Wet van 15 december 1982, houdende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
Onze minister kan in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
Artikel 121. Grondslag bekostiging kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling, uitkeringen aan gewezen personeel en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
Aan de school wordt in verband met de kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling en de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet bekostiging verstrekt.
De in het eerste lid bedoelde bekostiging is verwerkt in de bedragen en in de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in de artikelen 117, vierde en tiende lid, en 120.
Afdeling 7. Wijze van bekostiging
§ 5. Overschrijdingsregeling
§ 3. Personeel
Artikel 145*. Aanwijzing
Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze minister de rechtspersoon die de school in stand houdt een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
Onder wanbeheer wordt uitsluitend verstaan:
- a. financieel wanbeleid,
- b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf dan wel een derde;
- c. onrechtmatig handelen, waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf of een derde, en
- d. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of toezichthouder.
In de aanwijzing geeft Onze minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen het bevoegd gezag aan de aanwijzing moet voldoen.
Alvorens Onze minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:
- a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;
- b. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en
- c. stelt Onze minister de rechtspersoon vervolgens vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de aanwijzing naar voren te brengen.
Afdeling 6. Overschrijding en betaling
Afdeling 10B. Zij-instroom in het beroep
Afdeling 11. Overige bepalingen
Artikel 163. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
Onze minister kan bepalen dat geen of slechts gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.
Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.
Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een door de gemeente bekostigde niet door de gemeente in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.
Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.
Artikel 164. Inlichtingenplicht bevoegd gezag, regionaal expertisecentrum en gemeente
Vervallen
Artikel 165. Schoolbegeleiding
Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een school.
Artikel 166. Bekostiging van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in de vorige volzin.
Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het eerste lid, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen.
Artikel 167. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.
Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
Artikel 169. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten vervanging en onvrijwillige taakvermindering
Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum is aangesloten bij een door Onze minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor
- a. de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel, en
- b. de kosten voortvloeiend uit rechtspositionele verplichtingen ten aanzien van personeel dat gebruik maakt van een krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering.
Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum is voorts verplicht jaarlijks een door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon te bepalen bijdrage te voldoen aan die rechtspersoon in verband met de kosten voor vervanging.
Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij afwezigheid van personeel en de gevolgen die voortvloeien uit rechtspositionele verplichtingen ten aanzien van personeel dat gebruik maakt van een krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in de eerste volzin. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
De rechtspersoon kan regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.
Uit 's Rijks kas wordt jaarlijks een door Onze minister te bepalen bedrag betaald aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in verband met de kosten, bedoeld in dat lid onder b.
Titel VI. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169
Titel VII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 28j. Samenwerkingsschool
Een samenwerkingsschool is een school waarin zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt aangeboden. Een samenwerkingsschool kan uitsluitend tot stand komen door samenvoeging van één of meer openbare scholen met één of meer bijzondere scholen en wordt in stand gehouden door een stichting, een stichting als bedoeld in artikel 28 of een stichting als bedoeld in artikel 51 waarvan het statutaire doel in ieder geval is het in stand houden van een samenwerkingsschool. De artikelen 52 en 58 zijn van overeenkomstige toepassing.
Een samenwerkingsschool kan uitsluitend tot stand komen indien:
- a. met die totstandkoming van de samenwerkingsschool de continuïteit van het openbaar of bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven; en
- b. de betrokken scholen ten minste zes schooljaren zijn bekostigd.
Van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is sprake indien één van de betrokken scholen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door ten hoogste het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 83, tweede lid.
De uitkomst van de berekening wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en waarbij de decimalen worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5.
Samenwerkingsscholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.
Aan een samenwerkingsschool is een identiteitscommissie verbonden.
De identiteitscommissie adviseert gevraagd en ongevraagd het bevoegd gezag en de directeur over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter en de identiteit van de samenwerkingsschool. De identiteitscommissie kan tevens voorstellen doen over de aangelegenheden, bedoeld in de eerste volzin.
De statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, voorzien in een regeling over de identiteitscommissie waarin in ieder geval de samenstelling, benoeming, herbenoeming, ontslag, duur van de benoeming, werkwijze, inrichting en bevoegdheden van de identiteitscommissie zijn vastgelegd alsmede een voorziening voor het beslechten van geschillen tussen het bevoegd gezag en de identiteitscommissie. Bij de samenstelling van de identiteitscommissie is sprake van een evenwichtige verdeling tussen openbaar en bijzonder onderwijs.
Wijziging van de statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt voor zover die betrekking hebben op de regeling over de identiteitscommissie, is slechts mogelijk indien het bevoegd gezag en de identiteitscommissie daartoe gezamenlijk besluiten. Indien het een stichting betreft anders dan een stichting als bedoeld in artikel 28 en anders dan bedoeld in artikel 51, kan een wijziging als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend tot stand komen met instemming van de gemeenteraad van de gemeente waarin de samenwerkingsschool gevestigd is. Instemming kan slechts worden onthouden indien overheersende invloed van de overheid in de identiteitscommissie niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs binnen de samenwerkingsschool betreft.
De stichting anders dan een stichting als bedoeld in artikel 28 en anders dan bedoeld in artikel 51 brengt jaarlijks aan de gemeenteraad van de gemeente waarin de samenwerkingsschool gevestigd is, verslag uit over de werkzaamheden waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt bekendgemaakt.
De voorschriften van deze wet en van andere wetten die het speciaal of voortgezet speciaal onderwijs betreffen, alsmede de daarop gebaseerde regelingen, voor zover die voorschriften en regelingen betrekking hebben op een bijzondere school, zijn van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsschool als bedoeld in het eerste lid, tenzij het tegendeel blijkt.
In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking wordt beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en het bevoegd gezag van de samenwerkingsschool gezamenlijk genomen besluit.
Overdracht, opheffing of fusie van de samenwerkingsschool is slechts mogelijk na instemming van de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is.
§ 2. Personeel
Artikel 33. Rechtspositieregeling personeel
Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorschriften als bedoeld in het tweede en vierde lid regelt het bevoegd gezag van een openbare school de rechtspositie van het personeel en draagt het bevoegd gezag van een bijzondere school zorg voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor het personeel, bedoeld in artikel 32, voorschriften vastgesteld betreffende:
- a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het bevoegd gezag in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, en
- b. vakantie, verlof, aanspraken op salaris in geval van militaire dienst, ziekte of ongeval, ontslaguitkeringen, alsmede omtrent andere rechten en verplichtingen, dan wel de voorwaarden waaronder het bevoegd gezag een of meer onderdelen van in dit onderdeel bedoelde rechten en verplichtingen zelf regelt of voor de regeling daarvan zorg draagt.
Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen omtrent aanstelling, benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van het personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van de openbare scholen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.
Artikel 35. Uitkeringen aan personeel
Vervallen
§ 3. Leerlingen
Artikel 42. Beoordeling toelating door inspectie
Indien de inspecteur van oordeel is dat op een school een leerling is geplaatst die daar ingevolge artikel 40 dan wel artikel 41, eerste lid, niet had mogen worden toegelaten, verzoekt hij het bevoegd gezag deze leerling te verwijderen.
Bij weigering van het bevoegd gezag te voldoen aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid, roept de inspecteur de beslissing van Onze minister in.
Indien de inspecteur van oordeel is dat het in artikel 41, vierde lid, bedoelde onderzoek niet voldoet aan redelijke eisen, treedt hij in overleg met het bevoegd gezag onder mededeling van de zijns inziens aan te brengen wijzigingen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, roept de inspecteur de beslissing van Onze minister in.
§ 4. Ouders
Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Artikel 65. Commissie van beroep personeel
Een commissie van beroep strekt haar werkzaamheden uit over ten minste 50 bijzondere scholen. Onze minister kan dit aantal lager stellen.
Tot scholen bedoeld in het eerste lid, kunnen ook scholen voor basisonderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs behoren.
De commissie bestaat uit 5 leden en 5 plaatsvervangende leden, waarvan 2 leden en 2 plaatsvervangende leden worden gekozen door het bevoegd gezag en 2 leden en 2 plaatsvervangende leden door het personeel van de aangesloten scholen. Deze 4 leden kiezen het vijfde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.
De leden en plaatsvervangende leden mogen niet behoren tot het bevoegd gezag of het personeel van een aangesloten school of tot de inspectie van het onderwijs.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de samenstelling en de werkwijze van de commissie van beroep.
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging
Artikel 79. Scholen uit voorgaand plan
Behoudens het bepaalde in het tweede lid worden in elk plan de scholen uit het voorafgaande plan opgenomen die:
- a. nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht;
- b. voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het onderwijs nog niet is aangevangen.
Uit het voorafgaande plan wordt een school niet opgenomen:
- a. indien de indiener van een verzoek heeft gevraagd de school te laten vervallen;
- b. indien aan een bijzondere school het onderwijs niet is aangevangen in het tweede jaar volgend op het jaar waarvoor de school het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij opneming in het plan op grond van de bij een nieuw verzoek overgelegde gegevens gerechtvaardigd is;
- c. indien zich naar het oordeel van provinciale staten omstandigheden hebben voorgedaan die bij de vaststelling van het plan niet bekend waren en die, waren zij wel bekend geweest, tot een ander besluit zouden hebben geleid.
Indien beroep is ingesteld tegen een besluit krachtens het tweede lid, onderdeel c, en de uitspraak strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
Artikel 84. Goedkeuring plan door minister
Aan het plan wordt toegevoegd een overzicht van de verzoeken die niet zijn ingewilligd en de motivering daarvan. Deze stukken worden door gedeputeerde staten binnen 2 weken na de vaststelling van het plan aan alle verzoekers gezonden met vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan Onze minister is gezonden. Het plan wordt binnen 2 weken na de vaststelling voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd op de provinciale griffie.
Binnen 2 weken na de vaststelling wordt het plan ter goedkeuring aan Onze minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde verzoeken en het overzicht bedoeld in het eerste lid. Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Onze minister besluit met inachtneming van het beroepschrift bedoeld in artikel 83, vierde lid, voor 1 december van het jaar voorafgaande aan de planperiode. Afschrift van het besluit wordt binnen 2 weken aan provinciale staten gezonden. Indien Onze minister niet voor 1 december heeft besloten, wordt het plan geacht te zijn goedgekeurd.
Onze minister onthoudt zijn goedkeuring indien en voor zover:
- a. provinciale staten ten onrechte vermeerdering van het aantal openbare scholen in de planperiode niet noodzakelijk hebben geacht;
- b. opneming van een school in het plan niet noodzakelijk is omdat de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen toereikend is dan wel niet in overeenstemming is met het tot stand brengen van een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de school zal worden bezocht door het in artikel 83, eerste lid, bedoelde aantal leerlingen;
- c. is uitgegaan van kennelijk ondeugdelijke prognoses;
- d. ten aanzien van een op het plan geplaatste school ten onrechte niet is bepaald dat zij voor bekostiging in aanmerking komt in het eerste jaar van de planperiode.
Bij onthouding van de goedkeuring op grond van het vierde lid onder a draagt Onze minister provinciale staten op alsnog een openbare school in het plan op te nemen.
Bij onthouding van goedkeuring op grond van het vierde lid onder d draagt Onze minister provinciale staten op de bekostiging van de school in het eerste jaar van de planperiode in het plan op te nemen.
Indien ten gevolge van een besluit op grond van het vierde lid een school uit het plan moet vervallen, deelt Onze minister dit besluit binnen 2 weken mee aan de indiener van het verzoek om opneming van de betrokken school in het plan.
Indien in beroep tegen het besluit van Onze Minister, bedoeld in het zevende lid, is bepaald dat de uitspraak van de rechter, dan wel het besluit naar aanleiding van die uitspraak, strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
Zodra het plan onherroepelijk is vastgesteld, dragen gedeputeerde staten zorg voor bekendmaking in de Staatscourant en het provinciaal blad.
Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, besluit Onze minister bij beschikking, met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden.
Artikel 85. Verplichting tot stichting openbare school
Indien een plan onherroepelijk is vastgesteld, is de gemeente verplicht tot stichting van de daarop geplaatste scholen voor openbaar onderwijs.
Artikel 86. Vaststelling plan door minister
Onze minister stelt jaarlijks voor 1 oktober een plan van nieuwe scholen vast voor de scholen voor dove kinderen, scholen voor kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, scholen verbonden aan pedologische instituten en instellingen, die in de 4 kalenderjaren volgende op het jaar van de vaststelling, voor bekostiging uit de openbare kassen in aanmerking zullen worden gebracht. Het plan heeft ten doel te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.
Bij de vaststelling van het plan wordt uitgegaan van de verzoeken bedoeld in artikel 81. Tevens beziet Onze minister bij de vaststelling van het plan of voldoende is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs. Onze minister betrekt bij de vaststelling van het plan de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen. Indien verzoeken niet zijn ingewilligd, maakt Onze minister dit besluit binnen 2 weken bekend aan de indieners van het verzoek om opneming van de betrokken school in het plan.
Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde in de artikelen 78, derde lid, 79, 80, eerste en vierde lid, 81, 82 en 85, alsmede, behoudens voor instellingen, het bepaalde artikel 83, eerste en tweede lid, en artikel 83, derde lid onder a, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «provinciale staten» of «gedeputeerde staten» telkens wordt gelezen: Onze minister. In het plan worden in elk geval opgenomen de instellingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 300 leerlingen, dan wel dat zij blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen en begeleiding als bedoeld in artikel 9, onder b, zullen verstrekken aan ten minste 100 leerlingen. In het plan kunnen instellingen worden opgenomen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen. Bij de toepassing van de vorige twee volzinnen worden voor de bepaling van het aantal leerlingen dat een instelling zal bezoeken niet in aanmerking genomen de leerlingen voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een andere instelling, tenzij deze uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd.
Indien in beroep tegen het besluit van Onze Minister, bedoeld in het derde lid, is bepaald dat de uitspraak van de rechter, dan wel het besluit naar aanleiding van die uitspraak, strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
Het plan wordt binnen 4 weken na de vaststelling bekendgemaakt in de Staatscourant.
Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, beslist Onze minister bij beschikking, met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden.
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 93e.1
Vervallen
Artikel 93h
Vervallen
Artikel 117. Grondslag bekostiging personeel
Voor de bekostiging van personeel wordt per onderwijssoort een bedrag per school, niet zijnde een instelling, en een bedrag per leerling toegekend, welke bedragen worden verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend, wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar van de leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.
De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval verschillend worden vastgesteld voor leerlingen
- a. van de verschillende onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2;
- b. in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
- c. jonger dan 8 jaar; en
- d. 8 jaar en ouder.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging voor personeelskosten kan worden toegekend. In ieder geval wordt aan scholen, niet zijnde instellingen, aanvullende bekostiging toegekend voor schoolleiding, bestrijding van onderwijsachterstanden en groei van het aantal leerlingen gedurende het schooljaar.
De instellingen ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks een bij ministeriële regeling vast te stellen bekostiging in verband met de visuele handicap van de leerlingen van de instelling en de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 9, onderdelen b en c. De bekostigingsbedragen, bedoeld in het eerste lid, en de eerste volzin zijn tezamen redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de instelling, voor de taken, bedoeld in artikel 9, en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de instelling. Het veertiende lid is van overeenkomstige toepassing.
De scholen van de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b, c en d, ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste en derde lid, bekostiging in verband met het onderwijs aan leerlingen van wie de toelating is gericht op een verblijf op de school van korter dan een schooljaar en bekostiging ten behoeve van leerlingen als bedoeld in artikel 28c, derde lid.
Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen van de bekostiging, bedoeld in het vijfde lid, voor de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b en c, per onderwijssoort en voor de onderwijssoorten in het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel d, per cluster vastgesteld.
Voor scholen, niet zijnde instellingen, waaraan onderwijs wordt gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen wordt tevens een bekostiging vastgesteld die is gebaseerd op het aantal leerlingen aan wie onderwijs wordt verzorgd op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71c, eerste lid.
Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen voor de berekening van de bekostiging ten behoeve van de werkzaamheden en de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel a, vastgesteld.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de werkzaamheden en de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel b, de bekostiging vastgesteld.
Bij ministeriële regeling worden het bedrag per school en per leerling, bedoeld in het eerste lid, de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in het eerste lid, en de bekostigingsbedragen, bedoeld in het derde, vijfde, zevende, achtste en negende lid, vastgesteld.
Het bedrag per leerling, bedoeld in het tiende lid, is de som van:
- a. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag, en
- b. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie onderwijsondersteunend personeel per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.
De verhoging, bedoeld in het tiende lid, is voor wat betreft het bedrag per leerling de uitkomst van de in het elfde lid, onder a, bedoelde hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.
Het bedrag per school, het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging voor wat betreft het bedrag per school, en de bekostigingsbedragen, bedoeld in het tiende lid, zijn de uitkomst van een bij de algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie vermenigvuldigd met een bedrag.
Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het tiende lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van het personeel van scholen en worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de gewogen gemiddelde leeftijd en de geraamde gewogen gemiddelde leeftijd worden vastgesteld. Indien aanvullende bekostiging wordt toegekend voor een bepaalde categorie personeel kan in afwijking van de eerste volzin rekening worden gehouden met de genormeerde gemiddelde personeelslasten van die categorie personeel.
De bekostiging, bedoeld in het eerste en het derde lid, voor wat betreft schoolleiding en groei van het aantal leerlingen tijdens het schooljaar, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in dit artikel, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 118. Berekening aantal leerlingen
Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 117, is het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, dat door een commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door de school wordt verzorgd.
Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend en voor het daaropvolgende schooljaar wordt als grondslag genomen het aantal leerlingen op 1 oktober, volgende op de opening, dat door een commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door de school wordt verzorgd. Indien een nieuwe school ontstaat als gevolg van beëindiging van het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs van een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.
Voor scholen waaraan onderwijs wordt verzorgd van een van de soorten behorend tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, geldt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, het aantal leerlingen dat door de commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot dat cluster en dat op die school is ingeschreven.
Voor de toepassing van artikel 117 geldt in geval van samenvoeging van scholen, het aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen vastgesteld volgens het eerste lid, en de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van alle bij de samenvoeging betrokken scholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
Voor de bekostiging die scholen ontvangen op grond van artikel 71c zijn het eerste lid, het tweede lid en het derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 119. Berekening aantal leerlingen op ziekenhuisscholen
Vervallen
Artikel 121. Grondslag bekostiging kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling, uitkeringen aan gewezen personeel en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
Aan de school wordt in verband met de kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling en de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet bekostiging verstrekt.
De in het eerste lid bedoelde bekostiging is verwerkt in de bedragen en in de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in de artikelen 117, vierde en tiende lid, en 120.
Artikel 122. Grondslag bekostiging voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening
Vervallen
Afdeling 4. Materiële instandhouding
Afdeling 7. Wijze van bekostiging
§ 2. Materiële instandhouding
§ 3. Personeel
§ 3. Personeel
Artikel 145*. Aanwijzing
Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze minister de rechtspersoon die de school in stand houdt een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
Onder wanbeheer wordt uitsluitend verstaan:
- a. financieel wanbeleid,
- b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf dan wel een derde;
- c. onrechtmatig handelen, waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf of een derde, en
- d. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of toezichthouder.
In de aanwijzing geeft Onze minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen het bevoegd gezag aan de aanwijzing moet voldoen.
Alvorens Onze minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:
- a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;
- b. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en
- c. stelt Onze minister de rechtspersoon vervolgens vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de aanwijzing naar voren te brengen.
Afdeling 10. Verslaglegging en informatieverstrekking
Afdeling 9. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
Afdeling 8. Verslaglegging en informatieverstrekking
Artikel 164. Inlichtingenplicht bevoegd gezag, regionaal expertisecentrum en gemeente
Vervallen
Artikel 165. Schoolbegeleiding
Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een school.
Artikel 166. Bekostiging van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in de vorige volzin.
Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het eerste lid, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen.
Artikel 167. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.
Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
Artikel 168. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften
Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.
Artikel 170. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon in verband met kosten van uitkeringen aan gewezen personeel en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet ten behoeve van gewezen personeel.
Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum voldoet aan de rechtspersoon jaarlijks een door die rechtspersoon vast te stellen bijdrage in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.
Van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
De rechtspersoon stelt regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum als bedoeld in artikel 132, derde lid. Indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum zich beroept op overwegingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, betrekt de rechtspersoon die overwegingen bij de beoordeling van een in de eerste volzin bedoeld verzoek.
Indien de rechtspersoon het in het vierde lid bedoelde verzoek heeft ingewilligd, vergoedt hij aan de instantie die de werkloosheidsuitkeringen, de suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede de uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet verstrekt of heeft verstrekt, de kosten van die uitkeringen of suppleties.
Tegen een besluit van de rechtspersoon kan het bevoegd gezag beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Titel V. Bewijzen van bekwaamheid
Titel VI. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169
Titel VII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 66a. Goedkeuring
Fusies worden niet tot stand gebracht dan nadat daarvoor goedkeuring is verleend door Onze Minister.
De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, is niet vereist voor de fusie die noodzakelijk is voor de totstandkoming van de samenwerkingsschool, bedoeld in artikel 28j, eerste lid.
Artikel 66b. Aanvraag en fusie-effectrapportage
De rechtspersoon dient dan wel de rechtspersonen gezamenlijk dienen een aanvraag in bij Onze Minister voor het verkrijgen van de goedkeuring, bedoeld in artikel 66a, eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van:
- a. een door de rechtspersoon dan wel rechtspersonen opgestelde fusie-effectrapportage, en
- b. een schriftelijke verklaring van instemming met de fusie door de medezeggenschapsraden dan wel de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden, dan wel
- c. de bindende uitspraak van de geschillencommissie op grond van artikel 32, eerste dan wel vierde lid, tweede volzin, van de Wet medezeggenschap op scholen, dan wel de bindende uitspraak van de ondernemingskamer op grond van artikel 36 van de Wet medezeggenschap op scholen.
De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van:
- a. de motieven voor de fusie,
- b. de alternatieven voor de fusie,
- c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd,
- d. de te bereiken doelen,
- e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de effecten van de fusie op de spreiding en omvang van de rechtspersonen en scholen in het voedingsgebied, de onderwijskundige en bestuurlijke diversiteit van het onderwijsaanbod in het voedingsgebied,
- f. de kosten en baten van de fusie,
- g. de gevolgen van de fusie voor het personeel en leerlingen, waaronder begrepen de gevolgen voor de voorzieningen,
- h. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd,
- i. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd, en
- j. een advies van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten over de wenselijkheid van de voorgestelde fusie.
Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de fusie-effectrapportage vastgesteld.
Artikel 66c. Toets
Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de fusie de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, in het bijzonder ten aanzien van de evenwichtige spreiding van de onderwijsvoorzieningen binnen het voedingsgebied, op significante wijze wordt belemmerd.
Onze Minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, adviseren door een onafhankelijke adviescommissie, tenzij de noodzaak daartoe ontbreekt. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer er geen sprake is van de noodzaak bedoeld in de eerste volzin.
Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 66d. Toetstermijn en verlenging
Onze Minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag als bedoeld in artikel 66b.
De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste met 13 weken worden verlengd. Van deze verlenging wordt, binnen de 13 weken bedoeld in het eerste lid, mededeling gedaan aan de aanvrager.
Op het besluit bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Afdeling 2. Overige bepalingen
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Artikel 79. Scholen uit voorgaand plan
Behoudens het bepaalde in het tweede lid worden in elk plan de scholen uit het voorafgaande plan opgenomen die:
- a. nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht;
- b. voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het onderwijs nog niet is aangevangen.
Uit het voorafgaande plan wordt een school niet opgenomen:
- a. indien de indiener van een verzoek heeft gevraagd de school te laten vervallen;
- b. indien aan een bijzondere school het onderwijs niet is aangevangen in het tweede jaar volgend op het jaar waarvoor de school het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij opneming in het plan op grond van de bij een nieuw verzoek overgelegde gegevens gerechtvaardigd is;
- c. indien zich naar het oordeel van provinciale staten omstandigheden hebben voorgedaan die bij de vaststelling van het plan niet bekend waren en die, waren zij wel bekend geweest, tot een ander besluit zouden hebben geleid.
Indien beroep is ingesteld tegen een besluit krachtens het tweede lid, onderdeel c, en de uitspraak strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
Artikel 84. Goedkeuring plan door minister
Aan het plan wordt toegevoegd een overzicht van de verzoeken die niet zijn ingewilligd en de motivering daarvan. Deze stukken worden door gedeputeerde staten binnen 2 weken na de vaststelling van het plan aan alle verzoekers gezonden met vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan Onze minister is gezonden. Het plan wordt binnen 2 weken na de vaststelling voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd op de provinciale griffie.
Binnen 2 weken na de vaststelling wordt het plan ter goedkeuring aan Onze minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde verzoeken en het overzicht bedoeld in het eerste lid. Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Onze minister besluit met inachtneming van het beroepschrift bedoeld in artikel 83, vierde lid, voor 1 december van het jaar voorafgaande aan de planperiode. Afschrift van het besluit wordt binnen 2 weken aan provinciale staten gezonden. Indien Onze minister niet voor 1 december heeft besloten, wordt het plan geacht te zijn goedgekeurd.
Onze minister onthoudt zijn goedkeuring indien en voor zover:
- a. provinciale staten ten onrechte vermeerdering van het aantal openbare scholen in de planperiode niet noodzakelijk hebben geacht;
- b. opneming van een school in het plan niet noodzakelijk is omdat de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen toereikend is dan wel niet in overeenstemming is met het tot stand brengen van een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de school zal worden bezocht door het in artikel 83, eerste lid, bedoelde aantal leerlingen;
- c. is uitgegaan van kennelijk ondeugdelijke prognoses;
- d. ten aanzien van een op het plan geplaatste school ten onrechte niet is bepaald dat zij voor bekostiging in aanmerking komt in het eerste jaar van de planperiode.
Bij onthouding van de goedkeuring op grond van het vierde lid onder a draagt Onze minister provinciale staten op alsnog een openbare school in het plan op te nemen.
Bij onthouding van goedkeuring op grond van het vierde lid onder d draagt Onze minister provinciale staten op de bekostiging van de school in het eerste jaar van de planperiode in het plan op te nemen.
Indien ten gevolge van een besluit op grond van het vierde lid een school uit het plan moet vervallen, deelt Onze minister dit besluit binnen 2 weken mee aan de indiener van het verzoek om opneming van de betrokken school in het plan.
Indien in beroep tegen het besluit van Onze Minister, bedoeld in het zevende lid, is bepaald dat de uitspraak van de rechter, dan wel het besluit naar aanleiding van die uitspraak, strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
Zodra het plan onherroepelijk is vastgesteld, dragen gedeputeerde staten zorg voor bekendmaking in de Staatscourant en het provinciaal blad.
Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, besluit Onze minister bij beschikking, met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden.
Artikel 85. Verplichting tot stichting openbare school
Indien een plan onherroepelijk is vastgesteld, is de gemeente verplicht tot stichting van de daarop geplaatste scholen voor openbaar onderwijs.
Artikel 86. Vaststelling plan door minister
Onze minister stelt jaarlijks voor 1 oktober een plan van nieuwe scholen vast voor de scholen voor dove kinderen, scholen voor kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, scholen verbonden aan pedologische instituten en instellingen, die in de 4 kalenderjaren volgende op het jaar van de vaststelling, voor bekostiging uit de openbare kassen in aanmerking zullen worden gebracht. Het plan heeft ten doel te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.
Bij de vaststelling van het plan wordt uitgegaan van de verzoeken bedoeld in artikel 81. Tevens beziet Onze minister bij de vaststelling van het plan of voldoende is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs. Onze minister betrekt bij de vaststelling van het plan de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen. Indien verzoeken niet zijn ingewilligd, maakt Onze minister dit besluit binnen 2 weken bekend aan de indieners van het verzoek om opneming van de betrokken school in het plan.
Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde in de artikelen 78, derde lid, 79, 80, eerste en vierde lid, 81, 82 en 85, alsmede, behoudens voor instellingen, het bepaalde artikel 83, eerste en tweede lid, en artikel 83, derde lid onder a, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «provinciale staten» of «gedeputeerde staten» telkens wordt gelezen: Onze minister. In het plan worden in elk geval opgenomen de instellingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 300 leerlingen, dan wel dat zij blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen en begeleiding als bedoeld in artikel 9, onder b, zullen verstrekken aan ten minste 100 leerlingen. In het plan kunnen instellingen worden opgenomen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen. Bij de toepassing van de vorige twee volzinnen worden voor de bepaling van het aantal leerlingen dat een instelling zal bezoeken niet in aanmerking genomen de leerlingen voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een andere instelling, tenzij deze uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd.
Indien in beroep tegen het besluit van Onze Minister, bedoeld in het derde lid, is bepaald dat de uitspraak van de rechter, dan wel het besluit naar aanleiding van die uitspraak, strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
Het plan wordt binnen 4 weken na de vaststelling bekendgemaakt in de Staatscourant.
Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, beslist Onze minister bij beschikking, met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden.
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 93e.2
Vervallen
Artikel 102a1
Vervallen
Artikel 102a2
Vervallen
Afdeling 4. Materiële instandhouding
Artikel 102d
Vervallen
Artikel 102a
Vervallen
Artikel 117. Grondslag bekostiging personeel
Voor de bekostiging van personeel wordt per onderwijssoort een bedrag per school, niet zijnde een instelling, en een bedrag per leerling toegekend, welke bedragen worden verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend, wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar van de leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.
De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval verschillend worden vastgesteld voor leerlingen
- a. van de verschillende onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2;
- b. in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
- c. jonger dan 8 jaar; en
- d. 8 jaar en ouder.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging voor personeelskosten kan worden toegekend. In ieder geval wordt aan scholen, niet zijnde instellingen, aanvullende bekostiging toegekend voor schoolleiding, bestrijding van onderwijsachterstanden en groei van het aantal leerlingen gedurende het schooljaar.
De instellingen ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks een bij ministeriële regeling vast te stellen bekostiging in verband met de visuele handicap van de leerlingen van de instelling en de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 9, onderdelen b en c. De bekostigingsbedragen, bedoeld in het eerste lid, en de eerste volzin zijn tezamen redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de instelling, voor de taken, bedoeld in artikel 9, en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de instelling. Het veertiende lid is van overeenkomstige toepassing.
De scholen van de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b, c en d, ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste en derde lid, bekostiging in verband met het onderwijs aan leerlingen van wie de toelating is gericht op een verblijf op de school van korter dan een schooljaar en bekostiging ten behoeve van leerlingen als bedoeld in artikel 28c, derde lid.
Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen van de bekostiging, bedoeld in het vijfde lid, voor de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b en c, per onderwijssoort en voor de onderwijssoorten in het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel d, per cluster vastgesteld.
Voor scholen, niet zijnde instellingen, waaraan onderwijs wordt gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen wordt tevens een bekostiging vastgesteld die is gebaseerd op het aantal leerlingen aan wie onderwijs wordt verzorgd op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71c, eerste lid.
Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen voor de berekening van de bekostiging ten behoeve van de werkzaamheden en de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel a, vastgesteld.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de werkzaamheden en de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel b, de bekostiging vastgesteld.
Bij ministeriële regeling worden het bedrag per school en per leerling, bedoeld in het eerste lid, de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in het eerste lid, en de bekostigingsbedragen, bedoeld in het derde, vijfde, zevende, achtste en negende lid, vastgesteld.
Het bedrag per leerling, bedoeld in het tiende lid, is de som van:
- a. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag, en
- b. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie onderwijsondersteunend personeel per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.
De verhoging, bedoeld in het tiende lid, is voor wat betreft het bedrag per leerling de uitkomst van de in het elfde lid, onder a, bedoelde hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.
Het bedrag per school, het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging voor wat betreft het bedrag per school, en de bekostigingsbedragen, bedoeld in het tiende lid, zijn de uitkomst van een bij de algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie vermenigvuldigd met een bedrag.
Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het tiende lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van het personeel van scholen en worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de gewogen gemiddelde leeftijd en de geraamde gewogen gemiddelde leeftijd worden vastgesteld. Indien aanvullende bekostiging wordt toegekend voor een bepaalde categorie personeel kan in afwijking van de eerste volzin rekening worden gehouden met de genormeerde gemiddelde personeelslasten van die categorie personeel.
De bekostiging, bedoeld in het eerste en het derde lid, voor wat betreft schoolleiding en groei van het aantal leerlingen tijdens het schooljaar, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in dit artikel, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 118. Berekening aantal leerlingen
Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 117, is het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, dat door een commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door de school wordt verzorgd.
Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend en voor het daaropvolgende schooljaar wordt als grondslag genomen het aantal leerlingen op 1 oktober, volgende op de opening, dat door een commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door de school wordt verzorgd. Indien een nieuwe school ontstaat als gevolg van beëindiging van het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs van een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.
Voor scholen waaraan onderwijs wordt verzorgd van een van de soorten behorend tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, geldt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, het aantal leerlingen dat door de commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot dat cluster en dat op die school is ingeschreven.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)