Wet van 15 december 1982, houdende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
- b. niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 98, van toepassing is.
Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 91, niet toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die uit dat bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel 100, eerste lid, onderdeel c.
De beschikking van het college van burgemeester en wethouders kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten.
Het college van burgemeester en wethouders kan aan de opneming in het programma voorwaarden verbinden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.
Het college van burgemeester en wethouders neemt bij de vaststelling van het programma de criteria, bedoeld in artikel 100, eerste lid, onderdeel c, in acht.
Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treedt het college van burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, deelt het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat het niet kan instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van uitvoering.
Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg kan het college van burgemeester en wethouders de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan het college van burgemeester en wethouders. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het programma.
Artikel 110a
Vervallen
Artikel 121. Grondslag bekostiging lichamelijke oefening
Het college van burgemeester en wethouders stelt na overleg met de bevoegde gezagen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het aantal uren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste
- a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of
- b. voor bekostiging voor de exploitatie van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.
Het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste 2,25 uur.
Het college van burgemeester en wethouders stelt de hoogte vast van
- a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
- b. de bekostiging voor de vaste kosten van de exploitatie van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school.
De hoogte van de bekostiging, bedoeld in het derde lid, kan verschillend worden vastgesteld, afhankelijk van de oppervlakte van de ruimte en of de ruime mede wordt bekostigd door het Rijk.
Artikel 122. Bekostiging door gemeente aan bevoegd gezag
De gemeente verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening op het grondgebied van de gemeente
- a. een bedrag dat wordt bepaald ingevolge het derde lid en artikel 121, en
- b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het tweede lid vastgesteld bedrag.
Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 121, eerste lid onder a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening een bedrag dat wordt bepaald ingevolge het derde lid en artikel 121, eerste lid onderdeel b, en derde lid, onderdeel a.
Het aantal groepen leerlingen voor basisscholen wordt berekend overeenkomstig artikel 100, eerste lid, onderdeel i.
Artikel 123. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken
Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente openbare scholen in stand houden waar een bepaalde soort speciaal onderwijs of een bepaalde soort voortgezet speciaal onderwijs wordt gegeven dan wel dergelijke scholen ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor dat onderwijs welke niet door het Rijk worden bekostigd, stelt de gemeenteraad bij verordening een regeling daarvoor vast en zijn de artikelen 125 tot en met 129 voor dat onderwijs niet van toepassing.
De regeling, bedoeld in het eerste lid, maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling van scholen naar dezelfde maatstaf.
De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval de voorzieningen die door het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden school kunnen worden aangevraagd en de aanvraagprocedure.
De gemeenteraad kan besluiten dat het college van burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kunnen aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen een week aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de aanvulling wordt deze voorgelegd aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken heeft besloten, wordt de aanvulling gelijkgesteld met een aanvulling die is bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de gemeenteraad heeft geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is besloten of die reeds zijn ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking heeft.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een nevenvestiging aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening, bedoeld in het eerste lid, aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om, met inachtneming van de in die verordening gestelde regels, te besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor een of meer van de in de regeling genoemde voorzieningen.
Het college van burgemeester en wethouders maakt jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van voorzieningen die zijn toegekend op grond van de regeling, bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 9. Bestrijden voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie
Afdeling 11. Overige bepalingen
Artikel 163. Schoolbegeleiding
Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een school.
Artikel 164. Bekostiging van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in de vorige volzin.
Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het eerste lid, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen, zoals dat artikel luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen.
Artikel 165. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het college van burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.
Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
Artikel 167. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten vervanging
Het bevoegd gezag van een school is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel.
Het bevoegd gezag van een school is voorts verplicht jaarlijks een door het bestuur van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon te bepalen bijdrage te voldoen aan die rechtspersoon in verband met de kosten voor vervanging.
Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij afwezigheid van personeel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin.
Het bestuur van de rechtspersoon kan regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.
Uit 's Rijks kas wordt jaarlijks een door Onze Minister te bepalen bedrag betaald aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in verband met de kosten, bedoeld in dat lid onder b.
Op de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Artikel 168. Gebruik burgerservicenummer door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 167
De rechtspersoon, bedoeld in artikel 167, kan het burgerservicenummer van het personeelslid dat bij afwezigheid wordt vervangen, en van degene die het personeelslid tijdelijk vervangt, uitsluitend in het kader van het doel, bedoeld in artikel 167, eerste lid, onderdeel a, gebruiken in het verkeer met:
- a. het personeelslid onderscheidenlijk degene die het personeelslid tijdelijk vervangt,
- b. het bevoegd gezag van de school dan wel de centrale dienst waar de in onderdeel a bedoelde personen werkzaam zijn,
- c. Onze Minister,
- d. de instantie, bedoeld in artikel 169, vijfde lid, of
- e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Het burgerservicenummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon aan die rechtspersoon verstrekt door het bevoegd gezag van de school dan wel de centrale dienst waar het personeelslid dat bij afwezigheid wordt vervangen, werkzaam is.
Indien dat ten behoeve van het jaarverslag, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, noodzakelijk is, worden gegevens daarin slechts zodanig openbaar gemaakt dat daaraan geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon kunnen worden ontleend, tenzij het betreft de controle op de juistheid van de gegevens in het kader van de controle op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van aan of door de rechtspersoon gedane uitgaven. Daarbij kunnen de burgerservicenummers worden vergeleken met de burgerservicenummers die door andere daartoe bij of krachtens de wet bevoegde instanties zijn verstrekt.
Titel VII. Overgangsbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 22b. Inspraak ondersteuningsaanbod
Voorafgaand aan de vaststelling van de schoolgids stelt het bevoegd gezag leerlingen in de gelegenheid op een door hen te bepalen wijze vrijelijk hun mening naar voren te brengen over het ondersteuningsaanbod van de school en, indien het betreft een cluster 3- of cluster 4-school, de basisondersteuningsvoorzieningen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020. Het bevoegd gezag biedt leerlingen daartoe de ondersteuning die zij nodig hebben. Het bevoegd gezag beschrijft in de schoolgids op algemene wijze de inbreng van de leerlingen en de mate van invloed op de vaststelling van de basisondersteuningsvoorzieningen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020, en het ondersteuningsaanbod van de school.
§ 2. Personeel
§ 2b. Registervoorportaal
§ 3. Leerlingen
§ 5. Toetsing speciaal onderwijs en doorstroom voortgezet onderwijs
Artikel 52. Bestuursoverdracht openbare scholen
De rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, kan de instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding van een openbare school bevoegd is. De overdracht geschiedt bij notariële akte.
Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de arbeidsovereenkomst, benoemt met ingang van de datum van overdracht.
Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen die zijn rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van bevoegd gezag, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.
Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs
Afdeling 2. Overige bepalingen
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging
Artikel 77. Plan van nieuwe scholen
De bekostiging van een school kan slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een plan van nieuwe scholen, vastgesteld volgens de bepalingen van deze afdeling.
Artikel 94. Overzicht
Het college van burgemeester en wethouders stelt gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 93, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip een overzicht vast van die voorzieningen die zijn aangevraagd dan wel die nodig zijn, die niet op het programma zijn opgenomen.
Daarbij wordt aangegeven waarom de desbetreffende voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onderdelen a tot en met d.
Artikel 110a
Vervallen
Artikel 122. Bekostiging door gemeente aan bevoegd gezag
De gemeente verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening op het grondgebied van de gemeente
- a. een bedrag dat wordt bepaald ingevolge het derde lid en artikel 121, en
- b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het tweede lid vastgesteld bedrag.
Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 121, eerste lid onder a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening een bedrag dat wordt bepaald ingevolge het derde lid en artikel 121, eerste lid onderdeel b, en derde lid, onderdeel a.
Het aantal groepen leerlingen voor basisscholen wordt berekend overeenkomstig artikel 100, eerste lid, onderdeel i.
Artikel 123. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken
Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente openbare scholen in stand houden waar een bepaalde soort speciaal onderwijs of een bepaalde soort voortgezet speciaal onderwijs wordt gegeven dan wel dergelijke scholen ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor dat onderwijs welke niet door het Rijk worden bekostigd, stelt de gemeenteraad bij verordening een regeling daarvoor vast en zijn de artikelen 125 tot en met 129 voor dat onderwijs niet van toepassing.
De regeling, bedoeld in het eerste lid, maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling van scholen naar dezelfde maatstaf.
De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval de voorzieningen die door het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden school kunnen worden aangevraagd en de aanvraagprocedure.
De gemeenteraad kan besluiten dat het college van burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kunnen aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen een week aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de aanvulling wordt deze voorgelegd aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken heeft besloten, wordt de aanvulling gelijkgesteld met een aanvulling die is bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de gemeenteraad heeft geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is besloten of die reeds zijn ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking heeft.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een nevenvestiging aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening, bedoeld in het eerste lid, aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om, met inachtneming van de in die verordening gestelde regels, te besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor een of meer van de in de regeling genoemde voorzieningen.
Het college van burgemeester en wethouders maakt jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van voorzieningen die zijn toegekend op grond van de regeling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 124. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf openbare scholen in stand houdt
Indien een gemeente zelf een of meer openbare scholen in stand houdt en zij uitgaven wil doen voor het onderwijs welke niet door het Rijk worden bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij verordening een regeling vaststellen.
Artikel 123, tweede tot en met zesde lid, is van toepassing.
Artikel 164. Bekostiging van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in de vorige volzin.
Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het eerste lid, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen, zoals dat artikel luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen.
Artikel 165. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het college van burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.
Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
Artikel 166. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften
Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.
Artikel 168. Gebruik burgerservicenummer door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 167
De rechtspersoon, bedoeld in artikel 167, kan het burgerservicenummer van het personeelslid dat bij afwezigheid wordt vervangen, en van degene die het personeelslid tijdelijk vervangt, uitsluitend in het kader van het doel, bedoeld in artikel 167, eerste lid, onderdeel a, gebruiken in het verkeer met:
- a. het personeelslid onderscheidenlijk degene die het personeelslid tijdelijk vervangt,
- b. het bevoegd gezag van de school dan wel de centrale dienst waar de in onderdeel a bedoelde personen werkzaam zijn,
- c. Onze Minister,
- d. de instantie, bedoeld in artikel 169, vijfde lid, of
- e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Het burgerservicenummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon aan die rechtspersoon verstrekt door het bevoegd gezag van de school dan wel de centrale dienst waar het personeelslid dat bij afwezigheid wordt vervangen, werkzaam is.
Indien dat ten behoeve van het jaarverslag, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, noodzakelijk is, worden gegevens daarin slechts zodanig openbaar gemaakt dat daaraan geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon kunnen worden ontleend, tenzij het betreft de controle op de juistheid van de gegevens in het kader van de controle op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van aan of door de rechtspersoon gedane uitgaven. Daarbij kunnen de burgerservicenummers worden vergeleken met de burgerservicenummers die door andere daartoe bij of krachtens de wet bevoegde instanties zijn verstrekt.
Artikel 169. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon in verband met kosten van uitkeringen
Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 169a, 170, 170a, 188a en 188b wordt onder participatiefonds verstaan de door Onze Minister aangewezen rechtspersoon, bedoeld in het tweede lid. Het tweede tot en met vijfde lid en artikel 170 zijn van overeenkomstige toepassing op het bestuur van een centrale dienst.
Het bevoegd gezag is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich het uitoefenen van de taken, genoemd in het derde lid, ten doel stelt.
Het participatiefonds heeft tot taak:
- a. het bieden van waarborgen ten behoeve van het bevoegd gezag voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen van gewezen personeel alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid anders dan op grond van de Ziektewet;
- b. het namens het bevoegd gezag voldoen van de werkloosheidsuitkeringen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en het voldoen van de kosten van bovenwettelijke uitkeringen aan de instanties die de uitkeringen verstrekken, hebben verstrekt of zullen verstrekken;
- c. het namens het bevoegd gezag voeren van de administratie van de werkloosheidsuitkeringen die zijn vastgesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
- d. het namens het bevoegd gezag uitvoeren van de in artikel 72a, onder a, van de Werkloosheidswet opgedragen taak;
- e. het ondersteunen van het bevoegd gezag bij het beleid gericht op het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en het voorkomen van werkloosheid;
- f. het bij het bevoegd gezag in rekening brengen van de kosten van werkloosheidsuitkeringen van gewezen personeel alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid anders dan op grond van de Ziektewet welke niet voor vergoeding van het participatiefonds in aanmerking komen.
Het bevoegd gezag voldoet aan het participatiefonds een door het bestuur van het participatiefonds vast te stellen premie in verband met de uitoefening van de in het derde lid genoemde taken.
Het bestuur van het participatiefonds stelt regels vast voor de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de uitkeringskosten bij het bevoegd gezag in rekening worden gebracht. Als onderdeel daarvan stelt het bestuur van het participatiefonds de hoogte van de eigen bijdrage in deze kosten vast.
Van de in het tweede lid bedoelde aansluiting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag of het bestuur van een centrale dienst ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, met dien verstande dat het participatiefonds na ontheffing in ieder geval de taken, bedoeld in het derde lid, onderdelen b, c, d en f uitvoert, met inachtneming van het vierde en vijfde lid. Het participatiefonds kan na ontheffing de taak, bedoeld in het derde lid, onderdeel e uitvoeren. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien de aanvrager aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag.
Het bestuur van het participatiefonds kan subsidie verstrekken voor activiteiten in het kader van de taken, genoemd in het derde lid. Het bestuur van het participatiefonds stelt regels vast voor de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verstrekt. Daarbij kan een subsidieplafond worden vastgesteld.
Op het participatiefonds is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 44a. Samenwerking tussen bevoegd gezag en college van burgemeester en wethouders
Het bevoegd gezag kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft, betrekken bij de loopbaanbegeleiding, bedoeld in artikel 44, eerste lid, om de leerling ondersteuning te bieden op grond van artikel 7a van de Participatiewet.
Het bevoegd gezag kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft, verzoeken de ondersteuning van een leerling na het verlaten van de school voort te zetten op grond van artikel 7a van de Participatiewet, mits de betrokkene die meerderjarig en handelingsbekwaam is, dan wel de ouders, daarmee instemt.
Indien de ondersteuning met toepassing van het tweede lid wordt voortgezet door het college van burgemeester en wethouders, verstrekt het bevoegd gezag het overgangsdocument, bedoeld in artikel 14e, aan het college van burgemeester en wethouders.
§ 5. Toetsing speciaal onderwijs en doorstroom voortgezet onderwijs
Artikel 52. Bestuursoverdracht openbare scholen
De rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, kan de instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding van een openbare school bevoegd is. De overdracht geschiedt bij notariële akte.
Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de arbeidsovereenkomst, benoemt met ingang van de datum van overdracht.
Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen die zijn rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van bevoegd gezag, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.
Afdeling 2. Overige bepalingen
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging
Artikel 77. Plan van nieuwe scholen
De bekostiging van een school kan slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een plan van nieuwe scholen, vastgesteld volgens de bepalingen van deze afdeling.
Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting
Artikel 94. Overzicht
Het college van burgemeester en wethouders stelt gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 93, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip een overzicht vast van die voorzieningen die zijn aangevraagd dan wel die nodig zijn, die niet op het programma zijn opgenomen.
Daarbij wordt aangegeven waarom de desbetreffende voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onderdelen a tot en met d.
Artikel 110b
Vervallen
Artikel 122. Bekostiging door gemeente aan bevoegd gezag
De gemeente verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening op het grondgebied van de gemeente
- a. een bedrag dat wordt bepaald ingevolge het derde lid en artikel 121, en
- b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het tweede lid vastgesteld bedrag.
Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 121, eerste lid onder a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening een bedrag dat wordt bepaald ingevolge het derde lid en artikel 121, eerste lid onderdeel b, en derde lid, onderdeel a.
Het aantal groepen leerlingen voor basisscholen wordt berekend overeenkomstig artikel 100, eerste lid, onderdeel i.
Artikel 123. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken
Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente openbare scholen in stand houden waar een bepaalde soort speciaal onderwijs of een bepaalde soort voortgezet speciaal onderwijs wordt gegeven dan wel dergelijke scholen ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor dat onderwijs welke niet door het Rijk worden bekostigd, stelt de gemeenteraad bij verordening een regeling daarvoor vast en zijn de artikelen 125 tot en met 129 voor dat onderwijs niet van toepassing.
De regeling, bedoeld in het eerste lid, maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling van scholen naar dezelfde maatstaf.
De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval de voorzieningen die door het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden school kunnen worden aangevraagd en de aanvraagprocedure.
De gemeenteraad kan besluiten dat het college van burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kunnen aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen een week aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de aanvulling wordt deze voorgelegd aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken heeft besloten, wordt de aanvulling gelijkgesteld met een aanvulling die is bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de gemeenteraad heeft geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is besloten of die reeds zijn ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking heeft.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een nevenvestiging aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening, bedoeld in het eerste lid, aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om, met inachtneming van de in die verordening gestelde regels, te besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor een of meer van de in de regeling genoemde voorzieningen.
Het college van burgemeester en wethouders maakt jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van voorzieningen die zijn toegekend op grond van de regeling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 124. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf openbare scholen in stand houdt
Indien een gemeente zelf een of meer openbare scholen in stand houdt en zij uitgaven wil doen voor het onderwijs welke niet door het Rijk worden bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij verordening een regeling vaststellen.
Artikel 123, tweede tot en met zesde lid, is van toepassing.
Afdeling 11. Overige bepalingen
Artikel 165. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het college van burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.
Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
Artikel 166. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften
Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.
Artikel 167. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten vervanging
Het bevoegd gezag van een school is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel.
Het bevoegd gezag van een school is voorts verplicht jaarlijks een door het bestuur van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon te bepalen bijdrage te voldoen aan die rechtspersoon in verband met de kosten voor vervanging.
Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij afwezigheid van personeel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin.
Het bestuur van de rechtspersoon kan regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.
Uit 's Rijks kas wordt jaarlijks een door Onze Minister te bepalen bedrag betaald aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in verband met de kosten, bedoeld in dat lid onder b.
Op de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Artikel 169. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon in verband met kosten van uitkeringen
Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 169a, 170, 170a, 188a en 188b wordt onder participatiefonds verstaan de door Onze Minister aangewezen rechtspersoon, bedoeld in het tweede lid. Het tweede tot en met vijfde lid en artikel 170 zijn van overeenkomstige toepassing op het bestuur van een centrale dienst.
Het bevoegd gezag is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich het uitoefenen van de taken, genoemd in het derde lid, ten doel stelt.
Het participatiefonds heeft tot taak:
- a. het bieden van waarborgen ten behoeve van het bevoegd gezag voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen van gewezen personeel alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid anders dan op grond van de Ziektewet;
- b. het namens het bevoegd gezag voldoen van de werkloosheidsuitkeringen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en het voldoen van de kosten van bovenwettelijke uitkeringen aan de instanties die de uitkeringen verstrekken, hebben verstrekt of zullen verstrekken;
- c. het namens het bevoegd gezag voeren van de administratie van de werkloosheidsuitkeringen die zijn vastgesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
- d. het namens het bevoegd gezag uitvoeren van de in artikel 72a, onder a, van de Werkloosheidswet opgedragen taak;
- e. het ondersteunen van het bevoegd gezag bij het beleid gericht op het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en het voorkomen van werkloosheid;
- f. het bij het bevoegd gezag in rekening brengen van de kosten van werkloosheidsuitkeringen van gewezen personeel alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid anders dan op grond van de Ziektewet welke niet voor vergoeding van het participatiefonds in aanmerking komen.
Het bevoegd gezag voldoet aan het participatiefonds een door het bestuur van het participatiefonds vast te stellen premie in verband met de uitoefening van de in het derde lid genoemde taken.
Het bestuur van het participatiefonds stelt regels vast voor de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de uitkeringskosten bij het bevoegd gezag in rekening worden gebracht. Als onderdeel daarvan stelt het bestuur van het participatiefonds de hoogte van de eigen bijdrage in deze kosten vast.
Van de in het tweede lid bedoelde aansluiting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag of het bestuur van een centrale dienst ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, met dien verstande dat het participatiefonds na ontheffing in ieder geval de taken, bedoeld in het derde lid, onderdelen b, c, d en f uitvoert, met inachtneming van het vierde en vijfde lid. Het participatiefonds kan na ontheffing de taak, bedoeld in het derde lid, onderdeel e uitvoeren. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien de aanvrager aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag.
Het bestuur van het participatiefonds kan subsidie verstrekken voor activiteiten in het kader van de taken, genoemd in het derde lid. Het bestuur van het participatiefonds stelt regels vast voor de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verstrekt. Daarbij kan een subsidieplafond worden vastgesteld.
Op het participatiefonds is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Artikel 170. Gebruik burgerservicenummer door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169
Het participatiefonds kan het burgerservicenummer van het personeelslid of het gewezen personeelslid van het bevoegd gezag uitsluitend in het kader van de toepassing van artikel 169 gebruiken in het verkeer met:
- a. het personeelslid of het gewezen personeelslid;
- b. het bevoegd gezag waar de in onderdeel a bedoelde persoon werkzaam is of was;
- c. de instanties, bedoeld in artikel 169, derde lid, onderdeel b; en
- d. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Het burgerservicenummer wordt op een daartoe strekkend verzoek aan het participatiefonds verstrekt door het bevoegd gezag waar het personeelslid werkzaam is of was.
Indien dat ten behoeve van het jaarverslag, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, noodzakelijk is, worden gegevens daarin slechts zodanig openbaar gemaakt dat daaraan geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon kunnen worden ontleend, tenzij het betreft de controle op de juistheid van de gegevens in het kader van de controle op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van door de rechtspersoon gedane uitgaven. Daarbij kunnen de burgerservicenummers worden vergeleken met de burgerservicenummers die door andere daartoe bij of krachtens de wet bevoegde instanties zijn verstrekt.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)