Wet van 15 december 1982, houdende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
Artikel 169. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten vervanging en onvrijwillige taakvermindering
Het bevoegd gezag van een school is aangesloten bij een door Onze minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor
- a. de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel, en
- b. de kosten voortvloeiend uit rechtspositionele verplichtingen ten aanzien van personeel dat gebruik maakt van de krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering.
Het bevoegd gezag van een school is voorts verplicht jaarlijks een door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon te bepalen bijdrage te voldoen aan die rechtspersoon in verband met de kosten voor vervanging.
Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij afwezigheid van personeel en de gevolgen die voortvloeien uit rechtspositionele verplichtingen ten aanzien van personeel dat gebruik maakt van de krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in de eerste volzin. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
De rechtspersoon kan regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.
Uit 's Rijks kas wordt jaarlijks een door Onze minister te bepalen bedrag betaald aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in verband met de kosten, bedoeld in dat lid onder b.
Artikel 169a. Aftrekposten bekostiging
Vervallen
Artikel 170. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon in verband met kosten van uitkeringen aan gewezen personeel en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
Het bevoegd gezag van een school is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet ten behoeve van gewezen personeel.
Het bevoegd gezag voldoet aan de rechtspersoon jaarlijks een door die rechtspersoon vast te stellen bijdrage in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.
Van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
De rechtspersoon stelt regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 132, derde lid. Indien het bevoegd gezag zich beroept op overwegingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, betrekt de rechtspersoon die overwegingen bij de beoordeling van een in de eerste volzin bedoeld verzoek.
Indien de rechtspersoon het in het vierde lid bedoelde verzoek heeft ingewilligd, vergoedt hij aan de instantie die de werkloosheidsuitkeringen, de suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede de uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet verstrekt of heeft verstrekt, de kosten van die uitkeringen of suppleties.
Tegen een besluit van de rechtspersoon kan het bevoegd gezag beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 170a. Ministeriële bevoegdheden ten aanzien van het participatiefonds
Instemming van Onze Minister is vereist ten aanzien van de statuten van het participatiefonds.
Onze Minister is bevoegd tot intrekking van de aanwijzing van de in artikel 169, tweede lid, bedoelde aanwijzing.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
- a. nadere taakomschrijving van het participatiefonds;
- b. de voorwaarden voor instemming door Onze Minister met de statuten van het participatiefonds en wijziging van deze statuten; en
- c. de gevolgen van intrekking van de aanwijzing van het participatiefonds.
Onze Minister kan subsidie verlenen aan het participatiefonds, ten behoeve van de bedrijfsvoering. De subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag dat door de begrotingswetgever ter beschikking wordt gesteld.
Titel V. Bewijzen van bekwaamheid
Artikel 171. Bewijzen van bekwaamheid
De bewijzen van bekwaamheid tot het geven van speciaal onderwijs bedoeld in artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, zijn:
- a. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, met dien verstande dat dit getuigschrift voor wat betreft het onderwijs in zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening, bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a en b, en vijfde lid onder a en b, een bevoegdheid verleent voor het geven van speciaal onderwijs aan de groepen bestemd voor leerlingen tot zeven jaar;
- b. de akte van bekwaamheid als leidster of hoofdleidster bij het kleuteronderwijs;
- c. de getuigschriften die door Onze minister op grond van artikel 131, vierde lid, van de Kleuteronderwijswet, gelijk zijn gesteld met de akte van bekwaamheid als leidster, onderscheidenlijk als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs;
- d. de akte van bekwaamheid als onderwijzer of hoofdonderwijzer;
- e. de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer;
- f. de middelbare akte pedagogiek B, uitgereikt door de Vereniging tot bevordering van de Studie der Pedagogiek of de stichting Raad van Toezicht, Bijstand en Advies voor de Studie der Pedagogiek;
- g. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd examen in de ten minste tweejarige deeltijdse studierichting leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in pedagogiek.
Zij die op 31 juli 1985 op grond van artikel 131, vijfde lid, van de Kleuteronderwijswet bevoegd zijn om als leidster, onderscheidenlijk hoofdleidster bij het kleuteronderwijs werkzaam te zijn, zijn met ingang van 1 augustus 1985 bevoegd tot het geven van speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. Zij die voor 1 augustus 1985 belast zijn geweest met het onderwijs in het vak zingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid onder h, van de Lager-onderwijswet 1920 (Stb. 1974, 565), zijn bevoegd tot het geven van speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs in de expressie-activiteit, onderscheidenlijk het vak muziek. Zij die op 31 juli 1998 bevoegd waren tot het geven van het onderwijs in taal en cultuur van het land van oorsprong, zijn bevoegd tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 158, eerste lid. Voor zover aan deze bevoegdheid voorwaarden en beperkingen waren gesteld, blijven deze van kracht. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar in het bezit zijn van het bewijs van bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, blijven bevoegd tot het geven van onderwijs in zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening aan alle groepen leerlingen in het speciaal onderwijs. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar een studie volgen die leidt tot het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, waarvan het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000 deel uitmaakt, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid ten aanzien van het geven van onderwijs in zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening aan alle groepen leerlingen in het speciaal onderwijs indien zij bedoeld getuigschrift behalen voor een tijdstip dat bij hetzelfde koninklijk besluit wordt bepaald. Zij die tijdelijk zijn benoemd tot leraar op grond van artikel 2 van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs en die daarna het getuigschrift, bedoeld in artikel 6, derde lid, van die wetbehalen, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid tot het geven van onderwijs in zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening aan alle groepen leerlingen in het speciaal onderwijs indien noodzakelijk geachte scholing, bedoeld in artikel 5 van die wet, voor die vakken werd gevolgd volgens het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000.
De bewijzen van bekwaamheid tot het geven van voortgezet speciaal onderwijs bedoeld in artikel 14, eerste en vijfde lid, zijn:
- a. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, met dien verstande dat dit getuigschrift geen bevoegdheid geeft voor wat betreft het onderwijs in lichamelijke oefening, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder i;
- b. de akte van bekwaamheid als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs en een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen aanvullend bewijs;
- c. de akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer;
- d. de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer;
- e. de middelbare akte pedagogiek B, uitgereikt door de Vereniging tot bevordering van de Studie der Pedagogiek of de stichting Raad van Toezicht, Bijstand en Advies voor de Studie der Pedagogiek;
- f. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd examen in de ten minste tweejarige deeltijdse studierichting leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in pedagogiek;
- g. de akte van bekwaamheid, uitgereikt door de instituten voor de opleiding van leraren, die uit de openbare kas bekostigd zijn krachtens de Experimentenwet onderwijs;
- h. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd examen in de ten minste vierjarige studierichting opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad.
Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar in het bezit zijn van het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, bedoeld onder a, blijven bevoegd tot het geven van onderwijs in lichamelijke oefening aan alle groepen leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar een studie volgen die leidt tot het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, waarvan het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000 deel uitmaakt, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid ten aanzien van het geven van lichamelijke oefening aan alle groepen leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs indien zij bedoeld getuigschrift behalen voor een tijdstip dat bij hetzelfde koninklijk besluit wordt bepaald. Zij die tijdelijk zijn benoemd tot leraar op grond van artikel 2 van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs en die daarna het getuigschrift, bedoeld in artikel 6, derde lid, van die wet behalen, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid tot het geven van onderwijs in lichamelijke oefening aan alle groepen in het voortgezet speciaal onderwijs indien noodzakelijk geachte scholing, bedoeld in artikel 5 van die wet, voor dat vak werd gevolgd volgens het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000.
Naast de in het eerste lid genoemde bewijzen van bekwaamheid tot het geven van speciaal onderwijs verlenen de bewijzen van bekwaamheid die zijn opgenomen in de krachtens artikel 186, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs vastgestelde voorschriften, bevoegdheid tot het geven van speciaal onderwijs in de in die voorschriften genoemde onderwijsactiviteiten, met dien verstande dat de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in de onderwijsactiviteit zintuiglijke en lichamelijke oefening bevoegdheid verlenen voor het geven van speciaal onderwijs in de onderwijsactiviteiten zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening. De in de krachtens de artikelen 108 tot en met 114 van de Overgangswet WVO vastgestelde voorschriften opgenomen bewijzen van bekwaamheid voor het vak huishoudkunde verlenen bevoegdheid tot het geven van onderwijs in huishoudelijke activiteiten, als bedoeld in artikel 13, tweede lid.
De akten genoemd in het eerste lid onder a, b, d en e, en in het derde lid onder c en d, moeten zijn verkregen aan een van rijkswege bekostigd of aangewezen opleidingsinstituut, dan wel na het afleggen van een staatsexamen.
De bewijzen van bekwaamheid die zijn opgenomen in de krachtens de artikelen 108 tot en met 114 van de Overgangswet WVO en de artikelen 34, tweede en derde lid, en 35, derde en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften, verlenen bevoegdheid tot het geven van voortgezet speciaal onderwijs in de in die voorschriften genoemde vakken, met dien verstande dat
- a. de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in het vak Nederlands bevoegdheid verlenen voor het geven van voortgezet speciaal onderwijs in het vak Nederlandse taal,
- b. de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in het vak wiskunde bevoegdheid verlenen voor het geven van voortgezet speciaal onderwijs in het vak wiskunde en rekenen,
- c. de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in de met de verschillende onderdelen van het vak kennisgebieden overeenkomende vakken bevoegdheid verlenen voor het geven van voortgezet speciaal onderwijs in de desbetreffende onderdelen en
- d. de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in het vak wiskunde bevoegdheid verlenen voor het geven van voortgezet speciaal onderwijs in het vak rekenen en wiskunde.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bewijzen van bekwaamheid bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs bedoeld in artikel 158, eerste lid.
Voor elk van de bewijzen van bekwaamheid bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald in hoeverre een aanvullend bewijs van bekwaamheid gericht op het geven van speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, is vereist.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bewijzen van bekwaamheid dan wel welke studies voor een bewijs van bekwaamheid in combinatie met een bepaald bewijs van bekwaamheid, bedoeld in dit artikel, een bevoegdheid verlenen onderscheidenlijk een tijdelijke bevoegdheid verlenen voor het geven van de bij of krachtens de artikelen 13 en 14 vastgestelde onderdelen van het speciaal onderwijs onderscheidenlijk het voortgezet speciaal onderwijs.
Titel V. Bewijzen van bekwaamheid
Artikel 172. Ruimte voor innovatie
Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 50 en 51, en titel IV, afdelingen 1, 2 en 4 en afdeling 5, paragraaf 1, afdeling 6, paragraaf 2, en afdeling 7, artikelen 133 tot en met 137 en 140, van de wet.
In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur in elk geval bepaald:
- a. het doel van het experiment,
- b. op welke wijze van welke in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt afgeweken,
- c. de duur van het experiment, en
- d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.
Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, voordat een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.
Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.
In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969 en van de hoofdstukken 1 tot en met 4 van de Wet NLQF.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de samenwerking van een school met een school of instelling als bedoeld in artikel 1, met een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of met een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020. Bij samenwerking met een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 kan voor die school respectievelijk worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2,titel II, afdeling 1 en afdeling 2, artikelen 47 en 48, en titel IV, afdelingen 1, 2, 4 en 5, afdeling 6, paragraaf 1, afdeling 7, paragraaf 2, en afdeling 8, paragrafen 1 en 2, van de Wet op het primair onderwijs, en van de Wet voortgezet onderwijs 2020, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragrafen 7 en 10, en de hoofdstukken 4, 6 en 9 van die wet. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, de Wet op het primair onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs 2020 vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.
De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 173. Ministeriële bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 167
Instemming van Onze Minister is vereist ten aanzien van de statuten van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 167, alsmede ten aanzien van wijziging van die statuten.
Onze Minister is bevoegd tot intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 167.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
- a. nadere taakomschrijving van de rechtspersoon;
- b. de voorwaarden voor instemming door Onze Minister met de statuten van de rechtspersoon en wijziging van deze statuten; en
- c. de gevolgen van intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon.
Krachtens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorschriften kan Onze Minister subsidie verlenen aan de rechtspersoon ten behoeve van:
- a. bedragen die, gedurende een vooraf vastgestelde periode en tot een vooraf vastgestelde maximale hoogte, strekken ter vervanging van de bekostiging in verband met de kosten van vervanging, bedoeld in artikel 113, tweede lid, en de bijdrage, bedoeld in artikel 167, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op de kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling,
- b. een bijdrage aan de kosten van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon, en
- c. een bijdrage ten behoeve van de uitoefening van landelijke taken in het kader van de bedrijfsgezondheidszorg.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kan ten behoeve van een in dat lid bedoelde subsidie een subsidieplafond worden vastgesteld.
Het bestuur van de rechtspersoon kan ten behoeve van de uitoefening van landelijke taken in het kader van de bedrijfsgezondheidszorg subsidie aan derden verstrekken.
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Titel VI. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169
Artikel 174. Ministeriële bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 170; evaluatie
Vervallen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 134a. Gemeentelijk beleid bij verzelfstandiging van het openbaar onderwijs in een gemeente
Vervallen
§ 1. Huisvesting
Artikel 140. Uitkering overschrijdingsbedrag aan een niet door de gemeente in stand gehouden school
Vervallen
Artikel 141. Mededeling en beroep
Aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen wordt een afschrift gezonden van de besluiten van de gemeenteraad tot vaststelling van de mate waarin meer dan wel minder uitgaven zullen worden gedaan, bedoeld in artikel 137, eerste lid, tot verlening van het voorschot, bedoeld in artikel 137, tweede of derde lid, en tot voorlopige en definitieve vaststelling van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 138, zesde en zevende lid. Daarbij is opgenomen een staat van voorzieningen als bedoeld in artikel 138, eerste lid onder j, waarin per kalenderjaar wordt aangegeven het verloop van de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen. De toezending geschiedt binnen 2 weken na de dag waarop de gemeenteraad een besluit als bedoeld in de eerste volzin heeft genomen. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school kan tegen een besluit als bedoeld in de eerste volzin administratief beroep instellen bij gedeputeerde staten.
Artikel 142. Berekening aantal leerlingen
Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 139, vierde en vijfde lid, is het aantal leerlingen op 1 oktober voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar. Voor het kalenderjaar waarin een nieuw opgerichte school wordt geopend, wordt als grondslag genomen het aantal leerlingen op de laatste dag van de tweede maand volgende op die der opening.
§ 3. Personeel
Artikel 143. Besteding bekostiging
Het bevoegd gezag van een school besteedt de door het Rijk verstrekte bekostiging, voor zover het niet betreft de bekostiging bedoeld in het tweede lid, ten behoeve van die school met inachtneming van het bepaalde in artikel 144.
Het bevoegd gezag van een school besteedt de door het Rijk verstrekte bekostiging, bedoeld in artikel 128, ten behoeve van de scholen van dat bevoegd gezag. Onder scholen als bedoeld in de vorige volzin, worden verstaan scholen in de zin van deze wet, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 144. Besteding bekostiging voor personeel
De bekostiging, bedoeld in artikel 131, eerste lid onder a, wordt besteed aan de kosten van het personeel dat is aangesteld ten laste van het formatiebudget.
De bekostiging, bedoeld in artikel 131, eerste lid onder b, wordt besteed aan personele uitgaven.
Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid
Artikel 146. Inhouding bekostiging
Indien het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
Onze minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.
Artikel 146a. Maatregelen
Indien het bevoegd gezag tekortschiet in haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 19, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.
Afdeling 9. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
Afdeling 7. Wijze van bekostiging
Artikel 159. Gemeentelijke middelen
Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld op grond waarvan een gemeente voor telkens een periode van 4 jaar in aanmerking komt voor een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten voor onderwijs in allochtone levende talen, alsmede de criteria voor de hoogte daarvan. De uitkering wordt per jaar verstrekt.
De gemeenteraad kan, nadat de allochtone ouders op een door de gemeenteraad te bepalen wijze in staat zijn gesteld hun mening daarover kenbaar te maken, de middelen die de gemeente als specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, uit 's Rijks kas ontvangt voor onderwijs in allochtone levende talen geheel of gedeeltelijk overdragen aan een andere gemeente ten behoeve van onderwijs in een of meer allochtone levende talen in die gemeente.
De gemeente verstrekt de middelen, bedoeld in artikel 157, derde lid, aan de rechtspersonen die daarvoor in aanmerking komen.
Artikel 160. Rekening en verantwoording gemeente
Onze minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de rekening van de gemeente, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het gemeentelijk verslag omtrent het financieel beheer, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het verslag van de accountant, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet, dan wel uit een afzonderlijke verantwoording, voorzien van een verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet. Indien aan een andere gemeente middelen zijn overdragen is bij de documenten, bedoeld in de eerste volzin, een document gevoegd als bedoeld in die volzin van de gemeente die de middelen heeft ontvangen.
Artikel 162. Deugdelijkheidsaspecten van en toezicht op onderwijs in allochtone levende talen door rechtspersonen als bedoeld in artikel 157, vierde lid, onder c
Indien een rechtspersoon als bedoeld in artikel 157, vierde lid, onder c, op grond van artikel 157 door de gemeente wordt gesubsidieerd voor het geven van onderwijs in allochtone levende talen:
- a. is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 171 van overeenkomstige toepassing;
- b. voert die rechtspersoon met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs een beleid dat erop is gericht ten minste dezelfde kwaliteit te realiseren als redelijkerwijs kan worden verwacht van het onderwijs in allochtone levende talen, verzorgd door scholen.
Het toezicht op het door een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid verzorgde onderwijs in allochtone levende talen en de deugdelijkheid ervan is opgedragen aan Onze Minister. Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Grondslag bekostiging scholen
Afdeling 8. Aanwijzing en maatregelen
Artikel 163. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
Onze minister kan bepalen dat geen of slechts gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.
Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.
Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een door de gemeente bekostigde niet door de gemeente in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.
Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.
Artikel 164. Inlichtingenplicht bevoegd gezag en gemeente
Het bevoegd gezag en de gemeente zijn verplicht Onze minister en de door hem aangewezen ambtenaren desgevraagd alle inlichtingen te geven die deze in verband met de bekostiging verlangen. Het bevoegd gezag en de gemeente geven desgewenst aan de door Onze minister aangewezen ambtenaren de boeken en bescheiden ter inzage.
Artikel 165. Schoolbegeleiding
Het gemeentebestuur draagt al of niet in samenwerking met een of meer andere gemeentebesturen zorg voor de instandhouding van een schoolbegeleidingsdienst.
De schoolbegeleidingsdienst gaat uit van een gemeente of een andere rechtspersoon die krachtens de doelstelling en gezien de activiteiten niet het maken van winst beoogt.
De schoolbegeleidingsdienst heeft tot taak het ten behoeve van elke school en uitgaande van de in elk van de scholen aanwezige behoeften op verzoek van het bevoegd gezag van die scholen verrichten van begeleidingsactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten, advisering, informatieverstrekking en evaluatie, alsmede van activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen. Onder activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen wordt mede verstaan het ondersteunen bij het onderwijs aan leerlingen van scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a, b, c, f, h, j, k, m of n, instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid tweede volzin, basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs die zijn opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijven.
Het ondersteunen, bedoeld in het derde lid, kan in overeenstemming tussen de schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.
De schoolbegeleidingsdienst beschikt in ieder geval over deskundigen op de volgende terreinen: onderwijskunde, pedagogiek, orthopedagogiek, psychologie, organisatiekunde en informatie- en communicatietechnologie.
De gemeenteraad stelt jaarlijks vast:
- a. de omvang van de voor schoolbegeleiding bestemde middelen,
- b. welk deel van de voor schoolbegeleiding bestemde middelen wordt besteed aan door de schoolbegeleidingsdienst te verrichten activiteiten die aansluiten bij doelstellingen van lokaal onderwijsbeleid, en
- c. de criteria waaraan de scholen moeten voldoen om voor door de schoolbegeleidingsdienst te verrichten activiteiten als bedoeld in onderdeel b in aanmerking te komen,
met dien verstande dat de vaststelling van de onderdelen b en c niet geschiedt dan na op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen van alle scholen.
De gemeenteraad stelt voor het op overeenstemming gericht overleg bij verordening een procedure vast, met dien verstande dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald:
- a. vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad kan verzoeken een advies als bedoeld in het achtste lid, uit te brengen,
- b. dat de termijn voor het uitbrengen van het advies wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad het gemeentebestuur uitnodigt het verzoek voor het uitbrengen van het advies aan te vullen met de gegevens die de Onderwijsraad nodig heeft voor een goede vervulling van diens taak, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld, en
- c. dat het gemeentebestuur gedurende de termijn voor het uitbrengen van het advies geen besluit neemt.
Tijdens het in het zesde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het bepaalde in het zesde lid, onderdelen b en c, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het besluit, bedoeld in het zesde lid.
De rechtspersoon, bedoeld in het tweede lid, en het personeel van de schoolbegeleidingsdienst zijn gehouden aan de inspectie alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de verrichting van de in het derde, het vierde en het zesde lid, onder b, bedoelde activiteiten ten behoeve van de scholen.
Artikel 166. Subsidiëring landelijke diensten naar richting
Scholen kunnen schoolbegeleiding door een landelijke dienst naar richting ontvangen, indien zij op 31 december 1997 met een dergelijke dienst een schoolbegeleidingsovereenkomst hadden als bedoeld in de bij of krachtens hoofdstuk II, titel II, van de Wet op de onderwijsverzorging gegeven voorschriften zoals die op die datum van kracht waren.
Onder scholen als bedoeld in het eerste lid, worden mede verstaan scholen die voor het eerst na 31 december 1997 voor bekostiging in aanmerking komen en die in stand worden gehouden door:
- a. een bestuur dat een of meer andere scholen in stand houdt ten aanzien waarvan op die dag reeds een schoolbegeleidingsovereenkomst bestond met een landelijke dienst naar richting, of
- b. een in verband met die aan te vangen bekostiging nieuw in het leven geroepen bestuur, indien ten aanzien van die scholen het bestuur dat deze scholen in stand houdt, een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met het bevoegd gezag van een andere school die reeds schoolbegeleiding als bedoeld in het eerste lid, dit lid, onderdeel a, en artikel B3 van de Wet van 15 mei 1997 (Stb. 252) ontvangt en in de samenwerkingsovereenkomst in elk geval is opgenomen dat:
- 1°. de overeenkomst wordt aangegaan voor een termijn van tenminste 10 jaren, en
- 2°. voor elk bevoegd gezag de verplichting is opgenomen om geen personeel te benoemen met voorbijgaan van personeel van een der scholen waarvan het bevoegd gezag aan de overeenkomst deelneemt, en dat in het genot is van wachtgeld of een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag.
De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in onderdeel b, kan bepalen dat geen verplichting als bedoeld in dat onderdeel, onder 2°, bestaat in de gevallen, genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 132, zesde lid, alsmede in de gevallen waarvoor Onze Minister artikel 132, zevende lid, heeft toegepast.
Het gemeentebestuur verstrekt ten behoeve van de schoolbegeleiding door de landelijke diensten naar richting, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan deze diensten subsidie, met dien verstande dat deze wordt vastgesteld op ten minste een evenredig deel van de middelen, bedoeld in artikel 165, voor zover het betreft middelen, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, verminderd met de middelen, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, van dat artikel.
Artikel 167. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel een lagere bekostiging of met ingang van een latere datum een bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel een lagere bekostiging of met ingang van een latere datum een bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.
Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
Artikel 168. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften
Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.
Artikel 169. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten vervanging en onvrijwillige taakvermindering
Het bevoegd gezag van een school is aangesloten bij een door Onze minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor
- a. de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel, en
- b. de kosten voortvloeiend uit rechtspositionele verplichtingen ten aanzien van personeel dat gebruik maakt van de krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering.
Het bevoegd gezag van een school is voorts verplicht jaarlijks een door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon te bepalen bijdrage te voldoen aan die rechtspersoon in verband met de kosten voor vervanging.
Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij afwezigheid van personeel en de gevolgen die voortvloeien uit rechtspositionele verplichtingen ten aanzien van personeel dat gebruik maakt van de krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in de eerste volzin. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
De rechtspersoon kan regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.
Uit 's Rijks kas wordt jaarlijks een door Onze minister te bepalen bedrag betaald aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in verband met de kosten, bedoeld in dat lid onder b.
Artikel 170. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon in verband met kosten van uitkeringen aan gewezen personeel en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
Het bevoegd gezag van een school is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet ten behoeve van gewezen personeel.
Het bevoegd gezag voldoet aan de rechtspersoon jaarlijks een door die rechtspersoon vast te stellen bijdrage in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.
Van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
De rechtspersoon stelt regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 132, derde lid. Indien het bevoegd gezag zich beroept op overwegingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, betrekt de rechtspersoon die overwegingen bij de beoordeling van een in de eerste volzin bedoeld verzoek.
Indien de rechtspersoon het in het vierde lid bedoelde verzoek heeft ingewilligd, vergoedt hij aan de instantie die de werkloosheidsuitkeringen, de suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede de uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet verstrekt of heeft verstrekt, de kosten van die uitkeringen of suppleties.
Tegen een besluit van de rechtspersoon kan het bevoegd gezag beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 171. Bewijzen van bekwaamheid
De bewijzen van bekwaamheid tot het geven van speciaal onderwijs bedoeld in artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, zijn:
- a. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, met dien verstande dat dit getuigschrift voor wat betreft het onderwijs in zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening, bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a en b, en vijfde lid onder a en b, een bevoegdheid verleent voor het geven van speciaal onderwijs aan de groepen bestemd voor leerlingen tot zeven jaar;
- b. de akte van bekwaamheid als leidster of hoofdleidster bij het kleuteronderwijs;
- c. de getuigschriften die door Onze minister op grond van artikel 131, vierde lid, van de Kleuteronderwijswet, gelijk zijn gesteld met de akte van bekwaamheid als leidster, onderscheidenlijk als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs;
- d. de akte van bekwaamheid als onderwijzer of hoofdonderwijzer;
- e. de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer;
- f. de middelbare akte pedagogiek B, uitgereikt door de Vereniging tot bevordering van de Studie der Pedagogiek of de stichting Raad van Toezicht, Bijstand en Advies voor de Studie der Pedagogiek;
- g. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd examen in de ten minste tweejarige deeltijdse studierichting leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in pedagogiek.
Zij die op 31 juli 1985 op grond van artikel 131, vijfde lid, van de Kleuteronderwijswet bevoegd zijn om als leidster, onderscheidenlijk hoofdleidster bij het kleuteronderwijs werkzaam te zijn, zijn met ingang van 1 augustus 1985 bevoegd tot het geven van speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. Zij die voor 1 augustus 1985 belast zijn geweest met het onderwijs in het vak zingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid onder h, van de Lager-onderwijswet 1920 (Stb. 1974, 565), zijn bevoegd tot het geven van speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs in de expressie-activiteit, onderscheidenlijk het vak muziek. Zij die op 31 juli 1998 bevoegd waren tot het geven van het onderwijs in taal en cultuur van het land van oorsprong, zijn bevoegd tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 158, eerste lid. Voor zover aan deze bevoegdheid voorwaarden en beperkingen waren gesteld, blijven deze van kracht. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar in het bezit zijn van het bewijs van bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, blijven bevoegd tot het geven van onderwijs in zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening aan alle groepen leerlingen in het speciaal onderwijs. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar een studie volgen die leidt tot het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, waarvan het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000 deel uitmaakt, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid ten aanzien van het geven van onderwijs in zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening aan alle groepen leerlingen in het speciaal onderwijs indien zij bedoeld getuigschrift behalen voor een tijdstip dat bij hetzelfde koninklijk besluit wordt bepaald. Zij die tijdelijk zijn benoemd tot leraar op grond van artikel 2 van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs en die daarna het getuigschrift, bedoeld in artikel 6, derde lid, van die wetbehalen, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid tot het geven van onderwijs in zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening aan alle groepen leerlingen in het speciaal onderwijs indien noodzakelijk geachte scholing, bedoeld in artikel 5 van die wet, voor die vakken werd gevolgd volgens het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000.
De bewijzen van bekwaamheid tot het geven van voortgezet speciaal onderwijs bedoeld in artikel 14, eerste en vijfde lid, zijn:
- a. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, met dien verstande dat dit getuigschrift geen bevoegdheid geeft voor wat betreft het onderwijs in lichamelijke oefening, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder i;
- b. de akte van bekwaamheid als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs en een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen aanvullend bewijs;
- c. de akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer;
- d. de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer;
- e. de middelbare akte pedagogiek B, uitgereikt door de Vereniging tot bevordering van de Studie der Pedagogiek of de stichting Raad van Toezicht, Bijstand en Advies voor de Studie der Pedagogiek;
- f. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd examen in de ten minste tweejarige deeltijdse studierichting leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in pedagogiek;
- g. de akte van bekwaamheid, uitgereikt door de instituten voor de opleiding van leraren, die uit de openbare kas bekostigd zijn krachtens de Experimentenwet onderwijs;
- h. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd examen in de ten minste vierjarige studierichting opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad.
Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar in het bezit zijn van het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, bedoeld onder a, blijven bevoegd tot het geven van onderwijs in lichamelijke oefening aan alle groepen leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar een studie volgen die leidt tot het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, waarvan het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000 deel uitmaakt, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid ten aanzien van het geven van lichamelijke oefening aan alle groepen leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs indien zij bedoeld getuigschrift behalen voor een tijdstip dat bij hetzelfde koninklijk besluit wordt bepaald. Zij die tijdelijk zijn benoemd tot leraar op grond van artikel 2 van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs en die daarna het getuigschrift, bedoeld in artikel 6, derde lid, van die wet behalen, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid tot het geven van onderwijs in lichamelijke oefening aan alle groepen in het voortgezet speciaal onderwijs indien noodzakelijk geachte scholing, bedoeld in artikel 5 van die wet, voor dat vak werd gevolgd volgens het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000.
Naast de in het eerste lid genoemde bewijzen van bekwaamheid tot het geven van speciaal onderwijs verlenen de bewijzen van bekwaamheid die zijn opgenomen in de krachtens artikel 186, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs vastgestelde voorschriften, bevoegdheid tot het geven van speciaal onderwijs in de in die voorschriften genoemde onderwijsactiviteiten, met dien verstande dat de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in de onderwijsactiviteit zintuiglijke en lichamelijke oefening bevoegdheid verlenen voor het geven van speciaal onderwijs in de onderwijsactiviteiten zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening. De in de krachtens de artikelen 108 tot en met 114 van de Overgangswet WVO vastgestelde voorschriften opgenomen bewijzen van bekwaamheid voor het vak huishoudkunde verlenen bevoegdheid tot het geven van onderwijs in huishoudelijke activiteiten, als bedoeld in artikel 13, tweede lid.
De akten genoemd in het eerste lid onder a, b, d en e, en in het derde lid onder c en d, moeten zijn verkregen aan een van rijkswege bekostigd of aangewezen opleidingsinstituut, dan wel na het afleggen van een staatsexamen.
De bewijzen van bekwaamheid die zijn opgenomen in de krachtens de artikelen 108 tot en met 114 van de Overgangswet WVO en de artikelen 34, tweede en derde lid, en 35, derde en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften, verlenen bevoegdheid tot het geven van voortgezet speciaal onderwijs in de in die voorschriften genoemde vakken, met dien verstande dat
- a. de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in het vak Nederlands bevoegdheid verlenen voor het geven van voortgezet speciaal onderwijs in het vak Nederlandse taal,
- b. de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in het vak wiskunde bevoegdheid verlenen voor het geven van voortgezet speciaal onderwijs in het vak wiskunde en rekenen,
- c. de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in de met de verschillende onderdelen van het vak kennisgebieden overeenkomende vakken bevoegdheid verlenen voor het geven van voortgezet speciaal onderwijs in de desbetreffende onderdelen en
- d. de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in het vak wiskunde bevoegdheid verlenen voor het geven van voortgezet speciaal onderwijs in het vak rekenen en wiskunde.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bewijzen van bekwaamheid bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs bedoeld in artikel 158, eerste lid.
Voor elk van de bewijzen van bekwaamheid bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald in hoeverre een aanvullend bewijs van bekwaamheid gericht op het geven van speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, is vereist.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bewijzen van bekwaamheid dan wel welke studies voor een bewijs van bekwaamheid in combinatie met een bepaald bewijs van bekwaamheid, bedoeld in dit artikel, een bevoegdheid verlenen onderscheidenlijk een tijdelijke bevoegdheid verlenen voor het geven van de bij of krachtens de artikelen 13 en 14 vastgestelde onderdelen van het speciaal onderwijs onderscheidenlijk het voortgezet speciaal onderwijs.
Titel VI. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169
Titel VII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 159a. Inzet van de gemeentelijke middelen voor taalondersteuning in het speciaal onderwijs
Vervallen
Artikel 160. Rekening en verantwoording gemeente
Onze minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de rekening van de gemeente, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het gemeentelijk verslag omtrent het financieel beheer, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het verslag van de accountant, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet, dan wel uit een afzonderlijke verantwoording, voorzien van een verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet. Indien aan een andere gemeente middelen zijn overdragen is bij de documenten, bedoeld in de eerste volzin, een document gevoegd als bedoeld in die volzin van de gemeente die de middelen heeft ontvangen.
Artikel 162. Deugdelijkheidsaspecten van en toezicht op onderwijs in allochtone levende talen door rechtspersonen als bedoeld in artikel 157, vierde lid, onder c
Indien een rechtspersoon als bedoeld in artikel 157, vierde lid, onder c, op grond van artikel 157 door de gemeente wordt gesubsidieerd voor het geven van onderwijs in allochtone levende talen:
- a. is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 171 van overeenkomstige toepassing;
- b. voert die rechtspersoon met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs een beleid dat erop is gericht ten minste dezelfde kwaliteit te realiseren als redelijkerwijs kan worden verwacht van het onderwijs in allochtone levende talen, verzorgd door scholen.
Het toezicht op het door een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid verzorgde onderwijs in allochtone levende talen is opgedragen aan de inspectie. De artikelen 3 en 9 van de Wet op het onderwijstoezicht zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 9. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
Afdeling 11. Overige bepalingen
Artikel 163. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
Onze minister kan bepalen dat geen of slechts gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.
Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.
Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een door de gemeente bekostigde niet door de gemeente in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.
Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.
Artikel 164. Inlichtingenplicht bevoegd gezag en gemeente
Het bevoegd gezag en de gemeente zijn verplicht Onze minister en de door hem aangewezen ambtenaren desgevraagd alle inlichtingen te geven die deze in verband met de bekostiging verlangen. Het bevoegd gezag en de gemeente geven desgewenst aan de door Onze minister aangewezen ambtenaren de boeken en bescheiden ter inzage.
Artikel 165. Schoolbegeleiding
Het gemeentebestuur draagt al of niet in samenwerking met een of meer andere gemeentebesturen zorg voor de instandhouding van een schoolbegeleidingsdienst.
De schoolbegeleidingsdienst gaat uit van een gemeente of een andere rechtspersoon die krachtens de doelstelling en gezien de activiteiten niet het maken van winst beoogt.
De schoolbegeleidingsdienst heeft tot taak het ten behoeve van elke school en uitgaande van de in elk van de scholen aanwezige behoeften op verzoek van het bevoegd gezag van die scholen verrichten van begeleidingsactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten, advisering, informatieverstrekking en evaluatie, alsmede van activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen. Onder activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen wordt mede verstaan het ondersteunen bij het onderwijs aan leerlingen van scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a, b, c, f, h, j, k, m of n, instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid tweede volzin, basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs die zijn opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijven.
Het ondersteunen, bedoeld in het derde lid, kan in overeenstemming tussen de schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.
De schoolbegeleidingsdienst beschikt in ieder geval over deskundigen op de volgende terreinen: onderwijskunde, pedagogiek, orthopedagogiek, psychologie, organisatiekunde en informatie- en communicatietechnologie.
De gemeenteraad stelt jaarlijks vast:
- a. de omvang van de voor schoolbegeleiding bestemde middelen,
- b. welk deel van de voor schoolbegeleiding bestemde middelen wordt besteed aan door de schoolbegeleidingsdienst te verrichten activiteiten die aansluiten bij doelstellingen van lokaal onderwijsbeleid, en
- c. de criteria waaraan de scholen moeten voldoen om voor door de schoolbegeleidingsdienst te verrichten activiteiten als bedoeld in onderdeel b in aanmerking te komen,
met dien verstande dat de vaststelling van de onderdelen b en c niet geschiedt dan na op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen van alle scholen.
De gemeenteraad stelt voor het op overeenstemming gericht overleg bij verordening een procedure vast, met dien verstande dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald:
- a. vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad kan verzoeken een advies als bedoeld in het achtste lid, uit te brengen,
- b. dat de termijn voor het uitbrengen van het advies wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad het gemeentebestuur uitnodigt het verzoek voor het uitbrengen van het advies aan te vullen met de gegevens die de Onderwijsraad nodig heeft voor een goede vervulling van diens taak, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld, en
- c. dat het gemeentebestuur gedurende de termijn voor het uitbrengen van het advies geen besluit neemt.
Tijdens het in het zesde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het bepaalde in het zesde lid, onderdelen b en c, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het besluit, bedoeld in het zesde lid.
De rechtspersoon, bedoeld in het tweede lid, en het personeel van de schoolbegeleidingsdienst zijn gehouden aan de inspectie alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de verrichting van de in het derde, het vierde en het zesde lid, onder b, bedoelde activiteiten ten behoeve van de scholen.
Artikel 166. Subsidiëring landelijke diensten naar richting
Scholen kunnen schoolbegeleiding door een landelijke dienst naar richting ontvangen, indien zij op 31 december 1997 met een dergelijke dienst een schoolbegeleidingsovereenkomst hadden als bedoeld in de bij of krachtens hoofdstuk II, titel II, van de Wet op de onderwijsverzorging gegeven voorschriften zoals die op die datum van kracht waren.
Onder scholen als bedoeld in het eerste lid, worden mede verstaan scholen die voor het eerst na 31 december 1997 voor bekostiging in aanmerking komen en die in stand worden gehouden door:
- a. een bestuur dat een of meer andere scholen in stand houdt ten aanzien waarvan op die dag reeds een schoolbegeleidingsovereenkomst bestond met een landelijke dienst naar richting, of
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)