Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie
De Leden kunnen van octrooieerbaarheid uitsluiten uitvindingen waarvan het beletten van de commerciële toepassing op hun grondgebied noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde of de goede zeden, met inbegrip van de bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten of ter vermijding van ernstige schade voor het milieu, mits deze uitsluiting niet slechts plaatsvindt omdat de exploitatie door de nationale wetgeving is verboden.
De Leden kunnen ook van octrooieerbaarheid uitsluiten:
- a. diagnostische, therapeutische en chirurgische methoden voor de behandeling van mensen of dieren;
- b. andere planten en dieren dan micro-organismen en andere werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren niet zijnde biologische en microbiologische werkwijzen. De Leden voorzien evenwel in de bescherming van plantenrassen door octrooien dan wel door een doeltreffend afzonderlijk stelsel, of een combinatie daarvan. De bepalingen van deze letter worden vier jaar na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst opnieuw bezien.
Artikel 28. Verleende rechten
Een octrooi verleent aan de houder de volgende uitsluitende rechten:
- a. wanneer het onderwerp van een octrooi een produkt is, derden die daartoe niet zijn toestemming hebben te beletten: dat produkt te vervaardigen, te gebruiken, ten verkoop aan te bieden, te verkopen of voor deze doeleinden in te voeren1)Dit recht is, evenals alle andere krachtens deze Overeenkomst verleende rechten met betrekking tot het gebruik, de verkoop, de invoer of andere distributie van goederen, onderworpen aan de bepalingen van artikel 6.;
- b. wanneer het onderwerp van een octrooi een werkwijze is, derden die daartoe niet zijn toestemming hebben te beletten deze werkwijze te gebruiken en ten minste het rechtstreeks door middel van deze werkwijze verkregen produkt te gebruiken, ten verkoop aan te bieden, te verkopen of voor deze doeleinden in te voeren.
Houders van octrooien hebben ook het recht het octrooi over te dragen, of te doen overgaan door opvolging, en licentieovereenkomsten te sluiten.
Artikel 29. Aan octrooiaanvragen gestelde voorwaarden
De Leden vereisen dat een aanvrager van een octrooi de uitvinding openbaar maakt op een wijze die voldoende duidelijk en volledig is om de uitvinding te kunnen toepassen door een ter zake bekwaam persoon en kunnen vereisen dat de aanvrager de beste wijze van toepassing van de uitvinding aangeeft die de uitvinder bekend is op de datum van indiening van de aanvrage of, wanneer een beroep op het recht van voorrang wordt gedaan, op de datum van voorrang van de aanvrage.
De Leden kunnen van een aanvrager van een octrooi verlangen dat deze informatie verstrekt betreffende zijn overeenkomstige aanvragen en verleningen van octrooi in het buitenland.
Artikel 30. Uitzonderingen op verleende rechten
De Leden kunnen voorzien in beperkte uitzonderingen op de door een octrooi verleende uitsluitende rechten, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van het octrooi en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de houder van het octrooi schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.
Artikel 31. Ander gebruik zonder toestemming van de houder van het recht
Wanneer de wetgeving van een Lid ander gebruik1)Onder „ander gebruik” wordt verstaan ander gebruik dan dat wat is toegestaan krachtens artikel 30. van het onderwerp van een octrooi toestaat zonder toestemming van de houder van het recht, met inbegrip van gebruik door de overheid of door daartoe door de overheid gemachtigde derden, dienen de volgende bepalingen te worden geëerbiedigd:
- a. de toestemming tot dit gebruik wordt van geval tot geval bezien;
- b. dit gebruik mag slechts worden toegestaan indien de voorgestelde gebruiker voorafgaande aan dit gebruik pogingen heeft gedaan om van de houder van het recht toestemming te verkrijgen op redelijke commerciële voorwaarden en deze pogingen niet binnen een redelijke termijn zijn geslaagd. Een Lid kan van deze vereiste ontheffing verlenen in het geval van een nationale noodtoestand of andere omstandigheden van bijzonder dringende aard of in geval van niet-commercieel gebruik door de overheid. In situaties van een nationale noodtoestand of andere omstandigheden van bijzonder dringende aard dient de houder van het recht niettemin zo spoedig als redelijkerwijze mogelijk is daarvan in kennis te worden gesteld. Wanneer, in het geval van niet-commercieel gebruik door de overheid, de overheid of de contractant, zonder een octrooi-onderzoek te verrichten, weet of aantoonbare redenen heeft om te weten dat een geldig octrooi wordt of zal worden gebruikt door of namens de overheid, dient de houder van het recht onverwijld daarvan in kennis te worden gesteld;
- c. de reikwijdte en duur van dit gebruik zijn beperkt tot het doel waarvoor het werd toegestaan en het gebruik is in het geval van halfgeleidertechnologie alleen toegestaan voor niet-commercieel gebruik door de overheid of voor het tegengaan van een gedraging waarvan na een gerechtelijke of administratieve procedure is vastgesteld dat deze concurrentiebeperkend is;
- d. dit gebruik is niet-uitsluitend;
- e. dit gebruik is niet overdraagbaar, behalve te zamen met dat deel van de onderneming of de goodwill die het gebruik geniet;
- f. dit gebruik wordt voornamelijk toegestaan voor de voorziening van de binnenlandse markt van het Lid dat het gebruik toestaat;
- g. toestemming tot dit gebruik kan, met toereikende bescherming van de legitieme belangen van de personen aan wie toestemming is verleend, worden beëindigd indien en wanneer de omstandigheden die tot de toestemming hebben geleid zich niet langer voordoen en zich vermoedelijk niet opnieuw zullen voordoen. De bevoegde autoriteit heeft de bevoegdheid om, op met redenen omkleed verzoek, het voortduren van deze omstandigheden te bezien;
- h. de houder van het recht wordt een, gezien de omstandigheden van het geval, toereikende vergoeding betaald, met inachtneming van de economische waarde van de machtiging;
- i. de rechtsgeldigheid van een beslissing betreffende de toestemming tot dit gebruik is onderworpen aan toetsing door de rechter of andere onafhankelijke toetsing door een afzonderlijk hoger gezag in dat Lid;
- j. een beslissing betreffende de met betrekking tot dit gebruik verstrekte vergoeding is onderworpen aan toetsing door de rechter of andere onafhankelijke toetsing door een afzonderlijk hoger gezag in dat Lid;
- k. de Leden zijn niet verplicht de voorwaarden in de letters b en f toe te passen wanneer dit gebruik is toegestaan om een gedraging tegen te gaan waarvan na een gerechtelijke of administratieve procedure is vastgesteld dat deze concurrerentiebeperkend is. Met de noodzaak om concurrerentiebeperkende gedragingen te corrigeren kan rekening worden gehouden bij de vaststelling van het bedrag van de vergoeding in zulke gevallen. De bevoegde autoriteiten hebben de bevoegdheid de beëindiging van de toestemming te weigeren indien en wanneer de omstandigheden die tot de toestemming hebben geleid zich vermoedelijk weer zullen voordoen;
- l. wanneer tot dit gebruik toestemming is verleend om het gebruik van een octrooi („het tweede octrooi”) mogelijk te maken dat niet kan worden gebruikt zonder inbreuk te maken op een ander octrooi („het eerste octrooi”), zijn de onderstaande bijkomende voorwaarden van toepassing:
- i. de in het tweede octrooi beschreven uitvinding betreft een belangrijke technische vooruitgang van aanmerkelijke economische betekenis vergeleken met de in het eerste octrooi beschreven uitvinding;
- ii. de houder van het eerste octrooi is gerechtigd tot wederkerige verlening van een licentie op redelijke voorwaarden om de in het tweede octrooi beschreven uitvinding te gebruiken; en
- iii. het met betrekking tot het eerste octrooi toegestane gebruik is niet overdraagbaar, behalve te zamen met de overdracht van het tweede octrooi.
Artikel 32. Intrekking/Vervallenverklaring
Voor beslissingen tot intrekking of vervallenverklaring van een octrooi dient een mogelijkheid voor toetsing door de rechter te bestaan.
Artikel 33. Duur der bescherming
De duur der bescherming eindigt niet voor het verstrijken van een tijdvak van twintig jaar te rekenen van de datum van indiening.1)Er bestaat overeenstemming over het feit dat de Leden die geen stelsel van eigen verlening bezitten, kunnen bepalen dat de beschermingsduur wordt berekend vanaf de datum van indiening in het stelsel van eigen verlening.
Artikel 34. Octrooien voor werkwijzen: Bewijslast
Ten behoeve van een civiele procedure met betrekking tot de inbreuk op de rechten van de houder bedoeld in artikel 28, eerste lid, letter b, hebben de rechterlijke autoriteiten, indien het onderwerp van een octrooi een werkwijze voor de verkrijging van een produkt is, de bevoegdheid de verweerder te gelasten aan te tonen dat de werkwijze om een identiek produkt te verkrijgen, verschilt van de geoctrooieerde werkwijze. De Leden dienen derhalve in ten minste één van de onderstaande omstandigheden te bepalen dat een identiek produkt, wanneer het is verkregen zonder de toestemming van de houder van het octrooi, bij gebreke van bewijs van het tegendeel, wordt geacht te zijn verkregen door middel van de geoctrooieerde werkwijze:
- a. indien het door middel van de geoctrooieerde werkwijze verkregen produkt nieuw is;
- b. indien het in hoge mate waarschijnlijk is dat het identieke produkt werd verkregen door middel van de werkwijze en de houder van het octrooi niet in staat is geweest door redelijke inspanningen de feitelijk gebruikte werkwijze vast te stellen.
Het staat een Lid vrij te bepalen dat de in het eerste lid genoemde bewijslast alleen op de vermeende inbreukmaker rust indien is voldaan aan de in letter a bedoelde voorwaarde of alleen indien is voldaan aan de in letter b bedoelde voorwaarde.
Bij het aanvoeren van bewijs van het tegendeel dient rekening te worden gehouden met de legitieme belangen van de verweerder bij de bescherming van zijn fabrieks- en handelsgeheimen.
TITEL 6. : ONTWERPEN VOOR SCHAKELPATRONEN (TOPOGRAFIEËN) VAN GEÏNTEGREERDE SCHAKELINGEN
Artikel 35. Verhouding tot het IPIC-Verdrag
De Leden komen overeen bescherming te bieden aan de ontwerpen voor schakelpatronen (topografieën) van geïntegreerde schakelingen (hierna te noemen „schakelpatroonontwerpen”) in overeenstemming met de artikelen 2 tot en met 7 (met uitzondering van artikel 6, derde lid), artikel 12 en artikel 16, derde lid, van het Verdrag inzake de intellectuele eigendom met betrekking tot geïntegreerde schakelingen en daarnaast zich te houden aan de onderstaande bepalingen.
Artikel 36. Reikwijdte van de bescherming
Behoudens het bepaalde in artikel 37, eerste lid, beschouwen de Leden de volgende handelingen als onrechtmatig indien deze worden verricht zonder toestemming van de houder van het recht:1)De uitdrukking „houder van het recht” in deze Titel wordt geacht dezelfde betekenis te hebben als de uitdrukking „rechthebbende” in het IPIC-Verdrag. het invoeren, verkopen of anderszins distribueren voor handelsdoeleinden van een beschermd schakelpatroonontwerp, een geïntegreerde schakeling die een beschermd schakelpatroonontwerp omvat, of van een artikel dat zulk een geïntegreerde schakeling omvat, slechts voor zover dit een onrechtmatig gereproduceerd schakelpatroonontwerp blijft bevatten.
Artikel 37. Handelingen waarvoor de toestemming van de houder van het recht niet is vereist
Niettegenstaande artikel 36 beschouwt een Lid niet als onrechtmatig het verrichten van een van de in dat artikel bedoelde handelingen met betrekking tot een geïntegreerde schakeling die een onrechtmatig gereproduceerd schakelpatroonontwerp omvat of een artikel dat zulk een geïntegreerde schakeling omvat, wanneer de persoon die zulke handelingen verricht of daartoe opdracht geeft, niet wist en geen redelijke gronden had om te weten, toen hij de geïntegreerde schakeling of het artikel dat zulk een geïntegreerde schakeling omvat verwierf, dat het een onrechtmatig geproduceerd schakelpatroonontwerp omvatte. De Leden bepalen dat deze persoon, na het tijdstip waarop hij in voldoende mate in kennis is gesteld van het feit dat het schakelpatroonontwerp onrechtmatig was gereproduceerd, alle handelingen met betrekking tot de in voorraad zijnde of vóór dat tijdstip bestelde goederen kan verrichten, doch dat hij de houder van het recht een bedrag moet betalen dat gelijkwaardig is met een redelijke royalty die voor zulk een schakelpatroonontwerp zou moeten worden betaald krachtens een licentie waarover vrijelijk is onderhandeld.
De voorwaarden in artikel 31, letters a tot en met k, zijn van overeenkomstige toepassing in het geval van een niet-vrijwillige verlening van een licentie voor een schakelpatroonontwerp of van het gebruik daarvan door of namens de overheid zonder de toestemming van de houder van het recht.
Artikel 38. Duur der bescherming
In Leden die als voorwaarde voor bescherming inschrijving vereisen, eindigt de duur der bescherming voor schakelpatroonontwerpen niet voor het verstrijken van een tijdvak tien jaar gerekend van de datum van indiening van een aanvraag voor inschrijving of van de eerste commerciële exploitatie, waar ook ter wereld.
In Leden die geen inschrijving vereisen als voorwaarde voor bescherming, zijn schakelpatroonontwerpen beschermd voor een termijn van ten minste tien jaar vanaf de datum van eerste commerciële exploitatie, waar ook ter wereld.
Niettegenstaande het eerste en het tweede lid kan een Lid bepalen dat de bescherming vervalt vijftien jaar na de schepping van het schakelpatroonontwerp.
TITEL 7. : BESCHERMING VAN NIET OPENBAAR GEMAAKTE INFORMATIE
Artikel 39
Bij het waarborgen van doeltreffende bescherming tegen oneerlijke concurrentie zoals bepaald in artikel 10bis van het Verdrag van Parijs (1967), beschermen de Leden niet openbaar gemaakte informatie overeenkomstig het tweede lid en aan overheden of overheidsinstanties verstrekte gegevens overeenkomstig het derde lid.
Natuurlijke personen en rechtspersonen hebben de mogelijkheid te beletten dat informatie waarover zij rechtmatig beschikken zonder hun toestemming wordt openbaar gemaakt aan, verworven door of gebruikt door anderen op een wijze die strijdig is met eerlijke handelsgebruiken1)Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder „een wijze die strijdig is met eerlijke handelsgebruiken” verstaan ten minste gedragingen zoals contractbreuk, misbruik van vertrouwen en aansporing tot overtreding en omvat dit de verwerving van niet openbaar gemaakte informatie door derden die wisten, of ernstig nalatig waren doordat zij niet wisten, dat van zulke praktijken gebruik werd gemaakt bij de verwerving., zolang deze informatie:
- a. geheim is in de zin dat zij, globaal dan wel in de juiste samenstelling en ordening van de bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie;
- b. handelswaarde bezit omdat zij geheim is; en
- c. is onderworpen aan, gezien de omstandigheden, redelijke maatregelen door de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt, om deze geheim te houden.
De Leden die, als voorwaarde voor goedkeuring van het op de markt brengen van farmaceutische produkten of chemische produkten voor de landbouw die nieuwe chemische eenheden bevatten, de overlegging van niet openbaar gemaakte test- of andere gegevens vereisen, waarvan de opstelling een aanmerkelijke inspanning vergt, beschermen deze gegevens tegen oneerlijk commercieel gebruik. Daarnaast beschermen de Leden deze gegevens tegen openbaarmaking, behalve waar dit nodig is ter bescherming van het publiek of tenzij er stappen worden ondernomen om te verzekeren dat de gegevens worden beschermd tegen oneerlijk commercieel gebruik.
TITEL 8. : BESTRIJDING VAN CONCURRENTIEBEPERKENDE GEDRAGINGEN IN CONTRACTUELE LICENTIES
Artikel 40
De Leden zijn het erover eens dat sommige licentiegebruiken of -voorwaarden betreffende de intellectuele eigendom die de concurrentie beperken, nadelige gevolgen kunnen hebben voor het handelsverkeer en de overdracht en verspreiding van technologie kunnen belemmeren.
Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst belet de Leden om in hun nationale wetgeving licentiegebruiken of -voorwaarden aan te geven die in bepaalde gevallen een misbruik van de intellectuele eigendom kunnen vormen dat een nadelig gevolg heeft voor de concurrentie op de desbetreffende markt. Zoals hierboven bepaald kan een Lid, in overeenstemming met de andere bepalingen van deze Overeenkomst, passende maatregelen nemen om dergelijk misbruik, bijvoorbeeld uitsluitende voorwaarden inzake retrocessie, voorwaarden die aanvechting van de geldigheid beletten en een dwingend stelsel voor gekoppelde licenties kunnen omvatten, te beletten of te bestrijden, in het licht van de desbetreffende wet- en regelgeving van dat Lid.
Elk Lid treedt op verzoek in overleg met elk ander Lid dat redenen heeft om aan te nemen dat een houder van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom, die onderdaan of ingezetene is van het Lid tot wie het verzoek om overleg is gericht, overgaat tot gedragingen waardoor de wet- en regelgeving van het Lid inzake het onderwerp van deze Titel wordt overtreden, en dat naleving van deze wetgeving wenst te bewerkstelligen, onverminderd een vordering krachtens het recht en ongeacht de volledige vrijheid van een van beide Leden om een definitieve beslissing te nemen. Het aangezochte Lid neemt het verzoek volledig en welwillend in overweging en biedt voldoende gelegenheid voor overleg met het verzoekende Lid en werkt mede door middel van het verstrekken van algemeen beschikbare niet-vertrouwelijke informatie die van belang is voor de desbetreffende aangelegenheid en van andere informatie waarover het Lid beschikt, onverminderd het nationale recht en van het bereiken van wederzijds bevredigende regelingen betreffende de eerbiediging van het vertrouwelijk karakter van deze informatie door het verzoekende Lid.
Een Lid waarvan de onderdanen of ingezetenen het voorwerp zijn van procedures in een ander Lid betreffende de vermeende overtreding van de wet- en regelgeving van dat andere Lid betreffende het onderwerp van deze Titel wordt, op verzoek, door het andere Lid gelegenheid voor overleg geboden onder dezelfde voorwaarden als voorzien in het derde lid.
DEEL III. HANDHAVING VAN DE RECHTEN UIT HOOFDE VAN DE INTELLECTUELE EIGENDOM
TITEL 1. : ALGEMENE VERPLICHTINGEN
Artikel 41
De Leden zien erop toe dat in hun nationale wetgeving is voorzien in procedures voor de handhaving, zoals bedoeld in dit Deel, opdat doeltreffend kan worden opgetreden tegen elke inbreuk op onder deze Overeenkomst vallende rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom, met inbegrip van snelle middelen om inbreuken te voorkomen en middelen die verdere inbreuken tegengaan. Deze procedures dienen zodanig te worden toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.
Procedures betreffende de handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom dienen eerlijk en billijk te zijn. Zij mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn of onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden.
Beslissingen ten principale dienen bij voorkeur schriftelijk en met redenen omkleed te zijn. Zij dienen ten minste aan de partijen bij de procedure zonder onnodige vertraging ter beschikking te worden gesteld. Beslissingen ten principale dienen slechts te zijn gebaseerd op bewijsmateriaal ten aanzien waarvan de partijen in de gelegenheid werden gesteld om te worden gehoord.
De partijen bij een procedure dienen de mogelijkheid te hebben tot herziening door een rechterlijke autoriteit van definitieve administratieve beslissingen en, onverminderd de bepalingen inzake rechtsbevoegdheid in de nationale wetgeving betreffende het belang van een zaak, ten minste van de juridische aspecten van rechterlijke beslissingen ten principale in eerste aanleg. Er is evenwel geen verplichting om een mogelijkheid te bieden tot herziening van vrijspraak in strafzaken.
Er bestaat overeenstemming over het feit dat dit Deel geen verplichting schept om een rechtsstelsel in te voeren voor de handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom naast dat voor de rechtshandhaving in het algemeen en evenmin van invloed is op de bevoegdheid van Leden tot rechtshandhaving in het algemeen. Geen enkele bepaling in dit Deel schept een verplichting met betrekking tot de verdeling van middelen tussen de handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom en de rechtshandhaving in het algemeen.
TITEL 2. : CIVIELE EN ADMINISTRATIEVE PROCEDURES EN CORRIGERENDE MAATREGELEN
Artikel 42. Eerlijke en billijke procedures
De Leden bieden houders van rechten1)Voor de toepassing van dit Deel omvat de uitdrukking „houder van rechten” mede verbonden en verenigingen die bevoegd zijn zodanige rechten te doen gelden. de mogelijkheid tot het voeren van civiele gerechtelijke procedures betreffende de handhaving van onder deze Overeenkomst vallende rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom. Verweerders hebben recht op een tijdige schriftelijke kennisgeving die voldoende gegevens bevat, met inbegrip van de gronden voor de vorderingen. De partijen dient te worden toegestaan zich door onafhankelijke raadslieden te doen vertegenwoordigen en de procedures mogen geen overmatig zware vereisten betreffende verplichte verschijning in persoon opleggen. Alle partijen bij zodanige procedures dienen naar behoren gerechtigd te zijn om hun vorderingen te staven en alle van belang zijnde bewijsmateriaal over te leggen. De procedure dient te voorzien in middelen om vertrouwelijke informatie als zodanig te herkennen en te beschermen, tenzij zulks strijdig zou zijn met bestaande constitutionele vereisten.
Artikel 43. Bewijsmateriaal
De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid, wanneer een partij redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd dat voldoende is om haar vorderingen te onderbouwen en voor de staving van haar vorderingen van belang zijnd bewijsmateriaal heeft genoemd dat zich in de macht van de wederpartij bevindt, om te gelasten dat dit bewijsmateriaal door de wederpartij wordt overgelegd, in passende gevallen met inachtneming van voorwaarden die de bescherming van vertrouwelijke informatie verzekeren.
In gevallen waarin een partij bij een procedure opzettelijk en zonder goede redenen toegang weigert tot noodzakelijke informatie of deze anderszins niet binnen een redelijke termijn verstrekt, dan wel een procedure in verband met een vordering tot handhaving van rechten aanmerkelijk belemmert, kan een Lid de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid verlenen om voorlopige en definitieve beslissingen te geven, bevestigend of afwijzend, op basis van de aan hen voorgelegde informatie, met inbegrip van de klacht of de bewering van de zijde van de door het ontzeggen van toegang tot informatie benadeelde partij, mits de partijen in de gelegenheid worden gesteld om omtrent de beweringen of het bewijsmateriaal te worden gehoord.
Artikel 44. Rechtelijke bevelen
De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid een partij te gelasten een inbreuk te staken, onder andere om te beletten dat ingevoerde goederen die inbreuk op een recht uit hoofde van de intellectuele eigendom inhouden, onmiddellijk na de inklaring van zodanige goederen door de douane in het verkeer onder hun rechtsmacht worden gebracht. De Leden zijn niet verplicht deze bevoegdheid te verlenen met betrekking tot beschermde onderwerpen, verworven of besteld door een persoon voordat deze wist of redelijke gronden had om te weten dat het handelen in zulke onderwerpen inbreuk op een recht uit hoofde van de intellectuele eigendom met zich zou brengen.
Niettegenstaande de andere bepalingen van dit Deel en mits de bepalingen van Deel II die specifiek betrekking hebben op het gebruik door overheden, of door daartoe door een overheid gemachtigde derden, zonder toestemming van de houder van het recht, worden nageleefd, kunnen Leden de mogelijke corrigerende maatregelen tegen zodanig gebruik beperken tot betaling van een vergoeding in overeenstemming met artikel 31, letter h. In andere gevallen zijn de corrigerende maatregelen krachtens dit Deel van toepassing of dienen er, wanneer deze corrigerende maatregelen onverenigbaar zijn met het nationale recht, declaratoire vonnissen en toereikende schadevergoeding te kunnen worden verkregen.
Artikel 45. Schadevergoeding
De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid de inbreukmaker te gelasten aan de houder van het recht een toereikende schadevergoeding te betalen ter compensatie van de schade die de houder van het recht heeft geleden wegens een inbreuk op zijn recht uit hoofde van de intellectuele eigendom door een inbreukmaker die wist of redelijke gronden had om te weten dat hij inbreuk pleegde.
De rechterlijke autoriteiten hebben ook de bevoegdheid de inbreukmaker te gelasten aan de houder van het recht kosten te betalen, die passende honoraria van een raadsman kunnen omvatten. In passende gevallen kunnen de Leden de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid verlenen om invordering van winsten en/of betaling van vooraf vastgestelde schadevergoeding te gelasten, zelfs wanneer de inbreukmaker niet wist of geen redelijke gronden had om te weten dat hij inbreuk pleegde.
Artikel 46. Overige corrigerende maatregelen
Ten einde inbreuken doeltreffend tegen te gaan, hebben de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid te gelasten dat goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat deze inbreuk maken, zonder schadevergoeding van welke aard ook, worden onttrokken aan het verkeer op zodanige wijze dat nadeel voor de houder van het recht wordt vermeden of, tenzij dit in strijd zou zijn met bestaande constitutionele vereisten, deze goederen worden vernietigd. De rechterlijke autoriteiten hebben ook de bevoegdheid te gelasten dat materialen en werktuigen, die voornamelijk zijn gebruikt bij de voortbrenging van de inbreukmakende goederen, zonder schadevergoeding van welke aard ook, worden onttrokken aan het verkeer op zodanige wijze dat het gevaar van verdere inbreuken tot een minimum wordt teruggebracht. Bij het behandelen van zulke verzoeken dient de eis van proportionaliteit tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste corrigerende maatregelen alsmede de belangen van derden in aanmerking te worden genomen. Wat betreft nagemaakte merkartikelen, is het eenvoudigweg verwijderen van het onrechtmatig aangebrachte handelsmerk niet voldoende, behalve in uitzonderlijke gevallen, om het in het verkeer brengen van de goederen toe te laten.
Artikel 47. Recht op informatie
De Leden kunnen bepalen dat de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid hebben, tenzij dit niet in verhouding zou staan tot de ernst van de inbreuk, om de inbreukmaker te gelasten de houder van het recht in kennis te stellen van de identiteit van derden die betrokken zijn bij de produktie en distributie van de inbreukmakende goederen of diensten en van hun distributiekanalen.
Artikel 48. Schadeloosstelling van de verweerder
De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid een partij op wier verzoek maatregelen werden genomen en die de procedures tot handhaving van rechten heeft misbruikt, te gelasten om een partij aan wie ten onrechte een verbod of beperking is opgelegd, een toereikende schadeloosstelling te bieden voor de wegens zodanig misbruik geleden schade. De rechterlijke autoriteiten hebben ook de bevoegdheid de verzoeker te gelasten de kosten van de verweerder te betalen, die passende honoraria van een raadsman kunnen omvatten.
Wat betreft de toepassing van een wet betreffende de bescherming of handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom sluiten de Leden overheidsinstanties en -functionarissen slechts van aansprakelijkheid met betrekking tot passende corrigerende maatregelen uit wanneer zij te goeder trouw hebben gehandeld of voornemens waren zulks te doen bij de toepassing van zodanige wetten.
Artikel 49. Administratieve procedures
Voor zover een burgerrechtelijke corrigerende maatregel kan worden gelast als resultaat van administratieve procedures ten principale, dienen zodanige procedures in overeenstemming te zijn met beginselen die in wezen gelijkwaardig zijn aan die welke zijn neergelegd in deze Titel.
TITEL 3. : VOORLOPIGE MAATREGELEN
Artikel 50
De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid om onmiddellijke en doeltreffende voorlopige maatregelen te gelasten:
- a. om te beletten dat zich een inbreuk op een recht uit hoofde van de intellectuele eigendom voordoet, en met name om te beletten dat goederen in het verkeer onder hun rechtsmacht worden gebracht, met inbegrip van ingevoerde goederen onmiddellijk na inklaring door de douane;
- b. om met betrekking tot de vermeende inbreuk van belang zijnd bewijsmateriaal te beschermen.
De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid, wanneer passend, voorlopige maatregelen te treffen zonder de wederpartij te hebben gehoord, met name wanneer uitstel vermoedelijk onherstelbare schade voor de houder van het recht zal veroorzaken, of wanneer er een aantoonbaar risico is dat bewijsmateriaal zal worden vernietigd.
De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid om van de verzoeker te verlangen dat deze redelijkerwijze beschikbaar bewijsmateriaal overlegt opdat zij zich er met een voldoende mate van zekerheid van kunnen vergewissen dat de verzoeker de houder van het recht is en dat er inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt, en om de verzoeker te gelasten een zekerheid te stellen of soortgelijke waarborg te bieden die voldoende is om de verweerder te beschermen en misbruik te beletten.
Wanneer er voorlopige maatregelen zijn genomen zonder dat de wederpartij is gehoord, worden de betrokken partijen onverwijld daarvan in kennis gesteld, uiterlijk na uitvoering van de maatregelen. Op verzoek van de verweerder vindt een herziening plaats, met inbegrip van het recht te worden gehoord, ten einde te beslissen, binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van de maatregelen, of deze maatregelen dienen te worden gewijzigd, herroepen of bevestigd.
Van de verzoeker kan worden verlangd, dat hij andere informatie verstrekt die nodig is voor de identificatie van de betrokken goederen door de instantie die de voorlopige maatregelen zal uitvoeren.
Onverminderd het vierde lid, worden op grond van het eerste en het tweede lid genomen voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder herroepen of houden zij anderszins op gevolg te hebben, indien de procedure die leidt tot een beslissing ten principale niet worden aangevangen binnen een redelijke termijn, te bepalen door de rechterlijke autoriteit die de maatregelen gelast wanneer het nationale recht zulks toestaat of, wanneer geen termijn wordt bepaald, binnen een termijn van ten hoogste twintig werkdagen of eenendertig kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is.
Wanneer de voorlopige maatregelen worden herroepen of wanneer zij vervallen wegens enig handelen of nalaten van de verzoeker, of wanneer later wordt vastgesteld dat er geen inbreuk of dreiging van inbreuk op een recht uit hoofde van de intellectuele eigendom is, hebben de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid, op verzoek van de verweerder, de verzoeker te gelasten de verweerder passende schadeloosstelling te bieden voor door deze maatregelen toegebrachte schade.
Voor zover voorlopige maatregelen kunnen worden gelast als resultaat van administratieve procedures, dienen deze procedures in overeenstemming te zijn met beginselen die in wezen gelijkwaardig zijn aan die welke zijn neergelegd in deze Titel.
TITEL 4. : BIJZONDERE VEREISTEN IN VERBAND MET MAATREGELEN AAN DE GRENS1)Wanneer een Lid alle controles op het vervoer van goederen over zijn grens met een ander Lid waarmede het deel uitmaakt van een douaneunie heeft afgeschaft, wordt van dat Lid niet verlangd dat het de bepalingen van deze Titel aan die grens toepast.
Artikel 51. Opschorting van het in het vrije verkeer brengen door douane-autoriteiten
In overeenstemming met de onderstaande bepalingen nemen de Leden procedures2)Er bestaat overeenstemming over het feit dat er geen verplichting bestaat om deze procedures toe te passen op de invoer van goederen die door de houder van het recht of met diens toestemming in een ander land op de markt worden gebracht, dan wel op goederen in doorvoer. aan om een houder van een recht, die geldige gronden heeft om te vermoeden dat de invoer van nagemaakte merkartikelen of onrechtmatig gereproduceerde3)Voor de toepassing van deze Overeenkomst:a.wordt onder „nagemaakte merkartikelen” verstaan alle goederen, met inbegrip van verpakking, die zonder toestemming een handelsmerk dragen dat identiek is met het rechtsgeldig met betrekking tot deze goederen ingeschreven handelsmerk, of dat in essentiële aspecten niet van dat handelsmerk kan worden onderscheiden, en dat daardoor inbreuk maakt op de rechten van de houder van het handelsmerk in kwestie ingevolge het recht van het land van invoer;b.wordt onder „onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust” verstaan kopieën die zijn gemaakt zonder toestemming van de houder van het recht of de naar behoren door hem gemachtigde persoon in het land van produktie en die direct of indirect van een artikel zijn gemaakt, wanneer het maken van die kopie een inbreuk op een auteursrecht of een naburig recht zou hebben gevormd ingevolge het recht van het land van invoer. goederen waarop een auteursrecht rust, plaats kan hebben, in staat te stellen bij de bevoegde administratieve of rechterlijke autoriteiten een schriftelijk verzoek in te dienen tot opschorting van het in het vrije verkeer brengen van deze goederen door de douane-autoriteiten. De Leden kunnen toestaan dat zulk een verzoek wordt gedaan met betrekking tot goederen die andere inbreuken op rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom betreffen, mits wordt voldaan aan de vereisten van deze Titel. De Leden kunnen ook voorzien in overeenkomstige procedures betreffende de opschorting door de douane-autoriteiten van het in het vrije verkeer brengen van inbreukmakende goederen die zijn bestemd voor uitvoer uit hun grondgebied.
Artikel 52. Verzoekschrift
Van een houder van een recht die de procedures ingevolge artikel 51 aanspant, wordt verlangd dat hij voldoende bewijs levert om ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan te tonen dat er, ingevolge de wetgeving van het land van invoer, sprake is van een inbreuk op zijn recht uit hoofde van de intellectuele eigendom en dat hij een voldoende gedetailleerde beschrijving van de goederen verstrekt om deze gemakkelijk herkenbaar te doen zijn voor de douane-autoriteiten. De bevoegde autoriteiten stellen de verzoeker binnen een redelijke termijn ervan in kennis of zij gevolg geven aan zijn verzoek en, wanneer door de bevoegde autoriteiten een termijn wordt bepaald, van de termijn gedurende welke de douane-autoriteiten maatregelen zullen nemen.
Artikel 53. Zekerheid of gelijksoortige waarborg
De bevoegde autoriteiten hebben de bevoegdheid om van een verzoeker te verlangen dat deze een zekerheid stelt of gelijksoortige waarborg biedt die voldoende is om de verweerder en de bevoegde autoriteiten te beschermen en misbruik te beletten. Deze zekerheid of gelijksoortige waarborg mag niet op onredelijke wijze weerhouden van gebruikmaking van deze procedures.
Wanneer ingevolge een verzoek krachtens deze Titel het in het vrije verkeer brengen van goederen die tekeningen of modellen van nijverheid, octrooien, patronen of niet openbaar gemaakte informatie betreffen, door de douane-autoriteiten is opgeschort op basis van een beslissing die niet is genomen door een rechterlijke autoriteit of andere onafhankelijke autoriteit, en de termijn bepaald in artikel 55 is verstreken zonder dat de naar behoren gemachtigde autoriteit voorlopige maatregelen heeft genomen, en mits is voldaan aan alle andere voorwaarden voor invoer, is de eigenaar, importeur of geconsigneerde gerechtigd de goederen in het vrije verkeer te brengen tegen zekerheidstelling tot een bedrag dat voldoende is om de houder van het recht tegen inbreuken te beschermen. De betaling van een zodanige zekerheid laat onverlet andere corrigerende maatregelen die de houder van het recht ter beschikking staan, met dien verstande dat de zekerheid wordt opgeheven indien de houder van het recht nalaat binnen een redelijke termijn gebruik te maken van het recht een vordering in te stellen.
Artikel 54. Kennisgeving van opschorting
De importeur en de verzoeker worden onverwijld in kennis gesteld van de opschorting van het in het vrije verkeer brengen van goederen in overeenstemming met artikel 51.
Artikel 55. Duur van de opschorting
Indien de douane-autoriteiten niet binnen een tijdvak van ten hoogste 10 werkdagen nadat de verzoeker kennisgeving van de opschorting is gedaan ervan in kennis zijn gesteld dat een procedure met het oog op een beslissing ten principale is aangespannen door een ander dan de verweerder, of dat de naar behoren gemachtigde autoriteit voorlopige maatregelen heeft genomen waarbij de opschorting van het in het vrije verkeer brengen van de goederen wordt verlengd, worden de goederen vrijgegeven, mits is voldaan aan alle andere voorwaarden voor invoer of uitvoer; in passende gevallen kan deze termijn worden verlengd met 10 werkdagen. Indien een procedure met het oog op een beslissing ten principale is aangespannen, vindt op verzoek van de verweerder een herziening plaats, met inbegrip van een recht te worden gehoord, ten einde binnen een redelijke termijn te beslissen of deze maatregelen moeten worden gewijzigd, herroepen of bevestigd. Niettegenstaande het bovenstaande zijn, wanneer de opschorting van het in het vrije verkeer brengen van goederen wordt uitgevoerd of voortgezet in overeenstemming met een voorlopige rechterlijke maatregel, de bepalingen van artikel 50, zesde lid, van toepassing.
Artikel 56. Schadeloosstelling van de importeur en van de eigenaar van de goederen
De desbetreffende autoriteiten hebben de bevoegdheid de verzoeker te gelasten aan de importeur, de geconsigneerde en de eigenaar van de goederen een passende schadeloosstelling te betalen voor aan hen toegebrachte schade door het ongerechtvaardigde vasthouden van de goederen of door het vasthouden van ingevolge artikel 55 vrijgegeven goederen.
Artikel 57. Recht op inspectie en informatie
Onverminderd de bescherming van vertrouwelijke informatie verlenen de Leden aan de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid om de houder van het recht voldoende gelegenheid te bieden om goederen die door de douane-autoriteiten worden vastgehouden, te laten inspecteren om de beweringen van de houder van het recht te kunnen staven. De bevoegde autoriteiten hebben ook de bevoegdheid om de importeur een gelijkwaardige gelegenheid te bieden om zodanige goederen te laten inspecteren. Wanneer een positieve beslissing ten principale is gegeven, kunnen de Leden aan de bevoegde autoriteit de bevoegdheid verlenen om de houder van het recht in kennis te stellen van de naam en het adres van de consignant, de importeur en de geconsigneerde, en van de hoeveelheid goederen in kwestie.
Artikel 58. Optreden ambtshalve
Wanneer de Leden verlangen dat de bevoegde autoriteiten eigener beweging optreden en het in het vrije verkeer brengen opschorten van goederen ten aanzien waarvan zij voldoende bewijs hebben verkregen dat inbreuk wordt gemaakt op een recht uit hoofde van de intellectuele eigendom:
- a. kunnen de bevoegde autoriteiten te allen tijde de houder van het recht verzoeken om informatie die hen kan helpen deze bevoegdheden uit te oefenen;
- b. worden de importeur en de houder van het recht onverwijld van de opschorting in kennis gesteld. Wanneer de importeur bij de bevoegde autoriteiten beroep heeft aangetekend tegen de opschorting, zijn de voorwaarden vervat in artikel 55 van overeenkomstige toepassing op de opschorting;
- c. sluiten de Leden overheidsinstanties en -functionarissen slechts van aansprakelijkheid met betrekking tot passende corrigerende maatregelen uit wanneer zij te goeder trouw hebben gehandeld of voornemens waren zulks te doen.
Artikel 59. Corrigerende maatregelen
Onverminderd andere rechten tot het instellen van een vordering die openstaan voor de houder van het recht, en met inachtneming van het recht van de verweerder om te verzoeken om herziening door een rechterlijke autoriteit, hebben de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid de vernietiging of de onttrekking aan het verkeer van de inbreukmakende goederen te gelasten in overeenstemming met de beginselen vervat in artikel 46. Met betrekking tot nagemaakte merkartikelen, staan de autoriteiten niet de wederuitvoer toe van de inbreukmakende goederen in ongewijzigde toestand of onderwerpen zij deze goederen niet aan een andere douaneprocedure, behalve in uitzonderlijke omstandigheden.
Artikel 60. Minimale importen
De Leden kunnen kleine hoeveelheden goederen van niet-commerciële aard in de persoonlijke bagage van reizigers of verzonden in kleine zendingen, van de toepassing van de bovenstaande bepalingen uitsluiten.
TITEL 5. : STRAFRECHTELIJKE PROCEDURES
Artikel 61
De Leden voorzien ten minste in gevallen van opzettelijke namaak van handelsmerken of inbreuk op auteursrechten op commerciële schaal in strafrechtelijke procedures en straffen. De mogelijke sancties omvatten vrijheidsstraffen en/of geldboetes die voldoende zijn om afschrikkend te werken, in overeenstemming met het niveau van de straffen opgelegd voor strafbare feiten van overeenkomstige zwaarte. In passende gevallen omvatten de mogelijke sancties ook de inbeslagneming, verbeurdverklaring en vernietiging van de inbreukmakende goederen en van materialen en werktuigen die voornamelijk zijn gebruikt bij het plegen van het strafbare feit. De Leden kunnen voorzien in strafrechtelijke procedures en straffen in andere gevallen van inbreuk op rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom, met name wanneer deze opzettelijk en op commerciële schaal zijn gepleegd.
DEEL IV. VERWERVING EN INSTANDHOUDING VAN RECHTEN UIT HOOFDE VAN DE INTELLECTUELE EIGENDOM EN DAARMEDE SAMENHANGENDE PROCEDURES TUSSEN PARTIJEN
Artikel 62
De Leden kunnen, als voorwaarde voor de verwerving of instandhouding van de rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom bedoeld in de Titels 2 tot en met 6 van Deel II, de naleving van redelijke procedures en formaliteiten vereisen. Deze procedures en formaliteiten dienen in overeenstemming te zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst.
Wanneer de verwerving van een recht uit hoofde van de intellectuele eigendom afhankelijk is van de verlening of inschrijving van het recht, zien de Leden erop toe dat de procedures voor verlening of inschrijving, mits aan de materiële voorwaarden voor de verwerving van het recht wordt voldaan, de verlening of inschrijving van het recht mogelijk maken binnen een redelijke termijn, ten einde ongerechtvaardigde bekorting van de beschermingsduur te vermijden.
Artikel 4 van het Verdrag van Parijs (1967) is van overeenkomstige toepassing op dienstmerken.
Op procedures betreffende de verwerving of instandhouding van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom en, wanneer het recht van een Lid in zodanige procedures voorziet, administratieve herroepingen en procedures tussen partijen, zoals oppositie, herroeping en doorhaling, zijn de algemene beginselen vervat in artikel 41, tweede en derde lid, van toepassing.
Definitieve administratieve beslissingen in de procedures bedoeld in het vierde lid zijn vatbaar voor herziening door een rechterlijke of semi-rechterlijke autoriteit. Het is evenwel niet verplicht een mogelijkheid voor herziening van beslissingen te bieden in gevallen van niet geslaagde oppositie of administratieve herroeping, mits de gronden voor deze procedures kunnen worden aangevochten.
DEEL V. VOORKOMING EN BESLECHTING VAN GESCHILLEN
Artikel 63. Doorzichtigheid
De wet- en regelgeving en definitieve rechterlijke beslissingen en algemeen geldende administratieve uitspraken die door een Lid uitvoerbaar zijn verklaard met betrekking tot het onderwerp van deze Overeenkomst (het bestaan, de reikwijdte, de verwerving en de handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom en het beletten van misbruik daarvan) worden gepubliceerd, of wanneer een zodanige publikatie niet mogelijk is, openbaar toegankelijk gemaakt, in een nationale taal, op zodanige wijze dat regeringen en houders van rechten daarvan kennis kunnen nemen. Overeenkomsten betreffende het onderwerp van deze Overeenkomst, die van kracht zijn tussen de regering of een overheidsinstantie van een Lid en de regering of een overheidsinstantie van een ander Lid, dienen ook te worden gepubliceerd.
De Leden brengen de in het eerste lid bedoelde wet- en regelgeving ter kennis van de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, ten einde deze Raad te helpen bij zijn toetsing van de werking van deze Overeenkomst. De Raad poogt de op de Leden drukkende last bij de nakoming van deze verplichting zo gering mogelijk te doen zijn en kan besluiten ontheffing te verlenen van de verplichting deze wet- en regelgeving direct ter kennis van de Raad te brengen als het overleg met de WIPO inzake de instelling van een gemeenschappelijk register van deze wet- en regelgeving met succes worden bekroond. De Raad beziet in dit verband ook alle vereiste handelingen betreffende kennisgevingen ingevolge de verplichtingen krachtens deze Overeenkomst die voortvloeien uit de bepalingen van artikel 6ter van het Verdrag van Parijs (1967).
Elk Lid dient bereid te zijn, in antwoord op een schriftelijk verzoek van een ander Lid, informatie van het in het eerste lid bedoelde soort te verstrekken. Een Lid dat redenen heeft om aan te nemen dat een specifieke rechterlijke beslissing of administratieve uitspraak of bilaterale overeenkomst op het gebied van de intellectuele eigendom zijn rechten krachtens deze Overeenkomst raakt, kan ook schriftelijk verzoeken om toegang tot of voldoende gedetailleerde informatie over deze specifieke rechterlijke beslissingen of administratieve uitspraken of bilaterale overeenkomsten.
Geen enkele bepaling in het eerste, tweede en derde lid verlangt van Leden dat zij vertrouwelijke informatie openbaar maken die de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het algemeen belang of de legitieme handelsbelangen van bepaalde overheidsondernemingen of particuliere ondernemingen zou schaden.
Artikel 64. Beslechting van geschillen
De bepalingen van de artikelen XXII en XXIII van de GATT-Overeenkomst van 1994, zoals nader uitgewerkt en toegepast in het Memorandum van Overeenstemming inzake de beslechting van geschillen, zijn van toepassing op het overleg en de beslechting van geschillen ingevolge deze Overeenkomst, behalve indien daarin uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel XXIII, eerste lid, letters b en c, van de GATT-Overeenkomst van 1994 zijn voor een termijn van vijf jaar van de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst niet van toepassing op de beslechting van geschillen ingevolge deze Overeenkomst.
Gedurende de in het tweede lid bedoelde termijn onderzoekt de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom de mogelijkheden en modaliteiten voor klachten van het soort bedoeld in artikel XXIII, eerste lid, letters b en c, die worden ingediend ingevolge deze Overeenkomst en legt deze Raad zijn aanbevelingen ter goedkeuring voor aan de Ministeriële Conferentie. Besluiten van de Ministeriële Conferentie tot goedkeuring van zodanige aanbevelingen of tot verlenging van de in het tweede lid bedoelde termijn worden slechts genomen bij consensus en goedgekeurde aanbevelingen gelden voor alle Leden zonder dat zij formeel behoeven te worden aanvaard.
DEEL VI. OVERGANGSREGELINGEN
Artikel 65. Overgangsregelingen
Onverminderd het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is een Lid niet verplicht de bepalingen van deze Overeenkomst tot te passen vóór het verstrijken van een algemene termijn van een jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst.
Een Lid dat ontwikkelingsland is, is gerechtigd de datum van toepassing, zoals omschreven in het eerste lid, van de bepalingen van deze Overeenkomst, behalve van de artikelen 3, 4 en 5 nog vier jaar uit te stellen.
Ook voor andere Leden die zich bevinden in de fase van overgang van een centraal geleide economie naar een vrije markteconomie en die bezig zijn met een structurele hervorming van hun stelsel van de intellectuele eigendom en voor bijzondere problemen staan bij de opstelling en toepassing van wet- en regelgeving inzake de intellectuele eigendom, geldt een periode van uitstel zoals voorzien in het tweede lid.
Voor zover een Lid dat ontwikkelingsland is door deze Overeenkomst wordt verplicht de octrooibescherming van produkten uit te strekken tot terreinen van technologie die op zijn grondgebied niet voor bescherming in aanmerking komen op de datum waarop deze Overeenkomst in het algemeen van toepassing wordt voor dat Lid, zoals omschreven in het tweede lid, kan het de toepassing van de bepalingen inzake octrooien voor produkten van Titel 5 van Deel II tot die terreinen van technologie nogmaals uitstellen voor een termijn van vijf jaar.
Een Lid dat gebruik maakt van een overgangstermijn ingevolge het eerste, tweede, derde of vierde lid ziet erop toe dat veranderingen in zijn wet- en regelgeving en rechtspraktijk gedurende die termijn niet leiden tot een mindere mate van overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst.
Artikel 66. Leden die minstontwikkeld land zijn
Gezien de bijzondere behoeften en vereisten van Leden die minstontwikkeld land zijn, hun economische, financiële en administratieve beperkingen, en hun behoefte aan flexibiliteit om een levensvatbare technologische basis te scheppen, wordt van deze Leden niet verlangd dat zij gedurende een tijdvak van 10 jaar na de datum van toepassing zoals omschreven in artikel 65, eerste lid, de bepalingen van deze Overeenkomst, behalve van de artikelen 3, 4 en 5, toepassen. De Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom verleent, op naar behoren met redenen omkleed verzoek van een Lid dat minstontwikkeld land is, verlengingen van deze termijn.
Leden die ontwikkeld land zijn, bieden ondernemingen en instellingen op hun grondgebied stimulansen met het oog op de bevordering en aanmoediging van de overdracht van technologie aan Leden die minstontwikkeld land zijn, ten einde deze in staat te stellen een deugdelijke en levensvatbare technologische basis te scheppen.
Artikel 67. Technische samenwerking
Ter vergemakkelijking van de toepassing van deze Overeenkomst voorzien Leden die ontwikkeld land zijn, op verzoek en op onderling overeengekomen voorwaarden, in technische en financiële samenwerking ten gunste van Leden die ontwikkelingsland of minstontwikkeld land zijn. Deze samenwerking omvat bijstand bij de opstelling van wet- en regelgeving inzake de bescherming en handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom, alsmede inzake het voorkomen van misbruik daarvan, en omvat steun betreffende de oprichting of versterking van nationale bureaus en instanties voor deze aangelegenheden, met inbegrip van de opleiding van personeel.
DEEL VII. INSTITUTIONELE REGELINGEN; SLOTBEPALINGEN
Artikel 68. Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom
De Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom volgt de werking van deze Overeenkomst en met name de nakoming door de Leden van hun verplichtingen, en biedt de Leden gelegenheid voor overleg inzake aangelegenheden betreffende de handelsaspecten van de intellectuele eigendom. De raad kwijt zich van de andere taken waarmee hij door de Leden wordt belast en biedt in het bijzonder alle door hen verzochte bijstand in het kader van procedures voor de beslechting van geschillen. Bij het verrichten van zijn taken kan de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom overleg plegen met en informatie inwinnen uit elke door hem passend geachte bron. In overleg met de WIPO streeft de Raad ernaar, binnen een jaar na zijn eerste vergadering, passende regelingen voor samenwerking met organen van die Organisatie tot stand te brengen.
Artikel 69. Internationale samenwerking
De Leden komen overeen met elkaar samen te werken ten einde de internationale handel in goederen die inbreuk maken op rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom uit te bannen. Hiertoe stellen zij contactpunten bij hun administratie in en geven de andere Partijen daarvan kennis, en zijn zij bereid informatie uit te wisselen over de handel in inbreukmakende goederen. Met name bevorderen zij de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen douane-autoriteiten met betrekking tot de handel in nagemaakte merkartikelen en onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust.
Artikel 70. Bescherming van bestaande onderwerpen
Deze Overeenkomst schept geen verplichtingen met betrekkingen tot handelingen die zich hebben voorgedaan vóór de datum van toepassing van de Overeenkomst voor het Lid in kwestie.
Behalve indien in deze Overeenkomst anders is bepaald, schept deze Overeenkomst verplichtingen met betrekking tot alle onderwerpen die bestonden op de datum van toepassing van deze Overeenkomst voor het Lid in kwestie en die op genoemde datum in dat Lid zijn beschermd, of die voldoen of later gaan voldoen aan de criteria voor bescherming ingevolge deze Overeenkomst. Met betrekking tot dit lid en het derde en vierde lid, zijn de verplichtingen inzake auteursrecht met betrekking tot bestaande werken uitsluitend die welke zijn bepaald krachtens artikel 18 van de Berner Conventie (1971) en worden de verplichtingen ten aanzien van de rechten van producenten van fonogrammen en uitvoerende kunstenaars met betrekking tot bestaande fonogrammen uitsluitend bepaald krachtens artikel 18 van de Berner Conventie (1971) zoals van toepassing geworden krachtens artikel 14, zesde lid, van deze Overeenkomst.
Er is geen verplichting om de bescherming te herstellen van onderwerpen die op de datum van toepassing van deze Overeenkomst voor het Lid in kwestie tot het publiek domein zijn gaan behoren.
Wat betreft handelingen met betrekking tot specifieke voorwerpen waarin beschermde onderwerpen zijn belichaamd, die ingevolge de wetgeving overeenkomstig deze Overeenkomst inbreuk gaan vormen, en waarmee een aanvang was gemaakt of ten aanzien waarvan een aanzienlijke investering was gedaan, vóór de datum van aanvaarding van de WTO-Overeenkomst door dat Lid, kan een Lid voorzien in een beperking van de aan de houder van het recht ter beschikking staande corrigerende maatregelen wat betreft de voortzetting van zulke handelingen na de datum van toepassing van deze Overeenkomst voor dat Lid. In zulke gevallen voorziet het Lid evenwel ten minste in de betaling van een billijke vergoeding.
Een Lid is niet verplicht de bepalingen van artikel 11 en van artikel 14, vierde lid, toe te passen met betrekking tot originelen of kopieën aangekocht vóór de datum van toepassing van deze Overeenkomst voor dat Lid.
Van de Leden wordt niet verlangd dat zij artikel 31, of in artikel 27, eerste lid, genoemde vereiste dat octrooirechten kunnen worden genoten zonder onderscheid op grond van het gebied van technologie, toepassen op gebruik zonder de toestemming van de houder van het recht wanneer de toestemming voor zodanig gebruik door de overheid was verleend vóór de datum waarop deze Overeenkomst bekend werd.
In het geval van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom waarvoor bescherming afhankelijk is van inschrijving, is het toegestaan aanvragen voor bescherming die hangende zijn op de datum van toepassing van deze Overeenkomst voor het Lid in kwestie te wijzigen om eventuele uitgebreidere bescherming te vorderen zoals voorzien ingevolge de bepalingen van deze Overeenkomst. Deze wijzigingen mogen geen nieuwe onderwerpen omvatten.
Wanneer een Lid niet op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst voorziet in octrooibescherming voor farmaceutische produkten en chemische produkten voor de landbouw overeenkomstig zijn verplichtingen ingevolge artikel 27, dient dat Lid:
- a. niettegenstaande de bepalingen van Deel VI, vanaf de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst een mogelijkheid te bieden waardoor octrooiaanvragen voor zodanige uitvindingen kunnen worden ingediend;
- b. vanaf de datum van toepassing van deze Overeenkomst op deze aanvragen de in deze Overeenkomst neergelegde criteria voor octrooieerbaarheid toe te passen, als waren deze criteria toegepast op de datum van indiening in dat Lid, of wanneer er een recht van voorrang bestaat en daar beroep op wordt gedaan, de voorrangsdatum van de aanvrage; en
- c. octrooibescherming te bieden in overeenstemming met deze Overeenkomst vanaf de verlening van het octrooi en voor de resterende duur van het octrooi, gerekend vanaf de datum van indiening in overeenstemming met artikel 33 van deze Overeenkomst, voor die aanvragen die voldoen aan de criteria voor bescherming bedoeld in letter b.
Wanneer een produkt het onderwerp is van een octrooiaanvrage in een Lid in overeenstemming met het achtste lid, letter a, worden uitsluitende rechten voor het in de handel brengen verleend, niettegenstaande de bepalingen van Deel VI, voor een termijn van vijf jaar na verkrijging van de goedkeuring tot het in de handel brengen in dat Lid of totdat een octrooi voor een produkt in dat Lid is verleend of afgewezen, naar gelang van welke van beide termijnen de kortste is, mits na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst voor dat produkt een octrooiaanvrage is ingediend en een octrooi is verleend in een ander Lid en in dat andere Lid toestemming voor het in de handel brengen is verkregen.
Artikel 71. Toetsing en wijziging
De Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom toetst de toepassing van deze Overeenkomst na het verstrijken van de overgangsperiode bedoeld in artikel 65, tweede lid. De Raad toetst de toepassing, met inachtneming van de daarbij opgedane ervaring, twee jaar na die datum en met dezelfde tussenpozen daarna. De Raad kan ook overgaan tot toetsing in het licht van van belang zijnde nieuwe ontwikkelingen, die wijziging of amendering van deze Overeenkomst zouden kunnen wettigen.
Wijzigingen die slechts ten doel hebben de bescherming van de intellectuele eigendom aan te passen aan hogere niveaus die zijn bereikt en gelden in andere multilaterale overeenkomsten en die ingevolge deze overeenkomsten door alle Leden van de WTO zijn aanvaard, kunnen worden voorgelegd aan de Ministeriële Conferentie met het oog op maatregelen in overeenstemming met artikel X, zesde lid, van de WTO-Overeenkomst op basis van een bij consensus aangenomen voorstel van de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom.
Artikel 72. Voorbehouden
Zonder toestemming van de andere Leden mogen geen voorbehouden worden gemaakt met betrekking tot enige bepaling van deze Overeenkomst.
Artikel 73. Uitzonderingen op grond van veiligheidsoverwegingen
Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst mag zo worden uitgelegd:
- a. dat daardoor van een Lid wordt verlangd dat dit informatie verstrekt waarvan het de openbaarmaking in strijd acht met zijn wezenlijke veiligheidsbelangen; of
- b. dat daardoor een Lid wordt belet over te gaan tot maatregelen die het noodzakelijk acht voor de bescherming van zijn wezenlijke veiligheidsbelangen;
- i. met betrekking tot splijtstoffen of de stoffen waaruit zij worden vervaardigd;
- ii. met betrekking tot de handel in wapens, munitie en oorlogstuig en tot de handel in andere goederen en materialen die direct of indirect wordt gedreven met het doel een krijgsmacht te bevoorraden;
- iii. genomen ten tijde van oorlog of een andere noodsituatie in de internationale betrekkingen; of
- c. dat daardoor een Lid wordt belet over te gaan tot maatregelen ingevolge zijn verplichtingen krachtens het Handvest der Verenigde Naties voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
De Leden komen hierbij het volgende overeen:
Artikel 1. Reikwijdte en toepassing
De regels en procedures van dit Memorandum van Overeenstemming zijn van toepassing op geschillen die worden voorgelegd ingevolge de bepalingen inzake overleg en geschillenbeslechting van de in Aanhangsel 1 bij dit Memorandum van Overeenstemming vermelde overeenkomsten (hierna te noemen „de vermelde overeenkomsten”). De regels en procedures van dit Memorandum van Overeenstemming zijn ook van toepassing op consultaties en de beslechting van geschillen tussen Leden betreffende hun rechten en verplichtingen ingevolge de bepalingen van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en van dit Memorandum van Overeenstemming, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie met een andere vermelde overeenkomst.
De regels en procedures van dit Memorandum van Overeenstemming zijn van toepassing met inachtneming van de bijzondere of aanvullende regels en procedures inzake geschillenbeslechting, vervat in de vermelde overeenkomsten, die zijn aangeduid in Aanhangsel 2 bij dit Memorandum van Overeenstemming. Voor zover er een verschil bestaat tussen de regels en procedures van dit Memorandum van Overeenstemming en de in Aanhangsel 2 genoemde bijzondere of aanvullende regels en procedures, hebben de bijzondere of aanvullende regels en procedures van Aanhangsel 2 voorrang. Indien er in geschillen waarop de regels en procedures van meer dan één vermelde overeenkomst betrekking hebben, een conflict bestaat tussen de bijzondere of aanvullende regels en procedures van de desbetreffende overeenkomsten, en de partijen bij het geschil niet binnen twintig dagen na de vorming van het panel tot overeenstemming kunnen komen over de regels en procedures, bepaalt de Voorzitter van het Orgaan voor Geschillenbeslechting bedoeld in artikel 2, eerste lid (hierna in dit Memorandum van Overeenstemming te noemen het „DSB”), in overleg met de partijen bij het geschil, binnen tien dagen na een verzoek van één van beide Leden welke regels en procedures moeten worden gevolgd. De Voorzitter laat zich leiden door het beginsel dat, waar mogelijk, bijzondere of aanvullende regels en procedures dienen te worden toegepast en dat de in dit Memorandum van Overeenstemming uiteengezette regels en procedures dienen te worden toegepast voor zover zulks noodzakelijk is om een conflict te vermijden.
Artikel 2. Uitvoering
Het Orgaan voor Geschillenbeslechting wordt hierbij ingesteld ter uitvoering van deze regels en procedures en van de bepalingen inzake overleg en geschillenbeslechting van de vermelde overeenkomsten, tenzij in een vermelde overeenkomst anders is bepaald. Het DSB heeft bijgevolg de bevoegdheid panels te vormen, rapporten van een panel en de Beroepsinstantie aan te nemen, toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van uitspraken en aanbevelingen en machtiging te verlenen voor het schorsen van concessies en andere verplichtingen ingevolge de vermelde overeenkomsten. Ten aanzien van geschillen die voortvloeien uit een vermelde overeenkomst die een Plurilaterale Handelsovereenkomst is, heeft de hierin gebruikte term „Lid” slechts betrekking op Leden die partij zijn bij de desbetreffende Plurilaterale Handelsovereenkomst. Wanneer het DSB de bepalingen inzake geschillenbeslechting van een Plurilaterale Handelsovereenkomst toepast, kunnen slechts Leden die partij zijn bij die overeenkomst deelnemen aan door het DSB genomen beslissingen of maatregelen met betrekking tot dat geschil.
Het DSB stelt de desbetreffende raden en commissies van de WTO in kennis van alle ontwikkelingen in geschillen met betrekking tot de bepalingen van de onderscheiden vermelde overeenkomsten.
Het DSB komt zo vaak bijeen als noodzakelijk is ter verrichting van zijn taken binnen de in dit Memorandum van Overeenstemming bepaalde termijnen.
Wanneer de regels en procedures van dit Memorandum van Overeenstemming voorschrijven dat het DSB een beslissing neemt, doet het zulks bij consensus1)Het DSB wordt geacht bij consensus een beslissing te hebben genomen aangaande een kwestie die aan het orgaan is voorgelegd indien geen enkel Lid dat op desbetreffende bijeenkomst aanwezig is, formeel bezwaar maakt tegen de voorgestelde beslissing..
Artikel 3. Algemene bepalingen
De Leden bevestigen dat zij vasthouden aan de beginselen voor de behandeling van geschillen die tot dusver werden toegepast ingevolge de artikelen XXII en XXIII van de GATT-Overeenkomst van 1947, zoals hierin nader uitgewerkt en gewijzigd.
Het stelsel voor geschillenbeslechting van de WTO is een hoofdpijler waarmee aan het multilaterale handelsstelsel zekerheid en voorspelbaarheid wordt toegevoegd. De Leden erkennen dat het dient ter bescherming van de rechten en verplichtingen van de Leden ingevolge de vermelde overeenkomsten en ter verheldering van de bestaande bepalingen van die overeenkomsten in overeenstemming met de gebruikelijke interpretatieregels van het internationaal publiek recht. Aanbevelingen en uitspraken van het DSB kunnen de in de vermelde overeenkomsten bepaalde rechten en verplichtingen niet aanvullen of beperken.
Spoedig een regeling treffen voor omstandigheden waarin een Lid van mening is dat voordelen die hem al dan niet rechtstreeks toekomen ingevolge de vermelde overeenkomsten worden uitgehold door maatregelen van een ander Lid, is van wezenlijk belang voor het effectief functioneren van de WTO en het bewaren van een juist evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van Leden.
Aanbevelingen of uitspraken van het DSB hebben tot doel te komen tot een bevredigende regeling van de kwestie in overeenstemming met de rechten en verplichtingen ingevolge dit Memorandum van Overeenstemming en ingevolge de vermelde overeenkomsten.
Alle oplossingen voor kwesties die formeel zijn voorgelegd ingevolge de regels en procedures inzake overleg en geschillenbeslechting van de vermelde overeenkomsten, met inbegrip van arbitrale uitspraken, dienen in overeenstemming te zijn met die overeenkomsten en mogen voordelen die een Lid ingevolge die overeenkomsten toekomen, niet tenietdoen of uithollen, noch de verwezenlijking van een doelstelling van die overeenkomsten belemmeren.
Onderling overeengekomen oplossingen voor kwesties die formeel zijn voorgelegd ingevolge de bepalingen inzake overleg en geschillenbeslechting van de vermelde overeenkomsten worden ter kennis van het DSB en de desbetreffende raden en commissies gebracht, waarbij elk Lid alle daarop betrekking hebben punten naar voren kan brengen.
Alvorens een zaak aanhangig te maken beoordeelt een Lid zelf of handelen overeenkomstig deze procedures zinvol zou zijn. De regeling inzake geschillenbeslechting heeft tot doel een positieve oplossing voor een geschil te bewerkstelligen. Een oplossing die wederzijds aanvaardbaar is voor de partijen bij het geschil en die verenigbaar is met de vermelde overeenkomsten, verdient duidelijk de voorkeur. Bij gebreke van een onderling overeengekomen oplossing, is normaliter de eerste doelstelling van de regeling inzake geschillenbeslechting te bewerkstelligen dat de desbetreffende maatregelen worden ingetrokken indien deze onverenigbaar worden geacht met de bepalingen van één van de vermelde overeenkomsten. Tot het bieden van compensatie dient slechts de toevlucht te worden genomen indien de onmiddellijke intrekking van de maatregel niet uitvoerbaar is en dan slechts als tijdelijke maatregel in afwachting van de intrekking van de maatregel die onverenigbaar is met een vermelde overeenkomst. Het laatste hulpmiddel dat dit Memorandum van Overeenstemming biedt voor het Lid dat de procedures voor geschillenbeslechting inroept, is de mogelijkheid de toepassing van concessies of andere verplichtingen ingevolge de vermelde overeenkomsten op discriminatoire wijze jegens het andere Lid te schorsen, op voorwaarde dat het DSB machtiging verleent voor dergelijke maatregelen.
In gevallen waarin sprake is van niet-nakoming van de ingevolge een vermelde overeenkomst aangegane verplichtingen, wordt de actie vooralsnog beschouwd als een geval van tenietdoen of uitholling. Dit betekent dat normaliter wordt verondersteld dat een schending van de regels een nadelig effect heeft voor andere Leden die partij zijn bij die vermelde overeenkomst, en in die gevallen is het aan het Lid waartegen de klacht is ingediend om de beschuldiging te weerleggen.
De bepalingen van dit Memorandum van Overeenstemming doen geen afbreuk aan de rechten van Leden om te trachten een gezaghebbende uitlegging van de bepalingen van een vermelde overeenkomst te verkrijgen door middel van een beslissing ingevolge de WTO-Overeenkomst of een vermelde overeenkomst.
Er bestaat overeenstemming over het feit dat verzoeken om conciliatie en de gebruikmaking van de procedures voor geschillenbeslechting niet dienen te zijn bedoeld of worden beschouwd als contentieuze gedragingen en dat, indien een geschil ontstaat, alle Leden te goeder trouw deze procedures zullen voeren in een streven het geschil op te lossen. Er bestaat tevens overeenstemming over het feit dat klachten en klachten in reconventie met betrekking tot verschillende kwesties niet dienen te worden gevoegd.
Dit Memorandum van Overeenstemming wordt slechts toegepast ten aanzien van nieuwe verzoeken om overleg ingevolge de bepalingen inzake overleg van de vermelde overeenkomsten die op of na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst zijn gedaan. Op geschillen ten aanzien waarvan het verzoek om overleg vóór de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst werd gedaan ingevolge de GATT-Overeenkomst van 1947 of ingevolge een andere overeenkomst die aan een vermelde overeenkomst voorafging, blijven de desbetreffende regels en procedures inzake geschillenbeslechting van toepassing die onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst van kracht waren.1)Dit lid geldt ook voor geschillen ten aanzien waarvan de rapporten van de panels niet zijn aangenomen of niet volledig ten uitvoer zijn gelegd.
Indien door een Lid dat ontwikkelingsland is een klacht op grond van een vermelde overeenkomst wordt ingediend tegen een Lid dat ontwikkeld land is, heeft de klager, niettegenstaande het elfde lid, het recht om zich, in plaats van op de bepalingen van de artikelen 4, 5, 6 en 12 van dit Memorandum van Overeenstemming, te beroepen op de desbetreffende bepalingen van het Besluit van de Overeenkomstsluitende Partijen van 5 april 1966 (BISD 14S/18), met dien verstande dat indien het panel van oordeel is dat de in paragraaf 7 van dit besluit bedoelde termijn te kort is om zijn rapport te verstrekken, die termijn met instemming van de klager kan worden verlengd. Voor zover er een verschil bestaat tussen de regels en procedures van de artikelen 4, 5, 6 en 12 en de desbetreffende regels en procedures van het Besluit, hebben de laatstbedoelde voorrang.
Artikel 4. Consultaties
De Leden bevestigen hun vastbeslotenheid om de doeltreffendheid van de door de Leden gehanteerde overlegprocedures te versterken en te verbeteren.
Elk Lid verplicht zich ertoe overleg betreffende de door een ander Lid naar voren gebrachte bezwaren tegen maatregelen die op het grondgebied van eerstbedoeld Lid zijn genomen en die de werking van de vermelde overeenkomsten beïnvloeden, welwillend in overweging te nemen en daartoe passende gelegenheid te bieden.1)Wanneer de bepalingen van een andere vermelde overeenkomst betreffende maatregelen die door regionale of plaatselijke overheden of autoriteiten op het grondgebied van een Lid worden genomen, afwijken van de bepalingen van dit lid, hebben de bepalingen van die andere vermelde overeenkomst voorrang.
Indien een verzoek om consultaties ingevolge een vermelde overeenkomst wordt gedaan, dient het Lid waaraan het verzoek is gericht, tenzij onderling anders is overeengekomen, binnen tien dagen na ontvangst op het verzoek te reageren en te goeder trouw overleg aan te gaan binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek, teneinde tot een wederzijds bevredigende oplossing te komen. Indien het Lid niet binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek reageert, of niet binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, dan wel een andere onderling overeengekomen termijn, te rekenen vanaf de datum van het verzoek, overleg aangaat, kan het Lid dat om het voeren van overleg heeft verzocht, direct verzoeken om de vorming van een panel.
Al deze verzoeken om consultaties worden ter kennis van het DSB en de desbetreffende raden en commissies gebracht door het Lid dat om consultaties verzoekt. Een verzoek om consultaties wordt schriftelijk ingediend met opgave van de redenen voor het verzoek, met inbegrip van een omschrijving van de maatregelen in kwestie en een vermelding van de rechtsgronden voor de klacht.
In de loop van de consultaties in overeenstemming met de bepalingen van een vermelde overeenkomst dienen de Leden, alvorens hun toevlucht te nemen tot verdere stappen ingevolge dit Memorandum van Overeenstemming, te trachten een bevredigende regeling te treffen voor de kwestie.
De consultaties zijn geheim en laten de rechten van elk van beide Leden bij verdere stappen onverlet.
Indien de consultaties niet binnen zestig dagen na het verzoek om consultaties tot beslechting van het geschil hebben geleid, kan de klager verzoeken om de vorming van een panel. De klager kan binnen de termijn van zestig dagen verzoeken om de vorming van een panel indien consulterende partijen gezamenlijk van oordeel zijn dat consultaties niet tot beslechting van het geschil hebben geleid.
In spoedeisende gevallen, met inbegrip van gevallen waarin het aan bederf onderhevige goederen betreft, gaan de Leden binnen een termijn van ten hoogste tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek consultaties aan. Indien de consultaties niet binnen een termijn van twintig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek tot beslechting van het geschil hebben geleid, kan de klager verzoeken om de vorming van een panel.
In spoedeisende gevallen, met inbegrip van gevallen waarin het aan bederf onderhevige goederen betreft, stellen de partijen bij het geschil, panels en de Beroepsinstantie alles in het werk om de procedure zo veel mogelijk te bespoedigen.
Tijdens de consultaties dienen de Leden bijzondere aandacht te schenken aan de specifieke problemen en belangen van Leden die ontwikkelingsland zijn.
Wanneer een ander Lid dan de consulterende Leden van oordeel is dat het een wezenlijk handelsbelang heeft bij de consultaties dat wordt gehouden ingevolge artikel XXII, eerste lid, van de GATT-Overeenkomst van 1994, artikel XXII, eerste lid, van de GATS-Overeenkomst of de overeenkomstige bepalingen van andere vermelde overeenkomsten, 1)De desbetreffende bepalingen inzake overleg in de vermelde overeenkomsten zijn de volgende:Overeenkomst inzake de landbouw, artikel 19; Overeenkomst inzake de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen, artikel 11, eerste lid; Overeenkomst inzake textiel- en kledingprodukten, artikel 8, vierde lid; Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, artikel 14, eerste lid; Overeenkomst inzake met de handel verband houdende investeringsmaatregelen, artikel 8; Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT-Overeenkomst van 1994, artikel 17, tweede lid; Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT-Overeenkomst van 1994, artikel 19, tweede lid; Overeenkomst inzake inspectie vóór verzending, artikel 7; Overeenkomst inzake de oorsprongsregels, artikel 7; Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen, artikel 6; Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, artikel 30; Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, artikel 14; Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, artikel 64, eerste lid, en overeenkomstige bepalingen inzake overleg in Plurilaterale Handelsovereenkomsten die zijn vastgesteld door de bevoegde organen van elke overeenkomst en ter kennis van het DSB zijn gebracht.
kan dat Lid de consulterende Leden en het DSB binnen tien dagen na het uitgaan van het verzoek om consultaties ingevolge bedoeld artikel, in kennis stellen van zijn wens zich in de consultaties te mengen. Dat Lid wordt bij de consultaties betrokken, mits het Lid waaraan het verzoek om consultaties werd gericht, ermee instemt dat het beroep op wezenlijke belangen gegrond is. In dat geval stellen zij het DSB daarvan in kennis. Indien het verzoek zich in de consultaties te mogen mengen niet wordt aanvaard, staat het het verzoekende Lid vrij te vragen om consultaties ingevolge artikel XXII, eerste lid, of XXIII, eerste lid, van de GATT-Overeenkomst van 1994, artikel XXII, eerste lid, of XXIII, eerste lid, van de GATS-Overeenkomst of de overeenkomstige bepalingen van andere vermelde overeenkomsten.
Artikel 5. Goede diensten, conciliatie en bemiddeling
Goede diensten, conciliatie en bemiddeling zijn procedures waartoe vrijwillig wordt overgegaan indien de partijen bij het geschil zulks overeenkomen.
Handelingen verband houdende met goede diensten, conciliatie en bemiddeling, en met name de standpunten die de partijen bij het geschil innemen, zijn vertrouwelijk en doen geen afbreuk aan de rechten van elk van beide partijen bij verdere stappen ingevolge deze procedures.
Om goede diensten, conciliatie en bemiddeling kan te allen tijde door een partij bij een geschil worden verzocht. Zij kunnen te allen tijde aanvangen en te allen tijde worden beëindigd. Zodra de procedures voor goede diensten, conciliatie en bemiddeling zijn beëindigd, kan de klager overgaan tot een verzoek om de vorming van een panel.
Wanneer binnen zestig dagen na de ontvangst van een verzoek om overleg een aanvang wordt gemaakt met goede diensten, conciliatie of bemiddeling, moet de klager een termijn van zestig dagen na de datum van ontvangst van van het verzoek om overleg toestaan alvorens om de vorming van een panel te verzoeken. De klager kan binnen de termijn van zestig dagen om de vorming van een panel verzoeken indien de partijen bij het geschil van oordeel zijn dat de goede diensten, conciliatie of bemiddeling niet tot beslechting van het geschil hebben geleid.
Indien de partijen bij het geschil zulks overeenkomen, kunnen de procedures voor goede diensten, conciliatie of bemiddeling worden voortgezet terwijl de panelprocedure wordt gevoerd.
De Directeur-Generaal kan, handelend uit hoofde van zijn functie, goede diensten, conciliatie of bemiddeling aanbieden teneinde de Leden te helpen een geschil te beslechten.
Artikel 6. Vorming van panels
Indien de klager hierom verzoekt, wordt uiterlijk op de eerstvolgende bijeenkomst van het DSB na de bijeenkomst waarop het verzoek voor het eerst als punt op de agenda van het DSB is geplaatst, een panel gevormd, tenzij het DSB bij consensus besluit geen panel te vormen1)Indien de klager daarom verzoekt, wordt hiertoe binnen vijftien dagen na het verzoek een bijeenkomst van het DSB belegd, mits de bijeenkomst ten minste tien dagen van tevoren wordt aangekondigd..
Het verzoek om de vorming van een panel wordt schriftelijk gedaan. Dit geeft aan of overleg werd gepleegd, noemt de specifieke maatregelen in kwestie en geeft een korte uiteenzetting van de rechtsgrond van de klacht, waarin het probleem voldoende duidelijk wordt geschetst. Ingeval de verzoeker verlangt dat een panel wordt gevormd dat een andere taakomschrijving heeft dan de standaard-taakomschrijving, wordt de voorgestelde tekst van de bijzondere taakomschrijving in het schriftelijke verzoek opgenomen.
Artikel 7. Taakomschrijving van de panels
Panels hebben de volgende taakomschrijving, tenzij de partijen bij het geschil binnen twintig dagen na de vorming van het panel anders overeenkomen:
„In het licht van de desbetreffende bepalingen in [naam van de door de partijen bij het geschil aangehaalde vermelde overeenkomst(en)] de door [naam van de partij] in document ... aan het DSB voorgelegde zaak te bestuderen en tot de conclusies te komen die het DSB zullen helpen bij het doen van de aanbevelingen of uitspraken als bedoeld in die overeenkomst(en).”
De panels buigen zich over de desbetreffende bepalingen in de door de partijen bij het geschil aangehaalde of vermelde overeenkomst(en).
Bij de vorming van een panel kan het DSB de Voorzitter machtigen de taakomschrijving van het panel op te stellen in overleg met de partijen bij het geschil, zulks met inachtneming van de bepalingen van het eerste lid. De aldus opgestelde taakomschrijving wordt aan alle Leden toegezonden. Indien een andere dan de standaard-taakomschrijving wordt overeengekomen, kan elk Lid elk daarop betrekking hebbend punt voorleggen aan het DSB.
Artikel 8. Samenstelling van de panels
De panels worden samengesteld uit zeer bekwame regeringsfunctionarissen en/of anderen, onder wie personen die zitting hebben gehad in een panel of een zaak aan een panel hebben voorgelegd, die zijn opgetreden als vertegenwoordiger van een Lid van de WTO of van een partij bij de GATT-Overeenkomst van 1947 dan wel als vertegenwoordiger in een raad of commissie van een vermelde overeenkomst of een overeenkomst die daaraan voorafging, of bij het Secretariaat, die het internationale handelsrecht of -beleid hebben gedoceerd of daarover hebben gepubliceerd, of die zich als hoger ambtenaar van een Lid met het handelsbeleid hebben beziggehouden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)