Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie

Type Verdrag
Publication 2017-01-23
State In force
Source BWB
artikelen 311
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • b. deelt de Raad voor de Handel in Diensten zo vroeg mogelijk vóór de opening van onderhandelingen over een overeenkomst of regeling van de in lid 1 bedoelde soort mede dat onderhandelingen zullen aanvangen, zodat elk ander Lid voldoende gelegenheid heeft om van zijn interesse aan de deelname aan de onderhandelingen blijk te geven voordat deze een essentiële fase ingaan;
  • c. deelt de Raad voor de Handel in Diensten terstond mede wanneer het nieuwe erkenningsmaatregelen aanneemt of bestaande aanmerkelijk wijzigt en geeft daarbij aan of de maatregelen op een overeenkomst of regeling van de in lid 1 bedoelde soort zijn gebaseerd.
5.

Telkens wanneer dit gepast is, dient erkenning op grond van multilateraal overeengekomen criteria te geschieden. In daartoe geëigende gevallen werken de Leden met de bevoegde overheidsinstanties en niet-gouvernementele organisaties samen bij de opstelling en goedkeuring van gemeenschappelijke internationale normen en criteria voor erkenning en van gemeenschappelijke internationale normen voor de uitoefening van activiteiten en beroepen in verband met de dienstverlening.

Artikel VIII. Monopolies en exclusieve dienstverleners

1.

Ieder Lid ziet erop toe dat een dienstverlener met een monopolie op zijn grondgebied, bij de verlening van een dienst op de markt waarop hij een monopolie heeft, niet handelt op een wijze die strijdig is met de verplichtingen van dat Lid ingevolge artikel II en zijn specifieke verbintenissen.

2.

Indien een dienstverlener met een monopolie van een Lid, direct of via een gelieerd bedrijf, concurreert voor de verlening van een dienst die niet onder zijn monopolierechten valt en waarvoor dat Lid specifieke verbintenissen is aangegaan, ziet dat Lid erop toe dat die dienstverlener geen misbruik van zijn monopoliepositie maakt om op zijn grondgebied in strijd met deze verbintenissen te handelen.

3.

Op verzoek van een Lid dat redenen heeft om aan te nemen dat een dienstverlener met een monopolie van een ander Lid in strijd met lid 1 of lid 2 handelt, kan de Raad voor de Handel in Diensten het Lid dat deze dienstverlener heeft opgericht, in stand houdt of vergunning verleent, vragen specifieke inlichtingen over de desbetreffende transacties te verstrekken.

4.

Indien een Lid na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst monopolierechten tot verlening van een onder zijn specifieke verbintenissen vallende dienst toekent, meldt dat Lid dit ten laatste drie maanden voor de voorgenomen datum van effectieve verlening van de monopolierechten bij de Raad voor de Handel in Diensten aan en zijn de bepalingen van artikel XXI, leden 2, 3 en 4, van toepassing.

5.

Dit artikel is tevens van toepassing op exclusieve dienstverleners indien een Lid, formeel of feitelijk, a. een klein aantal dienstverleners opricht of daaraan vergunning verleent, en b. de mededinging tussen hen op zijn grondgebied aanmerkelijk verhindert.

Artikel IX. Handelspraktijken

1.

De Leden erkennen dat bepaalde handelspraktijken van dienstverleners, andere dan die welke in artikel VIII zijn bedoeld, de mededinging en daarmee de handel in diensten kunnen beperken.

2.

Ieder Lid treedt op verzoek van een ander Lid in overleg met het oog op uitbanning van de in lid 1 genoemde praktijken. Het aangezochte Lid behandelt dit verzoek diepgaand en met welwillendheid en werkt mee door middel van de verstrekking van algemeen beschikbare, niet-vertrouwelijke informatie die voor het betrokken geval van belang is. Het aangezochte Lid verstrekt tevens andere beschikbare informatie aan het verzoekende Lid, onder voorbehoud van zijn nationale recht en het sluiten van een bevredigende overeenkomst betreffende de eerbiediging van de vertrouwelijke aard van deze informatie door het verzoekende Lid.

Artikel X. Urgentie-vrijwaringsmaatregelen

1.

Er worden multilaterale onderhandelingen gevoerd over urgentie-vrijwaringsmaatregelen die van het beginsel van non-discriminatie uitgaan. De resultaten van die onderhandelingen worden uiterlijk drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst van kracht.

2.

In de periode die voorafgaat aan het van kracht worden van de resultaten van de in lid 1 genoemde onderhandelingen kan ieder Lid, in afwijking van artikel XXI, lid 1, de Raad voor de Handel in Diensten in kennis stellen van zijn voornemen een specifieke verbintenis een jaar na de inwerkingtreding te wijzigen of in te trekken, voor zover het Lid de Raad redenen kan opgeven voor het feit dat met de wijziging of intrekking niet tot het verstrijken van de in artikel XXI, lid 1, vermelde termijn van drie jaar kan worden gewacht.

3.

Lid 2 vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst.

Artikel XI. Betalingen en overmakingen

1.

Een Lid past geen beperkingen toe op internationale overmakingen en betalingen voor lopende transacties die verband houden met zijn specifieke verbintenissen, behoudens in de in artikel XII genoemde omstandigheden.

2.

Geen enkele bepaling in deze 0vereenkomst doet afbreuk aan de rechten en plichten van de leden van het Internationale Monetaire Fonds die uit de artikelen van de Overeenkomst van dit Fonds voortvloeien, met inbegrip van wisselkoersmaatregelen overeenkomstig de artikelen van Overeenkomst, voor zover een Lid geen beperkingen instelt op kapitaaltransacties op een wijze die in strijd is met zijn specifieke verbintenissen betreffende die transacties, behalve bij toepassing van artikel XII of op verzoek van het Fonds.

Artikel XII. Beperkingen ter bescherming van de betalingsbalans

1.

In geval van ernstige problemen of dreigende ernstige problemen op het gebied van de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie, mag een Lid beperkingen op de handel in diensten waarvoor het specifieke verplichtingen is aangegaan instellen of in stand houden, waaronder beperkingen op betalingen of overmakingen voor transacties die met die verbintenissen verband houden. Erkend wordt dat een bijzondere druk op de betalingsbalans van een Lid dat met economische ontwikkeling of economische omschakeling bezig is het instellen van beperkingen noodzakelijk kan maken om dit Lid, onder andere, in staat te stellen, voldoende financiële reserves aan te houden om het programma voor economische ontwikkeling of economische omschakeling te kunnen uitvoeren.

2.

De in lid 1 bedoelde beperkingen:

  • a. mogen niet discrimineren tussen de Leden;
  • b. zijn in overeenstemming met de artikelen van de Overeenkomst van het Internationale Monetaire Fonds;
  • c. brengen geen onnodig nadeel toe aan de commerciële, economische en financiële belangen van de andere Leden;
  • d. gaan niet verder dan gezien de in lid 1 beschreven omstandigheden noodzakelijk is;
  • e. zijn tijdelijk en worden geleidelijk opgeheven naarmate de in lid 1 omschreven situatie verbetert.
3.

Bij de vaststelling van de beperkingen mogen de Leden voorrang geven aan de verlening van diensten die van groter belang zijn voor hun economische programma's of ontwikkelingsprogramma's. Deze beperkingen mogen evenwel niet worden vastgesteld of gehandhaafd ten behoeve van de bescherming van een bepaalde dienstensector.

4.

Elke ingevolge lid 1 vastgestelde, gehandhaafde of gewijzigde beperking wordt terstond bij de Algemene Raad aangemeld.

  • a. Leden die de bepalingen van dit artikel toepassen plegen terstond overleg met de Commissie Betalingsbalansbeperkingen over de krachtens dit artikel aangenomen beperkingen.
  • b. De Ministeriële Conferentie stelt procedures1)De procedures op grond van lid 5 zijn dezelfde procedures als die van de GATT 1994. vast voor periodiek overleg ten einde het betrokken Lid alle nuttig geachte aanbevelingen te kunnen doen.
  • c. Bij dit overleg worden de betalingsbalanspositie van het betrokken Lid en de krachtens dit artikel vastgestelde of gehandhaafde beperkingen onderzocht, waarbij onder meer de volgende factoren in aanmerking worden genomen:
  • i. de aard en omvang van de problemen op het gebied van de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie;
  • ii. het buitenlandse economische milieu en het handelsmilieu van het Lid dat overleg pleegt;
  • iii. andere corrigerende maatregelen die eventueel genomen kunnen worden.
  • d. Het overleg heeft betrekking op de verenigbaarheid van een beperking met lid 2, met name met de geleidelijke opheffing van beperkingen in overeenstemming met lid 2, onder e..
  • e. Bij dit overleg worden alle bevindingen van statistische en andere gegevens die van het Internationale Monetaire Fonds afkomstig zijn met betrekking tot deviezen, monetaire reserves en betalingsbalansen aanvaard en de conclusies worden gebaseerd op het oordeel van het Fonds over de betalingsbalans en de externe financiële positie van het Lid dat overleg pleegt.
6.

Wanneer een Lid dat niet bij het Internationale Monetaire Fonds is aangesloten de bepalingen van dit artikel wil toepassen, stelt de Ministeriële Conferentie een onderzoekprocedure en elke andere noodzakelijke procedure in.

Artikel XIII. Overheidsopdrachten

1.

De artikelen II, XVI en XVII zijn niet van toepassing op wetten, voorschriften of eisen voor de verwerving door overheidsinstanties van diensten aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of het gebruik bij dienstverlening voor commerciële verkoop.

2.

Binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst vinden multilaterale onderhandelingen plaats over overheidsopdrachten voor diensten die onder deze Overeenkomst vallen.

Artikel XIV. Algemene uitzonderingen

Onder voorbehoud dat de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel vormen tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen waar gelijksoortige omstandigheden heersen of tot een verkapte beperking van de handel in diensten, wordt geen bepaling in deze Overeenkomst uitgelegd als een beletsel voor het vaststellen of toepassen door een Lid van maatregelen:

  • a. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare zeden of de handhaving van de openbare orde1)De uitzondering betreffende de openbare orde mag slechts worden ingeroepen in geval van een daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging van fundamentele maatschappelijke belangen.;
  • b. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
  • c. die noodzakelijk zijn voor de handhaving van wetten of voorschriften die niet strijdig zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:
  • i. het voorkomen van misleidende of frauduleuse praktijken of middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van dienstenovereenkomsten te compenseren;
  • ii. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en de bescherming van vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;
  • iii. veiligheid;
  • d. die strijdig zijn met artikel XVII, mits het verschil in behandeling is bedoeld om directe belastingen op billijke of doeltreffende wijze2)Maatregelen die bedoeld zijn om directe belastingen op billijke en doeltreffende wijze te kunnen opleggen en innen omvatten maatregelen die een Lid op grond van zijn belastingstelsel neemt en die:i.van toepassing zijn op dienstverleners die niet-ingezetenen zijn, gezien het feit dat de fiscale verplichtingen van niet-ingezetenen worden vastgesteld op grond van belastbare feiten die op het grondgebied van het Lid hun oorsprong vinden of geschieden; ofii.van toepassing zijn op niet-ingezetenen om belastingen op het grondgebied van het Lid te kunnen opleggen en innen; ofiii.van toepassing zijn op niet-ingezetenen of ingezetenen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking, uitvoeringsbepalingen daarbij inbegrepen; ofiv.van toepassing zijn op gebruikers van diensten die op of vanaf het grondgebied van een ander Lid worden verleend om ervoor te zorgen dat door die gebruiker verschuldigde belastingen die hun bron op het grondgebied van het Lid hebben, opgelegd of geïnd kunnen worden; ofv.een onderscheid maken tussen dienstverleners die belastingplichtig zijn ter zake van wereldwijd belastbare feiten en andere dienstverleners, gezien het verschil in de aard van de heffingsgrondslag tussen hen; ofvi.inkomen, winst, voordeel, verlies, aftrek of krediet van ingezeten personen of filialen, dan wel tussen gelieerde personen of filialen van dezelfde persoon vaststellen, toewijzen of omslaan, om de belastinggrondslag van het Lid te behouden.De belastingvoorwaarden of -concepten van artikel XIV, lid d. en deze voetnoot worden vastgesteld volgens de belastingdefinities en -concepten, dan wel gelijkwaardige of soortgelijke definities en concepten van het nationale recht van het Lid dat de maatregel neemt. te kunnen opleggen of innen ten aanzien van diensten of dienstverleners van andere Leden;
  • e. die strijdig zijn met artikel II, mits het verschil in behandeling het gevolg is van een overeenkomst ter vermijding van dubbele belastingheffing of van bepalingen ter vermijding van dubbele belastingheffing in een internationale overeenkomst of regeling waaraan een Lid is gebonden.

Artikel XIVbis. Uitzonderingen met betrekking tot de staatsveiligheid

1.

Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat zij:

  • a. een Lid verplicht gegevens te verstrekken waarvan openbaarmaking naar zijn oordeel tegen zijn wezenlijke veiligheidsbelangen indruist; of
  • b. een Lid belet maatregelen te nemen die het ter bescherming van de wezenlijke veiligheidsbelangen nodig acht en die
  • i. betrekking hebben op de verlening van diensten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting als doel heeft;
  • ii. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;
  • iii. in tijden van oorlog of van ernstige internationale spanningen worden genomen, of
  • c. een Lid belet maatregelen te nemen tot handhaving van de internationale vrede en veiligheid ingevolge zijn verplichtingen krachtens het Handvest van de Verenigde Naties.
2.

De Raad voor de Handel in Diensten wordt zo volledig mogelijk op de hoogte gebracht van de op grond van lid 1, onder b. en c., genomen maatregelen en de beëindiging daarvan.

Artikel XV. Subsidies

1.

De Leden erkennen dat subsidies, in bepaalde omstandigheden, de handel in diensten kunnen verstoren. De Leden treden met elkaar in onderhandeling ten einde de noodzakelijke multilaterale disciplines te ontwikkelen om deze handelsverstoring te voorkomenIn een toekomstig werkprogrammma zal worden bepaald hoe en binnen welke termijn, over deze multilaterale disciplines zal worden onderhandeld. Bij deze onderhandelingen wordt tevens de gegrondheid van compenserende procedures besproken, waarbij de rol van subsidies in het kader van ontwikkelingsprogramma's van ontwikkelingslanden wordt erkend en met de behoeften van de Leden, met name van de Leden die ontwikkelingsland zijn, aan flexibiliteit op dit gebied rekening wordt gehouden. Met het oog op deze onderhandelingen wisselen de Leden informatie uit over alle subsidies in verband met de handel in diensten die zij hun binnenlandse dienstverleners toekennen1)In een toekomstig werkprogrammma zal worden bepaald hoe en binnen welke termijn, over deze multilaterale disciplines zal worden onderhandeld.. Bij deze onderhandelingen wordt tevens de gegrondheid van compenserende procedures besproken, waarbij de rol van subsidies in het kader van ontwikkelingsprogramma's van ontwikkelingslanden wordt erkend en met de behoeften van de Leden, met name van de Leden die ontwikkelingsland zijn, aan flexibiliteit op dit gebied rekening wordt gehouden. Met het oog op deze onderhandelingen wisselen de Leden informatie uit over alle subsidies in verband met de handel in diensten die zij hun binnenlandse dienstverleners toekennen.

2.

Elk Lid dat zich door een subsidie van een ander Lid benadeeld acht, kan om overleg over deze aangelegenheden met dat Lid verzoeken. Een dergelijk verzoek wordt in welwillende overweging genomen.

DEEL III. SPECIFIEKE VERBINTENISSEN

Artikel XVI. Markttoegang

1.

Wat markttoegang via de in artikel I genoemde vormen van dienstverlening betreft, geeft elk Lid diensten en dienstverleners van een ander Lid geen ongunstiger behandeling dan die waarin is voorzien in de voorwaarden en beperkingen die zijn overeengekomen en in zijn Lijst opgenomen1)Als een Lid een verbintenis betreffende markttoegang aangaat in verband met de verlening van een dienst door middel van de in artikel I, lid 2, onder a., genoemde verleningsvormen en grensoverschrijdend kapitaalverkeer een wezenlijk onderdeel van deze dienst uitmaakt, is dit Lid daardoor gehouden dit kapitaalverkeer toe te laten. Als een Lid een verbintenis betreffende markttoegang aangaat in verband met de verlening van een dienst door middel van de in artikel I, lid 2, onder c. genoemde verleningsvormen, is het Lid daardoor gehouden de daarmee verband houdende overmakingen van kapitaal naar zijn grondgebied toe te laten..

2.

In sectoren waarvoor verbintenissen betreffende markttoegang worden aangegaan, worden de volgende maatregelen door een Lid niet gehandhaafd noch genomen, noch op basis van een regionale onderverdeling, noch voor zijn gehele grondgebied, tenzij in zijn Lijst anders is bepaald:

  • a. beperkingen van het aantal dienstverleners in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners dan wel in de vorm van de eis van een onderzoek naar economische behoeften;
  • b. beperkingen van de totale waarde van transacties of activa in verband met diensten in de vorm van numerieke quota dan wel de eis van een onderzoek naar economische behoeften;
  • c. beperkingen van het totale aantal dienstentransacties of de totale hoeveelheid geleverde diensten, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar economische behoeften2)Lid 2, onder c. is niet van toepassing op maatregelen van een Lid die de input voor de verlening van een dienst beperken.;
  • d. beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat in een bepaalde dienstensector mag werken of dat een dienstverlener in dienst mag hebben en die nodig zijn voor, en zich rechtstreeks bezig houden met, de verlening van een specifieke dienst in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar economische behoeften;
  • e. maatregelen die het verlenen van diensten tot bepaalde rechtsvormen of joint-ventures beperken;
  • f. beperkingen van de participatie van buitenlands kapitaal in termen van een maximum-percentage voor buitenlands aandeelhouderschap of de totale waarde van individuele of totale buitenlandse investeringen.

Artikel XVII. Nationale behandeling

1.

Wat de in zijn Lijst opgenomen sectoren aangaat, en onder voorbehoud van de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, behandelt ieder Lid diensten en dienstverleners van andere Leden niet ongunstiger dan zijn eigen soortgelijke diensten en dienstverleners in verband met alle maatregelen die de dienstverlening raken1)De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een Lid verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners..

2.

Een Lid kan aan de verplichting van lid 1 voldoen door diensten en dienstverleners van de andere Leden hetzij formeel op gelijke wijze als de eigen soortgelijke diensten en dienstverleners te behandelen hetzij deze formeel een verschillende behandeling te geven.

3.

Een formeel gelijke of een formeel verschillende behandeling wordt als ongunstiger beschouwd indien deze de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten en dienstverleners van het Lid ten opzichte van soortgelijke diensten of dienstverleners van een ander Lid.

Artikel XVIII. Bijkomende verbintenissen

De Leden kunnen over verbintenissen onderhandelen met betrekking tot maatregelen die de handel in diensten raken en op grond van artikel XVI of artikel XVII niet in de Lijsten zijn opgenomen, met inbegrip van maatregelen op het gebied van kwalificaties, normen en vergunningen. Deze verbintenissen worden opgenomen in de Lijst van een Lid.

DEEL IV. GELEIDELIJKE LIBERALISERING

Artikel XIX. Onderhandelingen over specifieke verbintenissen

1.

Overeenkomstig de doelstellingen van deze Overeenkomst nemen de Leden aan achtereenvolgende onderhandelingsronden deel die uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst zullen aanvangen en daarna regelmatig zullen plaatsvinden ten einde de handel in diensten steeds meer te liberaliseren. Deze onderhandelingen zijn gericht op de beperking of afschaffing van maatregelen die van negatieve invloed zijn op de handel in diensten ten einde de markten daadwerkelijk toegankelijk te maken. Hierbij wordt gestreefd naar de bevordering van de belangen van alle deelnemers op basis van wederzijds voordeel en het bereiken van een globaal evenwicht tussen rechten en plichten.

2.

Bij het liberaliseringsproces wordt rekening gehouden met de nationale beleidsdoelstellingen en het ontwikkelingsniveau van de individuele Leden, zowel globaal als per sector. Voor individuele Leden die ontwikkelingsland zijn wordt in de nodige flexibiliteit voorzien: zij behoeven minder sectoren open te stellen, minder soorten transacties te liberaliseren, zij mogen hun markten geleidelijk openstellen afhankelijk van hun ontwikkelingssituatie en de opening van hun markten voor buitenlandse dienstverleners afhankelijk stellen van voorwaarden die erop gericht zijn de in artikel IV genoemde doeleinden te bereiken.

3.

Voor iedere ronde worden onderhandelingsrichtsnoeren en procedures vastgesteld. Bij de vaststelling van deze richtsnoeren gaat de Raad voor de Handel in Diensten over tot een evaluatie van de handel in diensten, in globale termen en op sectorale basis, door vergelijking met de doelstellingen van deze Overeenkomst, waaronder die van artikel IV, lid 1. In de onderhandelingsrichtsnoeren wordt bepaald op welke wijze de liberalisering wordt behandeld die Leden sinds de vorige onderhandelingen op autonome wijze hebben ondernomen, alsook, op grond van artikel IV, lid 3, wat de speciale behandeling inhoudt van de Leden die minstontwikkelde landen zijn.

4.

Het proces van geleidelijke liberalisering wordt tijdens iedere ronde voortgezet door middel van bilaterale, plurilaterale of multilaterale onderhandelingen die gericht zijn op de verhoging van het algemene niveau van de verbintenissen die de Leden ingevolge deze Overeenkomst zijn aangegaan.

Artikel XX. Lijsten van specifieke verbintenissen

1.

Ieder Lid stelt een lijst op van de specifieke verbintenissen die het op grond van Deel III van deze Overeenkomst aangaat. Met betrekking tot de sectoren waarvoor dergelijke verbintenissen zijn aangegaan, wordt in iedere Lijst het volgende vermeld:

  • a. de voorwaarden voor en de beperkingen op de markttoegang;
  • b. de voorwaarden en kwalificaties voor nationale behandeling;
  • c. de verplichtingen in verband met bijkomende verbintenissen;
  • d. indien van toepassing, het tijdschema voor de uitvoering van deze verbintenissen; en
  • e. de datum van inwerkingtreding van deze verbintenissen.
2.

Maatregelen die zowel met artikel XVI als artikel XVII strijdig zijn worden ingeschreven in de kolom betreffende artikel XVI. In dat geval wordt de inschrijving tevens als voorwaarde of kwalificatie voor de toepassing van artikel XVII beschouwd.

3.

De Lijsten van specifieke verbintenissen worden als bijlage bij deze Overeenkomst gevoegd en vormen een onderdeel daarvan.

Artikel XXI. Wijziging van de lijsten

  • a. Een Lid (in dit artikel „Lid dat een wijziging aanbrengt” genoemd) kan elke verbintenis die in zijn Lijst is opgenomen, na verloop van drie jaar na de datum van inwerkingtreding van die verbintenis, steeds wijzigen of intrekken, in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel.
  • b. Een Lid dat een wijziging aanbrengt meldt zijn voornemen een verbintenis krachtens dit artikel te wijzigen of in te trekken uiterlijk drie maanden voor de voorgenomen datum van uitvoering van de wijziging of intrekking bij de Raad voor de Handel in Diensten aan.
  • a. Loopt een Lid (hierna „getroffen Lid” genoemd) het risico dat de voordelen die hem op grond van deze Overeenkomst toekomen door een overeenkomstig lid 1, onder b. voorgenomen wijziging of intrekking worden aangetast, dan treedt het Lid dat een wijziging aanbrengt op verzoek van het getroffen Lid in onderhandeling om tot een akkoord te komen over een eventueel noodzakelijke compensatie. Bij deze onderhandelingen en in dit akkoord trachten de betrokken Leden een algemeen niveau van wederzijds voordelige verbintenissen te handhaven dat niet ongunstiger voor de handel is dan het niveau waarin de Lijsten van specifieke verbintenissen voorzagen voordat de onderhandelingen werden aangegaan.
  • b. Compensatie is op het meestbegunstigingsprincipe gebaseerd.
  • a. Indien voor het verstrijken van de voor onderhandelingen bepaalde periode geen akkoord is bereikt tussen het Lid dat een wijziging aanbrengt en het getroffen Lid, kan het getroffen Lid de zaak aan arbitrage onderwerpen. Elk getroffen Lid dat een eventueel recht op compensatie wil uitoefenen, moet aan de arbitrageprocedure deelnemen.
  • b. Wanneer geen enkel getroffen Lid om arbitrage heeft verzocht, is het Lid dat een wijziging aanbrengt vrij de voorgenomen wijziging of intrekking uit te voeren.
  • a. Het Lid dat een wijziging aanbrengt mag zijn verbintenis niet wijzigen of intrekken tot het overeenkomstig de uitspraak van de arbiter compensatie heeft verleend.
  • b. Wanneer het Lid dat een wijziging aanbrengt de door hem voorgenomen wijziging of intrekking uitvoert en zich niet naar de uitspraak van de arbiter voegt, mag elk getroffen Lid dat bij de arbitrage was betrokken substantieel gelijkwaardige voordelen overeenkomstig die uitspraak wijzigen of intrekken. In afwijking van artikel II mag deze wijziging of intrekking uitsluitend ten aanzien van het Lid dat een wijziging aanbrengt worden toegepast.
5.

De Raad voor de Handel in Diensten stelt procedures voor correctie of wijziging van de Lijsten vast. Elk Lid dat op grond van dit artikel in zijn Lijst opgenomen verbintenissen heeft gewijzigd of ingetrokken, wijzigt zijn Lijst overeenkomstig deze procedures.

DEEL V. INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel XXII. Overleg

1.

Elk Lid neemt de eventuele opmerkingen van een ander Lid over aangelegenheden in verband met de uitvoering van deze Overeenkomst in welwillende overweging en biedt voldoende gelegenheid voor overleg. Het Memorandum van Overeenstemming inzake de Beslechting van Geschillen (DSU) is op dit overleg van toepassing.

2.

De Raad voor de Handel in Diensten of het Orgaan voor Geschillenbeslechting (DSB) kan op verzoek van een Lid in overleg treden met een of meer Leden over kwesties waarvoor bij het in lid 1 bedoelde overleg geen bevredigende oplossing kon worden gevonden.

3.

Een Lid mag op grond van dit artikel of op grond van artikel XXIII geen beroep doen op artikel XVII ten aanzien van een maatregel van een ander Lid die onder het toepassingsgebied van een internationale overeenkomst valt die tussen hen is gesloten betreffende de vermijding van dubbele belastingheffing. In geval van onenigheid tussen Leden over de vraag of een maatregel onder het toepassingsgebied van een dergelijke overeenkomst valt, kan elk van beide Leden deze kwestie voor de Raad voor de Handel in Diensten brengen1)Wat betreft de overeenkomsten ter vermijding van dubbele belastingheffing die op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst reeds bestaan, kan een dergelijke kwestie alleen met instemming van beide Partijen bij die Overeenkomst voor de Raad voor de Handel in Diensten worden gebracht., die de kwestie aan arbitrage onderwerpt. De beslissing van de arbiter is definitief en bindend voor de Leden.

Artikel XXIII. Geschillenbeslechting en handhaving van de bepalingen van de Overeenkomst

1.

Indien een Lid van oordeel is dat een ander Lid zijn verplichtingen of specifieke verbintenissen uit hoofde van deze Overeenkomst niet nakomt, kan het een beroep doen op de DSU om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen.

2.

Het DSB kan een of meer Leden toestemming geven de nakoming van verplichtingen en specifieke verbintenissen jegens een of meer andere Leden overeenkomstig artikel 22 van de DSU op te schorten, indien het van oordeel is dat de omstandigheden ernstig genoeg zijn om een dergelijk handelen te rechtvaardigen.

3.

Indien een Lid van oordeel is dat een voordeel waarvan het redelijkerwijs kon verwachten dat het hem krachtens een specifieke verbintenis van een ander Lid ingevolge deel III van deze Overeenkomst zou toekomen, wordt uitgehold of te niet gedaan door de toepassing van een maatregel die niet met de bepalingen van deze Overeenkomst in strijd is, kan het een beroep doen op de DSU. Indien het DSB vaststelt dat de maatregel een dergelijk voordeel heeft uitgehold of te niet gedaan, is het getroffen Lid gerechtigd tot een voor beide partijen bevredigende aanpassing op grond van artikel XXI, lid 2, die een wijziging of intrekking van de maatregel kan inhouden. Kan tussen de betrokken Leden geen overeenstemming worden bereikt, dan is artikel 22 van de DSU van toepassing.

Artikel XXIV. De Raad voor de Handel in Diensten

1.

De Raad voor de Handel in Diensten vervult de taken die hem worden opgedragen ter bevordering van de uitvoering en de doelstellingen van deze Overeenkomst te bevorderen. De Raad kan de suborganen oprichten die hij voor de doeltreffende vervulling van zijn taken nuttig acht.

2.

Vertegenwoordigers van alle Leden kunnen zitting hebben in de Raad en, tenzij de Raad anders beslist, in de suborganen van de Raad.

3.

De voorzitter van de Raad wordt door de Leden gekozen.

Artikel XXV. Technische samenwerking

1.

De in artikel IV, lid 2, bedoelde contactpunten zijn toegankelijk voor dienstverleners van Leden die aan ondersteuning door dergelijke contactpunten behoefte hebben.

2.

Technische bijstand aan ontwikkelingslanden wordt op multilateraal niveau door het Secretariaat verstrekt. Besluiten over technische bijstand worden door de Raad voor de Handel in Diensten genomen.

Artikel XXVI. Betrekkingen met andere internationale organisaties

De Algemene Raad stelt de nodige regels vast voor overleg en samenwerking met de Verenigde Naties en de gespecialiseerde agentschappen van de Verenigde naties, alsmede andere intergouvernementele organisaties die zich met diensten bezighouden.

DEEL VI. SLOTBEPALINGEN

Artikel XXVII. Weigering toekenning voordelen

Een Lid kan weigeren de voordelen van deze Overeenkomst toe te kennen:

  • a. voor de verlening van een dienst, indien het vaststelt dat deze dienst wordt verleend vanaf of op het grondgebied van een niet-Lid dan wel een Lid ten aanzien waarvan hij de WTO-Overeenkomst niet toepast;
  • b. voor de verlening van een zeevervoerdienst, wanneer het vaststelt dat de dienst wordt verleend:
  • i. door een vaartuig dat geregistreerd is volgens het recht van een niet-Lid of een Lid ten aanzien waarvan het de WTO-Overeenkomst niet toepast, en
  • ii. door een persoon van een niet-Lid of een Lid ten aanzien waarvan het de WTO-Overeenkomst niet toepast die het vaartuig geheel of gedeeltelijk exploiteert en/of gebruikt;
  • c. aan een dienstverlener die een rechtspersoon is, indien het vaststelt dat deze geen dienstverlener van een ander Lid is dan wel dat deze een dienstverlener van een Lid is ten aanzien waarvan het de WTO-Overeenkomst niet toepast.

Artikel XXVIII. Definities

Voor de toepassing van deze Overeenkomst:

  • a. betekent „maatregel” elke maatregel van een Lid, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve handeling, dan wel in enigerlei andere vorm;
  • b. omvat „verlening van een dienst” de produktie, distributie, marketing, verkoop en levering van een dienst;
  • c. omvatten „maatregelen van de Leden die de handel in diensten raken” maatregelen met betrekking tot
  • i. de aankoop, de betaling of het gebruik van een dienst;
  • ii. de met een verlening van een dienst samenhangende toegang tot en het gebruik van diensten waarvan deze Leden eisen dat deze algemeen aan het publiek worden aangeboden;
  • iii. de aanwezigheid, commerciële aanwezigheid daarbij inbegrepen, van personen van een Lid ten behoeve van de verlening van een dienst op het grondgebied van een ander Lid;
  • d. betekent „commerciële aanwezigheid” elk soort zakelijke of beroepsmatige vestiging, waaronder die door middel van
  • i. de oprichting, overname of handhaving van een rechtspersoon, of
  • ii. de oprichting of handhaving van een filiaal of vertegenwoordigingskantoor op het grondgebied van een Lid met als doel een dienst te verlenen;
  • e. betekent „dienstensector”
  • i. in verband met een specifieke verbintenis, een of meer, dan wel alle, subsectoren van die dienstensector, als in de Lijst van een Lid omschreven;
  • ii. anders, de hele desbetreffende dienstensector, met inbegrip van alle subsectoren;
  • f. betekent „dienst van een ander Lid” een dienst die wordt verleend,
  • i. vanaf of op het grondgebied van dat andere Lid, of in geval van zeevervoer, door een vaartuig dat volgens het recht van dat andere Lid is geregistreerd, of door een persoon van dat andere Lid die de dienst door middel van gehele of gedeeltelijke exploitatie en/of gebruik van een schip verleent; of
  • ii. in geval van verlening van een dienst via een commerciële aanwezigheid of de aanwezigheid van natuurlijke personen, door een dienstverlener van dat andere Lid;
  • g. betekent „dienstverlener” elke persoon die een dienst verleent1)Wanneer de dienst niet direct door een rechtspersoon wordt verleend maar via andere vormen van commerciële aanwezigheid, zoals een filiaal of vertegenwoordigingskantoor, wordt de dienstverlener (d.w.z. de rechtspersoon) niettemin via deze aanwezigheid behandeld op de wijze die in de Overeenkomst voor dienstverleners is voorzien. Deze behandeling wordt uitgebreid tot de aanwezigheid via welke de dienst wordt verleend en behoeft niet te worden uitgebreid tot andere onderdelen van de verlener die buiten het grondgebied waar de dienst wordt verleend, gevestigd zijn.;
  • h. betekent „dienstverlener met een monopolie” elke persoon, publiek of privaat, die op de desbetreffende markt op het grondgebied van een Lid door dat Lid formeel of feitelijk als de enige verlener van die dienst is erkend of opgericht;
  • i. betekent „consument van een dienst” elke persoon die een dienst ontvangt of gebruikt;
  • j. betekent „persoon” een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;
  • k. betekent „natuurlijke persoon van een ander Lid” een natuurlijke persoon die op het grondgebied van dat andere of enig ander Lid woonachtig is en die naar het recht van dat andere Lid:
  • i. onderdaan van dat andere Lid is; of
  • ii. het recht heeft op het grondgebied van dat andere Lid een vaste woonplaats te hebben, indien dat Lid
    1. geen onderdanen heeft; of
    1. zijn vaste ingezetenen in belangrijke mate op dezelfde wijze als zijn onderdanen behandelt, met betrekking tot maatregelen die de handel in diensten raken en die bij de aanvaarding van of toetreding tot de WTO-Overeenkomst zijn aangemeld, met dien verstande dat geen Lid verplicht is deze vaste ingezetenen gunstiger te behandelen dan dat andere Lid. De aanmelding omvat de verbintenis dat het Lid voor deze vaste ingezetenen, in overeenstemming met zijn wetten en voorschriften, dezelfde verantwoordelijkheden op zich neemt als het andere Lid ten opzichte van zijn onderdanen heeft;
  • l. betekent „rechtspersoon” iedere juridische eenheid, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, en in eigendom van particulieren dan wel van de overheid, met inbegrip van elke kapitaalvenootschap, trust, personenvennootschap, joint-venture, eenmanszaak of associatie;
  • m. betekent „rechtspersoon van een ander Lid” een rechtspersoon die:
  • i. naar het recht van dat andere Lid opgericht of anderszins georganiseerd is, en die zich met belangrijke zakelijke transacties op het grondgebied van dat Lid of van enig ander Lid bezighoudt; of,
  • ii. in geval van dienstverlening door middel van een commerciële aanwezigheid, eigendom is van: of waarover deze personen zeggenschap hebben;
    1. natuurlijke personen van dat Lid; of
    1. de onder i. omschreven rechtspersonen van dat andere Lid;
  • n. is een rechtspersoon
  • i. het „eigendom” van personen van een Lid indien meer dan 50% van het aandelenkapitaal in het bezit is van personen van dat Lid die volledig over hun aandeel kunnen beschikken;
  • ii. een persoon waarover personen van een Lid „zeggenschap hebben” wanneer die personen bevoegd zijn een meerderheid van de bestuurders te benoemen of de handelingen van de rechtspersoon anderszins te sturen;
  • iii. „gelieerd” met een andere persoon wanneer de rechtspersoon zeggenschap heeft over die andere persoon of andersom, dan wel dat zij beiden onder zeggenschap staan van dezelfde persoon;
  • o. omvatten „directe belastingen” alle belastingen op het totale inkomen, het totale kapitaal, of onderdelen van inkomen of kapitaal, waaronder belastingen op winsten uit overdracht van eigendom, belastingen op onroerend goed, erfenissen en schenkingen, of belastingen op het totale bedrag aan door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsook belastingen op waardevermeerdering van kapitaal.

Artikel XXIX. Bijlagen

De Bijlagen bij deze Overeenkomst vormen een integrerend deel van deze Overeenkomst.

1. Toepassingsgebied en definities

a. Deze Bijlage is van toepassing op maatregelen die de verlening van financiële diensten raken. In deze Bijlage betekent verlening van een financiële dienst de verlening van een dienst, zoals gedefinieerd in artikel I, lid 2, van de Overeenkomst.

b. Voor de toepassing van artikel I, lid 3, onder b. van de Overeenkomst betekent „een in de uitoefening van overheidsgezag verleende dienst” het volgende:

  • i. activiteiten van een centrale bank, monetaire autoriteit of een ander openbare instantie ten behoeve van het monetair beleid of het wisselkoersbeleid;
  • ii. activiteiten in het kader van een wettelijk systeem van sociale zekerheid of algemene ouderdomsvoorziening; en
  • iii. andere door een openbare instantie voor rekening, met garantie of met gebruikmaking van de financiële middelen van de overheid ondernomen activiteiten.

c. Wanneer een Lid toestaat dat een onder b. ii. of b. iii. van dit punt genoemde activiteit door zijn verleners van financiële diensten in concurrentie met een openbare instantie of een verlener van financiële diensten wordt verricht, valt deze activiteit onder „diensten” in de zin van artikel I, lid 3, onder b. van de Overeenkomst.

d. Artikel I, lid 3, onder c., van de Overeenkomst is niet van toepassing op diensten die niet onder deze Bijlage vallen.

2. Binnenlandse regelingen

a. In afwijking van andere bepalingen van de Overeenkomst wordt een Lid niet verhinderd maatregelen van bedrijfseconomisch toezicht te nemen, daarbij inbegrepen maatregelen ter bescherming van investeerders, spaarders, polishouders of personen jegens wie een financiële dienstverlener een fudicaire verplichting heeft, of ter verzekering van de integriteit en stabiliteit van het financiële systeem. Wanneer deze maatregelen niet in overeenstemming met de bepalingen van de Overeenkomst zijn, mogen zij niet worden gebruikt als middel om aan de krachtens de Overeenkomst op een Lid rustende verbintenissen of verplichtingen te ontkomen.

b. Niets in de Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat van een Lid bekendmaking kan worden geëist van gegevens over de zaken en rekeningen van individuele klanten of van vertrouwelijke informatie of informatie inzake eigendomsrechten die in het bezit van openbare instanties is.

3. Erkenning

a. Een Lid kan maatregelen van bedrijfseconomisch toezicht van elk ander land erkennen door te bepalen op welke wijze de maatregelen van het Lid betreffende financiële diensten worden toegepast. Deze erkenning, door harmonisatie of op andere wijze, kan op een overeenkomst of regeling met het betrokken land worden gebaseerd of autonoom geschieden.

b. Een Lid, partij bij een onder a. genoemde, toekomstige dan wel bestaande overeenkomst of regeling, verleent andere belangstellende Leden voldoende gelegenheid om over toetreding tot die overeenkomst of regeling te onderhandelen of met hem over daarmee vergelijkbare overeenkomsten of regelingen te onderhandelen in omstandigheden die tot gelijkwaardige resultaten leiden op het gebied van regulering, uitvoering, toezicht en, indien van toepassing, procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de partijen bij de overeenkomst of regeling. Wanneer een Lid autonoom tot erkenning overgaat, geeft het elk ander Lid voldoende gelegenheid aan te tonen dat deze omstandigheden bestaan.

c. Artikel VII, lid 4, onder b., is niet van toepassing wanneer een Lid voornemens is maatregelen van bedrijfseconomisch toezicht van een ander land te erkennen.

4. Geschillenbeslechting

Panels voor de beslechting van geschillen over voorzorgskwesties of andere financiële aangelegenheden beschikken over de benodigde deskundigheid betreffende de specifieke financiële dienst die voorwerp van geschil is.

5. Definities

Voor de toepassing van deze Bijlage:

  • a. betekent een financiële dienst elke dienst van financiële aard, aangeboden door een financiële dienstverlener van een Lid. Financiële diensten omvatten alle verzekeringen en daarmee verwante diensten, alsmede bancaire en andere financiële diensten (verzekeringen uitgezonderd). Financiële diensten omvatten de volgende activiteiten: Verzekeringen en daaraan verwante diensten Bancaire en andere financiële diensten (verzekeringen uitgezonderd)
  • i. Directe verzekeringen (waaronder medeverzekering)
  • A. levensverzekering
  • B. schadeverzekering;
  • ii. herverzekering en retrocessie;
  • iii. verzekeringsbemiddeling, zoals makelaardij en agentschap;
  • iv. ondersteunende diensten bij verzekeringen, zoals diensten van adviseurs en actuarissen en diensten in verband met risicobeoordeling en de afwikkeling van claims.
  • v. aanvaarding van deposito's en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;
  • vi. alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;
  • vii. financiële leasing;
  • viii. alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder credit cards, betaalkaarten, debetkaarten, travellers cheques en bankwissels;
  • ix. garanties en verbintenissen;
  • x. transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten, op de beurs of op de markt van niet-genoteerde fondsen of anderszins, ten aanzien van:
  • A. geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten, depositocertificaten);
  • B. deviezen;
  • C. derivaten, met inbegrip van termijninstrumenten en opties;
  • D. wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder produkten als swaps, forward rate agreements;
  • E. verhandelbare effecten;
  • F. andere verhandelbare instrumenten en financiële activa, edelmetaal inbegrepen;
  • xi. deelneming in uitgiften van alle soorten waardepapieren, daarbij inbegrepen garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (publiek dan wel particulier) en verlening van diensten betreffende deze uitgiften;
  • xii. financiële bemiddeling;
  • xiii. beheer van activa, zoals het beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, deposito en fiduciaire diensten;
  • xiv. betalings- en compensatiediensten in verband met financiële activa, daarbij inbegrepen waardepapieren, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;
  • xv. verstrekking en doorgifte van financiële informatie en bewerking van financiële gegevens en daarop betrekking hebbende software door verleners van andere financiële diensten;
  • xvi. advies-, bemiddelings- en andere ondersteunende financiële diensten, behorende bij alle onder v. tot en met xv. vermelde activiteiten, daarbij inbegrepen kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, advies over overnames, bedrijfsreorganisatie en strategie.
  • b. betekent verlener van financiële diensten iedere natuurlijke of rechtspersoon van een Lid die financiële diensten wenst te verlenen of verleent, met dien verstande dat de term „verlener van financiële diensten” geen openbare instanties omvat.
  • c. „Openbare instantie” betekent:
  • i. een overheid, centrale bank of monetaire autoriteit van een Lid, of een instantie onder bestuur of in eigendom van een Lid, die zich hoofdzakelijk bezighoudt met de uitvoering van overheidstaken of -activiteiten ten behoeve van overheidsdoeleinden, uitgezonderd een instantie die zich hoofdzakelijk bezighoudt met verlening van financiële diensten op commerciële basis; of
  • ii. een particuliere instantie, wanneer deze taken vervult die normalerwijze door een centrale bank of monetaire autoriteit worden vervuld.

De Leden,

Geleid door de wens de verstoring van en belemmeringen voor de internationale handel te verminderen en rekening houdend met de noodzaak een doeltreffende en toereikende bescherming van de intellectuele eigendom te bevorderen en te verzekeren dat maatregelen en procedures om de rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom te handhaven niet zelf hinderpalen voor legitiem handelsverkeer worden;

Erkennend dat er derhalve behoefte bestaat aan nieuwe regels en methoden betreffende:

de toepasselijkheid van de grondbeginselen van de GATT-Overeenkomst van 1994 en van de desbetreffende internationale overeenkomsten of verdragen inzake de intellectuele eigendom;

het voorzien in adequate normen en beginselen betreffende het bestaan, de reikwijdte en de gebruikmaking van met de handel verband houdende rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom;

het voorzien in doeltreffende en passende middelen om de met de handel verband houdende rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom te handhaven, rekening houdend met verschillen in nationale rechtsstelsels;

het voorzien in doeltreffende en snelle procedures om op multilateraal vlak geschillen tussen regeringen te voorkomen en te beslechten; en

overgangsregelingen gericht op een zo volledig mogelijke deelneming in de resultaten van de onderhandelingen;

Erkennend de noodzaak van een multilateraal kader van beginselen, regels en methoden om de internationale handel in namaakartikelen te bestrijden;

Erkennend dat de intellectuele eigendom behoort tot de private rechten;

Erkennend de doelstellingen van het overheidsbeleid, met inbegrip van doelstellingen inzake ontwikkeling en technologie, waarop nationale stelsels voor de bescherming van de intellectuele eigendom zijn gebaseerd;

Tevens erkennend de bijzondere behoeften van de Leden die minstontwikkeld land zijn ten aanzien van maximale flexibiliteit bij de binnenlandse toepassing van wetten en voorschriften, ten einde hen in staat te stellen een deugdelijke en levensvatbare technologische basis te scheppen;

Beklemtonend het belang van de vermindering van spanningen door zich in sterkere mate ertoe te verbinden om geschillen inzake met de handel verband houdende kwesties ten aanzien van de intellectuele eigendom via multilaterale procedures te beslechten;

Geleid door de wens wederzijdse betrekkingen tot stand te brengen tussen de WTO en de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) en andere hiervoor in aanmerking komende internationale organisaties;

Zijn hierbij het volgende overeengekomen:

DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN EN GRONDBEGINSELEN

Artikel 1. Aard en reikwijdte van verplichtingen

1.

De Leden geven uitvoering aan de bepalingen van deze Overeenkomst. De Leden kunnen, maar zijn niet verplicht, in hun nationale wetgeving een uitgebreidere bescherming toepassen dan in deze Overeenkomst is vereist, mits deze bescherming niet in strijd is met de bepalingen van deze Overeenkomst. Het staat de Leden vrij de passende methode voor toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst binnen hun eigen rechtsstelsel en -praktijk te bepalen.

2.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „intellectuele eigendom” verstaan alle categorieën intellectuele eigendom die worden genoemd in Deel II, Titels 1 tot en met 7.

3.

De Leden kennen de in deze Overeenkomst voorziene behandeling toe aan de onderdanen van andere Leden 1)Wanneer in deze Overeenkomst wordt verwezen naar „onderdanen” worden deze, in het geval van een afzonderlijk douanegebied dat Lid is van de WTO, geacht te zijn natuurlijke personen of rechtspersonen die in dat douanegebied zijn gevestigd of aldaar een echte en daadwerkelijke industriële of commerciële vestiging hebben. . Met betrekking tot de desbetreffende intellectuele eigendom wordt onder onderdanen van andere Leden verstaan de natuurlijke personen of rechtspersonen die zouden voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor de bescherming voorzien in het Verdrag van Parijs (1967), de Berner Conventie (1971), het Verdrag van Rome en het Verdrag inzake de intellectuele eigendom met betrekking tot geïntegreerde schakelingen, als alle Leden van de WTO partij bij die verdragen zouden zijn2)In deze Overeenkomst wordt onder „Verdrag van Parijs” verstaan het Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom; onder „Verdrag van Parijs (1967)” wordt verstaan de Akte van Stockholm bij dit Verdrag van 14 juli 1967. Onder „Berner Conventie” wordt verstaan de Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst; onder „Berner Conventie (1971)” wordt verstaan de Akte van Parijs bij deze Conventie van 24 juli 1971. Onder „Verdrag van Rome” wordt verstaan het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, aangenomen te Rome op 26 oktober 1961. Onder „Verdrag inzake de intellectuele eigendom met betrekking tot geïntegreerde schakelingen” (IPIC-Verdrag) wordt verstaan het Verdrag inzake de intellectuele eigendom met betrekking tot geïntegreerde schakelingen, aangenomen te Washington op 26 mei 1989. Onder „WTO-Overeenkomst” wordt verstaan de overeenkomst tot oprichting van de WTO. . Een Lid dat gebruik maakt van de mogelijkheden bepaald in artikel 5, derde lid, of artikel 6, tweede lid, van het Verdrag van Rome dient een kennisgeving als voorzien in die bepalingen te richten aan de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom.

Artikel 2. Verdragen inzake de intellectuele eigendom

1.

Wat betreft de Delen II, III en IV van deze Overeenkomst leven de Leden de artikelen 1 t/m 12 en 19 van het Verdrag van Parijs (1967) na.

2.

Geen enkele bepaling in de Delen I t/m IV van deze Overeenkomst doet afbreuk aan de bestaande verplichtingen die de Leden jegens elkaar kunnen hebben ingevolge het Verdrag van Parijs, de Berner Conventie, het Verdrag van Rome en het Verdrag inzake de intellectuele eigendom met betrekking tot geïntegreerde schakelingen.

Artikel 3. Nationale behandeling

1.

Elk Lid kent aan onderdanen van andere Leden een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke het toekent aan zijn eigen onderdanen met betrekking tot de bescherming 1)Voor de toepassing van de artikelen 3 en 4 van deze Overeenkomst omvat bescherming alle aangelegenheden die van invloed zijn op het bestaan, de verwerving, reikwijdte, instandhouding en handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom, alsmede de specifiek in deze Overeenkomst behandelde aangelegenheden die van invloed zijn op het gebruik van deze rechten. van de intellectuele eigendom, onder voorbehoud van de uitzonderingen die reeds bepaald zijn in onderscheidenlijk het Verdrag van Parijs (1967), de Berner Conventie (1971), het Verdrag van Rome en het Verdrag inzake de intellectuele eigendom met betrekking tot geïntegreerde schakelingen. Wat betreft uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties geldt deze verplichting slechts met betrekking tot de in deze Overeenkomst bepaalde rechten. Een Lid dat gebruik maakt van de mogelijkheden bepaald in artikel 6 van de Berner Conventie (1971) of artikel 16, eerste lid, letter b, van het Verdrag van Rome dient een kennisgeving als voorzien in die bepalingen te richten aan de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom.

2.

Leden kunnen slechts gebruik maken van de ingevolge het eerste lid toegestane uitzonderingen in verband met rechterlijke en administratieve procedures, met inbegrip van de keuze van domicilie of de aanwijzing van een vertegenwoordiger binnen het rechtsgebied van een Lid, wanneer zulke uitzonderingen noodzakelijk zijn om de naleving te verzekeren van wetten en voorschriften die niet strijdig zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst en wanneer deze gedragingen niet plaatsvinden op een wijze die een verhulde beperking van het handelsverkeer vormt.

Artikel 4. Meestbegunstiging

Met betrekking tot de bescherming van de intellectuele eigendom wordt elk voordeel, elke gunst, elk voorrecht of elke vrijstelling die c.q. dat een Lid verleent aan de onderdanen van een ander land terstond en onvoorwaardelijk verleend aan de onderdanen van alle andere Leden. Uitgezonderd van deze verplichting zijn door een Lid verleende voordelen, gunsten, voorrechten of vrijstellingen:

  • a. die voortvloeien uit internationale overeenkomsten inzake rechtshulp en rechtshandhaving van algemene aard en niet in het bijzonder zijn beperkt tot de bescherming van de intellectuele eigendom;
  • b. die zijn verleend overeenkomstig de bepalingen van de Berner Conventie (1971) of het Verdrag van Rome, waarbij wordt toegestaan dat de toegekende behandeling niet wordt bepaald door de nationale behandeling, maar door de in een ander land toegekende behandeling;
  • c. met betrekking tot de rechten van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties waarin ingevolge deze Overeenkomst niet is voorzien;
  • d. die voortvloeien uit internationale overeenkomsten betreffende de bescherming van de intellectuele eigendom die in werking zijn getreden vóór de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, mits deze overeenkomsten ter kennis worden gebracht van de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom en geen willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie van onderdanen van andere Leden inhouden.

Artikel 5. Multilaterale overeenkomsten inzake de verwerving of instandhouding van bescherming

De verplichtingen ingevolge de artikelen 3 en 4 zijn niet van toepassing op procedures bepaald in multilaterale overeenkomsten gesloten onder auspiciën van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom betreffende de verwerving of instandhouding van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom.

Artikel 6. Uitputting van rechten

Ten behoeve van de beslechting van geschillen krachtens deze Overeenkomst mag, onverminderd de bepalingen van de artikelen 3 en 4, geen enkele bepaling in deze Overeenkomst worden aangewend om de kwestie van de uitputting van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom te regelen.

Artikel 7. Doelstellingen

De bescherming en handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom dient bij te dragen aan de bevordering van technologische vernieuwing en aan de overdracht en verspreiding van technologie, tot wederzijds voordeel van producenten en gebruikers van technologische kennis en op een wijze die bevorderlijk is voor het sociaal en economisch welzijn, en aan een evenwicht tussen rechten en verplichtingen.

Artikel 8. Beginselen

1.

De Leden kunnen, bij het opstellen of wijzigen van hun nationale wet- en regelgeving, de maatregelen aannemen die nodig zijn ter bescherming van de volksgezondheid en de voeding en ter bevordering van het algemeen belang in sectoren die van vitaal belang zijn voor hun sociaal-economische en technologische ontwikkeling, mits zodanige maatregelen in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst.

2.

Passende maatregelen, mits in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst, kunnen nodig zijn ter voorkoming van misbruik van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom door bezitters van die rechten of van het toevlucht nemen tot gedragingen die de het handelsverkeer op onredelijke wijze beperken of de internationale overdracht van technologie nadelig beïnvloeden.

DEEL II. NORMEN BETREFFENDE HET BESTAAN, DE REIKWIJDTE EN DE GEBRUIKMAKING VAN RECHTEN UIT HOOFDE VAN DE INTELLECTUELE EIGENDOM

TITEL 1. : AUTEURSRECHT EN NABURIGE RECHTEN

Artikel 9. Verhouding tot de Berner Conventie

1.

De Leden leven de artikelen 1 t/m 21 van en het Aanhangsel bij de Berner Conventie (1971) na. De Leden hebben evenwel geen rechten of verplichtingen krachtens deze Overeenkomst ten aanzien van de rechten verleend krachtens artikel 6bis van die Conventie of van de daaraan ontleende rechten.

2.

De bescherming van het auteursrecht strekt zich uit tot uitdrukkingsvormen en niet tot denkbeelden, procedures, werkwijzen of mathematische concepten als zodanig.

Artikel 10. Computerprogramma's en verzamelingen van gegevens

1.

Computerprogramma's, in bron- dan wel doelcode, worden beschermd als letterkundige werken krachtens deBerner Conventie (1971).

2.

Verzamelingen van gegevens of ander materiaal, in machine-leesbare dan wel in andere vorm, die door de keuze of rangschikking van de stof een schepping van de geest vormen, worden als zodanig beschermd. Deze bescherming, die zich niet uitstrekt tot de gegevens of het materiaal zelf, laat de auteursrechten inherent aan de gegevens of het materiaal zelf onverlet.

Artikel 11. Rechten inzake verhuur

Ten minste wat computerprogramma's en cinematografische werken betreft, verleent een Lid auteurs en hun rechtsopvolgers het recht om de commerciële verhuur aan het publiek van originelen of kopieën van hun onder het auteursrecht vallende werken toe te staan of te verbieden. Een Lid is vrijgesteld van deze verplichting met betrekking tot cinematografische werken, tenzij deze verhuur heeft geleid tot het op grote schaal kopiëren van zulke werken, hetgeen een wezenlijke aantasting vormt van het uitsluitende reproduktierecht dat in dat Lid is verleend aan auteurs en hun rechtsopvolgers. Wat computerprogramma's betreft, geldt deze verplichting niet voor verhuur waarbij het programma zelf niet het eigenlijke voorwerp van de verhuur is.

Artikel 12. Duur der bescherming

Wanneer de duur der bescherming van een werk, niet zijnde een fotografisch werk of een werk van toegepaste kunst, wordt berekend op een andere grondslag dan het leven van een natuurlijke persoon, is deze termijn niet korter dan vijftig jaar na het einde van het kalenderjaar van toegestane publikatie of, bij gebreke van zodanige toegestane publikatie binnen vijftig jaar na de schepping van het werk, vijftig jaar na het einde van het kalenderjaar waarin het werd geschapen.

Artikel 13. Beperkingen en uitzonderingen

De Leden houden beperkingen van of uitzonderingen op uitsluitende rechten beperkt tot bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met de normale exploitatie van het werk en de legitieme belangen van de bezitter van het recht niet op onredelijke wijze schaden.

Artikel 14. Bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen (geluidsopnamen) en omroeporganisaties

1.

Met betrekking tot een vastlegging van hun uitvoering op een fonogram hebben uitvoerende kunstenaars de mogelijkheid de volgende handelingen te beletten, wanneer deze worden verricht zonder hun toestemming: de vastlegging van hun niet vastgelegde uitvoering en de reproduktie van deze vastlegging. Uitvoerende kunstenaars hebben ook de mogelijkheid de volgende handelingen te beletten, wanneer deze worden verricht zonder hun toestemming: de uitzending langs draadloze weg en de overbrenging aan het publiek van de rechtstreekse uitzending van de uitvoering.

2.

Producenten van fonogrammen genieten het recht de directe of indirecte reproduktie van hun fonogrammen toe te staan of te verbieden.

3.

Omroeporganisaties hebben het recht de volgende handelingen te verbieden, wanneer deze worden verricht zonder hun toestemming: de vastlegging, de reproduktie van vastleggingen en de heruitzending langs draadloze weg alsmede de overbrenging aan het publiek van televisie-uitzendingen van vastleggingen. Wanneer de Leden zulke rechten niet aan omroeporganisaties verlenen, bieden zij de bezitters van het auteursrecht wat uitzendingen betreft de mogelijkheid de bovengenoemde handelingen te beletten, onverminderd de bepalingen van de Berner Conventie (1971).

4.

De bepalingen van artikel 11 betreffende computerprogramma's zijn van overeenkomstige toepassing op producenten van fonogrammen en andere bezitters van rechten met betrekking tot fonogrammen zoals bepaald in de nationale wetgeving. Indien een Lid op 15 april 1994 een stelsel kent voor een billijke vergoeding aan bezitters van rechten met betrekking tot de verhuur van fonogrammen, kan het een zodanig stelsel handhaven, mits de commerciële verhuur van fonogrammen geen aanleiding geeft tot wezenlijke aantasting van de uitsluitende rechten van reproduktie van de bezitters van rechten.

5.

De krachtens deze Overeenkomst voor uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen geldende duur der bescherming loopt tot ten minste het einde van een tijdvak van vijftig jaar berekend van het einde van het kalenderjaar waarin de vastlegging werd vervaardigd of de uitvoering plaatsvond. De ingevolge het derde lid toegekende beschermingsduur is ten minste twintig jaar vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de uitzending plaatsvond.

6.

Een Lid kan, met betrekking tot de krachtens het eerste tot en met het derde lid verleende rechten, voorzien in voorwaarden, beperkingen, uitzonderingen en voorbehouden, voor zover toegestaan door het Verdrag van Rome. De bepalingen van artikel 18 van de Berner Conventie (1971) zijn evenwel ook van overeenkomstige toepassing op de rechten van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen met betrekking tot fonogrammen.

TITEL 2. : HANDELSMERKEN

Artikel 15. Voor bescherming in aanmerking komende onderwerpen

1.

Elk teken, of elke combinatie van tekens, waarmee de waren of diensten van de ene onderneming kunnen worden onderscheiden van die van andere ondernemingen kan een handelsmerk vormen. Deze tekens, met name woorden die persoonsnamen, letters, cijfers, figuratieve elementen en combinaties van kleuren alsmede een combinatie van zodanige tekens omvatten, komen in aanmerking voor inschrijving als handelsmerken. Wanneer de desbetreffende waren of diensten niet kunnen worden onderscheiden met de tekens op zichzelf, kunnen de Leden het in aanmerking komen voor inschrijving afhankelijk stellen van het onderscheidend vermogen op grond van het gebruik. De Leden kunnen als voorwaarde voor inschrijving verlangen dat de tekens met het oog waarneembaar zijn.

2.

Het eerste lid mag niet zo worden uitgelegd dat daardoor een Lid wordt belet inschrijving van een handelsmerk te weigeren op andere gronden, mits deze niet afwijken van de bepalingen van het Verdrag van Parijs (1967).

3.

De Leden kunnen het in aanmerking komen voor inschrijving afhankelijk stellen van het gebruik. Het feitelijk gebruik van een handelsmerk is evenwel geen voorwaarde voor het indienen van een aanvraag voor inschrijving. Een aanvraag mag niet worden afgewezen uitsluitend op grond van het feit dat het voorgenomen gebruik niet heeft plaats gevonden voor het verstrijken van een tijdvak van drie jaar vanaf de datum van de aanvraag.

4.

De aard van de waren of diensten waarop een handelsmerk zal worden toegepast, vormt in geen geval een belemmering voor de inschrijving van het handelsmerk.

5.

De Leden publiceren elk handelsmerk voordat het wordt ingeschreven dan wel onmiddellijk nadat het is ingeschreven en bieden een redelijke mogelijkheid voor verzoeken om doorhaling van de inschrijving. Daarnaast kunnen de Leden gelegenheid bieden voor verzet tegen de inschrijving van een handelsmerk.

Artikel 16. Verleende rechten

1.

De houder van een ingeschreven handelsmerk heeft het uitsluitend recht alle derden die niet zijn toestemming daartoe hebben, te beletten om in het handelsverkeer identieke of soortgelijke tekens te gebruiken voor waren of diensten die identiek zijn met of soortgelijk zijn aan die waarvoor het handelsmerk is ingeschreven, wanneer dat gebruik vermoedelijk zou leiden tot verwarring. In het geval van het gebruik van een identiek teken voor identieke waren of diensten wordt het vermoeden van verwarring verondersteld. De hierboven beschreven rechten laten bestaande eerdere rechten onverlet en zijn evenmin van invloed op de mogelijkheid waarover de Leden beschikken om rechten te verlenen op grond van het gebruik.

2.

Artikel 6bis van het Verdrag van Parijs (1967) is van overeenkomstige toepassing op diensten. Bij het vaststellen of een handelsmerk algemeen bekend is, wordt rekening gehouden met de bekendheid van het handelsmerk bij de desbetreffende sector van het publiek, met inbegrip van de in dat Lid verworven bekendheid als gevolg van de reclame voor het handelsmerk.

3.

Artikel 6bis van het Verdrag van Parijs (1967) is van overeenkomstige toepassing op waren of diensten die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor een handelsmerk is ingeschreven, mits dat gebruik van dat handelsmerk met betrekking tot die waren of diensten zou duiden op een verband tussen die waren of diensten en de houder van het ingeschreven handelsmerk en mits de belangen van de houder van het ingeschreven handelsmerk vermoedelijk door dat gebruik worden geschaad.

Artikel 17. Uitzonderingen

De Leden kunnen voorzien in beperkte uitzonderingen op de op een handelsmerk verleende rechten, zoals eerlijk gebruik van beschrijvende termen, mits deze uitzonderingen rekening houden met de legitieme belangen van de houder van het handelsmerk en van derden.

Artikel 18. Duur der bescherming

De eerste inschrijving en elke verlenging van inschrijving van een handelsmerk geldt voor een termijn van ten minste zeven jaar. De inschrijving van een handelsmerk is onbeperkt verlengbaar.

Artikel 19. Vereiste van gebruik

1.

Indien voor de handhaving van een inschrijving gebruik van een handelsmerk is vereist, mag de inschrijving pas na een ononderbroken tijdvak van niet-gebruik van ten minste drie jaar worden doorgehaald, tenzij de houder van het handelsmerk geldige redenen, gebaseerd op het bestaan van belemmeringen voor dat gebruik, aantoont. Omstandigheden die zich buiten de wil van de houder van het handelsmerk voordoen en die een belemmering vormen voor het gebruik van het handelsmerk, zoals invoerbeperkingen op of andere overheidsmaatregelen voor door het handelsmerk beschermde waren of diensten, worden als geldige redenen voor niet-gebruik erkend.

2.

Gebruik van een handelsmerk door een andere persoon, wanneer dit is onderworpen aan het toezicht van de houder, wordt voor de handhaving van de inschrijving erkend als gebruik van het handelsmerk.

Artikel 20. Overige vereisten

Het gebruik van een handelsmerk in het handelsverkeer mag niet op ongerechtvaardigde wijze worden bemoeilijkt door bijzondere vereisten, zoals het gebruik te zamen met een ander handelsmerk, gebruik in een bijzondere vorm of gebruik op een wijze die afbreuk doet aan het vermogen tot het onderscheiden van de waren of diensten van de ene onderneming van die van andere ondernemingen. Dit sluit niet uit een vereiste waarbij wordt voorgeschreven dat het handelsmerk dat de onderneming aanduidt die de waren of diensten voortbrengt, wordt gebruikt te zamen met, maar zonder een verband daarmede te leggen, het handelsmerk dat de specifieke waren of diensten in kwestie van die onderneming onderscheidt.

Artikel 21. Verlening van licenties en overdracht

De Leden kunnen de voorwaarden vaststellen inzake de verlening van licenties en de overdracht van handelsmerken, met dien verstande dat de gedwongen verlening van licenties van handelsmerken niet is toegestaan en dat de houder van een ingeschreven handelsmerk het recht heeft zijn handelsmerk over te dragen met of zonder de overdracht van het bedrijf waaraan het handelsmerk toebehoort.

TITEL 3. : GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

Artikel 22. Bescherming van geografische aanduidingen

1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden onder geografische aanduidingen verstaan aanduidingen die aangeven dat waren hun oorsprong hebben op het grondgebied van een Lid, of een regio of plaats op dat grondgebied, waarbij een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de waren wezenlijk valt toe te schrijven aan zijn geografische oorsprong.

2.

Wat geografische aanduidingen betreft, voorzien de Leden in de wettelijke middelen om belanghebbenden in staat te stellen te beletten:

  • a. het gebruik van middelen in de benaming of voorstelling van waren waarmee wordt aangeduid of gesuggereerd dat de waren in kwestie hun oorsprong hebben in een ander geografisch gebied dan de werkelijke plaats van oorsprong op een wijze die het publiek misleidt ten aanzien van de geografische oorsprong van de waren;
3.

De inschrijving van een handelsmerk dat een geografische aanduiding bevat, of uit zo'n aanduiding bestaat, voor waren die niet hun oorsprong hebben op het vermelde grondgebied, wordt door een Lid geweigerd of nietig verklaard, hetzij ambtshalve, indien zijn wetgeving zulks toelaat, hetzij op verzoek van een belanghebbende, indien het gebruik van de aanduiding in het handelsmerk voor deze waren in dat Lid zodanig is dat het publiek daardoor wordt misleid ten aanzien van de werkelijke plaats van oorsprong.

4.

De bepalingen van het eerste, tweede en derde lid zijn van toepassing op een geografische aanduiding die, hoewel letterlijk juist wat betreft het grondgebied, de regio of de plaats waar de goederen hun oorsprong hebben, ten onrechte tegenover het publiek doet voorkomen dat de waren hun oorsprong hebben op een ander grondgebied.

Artikel 23. Extra bescherming voor geografische aanduidingen voor wijnen en spiritualiën

1.

Elk Lid voorziet in de wettelijke middelen om belanghebbenden in staat te stellen het gebruik te beletten van een geografische aanduiding ter benoeming van wijnen voor wijnen die niet hun oorsprong hebben in de door de geografische aanduiding in kwestie aangeduide plaats, of van een geografische aanduiding ter benoeming van spiritualiën voor spiritualiën die niet hun oorsprong hebben in de door de geografische aanduiding in kwestie aangeduide plaats, zelfs wanneer de werkelijke oorsprong van de waren is vermeld of de geografische aanduiding wordt gebruikt in vertaling of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals „soort”, „type”, „stijl”, „imitatie” en dergelijke.1)Niettegenstaande de eerste volzin van artikel 42 kunnen Leden met betrekking tot deze verplichtingen ook voorzien in administratieve maatregelen om deze te doen naleven.

2.

De inschrijving van een handelsmerk voor wijnen die een geografische aanduiding ter benoeming van wijnen bevat, of uit zo'n aanduiding bestaat, dan wel voor spiritualiën dat een geografische aanduiding ter benoeming van spiritualiën bevat, of uit zo'n aanduiding bestaat, wordt geweigerd of nietig verklaard, hetzij ambtshalve, indien de wetgeving van een Lid zulks toelaat, hetzij op verzoek van een belanghebbende, met betrekking tot wijnen of spiritualiën die niet deze oorsprong hebben.

3.

In het geval van gelijkluidende geografische aanduidingen voor wijnen wordt aan elke aanduiding bescherming verleend, onverminderd artikel 22, vierde lid. Elk Lid stelt de praktische voorwaarden vast waaronder de gelijkluidende aanduidingen in kwestie van elkaar zullen worden onderscheiden, met inachtneming van de noodzaak een billijke behandeling van de betrokken producenten te waarborgen en de consumenten niet te misleiden.

4.

Ten einde de bescherming van geografische aanduidingen voor wijnen te vergemakkelijken, worden binnen de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom onderhandelingen aangegaan betreffende de instelling van een multilateraal stelsel van kennisgeving en registratie van geografische aanduidingen voor wijnen die in aanmerking komen voor bescherming in de Leden die deelnemen aan het stelsel.

Artikel 24. Internationale onderhandelingen; uitzonderingen

1.

De Leden komen overeen onderhandelingen aan te gaan ter uitbreiding van de bescherming van afzonderlijke geografische aanduidingen krachtens artikel 23. De bepalingen van het vierde tot en met het achtste lid hieronder mogen door een Lid niet worden ingeroepen om te weigeren onderhandelingen te voeren of bilaterale of multilaterale overeenkomsten te sluiten. In de context van zulke onderhandelingen dienen de Leden bereid te zijn de voortgezette toepassing van deze bepalingen te overwegen op afzonderlijke geografische aanduidingen waarvan het gebruik het onderwerp van deze onderhandelingen vormde.

2.

De Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom toetst de toepassing van de bepalingen van deze Titel; de eerste toetsing vindt plaats binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst. Aangelegenheden die van invloed zijn op het nakomen van de verplichtingen krachtens deze bepalingen, kunnen onder de aandacht van de Raad worden gebracht; op verzoek van een Lid pleegt de Raad overleg met een Lid of Leden betreffende een aangelegenheid waarvoor geen bevredigende oplossing kon worden gevonden door middel van bilateraal of plurilateraal overleg tussen de betrokken Leden. De Raad neemt de overeengekomen stappen ter vergemakkelijking van de werking en bevordering van de doelstellingen van deze Titel.

3.

Bij de toepassing van deze Titel vermindert een Lid niet de bescherming van geografische aanduidingen die in dat Lid bestond onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst.

4.

Geen enkele bepaling in deze Titel verlangt van een Lid dat dit het voortgezette en soortgelijke gebruik belet van een bepaalde geografische aanduiding van een ander Lid ter benoeming van wijnen of spiritualiën in verband met waren of diensten door één van zijn onderdanen of ingezetenen die deze geografische aanduiding voortdurend heeft gebruikt voor dezelfde of aanverwante waren of diensten op het grondgebied van dat Lid hetzij a. gedurende ten minste tien jaar vóór 15 april 1994, hetzij b. te goeder trouw vóór die datum.

5.

Wanneer een handelsmerk te goeder trouw is aangevraagd of ingeschreven, of wanneer rechten op een handelsmerk door gebruik te goeder trouw zijn verworven:

  • a. vóór de datum van toepassing van deze bepalingen in dat Lid zoals omschreven in Deel VI; of
  • b. voordat de geografische aanduiding wordt beschermd in haar land van oorsprong; mogen maatregelen aangenomen ter toepassing van deze Titel geen afbreuk doen aan de ontvankelijkheid of geldigheid van de inschrijving van een handelsmerk, of aan het recht een handelsmerk te gebruiken, op grond van het feit dat dit handelsmerk identiek is met of soortgelijk is aan een geografische aanduiding.
6.

Geen enkele bepaling in deze Titel verlangt van een Lid dat dit de bepalingen hiervan toepast met betrekking tot een geografische aanduiding van een ander Lid voor waren of diensten waarvan de desbetreffende aanduiding identiek is met de in de omgangstaal gebruikelijke term als soortnaam voor deze waren of diensten op het grondgebied van dat Lid. Geen enkele bepaling van deze Titel verlangt van een Lid dat dit de bepalingen hiervan toepast met betrekking tot een geografische aanduiding van een ander Lid voor voortbrengselen van de wijnstok waarvan de desbetreffende aanduiding identiek is met de gangbare naam van een druivesoort die op het grondgebied van dat Lid voorkomt op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst.

7.

Een Lid kan bepalen dat een krachtens deze Titel gedaan verzoek in verband met het gebruik of de inschrijving van een handelsmerk moet worden ingediend binnen vijf jaar nadat het strijdige gebruik van de beschermde aanduiding in dat Lid algemeen bekend is geworden of na de datum van inschrijving van het handelsmerk in dat Lid, mits het handelsmerk op die datum is gepubliceerd, indien deze datum eerder valt dan de datum waarop het strijdige gebruik algemeen bekend werd in dat Lid, mits de geografische aanduiding niet te kwader trouw wordt gebruikt of ingeschreven.

8.

De bepalingen van deze Titel doen op generlei wijze afbreuk aan het recht van een persoon om in het handelsverkeer zijn naam of de naam van zijn voorganger in zaken te gebruiken, behalve wanneer deze naam op zodanige wijze wordt gebruikt dat het publiek daardoor wordt misleid.

9.

Krachtens deze Overeenkomst bestaat er geen verplichting tot bescherming van geografische aanduidingen die niet of niet langer zijn beschermd in hun land van oorsprong, of die in dat land in onbruik zijn geraakt.

TITEL 4. : TEKENINGEN EN MODELLEN VAN NIJVERHEID

Artikel 25. Vereisten voor bescherming

1.

De Leden voorzien in de bescherming van onafhankelijk vervaardigde tekeningen en modellen van nijverheid die nieuw of oorspronkelijk zijn. De Leden kunnen bepalen dat tekeningen of modellen niet nieuw of oorspronkelijk zijn, indien deze niet aanmerkelijk verschillen van bekende tekeningen en modellen of combinaties van bekende kenmerken van tekeningen en modellen. De Leden kunnen bepalen dat deze bescherming zich niet uitstrekt tot tekeningen en modellen waarvoor hoofdzakelijk technische of functionele eisen bepalend zijn.

2.

Elk Lid ziet erop toe dat de vereisten voor het verkrijgen van bescherming voor tekeningen en modellen op het gebied van textiel, met name met betrekking tot kosten, onderzoek of openbaarmaking, niet op onredelijke wijze de mogelijkheid om zodanige bescherming te vragen en te verkrijgen belemmeren. Het staat de Leden vrij aan deze verplichting te voldoen door middel van de wetgeving inzake tekeningen en modellen van nijverheid of de wetgeving inzake auteursrechten.

Artikel 26. Bescherming

1.

De eigenaar van een beschermde tekening of een beschermd model van nijverheid heeft het recht derden die daartoe niet zijn toestemming hebben te beletten artikelen te vervaardigen, verkopen of in te voeren die hetzelfde uiterlijk vertonen of waarin een tekening of model is belichaamd dat een kopie of in feite een kopie is van de beschermde tekening of het beschermde model, wanneer deze handelingen voor handelsdoeleinden worden verricht.

2.

De Leden kunnen voorzien in beperkte uitzonderingen op de bescherming van tekeningen en modellen van nijverheid, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van beschermde tekeningen en modellen van nijverheid en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de eigenaar van de beschermde tekening of het beschermde model schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.

3.

De duur der bescherming beloopt ten minste tien jaar.

TITEL 5. : OCTROOIEN

Artikel 27. Octrooieerbare onderwerpen

1.

Onverminderd het bepaalde in het tweede en het derde lid, kan octrooi worden verleend voor uitvindingen, produkten dan wel werkwijzen, op alle gebieden van de technologie, mits zij nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en industrieel kunnen worden toegepast.1)Voor de toepassing van dit artikel kunnen de uitdrukkingen „uitvinderswerkzaamheid” en „industrieel kunnen worden toegepast” door een Lid geacht worden synoniem te zijn met de uitdrukkingen „niet voor de hand liggend” respectievelijk „nuttig”. Onverminderd artikel 65, vierde lid, artikel 70, achtste lid, en het derde lid van dit artikel kan octrooi worden verleend en kunnen octrooirechten worden genoten zonder onderscheid op grond van de plaats van uitvinding, het gebied van de technologie en op grond van het feit dat produkten worden ingevoerd of in eigen land worden vervaardigd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)