Wet van 15 december 1982, houdende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 1029
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Artikel 118a. Aanspraken op grond van artikel E 16, E 17 of E 18 Overgangswet ISOVSO

De Overgangswet ISOVSO zoals die luidde op 31 juli 1998 blijft van toepassing op aanspraken die op die datum op grond van artikel E 16, E 17 of E 18 van die wet bestaan, met dien verstande dat in artikel E 18 van die wet onder «een school voor speciaal onderwijs» tevens wordt begrepen: een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.

Artikel 119. Vermindering bekostiging personeelskosten bij uitputting bekostiging personeelsbekostiging samenwerkingsverband
1.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 132, vierde lid, eerste volzin, en vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs de personeelsbekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 132, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de personele bekostiging van alle scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, voor zover het betreft het daaraan verzorgde speciaal onderwijs, en scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht, wordt per school voor speciaal onderwijs en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 dan wel school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.

2.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 85b, derde lid, eerste volzin, en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs de personeelsbekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 85b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de personele bekostiging van alle scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, en scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht, wordt per school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 dan wel school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.

3.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 85b1, zesde en zevende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs de personeelsbekostiging, bedoeld in artikel 85b1, eerste lid, van het samenwerkingsverband overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de personele bekostiging van alle scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, en scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht, wordt per school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 dan wel school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, bepaald op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband.

Artikel 120. Bijzondere bekostiging personeelskosten
1.

Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten.

2.

In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, onder door hem op te leggen verplichtingen bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken.

3.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze Minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede lid bedoelde aanvraag.

4.

Onze Minister kan in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.

§ 2. Gemeentelijk beleid

§ 1. Overschrijdingsregeling

§ 2. Betaling

§ 5. Overschrijdingsregeling

§ 6. Bestedingsmogelijkheden

§ 7. Betaling van de bekostiging

Artikel 152. Landelijk beleidskader

Vervallen

Artikel 153. Onderwijsachterstandenplan

Vervallen

Artikel 154. Gemeentelijke middelen

Vervallen

Artikel 156. Inlichtingenplicht en inhouding middelen

Vervallen

Afdeling 11. Overige bepalingen

Artikel 157. Jaarverslag
1.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast. Op deze jaarverslaggeving is Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12, van overeenkomstige toepassing voor zover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald. Het jaarverslag bestaat tenminste uit de volgende onderdelen:

  • a. een bestuursverslag als bedoeld in artikel 391 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waarin de door het bevoegd gezag gehanteerde code voor goed bestuur wordt vermeld alsmede ten minste verantwoording wordt afgelegd over de afwijkingen van die code voor goed bestuur,
2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke onderdelen het jaarverslag tevens dient te bevatten, dan wel welke onderdelen komen te vervallen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere invulling worden gegeven aan de onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, en kunnen nadere voorschriften worden gegeven over:

  • a. de indeling en de wijze van ordening van de gegevens per onderdeel van het jaarverslag,
  • b. de wijze en het tijdstip waarop de desbetreffende onderdelen beschikbaar gesteld moeten worden,
  • c. de elektronische verzending van het cijfermatige deel uit de jaarrekening, en
  • d. de grondslagen voor de jaarrekening.
4.

De beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder b, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan dat de controle overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen accountantsprotocol plaatsvindt en dat aan Onze Minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de accountant.

5.

De code voor goed bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bevat ten minste bepalingen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan

  • a. een beleid dat de eigen deskundigheid en verantwoordelijkheid van het personeel voor de kwaliteit van het onderwijs tot haar recht komt,
  • b. een integere bedrijfsvoering, waaronder voorzieningen om verstrengeling van belangen tegen te gaan, en
  • c. afstemming met en verantwoording aan de ouders en andere belanghebbenden binnen en buiten de school.
6.

Bij algemene maatregel van bestuur kan een branchecode voor goed bestuur worden aangewezen.

Afdeling 10A. Bestrijden voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie

Afdeling 10B. Zij-instroom in het beroep

Afdeling 11. Overige bepalingen

Titel VII. Overgangsbepalingen

Artikel 175. Wijziging vergoeding voor schoolterreinen en gebouwen in het basisonderwijs ingevolge de artikelen VI en VII van de wet van 21 mei 1992, Stb. 1992, 245
1.

De vergoeding voor een schoolterrein die voor 1 juni 1992 is aangevangen en plaatsvindt met toepassing van artikel 95, derde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs of artikel E 23 van de Overgangswet ISOVSO, zoals die voorschriften luidden op 31 mei 1991, wordt met ingang van 1 juni 1992 gewijzigd in een vergoeding ter grootte van twee-derde deel van de rente op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten, met een lineaire aflossing en, gerekend vanaf het tijdstip waarop voor het eerst een vergoeding voor het schoolterrein werd verleend, een looptijd van 40 jaar. Bij de toepassing van de eerste volzin wordt gerekend met het rentepercentage dat zou gelden voor een lening met een lineaire aflossing en een looptijd van 20 jaar, uitgaande van een herziening van het rentepercentage per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren waarin vergoeding werd verleend. Onze Minister is bevoegd om in verband met de rentestand tot bijstelling van een ingevolge de tweede volzin geldend rentepercentage over te gaan. Indien Onze Minister tot bijstelling van het rentepercentage is overgegaan, wordt in afwijking van de tweede volzin uitgegaan van een herziening van het rentepercentage per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren sinds die bijstelling, het kalenderjaar waarin die bijstelling plaatsvond daarbij inbegrepen.

2.

De vergoeding voor de niet op het schoolterrein betrekking hebbende kosten van stichting en eerste inrichting van een voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik die plaatsvindt met toepassing van artikel 95, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals dat voorschrift luidde op 31 december 1991, wordt met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en een looptijd van 60 jaar. Indien de vergoeding voor 1 januari 1992 is aangevangen, wordt deze met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de op die datum nog niet vergoede noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en, gerekend vanaf 1 januari 1992, een looptijd van 60 jaar verminderd met het aantal jaren waarover reeds een vergoeding is verleend.

3.

De vergoeding voor de niet op het schoolterrein betrekking hebbende kosten van stichting en eerste inrichting van een voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik die plaatsvindt met toepassing van artikel E 23 van de Overgangswet ISOVSO, zoals dat voorschrift luidde op 31 december 1991, wordt met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en een looptijd van 60 jaar. Indien de vergoeding voor 1 januari 1992 is aangevangen, wordt deze met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening met een lineaire aflossing voor de op die datum nog niet vergoede noodzakelijk geachte kosten, welke lening 20 jaar meer bestrijkt dan de periode waarover vanaf 1 januari 1992 nog vergoeding diende te worden verleend.

4.

Bij de toepassing van het tweede en het derde lid wordt gerekend met het rentepercentage dat zou gelden voor een lening met een lineaire aflossing en een looptijd van 20 jaar, uitgaande van een herziening van het rentepercentage telkens per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren waarin vergoeding werd verleend. Onze Minister is bevoegd om in verband met de rentestand tot bijstelling van een ingevolge de eerste volzin geldend rentepercentage over te gaan. Indien Onze Minister tot bijstelling van het rentepercentage is overgegaan, wordt in afwijking van de eerste volzin uitgegaan van een herziening van het rentepercentage telkens per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren sinds die bijstelling, het kalenderjaar waarin die bijstelling plaatsvond daarbij inbegrepen.

Titel VIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 143a. Beleggen en belenen

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten.

§ 7. Betaling van de bekostiging

Afdeling 9. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

Artikel 152. Landelijk beleidskader

Vervallen

Artikel 153. Onderwijsachterstandenplan

Vervallen

Artikel 154. Gemeentelijke middelen

Vervallen

Artikel 156. Inlichtingenplicht en inhouding middelen

Vervallen

Afdeling 11. Overige bepalingen

Artikel 157. Jaarverslag
1.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast. Op deze jaarverslaggeving is Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12, van overeenkomstige toepassing voor zover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald. Het jaarverslag bestaat tenminste uit de volgende onderdelen:

  • a. een bestuursverslag als bedoeld in artikel 391 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waarin de door het bevoegd gezag gehanteerde code voor goed bestuur wordt vermeld alsmede ten minste verantwoording wordt afgelegd over de afwijkingen van die code voor goed bestuur,
2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke onderdelen het jaarverslag tevens dient te bevatten, dan wel welke onderdelen komen te vervallen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere invulling worden gegeven aan de onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, en kunnen nadere voorschriften worden gegeven over:

  • a. de indeling en de wijze van ordening van de gegevens per onderdeel van het jaarverslag,
  • b. de wijze en het tijdstip waarop de desbetreffende onderdelen beschikbaar gesteld moeten worden,
  • c. de elektronische verzending van het cijfermatige deel uit de jaarrekening, en
  • d. de grondslagen voor de jaarrekening.
4.

De beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder b, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan dat de controle overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen accountantsprotocol plaatsvindt en dat aan Onze Minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de accountant.

5.

De code voor goed bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bevat ten minste bepalingen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan

  • a. een beleid dat de eigen deskundigheid en verantwoordelijkheid van het personeel voor de kwaliteit van het onderwijs tot haar recht komt,
  • b. een integere bedrijfsvoering, waaronder voorzieningen om verstrengeling van belangen tegen te gaan, en
  • c. afstemming met en verantwoording aan de ouders en andere belanghebbenden binnen en buiten de school.
6.

Bij algemene maatregel van bestuur kan een branchecode voor goed bestuur worden aangewezen.

Afdeling 10A. Bestrijden voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie

Afdeling 10B. Zij-instroom in het beroep

Afdeling 11. Overige bepalingen

Titel VI. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169

Artikel 175. Wijziging vergoeding voor schoolterreinen en gebouwen in het basisonderwijs ingevolge de artikelen VI en VII van de wet van 21 mei 1992, Stb. 1992, 245
1.

De vergoeding voor een schoolterrein die voor 1 juni 1992 is aangevangen en plaatsvindt met toepassing van artikel 95, derde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs of artikel E 23 van de Overgangswet ISOVSO, zoals die voorschriften luidden op 31 mei 1991, wordt met ingang van 1 juni 1992 gewijzigd in een vergoeding ter grootte van twee-derde deel van de rente op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten, met een lineaire aflossing en, gerekend vanaf het tijdstip waarop voor het eerst een vergoeding voor het schoolterrein werd verleend, een looptijd van 40 jaar. Bij de toepassing van de eerste volzin wordt gerekend met het rentepercentage dat zou gelden voor een lening met een lineaire aflossing en een looptijd van 20 jaar, uitgaande van een herziening van het rentepercentage per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren waarin vergoeding werd verleend. Onze Minister is bevoegd om in verband met de rentestand tot bijstelling van een ingevolge de tweede volzin geldend rentepercentage over te gaan. Indien Onze Minister tot bijstelling van het rentepercentage is overgegaan, wordt in afwijking van de tweede volzin uitgegaan van een herziening van het rentepercentage per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren sinds die bijstelling, het kalenderjaar waarin die bijstelling plaatsvond daarbij inbegrepen.

2.

De vergoeding voor de niet op het schoolterrein betrekking hebbende kosten van stichting en eerste inrichting van een voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik die plaatsvindt met toepassing van artikel 95, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals dat voorschrift luidde op 31 december 1991, wordt met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en een looptijd van 60 jaar. Indien de vergoeding voor 1 januari 1992 is aangevangen, wordt deze met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de op die datum nog niet vergoede noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en, gerekend vanaf 1 januari 1992, een looptijd van 60 jaar verminderd met het aantal jaren waarover reeds een vergoeding is verleend.

3.

De vergoeding voor de niet op het schoolterrein betrekking hebbende kosten van stichting en eerste inrichting van een voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik die plaatsvindt met toepassing van artikel E 23 van de Overgangswet ISOVSO, zoals dat voorschrift luidde op 31 december 1991, wordt met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en een looptijd van 60 jaar. Indien de vergoeding voor 1 januari 1992 is aangevangen, wordt deze met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening met een lineaire aflossing voor de op die datum nog niet vergoede noodzakelijk geachte kosten, welke lening 20 jaar meer bestrijkt dan de periode waarover vanaf 1 januari 1992 nog vergoeding diende te worden verleend.

4.

Bij de toepassing van het tweede en het derde lid wordt gerekend met het rentepercentage dat zou gelden voor een lening met een lineaire aflossing en een looptijd van 20 jaar, uitgaande van een herziening van het rentepercentage telkens per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren waarin vergoeding werd verleend. Onze Minister is bevoegd om in verband met de rentestand tot bijstelling van een ingevolge de eerste volzin geldend rentepercentage over te gaan. Indien Onze Minister tot bijstelling van het rentepercentage is overgegaan, wordt in afwijking van de eerste volzin uitgegaan van een herziening van het rentepercentage telkens per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren sinds die bijstelling, het kalenderjaar waarin die bijstelling plaatsvond daarbij inbegrepen.

Titel VIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 46a. Deelname leerlingen aan extra activiteiten
1.

De deelname van leerlingen aan activiteiten die geen onderdeel uitmaken van het verplichte onderwijsprogramma en worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, wordt niet afhankelijk gesteld van een bijdrage als bedoeld in artikel 40, eerste lid.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan voor de daar bedoelde activiteiten, indien:

  • a. deze activiteiten buiten de kerndoelen, bedoeld in artikel 13, zevende lid, langdurig aan leerlingen worden aangeboden door een school die door dat bevoegd gezag in stand gehouden wordt,
  • b. die school is aangesloten bij een verband van scholen die dergelijke activiteiten organiseren, en
  • c. krachtens een door dat verband vastgestelde code een regeling is getroffen voor de leerlingen ten aanzien van wie niet of niet geheel de gevraagde ouderbijdrage wordt betaald.
3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gesteld aan de scholen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en aan de code, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

§ 4. Ouders

Artikel 51. Instandhouding openbare school door een stichting
1.

Een gemeenteraad kan besluiten dat een of meer openbare scholen in de gemeente in stand worden gehouden door een stichting die zich ten doel stelt het in stand houden van een of meer openbare scholen, al dan niet te zamen met openbare scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of openbare scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

2.

De gemeenteraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend.

3.

Een stichting die een openbare school in stand houdt, wordt opgericht door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.

4.

Onverminderd artikel 28j, eerste lid, is het statutaire doel van de stichting uitsluitend het geven van openbaar onderwijs overeenkomstig artikel 49.

5.

De stichting oefent alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag uit.

6.

Onverminderd het vierde lid voorzien de statuten in ieder geval in een regeling omtrent:

  • a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de stichting,
  • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
  • c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
  • d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling van de jaarrekening na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden,
  • e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het bestuur uitoefenen,
  • f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden,
  • g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
  • h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden,

met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd. De goedkeuring bedoeld in onderdeel d kan worden onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.

7.

De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.

8.

Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.

9.

De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.

10.

Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen.

11.

De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden.

12.

Indien de school een raad van toezicht heeft, is het zesde lid niet van toepassing en voorzien de statuten, onverminderd artikel 28i, in ieder geval in een regeling omtrent:

  • a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de stichting,
  • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
  • c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
  • d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
  • e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,
  • h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht is verzekerd. Het achtste, negende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs

Afdeling 1. Fusietoets

Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs

Afdeling 1. Fusietoets

Artikel 74. Begripsbepaling van «school»

In deze titel wordt onder «school» verstaan een school of afdeling als bedoeld in artikel 8, tenzij het tegendeel blijkt.

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

Artikel 90. Voorzieningen in de huisvesting
1.

Voor de toepassing van deze afdeling worden onder voorzieningen in de huisvesting begrepen:

  • a. voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:
  • 1°. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan, terreinen, alsmede eerste aanschaf van onderwijsleerpakketten en meubilair,
  • 2°. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen, en
  • 3°. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs, dan wel een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;
  • b. herstel van constructiefouten aan het gebouw, alsmede herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakketten en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.
2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de huisvesting ten minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden vastgesteld.

Artikel 106a

Vervallen

Artikel 106f

Vervallen

Artikel 106j

Vervallen

Artikel 108a

Vervallen

Artikel 118. Berekening aantal leerlingen
1.

Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 117, is het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, dat door een samenwerkingsverband toelaatbaar is verklaard tot het speciaal dan wel voortgezet speciaal onderwijs.

2.

Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend en voor het daaropvolgende schooljaar wordt als grondslag genomen het aantal leerlingen op 1 oktober, volgende op de opening, dat door een samenwerkingsverband toelaatbaar is verklaard tot het speciaal dan wel voortgezet speciaal onderwijs.

3.

Indien een nieuwe school ontstaat als gevolg van beëindiging van het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs van een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, is voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 117, eerste lid, het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

4.

Voor de toepassing van artikel 117 geldt in geval van samenvoeging van scholen, het aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen vastgesteld volgens het eerste lid, en de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van alle bij de samenvoeging betrokken scholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.

Artikel 119. Vermindering bekostiging personeelskosten bij uitputting bekostiging personeelsbekostiging samenwerkingsverband
1.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 132, vierde lid, eerste volzin, en vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs de personeelsbekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 132, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de personele bekostiging van alle scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, voor zover het betreft het daaraan verzorgde speciaal onderwijs, en scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht, wordt per school voor speciaal onderwijs en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 dan wel school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.

2.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 85b, derde lid, eerste volzin, en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs de personeelsbekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 85b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de personele bekostiging van alle scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, en scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht, wordt per school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 dan wel school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.

3.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 85b1, zesde en zevende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs de personeelsbekostiging, bedoeld in artikel 85b1, eerste lid, van het samenwerkingsverband overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de personele bekostiging van alle scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, en scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht, wordt per school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 dan wel school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, bepaald op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband.

Artikel 120. Bijzondere bekostiging personeelskosten
1.

Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten.

2.

In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, onder door hem op te leggen verplichtingen bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken.

3.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze Minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede lid bedoelde aanvraag.

4.

Onze Minister kan in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.

§ 2. Gemeentelijk beleid

§ 1. Overschrijdingsregeling

§ 2. Betaling

§ 5. Overschrijdingsregeling

Artikel 143a. Beleggen en belenen

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten.

§ 7. Betaling van de bekostiging

Artikel 153. Onderwijsachterstandenplan

Vervallen

Artikel 154. Gemeentelijke middelen

Vervallen

Artikel 155. Rekening en verantwoording gemeente

Vervallen

Afdeling 11. Overige bepalingen

Artikel 157. Jaarverslag
1.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast. Op deze jaarverslaggeving is Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12, van overeenkomstige toepassing voor zover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald. Het jaarverslag bestaat tenminste uit de volgende onderdelen:

  • a. een bestuursverslag als bedoeld in artikel 391 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waarin de door het bevoegd gezag gehanteerde code voor goed bestuur wordt vermeld alsmede ten minste verantwoording wordt afgelegd over de afwijkingen van die code voor goed bestuur,
2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke onderdelen het jaarverslag tevens dient te bevatten, dan wel welke onderdelen komen te vervallen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere invulling worden gegeven aan de onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, en kunnen nadere voorschriften worden gegeven over:

  • a. de indeling en de wijze van ordening van de gegevens per onderdeel van het jaarverslag,
  • b. de wijze en het tijdstip waarop de desbetreffende onderdelen beschikbaar gesteld moeten worden,
  • c. de elektronische verzending van het cijfermatige deel uit de jaarrekening, en
  • d. de grondslagen voor de jaarrekening.
4.

De beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder b, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan dat de controle overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen accountantsprotocol plaatsvindt en dat aan Onze Minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de accountant.

5.

De code voor goed bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bevat ten minste bepalingen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan

  • a. een beleid dat de eigen deskundigheid en verantwoordelijkheid van het personeel voor de kwaliteit van het onderwijs tot haar recht komt,
  • b. een integere bedrijfsvoering, waaronder voorzieningen om verstrengeling van belangen tegen te gaan, en
  • c. afstemming met en verantwoording aan de ouders en andere belanghebbenden binnen en buiten de school.
6.

Bij algemene maatregel van bestuur kan een branchecode voor goed bestuur worden aangewezen.

Artikel 158. Informatie over bekostiging
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze Minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging, alsmede over een verklaring over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven door een door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

3.

Het bevoegd gezag bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de desbetreffende boeken en bescheiden gedurende een periode van zeven jaren.

Afdeling 10B. Zij-instroom in het beroep

Afdeling 11. Overige bepalingen

Titel VII. Overgangsbepalingen

Artikel 175. Wijziging vergoeding voor schoolterreinen en gebouwen in het basisonderwijs ingevolge de artikelen VI en VII van de wet van 21 mei 1992, Stb. 1992, 245
1.

De vergoeding voor een schoolterrein die voor 1 juni 1992 is aangevangen en plaatsvindt met toepassing van artikel 95, derde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs of artikel E 23 van de Overgangswet ISOVSO, zoals die voorschriften luidden op 31 mei 1991, wordt met ingang van 1 juni 1992 gewijzigd in een vergoeding ter grootte van twee-derde deel van de rente op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten, met een lineaire aflossing en, gerekend vanaf het tijdstip waarop voor het eerst een vergoeding voor het schoolterrein werd verleend, een looptijd van 40 jaar. Bij de toepassing van de eerste volzin wordt gerekend met het rentepercentage dat zou gelden voor een lening met een lineaire aflossing en een looptijd van 20 jaar, uitgaande van een herziening van het rentepercentage per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren waarin vergoeding werd verleend. Onze Minister is bevoegd om in verband met de rentestand tot bijstelling van een ingevolge de tweede volzin geldend rentepercentage over te gaan. Indien Onze Minister tot bijstelling van het rentepercentage is overgegaan, wordt in afwijking van de tweede volzin uitgegaan van een herziening van het rentepercentage per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren sinds die bijstelling, het kalenderjaar waarin die bijstelling plaatsvond daarbij inbegrepen.

2.

De vergoeding voor de niet op het schoolterrein betrekking hebbende kosten van stichting en eerste inrichting van een voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik die plaatsvindt met toepassing van artikel 95, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals dat voorschrift luidde op 31 december 1991, wordt met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en een looptijd van 60 jaar. Indien de vergoeding voor 1 januari 1992 is aangevangen, wordt deze met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de op die datum nog niet vergoede noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en, gerekend vanaf 1 januari 1992, een looptijd van 60 jaar verminderd met het aantal jaren waarover reeds een vergoeding is verleend.

3.

De vergoeding voor de niet op het schoolterrein betrekking hebbende kosten van stichting en eerste inrichting van een voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik die plaatsvindt met toepassing van artikel E 23 van de Overgangswet ISOVSO, zoals dat voorschrift luidde op 31 december 1991, wordt met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en een looptijd van 60 jaar. Indien de vergoeding voor 1 januari 1992 is aangevangen, wordt deze met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening met een lineaire aflossing voor de op die datum nog niet vergoede noodzakelijk geachte kosten, welke lening 20 jaar meer bestrijkt dan de periode waarover vanaf 1 januari 1992 nog vergoeding diende te worden verleend.

4.

Bij de toepassing van het tweede en het derde lid wordt gerekend met het rentepercentage dat zou gelden voor een lening met een lineaire aflossing en een looptijd van 20 jaar, uitgaande van een herziening van het rentepercentage telkens per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren waarin vergoeding werd verleend. Onze Minister is bevoegd om in verband met de rentestand tot bijstelling van een ingevolge de eerste volzin geldend rentepercentage over te gaan. Indien Onze Minister tot bijstelling van het rentepercentage is overgegaan, wordt in afwijking van de eerste volzin uitgegaan van een herziening van het rentepercentage telkens per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren sinds die bijstelling, het kalenderjaar waarin die bijstelling plaatsvond daarbij inbegrepen.

Titel VIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 22a. Vaststelling en beschikbaarstelling schoolplan en schoolgids
1.

Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolplan vast en stelt dit zo spoedig mogelijk na de vaststelling beschikbaar voor de inspectie.

2.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks de schoolgids vast ten behoeve van het eerstvolgende schooljaar en stelt deze zo spoedig mogelijk na de vaststelling beschikbaar voor de ouders en de inspectie.

§ 2. Personeel

§ 3. Leerlingen

§ 4. Ouders

Artikel 51. Instandhouding openbare school door een stichting
1.

Een gemeenteraad kan besluiten dat een of meer openbare scholen in de gemeente in stand worden gehouden door een stichting die zich ten doel stelt het in stand houden van een of meer openbare scholen, al dan niet te zamen met openbare scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of openbare scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

2.

De gemeenteraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend.

3.

Een stichting die een openbare school in stand houdt, wordt opgericht door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.

4.

Onverminderd artikel 28j, eerste lid, is het statutaire doel van de stichting uitsluitend het geven van openbaar onderwijs overeenkomstig artikel 49.

5.

De stichting oefent alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag uit.

6.

Onverminderd het vierde lid voorzien de statuten in ieder geval in een regeling omtrent:

  • a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de stichting,
  • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
  • c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
  • d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling van de jaarrekening na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden,
  • e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het bestuur uitoefenen,
  • f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden,
  • g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
  • h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden,

met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd. De goedkeuring bedoeld in onderdeel d kan worden onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.

7.

De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.

8.

Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.

9.

De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.

10.

Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen.

11.

De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden.

12.

Indien de school een raad van toezicht heeft, is het zesde lid niet van toepassing en voorzien de statuten, onverminderd artikel 28i, in ieder geval in een regeling omtrent:

  • a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de stichting,
  • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
  • c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
  • d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
  • e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,
  • h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht is verzekerd. Het achtste, negende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs

Afdeling 1. Fusietoets

Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

Artikel 75. Tijdelijke afwijking
1.

De artikelen 77 tot en met 88 zijn tot een bij de wet te bepalen datum niet van toepassing.

2.

Tot een bij de wet te bepalen datum kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag, onder door hem te stellen voorwaarden, een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien:

  • a. de school is gelegen in een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke bevolkingstoename,
  • b. sprake is van een verandering van de plaats van vestiging van een reeds bekostigde school,
  • c. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of omgekeerd,
  • d. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting,
  • e. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school met onderwijs van een of meer andere richtingen,
  • f. sprake is van voor bekostiging in aanmerking brengen van een samenwerkingsschool met inachtneming van artikel 28j,
  • g. sprake is van stichting van scholen die overeenkomen met de scholen waaruit een opgeheven samenwerkingsschool is ontstaan, of
  • h. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school voor speciaal onderwijs met onderwijs voor voortgezet speciaal onderwijs.
3.

De aanvraag, is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 81, tweede lid. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van uitbreiding als bedoeld in het tweede lid, onder h, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste lid dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder f, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen, met dien verstande dat daarbij de leerlingaantallen als bedoeld in artikel 147 en artikel 148 worden toegepast. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder g, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen.

4.

Een school die is opgenomen in een door Onze Minister goedgekeurd of vastgesteld plan van nieuwe scholen voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994 komt voor bekostiging in aanmerking indien de school in dat plan is opgenomen met als jaar van aanvang van de bekostiging 1991 en het onderwijs voor 1 januari 1992 een aanvang heeft genomen.

Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting

Artikel 91. Vaststelling door het college van burgemeester en wethouders van bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
1.

Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hen te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor:

  • a. scholen,
  • b. basisscholen,
  • c. speciale scholen voor basisonderwijs, en
  • d. scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.
2.

Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van de gemeente.

Artikel 106b

Vervallen

Artikel 108a

Vervallen

Artikel 119. Ondersteuningsbekostiging
1.

In aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 114, ontvangt de school, niet zijnde een instelling, per leerling een bedrag dat afhankelijk is van de in de toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in artikel 40, tiende of twaalfde lid, opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling.

2.

In aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 114, ontvangen de instellingen jaarlijks bekostiging voor de ondersteuning van de leerlingen van de instellingen, met een visuele handicap, bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede volzin, respectievelijk leerlingen met een auditieve en communicatieve handicap, bedoeld in artikel 8, eerste lid, derde volzin, en de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 9, onderdelen b en c.

3.

Voor scholen, niet zijnde instellingen, waaraan onderwijs wordt gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen wordt bekostiging vastgesteld die is gebaseerd op het aantal leerlingen aan wie op de teldatum onderwijs wordt gegeven op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71a, tweede lid. Voor elke leerling, bedoeld in de eerste volzin, ontvangt de school het voor die onderwijssoort vastgestelde bedrag.

4.

Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, vastgesteld.

Artikel 120. Bijzondere bekostiging personeelskosten
1.

Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten.

2.

In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, onder door hem op te leggen verplichtingen bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken.

3.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze Minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede lid bedoelde aanvraag.

4.

Onze Minister kan in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.

Artikel 121. Grondslag bekostiging kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling, uitkeringen aan gewezen personeel en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
1.

Aan de school wordt in verband met de kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling en de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet bekostiging verstrekt.

2.

De in het eerste lid bedoelde bekostiging is verwerkt in de bedragen en in de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in de artikelen 117, vierde en tiende lid, en 120.

§ 5. Overschrijdingsregeling

Artikel 143a. Beleggen en belenen

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten.

Artikel 143b. Beheer van de middelen

Het bevoegd gezag beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

§ 7. Betaling van de bekostiging

Afdeling 9. Bestrijden voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie

Artikel 154. Gemeentelijke middelen

Vervallen

Artikel 155. Rekening en verantwoording gemeente

Vervallen

Artikel 156. Inlichtingenplicht en inhouding middelen

Vervallen

Afdeling 11. Overige bepalingen

Artikel 158. Informatie over bekostiging
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze Minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging, alsmede over een verklaring over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven door een door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

3.

Het bevoegd gezag bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de desbetreffende boeken en bescheiden gedurende een periode van zeven jaren.

Artikel 159. Beleidsinhoudelijke informatie
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het beschikt over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het onderwijs, bedoeld in deze wet, en verleent desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 10B. Zij-instroom in het beroep

Afdeling 11. Overige bepalingen

Titel VII. Overgangsbepalingen

Artikel 175. Wijziging vergoeding voor schoolterreinen en gebouwen in het basisonderwijs ingevolge de artikelen VI en VII van de wet van 21 mei 1992, Stb. 1992, 245
1.

De vergoeding voor een schoolterrein die voor 1 juni 1992 is aangevangen en plaatsvindt met toepassing van artikel 95, derde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs of artikel E 23 van de Overgangswet ISOVSO, zoals die voorschriften luidden op 31 mei 1991, wordt met ingang van 1 juni 1992 gewijzigd in een vergoeding ter grootte van twee-derde deel van de rente op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten, met een lineaire aflossing en, gerekend vanaf het tijdstip waarop voor het eerst een vergoeding voor het schoolterrein werd verleend, een looptijd van 40 jaar. Bij de toepassing van de eerste volzin wordt gerekend met het rentepercentage dat zou gelden voor een lening met een lineaire aflossing en een looptijd van 20 jaar, uitgaande van een herziening van het rentepercentage per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren waarin vergoeding werd verleend. Onze Minister is bevoegd om in verband met de rentestand tot bijstelling van een ingevolge de tweede volzin geldend rentepercentage over te gaan. Indien Onze Minister tot bijstelling van het rentepercentage is overgegaan, wordt in afwijking van de tweede volzin uitgegaan van een herziening van het rentepercentage per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren sinds die bijstelling, het kalenderjaar waarin die bijstelling plaatsvond daarbij inbegrepen.

2.

De vergoeding voor de niet op het schoolterrein betrekking hebbende kosten van stichting en eerste inrichting van een voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik die plaatsvindt met toepassing van artikel 95, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals dat voorschrift luidde op 31 december 1991, wordt met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en een looptijd van 60 jaar. Indien de vergoeding voor 1 januari 1992 is aangevangen, wordt deze met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de op die datum nog niet vergoede noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en, gerekend vanaf 1 januari 1992, een looptijd van 60 jaar verminderd met het aantal jaren waarover reeds een vergoeding is verleend.

3.

De vergoeding voor de niet op het schoolterrein betrekking hebbende kosten van stichting en eerste inrichting van een voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik die plaatsvindt met toepassing van artikel E 23 van de Overgangswet ISOVSO, zoals dat voorschrift luidde op 31 december 1991, wordt met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten met een lineaire aflossing en een looptijd van 60 jaar. Indien de vergoeding voor 1 januari 1992 is aangevangen, wordt deze met ingang van 1 januari 1992 vastgesteld op een vergoeding ter grootte van de rente en aflossing op basis van een fictieve lening met een lineaire aflossing voor de op die datum nog niet vergoede noodzakelijk geachte kosten, welke lening 20 jaar meer bestrijkt dan de periode waarover vanaf 1 januari 1992 nog vergoeding diende te worden verleend.

4.

Bij de toepassing van het tweede en het derde lid wordt gerekend met het rentepercentage dat zou gelden voor een lening met een lineaire aflossing en een looptijd van 20 jaar, uitgaande van een herziening van het rentepercentage telkens per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren waarin vergoeding werd verleend. Onze Minister is bevoegd om in verband met de rentestand tot bijstelling van een ingevolge de eerste volzin geldend rentepercentage over te gaan. Indien Onze Minister tot bijstelling van het rentepercentage is overgegaan, wordt in afwijking van de eerste volzin uitgegaan van een herziening van het rentepercentage telkens per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren sinds die bijstelling, het kalenderjaar waarin die bijstelling plaatsvond daarbij inbegrepen.

Titel VIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 4. Ouders

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Artikel 51. Instandhouding openbare school door een stichting
1.

Een gemeenteraad kan besluiten dat een of meer openbare scholen in de gemeente in stand worden gehouden door een stichting die zich ten doel stelt het in stand houden van een of meer openbare scholen, al dan niet te zamen met openbare scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of openbare scholen als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.

2.

De gemeenteraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend.

3.

Een stichting die een openbare school in stand houdt, wordt opgericht door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.

4.

Onverminderd artikel 28j, eerste lid, is het statutaire doel van de stichting uitsluitend het geven van openbaar onderwijs overeenkomstig artikel 49.

5.

De stichting oefent alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag uit.

6.

Onverminderd het vierde lid voorzien de statuten in ieder geval in een regeling omtrent:

  • a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de stichting,
  • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
  • c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
  • d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling van de jaarrekening na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden,
  • e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het bestuur uitoefenen,
  • f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden,
  • g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
  • h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden,

met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd. De goedkeuring bedoeld in onderdeel d kan worden onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.

7.

De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.

8.

Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.

9.

De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.

10.

Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen.

11.

De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden.

12.

Indien de school een raad van toezicht heeft, is het zesde lid niet van toepassing en voorzien de statuten, onverminderd artikel 28i, in ieder geval in een regeling omtrent:

  • a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de stichting,
  • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
  • c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
  • d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
  • e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,
  • h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht is verzekerd. Het achtste, negende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs

Afdeling 1. Fusietoets

Titel IV. Bekostiging

Artikel 75. Tijdelijke afwijking

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)