Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie
Als een Lid dat een land van invoer is een regeling voor de goedkeuring van het gebruik van voedingsmiddelenadditieven of voor de vaststelling van toleranties voor contaminanten in voedingsmiddelen, drank of diervoeder toepast in het kader waarvan de toegang tot zijn interne markt wordt verboden of beperkt voor produkten waarvoor geen goedkeuring is verleend, moet dat Lid overwegen een relevante internationale norm als basis te nemen voor het verlenen van toegang voor produkten totdat een eindbeslissing wordt genomen.
2
Als een sanitaire of fytosanitaire maatregel voorziet in controle in het produktiestadium, verleent het Lid op wiens grondgebied de produktie plaatsvindt de nodige bijstand om deze controle en het werk van de controlerende instanties te vergemakkelijken.
3
Niets in deze Overeenkomst belet dat de Leden binnen hun eigen grondgebied redelijke inspecties uitvoeren.
De Leden,
Eraan herinnerende dat de Ministers te Punta del Este zijn overeengekomen dat „de onderhandelingen over de textiel- en kledingsector erop gericht dienen te zijn de voorwaarden te formuleren waarop deze sector uiteindelijk op basis van versterkte GATT-regels en -disciplines in de GATT kan worden geïntegreerd, waardoor tevens het doel van een verdere liberalisering van de handel naderbij zal worden gebracht";
Tevens eraan herinnerende dat bij het Besluit van de Commissie Handelsbesprekingen van april 1989 was overeengekomen dat het integratieproces na afsluiting van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde moest beginnen en progressief van aard moest zijn;
Voorts eraan herinnerende dat werd overeengekomen dat de Leden die minstontwikkelde landen zijn voor een speciale behandeling in aanmerking moesten komen;
Komen als volgt overeen:
Artikel 1
Deze Overeenkomst bevat de bepalingen die de Leden tijdens de overgangsperiode voor de integratie van de textiel- en kledingsector in de GATT 1994 dienen toe te passen.
De Leden komen overeen artikel 2, lid 18 en artikel 6, lid 6, onder b) zo toe te passen dat kleine leveranciers duidelijk meer toegangsmogelijkheden en dat nieuwkomers op het gebied van de handel in textiel en kleding commercieel significante mogelijkheden kunnen verkrijgen.1)Voor zover mogelijk kan de export uit een Lid dat een minstontwikkeld land is ook voor deze bepaling in aanmerking komen.
De Leden besteden de nodige aandacht aan de situatie van de Leden die de sinds 1986 gesloten Protocollen tot verlenging van de Internationale Textiel Overeenkomst (in deze Overeenkomst „MVO” genoemd) niet hebben aanvaard en geven deze zoveel mogelijk een speciale behandeling bij de toepassing van het bepaalde in deze Overeenkomst.
De Leden komen overeen, bij de toepassing van het bepaalde in deze Overeenkomst, rekening te houden met de bijzondere belangen van de katoenproducerende, exporterende Leden, zulks in overleg met deze Leden.
Met het oog op de integratie van de textiel- en kledingsector in de GATT 1994 dienen de Leden rekening te houden met het continue, autonome proces van industriële aanpassing en de steeds sterkere concurrentie op hun markten.
Tenzij in deze Overeenkomst anders bepaald, heeft deze geen invloed op de rechten en plichten van Leden op grond van de bepalingen van de WTO-Overeenkomst en de multilaterale handelsovereenkomsten.
In de bijlage is de lijst opgenomen van de textiel- en kledingprodukten waarop deze Overeenkomst van toepassing is.
Artikel 2
De gegevens over alle kwantitatieve beperkingen krachtens bilaterale overeenkomsten die op grond van artikel 4 worden toegepast of die op grond van artikel 7 of 8 van de MVO zijn medegedeeld en die van kracht zijn op de dag vóór de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, worden door de Leden die deze beperkingen handhaven binnen 60 dagen na deze inwerkingtreding medegedeeld aan het Orgaan Supervisie Textielprodukten (hierna „OST” genoemd) dat bij artikel 8 is ingesteld. Onder meer moeten het niveau van de beperkingen, de groeipercentages en de flexibiliteitsbepalingen worden medegedeeld. De Leden komen overeen dat alle beperkingen tussen de Partijen bij de GATT 1947 die van kracht zijn op de dag vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, onder het bepaalde in deze Overeenkomst vallen.
Het OST doet deze gegevens, ter informatie, aan alle Leden toekomen die hierover, binnen 60 dagen na toezending, bij het OST alle op- en aanmerkingen kunnen maken die zij nuttig achten. Deze op- of aanmerkingen worden, ter informatie, aan alle Leden medegedeeld. Het OST kan, indien het dit nuttig acht, de betrokken Leden aanbevelingen doen.
Wanneer de twaalfmaandelijkse toepassingsperiode van de beperkingen die op grond van lid 1 worden medegedeeld, niet samenvalt met de periode van twaalf maanden die onmiddellijk aan de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst voorafgaat, dienen de betrokken Leden, met het oog op de toepassing van dit artikel, in onderling overleg regelingen te treffen om de toepassingsperiode van de beperkingen en het toepassingsjaar van de Overeenkomst 1)Het toepassingsjaar van de Overeenkomst is de periode van twaalf maanden die op de dag van inwerkingtreding van deze overeenkomst aanvangt en vervolgens steeds twaalf maanden later. met elkaar in overeenstemming te brengen, en om de theoretische basisniveaus voor deze beperkingen vast te stellen. De betrokken Leden komen overeen op verzoek onmiddellijk overleg te plegen ten einde zulke regelingen te treffen. Hierbij dient, onder meer, rekening te worden gehouden met de seizoenstructuur van de leveranties in de laatste jaren. De resultaten van dit overleg worden het OST medegedeeld, die de betrokken Leden de aanbevelingen doet die het dienstig acht.
De op grond van lid 1 medegedeelde beperkingen worden geacht het totaal te zijn van dit soort beperkingen die door de respectieve Leden worden toegepast op de dag vóór de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst. Tenzij in deze Overeenkomst of in de GATT 1994 anders bepaald, worden er geen nieuwe beperkingen ten aanzien van produkten of Leden ingevoerd.1)De desbetreffende bepalingen van de GATT 1994 omvatten niet artikel XIX wat betreft produkten die nog niet in de GATT 1994 zijn geïntegreerd, tenzij in lid 3 van de Bijlage anders is bepaald. Beperkingen die binnen 60 dagen na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst niet zijn medegedeeld, komen onmiddellijk te vervallen.
Unilaterale maatregelen die op grond van artikel 3 van de MVO zijn genomen vóór de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst mogen van kracht blijven voor de daarin vermelde duur, die echter niet meer dan 12 maanden mag bedragen, indien deze door het bij de MVO opgerichte Orgaan voor Toezicht op Textielprodukten (in deze Overeenkomst „OTT” genoemd) zijn onderzocht. Mocht het OTT niet in de gelegenheid zijn geweest dergelijke unilaterale maatregelen te onderzoeken, dan worden deze door de OST onderzocht overeenkomstig de regels en procedures die gelden voor maatregelen die op grond van artikel 3 van de MVO zijn genomen. Maatregelen die op grond van artikel 4 van de MVO vóór de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst zijn toegepast en waarover een geschil bestaat dat het OTT niet heeft kunnen onderzoeken, worden ook door het OST onderzocht overeenkomstig de daarvoor geldende MVO-regels en -procedures.
Op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst integreert ieder Lid in de GATT 1994 de produkten die ten minste 16% uitmaakten van de totale hoeveelheid van de in de bijlage genoemde produkten (per GS-post of -categorie) die het in 1990 heeft ingevoerd. De te integreren produkten omvatten produkten uit elk van de volgende vier groepen: tops en garens, weefsels, geconfectionneerde artikelen en kledingartikelen.
Volledige gegevens over de op grond van lid 6 te nemen maatregelen, worden door de betrokken Leden als volgt medegedeeld:
- a. Leden die op grond van lid 1 beperkingen handhaven, verbinden zich ertoe, ongeacht de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, deze gegevens het Secretariaat van de GATT uiterlijk mede te delen op de datum vastgesteld bij het Ministeriële Besluit van 15 april 1994. Het Secretariaat van het GATT geeft deze gegevens, ter informatie, aan de andere deelnemers door. Deze gegevens zullen het OST, zodra het is ingesteld, beschikbaar worden gesteld voor de in lid 21 genoemde doeleinden.
- b. Leden die, op grond van artikel 6, lid 1, het recht hebben behouden van artikel 6 gebruik te maken delen deze gegevens aan het OST mede binnen de 60 dagen na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst of, wat de Leden betreft waarop artikel 1, lid 3, van toepassing is, ten laatste aan het einde van de twaalfde maand dat deze Overeenkomst van kracht is. Het OST deelt deze gegevens, ter informatie, aan de andere Leden mede en onderzoekt ze als in lid 21 is aangegeven.
De overige produkten, dat wil zeggen de produkten die niet op grond van lid 6 hierboven in de GATT 1994 zijn geïntegreerd, worden, per GS-post of -categorie, in drie fasen, als volgt, geïntegreerd:
- a. Op de eerste dag van de 37e maand dat de WTO-Overeenkomst van kracht is, de produkten die ten minste 17% uitmaakten van de totale hoeveelheid van de in de Bijlage genoemde produkten dat het Lid in 1990 heeft ingevoerd. De door de Leden te integreren produkten omvatten produkten uit elk van de volgende vier groepen: tops en garens, weefsels, geconfectionneerde artikelen en kledingartikelen.
- b. Op de eerste dag van de 85e maand dat de WTO-Overeenkomst van kracht is, de produkten die ten minste 18% uitmaakten van de totale hoeveelheid van de in de Bijlage genoemde produkten dat het Lid in 1990 heeft ingevoerd. De door de Leden te integreren produkten omvatten produkten uit elk van de volgende vier groepen: tops en garens, weefsels, geconfectionneerde artikelen en kledingartikelen.
- c. Op de eerste dag van de 121e maand dat de WTO-Overeenkomst van kracht is, is de textiel- en kledingsector geheel in de GATT 1994 geïntegreerd, daar alle beperkingen op grond van deze Overeenkomst dan zullen zijn opgeheven.
Leden die, op grond van artikel 6, lid 1, hun voornemen bekend hebben gemaakt af te zien van het recht gebruik te maken van het bepaalde in artikel 6, worden, voor de toepassing van deze Overeenkomst, beschouwd hun textiel- en kledingprodukten in de GATT 1994 te hebben geïntegreerd. Deze Leden zijn vrijgesteld van de verplichting het bepaalde in de leden 6 tot en met 8 en 11 in acht te nemen.
Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst vormt een belemmering voor een Lid dat op grond van de leden 6 of 8 een integratieprogramma heeft voorgelegd produkten eerder in de GATT 1994 te integreren dan in een dergelijk programma voorzien. Een dergelijke integratie van produkten wordt van kracht aan het begin van een toepassingsjaar van de overeenkomst, en bijzonderheden hierover worden ten minste drie maanden van tevoren aan het OST medegedeeld, dat deze aan alle Leden doorgeeft.
Bijzonderheden over de overeenkomstig lid 8 opgestelde integratieprogramma's worden ten minste 12 maanden voor hun inwerkingtreding medegedeeld aan het OST, dat deze aan alle Leden doorgeeft.
De basisniveaus van de beperkingen die op de in lid 8 bedoelde overige produkten van toepassing zijn, zijn de in lid 1 bedoelde beperkingsniveaus.
Gedurende de eerste fase van deze Overeenkomst (vanaf de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst tot en met de 36e maand dat deze van kracht is) wordt het niveau van elke beperking die op grond van bilaterale MVO-overeenkomsten van toepassing was in de periode van twaalf maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst jaarlijks verhoogd met ten minste het groeipercentage dat voor de verschillende beperkingen is vastgesteld, vermeerderd met 16%.
Tenzij de Raad voor de Handel in Goederen of het Orgaan Geschillenbeslechting op grond van artikel 8, lid 12, anders besluit, wordt het niveau van de overige beperkingen, in de daaropvolgende fasen van deze Overeenkomst elk jaar ten minste als volgt verhoogd:
- a. in de tweede fase (van de 37e tot en met de 84e maand dat de WTO-Overeenkomst van kracht is), het groeipercentage voor de verschillende beperkingen in de eerste fase, vermeerderd met 25%;
- b. in de derde fase (van de 85e tot en met de 120e maand dat de WTO-Overeenkomst van kracht is), het groeipercentage voor de verschillende beperkingen in de tweede fase, vermeerderd met 27%.
Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst vormt een belemmering voor een Lid, in de overgangsperiode en met ingang van het begin van een toepassingsjaar van de overeenkomst, beperkingen op te heffen die op grond van dit artikel zijn gehandhaafd, mits het betrokken exporterende Lid en het OST ten minste drie maanden voordat deze opheffing in werking treedt daarvan in kennis worden gesteld. De periode van voorafgaande kennisgeving kan, met de toestemming van het Lid waarop de beperking van toepassing is, tot 30 dagen worden ingekort. Het OST geeft deze kennisgevingen aan alle Leden door. Wordt de opheffing van beperkingen, overeenkomstig dit lid, overwogen, dan houdt het betrokken Lid rekening met de behandeling van soortgelijke export uit andere Leden.
Voor alle beperkingen die op grond van dit artikel van kracht zijn gelden dezelfde flexibiliteitsbepalingen inzake overboeking, overdracht en vervroegde benutting als die welke, op grond van de bilaterale MVO-overeenkomsten, gelden in de periode van twaalf maanden die aan de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst voorafgaat. Op de gecombineerde mogelijkheden van overboeking, overdracht en vervroegde benutting worden geen kwantitatieve beperkingen ingesteld of gehandhaafd.
Administratieve regelingen die met het oog op de uitvoering van enige bepaling in dit artikel noodzakelijk worden geacht, worden tussen de betrokken Leden overeengekomen en aan het OST medegedeeld.
Bij de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst en tijdens de looptijd van deze Overeenkomst krijgen Leden, op de export waarvan, op de dag vóór de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, beperkingen van toepassing zijn die 1,2% of minder uitmaken van het totale volume van de beperkingen die door een importerend Lid per 31 december 1991 werd toegepast en op grond van dit artikel medegedeeld, duidelijk betere toegangsmogelijkheden voor hun export, door de in de leden 13 en 14 bedoelde groeipercentages met één fase te vervroegen, of door in onderling overleg ten minste gelijkwaardige wijzigingen overeen te komen ten aanzien van een andere samenstelling van basisniveaus, groeipercentages en flexibiliteitsbepalingen. Deze betere toegangsmogelijkheden worden het OST medegedeeld.
Voert een Lid, tijdens de looptijd van deze Overeenkomst, op grond van artikel XIX van de GATT 1994, een vrijwaringsmaatregel in ten aanzien van een bepaald produkt tijdens het jaar dat onmiddellijk volgt op de integratie van dat produkt in de GATT 1994 overeenkomstig het bepaalde in dit artikel, dan is artikel XIX van toepassing, zoals geïnterpreteerd in de Overeenkomst inzake vrijwaring, behoudens het bepaalde in lid 20.
Wordt een dergelijke maatregel door middel van niet-tarifaire middelen toegepast, dan past het betrokken importerende Lid de maatregel toe op de in lid 2, onder d. van artikel XIII van de GATT 1994 omschreven wijze op verzoek van elk exporterend Lid, op de export waarvan van het betrokken produkt, op grond van deze Overeenkomst, op een bepaald tijdstip tijdens het onmiddellijk aan de invoering van de vrijwaringsmaatregel voorafgaande jaar beperkingen van toepassing waren. Het betrokken exporterende Lid beheert deze maatregel. Het toe te passen niveau doet de betrokken export niet dalen tot onder het niveau van een recente representatieve periode die normalerwijze het gemiddelde is van de export van het betrokken Lid in de laatste drie representatieve jaren waarover statistieken beschikbaar zijn. Wanneer de vrijwaringsmaatregel langer dan een jaar wordt toegepast, wordt het toe te passen niveau in de toepassingsperiode met regelmatige tussenpozen geleidelijk geliberaliseerd. In dergelijke gevallen maakt het betrokken exporterende Lid geen gebruik van zijn recht vrijwel equivalente concessies of andere verplichtingen te schorsen, zoals voorzien in lid 3, onder a. van artikel XIX van de GATT 1994.
Het OST ziet toe op de uitvoering van dit artikel. Op verzoek van een Lid zal het elke kwestie in verband met de toepassing van dit artikel onderzoeken. Het deelt binnen de 30 dagen de nodige aanbevelingen of constateringen aan het betrokken Lid of de betrokken Leden mede, na deze(n) tot deelname aan de werkzaamheden te hebben uitgenodigd.
Artikel 3
Binnen de 60 dagen na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, doen de Leden die beperkingen 1)Hieronder vallen alle unilaterale kwantitatieve beperkingen, bilaterale regelingen en andere maatregelen van gelijke werking. op textiel- en kledingprodukten handhaven (andere dan die welke op grond van de MVO zijn gehandhaafd en die onder het bepaalde in artikel 2 vallen), of deze nu verenigbaar zijn met de GATT 1994 of niet, het volgende: a. ze delen de bijzonderheden hierover aan het OST mede of, b. ze delen het OST mede welke kennisgevingen hierover aan een ander WTO-orgaan zijn gedaan. Indien van toepassing bevatten deze kennisgevingen informatie over de motivering van deze beperkingen in verband met de GATT 1994, met inbegrip van de bepalingen van de GATT 1994 waarop ze zijn gebaseerd.
Leden die op grond van lid 1 beperkingen handhaven, behalve die welke op een bepaling van de GATT 1994 zijn gebaseerd,
- a. brengen deze binnen een jaar na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst in overeenstemming met de GATT 1994, en delen dit aan het OST ter informatie mede; of
- b. schaffen deze geleidelijk af overeenkomstig een programma dat door het Lid dat de beperking handhaaft binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst aan het OST wordt voorgelegd. Volgens dit programma worden alle beperkingen geleidelijk afgeschaft over een periode die de duur van deze Overeenkomst niet overschrijdt. Het OST kan het betrokken Lid aanbevelingen doen over dit programma.
Tijdens de looptijd van deze Overeenkomst doen de Leden het OST, ter informatie, alle kennisgevingen toekomen die zij andere WTO-organen hebben gedaan over nieuwe beperkingen of wijzigingen in de bestaande beperkingen ten aanzien van textiel- en kledingprodukten op grond van een bepaling van de GATT 1994, en dit binnen de 60 dagen na hun inwerkingtreding.
Elk lid heeft het recht, ter informatie, tegengestelde kennisgevingen aan het OST te doen over de motivering van beperkingen op grond van de GATT 1994 of over beperkingen die niet zouden zijn medegedeeld op grond van dit artikel. Elk Lid kan bij het bevoegde WTO-orgaan een actie instellen ten aanzien van deze kennisgevingen, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen of procedures van de GATT 1994.
Het OST geeft de op grond van dit artikel gedane kennisgevingen ter informatie door aan alle leden.
Artikel 4
De in artikel 2 bedoelde beperkingen en de beperkingen die op grond van artikel 6 worden toegepast, worden door de exporterende Leden beheerd. De importerende Leden zijn niet verplicht leveringen te aanvaarden die de beperkingen overschrijden waarvan op grond van artikel 2 mededeling is gedaan of die op grond van artikel 6 worden toegepast.
De Leden komen overeen dat de uitvoering en het beheer van de beperkingen die op grond van deze Overeenkomst zijn medegedeeld of worden toegepast door de invoering van wijzigingen, zoals wijzigingen in de praktijk, regels, procedures of de indeling van textiel- en kledingprodukten, met inbegrip van de wijzigingen die verband houden met het Geharmoniseerd Systeem, het evenwicht tussen rechten en plichten van de betrokken Leden op grond van deze Overeenkomst niet mag verstoren; dat deze wijzigingen evenmin van nadelige invloed mogen zijn op de toegangsmogelijkheden waarover een Lid beschikt en op de volledige benutting van deze toegangsmogelijkheden noch de handel op grond van deze Overeenkomst mogen verstoren.
De Leden komen overeen dat wanneer een produkt dat slechts deel uitmaakt van een beperking op grond van artikel 2 voor integratie wordt aangemeld, een eventuele wijziging in het niveau van die beperking het evenwicht tussen de rechten en plichten van de betrokken Leden op grond van deze Overeenkomst niet mag verstoren.
De Leden komen overeen dat, wanneer de in de leden 2 en 3 genoemde wijzigingen noodzakelijk zijn, het Lid dat deze wijzigingen invoert het betrokken Lid of de betrokken Leden daarvan in kennis stelt en vóór de inwerkingtreding van deze wijzigingen zo mogelijk overleg pleegt met het getroffen Lid of de getroffen Leden, ten einde een voor alle partijen bevredigende oplossingen te vinden over passende en billijke aanpassingen. De Leden komen voorts overeen dat wanneer het niet mogelijk is vóór de inwerkingtreding van de wijziging overleg te plegen, het Lid dat deze wijziging invoert, op verzoek van het getroffen Lid, zo mogelijk binnen 60 dagen overleg zal plegen met de betrokken Leden om een voor alle partijen bevredigende oplossing te vinden over passende en billijke aanpassingen. Wordt geen voor alle partijen bevredigende oplossing gevonden, dan kan een betrokken Lid de zaak aan het OST voorleggen dat, overeenkomstig artikel 8, aanbevelingen kan doen. Mocht het OTT geen gelegenheid hebben gehad een geschil over dergelijke wijzigingen te onderzoeken die voor de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst zijn ingevoerd, dan wordt de zaak door het OST onderzocht overeenkomstig de desbetreffende MVO-regels en -procedures.
Artikel 5
De Leden komen overeen dat ontduiking van de regels door middel van overlading, wederverzending, valse verklaringen over het land of de plaats van oorsprong en vervalsing van officiële documenten de uitvoering van deze Overeenkomst tot integratie van de textiel- en kledingsector in de GATT 1994 in de weg staat. De Leden dienen derhalve de nodige wettelijke voorschriften en/of administratieve procedures vast te stellen om ontduiking van de regels te voorkomen en te bestrijden. Voorts komen de leden overeen dat zij overeenkomstig hun nationale wetten en procedures volledig zullen samenwerken om de problemen die uit ontduiking voortvloeien op te lossen.
Is een Lid van oordeel dat de regels van deze Overeenkomst worden ontdoken door overlading, wederverzending, valse verklaringen inzake het land of de plaats van oorsprong of de vervalsing van officiële documenten en dat geen of onvoldoende maatregelen worden genomen om hiertegen op te treden, dan pleegt dat Lid overleg met het betrokken Lid of de betrokken Leden om een voor alle partijen bevredigende oplossing te vinden. Een dergelijk overleg dient terstond plaats te vinden, en indien mogelijk, binnen de 30 dagen. Wordt geen oplossing gevonden die voor alle partijen bevredigend is, dan kan de kwestie door een betrokken Lid aan het OST voor een aanbeveling worden voorgelegd.
De Leden komen overeen, overeenkomstig hun nationale wetten en procedures, de nodige maatregelen te nemen om ontduikingspraktijken op hun grondgebied te voorkomen en te onderzoeken en daartegen, zo nodig, wettelijke en/of administratieve maatregelen te nemen. De Leden komen overeen in gevallen van ontduiking of vermoede ontduiking van de regels van deze Overeenkomst, overeenkomstig hun nationale wetten en procedures, volledig samen te werken om de ter zake dienende feiten op de plaatsen van invoer, uitvoer en, wanneer van toepassing, overlading vast te stellen. Overeengekomen wordt dat deze samenwerking, overeenkomstig nationale wetten en procedures, onder meer het volgende omvat: onderzoek naar de ontduikingspraktijken die de beperkte export naar het Lid dat deze beperkingen handhaaft doen toenemen; uitwisseling van documenten, brieven, verslagen en andere relevante gegevens voor zover beschikbaar; het vergemakkelijken van bezoeken aan fabrieken en van contacten, op verzoek en per geval. De Leden streven ernaar de omstandigheden waarin ontduiking plaatsvindt of wordt vermoed zoveel mogelijk op te helderen, met inbegrip van de rol die de betrokken exporteurs of importeurs hierbij spelen.
De Leden komen overeen dat wanneer na onderzoek genoegzaam bewezen is dat ontduiking heeft plaatsgevonden (bijv. wanneer er bewijsmateriaal is betreffende het land of de plaats van de werkelijke oorsprong, en de omstandigheden waarin de ontduiking plaatsvindt), voor zover noodzakelijk passende maatregelen dienen te worden genomen om het probleem op te lossen. Deze maatregelen kunnen bestaan uit een verbod op de invoer van de goederen of, wanneer de goederen reeds zijn ingevoerd en gelet op de werkelijke omstandigheden en de betrokkenheid van het land of de plaats van werkelijke oorsprong, een aanpassing van de afboekingen van de beperkingsniveaus van het land of de plaats van werkelijke oorsprong. Voorts, indien gebleken is dat Leden op het grondgebied waarvan de goederen zijn overgeladen ook bij de ontduiking zijn betrokken, kunnen de maatregelen ook de invoering inhouden van beperkingen ten aanzien van die Leden. Deze maatregelen kunnen worden genomen, evenals de en besluiten over het tijdstip waarop zij worden genomen en de draagwijdte ervan, na overleg tussen de betrokken partijen ten einde een voor beide partijen bevredigende oplossing te vinden en worden met een volledige motivatie aan het OST voorgelegd. De betrokken Leden kunnen in overleg overeenstemming bereiken over andere oplossingen. De overeengekomen oplossing wordt ook aan het OST voorgelegd en het OST kan de betrokken Leden de aanbevelingen doen die het nuttig acht. Wordt geen wederzijds bevredigende oplossing gevonden, dan kan een betrokken Lid de zaak voor een spoedig onderzoek en aanbevelingen aan het OST voorleggen.
De Leden nemen er nota van dat sommige gevallen van ontduiking zendingen kunnen betreffen die via landen of plaatsen worden vervoerd zonder dat er in de plaatsen van doorvoer iets veranderd wordt aan de goederen die zich in deze zendingen bevinden. Ze nemen er nota van dat het in het algemeen niet praktisch uitvoerbaar kan zijn dat in deze doorvoerplaatsen toezicht op dergelijke zendingen wordt uitgeoefend.
De Leden komen overeen dat valse verklaringen inzake vezelsamenstelling, hoeveelheden, aard of indeling van de goederen eveneens een beletsel vormen om de doelstellingen van deze overeenkomst te bereiken. De Leden komen overeen dat, wanneer blijkt dat dergelijke valse verklaringen zijn opgesteld met het doel de regels te ontduiken, de nodige maatregelen tegen de betrokken exporteurs of importeurs genomen dienen te worden, overeenkomstig de nationale wetten en procedures. Mocht een Lid van oordeel zijn dat de regels van de Overeenkomst door middel van dergelijke valse verklaringen worden ontdoken en dat geen of onvoldoende maatregelen worden genomen om hiertegen op te treden, dan kan dat Lid terstond overleg plegen met het betrokken Lid om te trachten tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen. Wordt zulk een oplossing niet gevonden, dan kan de zaak door een betrokken Lid aan het OST voor een aanbeveling worden voorgelegd. Deze bepaling heeft niet ten doel te voorkomen dat Leden technische aanpassingen aanbrengen indien per vergissing fouten zijn gemaakt bij het opstellen van verklaringen.
Artikel 6
De Leden erkennen dat het tijdens de overgangsperiode nodig kan zijn speciale vrijwaringsmaatregelen (in deze Overeenkomst „overgangsvrijwaringsmaatregelen” genoemd) te nemen. De overgangsvrijwaringsmaatregelen kunnen door een Lid worden toegepast op produkten die onder de Bijlage vallen, met uitzondering van de produkten die op grond van artikel 2 in de GATT 1994 zijn geïntegreerd. De Leden die geen beperkingen op grond van artikel 2 handhaven, delen het OST binnen 6O dagen na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst mede of zij het recht wensen te behouden de bepalingen van dat artikel toe te passen. De Leden die de Protocollen tot verlenging van de MVO die sinds 1986 tot stand zijn gekomen niet hebben aanvaard, doen een dergelijke mededeling binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst. De overgangsvrijwaringsmaatregelen dienen zo min mogelijk te worden toegepast, overeenkomstig het bepaalde in dit artikel en de daadwerkelijke integratie op grond van deze Overeenkomst.
Vrijwaringsmaatregelen kunnen op grond van dit artikel worden genomen wanneer een Lid heeft vastgesteld 1)Een douane-unie kan vrijwaringsmaatregel als een enkele eenheid of namens een lidstaat nemen. Past een douane-unie een vrijwaringsmaatregel als eenheid toe, dan moet aan alle eisen voor de vaststelling van ernstige schade of dreigende ernstige schade op grond van deze overeenkomst zijn voldaan in de douane-unie als geheel. Wordt een vrijwaringsmaatregel namens een lidstaat genomen, dan moet aan alle eisen voor de vaststelling van ernstige schade of dreigende ernstige schade in die lidstaat zijn voldaan en is de maatregel tot die lidstaat beperkt. dat gebleken is dat een bepaald produkt in zulke toegenomen hoeveelheden in zijn gebied wordt ingevoerd dat de bedrijfstak in het binnenland die een soortgelijk en/of rechtstreeks concurrerend produkt vervaardigt daardoor ernstige schade lijdt of dreigt te lijden. Ernstige schade of dreigende ernstige schade moet aantoonbaar worden veroorzaakt door de toegenomen hoeveelheid van de totale invoer van dat produkt en niet door andere factoren zoals technologische veranderingen en veranderingen in consumentenvoorkeur.
Bij de vaststelling van ernstige schade of dreigende ernstige schade als bedoeld in lid 2, onderzoekt het Lid de gevolgen van deze invoer op de situatie van de betrokken bedrijfstak die tot uiting komt in de wijziging van economische variabelen zoals produktie, produktiviteit, benuttingsgraad, voorraden, marktaandeel, export, lonen, werkgelegenheid, prijzen op de binnenlandse markt, winsten en investeringen, waarvan geen enkele, op zich genomen of in combinatie met andere, noodzakelijkerwijs doorslaggevend is.
Maatregelen die op grond van dit artikel worden genomen worden per Lid toegepast. Of een Lid of Leden ernstige schade veroorzaken of dreigen te veroorzaken wordt vastgesteld aan de hand van de plotselinge en sterk stijgende invoer uit dat bepaalde Lid of die bepaalde Leden, welke invoer reeds heeft plaatsgevonden of die in de onmiddellijk toekomst dreigt plaats te vinden2)Een stijging in de nabije toekomst moet meetbaar zijn en kan niet worden vastgesteld aan de hand van klachten, speculaties en mogelijkheden die bijvoorbeeld uit de produktiecapaciteit in exporterende Leden voortvloeien., zoals blijkt uit het niveau van de invoer in vergelijking met de invoer uit andere bronnen, marktaandeel, importprijzen en prijzen op de binnenlandse markt op een vergelijkbaar handelsniveau, waarbij geen van deze factoren, op zich of in combinatie met andere, noodzakelijkerwijs doorslaggevend is. Deze vrijwaringsmaatregelen worden niet genomen ten aanzien van de export van een Lid die op grond van deze Overeenkomst reeds aan beperkingen is onderworpen.
De vaststelling van ernstige schade of dreigende ernstige schade met het oog op het nemen van vrijwaringsmaatregelen is niet meer dan 90 dagen geldig vanaf de in lid 7 bedoelde datum van eerste kennisgeving.
Bij de toepassing van overgangsvrijwaringsmaatregelen, wordt met name rekening gehouden met de belangen van exporterende Leden als hieronder aangegeven:
- a. De Leden die minstontwikkelde landen zijn krijgen een aanmerkelijk gunstiger behandeling, bij voorkeur op alle onderdelen maar ten minste in het algemeen, dan de andere in dit punt genoemde groepen.
- b. De Leden waarvan het totale exportvolume van textiel- en kledingprodukten gering is in vergelijking met het totale volume van de export van andere Leden en die slechts een klein percentage van de totale import van dat produkt in het importerende Lid voor hun rekening nemen, krijgen een gedifferentieerde en gunstiger behandeling bij het vaststellen van de economische termen als bedoeld in de leden 8, 13 en 14. Voor deze leveranciers zal met name rekening worden gehouden, gelet op de leden 2 en 3 van artikel 1, met de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van hun handel en de noodzaak hen commercieel betekenisvolle invoerhoeveelheden toe te staan.
- c. Bij het vaststellen van het niveau van de contingenten, van groeipercentages en flexibiliteitsbepalingen wordt speciale aandacht geschonken aan de behoeften aan export van wolprodukten van wolproducerende ontwikkelingslanden die Lid zijn, waarvan de economie en de textiel- en kledinghandel van de wolsector afhankelijk zijn, waarvan de totale textiel- en kledingexport vrijwel uitsluitend uit wolprodukten bestaat en die een relatief klein aandeel van de textiel- en kledingmarkt van de importerende Leden in handen hebben.
- d. Een gunstiger behandeling wordt toegestaan aan de wederinvoer door een Lid van textiel- en kledingprodukten die dat Lid naar een ander Lid heeft uitgevoerd voor bewerking en wederinvoer, in de zin van de wetten en praktijken van het importerende Lid, mits bij deze wederinvoer deugdelijke controle- en certificatieprocedures worden gevolgd, wanneer deze produkten worden geïmporteerd uit een Lid waarvoor dit soort handel een aanmerkelijk aandeel van zijn totale export van textiel- en kledingprodukten vertegenwoordigt.
Het Lid dat voornemens is vrijwaringsmaatregelen te nemen, vraagt overleg aan met het Lid of de Leden die door deze maatregelen getroffen zouden worden. Het verzoek om overleg gaat vergezeld van zo recent mogelijke, specifieke en ter zake dienende feitelijke informatie, met name ten aanzien van: a. de in lid 3 genoemde factoren op grond waarvan het Lid dat maatregelen wenst te nemen het bestaan van ernstige schade of dreigende ernstige schade heeft afgeleid, en b. de in lid 4 genoemde factoren op grond waarvan het voornemens is vrijwaringsmaatregelen te nemen ten aanzien van het betrokken Lid of de betrokken Leden. De informatie in verzoeken om overleg op grond van dit lid heeft zo veel mogelijk betrekking op duidelijk afgebakende produktiesegmenten en de in lid 8 genoemde referentieperiode. Het Lid dat maatregelen voorstelt geeft ook aan tot welk niveau het voornemens is de invoer van het betrokken produkt uit het betrokken Lid of de betrokken Leden te beperken; dit niveau mag niet lager zijn dan het in lid 8 bedoelde niveau. Het Lid dat om overleg verzoekt deelt dit ook mede aan de Voorzitter van het OST, onder opgave van alle feitelijke gegevens als in de leden 3 en 4 vermeld en het voorgestelde niveau van de beperking. De Voorzitter deelt het verzoek om overleg aan de Leden van het OST mede, onder opgave van het Lid dat het verzoek heeft gedaan, het betrokken produkt en het Lid dat het verzoek heeft ontvangen. Het betrokken Lid of de betrokken Leden beantwoord(t)(en) dit verzoek zo spoedig mogelijk. Het overleg vindt zonder uitstel plaats en wordt normalerwijze binnen 60 dagen na de ontvangst van het verzoek afgesloten.
Indien bij het overleg overeenstemming wordt bereikt over het feit dat de export van het betrokken produkt uit het betrokken Lid of de betrokken Leden moet worden beperkt, wordt de export niet teruggebracht tot een lager niveau dan het niveau van de import uit het betrokken Lid in de periode van 12 maanden die twee maanden voor de indiening van het verzoek om overleg is verstreken.
Gegevens over de overeengekomen beperkingsmaatregel worden het OST binnen 60 dagen na sluiting van de Overeenkomst medegedeeld. Het OST bepaalt of de Overeenkomst met dit artikel verenigbaar is. Het OST beschikt in verband hiermee over de feitelijke gegevens die de Voorzitter overeenkomstig lid 7 werden medegedeeld alsmede over alle andere ter zake dienende informatie die de betrokken Leden hebben verstrekt. Het OST kan de betrokken Leden de aanbevelingen doen die het dienstig acht.
Indien de Leden 60 dagen nadat het verzoek om overleg werd ontvangen geen overeenstemming hebben bereikt, kan het Lid dat de vrijwaringsmaatregelen heeft voorgesteld, binnen de 30 dagen na de periode van 60 dagen die voor het overleg was voorbehouden, de beperking volgens de datum van import of export toepassen, overeenkomstig het bepaalde in dit artikel, en de zaak aan het OST voorleggen. Het staat elk van beide Leden vrij de zaak vóór het verstrijken van bedoelde periode van 60 dagen aan het OST voor te leggen. In beide gevallen onderzoekt het OST de zaak zo spoedig mogelijk, met inbegrip van de vaststelling van ernstige schade of dreigende ernstige schade en de oorzaken daarvan, en doet het de betrokken Leden binnen de 30 dagen passende aanbevelingen. Bij de uitvoering van het onderzoek beschikt het OST over de feitelijke gegevens die de Voorzitter van het OST, overeenkomstig lid 7, werden medegedeeld alsmede over alle andere ter zake dienende informatie die de betrokken Leden hebben verstrekt.
In zeer uitzonderlijke en kritische omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou kunnen veroorzaken, kunnen overeenkomstig lid 10 voorlopige maatregelen worden genomen, voor zover het verzoek om overleg en de kennisgeving aan het OST binnen vijf werkdagen nadat de maatregelen zijn genomen worden ingediend. Wordt bij het overleg geen overeenstemming bereikt, dan wordt het OST daarvan bij afsluiting van het overleg in kennis gesteld, en in elk geval binnen de 60 dagen nadat de maatregelen werden genomen. Het OST onderzoekt de zaak zo spoedig mogelijk en doet de betrokken Leden binnen de 30 dagen passende aanbevelingen. Wordt bij overleg wel overeenstemming bereikt, dan stellen de Leden het OST hiervan bij afsluiting van het overleg in kennis, en in elk geval binnen de 90 dagen nadat de maatregelen werden genomen. Het OST kan de betrokken Leden de aanbevelingen doen die het dienstig acht.
Een Lid kan de maatregelen die op grond van dit artikel zijn genomen handhaven: a. voor ten hoogste drie jaar, zonder verlenging, of b. tot het produkt in de GATT 1994 is geïntegreerd, indien dit eerder is.
Blijft de beperkingsmaatregel meer dan een jaar van kracht, dan is het niveau voor de volgende jaren het niveau van het eerste jaar vermeerderd met een groeipercentage van niet minder dan 6% per jaar, tenzij het OST kan worden aangetoond dat een ander percentage gerechtvaardigd is. Het beperkingsniveau voor het betrokken produkt mag in een van elke twee daaropvolgende jaren door vervroegde benutting en/of overdracht met 10% worden overschreden, waarbij de vervroegde benutting niet meer dan 5% mag bedragen. Op het gecombineerde gebruik van overdracht, vervroegde benutting en van het bepaalde in lid 14 worden geen kwantitatieve beperkingen gesteld.
Wanneer een Lid op meer dan één produkt van een ander Lid, op grond van dit artikel, beperkingen stelt, mag het niveau van de overeengekomen beperking, op grond van het bepaalde in dit artikel, voor elk van deze produkten met 7% worden overschreden, mits de totale export waarop beperkingen van toepassing zijn niet hoger is dan het totale niveau voor alle produkten waarop op grond van dit artikel beperkingen van toepassing zijn, op basis van overeengekomen gemeenschappelijke eenheden. Wanneer de perioden waarin beperkingen van toepassing zijn niet geheel met elkaar samenvallen, wordt deze bepaling naar evenredigheid op de overlappende perioden toegepast.
Worden op grond van dit artikel vrijwaringsmaatregelen toegepast op een produkt waarop voorheen, in de periode van twaalf maanden vóór de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, op grond van de MVO of op grond van artikel 2 of artikel 6 een beperking van toepassing was, dan is het niveau van de nieuwe beperking het in lid 8 bedoelde niveau, tenzij de nieuwe beperking in werking treedt binnen één jaar na:
- a. de in artikel 2, lid 15, bedoelde datum van kennisgeving van de opheffing van de vroegere beperking; of
- b. de datum van opheffing van de vroegere beperking op grond van het bepaalde in dit artikel of in de MVO, in welke gevallen het niveau niet lager is dan het hoogste van de twee hiernagenoemde niveaus: i) het niveau van de beperking in de laatste twaalfmaandelijkse periode waarin het produkt aan een beperking was onderworpen, ii) het in lid 8 bedoelde beperkingsniveau.
Wanneer een Lid dat geen beperkingen handhaaft op grond van artikel 2 besluit op grond van het bepaalde in dit artikel een beperking toe te passen, stelt het passende regelingen vast waarbij a. volledig rekening wordt gehouden met factoren zoals tariefindeling en kwantitatieve eenheden bij normale commerciële import- en exportpraktijken, zowel wat vezelsamenstelling betreft als in termen van concurrentie op hetzelfde segment van de binnenlandse markt, en b. een te ver doorgevoerde categorisering wordt vermeden. Het in lid 7 of lid 11 bedoelde verzoek om overleg bevat alle gegevens over dergelijke regelingen.
Artikel 7
Als onderdeel van het integratieproces en overeenkomstig de specifieke afspraken tussen Leden als resultaat van de Uruguay-Ronde, nemen alle Leden de nodige maatregelen om de regels en disciplines van de GATT 1994 in acht te nemen, zodat:
- a. de markten meer toegankelijk worden voor textiel- en kledingprodukten door maatregelen zoals verlaging en consolidatie van douanerechten, vermindering of opheffing van niet-tarifaire belemmeringen, en vereenvoudiging van douaneformaliteiten, administratieve formaliteiten en de formaliteiten voor de afgifte van vergunningen;
- b. het beleid ten aanzien van billijke handelsvoorwaarden voor textiel- en kledingprodukten op het gebied van bijv. dumping en anti-dumpingregels en -procedures, subsidies en compenserende maatregelen en de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten kan worden uitgevoerd; en
- c. bij de invoer van textiel- en kledingprodukten geen discriminatie plaatsvindt wanneer om algemene handelspolitieke overwegingen maatregelen worden genomen. Deze maatregelen doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de Leden op grond van de GATT 1994.
De Leden stellen het OST in kennis van de in lid 1 bedoelde maatregelen die van invloed zijn op de uitvoering van deze Overeenkomst. Indien deze reeds aan andere WTO-organen zijn medegedeeld, is een samenvatting van de oorspronkelijke kennisgeving voldoende om aan de eisen van dit lid te voldoen. Het staat de Leden vrij tegengestelde kennisgevingen aan het OST te doen.
Indien een Lid van oordeel is dat een ander Lid door het niet-nemen van de in lid 1 bedoelde maatregelen het evenwicht tussen rechten en plichten op grond van deze Overeenkomst heeft verstoord, kan eerstgenoemd Lid de zaak aan de desbetreffende WTO-organen voorleggen en het OST daarvan in kennis stellen. De bevindingen en conclusies van de betrokken WTO-organen vormen een onderdeel van het algemene verslag van het OST.
Artikel 8
Hierbij wordt het Orgaan Supervisie Textielprodukten („OST”) ingesteld dat tot taak heeft toe te zien op de uitvoering van deze Overeenkomst, de maatregelen op grond van deze Overeenkomst en de overeenstemming van deze maatregelen met de Overeenkomst te onderzoeken, en alle taken te vervullen waarmee het op grond van deze Overeenkomst speciaal is belast. Het OST bestaat uit een voorzitter en tien leden. De samenstelling van het OST is evenwichtig, grotendeels representatief voor de Leden en zitting in het OST wordt om toerbeurten waargenomen. De leden van het OST worden benoemd door de Leden die door de Raad voor de Handel in Goederen zijn aangewezen om zitting te hebben in het OST waarin zij hun functies op persoonlijke titel uitoefenen.
Het OST ontwikkelt zijn eigen werkmethoden, met dien verstande dat consensus in het OST niet afhangt van de toestemming of goedkeuring van leden die benoemd zijn door Leden die bij een niet-geregeld geschil zijn betrokken dat door het OST wordt onderzocht.
Het OST wordt als een permanent orgaan beschouwd en komt zo vaak bijeen als nodig is om de taken te vervullen waarmee het op grond van deze Overeenkomst is belast. Het baseert zich hierbij op informatie die Leden op grond van de relevante artikelen van deze Overeenkomst verstrekken en alle nadere inlichtingen en noodzakelijke verduidelijkingen die deze Leden kunnen mededelen of die het OST kan opvragen. Het OST kan zich ook baseren op mededelingen en verslagen van andere WTO-organen en andere bronnen indien het dit nuttig acht.
De Leden geven elkaar voldoende gelegenheid voor overleg over alle kwesties die met de uitvoering van deze Overeenkomst verband houden.
Wordt bij bilateraal overleg op grond van deze Overeenkomst geen oplossing gevonden waarmee beide partijen kunnen instemmen, dan doet het OST, op verzoek van een van de Leden, en na een prompt en diepgaand onderzoek van de kwestie, aanbevelingen aan de betrokken Leden.
Op verzoek van een Lid onderzoekt het OST zo spoedig mogelijk een kwestie die dit Lid met zijn belangen op grond van deze Overeenkomst strijdig acht en waarover bij overleg met het betrokken Lid of de betrokken Leden geen wederzijds bevredigende oplossing kon worden gevonden. Het OST maakt de betrokken Leden in dergelijke zaken alle opmerkingen die het dienstig acht, alsmede met het oog op het in lid 11 bedoelde onderzoek.
Alvorens aanbevelingen te doen of opmerkingen te maken, nodigt het OST de Leden uit die rechtstreeks bij de zaak betrokken kunnen zijn.
Wanneer het OST aanbevelingen of vaststellingen moet doen, doet het dit bij voorkeur binnen een termijn van 30 dagen, tenzij in deze Overeenkomst een andere termijn is bepaald. Deze aanbevelingen en vaststellingen worden aan de rechtstreeks betrokken Leden medegedeeld. Tevens worden deze, ter informatie, aan de Raad voor de Handel in Goederen medegedeeld.
De Leden streven ernaar de aanbevelingen van het OST volledig te aanvaarden. Het OST ziet toe op de uitvoering van deze aanbevelingen.
Indien een Lid van oordeel is dat het de aanbevelingen van het OST niet kan opvolgen, dan deelt dit Lid de redenen hiervan binnen een maand na de ontvangst van deze aanbevelingen mede. Na een grondig onderzoek van de opgegeven redenen, doet het OST de verdere aanbevelingen die het dan dienstig acht. Indien het probleem na mededeling van deze verdere aanbevelingen onopgelost blijft, kan een van beide Leden de zaak voor het Orgaan voor Geschillenbeslechting brengen en zich daarbij beroepen op lid 2 van artikel XXIII van de GATT 1994 en de desbetreffende bepalingen van het Memorandum van Overeenstemming inzake de Beslechting van geschillen.
De Raad voor de Handel in Goederen oefent toezicht uit op de uitvoering van deze Overeenkomst en voert in verband hiermee vóór het einde van elke integratiefase een diepgaand onderzoek uit. Het OST doet de Raad voor de Handel in Goederen met het oog op dit onderzoek, ten minste vijf maanden voor het einde van iedere fase, een algemeen verslag toekomen over de uitvoering van deze Overeenkomst gedurende de te onderzoeken fase, met name wat het verloop van het integratieproces betreft, de toepassing van overgangsvrijwaringsmaatregelen en de toepassing van de regels en disciplines van de GATT 1994 als respectievelijk in de artikelen 2, 3, 6 en 7 omschreven. Het OST kan in het algemeen verslag de aanbevelingen aan de Raad voor de Handel in Goederen opnemen die het dienstig acht.
In het licht van dit onderzoek neemt de Raad voor de Handel in Goederen bij consensus de door hem dienstig geachte besluiten tot handhaving van het evenwicht tussen rechten en plichten zoals in deze Overeenkomst voorzien. Voor de regeling van geschillen over de in artikel 7 bedoelde kwesties, kan het Orgaan Geschillenbeslechting een aanpassing toestaan van artikel 2, lid 14, voor de fase die op het onderzoek volgt, onverminderd de in artikel 9 genoemde einddatum, ten aanzien van alle Leden waarvan wordt vastgesteld dat zij hun verplichtingen op grond van deze Overeenkomst niet nakomen.
Artikel 9
Deze Overeenkomst en alle beperkingen op grond van deze Overeenkomst worden beëindigd op de eerste dag van de 121e maand dat de WTO-Overeenkomst van kracht is, op welke dag de textiel- en kledingsector volledig in de GATT 1994 zal zijn geïntegreerd. Deze Overeenkomst kan niet worden verlengd.
1
Deze bijlage geeft de lijst van textiel- en kledingprodukten volgens de zescijfercodes van het Geharmoniseerde Systeem voor de Omschrijving en Codering van Goederen (GS).
2
Maatregelen op grond van de vrijwaringsbepalingen van artikel 6 worden ten aanzien van bepaalde textiel- en kledingprodukten genomen en niet noodzakelijkerwijs ten aanzien van een bepaalde GS-post.
3
Maatregelen op grond van de vrijwaringsbepalingen van artikel 6 van de Overeenkomst zijn niet van toepassing op:
- a. weefsels uit Leden die ontwikkelingslanden zijn, die in de huisindustrie op manueel bediende getouwen zijn vervaardigd, op produkten die in de huisindustrie uit dergelijke weefsels zijn vervaardigd, en op traditionele, folkloristische, ambachtelijk vervaardigde textiel- en kledingprodukten, mits deze vergezeld gaan van certificaten zoals in overeenkomsten tussen de betrokken Leden bepaald;
- b. traditioneel verhandelde textielprodukten waarvan de internationale handel vóór 1982 van commerciële betekenis was, zoals tassen, zakken, tapijtruggen, touwwerk, bagages, matten en tapijten die kenmerkend van vezels zoals jute, kokos, sisal, abaca, maguey en henequen worden vervaardigd;
- c. produkten van zuivere zijde. Voor dergelijke produkten zijn de bepalingen van artikel XIX van de GATT 1994, zoals bij de Overeenkomst inzake Vrijwaringsmaatregelen geïnterpreteerd, van toepassing.
Gelet op de Uruguay-Ronde van de multilaterale handelsbesprekingen;
Geleid door de wens de doelstellingen van de GATT 1994 te bevorderen;
Zich bewust van de belangrijke bijdrage die internationale normen en conformiteitsbeoordelingssystemen in dit verband kunnen leveren doordat zij de doelmatigheid van de produktie verbeteren en het internationale handelsverkeer vereenvoudigen;
Verlangende bijgevolg de ontwikkeling van dergelijke internationale normen en conformiteitsbeoordelingssystemen te bevorderen;
Verlangende evenwel ervoor te zorgen dat technische voorschriften en normen, onder meer wat het verpakken, merken en etiketteren van goederen en de procedures voor het beoordelen van de conformiteit met technische voorschriften en normen betreft geen onnodige belemmeringen voor de internationale handel vormen;
Erkennende dat geen enkel land mag worden verhinderd, op het niveau dat het passend acht, maatregelen te nemen ter bescherming van de kwaliteit van zijn uitvoer, van het milieu en van het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten of ter voorkoming van misleidende praktijken, op voorwaarde dat deze maatregelen niet op zodanige wijze worden toegepast dat zij een willekeurige of onverantwoorde discriminatie vormen tussen landen waar dezelfde omstandigheden heersen, zij geen verholen beperking van de internationale handel inhouden en zij anderszins in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst;
Erkennende dat geen enkel land mag worden verhinderd de maatregelen te nemen die nodig zijn voor de bescherming van zijn essentiële veiligheidsbelangen;
Zich bewust van de bijdrage die de internationale normalisatie kan leveren tot de overdracht van technologie van ontwikkelde landen naar ontwikkelingslanden;
Erkennende dat de ontwikkelingslanden bijzondere moeilijkheden kunnen ondervinden bij het opstellen en toepassen van technische voorschriften en normen en van procedures voor het beoordelen van de conformiteit met die technische voorschriften en normen, en geleid door de wens deze landen bijstand te verlenen op dit gebied;
Zijn de Leden het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Algemeen
1.1. De algemene termen in verband met de normalisatie en de conformiteitsbeoordelingsprocedures hebben normaliter de betekenis die daaraan is gegeven in de definities die in het kader van het systeem van de Verenigde Naties en door de internationale normalisatie-instellingen zijn aangenomen, met inachtneming van het verband waarin zij voorkomen en met het doel van deze Overeenkomst.
1.2. Voor de toepassing van de onderhavige Overeenkomst hebben deze termen evenwel de betekenis die hieraan in bijlage 1 wordt gegeven.
1.3. Alle produkten, met inbegrip van industrie- en landbouwprodukten, vallen onder de bepalingen van deze Overeenkomst.
1.4. De door overheidsorganen opgestelde aankoopspecificaties ter voorziening in de produktie- of verbruiksbehoeften van die organen, vallen niet onder de bepalingen van deze Overeenkomst, maar onder die van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, gezien het toepassingsgebied daarvan.
1.5. De bepalingen van deze Overeenkomst zijn niet van toepassing op sanitaire en fytosanitaire maatregelen als omschreven in bijlage A bij de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen.
1.6. Alle verwijzingen in deze Overeenkomst naar technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures worden geacht eveneens betrekking te hebben op alle daarin aangebrachte wijzigingen en op alle aanvullingen op de bepalingen daarvan, alsmede op alle wijzigingen in verband met de produkten waarop deze Overeenkomst van toepassing is, met uitzondering van onbelangrijke wijzigingen of aanvullingen.
TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN EN NORMEN
Artikel 2. Opstellen, aannemen en toepassen van technische voorschriften door centrale overheidsorganen
Wat hun centrale overheidsorganen betreft:
2.1. Zien de Leden erop toe dat produkten die uit het grondgebied van een ander Lid worden ingevoerd, bij de toepassing van technische voorschriften geen minder gunstige behandeling krijgen dan die welke geldt voor soortgelijke produkten van binnenlandse oorsprong of soortgelijke produkten van oorsprong uit een ander land.
2.2. Zien de Leden erop toe dat technische voorschriften niet worden opgesteld, aangenomen of toegepast met het doel onnodige belemmeringen voor de internationale handel te creëren en dat zij niet leiden tot het ontstaan van dergelijke belemmeringen. Daartoe mogen de technische voorschriften niet meer beperkingen voor het handelsverkeer inhouden dan nodig is om een legitiem doel te bereiken, rekening houdend met de risico's die aan het niet bereiken van dat doel verbonden zouden zijn. Zulke legitieme doestellingen zijn, onder meer, de nationale veiligheid, het voorkomen van misleidende praktijken, de bescherming van de gezondheid of de veiligheid van mensen en van het leven of de gezondheid van dieren of planten of van het milieu. Bij het beoordelen van dergelijke risico's wordt onder meer rekening gehouden met de beschikbare wetenschappelijke en technische informatie, de aanverwante verwerkingstechnieken of het voorgenomen eindgebruik van produkten.
2.3. Technische voorschriften worden niet gehandhaafd wanneer de omstandigheden of doelstellingen op grond waarvan zij zijn aangenomen niet langer aanwezig zijn of wanneer de door de gewijzigde omstandigheden of doelstellingen ontstane problemen kunnen worden opgelost door middel van maatregelen die het handelsverkeer minder sterk belemmeren.
2.4. Wanneer technische voorschriften vereist zijn en op het betrokken gebied internationale normen bestaan of op het punt staan te worden voltooid, nemen de Leden die normen of althans de relevante elementen daarvan tot grondslag van hun technische voorschriften, behalve wanneer die internationale normen of onderdelen ondoeltreffend of ongeschikt zouden zijn om de legitieme doelstellingen te bereiken, bij voorbeeld wegens fundamentele klimatologische of geografische factoren of fundamentele technologische problemen.
2.5. Een Lid dat een technisch voorschrift opstelt, aanneemt of toepast dat ernstige gevolgen kan hebben voor het handelsverkeer van andere Leden motiveert op verzoek van een ander Lid dat technisch voorschrift overeenkomstig de bepalingen van de leden 2, 3 en 4. Wanneer op grond van een uitdrukkelijk in lid 2 genoemde legitieme doelstelling een technisch voorschrift wordt opgesteld, aangenomen of toegepast dat in overeenstemming is met de desbetreffende internationale normen, wordt dat voorschrift geacht, tot het bewijs van het tegendeel is geleverd, geen onnodige belemmering voor het internationale handelsverkeer te vormen.
2.6. Met het oog op een zo ruim mogelijke harmonisatie van de technische voorschriften en normen nemen de Leden, binnen de grenzen van hun mogelijkheden, volledig deel aan het opstellen door de bevoegde internationale normalisatie-instellingen van internationale normen voor produkten waarvoor zij technische voorschriften of normen hebben aangenomen of voornemens zijn dit te doen.
2.7. De Leden verbinden zich ertoe de aanvaarding als equivalente maatregel van de in andere landen vastgestelde technische voorschriften in welwillende overweging te nemen, ook indien deze voorschriften van hun eigen voorschriften afwijken, mits zij de overtuiging zijn toegedaan dat de genoemde voorschriften in voldoende mate aan de doelstellingen van hun eigen voorschriften beantwoorden.
2.8. In alle gevallen waarin zulks wenselijk is, nemen de Leden bij het formuleren van op de produktvereisten gebaseerde technische voorschriften de werking van het produkt als uitgangspunt, veeleer dan het ontwerp of de beschrijving daarvan.
2.9. De Leden komen overeen, wanneer op een bepaald gebied geen internationale norm bestaat of de technische inhoud van een voorgesteld technisch voorschrift niet in overeenstemming is met de technische inhoud van de desbetreffende internationale normen en het technisch voorschrift aanzienlijke consequenties kan hebben voor het handelsverkeer van andere Leden:
- 2.9.1. tijdig en op zodanige wijze dat belanghebbenden in andere Leden daarvan kennis kunnen nemen, een bericht te publiceren waarin zij mededelen dat zij voornemens zijn een bepaald technisch voorschrift in te voeren.
- 2.9.2. de andere Leden via het Secretariaat mede te delen op welke produkten het voorgestelde technisch voorschrift betrekking heeft, met een beknopte omschrijving van het doel en de reden daarvan. Dergelijke kennisgevingen vinden voldoende tijdig plaats, zodat nog wijzigingen kunnen worden ingediend en rekening kan worden gehouden met commentaar;
- 2.9.3. de andere Leden op hun verzoek bijzonderheden of de tekst van het voorgestelde technisch voorschrift te doen toekomen en, indien mogelijk, aan te geven op welke punten dit wezenlijk van de desbetreffende internationale normen afwijkt;
- 2.9.4. de andere Leden, zonder onderscheid, een redelijke termijn toe te staan voor het geven van schriftelijke commentaar, op verzoek van gedachten te wisselen over deze commentaar en rekening te houden met deze commentaar en met het resultaat van de vorengenoemde gedachtenwisseling;
2.10. Behoudens het bepaalde in de aanhef van lid 9 kan een Lid dat met dringende problemen inzake veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid geconfronteerd wordt of dreigt te worden geconfronteerd, bepaalde van de in lid 9 bedoelde maatregelen voor zover het dit noodzakelijk oordeelt achterwege laten, op voorwaarde dat dit Lid bij het aannemen van een technisch voorschrift:
- 2.10.1. de andere Leden via het Secretariaat onmiddellijk kennis geeft van dit technisch voorschrift en van de produkten waarop het betrekking heeft, met een beknopte omschrijving van het doel en de reden van het technisch voorschrift, met inbegrip van de aard van de dringende problemen;
- 2.10.2. op daartoe strekkend verzoek de andere Leden de tekst van dit technisch voorschrift doet toekomen;
- 2.10.3. de ander Leden, zonder discriminatie, in de gelegenheid stelt schriftelijke commentaar naar voren te brengen, desgevraagd van gedachten wisselt over deze commentaar en rekening houdt met het resultaat van deze gedachtenwisseling.
2.11. De Leden dragen zorg dat alle technische voorschriften die worden aangenomen onverwijld worden gepubliceerd of op zodanige wijze worden bekendgemaakt dat belanghebbenden in de andere Leden daarvan kennis kunnen nemen.
2.12. Behalve in de spoedeisende omstandigheden bedoeld in artikel 10 nemen de Leden een redelijke termijn in acht tussen de bekendmaking van een technisch voorschrift en de inwerkingtreding daarvan, ten einde de producenten in de exporterende Leden, in het bijzonder de Leden die ontwikkelingslanden zijn, voldoende gelegenheid te geven hun produkten of produktiemethoden aan de eisen van het importerende Lid aan te passen.
Artikel 3. Opstellen, aannemen en toepassing van technische voorschriften door lokale overheidsorganen en niet-gouvernementele organen
Wat de lokale overheidsorganen en de niet-gouvernementele organen op hun grondgebied betreft:
3.1. Nemen de Leden alle hun ter beschikking staande redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de bepalingen van artikel 2, met uitzondering van de in artikel 2, leden 9.2 en 10.1 bedoelde verplichting tot kennisgeving, door deze organen worden nageleefd.
3.2. Dragen de Leden zorg dat de technische voorschriften van de rechtstreeks onder de centrale overheid ressorterende lokale overheden van de Leden overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, leden 9.2. en 10.1 worden bekendgemaakt, met dien verstande dat deze kennisgeving niet vereist is voor technische voorschriften waarvan de technische inhoud in wezen dezelfde is als die van eerder bekendgemaakte technische voorschriften van centrale overheidsorganen van het betrokken Lid.
3.3. Kunnen de Leden bepalen dat de contacten met andere Leden, met inbegrip van kennisgevingen, het verstrekken van informatie, het naar voren brengen van commentaar en de gedachtenwisselingen bedoeld in artikel 2, lid 9 en lid 10, via de centrale overheid plaatsvinden.
3.4. Onthouden de Leden zich van maatregelen die lokale overheidsorganen of niet-gouvernementele organen op hun grondgebied ertoe verplichten of bewegen te handelen op een wijze die onverenigbaar is met de bepalingen van artikel 2.
3.5. Dragen de Leden uit hoofde van deze Overeenkomst de volledige verantwoordelijkheid voor de naleving van alle bepalingen van artikel 2. De Leden verbinden zich ertoe positieve maatregelen en mechanismen ter bevordering van de naleving van artikel 2 door andere dan centrale overheidsorganen vast te stellen en ten uitvoer te leggen.
Artikel 4. Opstellen, aannemen en toepassing van normen
4.1. De Leden dragen zorg dat de onder hun centrale overheid ressorterende normalisatie-instellingen de in bijlage 3 bij deze Overeenkomst opgenomen praktijkrichtlijn voor het opstellen, het aannemen en de toepassing van normen (hierna „praktijkrichtlijn" genoemd) aanvaarden en naleven. Zij nemen alle hun ter beschikking staande redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat onder de lokale autoriteiten ressorterende normalisatie-instellingen en niet-gouvernementele normalisatie-instellingen op hun grondgebied alsmede de regionale normalisatie-instellingen waarvan zij of één of meer organen op hun grondgebied lid zijn, deze praktijkrichtlijn aanvaarden en naleven. Voorts nemen de Leden geen maatregelen die dergelijke normalisatie-instellingen direct of indirect ertoe verplichten of bewegen te handelen op een wijze die onverenigbaar is met de praktijkrichtlijn. De verplichtingen van de Leden met betrekking tot de naleving van de praktijkrichtlijn door normalisatie-instellingen zijn van toepassing ongeacht of een normalisatie-instelling de praktijkrichtlijn heeft aanvaard of niet.
4.2. Normalisatie-instellingen die de praktijkrichtlijn hebben aanvaard en deze naleven worden door de Leden erkend als instellingen die de beginselen van deze Overeenkomst naleven.
OVEREENSTEMMING MET TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN EN NORMEN
Artikel 5. Procedures voor het beoordelen van de conformiteit door centrale overheidsorganen
5.1. De Leden dragen zorg dat wanneer een uitdrukkelijke bevestiging van de overeenstemming met technische voorschriften of normen vereist is, hun centrale overheidsorganen ten aanzien van produkten van oorsprong uit het grondgebied van andere Leden de hiernavolgende bepalingen toepassen:
- 5.1.1. conformiteitsbeoordelingsprocedures worden opgesteld, aangenomen en toegepast met het doel leveranciers van soortgelijke produkten van oorsprong uit het grondgebied van andere Leden toegang tot de markt te verschaffen onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke onder vergelijkbare omstandigheden voor leveranciers van soortgelijke produkten van nationale oorsprong of van oorsprong uit enig ander land gelden. Deze toegang houdt voor de leverancier het recht in op conformiteitsbeoordeling overeenkomstig de procedurevoorschriften, met inbegrip van, wanneer deze procedure daarin voorziet, de mogelijkheid de conformiteit in zijn bedrijfsruimten te doen beoordelen en zijn produkten het conformiteitsmerk te doen verlenen.
- 5.1.2. het opstellen, het aannemen en de toepassing van conformiteitsbeoordelingsprocedures mag niet ten doel noch ten gevolge hebben dat onnodige belemmeringen voor het internationale handelsverkeer worden gecreëerd. Dit betekent onder meer dat conformiteitsbeoordelingsprocedures niet strikter mogen zijn, noch strikter mogen worden toegepast dan noodzakelijk is om het importerende Lid in staat te stellen zich ervan te overtuigen dat de betrokken produkten aan de technische voorschriften of normen beantwoorden, rekening houdend met de aan de niet conformiteit van deze produkten verbonden risico's.
5.2. Bij de tenuitvoerlegging van het bepaalde in lid 1 dragen de Leden zorg dat:
- 5.2.1. de conformiteitsbeoordelingsprocedures zo snel mogelijk worden uitgevoerd en voltooid, zowel voor produkten van oorsprong uit het grondgebied van andere Leden als voor soortgelijke binnenlandse produkten;
- 5.2.2. de normale duur van elke conformiteitsbeoordelingsprocedure wordt bekendgemaakt of de geraamde duur van de procedure de aanvrager op verzoek wordt medegedeeld. Bij ontvangst van een aanvraag gaat de bevoegde instantie onmiddellijk na of deze vergezeld gaat van alle noodzakelijke bescheiden en stelt zij de aanvrager nauwkeurig en volledig in kennis van alle onvolkomenheden. De bevoegde instantie deelt de aanvrager zo spoedig mogelijk de nauwkeurige en volledige resultaten van de conformiteitsbeoordeling mede, zodat, indien nodig, corrigerende maatregelen kunnen worden genomen. Zelfs wanneer de aanvraag leemten vertoont, legt de bevoegde instantie de beoordelingsprocedure op verzoek van de aanvrager in zoverre mogelijk ten uitvoer en wordt de aanvrager, indien hij daarom verzoekt, medegedeeld in welk stadium de procedure zich bevindt en worden alle vertragingen toegelicht.
- 5.2.3. verzoeken om inlichtingen beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is om de conformiteit te beoordelen en de omvang van de vergoedingen te bepalen;
- 5.2.4. het vertrouwelijke karakter van de informatie betreffende produkten van oorsprong uit het grondgebied van andere leden die bij deze conformiteitsbeoordeling wordt verkregen of in verband daarmee wordt verstrekt op dezelfde wijze wordt gerespecteerd als het geval is voor binnenlandse produkten en op zodanige wijze dat de legitieme handelsbelangen van de betrokkenen worden beschermd;
- 5.2.5. alle voor de conformiteitsbeoordeling van produkten van oorsprong uit het grondgebied van de andere Leden gevraagde vergoedingen billijk zijn in vergelijking met de vergoedingen die voor de conformiteitsbeoordeling van soortgelijke produkten van oorsprong uit het eigen land of van oorsprong uit enig ander land worden gevraagd, met inachtneming van de kosten van communicatie en vervoer en andere kosten die het gevolg zijn van het feit dat de bedrijfsruimten van de aanvrager en die van de met de conformiteitsbeoordeling belaste instantie op verschillende plaatsen gevestigd zijn.
- 5.2.6. de vestigingsplaatsen van de voor de conformiteitsbeoordeling gebruikte installaties en de monsterneming de aanvragers of hun vertegenwoordigers geen onnodige moeilijkheden bezorgen;
- 5.2.7. wanneer de specificaties van een produkt worden gewijzigd nadat de conformiteit daarvan met technische voorschriften of normen werd vastgesteld, de conformiteitsbeoordelingsprocedure voor het gewijzigde produkt beperkt blijft tot hetgeen noodzakelijk is om met voldoende zekerheid te bepalen dat het produkt nog steeds aan de betrokken technische voorschriften of normen voldoet;
- 5.2.8. er een procedure is voor het onderzoek van klachten in verband met de werking van een conformiteitsbeoordelingsprocedure en voor het nemen van corrigerende maatregelen wanneer een klacht gegrond wordt bevonden.
5.3. Geen enkele bepaling van de leden 1 en 2 vormt voor de Leden een beletsel om, binnen redelijke grenzen, op hun grondgebied steekproefcontroles uit te voeren.
5.4. In gevallen waarin uitdrukkelijk moet worden bevestigd dat produkten in overeenstemming zijn met de technische voorschriften of normen en hieromtrent leidraden of aanbevelingen van internationale normalisatie-instellingen bestaan of dergelijke leidraden of aanbevelingen over korte tijd beschikbaar zullen zijn, dragen de Leden zorg dat de centrale overheidsorganen deze leidraden of aanbevelingen, of althans de relevante delen daarvan, als grondslag voor hun conformiteitsbeoordelingsprocedures gebruiken, tenzij dergelijke leidraden of aanbevelingen, zoals op verzoek uitvoerig wordt toegelicht, voor de betrokken Leden ongeschikt zijn om redenen in verband met, onder meer: de nationale veiligheid, de voorkoming van misleidende praktijken, de bescherming van de gezondheid of de veiligheid van mensen en van het leven of de gezondheid van dieren of planten of van het milieu; fundamentele klimatologische of andere geografische factoren en fundamentele technologische of infrastructurele problemen.
5.5. Met het oog op een zo ruim mogelijke harmonisatie van de conformiteitsbeoordelingsprocedures nemen de Leden, binnen de grenzen van hun mogelijkheden, volledig deel aan het opstellen van leidraden of aanbevelingen voor deze procedures door de bevoegde internationale normalisatie-instellingen.
5.6. De Leden verbinden zich ertoe, wanneer geen toepasselijke leidraad of aanbeveling van een internationale normalisatie-instelling voorhanden is of de technische inhoud van een voorgestelde conformiteitsbeoordelingsprocedure niet in overeenstemming is met de desbetreffende leidraden of aanbevelingen van internationale normalisatie-instellingen en de conformiteitsbeoordelingsprocedure aanzienlijke consequenties kan hebben voor het handelsverkeer van ander Leden:
- 5.6.1. tijdig en op zodanige wijze dat belanghebbenden in andere Leden daarvan kennis kunnen nemen, een bericht te publiceren waarin zij het voornemen te kennen geven een bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedure in te voeren;
- 5.6.2. de andere Leden via het Secretariaat mede te delen op welke produkten de voorgestelde procedure betrekking heeft, met een beknopte omschrijving van het doel en van de redenen welke eraan ten grondslag liggen. Dergelijke kennisgevingen vinden in een voldoende vroeg stadium plaats, zodat nog wijzigingen kunnen worden aangebracht en rekening kan worden gehouden met commentaar;
- 5.6.3. de andere Leden op hun verzoek bijzonderheden of de tekst van de voorgestelde procedure te doen toekomen en, indien mogelijk, aan te geven op welke punten deze wezenlijk van de leidraden of aanbevelingen van de internationale normalisatie-instellingen afwijkt;
- 5.6.4. de andere Leden, zonder discriminatie, de gelegenheid te geven schriftelijke commentaar naar voren te brengen, op hun verzoek van gedachten te wisselen over deze commentaar en rekening te houden met deze schriftelijke commentaar en met het resultaat van de gedachtenwisselingen.
5.7. Onverminderd het bepaalde in de aanhef van lid 6 kan een Lid dat met dringende problemen inzake veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid geconfronteerd wordt of dreigt te worden geconfronteerd, indien het dit noodzakelijk acht bepaalde van de in lid 6 bedoelde maatregelen achterwege laten, op voorwaarde dat dit Lid bij het aannemen van de procedure:
- 5.7.1. de andere Leden via het Secretariaat onverwijld in kennis stelt van de betrokken procedure en van de produkten waarop deze betrekking heeft, met een beknopte opgave van het nagestreefde doel en van de redenen welke aan de procedure ten grondslag liggen, met inbegrip van de aard van de dringende problemen;
- 5.7.2. de andere Leden op hun verzoek de tekst van de procedure doet toekomen;
- 5.7.3. de andere Leden, zonder discriminatie, de gelegenheid geeft schriftelijke commentaar naar voren te brengen, op hun verzoek van gedachten wisselt over deze commentaar en rekening houdt met deze schriftelijke commentaar en met het resultaat van de gedachtenwisseling.
5.8. De Leden dragen zorg dat alle conformiteitsbeoordelingsprocedures die worden aangenomen onverwijld worden bekendgemaakt of op een zodanige andere wijze toegankelijk worden gemaakt dat belanghebbenden en andere Leden daarvan kennis kunnen nemen.
5.9. Behalve in de in lid 7 bedoelde dringende gevallen nemen de Leden een redelijke termijn in acht tussen het bekendmaken van de vereisten in verband met de conformiteitsbeoordelingsprocedure en de inwerkingtreding daarvan ten einde de producenten in de exporterende Leden, in het bijzonder de Leden die ontwikkelingslanden zijn, voldoende tijd te geven om hun produkten of produktiemethoden aan de eisen van het importerende Lid aan te passen.
Artikel 6. Erkenning van de conformiteitsbeoordeling door organen van de centrale overheid
Wat de organen van hun centrale overheid betreft:
6.1. Zal het streven van de Leden zoveel mogelijk erop gericht zijn, onverminderd het bepaalde in lid 3 en lid 4, de resultaten van de conformiteitsbeoordelingsprocedures in andere Leden te doen aanvaarden, zelfs wanneer deze procedures verschillend zijn van hun eigen procedures, indien zij ervan overtuigd zijn dat deze procedures eenzelfde mate van conformiteit met de technische voorschriften en normen garanderen als hun eigen procedures. De Leden zijn het erover eens dat voorafgaand overleg noodzakelijk kan zijn ten einde een voor alle belanghebbenden aanvaardbaar akkoord te bereiken, meer bepaald wat betreft:
- 6.1.1. de toereikende en duurzame technische deskundigheid van de organen die in het exporterende Lid bevoegd zijn voor het beoordelen van de conformiteit, zodat er geen twijfel over bestaat dat de resultaten van hun conformiteitsbeoordeling ook in de toekomst betrouwbaar zullen zijn. Indien, bijvoorbeeld door accreditering, wordt aangetoond dat de vorengenoemde organen de desbetreffende leidraden en aanbevelingen van de internationale normalisatie-instellingen opvolgen, kan dit als een aanwijzing worden beschouwd dat deze organen over een toereikende technische deskundigheid beschikken.
- 6.1.2. het feit dat uitsluitend de resultaten van de door de bevoegde instanties in het exporterende Lid uitgevoerde conformiteitsbeoordelingen worden aanvaard.
6.2. De Leden dragen zorg dat hun conformiteitsbeoordelingsprocedures in zoverre mogelijk de tenuitvoerlegging van het bepaalde in lid 1 toelaten.
6.3. De Leden worden ertoe aangemoedigd de door andere Leden ingediende verzoeken om onderhandelingen over de sluiting van Overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning van de resultaten van elkaars conformiteitsbeoordelingsprocedures in welwillende overweging te nemen. De Leden kunnen verlangen dat dergelijke Overeenkomsten aan de criteria van lid 1 voldoen en voor beide partijen aanvaardbaar zijn wat de mogelijkheid tot vereenvoudiging van de handel in de betrokken produkten betreft.
6.4. De Leden worden ertoe aangemoedigd de op het grondgebied van andere Leden gevestigde organen die bevoegd zijn voor het beoordelen van de conformiteit, aan hun conformiteitsbeoordelingsprocedures te laten deelnemen onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke aan de op hun grondgebied of op het grondgebied van enig ander land gevestigde organen worden toegekend.
Artikel 7. Procedures voor het beoordelen van de conformiteit door lokale overheidsorganen
Ten aanzien van de op hun grondgebied gevestigde lokale overheidsorganen:
7.1. Nemen de Leden alle hun ter beschikking staande redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de genoemde organen de bepalingen van de artikelen 5 en 6 naleven, met uitzondering van de verplichting tot kennisgeving bedoeld in artikel 5, leden 6.2. en 7.1.
7.2. Dragen de Leden zorg dat de conformiteitsbeoordelingsprocedures die worden toegepast door rechtstreeks onder de centrale overheid ressorterende lokale overheidsorganen in de Leden overeenkomstig artikel 5, leden 6.2. en 7.1 worden medegedeeld, met dien verstande dat deze kennisgevingen niet vereist zijn voor conformiteitsbeoordelingsprocedures waarvan de technische inhoud in wezen gelijk is aan die van eerder medegedeelde conformiteitsbeoordelingsprocedures van de centrale overheidsorganen van de betrokken Leden.
7.3. De Leden kunnen eisen dat de contacten met andere Leden, inclusief de kennisgevingen, het verstrekken van informatie, het naar voren brengen van commentaar en de gedachtenwisselingen bedoeld in artikel 5, leden 6 en 7, via de centrale overheid plaatsvinden.
7.4. De Leden nemen geen maatregelen die lokale overheidsorganen op hun grondgebied ertoe verplichten of bewegen te handelen op een wijze die onverenigbaar is met de bepalingen van de artikelen 5 en 6.
7.5. De Leden dragen bij de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst de volledige verantwoordelijkheid voor de naleving van alle bepalingen van de artikelen 5 en 6. De Leden zullen positieve maatregelen en mechanismen tot stand brengen en ten uitvoer leggen ten einde de naleving van het bepaalde in de artikelen 5 en 6 door andere dan centrale overheidsorganen te bevorderen.
Artikel 8. Door niet-gouvernementele organen toegepaste procedures voor het beoordelen van de conformiteit
8.1. De Leden nemen alle hun ter beschikking staande redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat niet-gouvernementele organen op hun grondgebied die conformiteitsbeoordelingsprocedures toepassen de artikelen 5 en 6 naleven, met uitzondering van de verplichting tot kennisgeving van voorgestelde conformiteitsbeoordelingsprocedures. Bovendien nemen de Leden geen maatregelen die dergelijke organen direct of indirect ertoe verplichten of bewegen te handelen op een wijze die onverenigbaar is met de bepalingen van de artikelen 5 en 6.
8.2. De Leden zien er op toe dat hun centrale overheidsorganen de door niet-gouvernementele organen toegepaste conformiteitsbeoordelingsprocedures enkel gebruiken indien laatstgenoemde organen de bepalingen van de artikelen 5 en 6 naleven, met uitzondering van de verplichting tot kennisgeving van voorgestelde conformiteitsbeoordelings- procedures.
Artikel 9. Internationale en regionale systemen
9.1. Wanneer een uitdrukkelijke bevestiging van conformiteit met een technisch voorschrift of een norm vereist is, dienen de leden, voor zover dit in de praktijk uitvoerbaar is, internationale systemen voor conformiteitsbeoordeling tot stand te brengen en te aanvaarden, waarvan zij lid worden of waaraan zij deelnemen.
9.2. De Leden nemen alle hun ter beschikking staande redelijke maatregelen opdat de internationale en regionale conformiteitsbeoordelingssystemen waarvan de bevoegde organen op hun grondgebied Lid zijn of waaraan deze deelnemen, voldoen aan de bepalingen van de artikelen 5 en 6. Voorts nemen de Leden geen maatregelen die direct of indirect ertoe leiden of bevorderen dat dergelijke systemen functioneren op een wijze die onverenigbaar is met de bepalingen van de artikelen 5 en 6.
9.3. De Leden zien er op toe dat hun centrale overheidsorganen de internationale of regionale conformiteitsbeoordelingssystemen slechts gebruiken voor zover deze systemen in overeenstemming zijn met de bepalingen van, al naar gelang van het geval, de artikelen 5 en 6.
INFORMATIE EN BIJSTAND
Artikel 10. Informatie betreffende technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures
10.1. Ieder Lid zorgt voor een informatiepunt dat alle redelijke verzoeken om inlichtingen van andere Leden en belanghebbenden in andere Leden kan beantwoorden en dat relevante documenten kan verschaffen met betrekking tot:
- 10.1.1. alle technische voorschriften die op zijn grondgebied zijn aangenomen of voorgesteld door organen van de centrale of de lokale overheid, niet-gouvernementele organen die wettelijk bevoegd zijn de naleving van een technisch voorschrift te handhaven of regionale normalisatie-instellingen waarvan deze organen lid zijn of waaraan zij deelnemen;
- 10.1.2. alle normen die op zijn grondgebied zijn aangenomen of voorgesteld door centrale of lokale overheidsorganen of door regionale normalisatie-instellingen waarvan deze organen lid zijn of waaraan zij deelnemen;
- 10.1.3. alle conformiteitsbeoordelingsprocedures of voorgestelde conformiteitsbeoordelingsprocedures die op zijn grondgebied worden toegepast door centrale of lokale overheidsorganen of door niet-gouvernementele organen die wettelijk bevoegd zijn de naleving van een technisch voorschrift te handhaven of door regionale organen waarvan dergelijke organen lid zijn of waaraan zij deelnemen;
- 10.1.4. het lidmaatschap van en de deelneming aan internationale of regionale normalisatie-instellingen, conformiteitsbeoordelingssystemen en bilaterale en multilaterale regelingen, van het Lid of van de bevoegde centrale of lokale overheidsorganen op zijn grondgebied, in het kader van deze Overeenkomst; voorts dient ieder Lid in staat te zijn redelijke informatie te verschaffen over de inhoud van dergelijke systemen en regelingen;
- 10.1.5. de vindplaats van de krachtens deze Overeenkomst gepubliceerde berichten of het verstrekken van informatie omtrent de plaats waar dergelijke inlichtingen kunnen worden verkregen; en
- 10.1.6. de plaats waar de in lid 3 bedoelde informatiepunten zich bevinden.
10.2. Indien een Lid, om wettelijke of administratieve redenen, meer dan één informatiepunt opricht, verschaft dit Lid de andere Leden volledige en duidelijke informatie omtrent de taken en de verantwoordelijkheid van elk informatiepunt. Voorts ziet dit Lid er op toe dat alle verzoeken om inlichtingen die aan een verkeerd informatiepunt worden gericht onmiddellijk naar het juiste informatiepunt worden doorverwezen.
10.3. Elk Lid treft alle hem te beschikking staande redelijke maatregelen opdat één of meer informatiepunten alle redelijke verzoeken om inlichtingen van andere Leden en belanghebbenden in andere Leden kunnen beantwoorden en, bovendien, relevante documenten of informatie over de vindplaats daarvan kunnen verschaffen, meer bepaald met betrekking tot:
- 10.3.1. alle normen die op zijn grondgebied zijn aanvaard of voorgesteld door niet-gouvernementele normalisatie-instellingen of regionale normalisatie-instellingen waarvan dergelijke instellingen lid zijn of waaraan zij deelnemen; en
- 10.3.2. alle conformiteitsbeoordelingsprocedures of voorgestelde conformiteitsbeoordelingsprocedures die op zijn grondgebied worden toegepast door niet-gouvernementele organen of regionale organen waarvan dergelijke organen Lid zijn of waaraan zij deelnemen;
- 10.3.3. het lidmaatschap van en de deelneming aan internationale en regionale normalisatie-instellingen, conformiteitsbeoordelingssystemen en bilaterale en multilaterale regelingen, van de bevoegde niet-gouvernementele organen op zijn grondgebied, in het kader van deze Overeenkomst; voorts dient elk Lid in staat te zijn redelijke informatie te verschaffen over de inhoud van dergelijke systemen en regelingen;
10.4. De Leden nemen alle hun ter beschikking staande redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer andere Leden of belanghebbenden in andere Leden overeenkomstig het bepaalde in deze Overeenkomst om afschriften van documenten verzoeken, deze ter beschikking worden gesteld tegen een redelijke prijs (voor zover zij niet gratis worden verstrekt) die, afgezien van de werkelijke portokosten, dezelfde is voor onderdanenVoor afzonderlijke douanegebieden die Lid zijn van de WTO worden onder „onderdanen" verstaan personen, zowel natuurlijke personen als rechtspersonen, die hun woonplaats hebben in dit douanegebied of aldaar een werkelijke en functionerende industriële of commerciële vestiging hebben. van het betrokken Lid als voor onderdanen van andere Leden.
10.5. Leden die ontwikkelde landen zijn zorgen op verzoek van andere Leden voor vertalingen in het Engels, het Frans of het Spaans van de documenten waarop een bepaald bericht betrekking heeft. Wanneer het omvangrijke documenten betreft, stellen zij samenvattingen van deze documenten ter beschikking.
10.6. Wanneer het Secretariaat kennisgevingen ontvangt uit hoofde van deze Overeenkomst, doet het de tekst van deze kennisgevingen toekomen aan alle Leden en belanghebbende internationale normalisatie-instellingen en conformiteitsbeoordelingsorganen en vestigt het de aandacht van de Leden die ontwikkelingslanden zijn op alle kennisgevingen die betrekking hebben op produkten die voor deze Leden van bijzonder belang zijn.
10.7. Wanneer een Lid met een ander land of andere landen een overeenkomst heeft gesloten over onderwerpen die verband houden met technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures die aanzienlijke consequenties kunnen hebben voor het handelsverkeer, geeft tenminste één Lid dat partij is bij de overeenkomst de andere Leden via het Secretariaat kennis van de produkten waarop de overeenkomst betrekking heeft, met een korte beschrijving van de overeenkomst. De betrokken Leden worden ertoe aangemoedigd, indien zij daarom worden verzocht, in overleg te treden met andere Leden met het oog op de sluiting van soortgelijke overeenkomsten of ten einde de toetreding van deze Leden tot dergelijke overeenkomsten mogelijk te maken.
10.8. Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst wordt uitgelegd als een verplichting tot:
- 10.8.1. het publiceren van teksten in andere talen dan die van het betrokken Lid;
- 10.8.2. het verstrekken van bijzonderheden of de tekst van ontwerpen in andere talen dan die van het betrokken Lid, behoudens het bepaalde in lid 5; of
- 10.8.3. het verstrekken door de Leden van informatie waarvan de bekendmaking huns inziens strijdig is met hun fundamentele veiligheidsbelangen.
10.9. Kennisgevingen aan het Secretariaat zijn in het Engels, het Frans of het Spaans gesteld.
10.10. De Leden wijzen één enkele centrale overheidsinstantie aan die verantwoordelijk is voor de toepassing op nationaal niveau van de bepalingen betreffende de kennisgevingsprocedures uit hoofde van deze Overeenkomst, met uitzondering van die bedoeld in bijlage 3.
10.11. Indien evenwel om wettelijke of administratieve redenen de verantwoordelijkheid voor kennisgevingsprocedures door twee of meer centrale overheidsinstanties gedeeld wordt, verschaft het betrokken Lid de andere Leden volledige en duidelijke informatie over het gebied waarvoor elk van deze instanties verantwoordelijk is.
Artikel 11. Technische bijstand aan andere Leden
11.1. De Leden verstrekken de andere Leden, in het bijzonder de Leden die ontwikkelingslanden zijn, op verzoek advies omtrent het opstellen van technische voorschriften.
11.2. De Leden verstrekken de andere Leden, in het bijzonder de Leden die ontwikkelingslanden zijn, op verzoek advies en verlenen deze Leden, op onderling overeengekomen voorwaarden, technische bijstand bij de oprichting van nationale normalisatie-instellingen en de deelneming aan internationale normalisatie-instellingen en moedigen hun nationale normalisatie-instellingen aan op dezelfde wijze te handelen.
11.3. De Leden treffen, indien zij daarom worden verzocht, alle hun ter beschikking staande redelijke maatregelen om te bewerkstellingen dat de op hun grondgebied gevestigde regelgevende organen de andere Leden, in het bijzonder de Leden die ontwikkelingslanden zijn, advies geven en deze Leden op onderling overeengekomen voorwaarden technische bijstand verlenen met betrekking tot:
- 11.3.1. de oprichting van regelgevende organen of organen die bevoegd zijn de conformiteit met technische voorschriften te beoordelen; en
- 11.3.2. de methoden waarmee het best aan hun technische voorschriften kan worden voldaan.
11.4. De Leden treffen op verzoek alle hun ter beschikking staande redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat advies wordt verstrekt aan andere Leden, in het bijzonder aan Leden die ontwikkelingslanden zijn, en verlenen deze Leden op onderling overeengekomen voorwaarden technische bijstand bij de oprichting van organen die bevoegd zijn voor het beoordelen van de conformiteit met op het grondgebied van het verzoekende Lid aangenomen normen.
11.5. De Leden verstrekken de andere Leden, in het bijzonder de Leden die ontwikkelingslanden zijn, op verzoek advies en verlenen deze Leden op onderling overeengekomen voorwaarden technische bijstand met betrekking tot de maatregelen die de producenten in deze landen zouden moeten nemen om toegang te verkrijgen tot de conformiteitsbeoordelingssystemen die worden toegepast door overheidsorganen of niet-gouvernementele organen op het grondgebied van het Lid dat het verzoek ontvangt.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)