Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie

Type Verdrag
Publication 2017-01-23
State In force
Source BWB
artikelen 311
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

16.1. Er wordt een Commissie Anti-dumpingpraktijken ingesteld (hierna „Commissie” genoemd) waarin vertegenwoordigers van elk Lid zitting hebben. De Commissie kiest haar voorzitter en komt ten minste twee maal per jaar bijeen en, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, op verzoek van een Lid. De Commissie voert de taken uit waarmee zij krachtens deze Overeenkomst of door de Leden is belast en stelt de Leden in de gelegenheid overleg te plegen over alle vraagstukken betreffende de toepassing van de Overeenkomst of het bevorderen van de doelstellingen ervan. Het WTO-Secretariaat treedt op als secretariaat van de Commissie.

16.2. De Commissie kan zo nodig suborganen instellen.

16.3. Bij het vervullen van hun taken kunnen de Commissie en haar eventuele suborganen overleg plegen met of inlichtingen inwinnen bij elke bron die daarvoor naar hun oordeel in aanmerking komen. Alvorens echter inlichtingen in te winnen bij een bron die onder de rechtsmacht van een Lid valt, dienen de Commissie of het suborgaan dit Lid hiervan in kennis te stellen. Zij dienen de toestemming te verkrijgen van het Lid en van alle ondernemingen waarbij inlichtingen worden ingewonnen.

16.4. De Leden doen de Commissie onverwijld verslag van alle door hen genomen voorlopige of definitieve anti-dumpingmaatregelen. Deze rapporten liggen op het Secretariaat ter inzage van de andere Leden. Voorts leggen de Leden halfjaarlijkse rapporten voor over alle anti-dumpingmaatregelen die zij de voorgaande zes maanden hebben genomen. Deze halfjaarlijkse rapporten worden op een overeengekomen standaardformulier gesteld.

16.5. Elk Lid deelt de Commissie mede a. welke van zijn autoriteiten bevoegd zijn het in artikel 5 bedoelde onderzoek te openen en uit te voeren, en b. zijn interne procedures voor de opening en uitvoering van een dergelijk onderzoek.

Artikel 17. Overleg en geschillenbeslechting

17.1. Behoudens andersluidende bepalingen in deze Overeenkomst is het Memorandum van overeenstemming inzake de beslechting van geschillen (DSU) van toepassing op het overleg en de beslechting van geschillen in het kader van deze Overeenkomst.

17.2. Elk Lid neemt de door andere Leden naar voren gebrachte opmerkingen in welwillende overweging en biedt voldoende gelegenheid tot overleg over alle onderwerpen die verband houden met de werking van deze Overeenkomst.

17.3. Indien een Lid van oordeel is dat een direct of indirect voor hem uit deze Overeenkomst voortvloeiend voordeel door een ander Lid of andere Leden wordt tenietgedaan of uitgehold of dat het bereiken van een doelstelling door een ander Lid of andere Leden wordt belemmerd, kan het, om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen, schriftelijk om overleg met het betrokken Lid of de betrokken Leden verzoeken. Elk Lid neemt een dergelijk verzoek om overleg van een ander Lid in welwillende overweging.

17.4. Indien het Lid dat om overleg heeft verzocht van oordeel is dat het overeenkomstig lid 3 gevoerde overleg niet tot een voor beide partijen bevredigende oplossing heeft geleid en de bevoegde autoriteiten van het importerende Lid het definitieve besluit tot heffing van anti-dumpingrechten of aanvaarding van prijsverbintenissen hebben genomen, kan het eerstgenoemde Lid de kwestie aan het Orgaan voor geschillenbeslechting (DSB) voorleggen. Wanneer een voorlopige maatregel belangrijke consequenties heeft en het Lid dat om het overleg heeft verzocht van oordeel is dat de maatregel strijdig is met artikel 7, lid 1, kan dit Lid de zaak eveneens aan het DSB voorleggen.

17.5. Het DSB richt op verzoek van de klagende partij een panel op dat een onderzoek instelt op basis van:

  • i. een schriftelijke verklaring waarin het Lid dat het verzoek indient uiteenzet op welke wijze een direct of indirect voor hem uit deze Overeenkomst voortvloeiend voordeel teniet wordt gedaan of uitgehold of het bereiken van de doelstellingen van de overeenkomst wordt belemmerd, en
  • ii. de gegevens die de autoriteiten van het importerende Lid overeenkomstig zijn interne procedures heeft verkregen.

17.6. Bij het onderzoek van het in lid 5 bedoelde probleem:

  • i. bepaalt het panel, bij het beoordelen van de feitelijke situatie, of de autoriteiten de feiten correct hebben vastgesteld en/of hun evaluatie van deze feiten onbevooroordeeld en objectief was. Indien de feiten correct werden vastgesteld en de evaluatie onbevooroordeeld en objectief was, wordt deze evaluatie niet teniet gedaan, zelfs indien het panel tot een andere conclusie komt;
  • ii. het panel interpreteert de desbetreffende bepalingen van de Overeenkomst volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationale publiekrecht. Indien het panel constateert dat een desbetreffende bepaling van de Overeenkomst voor meer dan één aanvaardbare interpretatie vatbaar is, gaat het ervan uit dat de conclusie van de autoriteiten in overeenstemming is met de Overeenkomst indien deze op één van deze aanvaardbare interpretaties gebaseerd is.

17.7. Aan het panel medegedeelde vertrouwelijke informatie wordt niet openbaar gemaakt zonder de formele toestemming van de persoon, instantie of autoriteit die deze informatie heeft verstrekt. Indien dergelijke informatie van het panel wordt gevraagd doch de openbaarmaking daarvan door het panel niet is toegestaan, wordt een niet-vertrouwelijke samenvatting verschaft van de informatie die is goedgekeurd door de persoon, het orgaan of de autoriteit die de informatie heeft verstrekt.

DEEL III

Artikel 18. Slotbepalingen

18.1. Specifieke maatregelen tegen invoer met dumping uit een ander Lid kunnen uitsluitend worden genomen overeenkomstig de bepalingen van de GATT 1994 zoals bij deze Overeenkomst geïnterpreteerdDeze bepaling vormt geen beletsel voor het nemen van maatregelen uit hoofde van andere relevante bepalingen van de GATT 1994.

18.2. Voorbehouden ten aanzien van het bepaalde in deze Overeenkomst kunnen uitsluitend met toestemming van de andere Leden worden gemaakt.

18.3. Onverminderd de leden 3.1. en 3.2. zijn de bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing op onderzoeken en herzieningsonderzoeken van bestaande maatregelen die worden geopend naar aanleiding van verzoeken die worden ingediend op of na de datum waarop de WTO-Overeenkomst voor een Lid in werking treedt.

  • 18.3.1. Voor de berekening van de dumpingmarges in terugbetalingsprocedures uit hoofde van artikel 9, lid 3 zijn de bij de meest recente vaststelling of herziening van dumping gehanteerde regels van toepassing.
  • 18.3.2. Voor de toepassing van artikel 11, lid 3, worden bestaande anti-dumpingmaatregelen geacht uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst voor een Lid-Staat te zijn ingesteld, behalve wanneer de op die datum geldende interne wetgeving van een Lid reeds een clausule van het in dit Lid bedoelde type bevatten.

18.4. Elk Lid neemt alle noodzakelijke maatregelen, van algemene of van bijzondere aard, om ervoor te zorgen dat uiterlijk op de datum waarop de WTO-Overeenkomst voor hem in werking treedt, zijn wetgeving, voorschriften en administratieve procedures in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst zoals deze voor het betrokken Lid van toepassing zijn.

18.5. Elk Lid stelt de Commissie in kennis van alle wijzigingen in zijn wetgeving en voorschriften die van belang zijn voor de toepassing van deze Overeenkomst evenals van wijzigingen met betrekking tot de toepassing van deze wetgeving en voorschriften.

18.6. De Commissie stelt elk jaar een onderzoek in naar de uitvoering en de werking van deze Overeenkomst, gelet op de doelstellingen ervan. De Commissie stelt de Raad voor de Handel in Goederen éénmaal per jaar in kennis van de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in de periode waarop dit onderzoek betrekking had.

18.7. De bijlagen bij deze Overeenkomst maken daarvan integrerend deel uit.

1

Zo spoedig mogelijk na de opening van het onderzoek geven de met het onderzoek belaste autoriteiten nauwkeurig aan welke gegevens zij van belanghebbenden wensen te ontvangen, evenals de wijze waarop belanghebbenden hun antwoorden dienen te structureren. De autoriteiten zien er bovendien op toe dat belanghebbenden ervan op de hoogte zijn dat, indien de informatie niet binnen een redelijke termijn wordt verstrekt, zij hun vaststellingen kunnen doen op basis van de beschikbare gegevens, met inbegrip van die welke door de binnenlandse bedrijfstak in het verzoek tot opening van het onderzoek zijn verstrekt.

2

De autoriteiten kunnen bovendien verlangen dat een belanghebbende zijn antwoord op een bepaalde drager (bijvoorbeeld magneetband) of in een bepaalde computertaal verstrekt. Wanneer een dergelijk verzoek wordt gedaan, gaan de autoriteiten na of de belanghebbende redelijkerwijze in staat is zijn antwoorden op de gevraagde drager of in de gevraagde computertaal te verstrekken en zij verlangen niet dat deze voor het verstrekken van zijn antwoord een ander dan zijn eigen computersysteem gebruikt. De autoriteiten eisen niet dat het antwoord via de computer wordt verstrekt indien de belanghebbende niet over een geautomatiseerde administratie beschikt en deze wijze van beantwoording van de gestelde vragen een onredelijke extra belasting voor hem zou inhouden, met andere woorden, indien dit onredelijke bijkomende kosten en moeilijkheden zou veroorzaken.

3

Alle controleerbare informatie die zo wordt verstrekt dat zij zonder grote moeilijkheden bij het onderzoek kan worden gebruikt, tijdig ter beschikking wordt gesteld en, in voorkomend geval, op een door de autoriteiten gevraagde drager of in een door de autoriteiten gevraagde computertaal wordt verstrekt, dient bij de vaststellingen in aanmerking te worden genomen. Indien een partij haar antwoord niet op de gewenste drager of in de gewenste computertaal verstrekt, maar de autoriteiten constateren dat aan de in punt 2 gestelde voorwaarden is voldaan, mag dit niet worden beschouwd het onderzoek aanmerkelijk te belemmeren.

4

Wanneer de autoriteiten de op een bepaalde drager (bijvoorbeeld magneetband) verstrekte informatie niet kunnen verwerken, dient deze schriftelijk of in een andere voor de autoriteiten aanvaardbare vorm te worden toegezonden.

5

Het feit dat de verstrekte informatie niet in alle opzichten ideaal is, mag voor de autoriteiten geen reden zijn deze buiten beschouwing te laten, indien de belanghebbende al het nodige heeft gedaan om de best mogelijke informatie te verstrekken.

6

Indien bewijsmateriaal of inlichtingen niet worden aanvaard, dient de partij die deze heeft verstrekt onverwijld in kennis te worden gesteld van de redenen die aan deze afwijzing ten grondslag liggen en dient zij in gelegenheid te worden gesteld binnen een redelijke termijn nadere inlichtingen te verstrekken, waarbij rekening dient te worden gehouden met de termijnen van het onderzoek. Indien de nadere inlichtingen door de autoriteiten ontoereikend worden geacht, dienen de redenen voor de afwijzing van dergelijk bewijsmateriaal of dergelijke informatie te worden vermeld in alle vaststellingen die openbaar worden gemaakt.

7

Indien de autoriteiten hun bevindingen, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de normale waarde, dienen te baseren op informatie die zij uit secundaire bron hebben verkregen, met inbegrip van informatie die in het verzoek tot opening van een onderzoek was opgenomen, dienen zij de nodige voorzorgsmaatregelen in acht te nemen. In dergelijke gevallen dienen de autoriteiten de verkregen informatie, indien mogelijk, te toetsen aan informatie uit andere onafhankelijke bronnen waarover zij beschikken, zoals gepubliceerde prijslijsten, officiële invoerstatistieken of douanestatistieken alsmede aan de informatie die in de loop van het onderzoek van andere belanghebbenden werd verkregen. Het spreekt echter vanzelf dat indien een belanghebbende geen medewerking verleent en de autoriteiten derhalve bepaalde relevante informatie wordt onthouden, dit ten gevolge kan hebben dat de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan indien hij zijn medewerking had verleend.

Algemene inleiding

De grondslag van de douanewaarde voor de toepassing van deze Overeenkomst is de „transactiewaarde" als omschreven in artikel 1. artikel 1 dient te worden gelezen in samenhang met artikel 8, dat, onder meer, in een aanpassing van de werkelijk betaalde of te betalen prijs voorziet in het geval dat bepaalde specifieke elementen die worden geacht deel uit te maken van de douanewaarde ten laste van de koper komen, maar niet in de werkelijk voor de in te voeren goederen betaalde of te betalen prijs zijn begrepen. In artikel 8 is tevens bepaald dat sommige prestaties van de koper ten gunste van de verkoper die veeleer in de vorm van bepaalde goederen of diensten dan in de vorm van geld worden verstrekt tot de transactiewaarde behoren. De artikelen 2 tot en met 7 hebben betrekking op de methoden voor het bepalen van de douanewaarde in gevallen waarin deze waarde niet met toepassing van artikel 1 kan worden vastgesteld.

Wanneer de douanewaarde niet overeenkomstig artikel 1 kan worden bepaald, plegen de douanediensten en de importeur normaliter overleg om de grondslag van de waarde overeenkomstig artikel 2 of artikel 3 vast te stellen. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat de importeur over gegevens betreffende de douanewaarde van ingevoerde identieke of soortgelijke goederen beschikt waarover de douanediensten van de invoerhaven niet direct beschikken. Het is echter ook mogelijk dat de douanediensten over inlichtingen betreffende de douanewaarde van ingevoerde identieke of soortgelijke goederen beschikken die voor de importeur niet zonder meer toegankelijk zijn. Door overleg tussen de partijen kunnen met inachtneming van het handelsgeheim inlichtingen worden uitgewisseld teneinde een passende grondslag voor de douanewaarde vast te stellen.

De artikelen 5 en 6 verschaffen twee grondslagen voor het bepalen van de douanewaarde in gevallen waarin deze niet op grond van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen of van ingevoerde identieke of soortgelijke goederen kan worden vastgesteld. Krachtens artikel 5, lid 1 wordt de douanewaarde bepaald op grond van de prijs waartegen de goederen in de staat waarin zij worden ingevoerd aan een niet verbonden koper in het land van invoer worden verkocht. Voorts heeft de importeur op zijn verzoek het recht de douanewaarde van goederen die na de invoer aan een bewerking of verwerking worden onderworpen met toepassing van artikel 5 te doen bepalen. Krachtens artikel 6 wordt de douanewaarde op grond van de berekende waarde bepaald. Beide methoden doen evenwel bepaalde moeilijkheden rijzen en om die reden geeft artikel 4 de importeur het recht de volgorde te kiezen waarin beide methoden worden toegepast.

In artikel 7 is aangegeven hoe de douanewaarde wordt bepaald in gevallen waarin dit niet op basis van een van de voorafgaande artikelen kan geschieden.

De Leden,

Gelet op de multilaterale handelsbesprekingen;

Verlangende de doelstellingen van GATT 1994 te bevorderen en de internationale handel van de ontwikkelingslanden een extra stimulans te geven;

Erkennende het belang van artikel VII van GATT 1994 en verlangende regels vast te stellen ter bevordering van een grotere eenvormigheid en rechtszekerheid bij de toepassing van deze bepalingen;

Erkennende de noodzaak van een rechtvaardig, éénvormig en neutraal systeem voor het bepalen van de douanewaarde van goederen dat het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden uitsluit;

Erkennende dat de grondslag voor de berekening van de douanewaarde van goederen zoveel mogelijk de transactiewaarde dient te zijn van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald;

Erkennende dat de douanewaarde op eenvoudige en billijke, met de handelspraktijk verenigbare grondslagen dient te berusten en dat de methoden voor het bepalen van de waarde van algemene toepassing moeten zijn, ongeacht de herkomst van de goederen;

Erkennende dat de procedures voor het bepalen van de douanewaarde niet voor het bestrijden van dumping mogen worden gebruikt;

Zijn het volgende overeengekomen:

DEEL I. REGELS VOOR HET BEPALEN VAN DE DOUANEWAARDE

Artikel 1

1.

De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs wanneer deze voor uitvoer naar het land van invoer worden verkocht, aangepast overeenkomstig artikel 8, op voorwaarde dat:

  • a. er geen beperkingen zijn ten aanzien van de overdracht of het gebruik van de goederen door de koper, met uitzondering van beperkingen die:
  • i. worden opgelegd of voorgeschreven door de wet of de autoriteiten in het land van invoer;
  • ii. het geografische gebied beperken waarbinnen de goederen mogen worden doorverkocht; of
  • iii. de waarde van de goederen niet aanmerkelijk beïnvloeden;
  • b. de verkoop of de prijs niet zijn beïnvloed door enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde, voor zover deze betrekking heeft op de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, niet kan worden vastgesteld;
  • c. geen enkel deel van de opbrengst van de latere wederverkoop, overdracht of het latere gebruik van de goederen door de koper direct of indirect ten goede zal komen aan de verkoper, tenzij een passende correctie kan worden toegepast overeenkomstig artikel 8; en
  • d. de koper en de verkoper niet verbonden zijn of, indien de koper en de verkoper verbonden zijn, de transactiewaarde voor douanedoeleinden aanvaardbaar is ingevolge het bepaalde in lid 2.
  • a. Voor het beantwoorden van de vraag of de transactiewaarde aanvaardbaar is voor de toepassing van lid 1, is het feit dat de koper en de verkoper verbonden zijn in de zin van artikel 15 op zich geen reden de transactiewaarde als niet aanvaardbaar aan te merken. In dergelijk geval worden de omstandigheden van de verkoop onderzocht en wordt de transactiewaarde aanvaard op voorwaarde dat de verbondenheid de prijs niet heeft beïnvloed. Indien de douane, op grond van de informatie die zij van de importeur of anderszins heeft verkregen, redenen heeft om aan te nemen dat de verbondenheid de prijs heeft beïnvloed, deelt zij die redenen mede aan de importeur die voldoende gelegenheid moet worden gegeven om te reageren. Indien de importeur dit verlangt, worden de redenen hem schriftelijk ter kennis gebracht.
  • b. Bij een verkoop tussen verbonden personen wordt de transactiewaarde aanvaard en de waarde van de goederen vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van lid 1, indien de importeur aantoont dat op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip die waarde een van de volgende waarden zeer dicht benadert: Bij de toepassing van de vorengenoemde criteria wordt naar behoren rekening gehouden met aangetoonde verschillen in handelsniveau en hoeveelheid, evenals met de in artikel 8 genoemde elementen en met de kosten die de verkoper maakt bij verkopen aan niet met hem verbonden kopers en die hij niet maakt bij verkopen aan kopers die wel met hem zijn verbonden.
  • i. de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen bij verkopen voor uitvoer naar hetzelfde land van invoer aan niet verbonden kopers;
  • ii. de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 5;
  • iii. de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.
  • c. De in lid 2, onder b. genoemde criteria worden op verzoek van de importeur toegepast en dienen alleen ter vergelijking. Vervangende waarden kunnen niet met toepassing van lid 2, onder b. worden vastgesteld.

Artikel 2

  • a. Indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet met toepassing van artikel 1 kan worden vastgesteld, is de douanewaarde de transactiewaarde van identieke goederen die voor uitvoer naar hetzelfde land van invoer zijn verkocht en waarvan de uitvoer op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip heeft plaatsgevonden als die van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.
  • b. Bij toepassing van dit artikel wordt de douanewaarde vastgesteld aan de hand van de transactiewaarde van identieke goederen die op hetzelfde handelsniveau en in nagenoeg dezelfde hoeveelheid zijn verkocht als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Bij ontstentenis van een dergelijke verkoop wordt gebruik gemaakt van de transactiewaarde van identieke goederen die op een verschillend handelsniveau en/of in verschillende hoeveelheden zijn verkocht, aangepast ten einde rekening te houden met deze verschillen in handelsniveau en/of hoeveelheid, mits aan dergelijke aanpassingen bewijsmateriaal ten grondslag ligt waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact zijn en ongeacht of de aanpassingen een verhoging dan wel een verlaging van de waarde ten gevolge hebben.
2.

Indien de in artikel 8, lid 2 bedoelde kosten in de transactiewaarde begrepen zijn, wordt deze waarde aangepast ten einde rekening te houden met aanmerkelijke verschillen, wat deze kosten betreft, tussen de ingevoerde goederen en de in aanmerking genomen identieke goederen die het gevolg zijn van verschillen in afstanden en wijzen van vervoer.

3.

Indien bij de toepassing van dit artikel meer dan een transactiewaarde van identieke goederen wordt gevonden, wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen op basis van de laagste van die waarden vastgesteld.

Artikel 3

  • a. Indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet met toepassing van het bepaalde in de artikelen 1 en 2 kan worden vastgesteld, is de douanewaarde de transactiewaarde van soortgelijke goederen die voor uitvoer naar hetzelfde land van invoer zijn verkocht en die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.
  • b. Bij toepassing van dit artikel wordt de douanewaarde vastgesteld aan de hand van de transactiewaarde van soortgelijke goederen die op hetzelfde handelsniveau en in nagenoeg dezelfde hoeveelheid zijn verkocht als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Bij ontstentenis van een dergelijke verkoop wordt gebruik gemaakt van de transactiewaarde van soortgelijke goederen die op een verschillend handelsniveau en/of in verschillende hoeveelheden zijn verkocht, aangepast ten einde rekening te houden met verschillen in handelsniveau en/of hoeveelheid, mits dergelijke correcties gegrond zijn op bewijsmateriaal waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact zijn en ongeacht of zij een verhoging dan wel een verlaging van de waarde ten gevolge hebben.
2.

Indien de in artikel 8, lid 2 bedoelde kosten in de transactiewaarde begrepen zijn, wordt deze waarde aangepast ten einde rekening te houden met aanmerkelijke verschillen, wat deze kosten betreft, tussen de ingevoerde en de in aanmerking genomen soortgelijke goederen die het gevolg zijn van verschillen in afstanden en wijzen van vervoer.

3.

Indien bij toepassing van dit artikel meer dan een transactiewaarde van soortgelijke goederen wordt gevonden, wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen op basis van de laagste van die waarden vastgesteld.

Artikel 4

Indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet met toepassing van het bepaalde in de artikelen 1, 2 en 3 kan worden vastgesteld, wordt zij overeenkomstig artikel 5 vastgesteld of, indien de douanewaarde niet met toepassing van dat artikel kan worden vastgesteld, met toepassing van de bepalingen van artikel 6, met dien verstande dat de toepassingsvolgorde van de artikelen 5 en 6 op verzoek van de importeur wordt omgekeerd.

Artikel 5

  • a. Indien de ingevoerde goederen of ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in het land van invoer worden verkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, wordt de met toepassing van dit artikel vastgestelde douanewaarde van de ingevoerde goederen gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen of ingevoerde identieke of soortgelijke goederen, op of omstreeks het tijdstip van invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, aldus in de grootste totale hoeveelheid worden verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de personen van wie zij deze goederen kopen, minus de volgende elementen:
  • i. hetzij de commissies die gewoonlijk worden betaald of overeengekomen, hetzij de gebruikelijke marges voor winst en algemene kosten bij verkopen in het land van invoer van ingevoerde goederen van dezelfde aard of soort;
  • ii. de gebruikelijke kosten van vervoer en verzekering en aanverwante kosten, gemaakt in het land van invoer;
  • iii. in voorkomend geval de in artikel 8, lid 2 bedoelde kosten; en
  • iv. de douanerechten en andere nationale belastingen die in het land van invoer in verband met de invoer of de verkoop van de goederen verschuldigd zijn.
  • b. Indien noch de ingevoerde goederen, noch ingevoerde identieke of soortgelijke goederen worden verkocht op of omstreeks het tijdstip van invoer van de goederen waarvan de waarde wordt vastgesteld, wordt de douanewaarde, behoudens het bepaalde in lid 1, onder a., vastgesteld op basis van de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen of ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de staat waarin zij zijn ingevoerd in het land van invoer worden verkocht op de vroegste datum na de datum van invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, doch niet later dan 90 dagen na die invoer.
2.

Indien noch de ingevoerde goederen, noch identieke of soortgelijke ingevoerde goederen in het land van invoer worden verkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, wordt op verzoek van de importeur de douanewaarde gebaseerd op de prijs per éénheid waartegen de ingevoerde goederen na bewerking of verwerking in de grootste totale hoeveelheid zijn verkocht aan personen in het land van invoer die niet zijn verbonden met de personen van wie zij deze goederen kopen, met inachtneming van de door de bewerking of verwerking toegevoegde waarde en de in lid 1, onder a. bedoelde in mindering te brengen elementen.

Artikel 6

1.

De op grond van dit artikel bepaalde douanewaarde van ingevoerde goederen is gebaseerd op een berekende waarde. Deze berekende waarde bestaat uit de som van:

  • a. de kosten of de waarde van de materialen en de vervaardiging of van andere bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen verrichte handelingen;
  • b. een bedrag voor winst en algemene kosten dat overeenkomt met het bedrag dat producenten in het land van uitvoer gewoonlijk incalculeren bij de verkoop voor uitvoer naar het land van invoer van goederen van dezelfde aard of soort als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald;
  • c. de kosten of de waarde van alle andere uitgaven waarmee rekening moet worden gehouden bij de toepassing van de door een Lid krachtens artikel 8, lid 2 gekozen methode van waardebepaling.
2.

Geen van de Leden kan, ten behoeve van de vaststelling van een berekende waarde, een niet op haar grondgebied gevestigde persoon dwingen tot het overleggen voor onderzoek van, of het geven van inzage in enige boekhoudkundige rekening of ander document. Niettemin kunnen de autoriteiten van het land van invoer, met toestemming van de producent van de goederen, de inlichtingen die deze met het oog op de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig het bepaalde in dit artikel heeft verstrekt in een ander land controleren, op voorwaarde dat genoemde autoriteiten de overheidsinstanties van het betrokken land tijdig inlichten en deze laatsten geen bezwaar maken tegen het onderzoek.

Artikel 7

1.

Indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet met toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 kan worden vastgesteld, wordt deze waarde vastgesteld met redelijke middelen die verenigbaar zijn met de beginselen en algemene bepalingen van de onderhavige Overeenkomst en van artikel VII van GATT 1994 en op basis van de in het land van invoer beschikbare gegevens.

2.

De uit hoofde van dit artikel vastgestelde douanewaarde is niet gebaseerd op:

  • a. de verkoopprijs in het land van invoer van in dat land voortgebrachte goederen;
  • b. een systeem dat voorziet in de aanvaarding voor douanedoeleinden van de hoogste van twee alternatieve waarden;
  • c. de prijs van goederen op de binnenlandse markt van het land van uitvoer;
  • d. de produktiekosten, andere dan berekende waarden die met toepassing van artikel 6 voor identieke of soortgelijke goederen zijn vastgesteld;
  • e. de prijs van de voor uitvoer naar een ander land dan het land van invoer bestemde goederen;
  • f. minimum douanewaarden; of
  • g. willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.
3.

De importeur wordt op zijn verzoek schriftelijk in kennis gesteld van de overeenkomstig het bepaalde in dit artikel vastgestelde waarde en de daarbij gehanteerde methode.

Artikel 8

1.

Wanneer de douanewaarde met toepassing van artikel 1 wordt vastgesteld, wordt de werkelijk voor de ingevoerde goederen betaalde of te betalen prijs verhoogd met:

  • a. de volgende elementen, voor zover deze ten laste komen van de koper en zij niet in de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs begrepen zijn:
  • i. commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies;
  • ii. de kosten van verpakkingsmiddelen die voor douanedoeleinden worden geacht een geheel te vormen met de goederen;
  • iii. de kosten van het verpakken, zowel arbeidsloon als materiaal;
  • b. de waarde, naar verhouding toegedeeld, van de onderstaande goederen en diensten indien deze gratis of tegen verlaagde prijs rechtstreeks of onrechtstreeks door de koper worden geleverd ten behoeve van de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover deze waarde niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs is begrepen:
  • i. in de ingevoerde goederen verwerkte materialen, delen, onderdelen en dergelijke;
  • ii. werktuigen, matrijzen, gietvormen en dergelijke bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen gebruikte voorwerpen;
  • iii. bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen verbruikte materialen;
  • iv. „engineering", ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen, verricht of gemaakt elders dan in het land van invoer en noodzakelijk voor de voortbrenging van de ingevoerde goederen;
  • c. royalties en licentierechten in verband met de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, die de koper overeenkomstig de verkoopvoorwaarden direct of indirect moet betalen, voor zover deze royalties en licentierechten niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen;
  • d. de waarde van elk deel van de opbrengst van een latere wederverkoop, overdracht of gebruik van de ingevoerde goederen dat de verkoper rechtstreeks of onrechtstreeks toekomt.
2.

Elk Lid neemt in zijn nationale wetgeving bepalingen op die erin voorzien dat de hiernavolgende elementen geheel of ten dele, hetzij van de douanewaarde worden uitgesloten, hetzij daarin worden begrepen:

  • a. de kosten van het vervoer van de ingevoerde goederen tot de haven of plaats van invoer;
  • b. de kosten van laden, lossen en behandeling van de ingevoerde goederen in verband met het vervoer daarvan tot de haven of plaats van invoer; en
  • c. de verzekeringskosten.
3.

Wanneer met toepassing van dit artikel elementen aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden toegevoegd geschiedt zulks enkel op basis van objectieve en kwantificeerbare gegevens.

4.

Aan de werkelijke betaalde of te betalen prijs worden geen andere elementen toegevoegd dan die waarin dit artikel voorziet.

Artikel 9

1.

Indien voor de vaststelling van de douanewaarde een munteenheid moet worden omgerekend, wordt daarvoor de door de bevoegde autoriteiten van het betrokken land van invoer bekendgemaakte wisselkoers gebruikt die, voor de periode waarop elk publicatiedocument betrekking heeft, zo getrouw mogelijk de gangbare waarde van die munteenheid bij handelstransacties in de munteenheid van het land van invoer weergeeft;

2.

De te gebruiken omrekeningskoers is die welke van kracht is op het tijdstip van uitvoer of van invoer, al naar gelang door elk Lid wordt bepaald.

Artikel 10

Elke voor het vaststellen van de douanewaarde verstrekte inlichting die een vertrouwelijk karakter heeft of die op vertrouwelijke grondslag wordt medegedeeld, wordt door de betrokken autoriteiten als strikt vertrouwelijk behandeld en wordt door hen niet bekendgemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van de persoon of overheidsinstantie die ze heeft verstrekt, tenzij deze bekendmaking in het kader van gerechtelijke procedures gevorderd wordt.

Artikel 11

1.

De wetgeving van elk Lid voorziet in verband met de vaststelling van de douanewaarde in een recht op beroep, zonder sanctie, ten behoeve van de importeur of enige andere tot betaling van het invoerrecht gehouden persoon.

2.

Een eerste beroep zonder sanctie kan bij een douaneinstantie of bij een onafhankelijk lichaam worden ingesteld, hoewel de wetgeving van ieder Lid in een recht op beroep zonder sanctie bij een rechterlijke instantie voorziet.

3.

De uitspraak op het beroep wordt de appellant ter kennis gebracht en de motivering van de uitspraak wordt hem schriftelijk medegedeeld. Tevens wordt hij ingelicht omtrent zijn recht op verder beroep.

Artikel 12

De algemeen toepasselijke wetten, verordeningen en rechterlijke en administratieve besluiten ter uitvoering van deze overeenkomst worden door het betrokken land van invoer bekendgemaakt overeenkomstig artikel X van GATT 1994.

Artikel 13

Indien bij de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen blijkt dat het noodzakelijk is de definitieve vaststelling van deze douanewaarde uit te stellen, kan de importeur zijn goederen niettemin aan het douaneverband onttrekken, mits hij, indien vereist, een toereikende zekerheid stelt – in de vorm van een borgstelling of waarborgsom of op enige andere passende wijze – voor de definitieve betaling van de invoerrechten die voor de goederen verschuldigd kunnen zijn. In de wetgeving van elk Lid worden daartoe strekkende bepalingen opgenomen.

Artikel 14

De aantekeningen in bijlage I bij deze Overeenkomst vormen een integrerend deel van deze Overeenkomst en de artikelen van deze Overeenkomst moeten in samenhang met hun respectieve aantekeningen worden gelezen en toegepast. Bijlage II en bijlage III vormen eveneens een integrerend deel van deze Overeenkomst.

Artikel 15

1.

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

  • a. „douanewaarde van ingevoerde goederen”, de waarde van de goederen zoals deze is vastgesteld met het oog op de heffing van ad valorem douanerechten van ingevoerde goederen;
  • b. „land van invoer”, land of douanegebied van invoer; en
  • c. „voortgebracht”, onder meer geteeld, gefabriceerd en gedolven.
2.

In deze Overeenkomst:

  • a. worden onder „identieke goederen” verstaan goederen die in alle opzichten gelijk zijn, onder meer wat hun fysieke kenmerken, kwaliteit en reputatie betreft. Geringe verschillen in uiterlijk voorkomen zijn geen beletsel om goederen die voor het overige aan de definitie voldoen, als identiek aan te merken;
  • b. worden onder „soortgelijke goederen” verstaan goederen die, hoewel zij niet in alle opzichten gelijk zijn, dezelfde kenmerken vertonen en dezelfde bestanddelen bevatten, waardoor zij dezelfde functies kunnen vervullen en in de handel onderling uitwisselbaar zijn. De kwaliteit van de goederen, hun reputatie en de aanwezigheid van een handelsmerk behoren tot de factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij het beantwoorden van de vraag of goederen soortgelijk zijn;
  • c. worden onder „identieke goederen” en „soortgelijke goederen”, al naar gelang van het geval, niet verstaan goederen waarin engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen zijn verwerkt of tot uitdrukking gebracht, waarvoor, wegens het feit dat zij in het land van invoer werden verricht of gemaakt, geen correctie in de zin van artikel 8, lid 1, onder b., punt iv. heeft plaatsgevonden.
  • d. worden goederen slechts als „identieke goederen” of „soortgelijke goederen” aangemerkt indien zij in hetzelfde land zijn voortgebracht als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald;
  • e. worden door een andere persoon voortgebrachte goederen slechts in aanmerking genomen indien er, al naar gelang van het geval, geen identieke of soortgelijke goederen voorhanden zijn die door dezelfde persoon zijn voortgebracht als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.
3.

In deze Overeenkomst worden onder „goederen van dezelfde aard of soort” verstaan, goederen behorende tot een groep of assortiment van goederen, identieke of soortgelijke goederen daaronder begrepen, die door een bepaalde industrie of bedrijfstak worden voortgebracht.

4.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden personen enkel geacht te zijn verbonden indien:

  • a. zij functionaris of directeur zijn in elkaars ondernemingen;
  • b. zij van rechtswege in zaken verbonden zijn;
  • c. de een de werkgever is van de ander;
  • d. enig persoon, direct of indirect, 5% of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of de aandelen van beiden in zijn bezit heeft, daarover zeggenschap heeft of daarvan houder is;
  • e. een van hen direct of indirect zeggenschap heeft over de ander;
  • f. een derde persoon, direct of indirect, zeggenschap heeft over beiden;
  • g. zij te zamen, direct of indirect, zeggenschap hebben over een derde persoon; of
  • h. zij leden zijn van dezelfde familie.
5.

Personen die in zaken verbonden zijn doordat de één exclusief agent, exclusief distributeur of exclusief concessiehouder, ongeacht de gebruikte omschrijving, van de ander is, worden voor de toepassing van deze Overeenkomst geacht te zijn verbonden indien zij aan één van de in lid 4 opgenomen criteria beantwoorden.

Artikel 16

De importeur heeft op door hem ingediend schriftelijk verzoek recht op een schriftelijke toelichting van de douane van het land van invoer waarin deze uiteenzet op welke wijze de douanewaarde van de door hem ingevoerde goederen werd vastgesteld.

Artikel 17

Niets in deze Overeenkomst mag worden uitgelegd als een beperking of betwisting van de rechten van de douanediensten zich te vergewissen van de echtheid of de juistheid van elke verklaring, elk document of elke aangifte die met het oog op de vaststelling van de douanewaarde worden overgelegd.

DEEL II. BEHEER VAN DE OVEREENKOMST, OVERLEG EN GESCHILLENBESLECHTING

Artikel 18. Instellingen

1.

Er wordt een Commissie douanewaarde (hierna te noemen „de Commissie”) ingesteld, die is samengesteld uit vertegenwoordigers van elk der partijen. De Commissie kiest haar voorzitter en vergadert normaliter éénmaal per jaar of zo dikwijls als de desbetreffende bepalingen van de Overeenkomst voorschrijven. Doel van de vergaderingen is de Leden de gelegenheid te geven tot overleg over zaken die verband houden met het beheer van het systeem voor het vaststellen van de douanewaarde door elk van de Leden voor zover dit de werking van deze Overeenkomst kan beïnvloeden of haar doelstellingen kan bevorderen, alsmede het uitvoeren van de overige taken die de Leden de Commissie kunnen opdragen. Het secretariaat van de Commissie wordt door het Secretariaat van de WTO waargenomen.

2.

Er wordt, onder de auspiciën van de Internationale Douaneraad (in deze Overeenkomst „de IDR” genoemd), een technische commissie douanewaarde (hierna te noemen „Technische commissie”) ingesteld die de in bijlage II bij deze Overeenkomst omschreven taken uitvoert overeenkomstig het reglement van orde dat in deze bijlage is opgenomen.

Artikel 19. Overleg en geschillenbeslechting

1.

Behoudens andersluidende bepalingen in deze Overeenkomst is het „Memorandum van Overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen” van toepassing op het overleg en de regeling van geschillen in het kader van deze Overeenkomst.

2.

Indien een Lid van mening is dat een voordeel dat hem ingevolge deze Overeenkomst rechtstreeks of onrechtstreeks toekomt, wordt tenietgedaan of in het gedrang wordt gebracht, dan wel dat de verwezenlijking van enige doelstelling van deze Overeenkomst door de handelingen van een ander Lid of andere Leden wordt belemmerd, kan het eerstgenoemde Lid, ten einde een wederzijds bevredigende oplossing te vinden voor het probleem, om overleg met het betrokken Lid of de betrokken Leden verzoeken. Ieder Lid neemt alle verzoeken om overleg van een ander Lid in welwillende overweging.

3.

De Technische commissie verleent desgevraagd advies en bijstand aan de bij het overleg betrokken Leden.

4.

Op verzoek van een partij bij het geschil of eigener beweging kan een voor het onderzoek van een geschil in verband met de bepalingen van deze Overeenkomst opgericht panel de Technische commissie verzoeken alle technische kwesties aan een onderzoek te onderwerpen. Het panel stelt de taakomschrijving van de Technische commissie voor het betreffende geschil vast evenals de termijn waarbinnen de Technische commissie verslag moet doen van haar bevindingen. Het panel houdt rekening met het verslag van de Technische commissie. Indien de Technische commissie geen consensus kan bereiken over een vraagstuk dat haar overeenkomstig het bepaalde in dit lid werd voorgelegd, verdient het aanbeveling dat het panel de partijen bij het geschil in de gelegenheid stelt hun zienswijze daaromtrent aan het panel uiteen te zetten.

5.

Aan het panel verstrekte vertrouwelijke informatie wordt niet openbaar gemaakt zonder de formele toestemming van de persoon, instantie of autoriteit die deze informatie heeft verstrekt. Wanneer het panel om dergelijke informatie wordt verzocht, doch de bekendmaking daarvan door het panel niet is toegestaan, wordt met toestemming van de persoon, instantie of autoriteit die de informatie heeft verstrekt een niet vertrouwelijke samenvatting daarvan vrijgegeven.

DEEL III. BIJZONDERE EN GEDIFFERENTIEERDE BEHANDELING

Artikel 20

1.

De Leden die ontwikkelingslanden zijn en die geen Partij zijn bij de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 12 april 1979 kunnen de toepassing van het bepaalde in de onderhavige Overeenkomst opschorten voor een periode van ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de WTO-Overeenkomst voor deze Leden in werking treedt. Leden die ontwikkelingslanden zijn en die de toepassing van deze Overeenkomst wensen op te schorten, stellen de Directeur-generaal van de WTO daarvan in kennis.

2.

Naast het bepaalde in lid 1 kunnen Leden die ontwikkelingslanden zijn en die geen partij zijn bij de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 12 april 1979, de toepassing van artikel 1, lid 2, onder b., punt iii. en van artikel 6 opschorten voor een periode van ten hoogste drie jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij alle andere bepalingen van deze Overeenkomst ten uitvoer hebben gelegd. Leden die ontwikkelingslanden zijn en die besluiten de toepassing van de in dit lid genoemde bepalingen op te schorten, stellen de Directeur-Generaal van de WTO daarvan in kennis.

3.

De Leden die ontwikkelde landen zijn verlenen op onderling overeengekomen voorwaarden technische bijstand aan de Leden die ontwikkelingslanden zijn en die daarom verzoeken. De Leden die ontwikkelde landen zijn stellen op deze basis programma's inzake technische bijstand op die voorzien in, onder meer, opleiding van personeel, hulp bij het uitwerken van toepassingsmaatregelen, toegang tot informatiebronnen inzake de methoden voor het vaststellen van de douanewaarde en advies betreffende de toepassing van deze Overeenkomst.

DEEL IV. SLOTBEPALINGEN

Artikel 21. Voorbehouden

Voorbehouden ten aanzien van de bepalingen van deze Overeenkomst kunnen uitsluitend met instemming van de andere Leden worden gemaakt.

Artikel 22. Nationale wetgeving

1.

Elk Lid draagt zorg dat, uiterlijk op de datum waarop de bepalingen van deze Overeenkomst voor hem, van toepassing worden, zijn wetten, voorschriften en administratieve procedures in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst.

2.

Elk Lid stelt de Commissie in kennis van alle wijzigingen in zijn wetten en voorschriften die betrekking hebben op deze Overeenkomst en van alle wijzigingen in verband met het beheer van deze wetten en voorschriften.

Artikel 23. Herziening

De Commissie stelt met inachtneming van de doelstellingen van de Overeenkomst jaarlijks een onderzoek in naar de toepassing en de werking daarvan. De Commissie doet de Raad voor de handel in goederen jaarlijks verslag van de ontwikkelingen welke zich hebben voorgedaan in de periode waarop het onderzoek betrekking had.

Artikel 24. Secretariaat

Het secretariaat van deze Overeenkomst wordt door het Secretariaat van de WTO waargenomen, behalve wat de specifiek aan de Technische Commissie opgedragen taken betreft, waarvoor het secretariaat door het Secretariaat van de IDR wordt waargenomen.

De Leden,

Vaststellende dat de Ministers op 20 september 1986 zijn overeengekomen dat de „Multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde ten doel hebben een verdere liberalisering en uitbreiding van de wereldhandel te bewerkstelligen”, „de rol van de GATT te versterken” en „het vermogen van het GATT-stelsel om zich aan te passen aan de ontwikkeling van het internationale economische milieu te vergroten”;

Vaststellende dat een aantal Leden die ontwikkelingslanden zijn gebruik maken van de regeling inzake inspectie voor verzending;

Erkennende dat de ontwikkelingslanden dit moeten doen zolang en voor zover dit nodig is om de kwaliteit, kwantiteit of prijs van ingevoerde goederen te controleren;

Zich ervan bewust dat dergelijke programma's moeten worden uitgevoerd zonder aanleiding te geven tot onnodige vertraging of ongelijke behandeling;

Vaststellende dat deze inspectie per definitie wordt uitgevoerd op het grondgebied van exporterende Leden;

Erkennende dat een overeengekomen internationaal kader van de rechten en verplichtingen van de Leden die de regeling toepassen en van de exporterende Leden tot stand moet worden gebracht;

Erkennende dat de beginselen en verplichtingen van de GATT 1994 van toepassing zijn op die activiteiten van de met inspectie voor verzending belaste instanties waartoe opdracht is gegeven door de regeringen die Lid zijn van de WTO;

Erkennende dat het wenselijk is te zorgen voor een doorzichtige werking van de met inspectie vóór verzending belaste instanties en van de wetten en regelingen met betrekking tot de inspectie vóór verzending;

Geleid door de wens om te komen tot snelle, doeltreffende en rechtvaardige beslechting van geschillen tussen exporteurs en met inspectie vóór verzending belaste instanties die zich in het kader van deze overeenkomst voordoen;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Toepassingsgebied – Definities

1.

Deze Overeenkomst is van toepassing op alle inspecties vóór verzending uitgevoerd op het grondgebied van Leden, ongeacht het feit of voor dergelijke inspecties een contract wordt gesloten dan wel opdracht daartoe wordt gegeven door de regering of enige overheidsinstelling van een Lid.

2.

Onder „Lid dat de regeling toepast” wordt verstaan een Lid waarvan de regering of enige overheidsinstelling contracten sluit voor of opdracht geeft tot het gebruik van de regeling inzake inspectie vóór verzending.

3.

De inspectie vóór verzending omvat alle activiteiten die verband houden met de controle van de kwaliteit, kwantiteit, prijs, inclusief wisselkoersen en financiële voorwaarden, en/of de tariefindeling van de goederen die naar het grondgebied van het Lid dat de regeling toepast worden geëxporteerd.

4.

Onder „met inspectie vóór verzending belaste instantie” wordt verstaan elke instantie waarmee een Lid een contract heeft gesloten voor of waaraan het opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van de inspectie vóór verzending1)Deze bepaling verplicht de Leden er niet toe om overheidsinstanties van andere Leden toestemming te verlenen om op hun grondgebied inspecties voor verzending te verrichten..

Artikel 2. Verplichtingen van de Leden die de regeling toepassen

1.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de inspecties vóór verzending op niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd en dat de procedures en criteria voor het uitvoeren van die inspecties objectief zijn en gelijkelijk op alle door dergelijke inspecties getroffen exporteurs worden toegepast. Zij zien erop toe dat de door alle inspecteurs van de met inspectie vóór verzending belaste instanties, waarmee zij een contract hebben gesloten of waaraan zij een opdracht hebben gegeven, uitgevoerde inspecties uniform zijn.

2.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat tijdens de inspecties vóór verzending die verband houden met hun wetten, regelingen en voorschriften de bepalingen van artikel III, lid 4, van de GATT 1994 worden nagekomen voor zoverre zij ter zake dienend zijn.

3.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de inspecties voor verzending, met inbegrip van de afgifte van een verslag van akkoordbevinding of een nota van niet-afgifte, worden uitgevoerd binnen het douanegebied van waaruit de goederen worden geëxporteerd, of, indien de inspectie vanwege de complexe aard van de betrokken produkten niet binnen dat douanegebied kan worden uitgevoerd of indien beide partijen daarin toestemmen, binnen het douanegebied waarin de goederen worden vervaardigd.

4.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de kwantiteit- en kwaliteitscontroles worden uitgevoerd in overeenstemming met de door de verkoper en koper in de koopovereenkomst vastgelegde normen en dat, bij gebrek aan dergelijke normen, de terzake geldende internationale normen1)Een internationale norm is een norm die is vastgesteld door een gouvernementele of niet-gouvernementele organisatie waarvan het lidmaatschap openstaat voor alle Leden en waarvan één van de erkende activiteiten betrekking heeft op de normalisatie. worden toegepast.

5.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de inspectie vóór verzending op transparante wijze wordt uitgevoerd.

6.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat, wanneer de exporteurs voor de eerste keer met hen contact opnemen, de met inspectie vóór verzending belaste instanties de exporteurs een lijst ter beschikking stellen met alle inlichtingen die zij nodig hebben om aan de voorwaarden van de inspectie te voldoen. De met inspectie vóór verzending belaste instanties verstrekken de eigenlijke inlichtingen wanneer zij door de exporteurs daarom worden verzocht. Deze inlichtingen omvatten een verwijzing naar de wetten en regelingen van de Leden die de regeling toepassen welke betrekking hebben op de inspectie vóór verzending en bevatten ook de procedures en criteria die worden gebruikt voor de inspectie en voor het controleren van de prijzen en wisselkoersen, de rechten van de exporteurs ten opzichte van de inspectie-instanties alsook de in lid 21 ingestelde procedure van beroep. Op een verzending worden geen bijkomende procedurevoorwaarden of wijzigingen in bestaande procedures toegepast tenzij de betrokken exporteur van die wijzigingen in kennis wordt gesteld op het ogenblik dat datum van de inspectie wordt vastgelegd. In noodsituaties als bedoeld in artikelen XX en XXI van de GATT 1994, mogen dergelijke aanvullende voorwaarden of wijzigingen evenwel vóórdat de exporteur daarvan in kennis is gesteld op een verzending worden toegepast. Deze bijstand ontheft de exporteurs evenwel niet van hun verplichtingen met betrekking tot de naleving van de invoervoorschriften van de Leden die de regeling toepassen.

7.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de in punt 6 bedoelde inlichtingen op passende wijze ter beschikking van de exporteurs worden gesteld en dat de bureau's van de met de inspectie vóór verzending belaste instanties fungeren als informatiecentra waar deze inlichtingen beschikbaar zijn.

8.

De Leden die de regeling toepassen maken alle van toepassing zijnde wetten en regelingen inzake inspectie vóór verzending onverwijld bekend zodat de andere regeringen en handelaren daarvan kennis kunnen nemen.

9.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de met inspectie vóór verzending belaste instanties alle tijdens die inspectie ontvangen gegevens als vertrouwelijke bedrijfsinformatie behandelen voor zover die informatie niet reeds is gepubliceerd, niet algemeen toegankelijk is voor derden dan wel tot het openbaar domein behoort. De Leden die de regeling toepassen zien erop toe dat de met inspectie vóór verzending belaste instanties daartoe procedures in acht nemen.

10.

De Leden die de regeling toepassen verstrekken de Leden die daarom verzoeken inlichtingen over de maatregelen die zij nemen om uitvoering te geven aan lid 9. De bepalingen van dit lid verplichten een Lid niet tot bekendmaking van vertrouwelijke gegevens waardoor de effectiviteit van de inspectieprogramma's in gevaar zou worden gebracht, dan wel de wettige handelsbelangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen zouden worden geschaad.

11.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de met inspectie vóór verzending belaste instanties geen vertrouwelijke bedrijfsinformatie onthullen aan derden, met dien verstande dat die instanties deze inlichtingen mogen delen met de overheidsinstellingen waarmee zij een contract hebben gesloten of waarvan zij een opdracht hebben ontvangen. De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de vertrouwelijke bedrijfsinformatie die zij ontvangen van de met inspectie vóór verzending belaste instanties waarmee zij een contract hebben gesloten of waaraan zij de opdracht hebben toevertrouwd adequaat wordt beschermd. De met inspectie vóór verzending belaste instanties delen de vertrouwelijke bedrijfsinformatie met de regeringen waarmee zij een contract hebben gesloten of waarvan zij hun opdracht hebben ontvangen slechts voor zover dergelijke informatie gewoonlijk is vereist voor kredietbrieven of andere vormen van betaling of voor douanedoeleinden, de toekenning van invoervergunningen of deviezencontroles.

12.

De Leden die de regeling toepassen zien erop toe dat de met inspectie vóór verzending belaste instanties van de exporteurs niet eisen dat zij inlichtingen verstrekken over:

  • a. gegevens met betrekking tot fabricageprocessen waarvoor patenten of licenties bestaan of die geheim zijn of processen waarvoor een patent is aangevraagd;
  • b. niet bekendgemaakte technische gegevens, andere dan de gegevens die nodig zijn om de conformiteit met technische voorschriften of normen aan te tonen;
  • c. de interne prijsstelling, met inbegrip van de fabricagekosten;
  • d. winstmarges;
  • e. de voorwaarden van overeenkomsten tussen exporteurs en hun leveranciers tenzij het voor de instantie anders niet mogelijk is om de inspectie uit te voeren. In dergelijke gevallen vraagt de met de inspectie belaste instantie slechts de inlichtingen die zij daartoe nodig heeft.
13.

De in lid 12 bedoelde inlichtingen, die de met inspectie voor verzending belaste instanties overigens niet mogen vragen, mogen door de exporteur uit eigen beweging worden bekendgemaakt om een specifiek geval te verduidelijken.

14.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de met inspectie vóór verzending belaste instanties, rekening houdend met de bepalingen inzake de bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van leden 9 tot en met 13, procedures in acht nemen om belangentegenstellingen te vermijden:

  • a. tussen de met inspectie vóór verzending belaste instanties en alle, daarmee verband houdende instanties, met inbegrip van alle instanties waarin laatstgenoemde een financieel of commercieel belang hebben of alle instanties die een financieel belang hebben in de met inspectie vóór verzending belaste instanties, en waarvan de verzendingen door de met inspectie vóór verzending belaste instanties moeten worden gecontroleerd.
  • b. tussen de met inspectie vóór verzending belaste instanties en alle andere instanties, met inbegrip van andere instanties die aan inspectie vóór verzending zijn onderworpen, met uitzondering van de overheidsinstanties die een contract sluiten voor of opdracht geven tot het uitvoeren van de inspecties;
  • c. met diensten van de met inspectie vóór verzending belaste instanties die betrokken zijn bij andere activiteiten dan die welke nodig zijn voor het uitvoeren van de inspectie.
15.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de met inspectie vóór verzending belaste instanties onredelijke vertraging bij de inspectie van de verzendingen vermijden. Zij zorgen ervoor dat de met de inspectie vóór verzending belaste instantie, zodra zij met een exporteur een datum voor de inspectie is overeengekomen, de inspectie op die datum uitvoert tenzij de exporteur en de instantie een andere datum overeenkomen of indien de met de inspectie vóór verzending belaste instantie door de exporteur of ten gevolge van force majeure1)Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „force majeure” verstaan „de onweerstaanbare dwang, onvoorzienbare gebeurtenissen die ontheffen van de verplichting tot uitvoering van de overeenkomst. daarvan wordt weerhouden.

16.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat, na ontvangst van de definitieve documenten en de uitvoering van de inspectie, de met inspectie vóór verzending belaste instanties binnen de vijf werkdagen een verslag van akkoordbevinding afgeven dan wel een uitvoerige schriftelijke verklaring overleggen met de redenen voor het niet afgeven van een dergelijk verslag. Zij zorgen ervoor dat de met inspectie vóór verzending belaste instanties in laatstgenoemd geval de exporteurs in de gelegenheid stellen hun standpunt schriftelijk toe te lichten en, indien de exporteurs daarom verzoeken, treffen zij schikkingen opdat zo snel mogelijk op een voor beide partijen geschikte datum een nieuwe inspectie kan worden uitgevoerd.

17.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat, telkens wanneer zij door de exporteurs daarom worden verzocht, de met inspectie vóór verzending belaste instanties vóór de datum van de fysieke inspectie, een voorafgaande prijscontrole en, in voorkomend geval, een wisselkoerscontrole uitvoeren op basis van het contract tussen de exporteur en de importeur, de pro-forma faktuur, en in voorkomend geval, de aanvraag voor een invoervergunning. Zij zorgen ervoor dat de door een met inspectie vóór verzending belaste instantie op basis van een dergelijke voorafgaande controle aanvaarde prijs of wisselkoers niet wordt ingetrokken indien de goederen conform de invoerdocumenten en/of invoervergunning zijn. Zij zien erop toe dat, nadat de voorafgaande controle heeft plaatsgevonden, de met inspectie vóór verzending belaste instanties de exporteurs onmiddellijk schriftelijk in kennis stellen van hun instemming met de prijs en/of wisselkoers of uitvoerig de redenen toelichten waarom zij die afwijzen.

18.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat, om vertraging bij de betaling te voorkomen, de met inspectie vóór verzending belaste instanties de exporteurs of de door hen aangewezen vertegenwoordigers zo snel mogelijk een verslag van akkoordbevinding toezenden.

19.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de met inspectie voor verzending belaste instanties, ingeval van een schrijf- of tikfout in het verslag van akkoordbevinding, de fout corrigeren en de gecorrigeerde inlichtingen zo snel mogelijk aan de betrokken partijen doen toekomen.

20.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat om over- en onderfacturering en fraude te voorkomen, de met inspectie vóór verzending belaste instanties bij de prijscontrole1)De verplichtingen van de Leden die de regeling toepassen met betrekking tot de diensten van de met inspectie vóór verzending belaste instanties in verband met de douanewaarde zijn die welke zij hebben aanvaard in het kader van de GATT 1994 en de andere multilaterale handelsovereenkomsten die in bijlage 1A van de WTO-Overeenkomst zijn opgenomen. de volgende richtsnoeren in acht nemen:

  • a. de met inspectie vóór verzending belaste instanties wijzen een tussen een exporteur en een importeur contractueel overeengekomen prijs alleen af indien zij kunnen aantonen dat hun bevinding dat de prijs onbevredigend is steunt op een controleproces dat in overeenstemming is met de in punten b. tot en met e. vermelde criteria;
  • b. de met inspectie vóór verzending belaste instantie baseert haar prijsvergelijking voor het controleren van de exportprijs op de prijs (prijzen) van identieke of soortgelijke goederen die voor export uit hetzelfde land van uitvoer worden aangeboden op of omstreeks hetzelfde ogenblik, onder concurrentiële en vergelijkbare verkoopvoorwaarden, in overeenstemming met de gebruikelijke handelspraktijken en vrij van elke normaal toepasselijke korting. Deze vergelijking moet zijn gebaseerd op het volgende:
  • i. er mag alleen gebruik worden gemaakt van prijzen die een geldige vergelijkingsbasis bieden, rekening houdend met de relevante economische factoren die eigen zijn aan het land van invoer en aan het (de) voor de prijsvergelijking gebruikte land (en);
  • ii. de met inspectie vóór verzending belaste instantie steunt niet op de prijs van goederen die voor export naar verschillende landen van invoer worden aangeboden om arbitrair de laagste prijs voor de verzending op te leggen;
  • iii. de met inspectie vóór verzending belaste instantie houdt rekening met de specifieke elementen vermeld in punt c.;
  • iv. de met inspectie vóór verzending belaste instantie stelt de exporteur in alle fasen van bovengenoemd proces in de gelegenheid om de prijs te verantwoorden;
  • c. bij de prijscontrole houden de met inspectie vóór verzending belaste instanties terdege rekening met de voorwaarden van de verkoopovereenkomst en met de over het algemeen toepasselijke aanpassingsfactoren die betrekking hebben op de transactie; deze factoren omvatten ondermeer het commerciële niveau en de omvang van de verkoop, de leveringstermijnen en -voorwaarden, doorberekeningsclausules, kwaliteitsvoorschriften, speciale vormgevingskenmerken, speciale voorschriften met betrekking tot het transport of de verpakking, de omvang van de bestelling, locoverkopen, seizoeninvloeden, vergoedingen voor licenties of andere intellectuele eigendomsrechten en diensten die worden gepresteerd in het kader van het contract indien zij gewoonlijk niet afzonderlijk worden gefaktureerd. Zij omvatten ook bepaalde elementen met betrekking tot de door de exporteur vastgestelde prijs zoals de contractuele relatie tussen de exporteur en de importeur;
  • d. de controle van de vervoerkosten heeft uitsluitend betrekking op de overeengekomen prijs van de wijze van vervoer in het land van export als aangegeven in het verkoopcontract;
  • e. de volgende elementen mogen niet worden gebruikt voor de prijscontrole:
  • i. de verkoopprijs in het land van invoer van in dat land geproduceerde goederen;
  • ii. de prijs van voor export bestemde goederen van herkomst uit een ander land dan dat van export;
  • iii. de produktiekosten;
  • iv. arbitraire of fictieve prijzen of waarden.
21.

De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de met inspectie vóór verzending belaste instanties procedures vaststellen voor het ontvangen en onderzoeken van klachten van exporteurs en het nemen van besluiten daaromtrent en dat de inlichtingen in verband met dergelijke procedures in overeenstemming met de bepalingen van leden 6 en 7 ter beschikking van de exporteurs worden gesteld. De Leden die de regeling toepassen zorgen ervoor dat de procedures worden ontwikkeld en toegepast in overeenstemming met de volgende richtlijnen:

  • a. de met inspectie vóór verzending belaste instanties wijzen één of meer ambtenaren aan die tijdens de normale kantooruren in elke stad of haven waarin zij een administratief bureau voor inspectie vóór verzending hebben aanwezig zijn om klachten van exporteurs te ontvangen en te onderzoeken en besluiten daaromtrent te nemen;
  • b. de exporteurs verstrekken de aangewezen ambtenaar (ambtenaren) schriftelijk de feiten met betrekking tot de transactie in kwestie, de aard van de klacht en een voorstel voor een oplossing;
  • c. de aangewezen ambtenaar (ambtenaren) neemt (nemen) de klachten van de exporteurs welwillend in beraad en neemt (nemen) zo snel mogelijk na ontvangst van de in punt b. bedoelde documenten een besluit.
22.

In afwijking van de bepalingen van artikel 2, bepalen de Leden die de regeling toepassen dat, met uitzondering van gedeeltelijke zendingen, verzendingen waarvan de waarde kleiner is dan de door het Lid dat de regeling toepast voor dergelijke verzendingen vastgestelde minimumwaarde, niet worden geïnspecteerd tenzij in uitzonderlijke omstandigheden. Deze minimumwaarde is één van de inlichtingen die uit hoofde van de bepalingen van lid 6 aan de exporteurs worden verstrekt.

Artikel 3. Verplichtingen van exporterende leden

1.

De exporterende Leden zorgen ervoor dat hun wetten en regelingen met betrekking tot inspectie vóór verzending op niet-discriminerende wijze worden toegepast.

2.

De exporterende Leden maken onverwijld alle op de inspectie vóór verzending van toepassing zijnde wetten en regelingen bekend zodat de andere regeringen en handelaren daarvan kennis kunnen nemen.

3.

De exporterende Leden verlenen de Leden die de regeling toepassen, onder in onderling overleg overeengekomen voorwaarden, technische bijstand ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst.1)Dergelijke technische bijstand mag op bilaterale, plurilaterale of multilaterale basis worden verstrekt.

Artikel 4. Procedures voor onafhankelijk onderzoek

De Leden moedigen de met inspectie vóór verzending belaste instanties en exporteurs aan hun geschillen onderling te regelen. Elke partij mag evenwel, twee werkdagen na indiening van de klacht in overeenstemming van de bepalingen van artikel 2, lid 21, een onafhankelijk onderzoek van het geschil aanvragen. De Leden nemen alle redelijke binnen hun bereik liggende maatregelen om ervoor te zorgen dat daartoe de volgende procedures worden ingesteld en in stand gehouden:

  • a. deze procedures worden uitgevoerd door een onafhankelijke instantie die voor de toepassing van deze Overeenkomst gezamenlijk wordt gevormd door een organisatie die de met inspectie vóór verzending belaste instanties vertegenwoordigt en een organisatie die de exporteurs vertegenwoordigt;
  • b. de sub a. bedoelde onafhankelijke instantie stelt een lijst van deskundigen op, bestaande uit: De geografische spreiding van de op de lijst voorkomende deskundigen is zo dat alle in het kader van deze procedures opgeworpen geschillen snel kunnen worden behandeld. Deze lijst wordt opgesteld binnen de twee maanden na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst en wordt jaarlijks bijgewerkt. De lijst moet voor iedereen toegankelijk zijn. Hij wordt ter kennis gebracht van het Secretariaat en wordt aan alle Leden toegezonden;
  • i. een deel met leden aangewezen door de organisatie die de met inspectie vóór verzending belaste instanties vertegenwoordigt;
  • ii. een deel met leden aangewezen door een organisatie die de exporteurs vertegenwoordigt;
  • iii. een deel met onafhankelijke handelsdeskundigen aangewezen door de sub a. bedoelde onafhankelijke instantie.
  • c. een exporteur of een met inspectie vóór verzending belaste instantie die een geschil wenst op te werpen neemt contact op met de sub a. bedoelde onafhankelijke instantie en dient een verzoek in tot vorming van een speciale groep. De onafhankelijke instantie is verantwoordelijk voor de instelling van een speciale groep. Deze bestaat uit drie leden. De leden van de speciale groep worden zo gekozen dat onnodige kosten en vertragingen worden vermeden. Het eerste lid wordt door de met inspectie voor verzending belaste instantie gekozen uit deel i. van bovengenoemde lijst, op voorwaarde dat dit lid geen banden heeft met die instantie. Het tweede lid wordt door de betrokken exporteur gekozen uit deel ii. van bovengenoemde lijst, op voorwaarde dat dit lid geen banden heeft met die exporteur. Het derde lid wordt door de sub a. bedoelde onafhankelijke instantie gekozen uit deel iii. van bovengenoemde lijst. Er wordt geen verzet aangetekend tegen een uit deel iii. van bovengenoemde lijst gekozen onafhankelijk handelsdeskundige;
  • d. de uit deel iii. van bovengenoemde lijst gekozen onafhankelijke handelsdeskundige zit de speciale groep voor. De onafhankelijke handelsdeskundige neemt de nodige beslissingen om te zorgen voor een snelle beslechting van het geschil door de speciale groep. Hij beslist bijvoorbeeld of de feiten van de zaak een bijeenkomst van de leden van de speciale groep vereisen en, in voorkomend geval, waar die bijeenkomst dient plaats te vinden, rekening houdend met de plaats van de betrokken inspectie;
  • e. indien de partijen bij het geschil daarmee instemmen kan de sub a. bedoelde onafhankelijke instantie één onafhankelijke handelsdeskundige kiezen uit deel iii. van bovengenoemde lijst om het geschil in kwestie te onderzoeken. Deze deskundige neemt de beslissingen die nodig zijn voor een snelle beslechting van het geschil, bijvoorbeeld met inachtneming van de plaats van de bedoelde inspectie;
  • f. dit onderzoek heeft tot doel na te gaan of de partijen bij het geschil tijdens de betwiste inspectie de bepalingen van deze Overeenkomst zijn nagekomen. De procedures dienen vlot te verlopen en beide partijen de gelegenheid te bieden om hun standpunt persoonlijk of schriftelijk toe te lichten;
  • g. de beslissingen van de uit drie leden bestaande speciale groep worden bij meerderheid van stemmen genomen. De beslissing over het geschil wordt genomen binnen de acht werkdagen na de vraag om een onafhankelijk onderzoek en wordt aan de partijen bij het geschil medegedeeld. Deze termijn kan met de instemming van de partijen bij het geschil worden verlengd. De speciale groep of de onafhankelijke handelsdeskundige verdelen de kosten op grond van de merites van de zaak;
  • h. de beslissing van de speciale groep is bindend voor de met inspectie vóór verzending belaste instantie en de exporteur die partij zijn bij het geschil.

Artikel 5. Kennisgeving

De Leden leggen aan het Secretariaat kopieën over van de wetten en regelingen waarmee zij deze Overeenkomst in werking doen treden evenals kopieën van alle andere wetten en regelingen met betrekking tot de inspectie voor verzending wanneer de WTO-Overeenkomst voor het betrokken Lid in werking treedt. Er worden geen wijzigingen in de wetten en regelingen met betrekking tot inspectie vóór verzending ten uitvoer gelegd voordat zij officieel zijn bekendgemaakt. Zij worden onmiddellijk na hun bekendmaking ter kennis gebracht van het Secretariaat. Het Secretariaat deelt de Leden mee dat deze inlichtingen beschikbaar zijn.

Artikel 6. Onderzoek

Na het verstrijken van het tweede jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst en vervolgens om de drie jaar stelt de Ministeriële Conferentie een onderzoek in naar de bepalingen, de tenuitvoerlegging en de toepassing van deze Overeenkomst, zulks met inachtneming van de doelstellingen ervan en de bij de tenuitvoerlegging opgedane ervaring. De Ministeriële Conferentie kan op grond van dit onderzoek de bepalingen van de Overeenkomst wijzigen.

Artikel 7. Overleg

De Leden plegen op verzoek overleg met andere Leden over alle vraagstukken in verband met de toepassing van deze Overeenkomst. In dergelijke gevallen zijn de bepalingen van artikel XXII van de GATT 1994, als uitgewerkt en toegepast in het kader van het Memorandum van Overeenstemming inzake de beslechting van geschillen, van toepassing op deze Overeenkomst.

Artikel 8. Beslechting van geschillen

Alle geschillen tussen Leden met betrekking tot de toepassing van deze Overeenkomst zijn onderworpen aan de bepalingen van artikel XXIII van de GATT 1994, als uitgewerkt en toegepast in het kader van het Memorandum van Overeenstemming inzake de beslechting van geschillen.

Artikel 9. Slotbepalingen

1.

De Leden nemen de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst.

2.

De Leden zien erop toe dat hun wetten en regelingen niet strijdig zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst.

De Leden,

Ervan nota nemend dat de Ministers op 20 september 1986 zijn overeengekomen dat „de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde gericht zijn op een verdere liberalisering en uitbreiding van de wereldhandel, een versterking van de rol van de GATT en een verbetering van het vermogen van het GATT-stelsel zich aan de ontwikkelingen van het internationale economische klimaat aan te passen;

Geleid door de wens de doelstellingen van de GATT 1994 na te streven;

Erkennend dat duidelijke en voorspelbare oorsprongsregels en de toepassing van deze regels het internationale handelsverkeer vergemakkelijken;

Geleid door de wens ervoor te zorgen dat de oorsprongsregels zelf het handelsverkeer niet onnodig belemmeren;

Geleid door de wens ervoor te zorgen dat de oorsprongsregels de rechten van de Leden op grond van de GATT 1994 teniet doen of aantasten;

Erkennend dat het wenselijk is te zorgen voor doorzichtige wetten, verordeningen en praktijken op het gebied van de oorsprongsregels;

Verlangend ervoor te zorgen dat de oorsprongsregels worden opgesteld en toegepast op een onpartijdige, transparante, voorspelbare, consequente en neutrale wijze;

Erkennend dat bij deze overeenkomst een overlegmechanisme en procedures voor een spoedige, effectieve en billijke regeling van geschillen zijn ingesteld;

Verlangende de oorsprongsregels te harmoniseren en te verduidelijken;

Zijn als volgt overeengekomen:

DEEL I. DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1. Oorsprongsregels

1.

Voor de toepassing van de Delen I tot en met IV van deze overeenkomst zijn oorsprongsregels de wetten, verordeningen en bestuursrechtelijke besluiten van algemene gelding die de Leden toepassen om het land van oorsprong van goederen vast te stellen, voor zover deze oorsprongsregels geen betrekking hebben op contractuele of autonome handelsregelingen die tot de toekenning van tariefpreferenties leiden die verder gaan dan de toepassing van artikel I, lid 1, van de GATT 1994.

2.

De in lid 1 bedoelde oorsprongsregels omvatten alle oorsprongsregels die in het kader van niet-preferentiële handelsbeleidsinstrumenten worden aangewend, zoals bij de toepassing van de meestbegunstigingsclausule op grond van de artikelen I, II, III, XI en XIII van de GATT 1994, van anti-dumpingrechten en compenserende rechten op grond van artikel VI van de GATT 1994, van vrijwaringsmaatregelen op grond van artikel XIX van de GATT 1994; van de voorschriften inzake oorsprongsaanduidingen op grond van artikel IX van de GATT 1994; en van discriminerende kwantitatieve beperkingen of tariefcontingenten. Zij omvatten tevens de oorsprongsregels die voor overheidsopdrachten en handelsstatistieken worden gebruikt.1)Deze bepaling laat de bepalingen ten aanzien van de definitie van „binnenlandse bedrijfstak”, „soortgelijke produkten van de binnenlandse bedrijfstak” of soortgelijke termen onverlet, waar ze ook worden toegepast.

DEEL II. DISCIPLINES BIJ DE TOEPASSING VAN DE OORSPRONGSREGELS

Artikel 2. Disciplines in de overgangsperiode

Zolang het in Deel IV omschreven werkprogramma voor de harmonisering van de oorsprongsregels niet is voltooid, zien de Leden erop toe dat:

  • a. wanneer zij bestuursrechtelijke bepalingen van algemene gelding vaststellen, duidelijk is omschreven aan welke voorwaarden moet worden voldaan. Met name:
  • i. bij toepassing van het criterium van verandering van tariefindeling, moet in de oorsprongsregel en de eventuele uitzonderingen op die regel duidelijk worden aangegeven om welke posten of postonderverdelingen van de tariefnomenclatuur het gaat;
  • ii. bij toepassing van het criterium van het ad-valorempercentage, moet de wijze waarop dit percentage wordt berekend ook in de oorsprongsregels worden aangegeven;
  • iii. bij toepassing van het criterium van het fabricage- of bewerkingsproces, moet nauwkeurig worden aangegeven door welk proces de betrokken goederen het karakter van produkt van oorsprong verkrijgen;
  • b. ongeacht de handelsbeleidsmaatregel of het handelsbeleidsinstrument waarmee ze verband houden, hun oorsprongsregels niet rechtstreeks of onrechtstreeks gebruikt worden als instrumenten om handelsdoeleinden te bereiken;
  • c. de oorsprongsregels zelf de internationale handel niet beperken, vervalsen of verstoren. Voor de bepaling van het land van oorsprong stellen zij geen onnodig strenge eisen en evenmin voorwaarden die geen verband houden met de vervaardiging of bewerking. Kosten die geen rechtstreeks verband houden met de vervaardiging of bewerking mogen evenwel in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het criterium van het ad-valorem-percentage als onder a. bepaald;
  • d. de oorsprongsregels die zij op import- en exportgoederen toepassen niet strenger zijn dan de oorsprongsregels die zij toepassen om te bepalen of goederen binnenlandse goederen zijn en dat zij niet tussen andere Leden discrimineren, ongeacht de banden van de producenten van de betrokken goederen1)Wat de oorsprongsregels betreft die op overheidsopdrachten van toepassing zijn, worden bij deze bepaling geen verplichtingen ingesteld die niet reeds op grond van de GATT 1994 op de Leden rusten. met andere bedrijven;
  • e. hun oorsprongsregels op een consequente, eenvormige, onpartijdige en redelijke wijze worden toegepast;
  • f. hun oorsprongsregels op positieve criteria zijn gebaseerd. Oorsprongsregels die aangeven wat geen oorsprong verleent (negatieve criteria) zijn toegestaan als onderdeel van een uitleg over een positief criterium of in bijzondere gevallen waarin een positieve bepaling van de oorsprong niet nodig is;
  • g. hun wetten, verordeningen, rechterlijke besluiten en bestuursrechtelijke voorschriften van algemene gelding over oorsprongsregels gepubliceerd worden alsof lid 1 van artikel X van de GATT 1994 daarop van toepassing was en zij daarmee in overeenstemming waren;
  • h. wanneer een exporteur, importeur of een persoon met een rechtmatig belang hierom verzoekt, zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen 150 dagen2)Wat verzoeken betreft die binnen het jaar na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst worden gedaan, zijn de leden slechts gehouden de verklaringen zo spoedig mogelijk af te geven. na dit verzoek, verklaringen worden afgegeven over de oorsprong die zij goederen zouden toekennen, mits alle noodzakelijke gegevens zijn verstrekt. Verzoeken om dergelijke verklaringen worden aanvaard voordat de handel in de betrokken goederen begint en kunnen steeds later worden aanvaard. De verklaringen blijven drie jaar geldig, op voorwaarde dat de feiten en voorwaarden, met inbegrip van de oorsprongsregels waarop zij zijn gebaseerd, vergelijkbaar blijven. Mits de betrokkenen hiervan van tevoren in kennis worden gesteld, zijn de verklaringen niet meer geldig wanneer naar aanleiding van een onder j. bedoeld beroep een besluit wordt genomen dat met de verklaring strijdig is. De verklaringen worden bekend gemaakt onder voorbehoud van het bepaalde onder k.;
  • i. bij de invoering van wijzigingen in hun oorsprongsregels of van nieuwe oorsprongsregels, deze wijzigingen niet met terugwerkende kracht worden toegepast zoals bepaald in en onverminderd hun wetten of verordeningen;
  • j. tegen bestuursrechtelijke maatregelen die zij nemen op het gebied van de vaststelling van de oorsprong terstond beroep kan worden ingesteld of een procedure aangespannen bij een rechterlijke instantie, een arbitragetribunaal of administratieve instantie, onafhankelijk van de autoriteit die de vaststelling heeft gedaan, hetgeen tot wijziging of nietigverklaring van de vaststelling kan leiden;
  • k. alle informatie van vertrouwelijke aard of die met het oog op de toepassing van de oorsprongsregels op vertrouwelijke basis wordt verstrekt, als strikt vertrouwelijk wordt behandeld door de betrokken autoriteiten, die deze niet bekend zullen maken zonder de uitdrukkelijke toestemming van de persoon of de regering die deze informatie heeft verstrekt, tenzij mededeling ervan noodzakelijk is in het kader van een gerechtelijke procedure.

Artikel 3. Disciplines na de overgangsperiode

Gezien het doel dat alle Leden wensen te bereiken, namelijk de harmonisering van de oorsprongsregels door middel van het in deel IV omschreven harmoniseringswerkprogramma, zien zij er bij de uitvoering van de resultaten van dit programma erop toe dat:

  • a. zij de oorsprongsregels voor alle in artikel 1 omschreven doeleinden op gelijke wijze toepassen;
  • b. volgens hun oorsprongsregels de oorsprong van bepaalde produkten het land is waar de goederen geheel en al werden verkregen dan wel, wanneer meer dan een land bij de produktie van de goederen is betrokken, het land waar de laatste ingrijpende be- of verwerking werd verricht;
  • c. de oorsprongsregels die zij op import- en exportgoederen toepassen niet strenger zijn dan de oorsprongsregels die zij toepassen om te bepalen of goederen binnenlandse goederen zijn en dat zij niet tussen andere Leden discrimineren, ongeacht de banden van de producenten van de betrokken goederen met andere bedrijven;
  • d. de oorsprongsregels op een consequente, eenvormige, onpartijdige en redelijke wijze worden toegepast;
  • e. hun wetten, verordeningen, rechterlijke besluiten en bestuursrechtelijke voorschriften van algemene gelding over oorsprongsregels gepubliceerd worden alsof lid 1 van artikel X van de GATT 1994 daarop van toepassing was en zij daarmee in overeenstemming waren;
  • f. wanneer een exporteur, importeur of een persoon met een rechtmatig belang hierom verzoekt, zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 150 dagen na dit verzoek, verklaringen worden afgegeven over de oorsprong die zij goederen zouden toekennen, mits alle noodzakelijke gegevens zijn verstrekt. Verzoeken om dergelijke verklaringen worden aanvaard voordat de handel in de betrokken goederen begint en kunnen steeds later worden aanvaard. De verklaringen blijven drie jaar geldig, mits de feiten en voorwaarden, met inbegrip van de oorsprongsregels waarop zij zijn gebaseerd, vergelijkbaar blijven. Mits de betrokkenen hiervan van tevoren in kennis worden gesteld, zijn de verklaringen niet meer geldig wanneer naar aanleiding van een onder h. bedoeld beroep een besluit wordt genomen dat met de verklaring strijdig is. De verklaringen worden bekend gemaakt onder voorbehoud van het bepaalde onder i.;
  • g. wanneer zij hun oorsprongsregels wijzigen of nieuwe oorsprongsregels invoeren, dit niet met terugwerkende kracht worden geschiedt zoals bepaald in en onverminderd hun wetten of verordeningen;
  • h. tegen bestuursrechtelijke maatregelen die zij nemen op het gebied van de vaststelling van de oorsprong onmiddellijk een beroep kan worden ingesteld of een procedure aangespannen bij een rechterlijke instantie, een arbitragetribunaal of administratieve instantie, onafhankelijk van de autoriteit die de vaststelling heeft gedaan, hetgeen tot de wijziging of de nietigverklaring van de vaststelling kan leiden;
  • i. alle informatie van vertrouwelijke aard of die met het oog op de toepassing van de oorsprongsregels op vertrouwelijke basis wordt verstrekt, als strikt vertrouwelijk wordt behandeld door de betrokken autoriteiten, die deze niet bekend zullen maken zonder de uitdrukkelijke toestemming van de persoon of de regering die deze informatie heeft verstrekt, tenzij mededeling ervan noodzakelijk is in het kader van een gerechtelijke procedure.

DEEL III. PROCEDURES VOOR KENNISGEVING, ONDERZOEK, OVERLEG EN DE BESLECHTING VAN GESCHILLEN

Artikel 4. Instellingen

1.

Hierbij wordt een Commissie „Oorsprongsregels” opgericht (in deze overeenkomst „Commissie” genoemd) die bestaat uit vertegenwoordigers van alle Leden. De Commissie kiest haar voorzitter en komt bijeen wanneer dit nodig is, doch ten minste éénmaal per jaar, ten einde de Leden de gelegenheid te geven met elkaar overleg te plegen over zaken in verband met de toepassing van de Delen I, II, III en IV of de realisatie van de daarin genoemde doelstellingen en om andere taken te vervullen waarmee ze op grond van deze overeenkomst of door de Raad Goederenverkeer is belast. De Commissie vraagt de in punt b. genoemde Technische Commissie zo nodig inlichtingen en advies over aangelegenheden die met deze overeenkomst verband houden. De Commissie kan de Technische Commissie ook vragen andere werkzaamheden uit te voeren die zij voor de realisatie van de bovengenoemde doelstellingen van deze Overeenkomst nuttig acht. Het Secretariaat van de WTO neemt het secretariaat van de Commissie waar.

2.

Onder de auspiciën van de Internationale Douaneraad (IDR) wordt een Technische Commissie „Oorsprongsregels” ingesteld (in deze overeenkomst „Technische Commissie” genoemd), zoals in Bijlage I uiteengezet. De Technische Commissie voert de in Deel IV vermelde en in Bijlage I nader omschreven technische werkzaamheden uit. De Technische Commissie vraagt de Commissie zo nodig inlichtingen en advies over aangelegenheden die met deze overeenkomst verband houden. De Technische Commissie kan de Commissie ook vragen andere werkzaamheden uit te voeren die het voor de realisatie van de bovengenoemde doelstellingen van de Overeenkomst nuttig acht. Het Secretariaat van de IDR neemt het secretariaat van de Technische Commissie waar.

Artikel 5. Informatie en procedures voor de wijziging en de invoering van nieuwe oorsprongsregels

1.

Elk Lid deelt het Secretariaat, binnen 90 dagen na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, zijn oorsprongsregels, rechterlijke besluiten en bestuursrechtelijke voorschriften van algemene gelding mede betreffende de oorsprongsregels die op die datum van toepassing zijn. Heeft een Lid een oorsprongsregel bij vergissing niet medegedeeld, dan doet het dit alsnog zodra de vergissing is opgemerkt. Het Secretariaat zendt de leden lijsten toe van ontvangen informatie die bij het Secretariaat beschikbaar is.

2.

In de in artikel 2 bedoelde periode publiceren Leden die hun oorsprongsregels wijzigen, tenzij het minimale wijzigingen betreft, of die nieuwe oorsprongsregels invoeren die, in de zin van dit artikel ook de in lid 1 bedoelde oorsprongsregels omvatten die het secretariaat niet werden medegedeeld, ten minste 60 dagen vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde of nieuwe regel hierover op zulke wijze een bericht dat belanghebbenden van het voornemen tot wijziging van een oorsprongsregel of tot invoering van een nieuwe oorsprongsregel kennis kunnen nemen, tenzij een Lid met buitengewone omstandigheden wordt geconfronteerd of hiermee geconfronteerd dreigt te worden. In deze buitengewone gevallen wordt de gewijzigde of nieuwe regel zo spoedig mogelijk door het Lid gepubliceerd.

Artikel 6. Onderzoek

1.

De Commissie onderzoekt elk jaar de toepassing en werking van de delen II en III van deze overeenkomst, met inachtneming van de daarin vermelde doelstellingen. De Commissie stelt de Raad Goederenverkeer in kennis van de ontwikkelingen gedurende de onderzochte periode.

2.

De Commissie onderzoekt de bepalingen van de delen I, II en III en stelt de wijzigingen voor die als gevolg van de resultaten van het harmoniseringswerkprogramma nodig mochten blijken.

3.

De Commissie stelt in samenwerking met de Technische Commissie regelingen in om wijzigingen op de resultaten van het harmoniseringswerkprogramma te bestuderen en voor te stellen, met inachtneming van de doelstellingen en principes van artikel 9. Het kan hier met name gaan om de praktische uitvoerbaarheid van regels of de aanpassing van regels aan nieuwe produktieprocessen die het gevolg zijn van technologische ontwikkelingen.

Artikel 7. Overleg

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)