Wet van 15 december 1982, houdende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling geen gelegenheid bestaat tot het volgen van openbaar onderwijs, mag de toelating tot de school niet worden geweigerd op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing. Het voorgaande is niet van toepassing, indien de school uitsluitend bestemd is voor interne leerlingen.
Leerlingen die ingevolge het eerste lid zijn toegelaten, kunnen niet worden verplicht godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen.
Artikel 61. Beslissingen bijzonder onderwijs inzake toelating en verwijdering en bezwaarprocedure
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 36, derde lid, een student de toegang weigert, deelt het bevoegd gezag deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school hetzij weigert een leerling toe te laten, hetzij een leerling verwijdert, op grond van artikel 40, eerste en vijfde lid, deelt het deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld. Voordat het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 40, eerste en vijfde lid, beslist tot verwijdering van een leerling, hoort het de ouders van de leerling, onverminderd het vijfde lid van dat artikel.
Binnen 6 weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, kunnen de ouders bij het bevoegd gezag schriftelijk hun bezwaren kenbaar maken tegen de beslissing. Het bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na ontvangst van de bezwaren. Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag de ouders.
Het bevoegd gezag beslist niet eerder op de bezwaren dan:
- a. na overleg met de inspecteur en desgewenst met andere deskundigen,
- b. nadat de ouders kennis hebben kunnen nemen van de op de beslissing betrekking hebbende adviezen of rapporten, en
- c. de ouders opnieuw zijn gehoord.
Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Artikel 75. Tijdelijke afwijking
De artikelen 77 tot en met 88 zijn tot een bij de wet te bepalen datum niet van toepassing.
Tot een bij de wet te bepalen datum kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag, onder door hem te stellen voorwaarden, een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien de school is gelegen in een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke bevolkingstoename, indien sprake is van een verandering van de plaats van vestiging van een reeds bekostigde school, indien sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of omgekeerd, indien sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting, dan wel indien sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school met onderwijs van een of meer andere richtingen. Het verzoek is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 81, tweede lid. Onze minister willigt het verzoek slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen.
Een school die is opgenomen in een door Onze minister goedgekeurd of vastgesteld plan van nieuwe scholen voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994 komt voor bekostiging in aanmerking indien de school in dat plan is opgenomen met als jaar van aanvang van de bekostiging 1991 en het onderwijs voor 1 januari 1992 een aanvang heeft genomen.
Artikel 79. Scholen uit voorgaand plan
Behoudens het bepaalde in het tweede lid worden in elk plan de scholen uit het voorafgaande plan opgenomen die:
- a. nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht;
- b. voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het onderwijs nog niet is aangevangen.
Uit het voorafgaande plan wordt een school niet opgenomen:
- a. indien de indiener van een verzoek heeft gevraagd de school te laten vervallen;
- b. indien aan een bijzondere school het onderwijs niet is aangevangen in het tweede jaar volgend op het jaar waarvoor de school het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij opneming in het plan op grond van de bij een nieuw verzoek overgelegde gegevens gerechtvaardigd is;
- c. indien zich naar het oordeel van provinciale staten omstandigheden hebben voorgedaan die bij de vaststelling van het plan niet bekend waren en die, waren zij wel bekend geweest, tot een ander besluit zouden hebben geleid.
Indien beroep is ingesteld tegen een besluit krachtens het tweede lid, onderdeel c, en de uitspraak strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
Artikel 80. Achterwege blijven vaststelling plan
De vaststelling van een plan blijft achterwege, indien:
- a. geen verzoeken om opneming in het plan zijn ingekomen of geen der ingekomen verzoeken voor inwilliging in aanmerking komt,
- b. provinciale staten besluiten dat vermeerdering van het aantal openbare scholen in de planperiode niet noodzakelijk is en
- c. geen scholen uit het voorafgaande plan voor opneming in het plan in aanmerking komen.
Het besluit bedoeld in het eerste lid onder b, behoeft de goedkeuring van Onze minister. Het wordt voor 1 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode aan Onze minister gezonden. Artikel 84, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien een besluit van de minister, houdende weigering van de goedkeuring onherroepelijk is geworden, nemen provinciale staten de openbare school op in het eerste na een zodanig besluit vast te stellen plan.
Aan de indieners van de niet ingewilligde verzoeken bedoeld in het eerste lid onder a, wordt voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode afschrift gezonden van het desbetreffende besluit.
Artikel 81. Verzoek om opneming in plan van scholen
Een verzoek om opneming in het plan wordt voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan, bij gedeputeerde staten ingediend door de gemeenteraad of door ouders, indien het een openbare school betreft, en door het bevoegd gezag, indien het een bijzondere school betreft.
Elk verzoek is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:
- a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen,
- b. de beschrijving van het voedingsgebied,
- c. de aanduiding van de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven,
- d. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging en
- e. indien het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, een opgave van de handicaps van de leerlingen waarvoor de school is bestemd.
Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Afdeling 2. Overige bepalingen
Artikel 92b
Vervallen
Artikel 110. Informatieverstrekking aan burgemeester en wethouders
Het bevoegd gezag van een niet door de desbetreffende gemeente in stand gehouden school is gehouden aan de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders alle inlichtingen te verschaffen die de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders voor een adequate uitvoering van de bepalingen in deze afdeling noodzakelijk achten.
Artikel 111. Vaststelling programma's van eisen
Bij ministeriële regeling worden voor de scholen, niet zijnde instellingen, eenmaal in de vijf jaar voor 1 oktober programma's van eisen vastgesteld die de grondslag vormen voor de bekostiging van de voorzieningen, bedoeld in het derde lid. De programma's van eisen gelden voor de vijf jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden. De programma's van eisen kunnen per schoolsoort, verdeeld als aangegeven in artikel 2, tweede lid, worden vastgesteld, al naar gelang het scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel afdelingen betreft. Elk programma van eisen omvat:
- a. een omschrijving van de in aanmerking genomen componenten waaruit de voorzieningen zijn opgebouwd,
- b. de daarvoor noodzakelijk geachte bedragen en
- c. de wijze waarop de voor elke voorziening vast te stellen vergoeding wordt berekend.
De programma's van eisen voldoen aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school, onverminderd het vierde tot en met negende lid, en houden rekening met de bruto vloeroppervlakten die op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 90, tweede lid, worden voorgeschreven.
Programma's van eisen worden vastgesteld voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van onderscheidenlijk:
- a. de scholen, daaronder niet begrepen de ruimten voor het onderwijs in lichamelijke oefening, en
- b. de ruimten voor watergewenning of bewegingstherapie.
Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de overeenkomstig het zesde lid, aangepaste bedragen vastgesteld. De aldus vastgestelde bedragen zijn de definitieve bedragen, geldend voor het jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden.
Onze minister kan bij de vaststelling van de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, wijzigingen in de programma's van eisen aanbrengen indien de toestand van 's Rijks schatkist of onderwijskundige ontwikkelingen dat noodzakelijk maken. Aan de eerste volzin kan slechts toepassing worden gegeven indien de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, voor de in dat lid bedoelde datum wordt vastgesteld.
De aanpassing, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats door de bedragen op basis van de werkelijke prijsontwikkeling voor het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld, aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het eerstbedoelde jaar en het prijsniveau in het daaropvolgende jaar, alsmede aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld en het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld.
De ministeriële regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, worden binnen 4 weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste en vierde lid, gezamenlijk bekendgemaakt in de Staatscourant, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De ministeriële regelingen treden niet in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de ministeriële regelingen te kennen wordt gegeven dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd.
Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer kunnen wijzigingen in de programma's van eisen en de wijzigingen daarvan, bedoeld in het vijfde lid, worden aangebracht. De wijzigingen worden bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 93c
Vervallen
Artikel 112. Onderverdeling programma's van eisen
De programma's van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onder a, worden onderverdeeld in programma's van eisen omtrent:
- a. onderhoud,
- b. energie- en waterverbruik,
- c. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van de belastingen ter zake van onroerende zaken,
- d. middelen, en
- e. administratie, beheer en bestuur.
De programma's van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onder b, worden onderverdeeld in programma's van eisen omtrent de voorzieningen zoals onderscheiden in het eerste lid onder a, b en c, alsmede d voor zover het betreft onderhoud, vervanging en vernieuwing van onderwijsleerpakket en onderhoud meubilair.
Bij de programma's van eisen, bedoeld in het tweede lid, wordt onderscheid gemaakt in vaste en variabele kosten.
Artikel 114. Vaststelling totaalbedrag voor instelling
Eenmaal in de vijf jaar voor 1 oktober stelt Onze minister voor elke instelling een totaalbedrag vast voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor het jaar volgend op dat van de vaststelling.
In de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangegeven, welk deel van het totaalbedrag bedoeld in dat lid strekt voor:
- a. administratie, beheer en bestuur en
- b. de materiële instandhouding van watergewenning en bewegingstherapie.
In de beschikking, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven, welk deel van het totaalbedrag bedoeld in dat lid strekt voor:
- a. de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid onder a, b en c, van een schoolgebouw waarvan de gemeente eigenaar is, en
- b. een schoolbad waarvan de gemeente eigenaar is.
Het totaalbedrag voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor het tweede tot en met het vijfde jaar volgend op het jaar van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door het totaalbedrag dat gold voor het aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaar, aan te passen aan de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in laatstgenoemd jaar en het prijsniveau in het jaar waarvoor het totaalbedrag geldt.
Indien de miljoenennota, bedoeld in artikel 13 van de Comptabiliteitswet 2001, niet of slechts gedeeltelijk voorziet in prijsbijstelling in de onderscheiden hoofdstukken van de rijksbegroting voor enig jaar, als gevolg waarvan in het voorstel van wet houdende vaststelling van de begroting van de uitgaven en ontvangsten van hoofdstuk VIII (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) van de rijksbegroting voor dat jaar geen of geen volledige prijsbijstelling kan plaatsvinden in de desbetreffende bedragen van de bekostiging, worden de totaalbedragen, bedoeld in het eerste en vierde lid, in overeenstemming daarmee en in afwijking van die leden aangepast.
Indien de vastgestelde rijksbegroting van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk VIII (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) voor een begrotingsjaar ten aanzien waarvan het vijfde lid toepassing heeft gevonden, afwijkt van het desbetreffende voorstel van wet op het onderdeel van de prijsbijstelling in de in het vijfde lid bedoelde bedragen van de bekostiging, wordt het totaalbedrag, voor dat jaar vastgesteld in overeenstemming met de vastgestelde rijksbegroting.
Het vierde tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen.
Indien van de overige onderwijssoorten van het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs de rijksbekostiging voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding wordt verminderd, worden de in het eerste tot en met vierde lid vastgestelde bedragen dienovereenkomstig verminderd.
Artikel 115. Grondslag bekostiging voor materiële instandhouding lichamelijke oefening
Burgemeester en wethouders stellen na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het aantal klokuren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste
- a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of
- b. voor bekostiging voor de materiële instandhouding van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.
Het aantal klokuren, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste vastgesteld op 2,25.
Burgemeester en wethouders stellen de hoogte vast van
- a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onder b, en
- b. de bekostiging voor de vaste kosten van de materiële instandhouding van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school.
Bij de vaststelling, bedoeld in het derde lid, kan onderscheid worden gemaakt naar gelang de oppervlakte van de ruimte, alsmede tussen ruimten voor de exploitatie waarvan op grond van de onderwijswetgeving bekostiging wordt verleend en ruimten waarvoor dat niet het geval is.
Afdeling 5. Grondslag bekostiging personeelskosten
Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid
Afdeling 7. Wijze van bekostiging
§ 1. Huisvesting
§ 1. Huisvesting
§ 4. Gemeentelijk beleid met betrekking tot personele en materiële voorzieningen
§ 1. Huisvesting
§ 6. Bestedingsmogelijkheden
Afdeling 4. Materiële instandhouding
Afdeling 4. Grondslag bekostiging scholen
Artikel 157. Jaarverslag
Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast. Op deze jaarverslaggeving is Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12, van overeenkomstige toepassing voor zover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald. Het jaarverslag bestaat tenminste uit de volgende onderdelen:
- a. een bestuursverslag als bedoeld in artikel 391 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
- b. een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met daarbij ingevolge het derde lid vast te stellen bijlagen,
- c. overige gegevens als bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke onderdelen het jaarverslag tevens dient te bevatten, dan wel welke onderdelen komen te vervallen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere invulling worden gegeven aan de onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, en kunnen nadere voorschriften worden gegeven over:
- a. de indeling en de wijze van ordening van de gegevens per onderdeel van het jaarverslag,
- b. de wijze en het tijdstip waarop de desbetreffende onderdelen beschikbaar gesteld moeten worden,
- c. de elektronische verzending van het cijfermatige deel uit de jaarrekening, en
- d. de grondslagen voor de jaarrekening.
De beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder b, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bevoegd gezag dat de controle overeenkomstig een door Onze minister vast te stellen controleprotocol plaatsvindt en dat aan Onze minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de accountant.
Artikel 158. Informatie over bekostiging
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging, alsmede over een verklaring over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
Het bevoegd gezag bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de desbetreffende boeken en bescheiden gedurende een periode van zeven jaren.
Artikel 159. Beleidsinhoudelijke informatie
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het beschikt over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het onderwijs, bedoeld in deze wet, en verleent desgevraagd medewerking aan door of namens Onze minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 160. Reikwijdte voorschriften
De voorschriften, bedoeld in artikel 157, derde lid, artikel 158, tweede lid, en artikel 159, tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens, bedoeld in artikel 164a, tweede lid.
Artikel 161. Onderzoek vanwege de minister
De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de controlerapporten, bedoeld in artikel 157, vierde lid, en met het onderzoek van de juistheid van de bekostigingsgegevens, bedoeld in artikel 158, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot de plaats waar de desbetreffende boeken en bescheiden worden bewaard. Aan de accountant wordt desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden gegeven en worden alle inlichtingen verstrekt die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
Onze minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in het eerste lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de rechtmatigheid van het beheer op grond van de beschikbare controlerapporten, bedoeld in artikel 157, vierde lid, en de bekostigingsgegevens, bedoeld in artikel 158. Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum verstrekt aan degene die door Onze minister met het onderzoek is belast, alle inlichtingen die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt en geeft desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden.
Afdeling 5. Lichamelijke oefening en gemeentelijk beleid
Afdeling 6. Overschrijding en betaling
Artikel 163. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
Onze minister kan bepalen dat geen of slechts gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.
Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.
Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een door de gemeente bekostigde niet door de gemeente in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.
Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.
Artikel 164a. Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling gebruiken in het verkeer met de leerling op wie het nummer betrekking heeft, of, indien de leerling minderjarig of handelingsonbekwaam is, met de ouders van deze leerling.
Vervallen.
2a. Vervallen.
2b. Vervallen.
Vervallen.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de school. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op het persoonsgebonden nummer van een leerling als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, die is ingeschreven bij een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet 1969, gebruiken het persoonsgebonden nummer van een leerling in contacten met een gemeente in het kader van de Leerplichtwet 1969, tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door de gemeente.
Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 42b, eerste lid, en artikel 47a, eerste lid, het persoonsgebonden nummer van de betrokkene.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het contact met een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die leerling, bij het overleggen van het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 43 en ten behoeve van het onderwijs in een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 10b10 van de Wet op het voortgezet onderwijs of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 10b21 van die wet.
Vervallen.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.
Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een leerling ter uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van artikel 1 van die wet.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in contacten met een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet educatie en beroepsonderwijs in het kader van de ondersteuning van de school op grond van artikel 8a, eerste lid.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze leerling met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van leerlingen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd.
Het bevoegd gezag kan het pseudoniem, bedoeld in het twaalfde lid, gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een leerling in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van toetsen en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het dertiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het twaalfde lid, een ander pseudoniem kan genereren.
Daarbij worden in ieder geval de categorieën van ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het twaalfde tot en met het veertiende lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen.
Artikel 164b. Verwerking gegevens door Onze Minister
Vervallen
Artikel 164c. Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie
Vervallen
Artikel 164d. Toegang minister tot basisregister onderwijs
Vervallen
Artikel 164e. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling of een voortijdige schoolverlater als bedoeld in artikel 162a uitsluitend ten behoeve van:
- a. een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969;
- b. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters, bedoeld in artikel 162b, eerste lid, eerste volzin;
- c. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 162b, eerste lid, tweede en derde volzin;
- d. verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers en in artikel 47b, vierde lid, bij de registraties, bedoeld in de onderdelen a en b, en het systeem van doorverwijzing, bedoeld in onderdeel c.
Titel V. Bewijzen van bekwaamheid
Titel V. Bewijzen van bekwaamheid
Titel VII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
§ 1. Huisvesting
Afdeling 4. Materiële instandhouding
Artikel 150a. Terugstorting
Indien de bekostiging van de laatste bijzondere school van een bevoegd gezag wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de laatste school beslist, dan wel de laatste openbare school wordt opgeheven, stort het bevoegd gezag de niet bestede bekostigingsbedragen terug in de desbetreffende overheidskas.
Het exploitatietekort blijft in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, voor rekening van het bevoegd gezag.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop het exploitatieoverschot, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend.
Afdeling 4. Grondslag bekostiging scholen
Afdeling 8. Aanwijzing en maatregelen
Artikel 157. Jaarverslag
Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast. Op deze jaarverslaggeving is Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12, van overeenkomstige toepassing voor zover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald. Het jaarverslag bestaat tenminste uit de volgende onderdelen:
- a. een bestuursverslag als bedoeld in artikel 391 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
- b. een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met daarbij ingevolge het derde lid vast te stellen bijlagen,
- c. overige gegevens als bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke onderdelen het jaarverslag tevens dient te bevatten, dan wel welke onderdelen komen te vervallen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere invulling worden gegeven aan de onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, en kunnen nadere voorschriften worden gegeven over:
- a. de indeling en de wijze van ordening van de gegevens per onderdeel van het jaarverslag,
- b. de wijze en het tijdstip waarop de desbetreffende onderdelen beschikbaar gesteld moeten worden,
- c. de elektronische verzending van het cijfermatige deel uit de jaarrekening, en
- d. de grondslagen voor de jaarrekening.
De beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder b, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bevoegd gezag dat de controle overeenkomstig een door Onze minister vast te stellen controleprotocol plaatsvindt en dat aan Onze minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de accountant.
Artikel 158. Informatie over bekostiging
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging, alsmede over een verklaring over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
Het bevoegd gezag bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de desbetreffende boeken en bescheiden gedurende een periode van zeven jaren.
Artikel 159. Beleidsinhoudelijke informatie
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het beschikt over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het onderwijs, bedoeld in deze wet, en verleent desgevraagd medewerking aan door of namens Onze minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 160. Reikwijdte voorschriften
De voorschriften, bedoeld in artikel 157, derde lid, artikel 158, tweede lid, en artikel 159, tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens, bedoeld in artikel 164a, tweede lid.
Artikel 161. Onderzoek vanwege de minister
De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de controlerapporten, bedoeld in artikel 157, vierde lid, en met het onderzoek van de juistheid van de bekostigingsgegevens, bedoeld in artikel 158, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot de plaats waar de desbetreffende boeken en bescheiden worden bewaard. Aan de accountant wordt desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden gegeven en worden alle inlichtingen verstrekt die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
Onze minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in het eerste lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de rechtmatigheid van het beheer op grond van de beschikbare controlerapporten, bedoeld in artikel 157, vierde lid, en de bekostigingsgegevens, bedoeld in artikel 158. Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum verstrekt aan degene die door Onze minister met het onderzoek is belast, alle inlichtingen die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt en geeft desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden.
Afdeling 6. Overschrijding en betaling
Afdeling 6. Overschrijding en betaling
Artikel 163. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
Onze minister kan bepalen dat geen of slechts gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.
Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.
Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een door de gemeente bekostigde niet door de gemeente in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.
Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.
Titel VI. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169
Titel VII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 38a. Scholings- en begeleidingsovereenkomst zij-instroom in het beroep
Degene die beschikt over een in artikel 151 bedoelde geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat betrokkene benoemt of tewerkstelt zonder benoeming, en het bestuur van een instelling die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 156, eerste lid onder a, sluiten een overeenkomst die hun wederzijdse rechten en plichten omvat met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en begeleiding, met inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel 152, tweede lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag tijdig een toereikende vervangende voorziening.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van het eerste lid, waaronder in elk geval voorschriften ter waarborging van de kwaliteit van het daarin bepaalde.
Voor zover betrokkene de werkzaamheden ten aanzien waarvan hem een geschiktheidsverklaring is verstrekt, verricht bij twee of meer bevoegde gezagsorganen, dragen deze bevoegde gezagsorganen er zorg voor dat de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, waarbij zij ten aanzien van betrokkene partij zijn, op elkaar worden afgestemd. Zonodig wordt een al gesloten overeenkomst daartoe gewijzigd.
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
§ 3. Leerlingen
Artikel 42. Beoordeling toelating door inspectie
Indien de inspecteur van oordeel is dat op een school een leerling is geplaatst die daar ingevolge artikel 40 dan wel artikel 41, eerste lid, niet had mogen worden toegelaten, verzoekt hij het bevoegd gezag deze leerling te verwijderen.
Bij weigering van het bevoegd gezag te voldoen aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid, roept de inspecteur de beslissing van Onze minister in.
Indien de inspecteur van oordeel is dat het in artikel 41, vierde lid, bedoelde onderzoek niet voldoet aan redelijke eisen, treedt hij in overleg met het bevoegd gezag onder mededeling van de zijns inziens aan te brengen wijzigingen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, roept de inspecteur de beslissing van Onze minister in.
§ 2a. Lerarenregister
Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs
Artikel 60. Geen weigering toelating op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing
Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling geen gelegenheid bestaat tot het volgen van openbaar onderwijs, mag de toelating tot de school niet worden geweigerd op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing. Het voorgaande is niet van toepassing, indien de school uitsluitend bestemd is voor interne leerlingen.
Leerlingen die ingevolge het eerste lid zijn toegelaten, kunnen niet worden verplicht godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen.
Artikel 61. Beslissingen bijzonder onderwijs inzake toelating en verwijdering en bezwaarprocedure
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 36, derde lid, een student de toegang weigert, deelt het bevoegd gezag deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school hetzij weigert een leerling toe te laten, hetzij een leerling verwijdert, op grond van artikel 40, eerste lid en zesde lid, deelt het deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld. Voordat het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 40, eerste lid en zesde lid, beslist tot verwijdering van een leerling, hoort het de ouders van de leerling, onverminderd het zesde lid van dat artikel.
Binnen 6 weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, kunnen de ouders bij het bevoegd gezag schriftelijk hun bezwaren kenbaar maken tegen de beslissing. Het bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na ontvangst van de bezwaren. Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag de ouders.
Het bevoegd gezag beslist niet eerder op de bezwaren dan:
- a. na overleg met de inspecteur en desgewenst met andere deskundigen,
- b. nadat de ouders kennis hebben kunnen nemen van de op de beslissing betrekking hebbende adviezen of rapporten, en
- c. de ouders opnieuw zijn gehoord.
Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs
Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Artikel 75. Tijdelijke afwijking
De artikelen 77 tot en met 88 zijn tot een bij de wet te bepalen datum niet van toepassing.
Tot een bij de wet te bepalen datum kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag, onder door hem te stellen voorwaarden, een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien:
- a. de school is gelegen in een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke bevolkingstoename,
- b. sprake is van een verandering van de plaats van vestiging van een reeds bekostigde school,
- c. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of omgekeerd,
- d. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting,
- e. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school met onderwijs van een of meer andere richtingen, of
- f. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school voor speciaal onderwijs met onderwijs voor voortgezet speciaal onderwijs, niet zijnde het onderwijs bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder n.
Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 81, tweede lid. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van uitbreiding als bedoeld in het tweede lid, onder f, willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste lid dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen.
Een school die is opgenomen in een door Onze minister goedgekeurd of vastgesteld plan van nieuwe scholen voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994 komt voor bekostiging in aanmerking indien de school in dat plan is opgenomen met als jaar van aanvang van de bekostiging 1991 en het onderwijs voor 1 januari 1992 een aanvang heeft genomen.
Artikel 80. Achterwege blijven vaststelling plan
De vaststelling van een plan blijft achterwege, indien:
- a. geen verzoeken om opneming in het plan zijn ingekomen of geen der ingekomen verzoeken voor inwilliging in aanmerking komt,
- b. provinciale staten besluiten dat vermeerdering van het aantal openbare scholen in de planperiode niet noodzakelijk is en
- c. geen scholen uit het voorafgaande plan voor opneming in het plan in aanmerking komen.
Het besluit bedoeld in het eerste lid onder b, behoeft de goedkeuring van Onze minister. Het wordt voor 1 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode aan Onze minister gezonden. Artikel 84, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien een besluit van de minister, houdende weigering van de goedkeuring onherroepelijk is geworden, nemen provinciale staten de openbare school op in het eerste na een zodanig besluit vast te stellen plan.
Aan de indieners van de niet ingewilligde verzoeken bedoeld in het eerste lid onder a, wordt voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode afschrift gezonden van het desbetreffende besluit.
Artikel 81. Verzoek om opneming in plan van scholen
Een verzoek om opneming in het plan wordt voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan, bij gedeputeerde staten ingediend door de gemeenteraad of door ouders, indien het een openbare school betreft, en door het bevoegd gezag, indien het een bijzondere school betreft.
Elk verzoek is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:
- a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen,
- b. de beschrijving van het voedingsgebied,
- c. de aanduiding van de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven,
- d. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging en
- e. indien het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, een opgave van de handicaps van de leerlingen waarvoor de school is bestemd.
Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 82. Overleg tussen gedeputeerde staten en aanvrager
Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat een andere school dan gevraagd wordt, dan wel een andere plaats van vestiging meer in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen in de provincie, treden zij, alvorens het plan ter vaststelling voor te dragen, in overleg met de aanvrager.
Afdeling 2. Overige bepalingen
Afdeling 4. Materiële instandhouding
Artikel 111. Vaststelling programma's van eisen
Bij ministeriële regeling worden voor de scholen, niet zijnde instellingen, eenmaal in de vijf jaar voor 1 oktober programma's van eisen vastgesteld die de grondslag vormen voor de bekostiging van de voorzieningen, bedoeld in het derde lid. De programma's van eisen gelden voor de vijf jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden. De programma's van eisen kunnen per schoolsoort, verdeeld als aangegeven in artikel 2, tweede lid, worden vastgesteld, al naar gelang het scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel afdelingen betreft. Elk programma van eisen omvat:
- a. een omschrijving van de in aanmerking genomen componenten waaruit de voorzieningen zijn opgebouwd,
- b. de daarvoor noodzakelijk geachte bedragen en
- c. de wijze waarop de voor elke voorziening vast te stellen vergoeding wordt berekend.
De programma's van eisen voldoen aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school, onverminderd het vierde tot en met negende lid, en houden rekening met de bruto vloeroppervlakten die op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 90, tweede lid, worden voorgeschreven.
Programma's van eisen worden vastgesteld voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van onderscheidenlijk:
- a. de scholen, daaronder niet begrepen de ruimten voor het onderwijs in lichamelijke oefening, en
- b. de ruimten voor watergewenning of bewegingstherapie.
Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de overeenkomstig het zesde lid, aangepaste bedragen vastgesteld. De aldus vastgestelde bedragen zijn de definitieve bedragen, geldend voor het jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden.
Onze minister kan bij de vaststelling van de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, wijzigingen in de programma's van eisen aanbrengen indien de toestand van 's Rijks schatkist of onderwijskundige ontwikkelingen dat noodzakelijk maken. Aan de eerste volzin kan slechts toepassing worden gegeven indien de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, voor de in dat lid bedoelde datum wordt vastgesteld.
De aanpassing, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats door de bedragen op basis van de werkelijke prijsontwikkeling voor het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld, aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het eerstbedoelde jaar en het prijsniveau in het daaropvolgende jaar, alsmede aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld en het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld.
De ministeriële regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, worden binnen 4 weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste en vierde lid, gezamenlijk bekendgemaakt in de Staatscourant, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De ministeriële regelingen treden niet in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de ministeriële regelingen te kennen wordt gegeven dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd.
Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer kunnen wijzigingen in de programma's van eisen en de wijzigingen daarvan, bedoeld in het vijfde lid, worden aangebracht. De wijzigingen worden bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 93d
Vervallen
Artikel 112. Onderverdeling programma's van eisen
De programma's van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onder a, worden onderverdeeld in programma's van eisen omtrent:
- a. onderhoud,
- b. energie- en waterverbruik,
- c. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van de belastingen ter zake van onroerende zaken,
- d. middelen, en
- e. administratie, beheer en bestuur.
De programma's van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onder b, worden onderverdeeld in programma's van eisen omtrent de voorzieningen zoals onderscheiden in het eerste lid onder a, b en c, alsmede d voor zover het betreft onderhoud, vervanging en vernieuwing van onderwijsleerpakket en onderhoud meubilair.
Bij de programma's van eisen, bedoeld in het tweede lid, wordt onderscheid gemaakt in vaste en variabele kosten.
Artikel 113. Aanvullende bekostiging kosten materiële instandhouding
Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor de materiële instandhouding.
Indien bijzondere bekostiging op grond van artikel 120 wordt toegekend, kan Onze minister bepalen dat, voor de periode waarvoor die bijzondere bekostiging wordt toegekend, tevens aanvullende bekostiging voor de materiële instandhouding wordt toegekend. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
Onze minister kan in verband met de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
Artikel 115. Grondslag bekostiging voor materiële instandhouding lichamelijke oefening
Burgemeester en wethouders stellen na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het aantal klokuren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste
- a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of
- b. voor bekostiging voor de materiële instandhouding van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.
Het aantal klokuren, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste vastgesteld op 2,25.
Burgemeester en wethouders stellen de hoogte vast van
- a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onder b, en
- b. de bekostiging voor de vaste kosten van de materiële instandhouding van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school.
Bij de vaststelling, bedoeld in het derde lid, kan onderscheid worden gemaakt naar gelang de oppervlakte van de ruimte, alsmede tussen ruimten voor de exploitatie waarvan op grond van de onderwijswetgeving bekostiging wordt verleend en ruimten waarvoor dat niet het geval is.
Artikel 116. Materiële instandhouding door eigenaar of bevoegd gezag
Het bevoegd gezag dat, dan wel de gemeente die eigenaar is van een schoolgebouw, zorgt voor het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid onder a, b en c, betrekking hebben.
Het bevoegd gezag van een bijzondere school dat eigenaar is van een schoolgebouw, kan met burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.
Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, kan met een bevoegd gezag dat gebruik maakt van de voorziening in de huisvesting van het eerstgenoemde bevoegd gezag, overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.
Ingeval de gemeente eigenaar is van het schoolgebouw, kan het bevoegd gezag van een bijzondere school met de gemeente overeenkomen dat het bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.
Het bevoegd gezag zorgt voor het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid onder d en e, betrekking hebben.
Afdeling 5. Grondslag bekostiging personeelskosten
Afdeling 4. Materiële instandhouding
§ 1. Huisvesting
§ 1. Huisvesting
§ 1. Huisvesting
Afdeling 9. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
Artikel 158. Informatie over bekostiging
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging, alsmede over een verklaring over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
Het bevoegd gezag bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de desbetreffende boeken en bescheiden gedurende een periode van zeven jaren.
Artikel 159. Beleidsinhoudelijke informatie
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het beschikt over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het onderwijs, bedoeld in deze wet, en verleent desgevraagd medewerking aan door of namens Onze minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 160. Reikwijdte voorschriften
De voorschriften, bedoeld in artikel 157, derde lid, artikel 158, tweede lid, en artikel 159, tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens, bedoeld in artikel 164a, tweede lid.
Artikel 161. Onderzoek vanwege de minister
De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de controlerapporten, bedoeld in artikel 157, vierde lid, en met het onderzoek van de juistheid van de bekostigingsgegevens, bedoeld in artikel 158, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot de plaats waar de desbetreffende boeken en bescheiden worden bewaard. Aan de accountant wordt desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden gegeven en worden alle inlichtingen verstrekt die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
Onze minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in het eerste lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de rechtmatigheid van het beheer op grond van de beschikbare controlerapporten, bedoeld in artikel 157, vierde lid, en de bekostigingsgegevens, bedoeld in artikel 158, naar eventuele wijziging van de criteria, bedoeld in artikel 28c, achtste lid, en naar eventuele wijziging van de procedure, bedoeld in artikel 28c van deze wet, artikel 70b van de Wet op het primair onderwijs en artikel 77b van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum onderscheidenlijk de commissie voor de indicatiestelling verstrekt aan degene die door Onze minister met het onderzoek is belast, alle inlichtingen die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt en geeft desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden.
Artikel 162. Deugdelijkheidsaspecten van en toezicht op onderwijs in allochtone levende talen door rechtspersonen als bedoeld in artikel 157, vierde lid, onder c
Vervallen
Artikel 162d. Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a. instelling voor hoger onderwijs: een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- b. instellingsbestuur: het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met dien verstande dat voor zover het openbare instellingen betreft, de artikelen 9.2, tweede lid, 10.9, tweede lid, en 11.1, tweede lid, van die wet van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 162e. Geschiktheidsverklaring
Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 162f voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar en in staat moet worden geacht binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming tot leraar met goed gevolg deel te nemen aan het in artikel 162i bedoelde bekwaamheidsonderzoek, wordt een geschiktheidsverklaring afgegeven door het instellingsbestuur onder verantwoordelijkheid waarvan het geschiktheidsonderzoek wordt uitgevoerd of door het bestuur van een op grond van artikel 162h, eerste lid, erkende instelling.
Bij ministeriële regeling wordt een model voor de geschiktheidsverklaring vastgesteld.
Op 31 juli 2006 nog geldige geschiktheidsverklaringen, afgegeven op grond van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs, gelden vanaf 1 augustus 2006 als te zijn afgegeven op grond van het eerste lid, indien deze verklaringen vanaf dat tijdstip geldig zouden zijn geweest.
Artikel 162f. Geschiktheidsonderzoek
Het geschiktheidsonderzoek wordt op aanvraag van het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of op aanvraag van betrokkene zelf, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur van een instelling die op grond van artikel 162h is erkend. Dat instellingsbestuur betrekt bij het geschiktheidsonderzoek het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of indien betrokkene de aanvraag zelf indient, een bevoegd gezag dat daartoe in overeenstemming met betrokkene is uitgenodigd.
Het geschiktheidsonderzoek omvat:
- a. de beoordeling of de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring van betrokkene, in onderlinge samenhang bezien, van voldoende belang zijn in verhouding tot de door deze beoogde werkzaamheden aan een school, en indien dat het geval is
- b. het onderzoek naar de geschiktheid van betrokkene voor die werkzaamheden, waartoe in ieder geval wordt gerekend de beoordeling of betrokkene in de feitelijke klassituatie tot verantwoord lesgeven in staat is, alsmede
- c. de beoordeling, welke scholing en begeleiding voor betrokkene noodzakelijk moeten worden geacht om met goed gevolg deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek.
Uit de aanvraag voor het geschiktheidsonderzoek blijkt dat betrokkene in het bezit is van:
- a. een getuigschrift van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dan wel van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties,
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)