Technische Commissie verdeelt bovengenoemde werkzaamheden op produktbasis, volgens de hoofdstukken of afdelingen van de GS-nomenclatuur, zodat de resultaten van de werkzaamheden ten minste per kwartaal aan de Commissie worden voorgelegd. De Technische Commissie voltooit bovengenoemde werkzaamheden binnen een termijn van een jaar en drie maanden na ontvangst van het verzoek van de Commissie.
- iii. Ingrijpende be- of verwerking – Aanvullende criteria Voor elke produktsector of afzonderlijke produktcategorie waarvoor het aan de hand van de GS-nomenclatuur alleen niet mogelijk is van ingrijpende be- of verwerking te spreken, en nadat de werkzaamheden op grond van punt ii. zijn voltooid:
- –. onderzoekt de Technische Commissie, bij het ontwikkelen van oorsprongsregels voor bepaalde produkten of een bepaalde produktsector, aan de hand van het criterium van ingrijpende be- of verwerking, het gebruik, op aanvullende of exclusieve wijze, van andere criteria, met inbegrip van ad-valorem-percentagesWordt het ad-valorem-percentage toegepast, dan wordt de wijze van berekening van dit percentage ook in de oorsprongsregels aangegeven. en/of produktie- of verwerkingsprocessenWordt het criterium van het produktie- of het be- of verwerkingsproces toegepast, dan moet het proces dat oorsprong verleent nauwkeurig worden aangegeven.;1)Wordt het ad-valorem-percentage toegepast, dan wordt de wijze van berekening van dit percentage ook in de oorsprongsregels aangegeven. en/of produktie- of verwerkingsprocessen2)Wordt het criterium van het produktie- of het be- of verwerkingsproces toegepast, dan moet het proces dat oorsprong verleent nauwkeurig worden aangegeven.;
- –. kan de Technische Commissie uitleg geven over haar voorstellen;
- –. verdeelt de Technische Commissie bovengenoemde werkzaamheden op produktbasis, volgens de hoofdstukken of afdelingen van de GS-nomenclatuur, zodat resultaten van de werkzaamheden ten minste per kwartaal aan de Commissie kunnen worden voorgelegd. De Technische Commissie voltooit bovengenoemde werkzaamheden binnen een termijn van een jaar en drie maanden na ontvangst van het verzoek van de Commissie.
Op grond van de in lid 1 omschreven beginselen:
- a. onderzoekt de Commissie regelmatig de interpretaties en adviezen van de Technische Commissie overeenkomstig de in lid 2, onder c., alinea's i., ii. en iii. genoemde termijnen met het oog op de goedkeuring van deze interpretaties en adviezen. De Commissie kan de Technische Commissie verzoeken deze interpretaties en adviezen te verfijnen of nader uit te werken en/of een nieuwe aanpak te ontwikkelen. Ter ondersteuning van de Technische Commissie geeft de Commissie aan waarom het om bijkomende werkzaamheden, en, indien van toepassing, om een andere aanpak verzoekt;
- b. onderzoekt de Commissie, nadat de in lid 2, onder c., alinea's i., ii. en iii. genoemde werkzaamheden zijn afgesloten, het geheel van de resultaten op onderlinge samenhang.
De Ministeriële Conferentie stelt de resultaten van het harmoniseringswerkprogramma vast in een bijlage die een onderdeel van deze overeenkomst vormt.1)Hierbij zal tevens aandacht worden besteed over de regelingen van geschillen in verband met de indeling in het douanetarief. De Ministeriële Conferentie stelt de termijn voor de inwerkingtreding van deze bijlage vast.
De Leden,
Uit hoofde van de multilaterale handelsbesprekingen;
Geleid door de wens de doelstellingen van de GATT 1994 na te streven;
Met inachtneming van de bijzondere behoeften van de Leden die ontwikkelingslanden zijn op het gebied van handel, ontwikkeling en financiën;
Erkennende dat automatische invoervergunningen voor bepaalde doeleinden nuttig zijn en dat zij niet zouden moeten worden gebruikt om het handelsverkeer te beperken;
Erkennende dat invoervergunningen kunnen worden gebruikt om maatregelen te beheren zoals die welke krachtens de desbetreffende bepalingen van de GATT 1994 zijn aangenomen;
Rekening houdend met de bepalingen van de GATT 1994 die van toepassing zijn op de procedures op het gebied van invoervergunningen;
Geleid door de wens ervoor te zorgen dat de procedures op het gebied van invoervergunningen niet in strijd met de beginselen en verplichtingen van de GATT 1994 worden gebruikt;
Beseffend dat het verloop van de internationale handel kan worden belemmerd door het onjuiste gebruik van de procedures op het gebied van invoervergunningen;
Ervan overtuigd dat invoervergunningen, met name niet-automatische invoervergunningen, op een doorzichtige en voorspelbare manier dienen te worden toegepast;
Beseffend dat niet-automatische procedures op het gebied van vergunningen in administratief opzicht niet omslachtiger mogen zijn dan absoluut nodig is voor het beheer van de desbetreffende maatregel te beheren;
Geleid door de wens de in de internationale handel gebruikte administratieve procedures en gebruiken te vereenvoudigen en doorzichtig te maken alsmede erop toe te zien dat deze procedures en gebruiken op eerlijke en billijke wijze worden toegepast en beheerd;
Geleid door de wens te voorzien in de instelling van een overlegmechanisme en in de snelle, doeltreffende en rechtvaardige beslechting van de geschillen die zich in het kader van deze Overeenkomst kunnen voordoen,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Algemene bepalingen
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder formaliteiten inzake invoervergunningen verstaan de administratieve procedures 1)Die welke worden aangeduid met de term „vergunningen” alsmede andere soortgelijke administratieve procedures. die worden gebruikt voor de toepassing van regelingen inzake invoervergunningen waarvoor als voorwaarde voor de invoer op het douanegebied van het importerend lid wordt gesteld dat aan de bevoegde administratieve instantie een aanvraag of andere documenten (verschillend van de voor douanedoeleinden benodigde documenten) worden voorgelegd.
De Leden zien erop toe dat de administratieve procedures die worden gebruikt voor de tenuitvoerlegging van de regelingen inzake invoervergunningen in overeenstemming zijn met de desbetreffende bepalingen van de GATT 1994, de bijlagen en protocollen daarvan, zoals die door deze Overeenkomst worden uitgelegd, ten einde eventuele uit een onjuiste toepassing van deze procedures voortvloeiende distorsies van de handelsstromen te voorkomen, zulks met inachtneming van de doelstellingen inzake economische ontwikkeling en de behoeften op het gebied van financiën en handel van de Leden die ontwikkelingslanden zijn.2)Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst mag zo worden opgevat dat op grond van deze Overeenkomst twijfel bestaat over de grondslag, het toepassingsgebied of de geldigheidsduur van een door middel van een vergunningprocedure toegepaste maatregel.
De voorschriften betreffende de procedures op het gebied van invoervergunningen zijn wat de toepassing ervan betreft, neutraal en worden op eerlijke en billijke wijze beheerd.
- a. De voorschriften en alle inlichtingen betreffende de procedures voor de indiening van aanvragen, met inbegrip van de voorwaarden waaronder personen, ondernemingen of instellingen in aanmerking komen om zulke aanvragen in te dienen, alsmede de lijsten van produkten waarvoor een vergunning is vereist, worden bekendgemaakt in de bronnen waarvan kennisgeving is gedaan aan de Commissie voor invoervergunningen als bedoeld in artikel 4 (in deze Overeenkomst „de Commissie” genoemd) opdat de regeringen3)Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt de term „regeringen” geacht de bevoegde autoriteiten van de Europese Gemeenschappen te omvatten. en handelaren hiervan kennis kunnen nemen. Deze bekendmaking moet, wanneer zulks doenlijk is, 21 dagen vóór de datum waarop het voorschrift ingaat en alleszins niet na die datum plaatsvinden. Alle uitzonderingen op, afwijkingen van of wijzigingen in hetzij de voorschriften betreffende de procedures op het gebied van invoervergunningen, hetzij de lijsten van produkten waarvoor een invoervergunning is vereist, worden eveneens op dezelfde wijze en binnen bovenvermelde termijn bekendgemaakt. Exemplaren van deze bekendmakingen worden eveneens ter beschikking gesteld van het Secretariaat.
- b. Leden die schriftelijk opmerkingen wensen te maken worden indien zij daarom verzoeken, in de gelegenheid gesteld deze opmerkingen te bespreken. Het betrokken Lid dient terdege rekening te houden met deze opmerkingen en met de resultaten van de bespreking.
De aanvraagformulieren en, in voorkomend geval, de vernieuwingsformulieren zijn zo eenvoudig mogelijk. Bij de aanvraag kan worden verzocht om documenten en inlichtingen die absoluut noodzakelijk worden geacht voor de goede werking van de regeling inzake vergunningen.
De aanvraagprocedures en, in voorkomend geval, de vernieuwingsprocedures zijn zo eenvoudig mogelijk. De aanvragers beschikken over een redelijke termijn voor de indiening van de vergunningaanvragen. Indien er een uiterste datum is vastgesteld dient die termijn ten minste 21 dagen te bedragen met de mogelijkheid om de termijn te verlengen in gevallen waarin er binnen die termijn onvoldoende aanvragen zijn ontvangen. De aanvragers dienen zich voor een aanvraag slechts tot één administratieve instantie te wenden. Indien de aanvragers zich tot meer dan één administratieve instantie moeten wenden mag dit aantal niet hoger liggen dan drie.
Geen enkele aanvraag wordt afgewezen op grond van kleine vergissingen in de documentatie waardoor de daarin verstrekte basisgegevens niet worden gewijzigd. Voor verzuimen of vergissingen die kennelijk zonder frauduleuze bedoeling of niet door ernstige nalatigheid in de documenten of in de procedures zijn geslopen worden geen hogere boetes opgelegd dan bij wijze van waarschuwing alleen nodig is.
Met een vergunning ingevoerde goederen worden niet afgewezen op grond van kleine variaties in waarde, hoeveelheid of gewicht ten opzichte van de op de vergunning vermelde cijfers, zulks ten gevolge van verschillen die tijdens het vervoer zijn ontstaan, verschillen in verband met de verlading van de goederen als stortgoed dan wel andere kleine verschillen die verenigbaar zijn met normale handelsgebruiken.
De deviezen die nodig zijn voor de betaling van met een vergunning ingevoerde goederen worden op dezelfde basis ter beschikking gesteld van de houders van invoervergunningen als van de importeurs van goederen waarvoor geen invoervergunning is vereist.
Ten aanzien van de uitzonderingen om redenen van veiligheid zijn de bepalingen van artikel XXI van de GATT 1994 van toepassing.
De bepalingen van deze Overeenkomst verplichten de Leden er niet toe vertrouwelijke inlichtingen te onthullen waarvan de verspreiding een belemmering zou vormen voor de toepassing van de wetgeving, strijdig zou zijn met het openbaar belang of afbreuk zou doen aan de rechtmatige handelsbelangen van openbare of particuliere ondernemingen.
Artikel 2. Automatische invoervergunningen1)De procedures inzake invoervergunningen waarvoor borgstelling is vereist en die geen beperkende invloed op de invoer hebben, moeten worden geacht te vallen onder de bepalingen van leden 1 en 2.
Onder automatische invoervergunningen worden invoervergunningen verstaan die op aanvraag in alle gevallen worden toegekend en die in overeenstemming zijn met de voorschriften van lid 2, sub a..
Naast artikel 1, leden 1 tot en met 11 en artikel 2, lid 1, zijn de volgende bepalingen2)Alle Leden die ontwikkelingslanden zijn, andere dan die welke Partij waren bij de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen van 12 april 1979, die door de voorschriften sub a. ii. en iii. specifieke moeilijkheden ondervinden, kunnen na kennisgeving aan het Comité de toepassing van het bepaalde in deze alinea's uitstellen voor een periode van ten hoogste twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop de WTO-Overeenkomst voor die Leden in werking treedt. van toepassing op de procedures inzake automatische invoervergunningen:
- a. de procedures inzake automatische invoervergunningen worden niet zodanig beheerd dat zij restrictieve gevolgen hebben voor de invoer waarvoor een automatische vergunning geldt. Automatische invoervergunningen worden geacht een beperkende invloed te hebben op de handel, tenzij, onder meer:
- i. alle personen, ondernemingen of instellingen die voldoen aan de door het importerend Lid voorgeschreven wettelijke voorwaarden om invoerhandelingen met betrekking tot de aan een automatische invoervergunning onderworpen produkten te verrichten, gelijkelijk in aanmerking komen om invoervergunningen aan te vragen en te verkrijgen;
- ii. de aanvragen voor invoervergunningen op elke werkdag vóór de inklaring van de goederen kunnen worden ingediend;
- iii. de naar behoren en in hun geheel ingediende aanvragen voor invoervergunningen onmiddellijk na ontvangst worden goedgekeurd voor zover dat in administratief opzicht mogelijk is en in ieder geval binnen een maximumtermijn van tien werkdagen;
- b. de Leden erkennen dat automatische invoervergunningen noodzakelijk kunnen zijn wanneer er geen andere passende procedures bestaan. De automatische invoervergunningen kunnen gehandhaafd blijven zolang de omstandigheden die aan de invoering ervan ten grondslag liggen blijven bestaan of zolang de fundamentele administratieve doelstellingen ervan niet op passender wijze kunnen worden verwezenlijkt.
Artikel 3. Niet-automatische invoervergunningen
Naast artikel 1, leden 1 tot en met 11, zijn de volgende bepalingen van toepassing op de procedures inzake niet-automatische invoervergunningen. Onder niet-automatische invoervergunningen worden invoervergunningen verstaan die niet onder de definitie in artikel 2, lid 1, vallen.
Niet-automatische invoervergunningen mogen voor de invoerhandel geen restrictieve noch verstorende gevolgen hebben naast die welke door de instelling van de beperking worden veroorzaakt. Niet-automatische invoervergunningen moeten wat hun toepassingsgebied en duur betreft beantwoorden aan de maatregel waarvan zij de toepassing beogen en mogen in administratief opzicht niet omslachtiger zijn dan absoluut nodig is voor het beheer van de maatregel.
In het geval van vergunningvoorwaarden voor andere doeleinden dan de toepassing van kwantitatieve beperkingen, publiceren de Leden voldoende informatie opdat de andere Leden en handelaren zouden weten op welke basis de vergunningen zijn toegekend en/of toegewezen.
Wanneer een Lid personen, ondernemingen of instellingen in de mogelijkheid stelt uitzonderingen op of afwijkingen van vergunningvoorwaarden aan te vragen, dient het Lid dit te vermelden in de overeenkomstig artikel 1, lid 4, gepubliceerde inlichtingen en mede te delen hoe een dergelijke aanvraag moet worden ingediend en, voor zover mogelijk, onder welke omstandigheden de verzoeken in aanmerking kunnen worden genomen.
- a. De leden verstrekken op verzoek van elk Lid dat belang heeft bij de handel in het betrokken produkt, alle dienstige inlichtingen betreffende:
- i. de toepassing van de beperkingen;
- ii. de tijdens een recente periode toegekende invoervergunningen;
- iii. de verdeling van deze vergunningen tussen de leverende landen;
- iv. wanneer zulks doenlijk is, invoerstatistieken (d.w.z. waarde en/of omvang) betreffende de produkten waarvoor een invoervergunning is vereist. Van de Leden die ontwikkelingslanden zijn wordt niet verwacht dat zij uit dien hoofde extra administratieve of financiële lasten op zich nemen;
- b. de Leden die door middel van vergunningen contingenten beheren, delen de totale omvang en/of de totale waarde van de toe te passen contingenten mede, alsook de begin- en einddata daarvan en elke wijziging ter zake, binnen de in artikel 1, lid 4, vermelde termijnen en op zulke wijze dat de regeringen en handelaren hiervan kennis kunnen nemen;
- c. in het geval van tussen de leverende landen verdeelde contingenten stelt het Lid dat de beperking toepast alle andere Leden die belang hebben bij de levering van het betrokken produkt onverwijld in kennis van het aandeel van het contingent, uitgedrukt in omvang of waarde, dat voor de lopende periode aan de verschillende leverende landen is toegekend en publiceert het deze inlichtingen binnen de in artikel 1, lid 4, vermelde termijnen en op zulke wijze dat de regeringen en handelaren hiervan kennis kunnen nemen;
- d. wanneer de openingsdatum van de contingenten als gevolg van de situatie moet worden vervroegd, moeten de in artikel 1, lid 4, bedoelde inlichtingen binnen de in artikel 1, lid 4, vermelde termijnen worden gepubliceerd en op zulke wijze dat de regeringen en handelaren hiervan kennis kunnen nemen;
- e. alle personen, ondernemingen of instellingen die voldoen aan de door het importerend Lid voorgeschreven wettelijke en administratieve voorwaarden komen gelijkelijk in aanmerking om invoervergunningen aan te vragen en te verlangen dat hun aanvragen in overweging worden genomen. Indien een aanvraag voor een vergunning niet wordt ingewilligd, wordt de reden daarvan op verzoek bekendgemaakt aan de aanvrager die overeenkomstig de nationale wetgeving of procedures van het invoerend Lid recht van beroep of van herziening heeft;
- f. de termijn voor de behandeling van aanvragen is, behalve wanneer dit niet mogelijk is om redenen buiten de wil van het Lid, niet langer dan 30 dagen indien de aanvragen worden onderzocht wanneer zij worden ontvangen, d.w.z. in de volgorde waarin zij binnenkomen, en niet langer dan 60 dagen indien alle aanvragen tegelijk worden onderzocht. In laatstgenoemd geval wordt de periode voor de behandeling van de aanvragen geacht aan te vangen op de dag volgend op de einddatum van de voor de indiening van de aanvragen aangekondigde termijn;
- g. de geldigheidsduur van de invoervergunningen is redelijk en niet zo kort dat de invoer hierdoor wordt belemmerd. De invoer uit verre landen mag hierdoor niet worden belemmerd, behalve in speciale gevallen waarin de invoer noodzakelijk is om te voorzien in onverwachte behoeften op korte termijn;
- h. bij het beheer van de contingenten verhinderen de Leden niet dat de invoer overeenkomstig de afgegeven invoervergunningen wordt verricht en trachten zij niet volledige gebruik van de contingenten tegen te gaan;
- i. bij de afgifte van invoervergunningen houden de Leden rekening met de wenselijkheid invoervergunningen af te geven die overeenkomen met in economisch opzicht belangrijke hoeveelheden produkten;
- j. bij de verdeling van de invoervergunningen moeten de Leden rekening houden met de vroegere door de aanvrager verrichte invoer. In dit verband dient rekening te worden gehouden met het feit of de in het verleden aan de aanvragers afgegeven vergunningen volledig zijn gebruikt tijdens een recente referentieperiode. In de gevallen waarin de vergunningen niet volledig zijn gebruikt, onderzoekt het Lid de redenen daarvoor en houdt rekening met die redenen bij de verdeling van nieuwe vergunningen. Er dient ook te worden op toegezien dat een redelijke toewijzing van invoervergunningen aan nieuwe importeurs plaatsvindt, zulks met inachtneming van de wenselijkheid om invoervergunningen af te geven die overeenkomen met in economisch opzicht belangrijke hoeveelheden produkten. In dit verband dient speciale aandacht te worden geschonken aan de importeurs die produkten van oorsprong uit Leden die ontwikkelingslanden zijn, met name Leden die minstontwikkelde landen zijn, importeren;
- k. in het geval van door middel van invoervergunningen beheerde contingenten die niet tussen die leverende landen worden verdeeld, hebben de houders van een invoervergunning1)Soms „houders van contingenten” genoemd. de vrije keuze van de invoerbron. In geval van tussen de leverende landen verdeelde contingenten vermeldt de vergunning duidelijk het land of de landen;
- l. bij de toepassing van de bepalingen van artikel 1, lid 8, kunnen de toekomstige verdelingen van invoervergunningen worden aangepast ter compensatie van die invoer die het vroegere niveau van de vergunningen overschrijdt.
Artikel 4. Instellingen
Hierbij wordt een Commissie Invoervergunningen ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van elk der Leden. De Commissie kiest haar voorzitter en vice-voorzitter en komt zo vaak noodzakelijk is bijeen om de Leden in de gelegenheid te stellen overleg te plegen over alle vraagstukken met betrekking tot de toepassing van deze Overeenkomst of de bevordering van de doelstellingen ervan.
Artikel 5. Kennisgeving
Leden die vergunningprocedures instellen of wijzigingen in die procedures aanbrengen stellen de Commissie daarvan in kennis binnen 60 dagen te rekenen vanaf de bekendmaking.
De kennisgevingen van het instellen van procedures op het gebied van invoervergunningen moeten de volgende inlichtingen bevatten:
- a. een lijst van de aan de vergunningprocedures onderworpen produkten;
- b. de persoon of dienst waarbij inlichtingen kunnen worden verkregen over de ontvankelijkheidscriteria;
- c. de administratieve instantie of instanties waarbij de aanvragen moeten worden ingediend;
- d. de datum en naam van de publikatie waarin de procedures inzake vergunningen zijn bekendgemaakt;
- e. de vermelding of de procedure inzake vergunningen automatisch dan wel niet-automatisch is, overeenkomstig de bepalingen in artikelen 2 en 3;
- f. in het geval van automatische procedures inzake invoervergunningen hun administratief doel;
- g. in het geval van niet-automatische procedures inzake invoervergunningen vermelding van de maatregel die door de procedure inzake vergunningen ten uitvoer wordt gelegd;
- h. de verwachte duur van de procedure inzake vergunningen indien zij met enige zekerheid kan worden geschat en, indien dit niet mogelijk is, de reden waarom deze informatie niet kan worden verstrekt.
In de kennisgevingen van wijzigingen in de procedures op het gebied van invoervergunningen moeten de bovengenoemde elementen worden vermeld indien daarin wijzigingen zijn aangebracht.
De Leden delen aan de Commissie mee in welke publikatie(s) de in artikel 1, lid 4, gevraagde inlichtingen zullen worden bekendgemaakt.
Elk belanghebbend Lid dat van oordeel is dat een ander Lid van de instelling van een vergunningprocedure of van wijzigingen daarin geen kennisgeving heeft gedaan overeenkomstig de bepalingen van leden 1 tot en met 3 kan de zaak onder de aandacht van dat ander Lid brengen. Indien vervolgens niet terstond kennisgeving wordt gedaan, mag dit Lid zelf kennisgeving doen van de vergunningprocedure of van wijzigingen daarin, met inbegrip van alle ter zake dienende en beschikbare inlichtingen.
Artikel 6. Overleg en beslechting van geschillen
Het overleg en de beslechting van geschillen voor wat betreft elk vraagstuk met betrekking tot de toepassing van deze Overeenkomst vallen onder de procedures van de artikelen XXII en XXIII van de GATT 1994, als uitgewerkt in en ten uitvoer gelegd door het memorandum van overeenstemming inzake de beslechting van geschillen.
Artikel 7. Onderzoek
De Commissie stelt naargelang van de noodzaak, maar ten minste eenmaal per twee jaar, een onderzoek in naar de tenuitvoerlegging en de toepassing van deze Overeenkomst, zulks met inachtneming van de doelstellingen daarvan en de daarin vervatte rechten en verplichtingen.
Het Secretariaat stelt als basis voor het onderzoek door de Commissie een feitenverslag op aan de hand van de uit hoofde van artikel 5 verstrekte inlichtingen, de antwoorden op de jaarlijkse vragenlijst over procedures op het gebied van invoervergunningen1)Oorspronkelijk rondgedeeld als document L/3515 van 23 maart 1971 van GATT 1947. en andere ter zake dienende betrouwbare inlichtingen waarover het beschikt. Dit verslag dient een samenvatting te bevatten van bovengenoemde inlichtingen, waarin met name alle wijzigingen of ontwikkelingen tijdens de beschouwde periode, met inbegrip van alle andere door de Commissie overeengekomen inlichtingen, zijn vermeld.
De Leden verbinden zich ertoe de jaarlijkse vragenlijst over procedures op het gebied van invoervergunningen onverwijld en volledig in te vullen.
De Commissie stelt de Raad voor de handel in goederen in kennis van de feiten die zich hebben voorgedaan gedurende de periode waarop dit onderzoek betrekking heeft.
Artikel 8. Slotbepalingen
Zonder toestemming van de andere Leden mag geen voorbehoud ten aanzien van de bepalingen van deze Overeenkomst worden gemaakt.
- a. Ieder Lid zorgt er uiterlijk op de datum waarop de WTO-Overeenkomst wat hem betreft in werking treedt, voor dat zijn wetten, regelingen en administratieve procedures in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst.
- b. Ieder Lid stelt de Commissie in kennis van iedere wijziging in zijn wetten en regelingen met betrekking tot de bepalingen van deze Overeenkomst alsmede in de toepassing van deze wetten en regelingen.
DEEL I. : ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definitie van een subsidie
1.1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt een subsidie geacht te bestaan indien:
- a. 1. een overheid of een overheidsinstantie (in deze Overeenkomst „overheid” genoemd) een financiële bijdrage levert binnen het gebied van een Lid, dat wil zeggen, wanneer of
- i. een overheidspraktijk een directe overdracht van middelen (bijv. schenkingen, leningen en deelname in het maatschappelijk kapitaal), een mogelijke directe overdracht van middelen of een verbintenis (bijv. het garanderen van een lening) inhoudt;
- ii. een overheid afstand doet van inkomsten die haar normaal toekomen of deze niet int (bijv. belastingmaatregelen zoals belastingkredieten1)Overeenkomstig artikel XVI van de GATT 1994 (Ad artikel XVI) en het bepaalde in de Bijlagen I tot en met III van deze Overeenkomst, wordt de vrijstelling, ten behoeve van een exportprodukt, van rechten en belastingen die worden geheven op het soortgelijke produkt dat voor binnenlands gebruik is bestemd, of de terugbetaling of kwijtschelding van deze rechten en belastingen voor bedragen die niet hoger zijn dan de gestorte of verschuldigde bedragen, niet als subsidie beschouwd.;
- iii. een overheid andere goederen of diensten levert dan de algemene infrastructuur of goederen aankoopt;
- iv. een overheid betalingen verricht aan een financieringsmechanisme of indien zij een particulier orgaan met een of meer van de onder i. tot en met iii. hierboven genoemde soorten functies belast die zij normalerwijze zelf vervult of indien zij het particuliere orgaan daartoe opdracht geeft, en de praktijk in werkelijkheid niet afwijkt van praktijken die overheden normalerwijze volgen;
- a. 2. indien er sprake is van enige vorm van bescherming van inkomen of steun aan prijzen in de zin van artikel XVI van de GATT 1994; en
- b. indien hierdoor een voordeel wordt toegekend.
1.2. Het bepaalde in Deel II of in Deel III of V is uitsluitend van toepassing op een subsidie in de zin van lid 1 indien deze subsidie specifiek is in de zin van artikel 2.
Artikel 2. Specificiteit
2.1. Om te bepalen of een subsidie, als in artikel 1, lid 1, omschreven, specifiek is voor een onderneming of bedrijfstak of groep ondernemingen (in deze Overeenkomst „bepaalde ondernemingen” genoemd) binnen het rechtsgebied van de subsidieverlenende autoriteit zijn de volgende beginselen van toepassing:
- a. Een subsidie is specifiek wanneer de subsidieverlenende autoriteit of de wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit handelt, de mogelijkheid subsidie te verkrijgen uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen beperkt.
- b. Een subsidie is niet specifiek indien de subsidieverlenende autoriteit objectieve criteria of voorwaarden1)Onder de hier genoemde objectieve criteria of voorwaarden worden criteria of voorwaarden verstaan die bepaalde ondernemingen niet ten opzichte van andere begunstigen en die economisch van aard en horizontaal van toepassing zijn, zoals het aantal werknemers of de grootte van de onderneming. hanteert voor de toekenning van subsidies en de hoogte ervan, of indien zulke criteria of voorwaarden zijn neergelegd in de wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit handelt, voor zover de toekenning dan automatisch is en de criteria en voorwaarden strikt in acht worden genomen. De criteria of voorwaarden moeten in de wetten, voorschriften of andere officiële documenten duidelijk zijn omschreven zodat controle mogelijk is.
- c. Indien, ondanks het feit dat op grond van het bepaalde onder a. en b. er geen sprake lijkt te zijn van specificiteit, er toch redenen zijn om aan te nemen dat een subsidie specifiek is, kunnen andere factoren in aanmerking worden genomen, zoals gebruik van een subsidieregeling door een beperkt aantal bepaalde ondernemingen, overheersend gebruik door bepaalde ondernemingen, de toekenning van onevenredig hoge bedragen subsidie aan bepaalde ondernemingen en de wijze waarop de subsidieverlenende autoriteit bij het besluit subsidie te verlenen van haar discretionaire bevoegdheid gebruik maakt2)In dit verband wordt met name de frequentie waarmee aanvragen om subsidies worden afgewezen of ingewilligd en de redenen daarvan in aanmerking genomen.. Bij de toepassing van deze alinea wordt rekening gehouden met de mate van diversificatie van de economische activiteiten binnen het rechtsgebied van de subsidieverlenende autoriteit en de tijd gedurende welke de subsidieregeling van kracht is.
2.2. Een subsidie die tot bepaalde ondernemingen in een afgebakend geografisch gebied binnen het rechtsgebied van een subsidieverlenende autoriteit is beperkt, is specifiek, met dien verstande dat de vaststelling of wijziging van algemeen geldende belastingtarieven door alle overheidsinstanties die daartoe zijn gerechtigd niet geacht wordt een specifieke subsidie te zijn in de zin van deze Overeenkomst.
2.3. Een subsidie waarop het bepaalde in artikel 3 van toepassing is, wordt geacht specifiek te zijn.
2.4. De vaststelling dat er sprake is van een specifieke subsidie op grond van het bepaalde in dit artikel, moet duidelijk met positief bewijsmateriaal zijn onderbouwd.
DEEL II. : VERBODEN SUBSIDIES
Artikel 3. Verbod
3.1. Behoudens het bepaalde in de Overeenkomst inzake Landbouw zijn de volgende subsidies, in de zin van artikel 1, verboden:
- a. subsidies die, rechtens of in feite1)Aan deze norm wordt voldaan wanneer uit de feiten blijkt dat de toekenning van een subsidie, zonder dat deze rechtens van exportprestaties afhankelijk is, in feite gebonden is aan de bestaande of verwachte export of van exportinkomsten. Het feit alleen dat een subsidie aan ondernemingen wordt toegekend die exporteren is op zich niet voldoende om te concluderen dat deze subsidie een exportsubsidie in de zin van deze bepaling is., uitsluitend of onder meer van exportprestaties afhankelijk zijn, met inbegrip van de in Bijlage I genoemde subsidies2)Maatregelen die volgens Bijlage I niet als exportsubsidies kunnen worden aangemerkt zijn volgens deze of enige andere bepaling van deze Overeenkomst niet verboden.;
- b. subsidies die uitsluitend of onder meer afhankelijk zijn van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen.
3.2. Een Lid mag de in lid 1 genoemde subsidies niet verlenen of in stand houden.
Artikel 4. Rechtsmiddelen
4.1. Indien een Lid redenen heeft om aan te nemen dat een verboden subsidie door een ander Lid wordt verleend of in stand gehouden, kan dit Lid om overleg met dit andere Lid verzoeken.
4.2. Een verzoek om overleg op grond van lid 1 bevat een opgave van het materiaal waaruit het bestaan en de aard van de betrokken subsidie zou blijken.
4.3. Het Lid waarvan wordt vermoed dat het de betrokken subsidie verleent of in stand houdt, gaat zo spoedig mogelijk op het in lid 1 bedoelde verzoek om overleg in. Dit overleg heeft ten doel de feitelijke situatie op te helderen en overeenstemming over een oplossing te bereiken.
4.4. Indien partijen binnen 30 dagen1)Alle in dit artikel genoemde termijnen kunnen in onderling overleg worden verlengd. na het verzoek om overleg geen overeenstemming over een oplossing hebben bereikt, kan een Lid dat bij dit overleg partij is de zaak het Orgaan Geschillenbeslechting (hierna „DSB” (Dispute Settlement Body) genoemd) voorleggen ten einde onverwijld een panel te laten instellen, tenzij het DSB bij consensus besluit geen panel in te stellen.
4.5. Na te zijn ingesteld kan het panel verzoeken, bij het onderzoek of de betrokken maatregel een verboden subsidie is, te worden bijgestaan door de Permanente Groep Deskundigen2)Bij artikel 24 ingesteld. (hierna „PGE” (Permanent Group of Experts) genoemd). De PGE onderzoekt desgevraagd de stukken waaruit het bestaan en de aard van de betrokken maatregel zou blijken en stelt het Lid dat deze maatregel toepast of handhaaft in de gelegenheid aan te tonen dat deze maatregel geen verboden subsidie is. De PGE deelt het panel binnen de door het panel vastgestelde termijn zijn conclusies mede. De conclusies van de PGE over het feit of de betrokken maatregel een verboden subsidie is worden door het panel zonder wijzigingen aanvaard.
4.6. Het panel legt zijn definitieve verslag voor aan de partijen bij het geschil. Het verslag wordt binnen 90 dagen na de instelling van het panel en de omschrijving van diens opdracht aan alle Leden toegezonden.
4.7. Is de conclusie dat de betrokken maatregel een verboden subsidie is, dan doet het panel de aanbeveling dat het subsidieverlenende Lid de subsidie onmiddellijk intrekt. Het panel geeft in zijn verslag de termijn aan waarbinnen de maatregel moet worden ingetrokken.
4.8. Het verslag van het panel wordt, binnen 30 dagen nadat het aan alle Leden is toegezonden, door het DSB aanvaard, tenzij een partij bij het geschil het DSB officieel van haar besluit in kennis stelt in beroep te gaan of het DSB bij consensus besluit het verslag niet goed te keuren.
4.9. Wordt tegen een verslag van het panel beroep aangetekend, dan deelt het Orgaan van Beroep zijn besluit mede binnen 30 dagen nadat de partij bij het geschil haar voornemen in beroep te gaan officieel heeft medegedeeld. Is het Orgaan van Beroep van oordeel dat het binnen 30 dagen geen verslag kan uitbrengen, dan deelt het het DSB schriftelijk de redenen daarvan mede onder opgave van de termijn waarbinnen het zijn verslag vermoedelijk zal uitbrengen. De procedure kan in geen geval langer dan 60 dagen duren. Het verslag van het Orgaan van Beroep wordt door het DSB goedgekeurd en door de partijen bij het geschil onvoorwaardelijk aanvaard, tenzij het DSB, binnen 20 dagen nadat het verslag aan de Leden is toegezonden1)Indien er in deze periode geen vergadering van het DSB is voorzien, komt het DSB speciaal voor dit doel bijeen., bij consensus besluit het verslag van het Orgaan van Beroep niet goed te keuren.
4.10. Wordt de aanbeveling van de DSB niet opgevolgd binnen de door het panel aangegeven termijn die begint op de dag van goedkeuring van het verslag van het panel of van het Orgaan van Beroep, dan geeft het DSB het Lid dat de klacht heeft ingediend toestemming passende2)Dit betekent niet dat, omdat het om verboden subsidies gaat, tegenmaatregelen zijn toegestaan die niet in verhouding tot de maatregelen staan. tegenmaatregelen te nemen, tenzij het DSB bij consensus besluit het verzoek af te wijzen.
4.11. Indien een partij bij een geschil om arbitrage verzoekt op grond van artikel 22, lid 6, van het Memorandum van Overeenstemming inzake de Beslechting van Geschillen („DSU” – Dispute Settlement Understanding), dan bepaalt de arbiter of de tegenmaatregelen passend zijn.
4.12. De termijnen voor de regeling van geschillen op grond van dit artikel bedragen de helft van de termijnen die bij de DSU voor de regeling van dergelijke geschillen zijn voorgeschreven, tenzij in dit artikel anders is bepaald.
DEEL III. : SUBSIDIES WAARTEGEN EEN ACTIE KAN WORDEN INGESTELD
Artikel 5. Schadelijke gevolgen
Een Lid mag, door het gebruik van een van de in artikel 1, leden 1 en 2, genoemde subsidies, de belangen van een ander Lid niet schaden, dat wil zeggen:
- a. de binnenlandse bedrijfstak van een ander Lid3)De term „schade voor de binnenlandse bedrijfstak” wordt hier in dezelfde zin gebruikt als in Deel V. mag hierdoor geen schade lijden;
- b. de voordelen die andere Leden op grond van de GATT 1994 rechtstreeks of onrechtstreeks hebben gekregen, met name de voordelen die uit de geconsolideerde concessies van artikel II van de GATT 19944)De term „teniet gedaan of uitgehold” wordt in deze Overeenkomst in dezelfde zin gebruikt als in de desbetreffende bepalingen van de GATT 1994, en of voordelen worden tenietgedaan of uitgehold wordt overeenkomstig de praktische toepassing van deze bepalingen vastgesteld. voortvloeien, mogen hierdoor niet worden teniet gedaan of uitgehold;
- c. de belangen van een ander Lid1)Onder de „ernstige schade” in deze Overeenkomst wordt hetzelfde verstaan als onder „ernstig nadeel” in Artikel XVI, lid 1, van de GATT 1994, en wordt ook „dreigende ernstige schade” verstaan. mogen hierdoor niet ernstig worden geschaad.
Dit artikel is niet van toepassing op subsidies die voor landbouwprodukten blijven gelden als in artikel 13 van de Overeenkomst inzake Landbouw bepaald.
Artikel 6. Ernstige schade
6.1. Van ernstige schade in de zin van artikel 5, onder c, wordt geacht sprake te zijn wanneer:
- a. de totale, in waarde uitgedrukte subsidiëring2)De totale, in waarde uitgedrukte subsidiëring wordt overeenkomstig Bijlage IV berekend. van een produkt meer dan 5% bedraagt3)Daar verwacht wordt dat voor burgerluchtvaartuigen bijzondere multilaterale regels zullen worden opgesteld, is de in deze alinea genoemde drempel niet op deze luchtvaartuigen van toepassing.;
- b. subsidies zijn verleend om de exploitatieverliezen van een bedrijfstak te dekken;
- c. subsidies zijn verleend om de exploitatieverliezen van een onderneming te dekken, andere dan éénmalige maatregelen die voor die onderneming niet kunnen worden herhaald en die slechts genomen worden in afwachting van oplossingen op lange termijn en om acute sociale problemen te voorkomen;
- d. directe kwijtschelding van schulden, dat wil zeggen de kwijtschelding van schulden ten opzichte van de overheid en schenkingen om de terugbetaling van schulden te dekken4)De Leden erkennen dat indien een op royalties gebaseerde financiering voor een programma voor de bouw van burgerluchtvaartuigen niet volledig wordt terugbetaald daar het niveau van de verkoop niet aan de verwachtingen voldoet, dit op zich geen ernstige schade in de zin van deze alinea inhoudt..
6.2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt geen ernstige schade vastgesteld indien het subsidieverlenende Lid aantoont dat de betrokken subsidie geen van de in lid 3 genoemde gevolgen heeft gehad.
6.3. Van ernstige schade in de zin van artikel 5, lid c., kan sprake zijn indien subsidieverlening een of meer van de volgende gevolgen heeft:
- a. verdringing of verhindering van de invoer van een soortgelijk produkt van een ander Lid in het subsidieverlenende Lid;
- b. verdringing of verhindering van de uitvoer van een soortgelijk produkt van een ander Lid uit een derde land;
- c. een aanmerkelijke onderbieding door het gesubsidieerde produkt van de prijzen van het soortgelijke produkt van een ander Lid op dezelfde markt, of een aanmerkelijke verhindering van prijsverhogingen, prijsverlagingen of een daling van de omzet op dezelfde markt;
- d. een toename van het wereldmarktaandeel van het subsidieverlenende Lid voor een grondstof of basisprodukt1)Tenzij op de betrokken grondstof of het betrokken basisprodukt multilateraal overeengekomen bijzondere regels van toepassing zijn. in vergelijking met het gemiddelde aandeel in de vorige periode van drie jaar, welke toename zich in de periode van subsidieverlening constant heeft ontwikkeld.
6.4. Voor de toepassing van lid 3, onder b., wordt onder verdringing of verhindering van de uitvoer ook verstaan de gevallen waarin, onder voorbehoud van het bepaalde in lid 7, is aangetoond dat er een wijziging van het relatieve marktaandeel is opgetreden ten nadele van het niet-gesubsidieerde soortgelijke produkt (over een representatieve periode die lang genoeg is om de ontwikkelingen op de markt voor het betrokken produkt te kunnen aantonen, welke periode in normale omstandigheden ten minste een jaar bedraagt). Onder „wijziging van het relatieve marktaandeel” wordt een van de volgende situaties verstaan:
- a. een toename van het marktaandeel van het gesubsidieerde produkt;
- b. een constant marktaandeel van het gesubsidieerde produkt in omstandigheden waarin, zonder subsidie, een verlies van marktaandeel zou zijn opgetreden;
- c. een verlies van marktaandeel van het gesubsidieerde produkt, maar in een langzamer tempo dan zonder subsidie het geval zou zijn geweest.
6.5. Voor de toepassing van lid 3, onder c., wordt onder prijsonderbieding verstaan elk geval waarin prijsonderbieding is aangetoond door een vergelijking van de prijzen van het gesubsideerde produkt met de prijzen van een niet-gesubsidieerd produkt op dezelfde markt. De prijzen worden op hetzelfde handelsniveau vergeleken en op vergelijkbare tijdstippen, waarbij rekening wordt gehouden met alle factoren die op de vergelijkbaarheid van de prijzen van invloed zijn. Indien zulk een directe vergelijking niet mogelijk is, kan prijsonderbieding aan de hand van de exportwaarde per stuk worden aangetoond.
6.6. Wordt aangevoerd dat op de markt van een Lid ernstige schade is ontstaan, dan stelt dit Lid, onder voorbehoud van punt 3 van Bijlage V, de partijen bij een geschil waarop artikel 7 van toepassing is en het ingevolge artikel 7, lid 4, ingestelde panel, in kennis van alle ter zake dienende informatie over de wijziging van het marktaandeel van de partijen bij het geschil en de prijzen van het betrokken produkt.
6.7. Er is geen sprake van verdringing of verhindering van de in- of uitvoer zoals in lid 3 omschreven, wanneer zich in de betrokken periode een van de volgende omstandigheden voordoet1)Het feit dat bepaalde omstandigheden in dit lid zijn genoemd verleend deze op zich geen juridische status in de zin van de GATT 1994 of van deze Overeenkomst. Deze omstandigheden mogen niet op zich staan, zich sporadisch voordoen of anderszins zonder betekenis zijn.:
- a. verbod op of beperking van de uitvoer van het soortgelijke produkt uit het Lid dat de klacht heeft ingediend of op de invoer uit dit Lid in het betrokken derde land;
- b. besluit van een importerende overheid die een handelsmonopolie in het betrokken produkt bezit of in dat produkt staatshandel drijft de invoer uit het Lid dat de klacht heeft ingediend om niet-commerciële redenen te vervangen door de invoer uit een ander land of andere landen;
- c. natuurrampen, stakingen, transportonderbrekingen of andere gevallen van overmacht die van aanzienlijke invloed zijn op de produktie, de kwaliteit, de kwantiteit of de prijzen van het produkt dat voor uitvoer uit het Lid dat de klacht heeft ingediend beschikbaar is;
- d. het bestaan van regelingen tot beperking van de export uit het Lid dat de klacht heeft ingediend;
- e. vrijwillige vermindering van de voor uitvoer beschikbare hoeveelheden van het betrokken produkt van het Lid dat de klacht heeft ingediend (met inbegrip, onder meer, van de situatie waarin bedrijven in het Lid dat de klacht heeft ingediend de uitvoer van dit produkt op autonome wijze naar nieuwe markten hebben toegeleid);
- f. het niet in acht nemen van de normen en andere voorschriften van het importerende land.
6.8. Doen de in lid 7 genoemde omstandigheden zich niet voor, dan dient het bestaan van ernstige schade te worden vastgesteld op grond van de informatie die het panel is voorgelegd of die het heeft verkregen, met inbegrip van de gegevens die overeenkomstig het bepaalde in Bijlage V zijn voorgelegd.
6.9. Dit artikel is niet van toepassing op subsidies die voor landbouwprodukten gehandhaafd blijven overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 van de Overeenkomst inzake Landbouw.
Artikel 7. Beroep
7.1. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 13 van de Overeenkomst inzake Landbouw, kan een Lid dat redenen heeft om aan te nemen dat een in artikel 1 bedoelde subsidie door een ander Lid wordt verleend of in stand gehouden, waardoor zijn binnenlandse bedrijfstak schade lijdt, waardoor voordelen worden tenietgedaan of uitgehold, of waardoor het ernstige schade lijdt, kan dit Lid om overleg met dit andere Lid verzoeken.
7.2. Een verzoek om overleg op grond van lid 1 bevat een overzicht van het beschikbare bewijsmateriaal ten aanzien van a. het bestaan of de aard van de betrokken subsidie, en b. de schade die de binnenlandse bedrijfstak lijdt, de voordelen die worden teniet gedaan of uitgehold, of het feit dat de belangen van het Lid dat om overleg verzoekt ernstig worden geschaad.
7.3. Na het in lid 1 bedoelde verzoek om overleg pleegt het Lid waarvan wordt vermoed dat het de betrokken subsidie verleent of in stand houdt, zo spoedig mogelijk overleg. Dit overleg heeft ten doel de feitelijke situatie op te helderen en overeenstemming over een oplossing te bereiken.
7.4. Indien partijen binnen 60 dagen1)Alle in dit artikel genoemde termijnen kunnen in onderling overleg worden verlengd. geen overeenstemming hebben bereikt over een oplossing, kan een Lid dat bij dit overleg partij is de zaak aan het DSB voorleggen ten einde onverwijld een panel te laten instellen, tenzij het DSB bij consensus besluit geen panel in te stellen. De samenstelling en de opdracht van het panel worden binnen 15 dagen na de datum van instelling vastgesteld.
7.5. Het panel onderzoekt de kwestie en legt zijn definitieve verslag voor aan de partijen bij het geschil. Het verslag wordt binnen 120 dagen na de samenstelling en de vaststelling van de opdracht van het panel aan alle Leden toegezonden.
7.6. Het verslag van het panel wordt, binnen 30 dagen nadat het aan alle Leden is toegezonden, door het DSB aanvaard, tenzij een partij bij het geschil het DSB officieel van haar besluit in kennis stelt in beroep te gaan of tenzij het DSB bij consensus besluit het verslag niet goed te keuren.
7.7. Wordt tegen een verslag van het panel beroep aangetekend, dan deelt het orgaan van beroep zijn besluit mede binnen 60 dagen nadat de partij bij het geschil haar voornemen in beroep te gaan officieel heeft medegedeeld. Is het orgaan van beroep van oordeel dat het binnen 60 dagen geen verslag kan uitbrengen, dan deelt het het DSB schriftelijk de redenen daarvan mede onder opgave van de termijn waarbinnen het zijn verslag denkt uit te brengen. De procedure mag in geen geval langer dan 90 dagen duren. Het verslag van het orgaan van beroep wordt door het DSB goedgekeurd en door de partijen bij het geschil onvoorwaardelijk aanvaard, tenzij het DSB, binnen 20 dagen nadat het verslag aan de Leden is toegezonden2)Indien er in deze periode geen vergadering van het DSB is voorzien, komt het DSB speciaal voor dit doel bijeen., bij consensus besluit het verslag van het orgaan van beroep niet goed te keuren.
7.8. Wordt een verslag van het panel of van het orgaan van beroep – waarin is vastgesteld dat een subsidie de belangen van een ander Lid in de zin van artikel 5 schaadt – goedgekeurd, dan neemt het Lid dat deze subsidie verleent of in stand houdt passende maatregelen om een einde te maken aan de schadelijke gevolgen van de subsidie of trekt deze in.
7.9. Heeft het Lid binnen zes maanden nadat het DSB het verslag van het panel of het orgaan van beroep heeft goedgekeurd, geen passende maatregelen genomen om een einde te maken aan de schadelijke gevolgen van de subsidie of om deze in te trekken, dan geeft het DSB het Lid dat de klacht heeft ingediend, in afwezigheid van een compensatieregeling, toestemming tegenmaatregelen te nemen die evenredig zijn met de ernst en de aard van de schadelijke gevolgen, tenzij het DSB bij consensus besluit het verzoek af te wijzen.
7.10. Verzoekt een partij bij een geschil om arbitrage op grond van artikel 22, lid 6, van het Memorandum van Overeenstemming inzake de Beslechting van Geschillen („DSU” – Dispute Settlement Understanding), dan bepaalt de arbiter of de tegenmaatregelen evenredig zijn aan de ernst en de aard van de vastgestelde schadelijke gevolgen.
DEEL IV. : SUBSIDIES WAARTEGEN GEEN ACTIE KAN WORDEN INGESTELD
Artikel 8. Omschrijving
8.1. Tegen de volgende subsidies kan geen actie worden ingesteld1)Erkend wordt dat het een wijdverbreide praktijk van de Leden is overheidssteun voor uiteenlopende doeleinden te verlenen en dat het loutere feit dat zulke steun volgens de bepalingen van dit artikel niet als steun kan worden beschouwd waartegen geen actie kan worden ingesteld op zich het vermogen van Leden om die steun te verlenen niet beperkt.:
- a. subsidies die niet specifiek zijn in de zin van artikel 2;
- b. subsidies die specifiek zijn in de zin van artikel 2, maar die aan de onder 2a., 2b. en 2c. hieronder vermelde criteria voldoen.
8.2. In afwijking van het bepaalde in de delen III en V kunnen tegen de volgende subsidies geen acties worden ingesteld:
- a. steun aan de onderzoekactiviteiten van bedrijven of van hoger-onderwijs- of onderzoekinstellingen die op contractbasis onderzoek voor bedrijven uitvoeren, indien1)Deze alinea is niet van toepassing op burgerluchtvaartuigen, daar verwacht wordt dat voor dit produkt bijzondere multilaterale regels zullen worden opgesteld.2)Uiterlijk 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst onderzoekt de bij artikel 24 ingestelde Commissie Subsidies en Compenserende Maatregelen (in deze overeenkomst „Commissie” genoemd) de werking van het bepaalde in punt 2a), ten einde, zo nodig, wijzigingen aan te brengen om de werking van deze bepalingen te verbeteren. Bij het overwegen van mogelijke wijzigingen, zal de Commissie de definities van de in deze alinea omschreven categorieën zorgvuldig onderzoeken, in het licht van de ervaring van Leden met de werking van onderzoeksprogramma's en de werkzaamheden van andere internationale instellingen.3)De bepalingen in deze Overeenkomst zijn niet van toepassing op fundamenteel onderzoek dat op onafhankelijke wijze door instellingen voor hoger onderwijs of onderzoekinstellingen wordt uitgevoerd. Onder „fundamenteel onderzoek” wordt een uitbreiding van de algemene wetenschappelijke en technische kennis verstaan zonder industriële of commerciële doelstellingen.: de steun4)Het toegestane niveau van de in deze alinea bedoelde steun waartegen geen actie kan worden ingesteld, wordt vastgesteld aan de hand van de totale in aanmerking te nemen kosten die tijdens de looptijd van een afzonderlijk project zijn ontstaan. niet meer dan 75% van de kosten van industrieel onderzoek5)Onder „industrieel onderzoek” wordt geprogrammeerd of kritisch onderzoek verstaan dat gericht is op het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze kennis bij de ontwikkeling van nieuwe produkten, processen of diensten te gebruiken, of om bestaande produkten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren. dekt of 50% van de kosten van pre-concurrentiële ontwikkeling6)Onder „pre-concurrentiële ontwikkeling” wordt verstaan de omzetting van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde produkten, processen of diensten, of deze nu voor verkoop of gebruik zijn bestemd, met inbegrip van de fabricage van een eerste prototype dat niet voor commerciële doeleinden kan worden aangewend. Voorts kan daaronder de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve produkten, processen of diensten worden verstaan en eerste demonstratie- of modelprojecten, voor zover deze projecten niet voor industriële toepassing of commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt. Daaronder wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijzigingen van bestaande produkten, produktielijnen, fabricageprocessen of diensten en andere courante werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen zijn.7)Wat programma's betreft die betrekking hebben op industrieel onderzoek en pre-concurrentiële ontwikkeling, mag het niveau van steun waartegen geen actie kan worden ingesteld niet meer bedragen dan het gewone gemiddelde van de toegestane niveaus van steun waartegen geen actie kan worden ingesteld dat op deze twee categorieën van toepassing is, berekend aan de hand van de in aanmerking te nemen kosten als onder i. tot en met v. van deze alinea uiteengezet.; en voor zover deze steun uitsluitend beperkt is tot:
- i. personeelskosten (onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel dat zich uitsluitend met onderzoek bezighoudt);
- ii. kosten van apparatuur, uitrusting, land en gebouwen die uitsluitend en permanent (behalve indien ze op commerciële basis worden afgestaan) voor onderzoek worden gebruikt;
- iii. kosten van advies en soortgelijke diensten die uitsluitend voor het onderzoek worden gebruikt, met inbegrip van aangekocht onderzoek, aangekochte technische kennis, octrooien, enz.:
- iv. extra algemene kosten die rechtstreeks uit de onderzoekactiviteiten voortvloeien;
- v. andere exploitatiekosten (zoals die van materieel, leveranties en dergelijke) die rechtstreeks uit de onderzoekactiviteiten voortvloeien.
- b. steun aan achtergebleven regio's op het grondgebied van een Lid in het algemene kader van regionale ontwikkeling1)Onder „algemeen kader van regionale ontwikkeling” wordt verstaan dat de regionale subsidieprogramma's deel uitmaken van een innerlijk samenhangend, algemeen regionaal ontwikkelingsbeleid en dat de subsidies voor regionale ontwikkeling niet aan geïsoleerde geografische punten worden toegekend die geen of vrijwel geen invloed hebben op de ontwikkeling van een regio. en die binnen de in aanmerking komende regio's niet-specifiek zijn (in de zin van artikel 2), voor zover dat: over een periode van drie jaar; deze berekening mag echter een gemengde zijn, waarbij met andere factoren rekening worden gehouden.
- i. elke achtergebleven regio een duidelijk afgebakende aaneengesloten geografische zone is met een duidelijke economische en administratieve identiteit;
- ii. de regio als achtergebleven wordt beschouwd op grond van neutrale en objectieve criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de problemen van de regio niet slechts aan tijdelijke omstandigheden zijn te wijten; deze criteria moeten in wetten, voorschriften of andere officiële documenten duidelijk zijn omschreven, zodat ze gecontroleerd kunnen worden;
- iii. de criteria een meting van de economische ontwikkeling inhouden die ten minste op een van de volgende factoren is gebaseerd: – hetzij het inkomen of het gezinsinkomen per hoofd van de bevolking, hetzij het BBP per hoofd van de bevolking, dat niet meer dan 85% mag bedragen van het gemiddelde op het betrokken grondgebied; – het werkloosheidspercentage dat ten minste 110% moet bedragen van het gemiddelde op het betrokken grondgebied;
- c. steun ter verbetering van de aanpassing van de bestaande uitrusting2)Onder „bestaande uitrusting” wordt uitrusting verstaan die wanneer de nieuwe milieu-eisen worden ingesteld ten minste twee jaar in gebruik is. aan nieuwe milieu-eisen die bij de wet of anderzins zijn ingesteld, waardoor de bedrijven aan strengere eisen moeten voldoen en zij grotere financiële lasten moeten dragen, mits de steun:
- i. een éénmalige maatregel is die niet wordt herhaald; en
- ii. beperkt is tot 20% van de kosten van de aanpassing; en
- iii. geen betrekking heeft op de vervangings- en exploitatiekosten van de gesteunde investering, welke kosten geheel en al door de bedrijven gedragen moeten worden; en
- iv. rechtstreeks verband houdt met en evenredig is aan de vermindering van overlast en vervuiling die een bedrijf veroorzaakt en geen eventuele besparing op de produktiekosten dekt; en
- v. beschikbaar is voor alle bedrijven die de nieuwe uitrusting installeren en/of de nieuwe produktieprocessen toepassen.
8.3. Overeenkomstig Deel VII wordt de Commissie in kennis gesteld van een subsidieregeling waarvoor op lid 2 een beroep wordt gedaan, voordat deze regeling van kracht wordt. De kennisgeving dient voldoende gegevens te bevatten om de Leden in staat te stellen te beoordelen of de regeling aan de voorwaarden en criteria van lid 2 voldoet. De leden zenden de Commissie elk jaar de laatste gegevens over de medegedeelde regeling toe, met name de totale uitgaven voor elke regeling en eventuele wijzigingen van de regeling. Andere Leden hebben het recht informatie te vragen over afzonderlijke gevallen van subsidieverlening op grond van een medegedeelde regeling1)Erkend wordt dat niets in deze bepaling ertoe verplicht vertrouwelijke gegevens, waaronder zakengeheimen, mede te delen..
8.4. Op verzoek van een Lid onderzoekt het Secretariaat een kennisgeving die ingevolge lid 3 is gedaan en vraagt het zo nodig bij het subsidieverlenende Lid aanvullende inlichtingen op over deze regeling. Het Secretariaat brengt over zijn bevindingen verslag uit bij de Commissie. De Commissie onderzoekt desgevraagd zo spoedig mogelijk de bevindingen van het Secretariaat (of indien geen onderzoek door het Secretariaat werd aangevraagd, de kennisgeving zelf) ten einde vast te stellen of aan de voorwaarden en criteria van lid 2 is voldaan. De in dit lid omschreven procedure wordt ten laatste afgesloten op de eerste gewone vergadering van de Commissie na de kennisgeving van de subsidieregeling, mits ten minste twee maanden tussen deze kennisgeving en de gewone vergadering van de Commissie zijn verstreken. De in dit lid omschreven onderzoekprocedure is, op verzoek, ook van toepassing op aanmerkelijke wijzigingen van een regeling die zijn medegedeeld ter gelegenheid van de in lid 3 bedoelde jaarlijkse toezending van bijgewerkte gegevens.
8.5. Op verzoek van een Lid wordt de in lid 4 bedoelde vaststelling van de Commissie, of het niet doen van zulk een vaststelling door de Commissie alsmede de niet-naleving, in afzonderlijke gevallen, van de voorwaarden van een medegedeelde regeling, aan bindende arbitrage onderworpen. De arbitrage-instantie doet de Leden zijn conclusies toekomen binnen 120 dagen nadat de kwestie aan hem is voorgelegd. Tenzij in dit lid anders is bepaald, is de DSU van toepassing op de arbitrage waarin dit lid voorziet.
Artikel 9. Overleg en toegelaten rechtsmiddelen
9.1. Indien tijdens de uitvoering van een in artikel 8, lid 2, bedoelde regeling, ondanks het feit dat de regeling aan de daarin genoemde criteria voldoet, een Lid redenen heeft om aan te nemen dat deze regeling ernstige nadelige gevolgen heeft gehad voor zijn binnenlandse bedrijfstak, zodat moeilijk te herstellen schade is ontstaan, kan dit Lid om overleg verzoeken met het Lid dat de subsidie verleent of in stand houdt.
9.2. Na het verzoek om overleg ingevolge lid 1, pleegt het Lid dat de betrokken subsidieregeling toepast of in stand houdt zo spoedig mogelijk overleg. Dit overleg is erop gericht de feitelijke situatie op te helderen en tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen.
9.3. Is tijdens het in lid 2 bedoelde overleg binnen 60 dagen na het verzoek hiertoe geen oplossing gevonden die voor beide partijen aanvaardbaar is, dan kan het Lid dat het overleg heeft aangevraagd de zaak aan de Commissie voorleggen.
9.4. De Commissie onderzoekt onmiddellijk de feiten van de zaak die haar is voorgelegd en het bewijsmateriaal ten aanzien van de in lid 1 bedoelde gevolgen. Indien de Commissie tot de conclusie komt dat deze gevolgen inderdaad aanwezig zijn, kan zij het subsidieverlenende Lid aanbevelen de regeling zo te wijzigen dat deze gevolgen zich niet meer doen gevoelen. De Commissie legt haar conclusies voor binnen de 120 dagen nadat de zaak haar, op grond van lid 3, is voorgelegd. Wordt de aanbeveling niet binnen de zes maanden opgevolgd, dan geeft de Commissie het Lid dat het verzoek heeft ingediend toestemming tegenmaatregelen te nemen die in overeenstemming zijn met de aard en de ernst van de vastgestelde gevolgen.
DEEL V. : COMPENSERENDE MAATREGELEN
Artikel 10. Toepassing van artikel VI van de GATT 19941)Behalve op Deel V kan ook een beroep worden gedaan op de Delen II en III. Wat betreft de gevolgen van een bepaalde subsidie op de binnenlandse markt van het importerende Lid, is slechts e´e´n vorm van bescherming mogelijk, namelijk een compenserend recht indien aan de eisen van Deel V is voldaan, of een tegenmaatregel op grond van artikel 4 of artikel 7. Voor maatregelen waartegen ingevolge Deel IV geen actie kan worden ingesteld, kan geen beroep worden gedaan op de Delen III en V. De in artikel 8, lid 1, onder a. bedoelde maatregelen kunnen echter worden onderzocht ten einde vast te stellen of zij al dan niet specifiek zijn in de zin van artikel 2. In geval van een in artikel 8, lid 2, bedoelde subsidie die in het kader van een regeling is verleend die niet is aangemeld overeenkomstig artikel 8, lid 3, kan bovendien op de Delen III of V een beroep worden gedaan, maar een dergelijke subsidie zal als een subsidie worden beschouwd waartegen geen actie kan worden ingesteld indien deze aan de normen van artikel 8, lid 2, blijkt te voldoen.
De Leden nemen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat de instelling van een compenserend recht2)Onder „compenserend recht” wordt een bijzonder recht verstaan dat geheven wordt om een subsidie te compenseren die rechtstreeks of onrechtstreeks voor de vervaardiging, de produktie of de uitvoer van een produkt is verleend, zoals bepaald in artikel VI, lid 3, van de GATT 1994. op een produkt uit het gebied van een Lid dat in het gebied van een ander Lid wordt ingevoerd in overeenstemming met artikel VI van de GATT 1994 en de voorwaarden van onderhavige overeenkomst geschiedt. Compenserende rechten mogen slechts worden ingesteld nadat in overeenstemming met de bepalingen in deze overeenkomst en de Overeenkomst inzake Landbouw een onderzoek is geopend3)Onder „geopend” wordt hierna de procedurele handeling verstaan waarmee een Lid formeel een in artikel 11 bedoeld onderzoek begint. en verricht.
Artikel 11. Opening en uitvoering van het onderzoek
11.1. Behoudens het bepaalde in lid 6, wordt een onderzoek naar het bestaan, de hoogte en de gevolgen van een subsidie geopend naar aanleiding van een schriftelijk verzoek van of namens de binnenlandse bedrijfstak.
11.2. Een op grond van lid 1 ingediend verzoek dient voldoende bewijsmateriaal te bevatten over het bestaan van a. een subsidie en, zo mogelijk, de hoogte ervan, b. schade in de zin van artikel VI van de GATT 1994 zoals bij deze Overeenkomst geïnterpreteerd, en c. een oorzakelijk verband tussen de gesubsidieerde invoer en de schade die zou zijn geleden. Loutere beweringen die niet door bewijsmateriaal worden gesteund kunnen niet als toereikend in de zin van dit lid worden beschouwd. Het verzoek bevat de gegevens die de aanvrager redelijkerwijs bekend zijn, zoals:
- i. de identiteit van de aanvrager en de hoeveelheid en waarde van het soortgelijke produkt dat hij in het binnenland vervaardigt. Wordt een schriftelijk verzoek namens de binnenlandse bedrijfstak ingediend, dan wordt de bedrijfstak namens welke het verzoek wordt ingediend daarin omschreven door middel van een lijst van alle gekende binnenlandse producenten van het soortgelijke produkt (of verenigingen van producenten van het soortgelijke produkt) en bevat dit, voor zover mogelijk, een opgave van de hoeveelheid en de waarde van de binnenlandse produktie van het door deze producenten vervaardigde soortgelijke produkt;
- ii. een volledige beschrijving van het produkt dat met subsidie zou worden ingevoerd, de naam van het betrokken land of de betrokken landen van oorsprong of uitvoer, de identiteit van elke gekende exporteur of buitenlandse producent en een lijst van gekende importeurs van het betrokken produkt;
- iii. stukken waaruit het bestaan, de hoogte en de aard van de betrokken subsidie blijkt;
- iv. stukken waaruit blijkt dat de schade die de binnenlandse bedrijfstak door de gesubsidieerde invoer zou lijden door de subsidiëring wordt veroorzaakt; dit bewijsmateriaal omvat gegevens over de ontwikkeling van de omvang van de beweerdelijk gesubsidieerde invoer, de gevolgen van deze invoer voor de prijzen van het soortgelijke produkt op de binnenlandse markt en de weerslag van de invoer op de binnenlandse bedrijfstak, zoals uit factoren en indicatoren betreffende de situatie van de binnenlandse bedrijfstak blijkt, waaronder die welke in artikel 15, leden 2 en 4 zijn genoemd.
11.3. De autoriteiten controleren de juistheid en toereikendheid van de in het verzoek vervatte bewijsmateriaal ten einde vast te stellen of dit voldoende is om tot de opening van een onderzoek over te gaan.
11.4. Een onderzoek op grond van lid 1 wordt eerst geopend nadat de autoriteiten, aan de hand van een onderzoek naar de mate waarin het verzoek door de binnenlandse producenten van het soortgelijke produkt wordt gesteund1)In het geval van gefragmenteerde bedrijfstakken met een zeer groot aantal producenten, kunnen de autoriteiten door middel van statistisch significante steekproeven vaststellen of het verzoek wordt gesteund., hebben vastgesteld dat het verzoek door of namens de binnenlandse bedrijfstak is ingediend2)De Leden zijn zich ervan bewust dat een verzoek op grond van lid 1 op het grondgebied van bepaalde Leden kan worden ingediend of gesteund door werknemers van de binnenlandse producenten van het soortgelijke produkt of vertegenwoordigers van deze werknemers.. Het verzoek wordt geacht „door of namens de binnenlandse bedrijfstak” te zijn gedaan indien het gesteund wordt door de binnenlandse producenten wier gezamenlijke produktie meer dan 50% bedraagt van de totale produktie van het soortgelijke produkt dat vervaardigd wordt door dat deel van de binnenlandse bedrijfstak dat zich voor of tegen het verzoek heeft uitgesproken. Er wordt geen onderzoek geopend wanneer de binnenlandse producenten die het verzoek uitdrukkelijk steunen minder dan 25% vertegenwoordigen van de totale produktie van het soortgelijke produkt door de binnenlandse bedrijfstak.
11.5. De autoriteiten geven geen bekendheid aan het verzoek tot opening van een onderzoek voordat het besluit tot opening van het onderzoek is genomen.
11.6. Indien, in bijzondere omstandigheden, de betrokken autoriteiten besluiten een onderzoek te openen zonder daartoe een schriftelijk verzoek van of namens de binnenlandse bedrijfstak te hebben ontvangen, zetten zij de procedure slechts voort indien zij voldoende bewijs hebben over het bestaan van een subsidie, schade en oorzakelijk verband, als in lid 2 omschreven, om tot de opening van een onderzoek over te gaan.
11.7. Het bewijs ten aanzien van subsidie en schade wordt terzelfdertijd in overweging worden genomen a. bij het besluit al dan niet tot een onderzoek over te gaan en b. daarna, tijdens het onderzoek, dat niet later begint dan op de vroegste tijdstip waarop volgens de bepalingen van deze Overeenkomst voorlopige maatregelen mogen worden genomen.
11.8. Wanneer produkten niet rechtstreeks vanuit het land van oorsprong maar via een ander land in het importerende Lid worden ingevoerd, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst volledig van toepassing en de transactie(s) word(t)(en) voor de toepassing van deze Overeenkomst geacht tussen het land van oorsprong en het importerende Lid te hebben plaatsgevonden.
11.9. Een verzoek op grond van lid 1 wordt afgewezen en een onderzoek beëindigd zodra de betrokken autoriteiten ervan overtuigd zijn dat het bewijsmateriaal inzake subsidiëring of schade niet voldoende is om de procedure voort te zetten. De procedure wordt onmiddellijk beëindigd indien de hoogte van de subsidie minimaal is of indien de werkelijke of potentiële hoeveelheid van het met subsidie ingevoerde produkt, of de schade, te verwaarlozen is. Voor de toepassing van dit lid wordt de subsidie geacht minimaal te zijn indien ze minder dan 1% van de waarde van het produkt bedraagt.
11.10. Een onderzoek mag de inklaringsprocedures van de douane niet verstoren.
11.11. Een onderzoek wordt, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, binnen een jaar na de opening afgesloten en mag in geen geval langer dan 18 maanden duren.
Artikel 12. Bewijs
12.1. Belanghebbende Leden en alle andere belanghebbenden bij een onderzoek in verband met compenserende rechten worden in kennis gesteld van de informatie die de autoriteiten wensen te ontvangen en krijgen ruimschoots gelegenheid om het bewijsmateriaal dat zij voor het betrokken onderzoek van belang achten schriftelijk voor te leggen.
- 12.1.1. Exporteurs, buitenlandse producenten en belanghebbende Leden die een vragenlijst ontvangen betreffende een onderzoek in verband met compenserende rechten beschikken over ten minste 30 dagen om de vragenlijst te beantwoorden1)In het algemeen wordt de termijn voor exporteurs berekend vanaf de dag van ontvangst van de vragenlijst, die voor dit doel geacht wordt te zijn ontvangen binnen één week nadat hij aan de respondent of via de geëigende diplomatieke vertegenwoordigers van het exporterende Lid is toegezonden of, in geval van een afzonderlijk douanegebied dat Lid is van de WTO, een officiële vertegenwoordiger van het gebied van uitvoer.. Met redenen omklede verzoeken tot verlenging van de termijn van 30 dagen dienen in welwillende overweging te worden genomen, en dienen, voor zover dit praktisch mogelijk is, te worden ingewilligd.
- 12.1.2. Onder voorbehoud van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie, wordt bewijsmateriaal dat een belanghebbend Lid of belanghebbende partij schriftelijk heeft voorgelegd zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van het andere belanghebbende Lid of de andere belanghebbende partijen die aan het onderzoek deelnemen.
- 12.1.3. Zodra een onderzoek is geopend, doen de autoriteiten de volledige tekst van het ingevolge artikel 11, lid 1, ontvangen schriftelijke verzoek aan de gekende exporteurs2)Is het aantal betrokken exporteurs bijzonder groot, dan behoeft de volledige tekst van het verzoek slechts te worden toegezonden aan de autoriteiten van het exporterende Lid of de desbetreffende handelsvereniging die kopieën aan de betrokken exporteurs dient toe te zenden., en de autoriteiten van het exporterende Lid toekomen en stellen deze, op verzoek, ter beschikking van de andere betrokken belanghebbenden, met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie, zoals in lid 4 bedoeld.
12.2. Belanghebbende Leden en partijen hebben, op een met redenen omkleed verzoek, het recht inlichtingen mondeling te verstrekken. Worden inlichtingen mondeling verstrekt, dan moeten de belanghebbende Leden en partijen deze vervolgens op schrift stellen. Een besluit van de met onderzoek belaste autoriteiten kan slechts gebaseerd zijn op inlichtingen en argumenten die zich in het dossier van deze autoriteiten bevinden en die de belanghebbende Leden en partijen die aan het onderzoek hebben deelgenomen ter beschikking stonden, waarbij echter rekening dient te worden gehouden met de noodzaak tot bescherming van vertrouwelijke gegevens.
12.3. De autoriteiten geven, voor zover praktisch mogelijk, alle belanghebbende Leden en partijen voldoende gelegenheid tot inzage in alle voor de presentatie van hun zaak relevante stukken die niet vertrouwelijk zijn in de zin van lid 4 en die de autoriteiten bij een onderzoek in verband met compenserende rechten gebruiken; zij geven deze belanghebbende Leden en partijen ook voldoende gelegenheid hun argumenten op grond van deze gegevens voor te leggen.
12.4. Inlichtingen die vanwege hun aard vertrouwelijk zijn (bijvoorbeeld omdat bekendmaking ervan een concurrent aanmerkelijk zou bevoordelen of omdat bekendmaking ervan ernstige nadelige gevolgen zou hebben voor de persoon die de informatie heeft verstrekt of voor de persoon van wie deze informatie is verkregen) of die door partijen bij een onderzoek als vertrouwelijk wordt verstrekt, worden, indien daarvoor geldige redenen worden opgegeven, als dusdanig door de autoriteiten behandeld. Dergelijke informatie kan niet worden bekendgemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van degene die ze heeft verstrekt1)De Leden zijn zich ervan bewust dat op het grondgebied van bepaalde Leden bekendmaking bij een nauw omschreven conservatoir bevelschrift verplicht kan zijn..
- 12.4.1. De autoriteiten vragen dat belanghebbende Leden of partijen die vertrouwelijke inlichtingen verstrekken daarvan een niet-vertrouwelijke samenvatting toezenden. Deze samenvattingen moeten gedetailleerd genoeg zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de essentie van de als vertrouwelijk medegedeelde gegevens. In buitengewone omstandigheden kunnen deze Leden of partijen aangeven dat deze inlichtingen niet kunnen worden samengevat. In dergelijke buitengewone omstandigheden moet worden aangegeven waarom het niet mogelijk is een samenvatting te verstrekken.
- 12.4.2. Indien de autoriteiten van oordeel zijn dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en degene die de inlichtingen heeft verstrekt niet bereid is deze bekend te maken of de bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in samengevatte vorm toe te staan, kunnen de autoriteiten deze informatie buiten beschouwing laten tenzij te hunnen genoegen uit goede bronnen blijkt dat de inlichtingen juist zijn2)De Leden zijn het erover eens dat verzoeken om vertrouwelijke behandeling niet willekeurig van de hand mogen worden gewezen en dat de met onderzoek belaste autoriteiten de geheimhoudingsplicht slechts kunnen opheffen voor gegevens die voor de procedure relevant zijn..
12.5. Behoudens in de in lid 7 bedoelde omstandigheden, controleren de autoriteiten in de loop van het onderzoek of de inlichtingen die belanghebbende Leden of partijen hebben verstrekt en waarop zij hun bevindingen baseren, juist zijn.
12.6. De met onderzoek belaste autoriteiten kunnen het onderzoek zo nodig op het grondgebied van andere Leden verrichten, mits zij het betrokken Lid hiervan tijdig in kennis stellen en dit Lid hiertegen geen bezwaar maakt. Voorts kunnen deze autoriteiten het onderzoek in de lokalen van een onderneming verrichten en de administratie van deze onderneming onderzoeken indien a. de onderneming hiervoor toestemming geeft, en b. het betrokken Lid hiervan in kennis is gesteld en daartegen geen bezwaar maakt. De in Bijlage VI omschreven procedures zijn van toepassing bij onderzoek in de lokalen van een onderneming. Onder voorbehoud van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke gegevens, stellen de autoriteiten de resultaten van het onderzoek ter beschikking van de ondernemingen waarop ze betrekking hebben, of zorgen zij ervoor dat deze resultaten aan deze ondernemingen ter beschikking worden gesteld, overeenkomstig lid 8. Ze kunnen deze resultaten ook de indieners van het verzoek ter beschikking stellen.
12.7. Indien een belanghebbend Lid of een belanghebbende partij binnen een redelijke termijn geen toegang verleent tot de noodzakelijke informatie of deze anderszins niet verstrekt, of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen aan de hand van de beschikbare gegevens voorlopige en definitieve conclusies worden getrokken, zowel in positieve als in negatieve zin.
12.8. Voordat definitieve conclusies worden getrokken stellen de autoriteiten alle belanghebbende Leden en partijen in kennis van de voornaamste onderzochte feiten die aan het besluit tot het al dan niet nemen van definitieve maatregelen ten grondslag liggen. Deze kennisgeving moet tijdig genoeg gebeuren om alle partijen de gelegenheid te geven hun belangen te verdedigen.
12.9. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „belanghebbende partij” verstaan:
- i. een exporteur of buitenlandse producent of de importeur van een produkt dat wordt onderzocht, of een vereniging van producenten of handelaars waarvan de meeste leden producenten, exporteurs of importeurs van dit produkt zijn; en
- ii. een producent van het soortgelijke produkt in het importerende Lid of een vereniging van producenten of handelaars waarvan de meeste leden het soortgelijke produkt in het gebied van het importerende Lid produceren.
Deze lijst belet niet dat Leden andere binnen- of buitenlandse partijen dan bovengenoemde als belanghebbende partij kunnen beschouwen.
12.10. Industriële gebruikers van het onderzochte produkt, representatieve consumentenorganisaties (wanneer het om produkten gaat die courant in de detailhandel worden verkocht) worden door de autoriteiten in de gelegenheid gesteld inlichtingen te verstrekken in verband met het onderzoek inzake subsidiëring, schade en oorzakelijk verband.
12.11. De autoriteiten houden rekening met de moeilijkheden die belanghebbende partijen, en met name kleine bedrijven, kunnen hebben om de gevraagde informatie te verstrekken en verlenen deze, voor zover praktisch mogelijk, hulp.
12.12. De hierboven omschreven procedures hebben niet ten doel de autoriteiten van een Lid te beletten zo snel mogelijk te handelen wat betreft het openen van een onderzoek, het trekken van voorlopige of definitieve conclusies in zowel positieve als negatieve zin, of het nemen van voorlopige of definitieve maatregelen, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst.
Artikel 13. Overleg
13.1. Zo spoedig mogelijk nadat een verzoek ingevolge artikel 11 is aanvaard, en in ieder geval vóór de opening van een onderzoek, worden Leden waarvan de produkten onderzocht kunnen worden voor overleg uitgenodigd met het doel de situatie op te helderen ten aanzien van de in artikel 11, lid 2, bedoelde punten en om overeenstemming over een oplossing te bereiken.
13.2. Voorts krijgen de Leden waarvan de produkten worden onderzocht tijdens de gehele duur van het onderzoek redelijke gelegenheid om het overleg voort te zetten ten einde de feitelijke situatie op te helderen en overeenstemming over een oplossing te bereiken1)Ingevolge dit lid is het vooral van belang dat geen positieve conclusies worden getrokken, of deze nu voorlopig of definitief zijn, zonder dat er een redelijke gelegenheid tot overleg is geweest. Dit overleg kan de basis vormen voor procedures op grond van Deel II, III of X..
13.3. Onverminderd de verplichting redelijke gelegenheid tot overleg te bieden, hebben deze bepalingen inzake overleg niet ten doel de autoriteiten van een Lid te beletten zo snel mogelijk, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, te handelen wat betreft het openen van een onderzoek, het trekken van voorlopige of definitieve conclusies in zowel positieve als negatieve zin, of het nemen van voorlopige of definitieve maatregelen.
13.4. Het Lid dat voornemens is een onderzoek uit te voeren of dat een onderzoek uitvoert geeft het Lid of de Leden waarvan de produkten worden onderzocht desgevraagd inzage in het niet-vertrouwelijke bewijsmateriaal, met inbegrip van de niet-vertrouwelijke samenvatting van vertrouwelijke gegevens die bij de opening of het verdere verloop van het onderzoek worden gebruikt.
Artikel 14. Berekening van de hoogte van een subsidie in termen van voordeel voor de ontvanger
Voor de toepassing van deel V wordt elke methode die de met onderzoek belaste autoriteit gebruikt voor de berekening van het voordeel in de zin van artikel 1, lid 1, dat de ontvanger verkrijgt in de nationale wetgeving of de uitvoeringsbepalingen van het betrokken Lid vastgelegd en de toepassing ervan in elk bijzonder geval dient transparant te zijn en voldoende nauwkeurig omschreven. Voorts dient deze methode in overeenstemming te zijn met de volgende regels:
- a. een participatie van de overheid aan het maatschappelijk kapitaal van een bedrijf wordt niet als het toekennen van een voordeel beschouwd, tenzij het investeringsbesluit niet kan worden beschouwd overeen te stemmen met normale investeringspraktijken (met inbegrip van het verstrekken van risicokapitaal) van particuliere investeerders op het grondgebied van dat Lid;
- b. het toekennen van een lening door de overheid wordt niet als het toekennen van een voordeel beschouwd, tenzij er een verschil is tussen het bedrag dat het leningontvangende bedrijf op de overheidslening betaalt en het bedrag dat het bedrijf voor een vergelijkbare commerciële lening zou betalen die het effectief op de markt kan verkrijgen. In dat geval is het voordeel het verschil tussen de twee bedragen;
- c. een geven van een garantie voor een lening door de overheid wordt niet als het toekennen van een voordeel beschouwd, tenzij er een verschil is tussen het bedrag dat het garantie-ontvangende bedrijf op een door de overheid gegarandeerde lening betaalt en het bedrag dat het bedrijf voor een vergelijkbare commerciële lening zonder overheidsgarantie zou betalen. In dat geval is het voordeel het verschil tussen de twee bedragen, gecorrigeerd voor eventuele verschillen in commissies;
- d. de levering van goederen of diensten of de aankoop van goederen door de overheid wordt niet als het toekennen van een voordeel beschouwd, tenzij de levering tegen een minder dan toereikende beloning plaatsvindt en de aankoop tegen een meer dan toereikende beloning. Of de beloning toereikend is wordt vastgesteld door een vergelijking te maken met de marktvoorwaarden voor de betreffende goederen of diensten in het land van levering of aankoop (waaronder prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, transport en andere koop- of verkoopvoorwaarden).
Artikel 15. Vaststelling van schade1)In deze overeenkomst wordt onder ,,schade’’, tenzij anders bepaald, verstaan aanmerkelijke schade die een binnenlandse bedrijfstak lijdt, aanmerkelijke schade die een binnenlandse bedrijfstak dreigt te lijden of de aanmerkelijk vertraging van de vestiging van een binnenlandse bedrijfstak en wordt dit begrip overeenkomstig de bepalingen van dit artikel geı¨nterpreteerd.
15.1. Voor de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 wordt de vaststelling van schade gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt deze een objectief onderzoek in van a. de omvang van de gesubsidieerde invoer en de gevolgen daarvan voor de prijzen van het soortgelijke produkt1)In deze Overeenkomst wordt onder „soortgelijk produkt” verstaan een produkt dat identiek is, dat wil zeggen in alle opzichten gelijk aan het onderzochte produkt of, bij gebreke van een dergelijk produkt, een ander produkt dat, hoewel het niet in alle opzichten gelijk is, kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het onderzochte produkt. op de binnenlandse markt, en b. de gevolgen van deze invoer voor de binnenlandse producenten van deze produkten.
15.2. Wat de omvang van de gesubsidieerde invoer betreft, gaan de met onderzoek belaste autoriteiten na of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de produktie of het verbruik in het importerende Lid, aanzienlijk is toegenomen. Wat de weerslag van de gesubsidieerde invoer op de prijzen betreft, gaan de met onderzoek belaste autoriteiten na of er sprake is van een aanmerkelijke prijsonderbieding door het gesubsidieerde produkt ten opzichte van de prijzen van een soortgelijk produkt van het importerende Lid, of dat deze invoer op andere wijze de prijzen aanzienlijk drukt of prijsverhogingen die anders hadden plaatsgevonden belet, waarbij geen enkele noch meerdere van deze factoren noodzakelijkerwijs doorslaggevend zijn.
15.3. Wanneer de invoer van een produkt uit meer dan een land terzelfder tijd in verband met compenserende rechten wordt onderzocht, mogen de met onderzoek belaste autoriteiten de gevolgen van deze invoer uitsluitend cumulatief beoordelen indien zij vaststellen dat a. de hoogte van de subsidie voor het produkt uit elk land meer dan minimaal is als in artikel 11, lid 9, omschreven en de hoeveelheid die uit elk land wordt ingevoerd niet te verwaarlozen is, en b. een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer gepast is gezien de concurrentieverhoudingen tussen de importprodukten onderling en tussen de importprodukten en het soortgelijke binnenlandse produkt.
15.4. Het onderzoek naar de gevolgen van de gesubsidieerde invoer voor de binnenlandse bedrijfstak omvat een beoordeling van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van invloed zijn, zoals de werkelijke en potentiële daling van produktie, omzet, marktaandeel, winst, produktiviteit, rendement op investeringen, bezettingsgraad; factoren die van invloed zijn op de binnenlandse prijzen; werkelijke en potentiële negatieve gevolgen voor cash flow, voorraden, werkgelegenheid, lonen, groei, mogelijkheden om kapitaal aan te trekken of investeringen, en, in het geval van de landbouw, of er een groeiende afhankelijkheid is van steunmaatregelen van de overheid. Deze lijst is niet limitatief, noch zijn of of meer van deze factoren noodzakelijkerwijs doorslaggevend.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)