Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie

Type Verdrag
Publication 2017-01-23
State In force
Source BWB
artikelen 311
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

De Leden handhaven geen, nemen geen en nemen evenmin opnieuw maatregelen van het type dat omgezet moet worden in gewone douanerechten1)Deze maatregelen omvatten kwantitatieve invoerbeperkingen, variabele invoerheffingen, minimuminvoerprijzen, discretionaire invoervergunningenregelingen, niet-tarifaire maatregelen die in stand worden gehouden via staatshandelsondernemingen, vrijwillige uitvoerbeperkingen, en andere dergelijke grensbescherming dan gewone douanerechten, ongeacht of het gaat om maatregelen in het kader van landgebonden uitzonderingen op de bepalingen van de GATT 1947, maar zij omvatten niet maatregelen in het kader van betalingsbalansbepalingen of andere algemene, niet specifiek agrarische bepalingen van de GATT 1994 of van de andere Multilaterale Handelsovereenkomsten van Bijlage 1, A, bij de WTO-Overeenkomst., tenzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 en in Bijlage 5.

Artikel 5. Bijzondere vrijwaringsclausule

1.

Niettegenstaande artikel II, lid 1, b., van de GATT 1994 mag ieder Lid voor de invoer van een landbouwprodukt waarvoor de in artikel 4, lid 2, van deze Overeenkomst bedoelde maatregelen zijn omgezet in een gewoon douanerecht en dat in zijn Lijst met de afkorting „SSG” (Special Safeguard) is aangeduid als behorend tot een concessie waarvoor een beroep mag worden gedaan op het bepaalde in dit artikel, de bepalingen van lid 4 en lid 5 toepassen, als:

  • a. de hoeveelheid van dat produkt die in de loop van een jaar wordt ingevoerd in het douanegebied van het Lid dat de concessie verleent, een reactieniveau overschrijdt dat zich tot de geldende markttoegang verhoudt zoals is aangegeven in lid 4 of, maar niet gelijktijdig,
  • b. de prijs waartegen dat produkt in het douanegebied van het Lid dat de concessie verleent, kan worden ingevoerd en die is bepaald aan de hand van de c.i.f.-prijs bij invoer van de betrokken partij en is uitgedrukt in de nationale valuta van dat Lid, daalt onder een reactieprijs die gelijk is aan de gemiddelde referentieprijs1)De referentieprijs die wordt gebruikt voor een beroep op het bepaalde in deze alinea is in het algemeen de gemiddelde c.i.f.-prijs per gewichtseenheid van het betrokken produkt of anders een wat betreft de kwaliteit en het verwerkingsstadium van het produkt passende prijs. Nadat deze prijs voor het eerst is toegepast, wordt hij publiek gemaakt voor zover nodig om andere Leden in staat te stellen te bepalen welk aanvullend douanerecht kan worden opgelegd. voor het betrokken produkt over de periode 1986 tot en met 1988.
2.

Invoer in het kader van vigerende markttoegang en van verbintenissen inzake minimummarkttoegang die een onderdeel zijn van een concessie als bedoeld in lid 1 wordt meegerekend voor het bepalen van de ingevoerde hoeveelheid waarbij een beroep kan worden gedaan op de bepalingen van lid 1, a., en lid 4, maar op die invoer mag geen aanvullend douanerecht worden toegepast noch op grond van lid 1, a., en lid 4, noch op grond van lid 1, b., en lid 5.

3.

Leveranties van het betrokken produkt die onderweg waren op grond van een contract dat is afgesloten voordat het aanvullende recht op grond van lid 1, a., en lid 4 is ingevoerd, worden vrijgesteld van dat recht, met dien verstande dat die leveranties met het oog op toepassing van de bepalingen van lid 1, a., in het volgende jaar mogen worden gerekend tot de invoer van het betrokken produkt in dat jaar.

4.

Aanvullende douanerechten die worden ingevoerd op grond van lid 1, a., mogen slechts worden toegepast tot het einde van het jaar waarin zij zijn ingevoerd en mogen niet hoger zijn dan een derde van het gewone douanerecht in het jaar waarin de maatregel wordt genomen. Het reactieniveau wordt vastgesteld volgens de hierna vermelde formule waarbij wordt uitgegaan van de markttoegang, d.w.z. de invoer als percentage van het betrokken interne verbruik2)Wanneer geen rekening wordt gehouden met het interne verbruik, geldt het in lid 4, a., bedoelde basisreactieniveau. in de laatste drie jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn en waarbij in de laatste drie jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn en waarbij

  • a. als de markttoegang voor een produkt niet groter is geweest dan 10%, het basisreactieniveau 125% bedraagt;
  • b. als de markttoegang voor een produkt groter is geweest dan 10%, maar niet groter dan 30%, het basisreactieniveau 110% bedraagt;
  • c. als de markttoegang voor een produkt groter is geweest dan 30%, het basisreactieniveau 105% bedraagt.

Het aanvullende douanerecht mag in alle geval worden ingevoerd in ieder jaar waarin de hoeveelheid van het betrokken produkt die wordt ingevoerd in het douanegebied van het Lid dat de concessie verleent, groter is dan de som van het bovengenoemde basisreactieniveau vermenigvuldigd met de gemiddeld ingevoerde hoeveelheid in de laatste drie jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn (x) en de absolute verandering in het interne verbruik van het betrokken produkt in het meest recente jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar (y), op voorwaarde dat het reactieniveau niet kleiner is dan 105% van de gemiddelde invoer in (x).

5.

Het aanvullende douanerecht op grond van lid 1, b., wordt vastgesteld volgens de onderstaande formule:

  • a. als het verschil tussen de in de nationale valuta uitgedrukte c.i.f.-prijs bij invoer van de partij (hierna de „invoerprijs” genoemd) en de in datzelfde lid 1, b., gedefinieerde reactieprijs niet groter is dan 10% van de reactieprijs, wordt geen aanvullend douanerecht toegepast;
  • b. als het verschil tussen de invoerprijs en de reactieprijs (hierna het „verschil” genoemd) groter is dan 10%, maar niet groter dan 40% van de reactieprijs, bedraagt het aanvullende douanerecht 30% van het verschil boven 10%;
  • c. als het verschil groter is dan 40%, maar niet groter dan 60% van de reactieprijs, bedraagt het aanvullende douanerecht 50% van het verschil boven 40%, plus het aanvullende douanerecht op grond van het bepaalde onder b.;
  • d. als het verschil groter is dan 60%, maar niet groter dan 75%, bedraagt het aanvullende douanerecht 70% van het verschil boven 60% van de reactieprijs, plus de aanvullende douanerechten op grond van het bepaalde onder b. en c.;
  • e. als het verschil groter is dan 75% van de reactieprijs, bedraagt het aanvullende douanerecht 90% van het verschil boven 75% van de reactieprijs, plus de aanvullende douanerechten op grond van het bepaalde onder b., c. en d..
6.

Voor bederfelijke produkten en seizoenprodukten worden de hierboven vastgestelde bepalingen zo toegepast dat rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van deze produkten. Met name mogen voor de toepassing van het bepaalde in lid 1, a., en lid 4 kortere periodes worden gebruikt, namelijk deze periodes van de basisperiode en mogen voor de toepassing van het bepaalde in lid 1, b., verschillende referentieprijzen voor verschillende periodes worden gehanteerd.

7.

De vrijwaringsmaatregelen worden verifieerbaar toegepast. Leden die maatregelen nemen op grond van lid 1, a., zenden de Landbouwcommissie onder opgave van de relevante gegevens zo vroeg mogelijk en in ieder geval binnen tien dagen na de invoering ervan een schriftelijke kennisgeving. In gevallen waarin veranderingen in de omvang van het verbruik moeten worden uitgesplitst over verschillende tariefposten waarvoor maatregelen worden genomen op grond van lid 4, moeten de gegevens en methodes met betrekking tot de uitsplitsing van deze veranderingen worden verstrekt. Leden die maatregelen nemen op grond van lid 4 geven belanghebbende Leden de mogelijkheid om met hen te overleggen over de wijze van toepassing van die maatregelen. Leden die maatregelen nemen op grond van lid 1, b., zenden de Landbouwcommissie onder opgave van de relevante gegevens een schriftelijke kennisgeving binnen tien dagen na de invoering van de eerste maatregel of, wat bederfelijke produkten en seizoenprodukten betreft, van de eerste maatregel in een bepaalde periode. De Leden verbinden zich ertoe om, voor zover mogelijk, de bepalingen van lid 1, b., niet toe te passen bij afnemende invoer van de betrokken produkten. In beide gevallen geven Leden die dergelijke maatregelen nemen belanghebbende Leden de mogelijkheid om met hen te overleggen over de wijze van toepassing van die maatregelen.

8.

De Leden verbinden zich ertoe om, wanneer maatregelen worden genomen op grond van de leden 1 tot en met 7, ten aanzien van die maatregelen geen gebruik te maken van de bepalingen van artikel XIX, lid 1, a., en lid 3, van de GATT 1994 of artikel 8, lid 2, van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.

9.

De bepalingen van dit artikel gelden voor de duur van het in artikel 20 bedoelde hervormingsproces.

DEEL IV

Artikel 6. Verbintenissen inzake interne steun

1.

De verbintenissen tot verlaging van de interne steun die de Leden hebben opgenomen in Deel IV van hun Lijst gelden voor alle maatregelen inzake interne steun aan landbouwers, behalve de maatregelen die op grond van de criteria die zijn vastgesteld in dit artikel en in Bijlage 2 bij deze Overeenkomst vrijgesteld zijn van de verlagingsverbintenis. De verbintenissen worden uitgedrukt in „Totale Geaggregeerde Steun” en „Geconsolideerd Jaar- en Eindniveau van de Verbintenissen”.

2.

Op grond van de MTR-Overeenkomst dat regeringsmaatregelen voor directe of indirecte steun om de ontwikkeling van landbouw en platteland te bevorderen een integrerend deel zijn van de ontwikkelingsprogramma's van ontwikkelingslanden, zijn, in tegenstelling tot wat anders het geval zou zijn geweest, de verbintenissen tot verlaging van de interne steun niet van toepassing op investeringssubsidies die Leden die ontwikkelingslanden zijn algemeen beschikbaar stellen voor de landbouw en evenmin op de inputsubsidies voor de landbouwsector die deze Leden algemeen beschikbaar stellen voor producenten met een laag inkomen of met weinig produktiemiddelen; zulks geldt eveneens voor steun die deze Leden verlenen om producenten aan te moedigen om over te schakelen op de teelt van andere gewassen dan illegale gewassen voor de produktie van drugs. Interne steun die voldoet aan de in dit lid vermelde criteria behoeft niet te worden meegerekend in de Actuele Totale AMS van een Lid.

3.

Leden worden geacht hun verbintenis tot verlaging van de interne steun te zijn nagekomen in ieder jaar waarin de interne steun aan landbouwers, uitgedrukt in de Actuele Totale AMS, niet groter is dan de geconsolideerde verbintenis voor een bepaald jaar of de geconsolideerde eindverbintenis die is gespecificieerd in Deel IV van de Lijst van dat Lid.

  • a. Leden zijn niet verplicht om bij de berekening van hun Actuele Totale AMS rekening te houden met en zijn niet verplicht om over te gaan tot verlaging van:
  • i. produktgebonden interne steun die normaliter meegerekend zou moeten worden, maar die niet groter is dan 5% van de totale produktiewaarde van een referentielandbouwprodukt van dat Lid in het betrokken jaar, en
  • ii. niet-produktgebonden interne steun die normaliter meegerekend zou moeten worden, maar die niet groter is dan 5% van de totale produktiewaarde van de landbouw van dat Lid.
  • b. Voor Leden die ontwikkelingslanden zijn bedraagt het de-minimis-percentage op grond van dit lid 10%.
  • a. Directe betalingen in het kader van programma's voor produktiebeperking vallen niet onder de verbintenis tot verlaging van de interne steun, op voorwaarde dat
  • i. dergelijke betalingen gebaseerd zijn op een bepaalde oppervlakte en een bepaalde opbrengst, of
  • ii. dergelijke betalingen gebaseerd zijn op niet meer dan 85% van het basisniveau van de produktie, of
  • iii. betalingen per dier gebaseerd zijn op een bepaald aantal dieren.
  • b. De vrijstelling van de steunverlagingsverbintenis wordt voor de directe betalingen die aan bovengenoemde criteria voldoen, gerealiseerd door bij de berekening van de Actuele Totale AMS van een Lid geen rekening te houden met de waarde van deze directe betalingen.

Artikel 7. Algemene disciplines inzake interne steun

1.

De Leden zorgen ervoor dat interne steun aan landbouwers die niet onder de steunverlagingsverbintenis valt op grond van de criteria die zijn vermeld in Bijlage 2 bij deze Overeenkomst, aan die criteria blijft voldoen.

  • a. Interne steunmaatregelen ten gunste van landbouwers, met inbegrip van alle wijzigingen in dergelijke maatregelen, en alle later ingevoerde maatregelen waarvoor niet kan worden aangetoond dat zij voldoen aan de criteria van Bijlage 2 bij deze Overeenkomst of dat de verlagingsverbintenis daarop niet van toepassing is op grond van een andere bepaling van deze Overeenkomst, moeten worden meegerekend voor de berekening van de Actuele Totale AMS van een Lid.
  • b. Als in Deel IV van de Lijst van een Lid geen verbintenis inzake de Totale AMS is opgenomen, mag dat Lid aan zijn landbouwers geen steun verlenen boven het relevante de-minimis-percentage dat is vastgesteld in artikel 6, lid 4.

DEEL V

Artikel 8. Verbintenissen inzake concurrentie bij uitvoer

De Leden verbinden zich ertoe uitsluitend uitvoersubsidies toe te kennen in overeenstemming met deze Overeenkomst en met de verbintenissen die zijn opgenomen in hun Lijst.

Artikel 9. Verbintenissen inzake uitvoersubsidies

1.

De hierna genoemde uitvoersubsidies vallen onder de verlagingsverbintenissen in het kader van deze Overeenkomst:

  • a. de toekenning door de overheid of door overheidsinstanties aan een bedrijf, een bedrijfstak, producenten van een landbouwprodukt, een coöperatie of een ander samenwerkingsverband van dergelijke producenten of aan een officiële afzetorganisatie, van directe subsidies, waaronder betalingen in natura, die afhankelijk zijn van de uitvoer;
  • b. de verkoop of afzet via uitvoer, door de overheid of door overheidsinstanties van niet-commerciële voorraden landbouwprodukten tegen een lagere prijs dan de vergelijkbare prijs die voor het corresponderende produkt in rekening wordt gebracht aan kopers op de interne markt;
  • c. betalingen bij uitvoer van een landbouwprodukt die worden gefinancierd krachtens overheidsmaatregelen, al of niet ten laste van de openbare middelen, waaronder betalingen die worden gefinancierd uit de opbrengst van een heffing op het betrokken landbouwprodukt of op een landbouwprodukt waarvan het uitgevoerde produkt een afgeleid produkt is;
  • d. de toekenning van subsidies ter verlaging van de afzetkosten bij uitvoer van landbouwprodukten (andere dan algemeen beschikbare diensten voor uitvoerbevordering en advies terzake), waaronder kosten van handling, kwaliteitsverbetering en andere verwerkingskosten en de kosten van internationaal vervoer;
  • e. door of in opdracht van de overheid bij verzending naar het buitenland toegepaste tarieven voor intern vervoer die gunstiger zijn dan de tarieven voor binnenlandse verzendingen;
  • f. subsidies voor landbouwprodukten die afhankelijk zijn van de verwerking daarvan in produkten die worden uitgevoerd.
  • a. Onverminderd het bepaalde onder b. gelden de verbintenissen inzake het niveau van de uitvoersubsidie in de afzonderlijke jaren van de uitvoeringsperiode die de Leden voor de in lid 1 van dit artikel opgesomde uitvoersubsidies in hun Lijsten hebben opgenomen,
  • i. wat de verbintenissen tot verlaging van de begrotingsuitgaven betreft, als het maximumniveau van de uitgaven voor dergelijke subsidies dat in dat jaar mag worden uitgetrokken of vastgelegd voor het betrokken landbouwprodukt of de betrokken groep landbouwprodukten, en
  • ii. wat de verbintenissen tot verlaging van het volume van de uitvoer betreft, als de maximumhoeveelheid van een landbouwprodukt of een groep landbouwprodukten waarvoor in dat jaar dergelijke uitvoersubsidies mogen worden toegekend.
  • b. Van het tweede tot en met het vijfde jaar van de uitvoeringsperiode mogen de Leden bij de toekenning van de in lid 1 genoemde uitvoersubsidies de verbintenissen voor een bepaald jaar die voor de produkten of groepen produkten zijn gespecificeerd in Deel IV van hun Lijst overschrijden op voorwaarde dat:
  • i. de cumulatieve begrotingsuitgaven voor dergelijke subsidies vanaf het begin van de uitvoeringsperiode tot en met het betrokken jaar, de cumulatieve uitgaven die het resultaat zouden zijn geweest van volledige nakoming van de relevante verbintenissen over de uitgaven per jaar die zijn gespecificeerd in de Lijst van het betrokken Lid ten hoogste overschrijden met 3% van de betrokken begrotingsuitgaven in de basisperiode;
  • ii. de cumulatieve uitvoer met behulp van dergelijke uitvoersubsidies vanaf het begin van de uitvoeringsperiode tot en met het betrokken jaar, de cumulatieve uitvoer die het resultaat zou zijn geweest van volledige nakoming van de relevante verbintenissen over de hoeveelheden per jaar die zijn gespecificeerd in de Lijst van het betrokken Lid ten hoogste overschrijdt met 1,75% van de uitvoer in de basisperiode;
  • iii. over de hele uitvoeringsperiode de totale cumulatieve begrotingsuitgaven voor dergelijke uitvoersubsidies en de uitvoer waarvoor dergelijke uitvoersubsidies zijn toegekend, niet groter zijn dan de totale bedragen en de totale uitvoer die het resultaat zouden zijn geweest van volledige nakoming van de relevante verbintenissen per jaar die zijn gespecificeerd in de Lijst van het betrokken Lid, en
  • iv. de begrotingsuitgaven van een Lid voor uitvoersubsidies en de uitvoer van dat Lid met dergelijke subsidies aan het einde van de uitvoeringsperiode niet groter zijn dan 64, respectievelijk 79% van het niveau van de basisperiode 1986–1990. Voor Leden die ontwikkelingslanden zijn, bedragen deze percentages 76, respectievelijk 86%.
3.

De verbintenissen om de werkingssfeer van de uitvoersubsidies niet uit te breiden, zijn gespecificeerd in de Lijsten.

4.

Tijdens de uitvoeringsperiode behoeven de Leden die ontwikkelingslanden zijn geen verbintenissen aan te gaan voor de in lid 1, d. en e., genoemde uitvoersubsidies, op voorwaarde dat deze uitvoersubsidies niet zo worden toegepast dat daardoor de verbintenissen inzake steunverlaging worden omzeild.

Artikel 10. Voorkoming van het omzeilen van verbintenissen inzake uitvoersubsidies

1.

De niet in artikel 9, lid 1, genoemde uitvoersubsidies worden niet zo toegepast dat zulks leidt tot of kan leiden tot het omzeilen van de verbintenissen inzake uitvoersubsidies; niet-commerciële transacties zullen niet worden gebruikt om dergelijke verbintenissen te omzeilen.

2.

De Leden verbinden zich ertoe mee te werken aan de totstandbrenging van internationaal aanvaarde disciplines voor uitvoerkredieten, uitvoerkredietgaranties of uitvoerkredietverzekeringsregelingen en om, na goedkeuring van dergelijke disciplines uitsluitend uitvoerkredieten, uitvoerkredietgaranties of uitvoerkredietverzekeringsregelingen toe te passen die daarmee in overeenstemming zijn.

3.

Leden die stellen dat hoeveelheden die worden uitgevoerd boven de in een verbintenis tot verlaging van de gesubsidieerde uitvoer gespecificeerde hoeveelheden niet worden gesubsidieerd, moeten aantonen dat voor de betrokken hoeveelheid geen uitvoersubsidie, noch als genoemd in artikel 9, noch een andere, is toegekend.

4.

Leden die internationale voedselhulp geven, zorgen ervoor

  • a. dat internationale voedselhulp noch direct, noch indirect gekoppeld wordt aan uitvoer van landbouwprodukten naar de ontvangende landen;
  • b. dat internationale voedselhulptransacties, waaronder geldelijke bilaterale voedselhulp, worden uitgevoerd met inachtneming van de „Principles of Surplus Disposal and Consultative Obligations” (Beginselen inzake afzet van overschotten en overlegverplichtingen) van de FAO, en, indien van toepassing, het stelsel van „Usual Marketing Requirements (UMRs)” (Normale commerciële invoer), en
  • c. dat dergelijke hulp zoveel mogelijk wordt verleend in de vorm van schenkingen of op voorwaarden die minstens even gunstig zijn als die van artikel IV van het Voedselhulpverdrag van 1986.

Artikel 11. Verwerkte produkten

De uitvoersubsidie per eenheid van een verwerkt primair landbouwprodukt mag in geen geval hoger zijn dan de uitvoersubsidie per eenheid die van toepassing zou zijn bij uitvoer van het primaire landbouwprodukt als zodanig.

DEEL VI

Artikel 12. Disciplines inzake verboden op en beperkingen van de uitvoer

1.

Wanneer een Lid op grond van artikel XI, lid 2, a), van de GATT 1994 een nieuw verbod of een nieuwe beperking op de uitvoer van voedingsmiddelen invoert, moeten de volgende bepalingen in acht worden genomen:

  • a. het Lid dat het uitvoerverbod of de uitvoerbeperking invoert, dient passende aandacht te geven aan het effect van een dergelijk verbod of van een dergelijke beperking op de continuïteit in de voedselvoorziening van Leden die voedselinvoerende landen zijn;
  • b. voordat een Lid een uitvoerverbod of een uitvoerbeperking invoert, zendt het de Landbouwcommissie zo vroeg mogelijk een schriftelijke kennisgeving met daarin gegevens zoals de aard en de duur van de maatregel en pleegt dat Lid, na een verzoek dienaangaande, met ieder ander Lid dat een aanzienlijk belang heeft als importeur overleg over alle aangelegenheden in verband met de betrokken maatregel. Het Lid dat een uitvoerverbod of een uitvoerbeperking invoert, verstrekt een Lid dat een aanzienlijk belang heeft als importeur, op verzoek de nodige gegevens.
2.

Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op Leden die ontwikkelingslanden zijn, tenzij de maatregel wordt genomen door een Lid dat een ontwikkelingsland en tegelijk een netto-exporteur van het betrokken voedingsmiddel is.

DEEL VII

Artikel 13. Passende terughoudendheid

Ondanks de bepalingen van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen (in dit artikel „Subsidie-overeenkomst” genoemd) geldt voor de uitvoeringsperiode het volgende:

  • a. interne steunmaatregelen die volledig in overeenstemming zijn met de bepalingen van Bijlage 2 bij deze Overeenkomst
  • i. kunnen niet leiden tot compenserende rechten1)In dit artikel wordt onder „compenserende rechten” verstaan rechten als bedoeld in artikel VI van de GATT 1994 en in Deel V van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.;
  • ii. kunnen niet leiden tot acties op grond van artikel XVI van de GATT 1994 en Deel III van de Subsidie-overeenkomst, en
  • iii. kunnen niet leiden tot acties vanwege het feit dat de voordelen van tariefconcessies die volgens artikel II van de GATT 1994 aan een ander Lid toekomen, zijn tenietgedaan of uitgehold in de zin van artikel XXIII, lid 1, b), van de GATT 1994 zonder dat de bepalingen van de GATT zijn overtreden;
  • b. de interne steunmaatregelen die zijn gespecificeerd in de Lijsten van de Leden en die volledig in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 6 van deze Overeenkomst, met inbegrip van de directe betalingen die in overeenstemming zijn met lid 5 daarvan, alsmede de interne steun die beneden de de-minimis-niveaus blijft en in overeenstemming is met artikel 6, lid 2,
  • i. kunnen niet leiden tot compenserende rechten, tenzij volgens artikel VI van de GATT 1994 en Deel V van de Subsidie-overeenkomst schade of dreigende schade wordt vastgesteld, met dien verstande voorts dat inzake het openen van een onderzoek aangaande compenserende rechten passende terughoudendheid wordt betracht;
  • ii. kunnen niet leiden tot acties op grond van artikel XVI, lid 1, van de GATT 1994 of de artikelen 5 en 6 van de Subsidie-overeenkomst, op voorwaarde dat in het kader van dergelijke maatregelen voor een specifiek produkt niet meer steun wordt verleend dan in het jaar 1992, en
  • iii. kunnen niet leiden tot acties vanwege het feit dat de voordelen van tariefconcessies die volgens artikel II van de GATT 1994 aan een ander Lid toekomen, zijn tenietgedaan of uitgehold in de zin van artikel XXIII, lid 1, b), van de GATT 1994 zonder dat de bepalingen van de GATT zijn overtreden, op voorwaarde dat in het kader van dergelijke maatregelen voor een specifiek produkt niet meer steun wordt verleend dan in het jaar 1992;
  • c. de in de Lijsten van de Leden gespecificeerde uitvoersubsidies die volledig in overeenstemming zijn met de bepalingen van Deel V van deze Overeenkomst
  • i. kunnen alleen leiden tot compenserende rechten, nadat volgens artikel VI van de GATT 1994 en Deel V van de Subsidie-overeenkomst schade of dreigende schade wordt vastgesteld in verband met de volume-ontwikkeling, het effect op de prijzen of latere gevolgen, met dien verstande voorts dat inzake het openen van een onderzoek aangaande compenserende rechten passende terughoudendheid wordt betracht, en
  • ii. kunnen niet leiden tot acties op grond van artikel XVI van de GATT 1994 of de artikelen 3, 5 en 6 van de Subsidie-overeenkomst.

DEEL VIII

Artikel 14. Sanitaire en fytosanitaire maatregelen

De Leden komen overeen de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen uit te voeren.

DEEL IX

Artikel 15. Bijzondere en afwijkende behandeling

1.

Overeenkomstig de erkenning dat een afwijkende en gunstiger behandeling voor Leden die ontwikkelingslanden zijn, een integrerend deel is van de onderhandelingen, wordt een bijzondere en afwijkende behandeling inzake verbintenissen toegestaan zoals vastgesteld in de relevante bepalingen van deze Overeenkomst en vastgelegd in de Lijsten van concessies en verbintenissen.

2.

Leden die ontwikkelingslanden zijn hebben het recht de verlagingsverbintenissen uit te voeren over een periode van maximaal tien jaar. Leden die minstontwikkelde landen zijn, behoeven geen verlagingsverbintenissen aan te gaan.

DEEL X

Artikel 16. Minstontwikkelde landen en ontwikkelingslanden die netto-importeurs van voedsel zijn

1.

De Leden die ontwikkelde landen zijn, nemen de maatregelen waarin is voorzien in het Besluit inzake maatregelen naar aanleiding van de mogelijke negatieve effecten van het hervormingsprogramma op de minstontwikkelde landen en op de ontwikkelingslanden die netto-importeur van voedsel zijn.

2.

De Landbouwcommissie houdt toezicht op de uitvoering van dit besluit.

DEEL XI

Artikel 17. Landbouwcommissie

Hierbij wordt een Landbouwcommissie opgericht.

Artikel 18. Evaluatie van de uitvoering van de verbintenissen

1.

De vorderingen bij de uitvoering van de verbintenissen die zijn overeengekomen in het hervormingsprogramma in het kader van de Uruguay-Ronde worden in de Landbouwcommissie geëvalueerd.

2.

De evaluatie wordt uitgevoerd aan de hand van kennisgevingen die de Leden over vast te stellen onderwerpen en op vast te stellen tijdstippen indienen, alsmede aan de hand van de documentatie die het Secretariaat van de WTO kan worden verzocht op te stellen om de evaluatie te vergemakkelijken.

3.

Naast de op grond van lid 2 in te dienen kennisgevingen, moeten onverwijld kennisgevingen worden ingediend voor iedere nieuwe interne steunmaatregel of iedere wijziging in een bestaande steunmaatregel waarvoor aanspraak op vrijstelling van de verlagingsverbintenis wordt gemaakt. In de kennisgeving dienen details te worden meegedeeld over de nieuwe of gewijzigde maatregel en moet worden aangetoond dat deze in overeenstemming is met de in artikel 6 of in Bijlage 2 bij deze Overeenkomst vastgestelde criteria.

4.

Bij de evaluatie houden de Leden terdege rekening met het effect van zeer hoge inflatiepercentages op de mogelijkheden van een Lid om zich aan zijn verbintenissen inzake interne steun te houden.

5.

De Leden komen overeen in de Landbouwcommissie jaarlijks, tegen de achtergrond van de verbintenissen inzake uitvoersubsidies in het kader van deze Overeenkomst, overleg te plegen over hun aandeel in de normale groei van de wereldhandel in landbouwprodukten.

6.

Bij de evaluatie kunnen de Leden iedere kwestie aan de orde stellen die relevant is voor de uitvoering van de verbintenissen die in deze Overeenkomst zijn opgenomen in het kader van het hervormingsprogramma.

7.

Ieder Lid mag iedere maatregel onder de aandacht van de Landbouwcommissie brengen die naar zijn oordeel door een ander Lid via een kennisgeving had moeten worden gemeld.

Artikel 19. Overleg en beslechting van geschillen

De bepalingen van de artikelen XXII en XXIII van de GATT 1994, zoals uitgewerkt en toegepast in het Memorandum van Overeenstemming inzake Geschillenbeslechting, zijn van toepassing op het overleg over en de beslechting van geschillen in het kader van deze Overeenkomst.

DEEL XII

Artikel 20. Voortzetting van het hervormingsproces

Erkennend dat hun doelstelling op lange termijn, aanzienlijke en progressieve verlaging van ondersteuning en bescherming leidend tot een fundamentele hervorming, een permanent proces impliceert, komen de Leden overeen dat de onderhandelingen over de voortzetting van dat proces één jaar vóór het einde van de uitvoeringsperiode begonnen zullen worden, rekening houdend met

  • a. de ervaring tot dat tijdstip met de uitvoering van de verlagings-verbintenissen;
  • b. de effecten van de verlagingsverbintenissen op de wereldhandel in landbouwprodukten;
  • c. overwegingen van niet-commerciële aard, de bijzondere en afwijkende behandeling voor Leden die ontwikkelingslanden zijn, het doel een billijk en marktgeoriënteerd handelssysteem voor landbouwprodukten tot stand te brengen en de andere doelstellingen en overwegingen die zijn genoemd in de considerans van deze Overeenkomst, en
  • d. de verdere verbintenissen die nodig zijn voor het bereiken van bovengenoemde doelstellingen op lange termijn.

DEEL XIII

Artikel 21. Slotbepalingen

1.

De bepalingen van de GATT 1994 en van andere Multilaterale handelsovereenkomsten in Bijlage 1.A bij de WTO-overeenkomst zijn van toepassing onder voorbehoud van de bepalingen van deze Overeenkomst.

2.

De bijlagen bij deze Overeenkomst vormen een integrerend deel van deze Overeenkomst.

1

Deze Overeenkomst heeft betrekking op onderstaande produkten:

  • i. GS-hoofdstukken 1 tot en met 24, exclusief vis en visserijprodukten, plus*)De produktomschrijvingen tussen haakjes zijn niet noodzakelijkerwijs limitatief.
  • ii.
GS-code 2905.43 (mannitol)
GS-code 2905.44 (sorbitol)
GS-tariefpost 33.01 (etherische oliën)
GS-tariefposten 35.01 t/m 35.05 (albumine-achtige stoffen, gewijzigd zetmeel, lijm)
GS-code 3809.10 (appreteermiddelen)
GS-code 3823.60 (sorbitol n.e.g.)
GS-tariefposten 41.01 t/m 41.03 (huiden en vellen)
GS-tariefpost 43.01 (pelterijen)
GS-tariefposten 50.01 t/m 50.03 (ruwe zijde en zijdeafval)
GS-tariefposten 51.01 t/m 51.03 (wol en haar)
GS-tariefposten 52.01 t/m 52.03 (ruwe katoen, afval van katoen en gekaarde of gekamde katoen)
GS-tariefpost 53.01 (ruw vlas)
GS-tariefpost 53.02 (ruwe hennep)

2

Het bovenstaande doet niets af aan de werkingssfeer van de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen.

1

Onverminderd de bepalingen van artikel 6 wordt de Geaggrereerde Steun (Aggregate Measurement of Support – AMS) produktgebonden berekend voor ieder referentielandbouwprodukt waarvoor marktprijsondersteuning, niet-vrijgestelde directe betalingen of enige andere niet van de verlagingsverbintenis vrijgestelde subsidie (andere „niet-vrijgestelde beleidsmaatregelen”) wordt toegekend. Voor de niet-produktgebonden steun wordt de niet-produktgebonden AMS berekend in een enkel totaalbedrag.

2

De in punt 1 bedoelde subsidies omvatten zowel de begrotingsuitgaven als de gederfde inkomsten van de overheid of haar uitvoeringsorganen.

3

Zowel de steun op nationaal als subnationaal niveau wordt meegerekend.

4

Door de producenten betaalde specifieke landbouwheffingen of retributies worden in mindering gebracht op de AMS.

5

De volgens het onderstaande berekende AMS voor de basisperiode vormt het basisniveau voor de uitvoering van de verbintenis tot verlaging van de interne steun.

6

Voor ieder referentielandbouwprodukt wordt een specifieke AMS bepaald en uitgedrukt in een totaal geldbedrag.

7

De AMS wordt berekend voor het produkt dat zo kort mogelijk volgt op de eerste verkoop van het betrokken referentielandbouwprodukt. Maatregelen ten gunste van de verwerkers van landbouwprodukten worden meegerekend voor zover zij ten goede komen aan de producenten van de referentielandbouwprodukten.

8

Marktprijsondersteuning: de ondersteuning van de marktprijzen wordt berekend door het verschil tussen een vaste externe referentieprijs en de toegepaste regelingsprijs te vermenigvuldigen met de geproduceerde hoeveelheid die in aanmerking komt voor de regelingsprijs. Begrotingsuitgaven om dit verschil te handhaven, zoals de opkoopkosten of de opslagkosten, worden niet meegerekend voor de AMS.

9

De externe referentieprijs wordt gebaseerd op de jaren 1986 tot en met 1988 en wordt in het algemeen de gemiddelde f.o.b.-prijs per gewichtseenheid voor het betrokken referentielandbouwprodukt in een netto-exporterend land en de gemiddelde c.i.f.-prijs per gewichtseenheid voor het betrokken referentielandbouwprodukt in een netto-importerend land tijdens de basisperiode. De referentieprijs kan, zonodig, worden aangepast in verband met kwaliteitsverschillen.

10

Niet-vrijgestelde directe betalingen: niet-vrijgestelde directe betalingen die afhankelijk zijn van een prijsverschil, worden berekend door het verschil tussen de referentieprijs en de toegepaste regelingsprijs te vermenigvuldigen met de geproduceerde hoeveelheid die in aanmerking komt voor de regelingsprijs of worden berekend aan de hand van de begrotingsuitgaven.

11

De referentieprijs wordt gebaseerd op de jaren 1986 tot en met 1988 en is in het algemeen de prijs waarvan wordt uitgegaan voor de bepaling van het niveau van de directe betalingen.

12

Het bedrag van de niet-vrijgestelde directe betalingen die gebaseerd worden op andere factoren dan de prijs, wordt berekend aan de hand van de begrotingsuitgaven.

13

Andere niet-vrijgestelde maatregelen, waaronder inputsubsidies en andere maatregelen zoals maatregelen tot verlaging van de afzetkosten: de waarde van dergelijke maatregelen wordt berekend aan de hand van de begrotingsuitgaven van de overheid of, wanneer de volle omvang van de subsidie niet uit de begrotingsuitgaven blijkt, het verschil tussen de prijs van het gesubsidieerde produkt of de gesubsidieerde dienst en een representatieve marktprijs voor een soortgelijk produkt of een soortgelijke dienst, vermenigvuldigd met de hoeveelheid produkten of diensten.

1

Onverminderd de bepalingen van artikel 6 worden AMS-equivalenten berekend voor alle referentielandbouwprodukten waarvoor de in Bijlage 3 gedefinieerde marktprijsondersteuning bestaat, maar waarvoor berekening van deze component van de AMS niet uitvoerbaar is. Voor dergelijke produkten omvat het basisniveau waarvan wordt uitgegaan voor de uitvoering van de verbintenissen inzake verlaging van de interne steun, een marktprijsondersteuningscomponent uitgedrukt in AMS-equivalenten als bedoeld in punt 2, alsmede eventuele niet-vrijgestelde directe betalingen en andere niet-vrijgestelde steun, die wordt geraamd overeenkomstig het bepaalde in punt 3. Zowel op nationaal als subnationaal niveau toegekende steun moet worden meegerekend.

2

De in punt 1 bedoelde AMS-equivalenten worden voor alle referentielandbouwprodukten waarvoor marktprijsondersteuning wordt toegekend en waarvoor de berekening van de marktprijsondersteuningscomponent van de AMS niet uitvoerbaar is, produktgebonden berekend voor het produkt dat zo kort mogelijk volgt op de eerste verkoop. Voor deze referentielandbouwprodukten wordt het equivalent van de marktprijsondersteuning berekend met gebruikmaking van de toegepaste regelingsprijs en de geproduceerde hoeveelheid die in aanmerking komt voor die prijs of, als dit niet uitvoerbaar is, de begrotingsuitgaven voor ondersteuning van de producentenprijs.

3

Als voor onder punt 1 vallende referentielandbouwprodukten niet-vrijgestelde directe betalingen of andere produktgebonden, niet van de verlagingsverbintenis vrijgestelde subsidies worden toegekend, worden de AMS-equivalenten voor deze maatregelen berekend zoals de overeenkomstige AMS-componenten (zie de punten 10 t/m 13 van Bijlage 3).

4

De AMS-equivalenten worden berekend aan de hand van de subsidie voor het produkt dat zo kort mogelijk volgt op de eerste verkoop van het betrokken referentielandbouwprodukt. Maatregelen ten gunste van de verwerkers van landbouwprodukten worden meegerekend voor zover zij ten goede komen aan de producenten van de referentielandbouwprodukten. Voor specifieke landbouwheffingen of retributies die door de producenten zijn betaald, worden de AMS-equivalenten dienovereenkomstig verlaagd.

Sectie A

1

De bepalingen van artikel 4, lid 2, zijn niet met ingang van de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst van toepassing op primaire landbouwprodukten en verwerkte en/of bereide produkten daarvan („aangeduide produkten”) waarvoor aan de onderstaande voorwaarden is voldaan (deze behandeling wordt hierna „bijzondere behandeling” genoemd):

  • a. de invoer van de aangeduide produkten bedroeg in de basisperiode 1986-1988 (hierna „de basisperiode” genoemd) minder dan 3% van het betrokken interne verbruik;
  • b. sinds het begin van de basisperiode zijn voor de aangeduide produkten geen uitvoersubsidies toegekend;
  • c. er worden doeltreffende produktiebeperkende maatregelen toegepast voor het primaire landbouwprodukt;
  • d. dergelijke produkten worden, in Sectie I-B van Deel I van de Lijst van een Lid die als bijlage is gehecht aan het Protocol van Marrakesj, aangeduid met de vermelding „ST-Annex 5” als produkten waarvoor een bijzondere behandeling geldt in verband met niet-commerciële overwegingen, zoals waarborging van de continuïteit van de voedselvoorziening en milieubescherming, en
  • e. de minimumtoegang voor de aangeduide produkten, zoals gespecificeerd in Sectie I-B van Deel I van de Lijst van het betrokken Lid, bedraagt vanaf het begin van het eerste jaar van de uitvoeringsperiode 4% van het interne verbruik van de aangeduide produkten tijdens de basisperiode en wordt vervolgens per resterend jaar van de uitvoeringsperiode verhoogd met 0,8% van het betrokken interne verbruik in de basisperiode.

2

Een Lid mag aan het begin van elk jaar van de uitvoeringsperiode door het bepaalde in punt 6 toe te passen een einde maken aan de bijzondere behandeling voor de aangeduide produkten. In dat geval dient het betrokken Lid de op dat tijdstip reeds geldende minimumtoegang te behouden en de minimumtoegang per resterend jaar van de uitvoeringsperiode te verhogen met 0,4% van het betrokken interne verbruik in de basisperiode. Daarna moet de minimumtoegang die op grond van deze formule geldt voor het laatste jaar van de uitvoeringsperiode, behouden blijven in de Lijst van het betrokken Lid.

3

Onderhandelingen over de vraag of de in punt 1 vermelde bijzondere behandeling kan blijven gelden na de uitvoeringsperiode, moeten binnen deze uitvoeringsperiode worden afgerond in het kader van de in artikel 20 van deze Overeenkomst bedoelde onderhandelingen, daarbij rekening houdende met niet-commerciële overwegingen.

4

Indien als resultaat van de in punt 3 bedoelde onderhandelingen wordt overeengekomen dat een Lid de bijzondere behandeling mag blijven toepassen, verleent dat Lid de aanvullende en acceptabele concessies die tijdens die onderhandelingen zijn vastgesteld.

5

Als de bijzondere behandeling aan het einde van de uitvoeringsperiode niet langer van toepassing blijft, past het betrokken Lid de bepalingen van punt 6 toe. In dat geval moet na de uitvoeringsperiode de minimumtoegang voor de aangeduide produkten 8% blijven van het betrokken interne verbruik in de basisperiode dat is gespecificeerd in de Lijst van het betrokken Lid.

6

Op de andere voor de aangeduide produkten toegepaste grensbeschermingsmaatregelen dan gewone douanerechten worden de bepalingen van artikel 4, lid 2, van toepassing vanaf het begin van het jaar waarin de bijzondere behandeling niet meer wordt toegepast. Voor dergelijke produkten worden gewone douanerechten toegepast die worden geconsolideerd in de Lijst van het betrokken Lid en die, vanaf het begin van het jaar waarin de bijzondere behandeling wordt beëindigd en daarna, worden toegepast op het niveau dat van toepassing zou zijn geweest als tijdens de uitvoeringsperiode in gelijke jaarlijkse stappen een verlaging met minstens 15% zou zijn toegepast. Deze douanerechten worden bepaald aan de hand van tariefequivalenten die worden berekend overeenkomstig de richtlijnen in het aanhangsel bij deze Bijlage.

Sectie B

7

De bepalingen van artikel 4, lid 2, zijn ook niet met ingang van de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst van toepassing op een primair landbouwprodukt dat traditioneel het belangrijkste voedingsmiddel is in een Lid dat een ontwikkelingsland is en waarvoor, behalve aan de in punt 1 a. tot en met d. vermelde voorwaarden, voor zover van toepassing, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de minimumtoegang voor de betrokken produkten, zoals gespecificeerd in Sectie I-B van Deel I van de Lijst van het betrokken lid dat een ontwikkelingsland is, bedraagt vanaf het begin van het eerste jaar van de uitvoeringsperiode 1% van het interne verbruik van de betrokken produkten tijdens de basisperiode en wordt tot het begin van het vijfde jaar van de uitvoeringsperiode in gelijke stappen verhoogd tot 2% van het betrokken interne verbruik in de basisperiode. Vanaf het begin van het zesde jaar van de uitvoeringsperiode bedraagt de minimumtoegang voor de betrokken produkten 2% van het betrokken interne verbruik in de basisperiode en wordt deze toegang tot het begin van het tiende jaar in gelijke stappen verhoogd tot 4% van het betrokken interne verbruik in de basisperiode. Daarna moet de minimumtoegang die op grond van deze formule geldt voor het tiende jaar van de uitvoeringsperiode, behouden blijven in de Lijst van het betrokken Lid dat een ontwikkelingsland is;
  • b. er moet adequate markttoegang zijn verleend voor andere produkten die onder deze Overeenkomst vallen.

8

Onderhandelingen over de vraag of de in punt 7 vermelde bijzondere behandeling kan blijven gelden na het tiende jaar na het begin van de uitvoeringsperiode, moeten worden begonnen en afgerond binnen dit tiende jaar.

9

Indien als resultaat van de in punt 8 bedoelde onderhandelingen wordt overeengekomen dat een Lid de bijzondere behandeling mag blijven toepassen, verleent dat Lid de aanvullende en acceptabele concessies die tijdens die onderhandelingen zijn vastgesteld.

10

Als de bijzondere behandeling op grond van punt 7 aan het einde van het tiende jaar na het begin van de uitvoeringsperiode niet langer van toepassing blijft, worden voor de betrokken produkten gewone douanerechten toegepast die worden vastgesteld aan de hand van tariefequivalenten die worden berekend overeenkomstig de richtlijnen in het aanhangsel bij deze Bijlage en die worden geconsolideerd in de Lijst van het betrokken Lid. Voor het overige worden de bepalingen van punt 6 toegepast overeenkomstig de wijzigingen die zijn overeengekomen in het kader van de bijzondere en afwijkende behandeling die op grond van deze Overeenkomst is toegestaan voor Leden die ontwikkelingslanden zijn.

1

De tariefequivalenten worden, ongeacht of ze worden uitgedrukt in ad valorem-rechten of specifieke rechten, verifieerbaar berekend aan de hand van het verschil tussen de interne en de externe prijzen. Daarbij wordt uitgegaan van gegevens over de jaren 1986 tot en met 1988. De tariefequivalenten

  • a. worden in beginsel vastgesteld voor viercijferige tariefposten van het GS;
  • b. worden zonodig vastgesteld op zescijferig of nog gedetailleerder niveau van het GS;
  • c. worden voor verwerkte en/of bereide produkten in het algemeen vastgesteld door vermenigvuldiging van het (de) specifieke tariefequivalent(en) voor het (de) primaire landbouwprodukt(en) met het aandeel (de aandelen), naargelang van het geval, in waarde of fysiek, van het (de) primaire landbouwprodukt(en) in het verwerkte en/of bereide produkt, daarbij, zonodig, rekening houdende met bestaande additionele elementen ter bescherming van de industrie.

2

Als externe prijzen worden in het algemeen gemiddelde c.i.f.-prijzen per eenheid genomen voor het invoerende land. Als geen of geen adequate gemiddelde c.i.f.-prijzen beschikbaar zijn, worden als externe prijzen genomen

  • a. adequate gemiddelde c.i.f.-prijzen per eenheid van een nabij land, of
  • b. worden de externe prijzen geraamd aan de hand van gemiddelde f.o.b.-prijzen per eenheid van een adequaat belangrijk exporterend land of adequate belangrijke exporterende landen, welke prijzen worden aangepast door daarbij een geraamd bedrag voor verzekering, vracht en andere kosten naar het land van invoer op te stellen.

3

De externe prijzen worden in het algemeen in de nationale valuta omgerekend met gebruikmaking van het jaargemiddelde van de marktwisselkoers voor dezelfde periode als de periode waarover prijsgegevens beschikbaar zijn.

4

Als interne prijs wordt in het algemeen een prijs genomen die representatief is voor de groothandelsprijs op de interne markt of, als geen adequate gegevens beschikbaar zijn, een raming van die prijs.

5

De oorspronkelijke tariefequivalenten kunnen, zonodig, met gebruikmaking van een passende coëfficiënt, worden aangepast in verband met verschillen in kwaliteit of soort.

6

Als een op grond van deze richtlijnen berekend tariefequivalent negatief is of lager is dan het huidige geconsolideerde recht, kan het initiële tariefequivalent worden vastgesteld op het huidige geconsolideerde recht of op grond van een aanbod van het betrokken land voor dat produkt.

7

Als het tariefequivalent dat volgens bovenstaande richtlijnen zou moeten worden toegepast, wordt aangepast, geeft het betrokken Lid, op verzoek, alle gelegenheid voor overleg om via onderhandelingen tot een passende oplossing te komen.

De Leden,

Nogmaals verklarend dat ieder Lid de voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant noodzakelijke maatregelen mag vaststellen of toepassen, op voorwaarde dat de toepassing van deze maatregelen niet zo gebeurt dat zij een instrument zijn voor willekeurig of ongerechtvaardigd onderscheid tussen Leden in wier landen de omstandigheden gelijk zijn of een instrument voor een verkapte beperking van de internationale handel;

Geleid door de wens om de gezondheidssituatie van mens, dier en plant in de landen van alle Leden te verbeteren;

Vaststellende dat sanitaire en fytosanitaire maatregelen vaak worden toegepast op grond van bilaterale overeenkomsten of protocollen;

Geleid door de wens om een multilateraal kader van regels en disciplines vast te stellen voor de opstelling, vaststelling en toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen ten einde de negatieve effecten van deze maatregelen op de handel zoveel mogelijk te beperken;

Erkennend dat internationale normen, richtlijnen en aanbevelingen in dit opzicht een belangrijke bijdrage kunnen leveren;

Geleid door de wens om te bevorderen dat de Leden geharmoniseerde sanitaire en fytosanitaire maatregelen toepassen die zijn gebaseerd op internationale normen, richtlijnen en aanbevelingen van de relevante internationale organisaties, waaronder de Codex Alimentarius Commissie, het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten (OIE), en de relevante internationale en regionale organisaties in het kader van het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten, zonder daarbij echter van de Leden te eisen om het voor hen adequate niveau van bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant te veranderen;

Erkennend dat Leden die ontwikkelingslanden zijn bijzondere moeilijkheden kunnen ondervinden om zich te houden aan de sanitaire of fytosanitaire maatregelen van Leden die importlanden zijn en daardoor om toegang te krijgen tot de markten, maar ook om in hun eigen land sanitaire of fytosanitaire maatregelen vast te stellen en toe te passen, en geleid door de wens de Leden die ontwikkelingslanden zijn te helpen bij hun inspanningen in dit opzicht;

Geleid daarom door de wens om regels op te stellen voor de toepassing van de bepalingen van de GATT 1994 die betrekking hebben op het gebruik van sanitaire of fytosanitaire maatregelen, en met name de bepalingen van artikel XX, b.1)In deze Overeenkomst geldt een verwijzing naar artikel XX, b., ook als verwijzing naar de inleidende bepalingen bij dat artikel.;

Komen het volgende overeen:

Artikel 1. Algemene bepalingen

1.

Deze Overeenkomst geldt voor alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen die, direct of indirect, van invloed kunnen zijn op de internationale handel. Dergelijke maatregelen moeten worden opgesteld en toegepast overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst.

2.

In het kader van deze Overeenkomst gelden de in Bijlage A vastgestelde definities.

3.

De Bijlagen zijn een integrerend deel van deze Overeenkomst.

4.

Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan de rechten die de Leden kunnen doen gelden op grond van de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, voor zover het gaat om maatregelen die niet binnen de werkingssfeer van deze Overeenkomst vallen.

Artikel 2. Fundamentele rechten en verplichtingen

1.

De Leden hebben het recht de sanitaire en fytosanitaire maatregelen te nemen die nodig zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen niet in strijd zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst.

2.

De Leden zorgen ervoor dat sanitaire of fytosanitaire maatregelen alleen worden toegepast voor zover nodig voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant, dat dergelijke maatregelen worden gebaseerd op wetenschappelijke uitgangspunten en niet van kracht worden gelaten zonder voldoende wetenschappelijk bewijs, tenzij in de gevallen als bedoeld in artikel 5, lid 7.

3.

De Leden zorgen ervoor dat hun sanitaire en fytosanitaire maatregelen niet leiden tot een willekeurig of ongerechtvaardigd onderscheid tussen Leden in wier landen de omstandigheden gelijk of gelijkaardig zijn, en ook niet tussen hun eigen grondgebied en dat van andere Leden. Sanitaire en fytosanitaire maatregelen mogen niet zo worden toegepast dat zij een verkapte beperking van de internationale handel vormen.

4.

Sanitaire of fytosanitaire maatregelen die in overeenstemming zijn met de relevante bepalingen van deze Overeenkomst worden geacht in overeenstemming te zijn met de verplichtingen van de Leden op grond van de bepalingen van de GATT 1994 die betrekking hebben op het gebruik van sanitaire of fytosanitaire maatregelen, en met name de bepalingen van artikel XX, b.

Artikel 3. Harmonisatie

1.

Om ervoor te zorgen dat de sanitaire en fytosanitaire maatregelen op een zo breed mogelijke grondslag worden geharmoniseerd, baseren de Leden hun sanitaire of fytosanitaire maatregelen op internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen, voor zover die bestaan, tenzij anders is bepaald in deze Overeenkomst en met name in lid 3.

2.

Sanitaire of fytosanitaire maatregelen die in overeenstemming zijn met internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen worden geacht noodzakelijk te zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant, en worden geacht niet in strijd te zijn met de relevante bepalingen van deze Overeenkomst en van de GATT 1994.

3.

De Leden hebben het recht sanitaire of fytosanitaire maatregelen in te voeren of toe te passen die resulteren in een hoger niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming dan maatregelen gebaseerd op de relevante internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen, als dat wetenschappelijk kan worden verantwoord of dat samenhangt met het niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming dat een Lid adequaat acht overeenkomstig de relevante bepalingen van artikel 5, lid 1 tot en met lid 81)In de zin van artikel 3, lid 3, zijn maatregelen wetenschappelijk verantwoord als, op grond van een onderzoek en evaluatie van de beschikbare wetenschappelijke gegevens overeenkomstig de relevante bepalingen van deze Overeenkomst, een Lid bepaalt dat de relevante internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen niet toereikend zijn voor het door hem adequaat geachte niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming.. Desalniettemin mogen maatregelen die resulteren in een ander niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming dan het niveau dat zou resulteren uit maatregelen op grond van internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen, niet strijdig zijn met enige andere bepaling van deze Overeenkomst. Desalniettemin mogen maatregelen die resulteren in een ander niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming dan het niveau dat zou resulteren uit maatregelen op grond van internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen, niet strijdig zijn met enige andere bepaling van deze Overeenkomst.

4.

De Leden werken in de relevante internationale organisaties en hun ondersteunende organen, in het bijzonder de Codex Alimentarius Commissie, het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten (OIE), en de internationale en regionale organisaties in het kader van het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten, binnen hun mogelijkheden ten volle mee om in deze organisaties te bevorderen dat normen, richtlijnen en aanbevelingen met betrekking tot alle aspecten van sanitaire en fytosanitaire maatregelen worden opgesteld en periodiek opnieuw worden bekeken.

5.

De in artikel 12, lid 1 en lid 4, bedoelde Commissie voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen (in deze Overeenkomst de „Commissie” genoemd) stelt een procedure op om de internationale harmonisatie te volgen en de inspanningen terzake met de relevante internationale organisaties te coördineren.

Artikel 4. Gelijkwaardigheid

1.

De Leden aanvaarden de gelijkwaardigheid van de veterinaire of fytosanitaire maatregelen van andere Leden, zelfs als deze maatregelen verschillen van hun eigen maatregelen of van de maatregelen die worden toegepast door andere Leden die in hetzelfde produkt handelen, als het exporterende Lid het importerende Lid objectief aantoont dat zijn maatregelen resulteren in het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming van het importerende Lid. Daartoe wordt aan het importerende Lid, op diens verzoek, redelijke toegang gegeven wat betreft inspectie, proeven en andere relevante procedures.

2.

De Leden aanvaarden, op verzoek, overleg met het oog op bilaterale en multilaterale overeenkomsten over de erkenning van de gelijkwaardigheid van gespecificeerde sanitaire of fytosanitaire maatregelen.

Artikel 5. Risico-evaluatie en bepaling van het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming

1.

De Leden baseren hun sanitaire of fytosanitaire maatregelen op een aan de omstandigheden beantwoordende evaluatie van de risico's voor het leven of de gezondheid van mens, dier of plant, en houden daarbij rekening met de risico-evaluatiemethoden van de relevante internationale organisaties.

2.

Bij de evaluatie van de risico's houden de Leden rekening met wetenschappelijk bewijs, relevante produktieprocessen en produktiemethoden, relevante inspectie-, bemonsterings- en beproevingsmethoden, prevalentie van specifieke ziekten of plagen; bestaan van ziekte- of plagenvrije gebieden, relevante omstandigheden wat betreft de ecologische situatie of het milieu, en quarantaineregelingen of andere behandelingen.

3.

Bij de evaluatie van het risico voor het leven of de gezondheid van dier of plant, en bij de bepaling van de toe te passen maatregel om het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming tegen een dergelijk risico te bereiken, worden door de Leden als relevante economische factoren in aanmerking genomen: de mogelijke schade in de vorm van verliezen aan produktie of verkoop als een plaag of ziekte wordt binnengebracht, gevestigd raakt of zich verspreidt, de kosten van bestrijding of uitroeiing op het grondgebied van het importerende Lid, en de kosten-batenverhouding van andere methoden om de risico's te beperken.

4.

De Leden behoren bij het bepalen van het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming rekening houden met het doel de negatieve effecten op de handel zo klein mogelijk te houden.

5.

Met het oog op een samenhangende toepassing van het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming tegen risico's voor het leven of de gezondheid van de mens, dier of plant dient ieder Lid willekeurige of ongerechtvaardigde verschillen in de niveaus die hij in verschillende situaties adequaat acht te vermijden, als die verschillen resulteren in discriminatie of in een verkapte beperking van de internationale handel. De Leden werken, overeenkomstig artikel 12, leden 1, 2 en 3, in de Commissie samen voor het opstellen van richtlijnen om de praktische toepassing van deze bepaling te bevorderen. Bij het opstellen van de richtlijnen houdt de Commissie rekening met alle relevante factoren, waaronder het feit dat mensen slechts bij uitzondering opzettelijk risico's nemen ten aanzien van hun gezondheid.

6.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3, lid 2, zorgen de Leden ervoor dat sanitaire of fytosanitaire maatregelen die door hen vastgesteld of toegepast worden met het oog op hun adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming, de handel niet meer beperken dan nodig is om dat niveau te bereiken; ze houden daarbij rekening met de technische en economische uitvoerbaarheid1)In de zin van artikel 5, lid 6, beperkt een maatregel de handel niet meer dan nodig is, tenzij er, rekening houdende met de technische en economische uitvoerbaarheid, een andere redelijkerwijs toepasbare maatregel bestaat die het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming geeft en aanzienlijk minder beperkingen voor de handel meebrengt..

7.

Wanneer onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar is, mag een Lid voorlopige sanitaire of fytosanitaire maatregelen vaststellen op grond van de beschikbare relevante gegevens, waaronder gegevens van de betrokken internationale organisaties en gegevens in verband met sanitaire of fytosanitaire maatregelen die worden toegepast door andere Leden. In die situatie moeten de Leden ernaar streven om de bijkomende gegevens te verzamelen die nodig zijn voor een objectievere risico-evaluatie en om de betrokken sanitaire of fytosanitaire maatregel binnen een redelijke termijn dienovereenkomstig opnieuw te bekijken.

8.

Wanneer een Lid reden heeft om aan te nemen dat een specifieke sanitaire of fytosanitaire maatregel die door een ander Lid is ingevoerd of wordt toegepast, zijn uitvoer beperkt of kan beperken en de betrokken maatregel niet gebaseerd is op de relevante internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen of dergelijke normen, richtlijnen of aanbevelingen niet bestaan, mag uitleg over de redenen voor deze sanitaire of fytosanitaire maatregel worden gevraagd en moet het Lid dat de maatregel toepast, die uitleg verstrekken.

Artikel 6. Aanpassing aan de regionale omstandigheden, waaronder ziekte- of plagenvrije gebieden of gebieden met een lage ziekte- of plagenprevalentie

1.

De Leden zorgen ervoor dat hun sanitaire of fytosanitaire maatregelen aangepast zijn aan de sanitaire of fytosanitaire kenmerken van het gebied, hetzij een land of een gedeelte van een land, hetzij enkele landen of gedeelten van enkele landen, waaruit het produkt afkomstig is en waarvoor het produkt is bestemd. Bij de evaluatie van de sanitaire of fytosanitaire kenmerken van een gebied houden de Leden onder andere rekening met de prevalentie van specifieke ziekten of plagen, eventuele uitroeiings- of bestrijdingsprogramma's en eventuele adequate criteria of richtlijnen van de relevante internationale organisaties.

2.

De Leden aanvaarden met name de concepten ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen. Dergelijke gebieden worden bepaald aan de hand van factoren zoals geografische situatie, ecosystemen, epidemiologisch toezicht, en doeltreffendheid van sanitaire of fytosanitaire controles.

3.

Exporterende Leden die stellen dat gebieden binnen hun grondgebied vrij van ziekten of plagen zijn of een lage prevalentie van ziekten of plagen hebben, dienen terzake de nodige bewijzen te leveren om het importerende Lid objectief aan te tonen dat dergelijke gebieden ziekte- of plagenvrije gebieden zijn en waarschijnlijk zullen blijven, respectievelijk gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen zijn of waarschijnlijk zullen blijven. Daartoe wordt aan het importerende Lid, op diens verzoek, redelijke toegang gegeven wat betreft inspectie, proeven en andere relevante procedures.

Artikel 7. Openheid

De Leden zorgen voor kennisgeving van de wijzigingen in hun sanitaire of fytosanitaire maatregelen en verstrekken gegevens over hun sanitaire of fytosanitaire maatregelen overeenkomstig de bepalingen in Bijlage B.

Artikel 8. Controle-, inspectie- en goedkeuringsprocedures

De Leden houden zich bij de toepassing van controle-, inspectie- en goedkeuringsprocedures, waaronder nationale regelingen voor de goedkeuring van het gebruik van additieven of voor de vaststelling van toleranties voor contaminanten in voedingsmiddelen, drank of diervoeder, aan de bepalingen in bijlage C, en zorgen er ook overigens voor dat hun procedures niet in strijd zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 9. Technische bijstand

1.

De Leden komen overeen de technische bijstand aan andere Leden, met name Leden die ontwikkelingslanden zijn, te vergemakkelijken hetzij op bilateraal niveau, hetzij via de betrokken internationale organisaties. Dergelijke assistentie kan onder andere worden verleend op het vlak van procestechnologie, onderzoek en infrastructuur, daaronder begrepen de oprichting van nationale regelgevende instanties, en kan worden verleend in de vorm van adviezen, kredieten, schenkingen en subsidies, ook voor het bekostigen van technische deskundigheid, opleidingen en apparatuur om deze landen in staat te stellen zich aan te passen aan het niveau van en uitvoering te geven aan de sanitaire of fytosanitaire maatregelen die nodig zijn om het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming op hun uitvoermarkten te bereiken.

2.

Als aanzienlijke investeringen nodig zijn om een Lid dat een uitvoerend ontwikkelingsland is in staat te stellen om te voldoen aan de sanitaire of fytosanitaire eisen van een importerend Lid, dient laatstgenoemd Lid te overwegen om die technische bijstand te verlenen die het ontwikkelingsland in staat stelt zijn markttoegang voor het betrokken produkt te handhaven of te vergroten.

Artikel 10. Bijzondere en afwijkende behandeling

1.

Bij de voorbereiding en de toepassing van sanitaire of fytosanitaire maatregelen houden de Leden rekening met de bijzondere behoeften van de Leden die ontwikkelingslanden zijn en met name van de Leden die minstontwikkelde landen zijn.

2.

Wanneer in het kader van het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming een gefaseerde invoering van nieuwe sanitaire of fytosanitaire maatregelen mogelijk is, behoren langere invoeringstermijnen te worden toegestaan voor produkten die van belang zijn voor Leden die ontwikelingslanden zijn, ten einde hun uitvoermogelijkheden niet te verminderen.

3.

Om ervoor te zorgen dat Leden die ontwikkelingslanden zijn, in staat zijn om aan de bepalingen van deze Overeenkomst te voldoen, wordt de Commissie gemachtigd deze landen, rekening houdende met de situatie van hun financiën, handel en ontwikkeling, op hun verzoek gespecificeerde en tijdelijke uitzonderingen toe te staan wat betreft alle of een gedeelte van hun verplichtingen op grond van deze Overeenkomst.

4.

De Leden behoren Leden die ontwikkelingslanden zijn aan te moedigen om actief mee te werken in de betrokken internationale organisaties en hun dit ook te vergemakkelijken.

Artikel 11. Overleg en beslechting van geschillen

1.

De bepalingen van de artikelen XXII en XXIII van de GATT 1994, zoals uitgewerkt en toegepast in het Memorandum van Overeenstemming inzake Geschillenbeslechting zijn van toepassing op het overleg en de beslechting van geschillen in het kader van deze Overeenkomst, tenzij hierin uitdrukkelijk anders is bepaald.

2.

Bij een geschil op het gebied van deze Overeenkomst dat handelt over wetenschappelijke of technische kwesties behoort een panel advies te vragen van deskundigen die het kiest in overleg met de partijen bij het geschil. Daartoe kan het panel, wanneer het dit dienstig acht, een adviesgroep van technische deskundigen vormen of de betrokken internationale organisaties raadplegen, een en ander op verzoek van een van de partijen bij het geschil of op zijn eigen initiatief.

3.

Niets in deze Overeenkomst doet afbreuk aan de rechten van de Leden op grond van andere internationale overeenkomsten, daaronder begrepen het recht om gebruik te maken van de goede diensten of regelingen voor geschillenbeslechting die bestaan in het kader van andere internationale organisaties of als uitvloeisel van een internationale overeenkomst.

Artikel 12. Administratie

1.

Hierbij wordt als forum voor regelmatig overleg een Commissie voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen opgericht. De Commissie vervult de functies die nodig zijn om de uitvoering van de bepalingen van deze Overeenkomst en de doelstellingen daarvan, met name op het vlak van de harmonisatie, te bevorderen. De Commissie beslist bij consensus.

2.

De Commissie stimuleert en vergemakkelijkt ad hoc-overleg of ad hoc-onderhandelingen tussen de Leden over specifieke sanitaire of fytosanitaire kwesties. De Commissie stimuleert de toepassing van internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen door de Leden en verstrekt in dit verband financiële bijdragen voor technisch overleg en onderzoek dat gericht is op sterkere coördinatie en integratie van internationale en nationale regelingen en methodes voor de goedkeuring van het gebruik van voedingsmiddelenadditieven of voor de vaststelling van toleranties voor contaminanten in voedingsmiddelen, drank of diervoeder.

3.

De Commissie onderhoudt nauwe contacten met de relevante internationale organisaties op het gebied van sanitaire en fytosanitaire bescherming, met name met de Codex Alimentarius Commissie, het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Dierziekten, en het Secretariaat van het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten, ten einde zich met het oog op het beheer van deze Overeenkomst te verzekeren van de beste wetenschappelijke en technische adviezen die beschikbaar zijn en ervoor te zorgen dat dubbel werk wordt voorkomen.

4.

De Commissie stelt een procedure op voor het volgen van de internationale harmonisatie en de toepassing van internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen. Daartoe behoort de Commissie in samenwerking met de relevante internationale organisaties een lijst op te stellen van internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen inzake sanitaire of fytosanitaire maatregelen die volgens haar belangrijke consequenties hebben voor de handel. In deze lijst behoort te worden opgenomen een door de Leden verstrekte opgave van de internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen die zij als voorwaarden voor invoer hanteren of op grond waarvan ingevoerde produkten die aan deze normen beantwoorden toegang hebben tot hun markten. Als een Lid een internationale norm, richtlijn of aanbeveling niet als voorwaarde voor invoer toepast, behoort het de reden daarvoor op te geven en met name of het van mening is dat de norm niet streng genoeg is met het oog op het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming. Als een Lid, na te hebben opgegeven dat het een norm, richtlijn of aanbeveling als voorwaarde voor invoer toepast, zijn standpunt herziet, behoort het zijn veranderde houding toe te lichten en het Secretariaat van de WTO en de relevante internationale organisaties daarvan in kennis te stellen, tenzij de kennisgeving en toelichting gebeuren volgens de procedures in Bijlage B.

5.

Om dubbel werk te voorkomen, kan de Commissie, zonodig, besluiten de gegevens te gebruiken die beschikbaar komen via de procedures, met name de kennisgevingsprocedures, die worden toegepast bij de relevante internationale organisaties.

6.

De Commissie kan, op initiatief van een van de Leden, via passende kanalen de relevante internationale organisaties of hun ondersteunende organen verzoeken specifieke punten met betrekking tot een bepaalde norm, richtlijn of aanbeveling te onderzoeken, daaronder begrepen de grondslag van de in het kader van lid 4 verstrekte toelichting waarom een specifieke norm, richtlijn of aanbeveling niet wordt gebruikt.

7.

De werking en de uitvoering van deze Overeenkomst worden door de Commissie onderzocht drie jaar na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst en vervolgens steeds als dat nodig is. De Commissie mag, zonodig, aan de Raad voor de handel in goederen voorstellen voor wijziging van deze Overeenkomst voorleggen; zij houdt daarbij onder andere rekening met de bij de uitvoering opgedane ervaring.

Artikel 13. Uitvoering

Op grond van deze Overeenkomst zijn de Leden ten volle verantwoordelijk voor de naleving van alle hierin vastgelegde verplichtingen. De Leden stellen maatregelen en regelingen vast om te bevorderen dat de bepalingen van deze Overeenkomst ook worden nageleefd door andere instanties dan die van de centrale overheid en geven uitvoering aan deze maatregelen en regelingen. Zij nemen alle redelijke in hun vermogen liggende maatregelen om ervoor te zorgen dat andere instanties op hun grondgebied dan overheidsinstanties, evenals de regionale instanties waartoe de relevante instanties op hun grondgebied behoren, de relevante bepalingen van deze Overeenkomst naleven. Voorts nemen de Leden geen maatregelen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, dergelijke regionale instanties of andere instanties dan overheidsinstanties, of plaatselijke overheidsinstanties, verplichten of stimuleren tot handelingen die in strijd zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst. De Leden zorgen ervoor dat zij voor de toepassing van sanitaire of fytosanitaire maatregelen alleen andere instanties dan overheidsinstanties inschakelen, als deze instanties de bepalingen van deze Overeenkomst naleven.

Artikel 14. Slotbepalingen

Leden die minstontwikkelde landen zijn mogen voor hun sanitaire of fytosanitaire maatregelen met betrekking tot invoer of ingevoerde produkten de toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst uitstellen tot het zesde jaar na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst. Leden die ontwikkelingslanden zijn, mogen de toepassing van de andere bepalingen van deze Overeenkomst dan artikel 5, lid 8, en artikel 7 uitstellen tot het derde jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst voor zover het gaat om bestaande sanitaire of fytosanitaire maatregelen met betrekking tot invoer of ingevoerde produkten en voor zover bovenbedoelde bepalingen niet kunnen worden toegepast als gevolg van een tekort aan technische deskundigheid, aan technische infrastructuur of aan middelen.

1. Sanitaire of fytosanitaire maatregel

– Iedere maatregel die wordt toegepast

  • a. om het leven of de gezondheid van dieren of planten binnen het grondgebied van het Lid te beschermen tegen de risico's als gevolg van het binnenbrengen, gevestigd raken of de verspreiding van plagen, ziekten, vectororganismen of pathogene organismen;
  • b. om het leven of de gezondheid van mens of dier binnen het grondgebied van het Lid te beschermen tegen de risico's van additieven, contaminanten, toxines of pathogene organismen in levensmiddelen, drank of diervoeder;
  • c. om het leven of de gezondheid van de mens binnen het grondgebied van het Lid te beschermen tegen de risico's als gevolg van ziekten met als vector dieren, planten of produkten daarvan, of als gevolg van het binnenbrengen, gevestigd raken of de verspreiding van plagen, of
  • d. om andere schade binnen het grondgebied van het Lid als gevolg van het binnenbrengen, gevestigd raken of de verspreiding van plagen te voorkomen of te beperken.

Tot de sanitaire of fytosanitaire maatregelen worden gerekend alle relevante wetten, besluiten, regelingen, eisen en procedures, waaronder, inter alia, criteria voor het eindprodukt; produktieprocessen en -methodes; onderzoek-, inspectie-, certificerings- en goedkeuringsprocedures; quarantaineregelingen, waaronder de eisen aangaande het vervoer van dieren of planten, of de stoffen die nodig zijn voor het overleven van deze dieren of planten tijdens het vervoer; bepalingen inzake relevante statistische methodes, bemonsteringsprocedures en methodes voor risico-evaluatie; eisen inzake verpakking en etikettering die rechtstreeks verband houden met de veiligheid van voedingsmiddelen.

2. Harmonisatie

– De vaststelling, erkenning en toepassing van gemeenschappelijke sanitaire en fytosanitaire maatregelen door verschillende Leden.

3. Internationale normen, richtlijnen en aanbevelingen

  • a. wat betreft voedselveiligheid: de normen, richtlijnen en aanbevelingen van de Codex Alimentarius Commissie inzake voedingsmiddelenadditieven, residuen van diergeneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen, contaminanten, analyse- en bemonsteringsmethodes, en gedrags- codes en richtlijnen voor hygiënische werkwijzen;
  • b. wat betreft diergezondheid en zoönosen: de normen, richtlijnen en aanbevelingen die zijn opgesteld onder auspiciën van het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Dierziekten;
  • c. wat betreft de gezondheid van planten: de internationale normen, richtlijnen en aanbevelingen die zijn opgesteld onder auspiciën van het Secretariaat van hetInternationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten in samenwerking met de regionale organisaties in het kader van het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten, en
  • d. wat betreft aangelegenheden die niet onder bovengenoemde organisaties vallen: adequate door de Commissie voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen opgegeven normen, richtlijnen en aanbevelingen van andere bevoegde internationale organisaties waarvan het lidmaatschap openstaat voor alle Leden.

4. Risico-evaluatie

– Beoordeling van de waarschijnlijkheid, naargelang van de sanitaire of fytosanitaire maatregelen die zouden kunnen worden toegepast, dat een ziekte of plaag op het grondgebied van een invoerend land wordt binnengebracht, gevestigd raakt of zich verspreidt, alsmede van de mogelijke biologische en economische consequenties daarvan; beoordeling van de mogelijke negatieve effecten op de gezondheid van mens of dier als gevolg van additieven, contaminanten, toxines of pathogene organismen in voedingsmiddelen, drank of diervoeder.

5. Adequaat niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming

– Het niveau van bescherming dat door het Lid dat een sanitaire of fytosanitaire maatregel vaststelt adequaat wordt geacht voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant op zijn grondgebied.

AANTEKENING: Veel Leden duiden dit begrip aan met de term „aanvaardbaar risiconiveau”.

6. Ziekte- of plagenvrij gebied

– Een gebied, hetzij een heel land of een gedeelte van een land, hetzij enkele landen of gedeelten van enkele landen, dat door de bevoegde autoriteiten is gedefinieerd en waarbinnen een bepaalde plaag of ziekte niet voorkomt.

AANTEKENING: Een ziekte- of plagenvrij gebied mag zich uitstrekken rond, omgeven zijn door of grenzen aan een gebied, ongeacht of dit een gedeelte van een land is of een geografisch gebied dat gedeelten van of enkele landen in hun totaliteit omvat, waarvan bekend is dat daar een bepaalde ziekte of plaag voorkomt, maar waarvoor regionale bestrijdingsmaatregelen gelden zoals beschermings-, toezicht- en bufferzones waardoor de verspreiding van de betrokken ziekte of plaag beperkt blijft of deze wordt uitgeroeid.

7. Gebied met een lage prevalentie van ziekten of plagen

– Een gebied, hetzij een land of een gedeelte van een land, hetzij een aantal landen of gedeelten van een aantal landen, dat door de bevoegde autoriteiten is gedefinieerd en waar een bepaalde ziekte of plaag in lage mate voorkomt en waar ten aanzien van de betrokken ziekte of plaag efficiënte maatregelen worden toegepast op het vlak van toezicht, bestrijding of uitroeiing.

Bekendmaking van de regelingen

1

De Leden zorgen ervoor dat alle sanitaire en fytosanitaire regelingen1)Sanitaire en fytosanitaire maatregelen, zoals wetten, decreten of verordeningen die algemeen toepasselijk zijn. die zij vaststellen, onverwijld zo worden bekendgemaakt dat belanghebbende Leden er kennis van kunnen nemen.

2

Dringende gevallen uitgezonderd, zorgen de Leden ervoor dat er een redelijke termijn ligt tussen de bekendmaking van een sanitaire of fytosanitaire regeling en de inwerkingtreding daarvan, ten einde de producenten in exporterende Leden, en met name in Leden die ontwikkelingslanden zijn, de tijd te geven om hun produkten en produktiemethoden aan te passen aan de eisen van het importerende Lid.

Informatiepunten

3

Ieder Lid zorgt ervoor dat er één informatiepunt is dat verantwoordelijk is voor het beantwoorden van alle redelijke vragen van belanghebbende Leden en voor het verstrekken van relevante documenten met betrekking tot:

  • a. alle voor zijn grondgebied vastgestelde of voorgestelde sanitaire of fytosanitaire regelingen;
  • b. alle op zijn grondgebied toegepaste controle- en inspectieprocedures; regelingen voor produktie en quarantaine; procedures voor de vaststelling van toleranties voor gewasbeschermingsmiddelen en goedkeuringsprocedures voor voedingsmiddelenadditieven;
  • c. risico-evaluatieprocedures, de factoren waarmee daarbij rekening wordt gehouden, alsmede de vaststelling van het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming;
  • d. het lidmaatschap en de medewerking, anders gezegd de betrokkenheid van het Lid of van bevoegde instanties op zijn grondgebied bij internationale en regionale sanitaire en fytosanitaire organisaties en systemen, alsmede bij bilaterale en multilaterale overeenkomsten en arrangementen op het vlak van deze Overeenkomst, alsmede de teksten van dergelijke overeenkomsten en arrangementen.

4

De Leden zorgen ervoor dat, als belanghebbende Leden om exemplaren van documenten vragen, deze documenten, in het geval dat daarvoor een prijs wordt gevraagd, worden geleverd tegen dezelfde prijs, afgezien van de verzendkosten, als die welke wordt gevraagd aan de onderdanen1)Als in deze Overeenkomst het woord „onderdanen” wordt gebruikt, wordt wat betreft een afzonderlijk douanegebied dat Lid is van de WTO daaronder verstaan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die is gedomicilieerd of die een feitelijke industriële of commerciële vestiging heeft in dat douanegebied. van het betrokken Lid.

Kennisgevingsprocedures

5

Als er geen internationale norm, richtlijn of aanbeveling bestaat of een voorgestelde sanitaire of fytosanitaire regeling qua strekking niet nagenoeg gelijk is aan een internationale norm, richtlijn of aanbeveling, en als een regeling aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de handel van andere Leden, moeten de Leden

  • a. in een vroeg stadium op dusdanige wijze een kennisgeving publiceren dat belanghebbende Leden kennis kunnen nemen van het voorstel om een bepaalde regeling in te voeren;
  • b. de andere Leden, via het Secretariaat van de WTO, in kennis stellen van de produkten waarop de regeling betrekking zal hebben en daarbij in het kort het doel en de reden van de voorgestelde regeling aangeven. Deze kennisgevingen moeten worden gedaan in een vroeg stadium, wanneer nog wijzigingen kunnen worden aangebracht en nog rekening kan worden gehouden met opmerkingen;
  • c. de andere Leden op hun verzoek exemplaren van de voorgestelde regeling verstrekken en, zo mogelijk, de gedeelten aangeven die op essentiële punten verschillen van internationale normen, richtlijnen of aanbevelingen;
  • d. zonder te discrimineren, aan de andere Leden een redelijke termijn geven om schriftelijk opmerkingen te maken, deze opmerkingen, indien daarom wordt verzocht, met hen bespreken en rekening houden met de opmerkingen en de resultaten van de besprekingen.

6

Als zich voor een Lid dringende problemen op het vlak van gezondheidsbescherming voordoen of dreigen voor te doen, mag dat Lid echter, naar eigen inzicht, een of meer van de in punt 5 van deze Bijlage opgesomde stappen achterwege laten, op voorwaarde dat het

  • a. de andere Leden, via het Secretariaat van de WTO, onmiddellijk in kennis stelt van de specifieke regeling en de produkten en daarbij in het kort het doel en de reden van de regeling vermeldt, en ook de aard van het (de) urgente probleem (problemen);
  • b. de andere Leden op hun verzoek exemplaren van de regeling verstrekt;
  • c. de andere Leden de gelegenheid geeft schriftelijk hun opmerkingen te maken, deze opmerkingen, op hun verzoek, met hen bespreekt en rekening houdt met de opmerkingen en de resultaten van de besprekingen.

7

De kennisgevingen aan het Secretariaat van de WTO moeten worden opgesteld in het Engels, Frans of Spaans.

8

Leden die ontwikkelde landen zijn verstrekken, als andere Leden daarom verzoeken, in het Engels, Frans of Spaans, exemplaren of, als het omvangrijke documenten betreft, samenvattingen van de documenten waarover een kennisgeving is gedaan.

9

Het Secretariaat van de WTO zendt de tekst van de kennisgeving onverwijld aan alle Leden en belanghebbende internationale organisaties en vestigt de aandacht van Leden die ontwikkelingslanden zijn op alle kennisgevingen met betrekking tot produkten die voor hen van bijzonder belang zijn.

10

De Leden stellen één enkele instantie van de centrale overheid aan die verantwoordelijk is voor de nationale uitvoering van de bepalingen inzake kennisgevingsprocedures overeenkomstig de punten 5, 6, 7 en 8 van deze Bijlage.

Algemene reserves

11

Niets in deze Overeenkomst mag worden uitgelegd

  • a. als een verplichting om details of exemplaren van ontwerp-teksten te verstrekken of teksten bekend te maken in een andere taal dan de taal van het Lid, behoudens het bepaalde in punt 8 van deze Bijlage, of
  • b. als een verplichting voor de Leden om vertrouwelijke informatie bekend te maken die de rechtshandhaving wat betreft de sanitaire of fytosanitaire wetgeving zou bemoeilijken of die de rechtmatige handelsbelangen van specifieke bedrijven zou schaden.

1

Wat betreft de procedures om de naleving van sanitaire of fytosanitaire maatregelen te controleren en te waarborgen, zorgen de Leden ervoor

  • a. dat deze procedures zonder onnodig tijdverlies worden begonnen en uitgevoerd, op een wijze die voor ingevoerde produkten niet ongunstiger is dan voor soortgelijke binnenlandse produkten;
  • b. dat de normale duur van iedere procedure wordt bekendgemaakt of dat, op verzoek van de betrokkene, de verwachte duur van de procedure wordt meegedeeld; dat, wanneer de bevoegde instantie een aanvraag ontvangt, onverwijld wordt onderzocht of de verstrekte documentatie compleet is en de betrokkene nauwkeurig en volledig wordt ingelicht over alle fouten en tekortkomingen; dat de bevoegde instantie de uitkomsten van de procedure zo spoedig mogelijk nauwkeurig en volledig aan de betrokkene meedeelt, zodat, zonodig, voor correcties kan worden gezorgd; dat, zelfs in geval van fouten en tekortkomingen in de aanvraag, de procedure, als de betrokkene dat wenst, door de bevoegde instanties zover mogelijk wordt afgewerkt, en dat, op verzoek van de betrokkene, deze wordt ingelicht over het stadium van de procedure en over eventuele oorzaken van vertraging;
  • c. dat slechts inlichtingen worden gevraagd voor zover die nodig zijn voor passende controle-, inspectie- en goedkeuringsprocedures, waaronder procedures voor de goedkeuring van het gebruik van additieven in voedingsmiddelen, drank of diervoeder of voor de vaststelling van toleranties voor contaminanten daarin;
  • d. dat de vertrouwelijkheid van informatie over ingevoerde produkten die afkomstig is van of verstrekt is in samenhang met controle, inspectie en goedkeuring, niet minder wordt gerespecteerd dan voor binnenlandse produkten en zo dat rechtmatige handelsbelangen worden beschermd;
  • e. dat de eisen in verband met controle, inspectie en goedkeuring van individuele exemplaren van een produkt beperkt blijven tot hetgeen redelijk en noodzakelijk is;
  • f. dat eventuele rechten voor de procedures voor ingevoerde produkten billijk zijn in verhouding tot eventuele rechten die in rekening worden gebracht voor soortgelijke binnenlandse produkten of produkten van oorsprong uit het land van andere Leden, met dien verstande dat deze rechten niet hoger behoren te zijn dan de feitelijke kosten;
  • g. dat voor zover mogelijk dezelfde criteria worden gebruikt voor de bepaling van de plaats van vestiging van diensten of installaties die worden gebruikt bij procedures en het selecteren van monsters van ingevoerde produkten als bij de bepaling van die plaats voor binnenlandse produkten, zodat de hinder voor aanvragers, invoerders, uitvoerders of hun agenten tot een minimum beperkt blijft;
  • h. dat als, nadat een produkt in het kader van de toepasselijke regelingen is gecontroleerd en geïnspecteerd, de specificaties van dit produkt worden gewijzigd, de procedure voor het gewijzigde produkt beperkt blijft tot hetgeen noodzakelijk is om te bepalen of er adequate zekerheid bestaat dat het produkt nog steeds voldoet aan de betrokken regelingen, en
  • i. dat er een procedure bestaat voor het onderzoek van klachten over de werking van deze procedures en om corrigerende maatregelen te nemen in geval van een gerechtvaardigde klacht.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)