Wet van 15 december 1982, houdende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden.
Indien de school een raad van toezicht heeft, is het zesde lid niet van toepassing en voorzien de statuten, onverminderd artikel 28i, in ieder geval in een regeling omtrent:
- a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de stichting,
- b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
- c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
- d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
- e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,
- h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht is verzekerd. Het achtste, negende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21b
Vervallen
Artikel 53. Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Het bevoegd gezag stelt de leerlingen in de gelegenheid op de school, binnen de schooltijden, godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen. Van de tijd daaraan te besteden, worden ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 11, vierde lid, ten minste moeten ontvangen. Voor de leerlingen die dit onderwijs niet volgen, voorziet het bevoegd gezag in andere onderwijsactiviteiten op de school.
Artikel 54. Leraren godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Godsdienstonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens hun statuten het geven van godsdienstonderwijs ten doel stellen. Levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisaties op geestelijke grondslag.
Artikel 55. Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Gedeputeerde Staten
In afwijking van artikel 33a, zijn Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie bevoegd de disciplinaire straf of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het betreft een directeur, een adjunct-directeur, of een ander lid van het onderwijzend personeel van een openbare school en deze tevens lid is van de raad van de gemeente die de school in stand houdt.
Artikel 56. Akte van aanstelling
Vervallen
Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Artikel 57. Instandhouding bijzondere school door rechtspersoon
Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.
Artikel 58. Bestuursoverdracht
De rechtspersoon die de school in stand houdt, kan de instandhouding van de school overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 57. De overdracht geschiedt bij notariële akte.
Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen, alsmede de roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de arbeidsovereenkomst, benoemt met ingang van de datum van overdracht.
Door de overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de school, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.
Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een school in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de school in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de school overgaat. In het laatste geval zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 59. Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Onverminderd de artikelen 13, 14a, 14c, 14f, 15 en 16 kunnen de onderwijsactiviteiten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs omvatten. Van de tijd daaraan te besteden, worden ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 12, eerste lid, ten minste moeten ontvangen. Het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs kan worden opgedragen aan een niet aan de school verbonden leraar.
Artikel 99. Toetsing i.v.m. wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden
Voorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 93, zijn opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip dat daarvoor op grond van artikel 97, eerste lid, is vastgesteld,
- a. is voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en
- b. de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma niet ingrijpend zijn gewijzigd.
Artikel 100. Gemeentelijke regeling
De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast met betrekking tot:
- a. de voorzieningen die ingevolge artikel 90 voor bekostiging in aanmerking kunnen worden gebracht,
- b. de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen,
- c. de urgentiecriteria,
- d. de prognosecriteria,
- e. de termijn bedoeld in artikel 97,
- f. de procedure met betrekking tot verhuur en het medegebruik van ruimten voor het onderwijs,
- g. de termijn gedurende welke een gebouw of terrein voor een school of nevenvestiging nog ten hoogste kan worden gebruikt bij toepassing van artikel 108, alsmede de procedure in verband met een eventueel op te maken staat van onderhoud, en
- h. de gegevens bedoeld in artikel 110,
- i. de wijze waarop het aantal groepen leerlingen, bedoeld in de artikelen 120 en 121 voor scholen en instellingen wordt vastgesteld.
De regeling wordt zodanig vastgesteld dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt.
De gemeenteraad stelt normen vast aan de hand waarvan de bedragen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting.
Het college van burgemeester en wethouders betaalt volgens door het college van burgemeester en wethouders te stellen regels de bedragen aan de hand van de door de gemeenteraad gestelde normen.
De gemeenteraad stelt de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met door de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente aan te wijzen vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe een procedure vast.
Tijdens het in het vijfde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van de gemeentelijke verordening in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met de verordening of de wijziging daarvan.
Artikel 101. Bouwheerschap
Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school geeft opdracht de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de artikelen 93 en 96 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen gelden, tenzij het met het college van burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt.
Indien de gemeente de voorziening in de huisvesting van een niet door de gemeente in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag anders overeenkomen.
Indien de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geeft het college van burgemeester en wethouders deze aan het bevoegd gezag in gebruik.
Artikel 60. Geen weigering toelating op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing
Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling geen gelegenheid bestaat tot het volgen van openbaar onderwijs, mag de toelating tot de school niet worden geweigerd op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing. Het voorgaande is niet van toepassing, indien de school uitsluitend bestemd is voor interne leerlingen.
Leerlingen die ingevolge het eerste lid zijn toegelaten, kunnen niet worden verplicht godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen.
Artikel 103. Totstandbrenging voorziening voor een niet door de gemeente in stand gehouden school
De gemeente brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door de gemeente in stand gehouden school slechts tot stand, indien tussen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.
Artikel 104. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring
Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw en terrein, alsmede de roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, behoorlijk te gebruiken en te onderhouden.
Vervreemding door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school anders dan op grond van artikel 52 of artikel 58, van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school van zodanige gebouwen en terreinen, is zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders nietig.
Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van het recht van opstal ten behoeve van een door de gemeente te plaatsen tijdelijke voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de betrokken school.
Artikel 61. Beslissingen bijzonder onderwijs inzake toelating en verwijdering en bezwaarprocedure
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 36, derde lid, een ho-student de toegang weigert, deelt het bevoegd gezag deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de ho-student, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school hetzij weigert een leerling toe te laten, hetzij een leerling verwijdert, op grond van artikel 40, eerste lid en zesde lid, deelt het deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld. Voordat het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 40, eerste lid en zesde lid, beslist tot verwijdering van een leerling, hoort het de ouders van de leerling, onverminderd het zesde lid van dat artikel.
Binnen 6 weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, kunnen de ouders bij het bevoegd gezag schriftelijk hun bezwaren kenbaar maken tegen de beslissing. Het bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na ontvangst van de bezwaren. Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag de ouders.
Het bevoegd gezag beslist niet eerder op de bezwaren dan:
- a. na overleg met de inspecteur en desgewenst met andere deskundigen,
- b. nadat de ouders kennis hebben kunnen nemen van de op de beslissing betrekking hebbende adviezen of rapporten, en
- c. de ouders opnieuw zijn gehoord.
Het bevoegd gezag van een bijzondere school kan beslissen een aanmelding voor toelating niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanmelding of voor de voorbereiding van de toelatingsbeslissing, mits de ouders dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, de leerling, de gelegenheid hebben gehad de aanmelding binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn aan te vullen. Een beslissing om de aanmelding niet te behandelen wordt aan de ouders dan wel de leerling bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanmelding is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. De termijn voor het nemen van de toelatingsbeslissing wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bevoegd gezag krachtens de eerste volzin de ouders dan wel de leerling uitnodigt de aanmelding aan te vullen, tot de dag waarop de aanmelding is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Artikel 62. Akte van benoeming
Vervallen
Artikel 63. Beroepsrecht personeel
Het bevoegd gezag is aangesloten bij een commissie van beroep. Het personeel kan bij die commissie beroep instellen tegen een beslissing van het bevoegd gezag inhoudende:
- a. een disciplinaire maatregel;
- b. schorsing;
- c. het direct of indirect onthouden van promotie;
- d. het verminderen van de omvang van de betrekking;
- e. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt;
- f. de beslissing van het bevoegd gezag ten aanzien van een personeelslid op basis waarvan op termijn vermindering van diens betrekkingsomvang kan plaatsvinden;
- g. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
- h. de aanwijzing als personeelslid boven de reguliere formatie voortvloeiend uit een algemeen verbindend voorschrift welke aanwijzing op termijn kan leiden tot ontslag, vermindering van de betrekkingsomvang of beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
- i. de aanwijzing van een andere school of andere scholen waaraan een personeelslid werkzaamheden zal verrichten.
Een beslissing als bedoeld in het vorige lid, aanhef, wordt schriftelijk aan de betrokkene medegedeeld. Daarbij wordt tevens vermeld de beroepstermijn en het adres van de commissie waar het beroep kan worden ingesteld.
Het bevoegd gezag onderwerpt zich aan de uitspraak van de commissie.
Artikel 64. Beroepstermijn
Vervallen
Artikel 65. Commissie van beroep personeel
Vervallen
Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs
Artikel 66. Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a. fusie: institutionele fusie of bestuursoverdracht,
- b. institutionele fusie: een fusie waarbij een school ontstaat door samenvoeging van twee of meer scholen,
- c. bestuursoverdracht: overdracht van een school door het bevoegd gezag dat deze in stand houdt aan een ander bevoegd gezag in de zin van deze wet of een andere onderwijswet.
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op het instellen van een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, eerste lid, eerste volzin of de instandhouding van een of meer openbare scholen door een stichting als bedoeld in artikel 51, eerste lid.
Artikel 67. Schoolwijken
De gemeenteraad is bevoegd uitsluitend in het belang van een doelmatige spreiding van de leerlingen over de openbare scholen, het grondgebied van de gemeente in schoolwijken te verdelen.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid, geldt voor ten minste 3 schooljaren, met dien verstande dat tussentijdse wijziging mogelijk is in geval van veranderingen in het scholenbestand. Het college van burgemeester en wethouders zendt binnen 4 weken nadat het besluit is genomen afschrift daarvan aan gedeputeerde staten.
De toelating tot een openbare school geschiedt in overeenstemming met de vastgestelde schoolwijken, tenzij door de ouders van de leerling, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, door de leerling, schriftelijk aan het bevoegd gezag te kennen wordt gegeven dat toelating in een andere schoolwijk wordt gewenst.
Artikel 68. Overlegorgaan s.o. – b.o. en overlegorgaan v.s.o. – v.o.
Vertegenwoordigers van het speciaal onderwijs en het basisonderwijs kunnen ten behoeve van de scholen die zij vertegenwoordigen een overlegorgaan oprichten met het doel de samenwerking tussen die scholen te bevorderen ten aanzien van de toelating van leerlingen en de inrichting van het onderwijs.
Met betrekking tot het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 en het voortgezet onderwijs alsmede het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Aan de vertegenwoordiging van de aan het overleg deelnemende scholen zal in ieder geval een vertegenwoordiging van de ouders en van de leraren deelnemen.
Artikel 69. Centrale dienst
Op het personeel van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die
- a. uitsluitend wordt bestuurd door een bevoegd gezag al dan niet met een of meer andere bevoegde gezagsorganen als bedoeld in deze wet, de Wet op het primair onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs 2020,
- b. zich blijkens de statuten dan wel de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, uitsluitend ten doel stelt om ten behoeve van scholen en andere onderwijsinstellingen die uit 's Rijks kas worden bekostigd, werkzaamheden te verrichten ter verzekering van de goede gang van het onderwijs met uitzondering van het leiden van de school, het geven van onderwijs en het verrichten van werkzaamheden op het terrein van de schoolbegeleiding,
- c. niet het maken van winst beoogt,
- d. wordt gefinancierd met behulp van bijdragen van de bevoegde gezagsorganen waarvoor diensten worden verricht, en
- e. Onze Minister heeft medegedeeld als rechtspersoon in de zin van dit artikel werkzaam te willen zijn,
zijn van toepassing de in artikel 33 bedoelde voorschriften en regels.
Onder bevoegd gezag en bevoegde gezagsorganen in het eerste lid onderdeel a wordt mede verstaan het college van burgemeester en wethouders.
Vervallen.
De in het eerste lid onder a bedoelde bevoegde gezagsorganen delen Onze Minister mede dat zij het bestuur vormen van een rechtspersoon in de zin van dit artikel. Voorts verschaffen zij Onze Minister en de door hem aangewezen personen desgevraagd alle inlichtingen omtrent de rechtspersoon en zijn activiteiten. De in het eerste lid onder a bedoelde bevoegde gezagsorganen kunnen Onze Minister mededelen dat zij erin toestemmen dat de gevraagde inlichtingen rechtstreeks door het bestuur van de rechtspersoon zelf aan Onze Minister en de door hem aangewezen personen worden verschaft.
Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag dat deel uitmaakt van het bestuur van de rechtspersoon, zijn verplicht op de naleving van de in de voorgaande leden genoemde voorschriften toe te zien.
Artikel 38 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het personeel van de rechtspersoon.
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 70. Algemene bepalingen bekostiging
Het Rijk bekostigt openbare en bijzondere scholen met in achtneming van deze titel, met uitzondering van afdeling 3.
Geen bekostiging vindt plaats indien leerlingen van verschillende scholen al dan niet van hetzelfde bevoegd gezag gezamenlijk onderwijs ontvangen, tenzij het betreft de uitvoering van een deel van het schoolplan op grond van artikel 24.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid. Deze algemene maatregel van bestuur bevat in ieder geval de termijnen waarbinnen besluiten moeten worden genomen.
Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van scholen.
Het Rijk verstrekt jaarlijks aan de provincie Fryslân bekostiging voor het onderwijs in de Friese taal, bedoeld in artikel 13, zesde lid. De provincie Fryslân draagt zorg voor verdeling van de bekostiging over de betrokken scholen naar rato van het aantal leerlingen dat gebruik maakt van dat onderwijs.
Artikel 71. Aanvullende middelen
Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect nodig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor de bevordering van deelname aan het onderwijs.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
De artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn op dit artikel van toepassing.
Artikel 72. Beroep
Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen:
- a. een besluit of een van rechtswege verleende goedkeuring als bedoeld in de afdelingen 2 en 8 van deze titel,
- b. een besluit als bedoeld in artikel 117, vierde lid, en
- c. een besluit als bedoeld in artikel 129.
Artikel 72a. Omschrijving voorzieningen in huisvesting
Vervallen
Artikel 72b. Budgetplafond en verdelingsregels
Vervallen
Artikel 73. Instandhouding openbare scholen door een stichting of een openbare rechtspersoon
Voor de toepassing van deze titel zijn de voorschriften die betrekking hebben op bijzondere scholen, van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een stichting als bedoeld in artikel 51 of een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, tenzij het tegendeel blijkt.
Indien een openbare school in stand wordt gehouden door een stichting of een openbare rechtspersoon, wordt deze aangemerkt als een door de gemeente in stand gehouden openbare school voor de toepassing van afdeling 2 en afdeling 8.
Artikel 74. Begripsbepaling van «school»
In deze titel wordt onder «school» verstaan een school of afdeling als bedoeld in artikel 8, tenzij het tegendeel blijkt.
Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging
Artikel 75. Tijdelijke afwijking
De artikelen 77 tot en met 88 zijn tot een bij de wet te bepalen datum niet van toepassing.
Tot een bij de wet te bepalen datum kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag, onder door hem te stellen voorwaarden, een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien:
- a. de school is gelegen in een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke bevolkingstoename,
- b. sprake is van een verandering van de plaats van vestiging van een reeds bekostigde school,
- c. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of omgekeerd,
- d. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting,
- e. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school met onderwijs van een of meer andere richtingen,
- f. sprake is van voor bekostiging in aanmerking brengen van een samenwerkingsschool met inachtneming van artikel 28j,
- g. sprake is van stichting van scholen die overeenkomen met de scholen waaruit een opgeheven samenwerkingsschool is ontstaan, of
- h. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school voor speciaal onderwijs met onderwijs voor voortgezet speciaal onderwijs.
De aanvraag, is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 81, tweede lid. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van uitbreiding als bedoeld in het tweede lid, onder h, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste lid dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder f, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen, met dien verstande dat daarbij de leerlingaantallen als bedoeld in artikel 137 en artikel 138 worden toegepast. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder g, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen.
Een school die is opgenomen in een door Onze Minister goedgekeurd of vastgesteld plan van nieuwe scholen voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994 komt voor bekostiging in aanmerking indien de school in dat plan is opgenomen met als jaar van aanvang van de bekostiging 1991 en het onderwijs voor 1 januari 1992 een aanvang heeft genomen.
Artikel 76. Bekostiging na beslissing in beroep
Indien beroep is ingesteld in verband met de plannen van nieuwe scholen voor de jaren 1986 tot en met 1994 en op grond van de artikelen 79, derde lid, 80, derde lid, 83, vijfde lid, 84, achtste lid, en 86, vierde lid, de uitspraak zou hebben geleid tot opneming van een school in het eerstvolgende plan, brengt Onze Minister deze school voor bekostiging in aanmerking in het eerste jaar van de planperiode waarop dat plan betrekking zou hebben gehad. Zodra de bekostiging van een school een aanvang kan nemen, beslist Onze Minister bij beschikking met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden. De bekostiging kan na een beschikking van Onze Minister als bedoeld in de vorige volzin, slechts aanvangen per 1 augustus van een schooljaar.
Artikel 30b
Vervallen
Artikel 78. Vaststelling plan door provinciale staten
Provinciale staten stellen op voordracht van gedeputeerde staten, al dan niet in samenwerking met provinciale staten van een of meer andere provincies, jaarlijks voor 1 augustus een plan van nieuwe scholen in de provincie van vestiging vast voor de scholen voor slechthorende kinderen, voor lichamelijk gehandicapte kinderen, scholen voor langdurig zieke kinderen, scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen, scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen en scholen voor meervoudig gehandicapte kinderen, die in de 4 kalenderjaren volgende op het jaar van vaststelling voor bekostiging uit de openbare kassen in aanmerking dienen te worden gebracht. Het plan heeft ten doel te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen in de betrokken provincie. Het plan behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Bij de vaststelling van het plan wordt uitgegaan van de verzoeken bedoeld in artikel 81. Tevens bezien provinciale staten bij de vaststelling van het plan of voldoende is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs. Provinciale staten betrekken bij de vaststelling van het plan de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen.
Het plan vermeldt van elke school of het betreft:
- a. een school voor speciaal onderwijs;
- b. een school voor voortgezet speciaal onderwijs;
- c. een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;
- d. een afdeling.
Het plan vermeldt tevens de schoolsoort, de plaats van vestiging en de te verwachten omvang, alsmede welke scholen in het eerste jaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komen en de reden waarom de overige scholen daarvoor niet in aanmerking komen.
Bij de goedkeuring van Onze Minister van het plan treden voor de toepassing van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht gedeputeerde staten in de plaats van het bevoegd gezag van de bijzondere scholen.
Artikel 79. Scholen uit voorgaand plan
Behoudens het bepaalde in het tweede lid worden in elk plan de scholen uit het voorafgaande plan opgenomen die:
- a. nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht;
- b. voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het onderwijs nog niet is aangevangen.
Uit het voorafgaande plan wordt een school niet opgenomen:
- a. indien de indiener van een aanvraag heeft verzocht de school te laten vervallen;
- b. indien aan een bijzondere school het onderwijs niet is aangevangen in het tweede jaar volgend op het jaar waarvoor de school het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij opneming in het plan op grond van de bij een nieuwe aanvraag overgelegde gegevens gerechtvaardigd is;
- c. indien zich naar het oordeel van provinciale staten omstandigheden hebben voorgedaan die bij de vaststelling van het plan niet bekend waren en die, waren zij wel bekend geweest, tot een ander besluit zouden hebben geleid.
Indien beroep is ingesteld tegen een besluit krachtens het tweede lid, onderdeel c, en de uitspraak strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
Artikel 80. Achterwege blijven vaststelling plan
De vaststelling van een plan blijft achterwege, indien:
- a. geen aanvragen om opneming in het plan zijn ingekomen of geen der ingekomen aanvragen voor inwilliging in aanmerking komt,
- b. provinciale staten besluiten dat vermeerdering van het aantal openbare scholen in de planperiode niet noodzakelijk is en
- c. geen scholen uit het voorafgaande plan voor opneming in het plan in aanmerking komen.
Het besluit bedoeld in het eerste lid onder b, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Het wordt voor 1 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode aan Onze Minister gezonden. Artikel 84, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien een besluit van de minister, houdende weigering van de goedkeuring onherroepelijk is geworden, nemen provinciale staten de openbare school op in het eerste na een zodanig besluit vast te stellen plan.
Aan de indieners van de niet ingewilligde aanvragen bedoeld in het eerste lid onder a, wordt voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode afschrift gezonden van het desbetreffende besluit.
Artikel 81. Aanvraag tot opneming in plan van scholen
Een aanvraag tot opneming in het plan wordt voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan, bij gedeputeerde staten ingediend door de gemeenteraad, door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, door een stichting als bedoeld in artikel 28 of 51, of door ouders, indien het een openbare school betreft, en door het bevoegd gezag, indien het een bijzondere school betreft.
Elke aanvraag is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:
- a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen,
- b. de beschrijving van het voedingsgebied,
- c. de aanduiding van de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven,
- d. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging en
- e. indien het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, een opgave van de handicaps van de leerlingen waarvoor de school is bestemd.
Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 82. Overleg tussen gedeputeerde staten en aanvrager
Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat een andere school dan gevraagd wordt, dan wel een andere plaats van vestiging meer in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen in de provincie, treden zij, alvorens het plan ter vaststelling voor te dragen, in overleg met de aanvrager.
Artikel 82a. Verzoek om niet in programma van eisen opgenomen voorziening voor gehandicapte leerling
Vervallen
Artikel 83. Opneming school in plan
In het plan worden in elk geval opgenomen de scholen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste het volgende aantal leerlingen:
- a. de school voor speciaal onderwijs: 60 leerlingen;
- b. de school voor voortgezet speciaal onderwijs: 42 leerlingen;
- c. de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: 81 leerlingen;
- d. de afdeling: 15 leerlingen.
Tot het totaal aantal leerlingen bedoeld onder c, behoren ten minste 21 leerlingen die in aanmerking komen voor het volgen van voortgezet speciaal onderwijs.
In het plan kunnen scholen worden opgenomen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste het volgende aantal leerlingen:
- a. de school voor speciaal onderwijs: 40 leerlingen;
- b. de school voor voortgezet speciaal onderwijs: 32 leerlingen;
- c. de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: 55 leerlingen;
- d. de afdeling: 10 leerlingen.
Tot het aantal leerlingen bedoeld onder c behoren ten minste 14 leerlingen die in aanmerking komen voor het volgen van voortgezet speciaal onderwijs.
Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid worden niet in aanmerking genomen:
- a. de leerlingen voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een gelijksoortige school waar het verlangde onderwijs wordt gegeven, tenzij deze school uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd;
- b. leerlingen die in een andere provincie woonachtig zijn en bij de vaststelling van een plan in die provincie in aanmerking worden genomen.
Tegen een besluit van provinciale staten om een aanvraag tot opneming in het plan van een bijzondere of een openbare school niet in te willigen, kan iedere belanghebbende administratief beroep instellen bij Onze Minister.
Indien een onherroepelijk geworden beslissing in beroep of een uitspraak naar aanleiding van de beslissing in beroep, dan wel het naar aanleiding daarvan genomen besluit van Onze Minister strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van de school, nemen provinciale staten de school op in het na de beslissing in beroep, de uitspraak of het besluit vast te stellen plan.
Artikel 84. Goedkeuring plan door minister
Aan het plan wordt toegevoegd een overzicht van de aanvragen die niet zijn ingewilligd en de motivering daarvan. Deze stukken worden door gedeputeerde staten binnen 2 weken na de vaststelling van het plan aan alle aanvragers gezonden met vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan Onze Minister is gezonden. Het plan wordt binnen 2 weken na de vaststelling voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd op de provinciale griffie.
Binnen 2 weken na de vaststelling wordt het plan ter goedkeuring aan Onze Minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde aanvragen en het overzicht bedoeld in het eerste lid. Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Onze Minister besluit met inachtneming van het beroepschrift bedoeld in artikel 83, vierde lid, voor 1 december van het jaar voorafgaande aan de planperiode. Afschrift van het besluit wordt binnen 2 weken aan provinciale staten gezonden. Indien Onze Minister niet voor 1 december heeft besloten, wordt het plan geacht te zijn goedgekeurd.
Onze Minister onthoudt zijn goedkeuring indien en voor zover:
- a. provinciale staten ten onrechte vermeerdering van het aantal openbare scholen in de planperiode niet noodzakelijk hebben geacht;
- b. opneming van een school in het plan niet noodzakelijk is omdat de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen toereikend is dan wel niet in overeenstemming is met het tot stand brengen van een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de school zal worden bezocht door het in artikel 83, eerste lid, bedoelde aantal leerlingen;
- c. is uitgegaan van kennelijk ondeugdelijke prognoses;
- d. ten aanzien van een op het plan geplaatste school ten onrechte niet is bepaald dat zij voor bekostiging in aanmerking komt in het eerste jaar van de planperiode.
Bij onthouding van de goedkeuring op grond van het vierde lid onder a draagt Onze Minister provinciale staten op alsnog een openbare school in het plan op te nemen.
Bij onthouding van goedkeuring op grond van het vierde lid onder d draagt Onze Minister provinciale staten op de bekostiging van de school in het eerste jaar van de planperiode in het plan op te nemen.
Indien ten gevolge van een besluit op grond van het vierde lid een school uit het plan moet vervallen, deelt Onze Minister dit besluit binnen 2 weken mee aan de indiener van de aanvraag tot opneming van de betrokken school in het plan.
Indien in beroep tegen het besluit van Onze Minister, bedoeld in het zevende lid, is bepaald dat de uitspraak van de rechter, dan wel het besluit naar aanleiding van die uitspraak, strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
Zodra het plan onherroepelijk is vastgesteld, dragen gedeputeerde staten zorg voor bekendmaking ervan in het provinciaal blad.
Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, besluit Onze Minister bij beschikking, met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden.
Artikel 85. Verplichting tot stichting openbare school
Indien een plan onherroepelijk is vastgesteld, is de gemeente verplicht tot stichting van de daarop geplaatste scholen voor openbaar onderwijs.
Artikel 86. Vaststelling plan door minister
Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 oktober een plan van nieuwe scholen vast voor de scholen voor dove kinderen, scholen voor kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, scholen verbonden aan pedologische instituten en instellingen, die in de 4 kalenderjaren volgende op het jaar van de vaststelling, voor bekostiging uit de openbare kassen in aanmerking zullen worden gebracht. Het plan heeft ten doel te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.
Bij de vaststelling van het plan wordt uitgegaan van de aanvragen bedoeld in artikel 81. Tevens beziet Onze Minister bij de vaststelling van het plan of voldoende is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs. Onze Minister betrekt bij de vaststelling van het plan de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen. Indien aanvragen niet zijn ingewilligd, maakt Onze Minister dit besluit binnen 2 weken bekend aan de indieners van de aanvraag tot opneming van de betrokken school in het plan.
Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde in de artikelen 78, derde lid, 79, 80, eerste en vierde lid, 81, 82 en 85, alsmede, behoudens voor instellingen, het bepaalde artikel 83, eerste en tweede lid, en artikel 83, derde lid onder a, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «provinciale staten» of «gedeputeerde staten» telkens wordt gelezen: Onze Minister. In het plan worden in elk geval opgenomen de instellingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 300 leerlingen, dan wel dat zij blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen en begeleiding als bedoeld in artikel 9, onder b, zullen verstrekken aan ten minste 100 leerlingen. In het plan kunnen instellingen worden opgenomen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen. Bij de toepassing van de vorige twee volzinnen worden voor de bepaling van het aantal leerlingen dat een instelling zal bezoeken niet in aanmerking genomen de leerlingen voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een andere instelling, tenzij deze uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd.
Indien in beroep tegen het besluit van Onze Minister, bedoeld in het derde lid, is bepaald dat de uitspraak van de rechter, dan wel het besluit naar aanleiding van die uitspraak, strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
Het plan wordt binnen 4 weken na de vaststelling bekendgemaakt in de Staatscourant.
Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, beslist Onze Minister bij beschikking, met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden.
Artikel 87. Bekostiging van op plan voorkomende scholen
Scholen die gedurende 3 achtereenvolgende jaren in het plan zijn opgenomen en niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, worden in het daaropvolgende jaar voor bekostiging in aanmerking gebracht.
Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 79, derde lid, of artikel 84, achtste lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste jaar van het plan waarin de school was opgenomen. Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 83, vierde lid, of artikel 86, vierde lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste jaar van het plan waarvoor de aanvraag werd ingediend.
Artikel 88. Nadere voorschriften voor uitvoering afdeling 2
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van deze afdeling.
De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure bedoeld in de eerste 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 140. Teldatum en leerlingenaantal voor opheffing en beëindiging bekostiging
Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in de artikelen 135 en 136, is het aantal leerlingen op 1 oktober.
Artikel 141. Jaarverslag
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast. Op deze jaarverslaggeving is Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12, van overeenkomstige toepassing voor zover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald. Het jaarverslag bestaat tenminste uit de volgende onderdelen:
- a. een bestuursverslag als bedoeld in artikel 391 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waarin de door het bevoegd gezag gehanteerde code voor goed bestuur wordt vermeld alsmede ten minste verantwoording wordt afgelegd over de afwijkingen van die code voor goed bestuur,
- b. een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de bekostiging, met daarbij ingevolge het derde lid vast te stellen bijlagen,
- c. overige gegevens als bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke onderdelen het jaarverslag tevens dient te bevatten, dan wel welke onderdelen komen te vervallen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere invulling worden gegeven aan de onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, en kunnen nadere voorschriften worden gegeven over:
- a. de indeling en de wijze van ordening van de gegevens per onderdeel van het jaarverslag,
- b. de wijze en het tijdstip waarop de desbetreffende onderdelen beschikbaar gesteld moeten worden,
- c. de elektronische verzending van het cijfermatige deel uit de jaarrekening, en
- d. de grondslagen voor de jaarrekening.
De beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder b, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan dat de controle overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen accountantsprotocol plaatsvindt en dat aan Onze Minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de accountant.
De code voor goed bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bevat ten minste bepalingen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan
- a. een beleid dat de eigen deskundigheid en verantwoordelijkheid van het personeel voor de kwaliteit van het onderwijs tot haar recht komt,
- b. een integere bedrijfsvoering, waaronder voorzieningen om verstrengeling van belangen tegen te gaan, en
- c. afstemming met en verantwoording aan de ouders en andere belanghebbenden binnen en buiten de school.
Bij algemene maatregel van bestuur kan een branchecode voor goed bestuur worden aangewezen.
Het bevoegd gezag maakt het jaarverslag openbaar.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.
Artikel 142. Informatie over bekostiging
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze Minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging, alsmede over een verklaring over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven door een door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
Het bevoegd gezag bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de desbetreffende boeken en bescheiden gedurende een periode van zeven jaren.
Artikel 143. Beleidsinhoudelijke informatie
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het beschikt over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het onderwijs, bedoeld in deze wet, en verleent desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 144. Reikwijdte voorschriften
De voorschriften, bedoeld in artikel 141, derde lid, artikel 142, tweede lid, artikel 143, tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op andere gegevens waarmee een leerling wordt geïdentificeerd.
Artikel 88f. Multifunctioneel gebruik
Vervallen
Artikel 146. Ondersteuning bij de overstap naar onderwijs of arbeidsmarkt
Hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1, met uitzondering van de artikelen 9.2.2 en 9.2.3, van de Wet educatie en beroepsonderwijs is van overeenkomstige toepassing op het voortgezet speciaal onderwijs.
Artikel 88h. Einde gebruik gebouw of terrein door bijzondere school
Vervallen
Artikel 88i. Betaling gederfde vergoeding bij verhuur door bijzondere school
Vervallen
Artikel 88j. Vaststelling programma’s van eisen voor blijvend en voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen en andere voorzieningen
Vervallen
Artikel 88k. Onderverdeling programma’s van eisen
Vervallen
Artikel 88l. Vaststelling programma van eisen voor schoolterreinen
Vervallen
Artikel 88m
Vervallen
Artikel 88n. Nadere voorschriften voor uitvoering afdeling 3
Vervallen
Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting
Artikel 89. Voorziening in huisvesting door de gemeente
De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen en ten behoeve van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders behandelen daarbij de door de gemeente in stand gehouden scholen en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op gelijke voet.
Voor de toepassing van deze afdeling worden onder een niet door de gemeente in stand gehouden school mede begrepen een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging als bedoeld in artikel 76a en artikel 76b.
Artikel 90. Voorzieningen in de huisvesting
Voor de toepassing van deze afdeling worden onder voorzieningen in de huisvesting begrepen:
- a. voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:
- 1°. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan, terreinen, alsmede eerste aanschaf van onderwijsleerpakketten en meubilair,
- 2°. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen, en
- 3°. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs, dan wel een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;
- b. herstel van constructiefouten aan het gebouw, alsmede herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakketten en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.
Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de huisvesting ten minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden vastgesteld.
Artikel 91. Vaststelling door het college van burgemeester en wethouders van bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hen te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor:
- a. scholen,
- b. basisscholen,
- c. speciale scholen voor basisonderwijs, en
- d. scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.
Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 92. Indiening aanvraag
Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient een aanvraag voor opneming van die voorziening op het programma, bedoeld in artikel 93, in bij het college van burgemeester en wethouders.
Het college van burgemeester en wethouders kan ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 90 bekostiging verstrekken ter zake van de kosten van bouwvoorbereiding.
Het college van burgemeester en wethouders stelt vast, voor welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend en aan welke voorwaarden deze dient te voldoen.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de door de gemeente in stand gehouden scholen.
Artikel 159. Inlichtingenplicht
Het in artikel 154 en artikel 156 bedoelde bestuur verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten behoeve van een goede naleving van deze afdeling. Op verzoek van de inspectie van het onderwijs zendt het bestuur een overzicht van afgegeven geschiktheidsverklaringen en bekwaamheidsonderzoeken waaraan met goed gevolg is deelgenomen.
Artikel 160. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
Onze Minister kan bepalen dat geen of slechts gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.
Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.
Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een door de gemeente bekostigde niet door de gemeente in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.
Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.
Artikel 93. Programma huisvestingsvoorzieningen
Het college van burgemeester en wethouders stelt, na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip een programma als bedoeld in het tweede lid vast. Het programma heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onderdelen a tot en met d.
Het programma omvat de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 90, die in het jaar na de vaststelling van het programma voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen en voorzieningen die nodig zijn voor door de gemeente in stand gehouden scholen.
Het college van burgemeester en wethouders neemt uitsluitend voorzieningen in de huisvesting in het programma op, voor zover:
- a. met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan worden gemaakt dan wel de voorzieningen in het desbetreffende kalenderjaar kunnen worden gerealiseerd, en
- b. niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 98, van toepassing is.
Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 91, niet toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die uit dat bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel 100, eerste lid, onderdeel c.
De beschikking van het college van burgemeester en wethouders kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten.
Het college van burgemeester en wethouders kan aan de opneming in het programma voorwaarden verbinden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.
Het college van burgemeester en wethouders neemt bij de vaststelling van het programma de criteria, bedoeld in artikel 100, eerste lid, onderdeel c, in acht.
Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treedt het college van burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, deelt het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat het niet kan instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van uitvoering.
Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg kan het college van burgemeester en wethouders de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan het college van burgemeester en wethouders. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het programma.
Artikel 162. Gebruik persoonsgebonden nummer door college van burgemeester en wethouders
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde over het gebruik van het burgerservicenummer door het college van burgemeester en wethouders, gebruikt het college van burgemeester en wethouders het persoonsgebonden nummer van een leerling alleen voor:
- a. de registratie van leerplichtige en kwalificatieplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969;
- b. de uitvoering van artikel 146 in verbinding met artikel 9.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- c. het verwerken van de gegevens, bedoeld in artikel 21, eerste en derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.
Artikel 163. Schoolbegeleiding
Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een school.
Artikel 164. Bekostiging van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in de vorige volzin.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)