Wet van 15 december 1982, houdende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 1029
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door het percentage, bedoeld in artikel 127, tiende lid, te vermenigvuldigen met het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens de artikelen 113 en 114, dan wel indien het een instelling betreft, krachtens de artikelen 113, 114 en 119 voor het desbetreffende tijdvak zijn vastgesteld.

3.

Bij het vaststellen van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het tweede lid, blijven buiten beschouwing de uitgaven en ontvangsten voor:

  • b. de exploitatie van ruimten voor onderwijs in lichamelijke oefening en van watergewenning en bewegingstherapie en
4.

Indien aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school een deel van de bekostiging is overgedragen door een ander bevoegd gezag, wordt bij het vaststellen van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het tweede lid, dat deel aangemerkt als ontvangsten.

5.

Indien de gemeente voor een niet door de gemeente in stand gehouden school het deel van de kosten bedoeld in artikel 113, derde lid, onderdelen e, f en k, dan wel, indien het een instelling betreft, de bedragen, voor de in artikel 121, derde lid, onderdeel a, bedoelde voorzieningen betrekking hebben, geheel of gedeeltelijk verzorgt, wordt een overeenkomstig deel van de ontvangsten in mindering gebracht op het totaal van de ontvangsten voor de betrokken school waarover ingevolge het eerste lid het overschrijdingsbedrag wordt vastgesteld.

6.

Voor de vaststelling bedoeld in het eerste lid en artikel 127, eerste en tiende lid, worden voor een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs de bedragen die voor een zodanige school zijn uitgegeven dan wel ontvangen, toegerekend aan het speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het voortgezet speciaal onderwijs, naar rato van het aantal leerlingen dat in het desbetreffende kalenderjaar in aanmerking kwam voor het volgen van speciaal onderwijs, onderscheidenlijk voortgezet speciaal onderwijs.

7.

Voor de vaststelling bedoeld in eerste lid en artikel 127, eerste en tiende lid, worden voor een school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, de bedragen die voor een zodanige school, de afdeling of afdelingen daaronder begrepen, zijn uitgegeven dan wel ontvangen, toegerekend aan de school, onderscheidenlijk de afdeling of afdelingen, naar rato van het aantal leerlingen dat in het desbetreffende kalenderjaar in aanmerking kwam voor het volgen van onderwijs aan de school, onderscheidenlijk de desbetreffende afdeling.

8.

Indien een gemeente gedurende een gedeelte van het desbetreffende tijdvak een of meer scholen in stand houdt, wordt voor het vaststellen van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school over een overeenkomstig gedeelte van het desbetreffende tijdvak.

9.

Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in het zesde en zevende lid, is het aantal leerlingen op 1 oktober voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar. Voor het kalenderjaar waarin een nieuw opgerichte school wordt geopend, wordt als grondslag genomen het aantal leerlingen op 1 oktober van dat jaar.

Artikel 129. Mededeling en beroep
1.

Aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen wordt een afschrift gezonden van de besluiten van het college van burgemeester en wethouders tot vaststelling van de mate waarin meer dan wel minder uitgaven zullen worden gedaan, bedoeld in artikel 126, eerste lid, tot verlening van het voorschot, bedoeld in artikel 126, tweede of derde lid, en tot voorlopige en definitieve vaststelling van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 127, negende en tiende lid. Daarbij is een staat van voorzieningen als bedoeld in artikel 127, eerste lid onderdeel e, opgenomen waarin per kalenderjaar wordt aangegeven het verloop van de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen.

2.

De toezending, bedoeld in het eerste lid, geschiedt binnen twee weken na de dag waarop het college van burgemeester en wethouders een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen.

3.

Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school kan tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid administratief beroep instellen bij gedeputeerde staten.

Artikel 130. Verlening en verrekening voorschotten op de bekostiging

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven voor de verlening van voorschotten op de bekostiging en voor de verrekening van de betaalde voorschotten met het bedrag van de vastgestelde bekostiging of onderdelen daarvan.

§ 3. Personeel

Artikel 131. Verrekening van vorderingen

Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een school met vorderingen van of op Onze Minister krachtens een andere wet.

Artikel 132. Aanwijzing
1.

Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.

2.

Onder wanbeheer wordt verstaan:

  • a. financieel wanbeleid;
  • b. het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met artikel 19, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;
  • c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
  • d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
  • e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of toezichthouder;
  • f. het handelen in strijd met de zorgplicht voor de veiligheid, bedoeld in artikel 5a, dat leidt of dreigt te leiden tot het toebrengen van ernstige sociale, psychische of fysieke schade aan een of meer leerlingen;
  • g. het structureel of flagrant handelen in strijd met de burgerschapsopdracht, bedoeld in artikel 11, vierde lid en lid 4a, dat leidt of dreigt te leiden tot ernstige aantasting van een of meer basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
3.

Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

4.

De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

5.

Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.

6.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven aanwijzing aan een samenwerkingsverband.

Artikel 133. Inhouding bekostiging
1.

Indien het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, waaronder mede wordt verstaan het niet opvolgen van een aanwijzing als bedoeld in artikel 132 of een spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 132a, kan Onze Minister de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk inhouden dan wel opschorten.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

3.

Onze Minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.

§ 4. Gemeentelijk beleid met betrekking tot personele en materiële voorzieningen

Artikel 134. Maatregelen
1.

Indien het bevoegd gezag tekortschiet in haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 19, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.

2.

Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.

3.

Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

Artikel 135. Einde bekostiging bijzondere school
1.

De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd, indien het aantal leerlingen vastgesteld volgens artikel 140, gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren in elk van die jaren minder heeft bedragen dan het volgende aantal leerlingen:

  • a. de school voor speciaal onderwijs: 25 leerlingen;
  • b. de school voor voortgezet speciaal onderwijs: 29 leerlingen;
  • c. de school of de instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: 33 leerlingen;
  • d. de afdeling: 8 leerlingen.

De bekostiging van het voortgezet speciaal onderwijs van een bijzondere school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs wordt beëindigd, indien het aantal leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs van de school vastgesteld volgens artikel 140, gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren in elk van die jaren minder heeft bedragen dan 8.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de eerste 5 volledige schooljaren van de bekostiging van de school.

3.

Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente gehoord, besluiten dat, in afwijking van het eerste lid, de bekostiging wordt voortgezet indien aan de school behoefte bestaat. Tevens hoort Onze Minister gedeputeerde staten van de betrokken provincie voor zover het scholen betreft bedoeld in artikel 78, eerste lid. De aanvraag wordt ingediend voor 16 oktober van het schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid.

4.

Het besluit van Onze Minister op de aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt genomen voor 16 februari volgend op de datum 16 oktober genoemd in het derde lid. Indien Onze Minister niet voor 16 februari heeft besloten, wordt de aanvraag geacht te zijn ingewilligd. Een besluit van Onze Minister dat de bekostiging wordt voortgezet, geldt telkens voor ten hoogste 3 schooljaren.

5.

De beëindiging van de bekostiging geschiedt met ingang van 1 augustus van het tweede schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, tenzij door Onze Minister bij zijn afwijzing van de aanvraag, bedoeld in het derde lid, of bij een in beroep gegeven uitspraak anders is bepaald.

6.

Van zijn besluit en van de uitspraak in beroep wordt door Onze Minister mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan gedeputeerde staten en aan het college van burgemeester en wethouders.

7.

Indien het aantal leerlingen van de betrokken school vastgesteld volgens artikel 140 in het schooljaar volgend op de twee achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, gelijk is aan of meer bedraagt dan het op grond van het eerste lid voor die school geldende aantal, wordt de bekostiging niet beëindigd op grond van dit artikel. De procedures die in werking zijn gesteld op grond van het derde tot en met het zesde lid, eindigen van rechtswege en besluiten, genomen op grond van het derde tot en met het zesde lid, vervallen.

§ 5. Overschrijdingsregeling

Artikel 136. Opheffing openbare school
1.

De gemeenteraad besluit, behoudens het bepaalde in het derde lid, tot opheffing van een openbare school indien het aantal leerlingen vastgesteld volgens artikel 140, gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren in elk van die jaren minder heeft bedragen dan het volgende aantal leerlingen:

  • a. de school voor speciaal onderwijs: 25 leerlingen;
  • b. de school voor voortgezet speciaal onderwijs: 29 leerlingen;
  • c. de school of de instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: 33 leerlingen;
  • d. de afdeling: 8 leerlingen.

De gemeenteraad besluit, behoudens het bepaalde in het derde lid, tot beëindiging van het voortgezet speciaal onderwijs van een openbare school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, indien het aantal leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs van de school vastgesteld volgens artikel 140, gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren in elk van die jaren minder heeft bedragen dan 8. Dit besluit wordt genomen voor 16 oktober van het schooljaar, volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van dit lid.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de eerste 5 volledige schooljaren van de bekostiging van de school.

3.

In de gevallen, genoemd in het eerste lid, besluit de gemeenteraad tot instandhouding van de school indien deze noodzakelijk is om voldoende te voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs. Dit besluit wordt genomen voor 16 oktober van het schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid.

4.

De besluiten van de gemeenteraad, bedoeld in het eerste en derde lid, worden onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten voor zover het scholen betreft als bedoeld in artikel 78, eerste lid, en aan de goedkeuring van Onze Minister voor zover het scholen betreft als bedoeld in artikel 86, eerste lid. Gedeputeerde staten en Onze Minister onthouden hun goedkeuring ten aanzien van besluiten op grond van het eerste lid, indien ten gevolge van de opheffing van de school, afhankelijk van de schoolsoort, regionaal, provinciaal dan wel landelijk niet meer voldoende zou zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs. Gedeputeerde staten en Onze Minister onthouden hun goedkeuring ten aanzien van besluiten op grond van het derde lid, indien instandhouding van de school, afhankelijk van de schoolsoort, regionaal, provinciaal dan wel landelijk niet noodzakelijk is om voldoende te voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs.

5.

Gedeputeerde staten en Onze Minister besluiten voor 16 februari volgend op de datum 16 oktober, genoemd in het eerste lid, laatste volzin, en derde lid, laatste volzin. Indien gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister niet voor 16 februari hebben besloten, wordt het desbetreffende besluit van de gemeenteraad geacht te zijn goedgekeurd. Het onthouden van de goedkeuring van gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister ten aanzien van het besluit van de gemeenteraad, bedoeld in het eerste lid, dan wel de goedkeuring van gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister ten aanzien van het besluit van de gemeenteraad, bedoeld in het derde lid, geldt telkens voor ten hoogste 3 schooljaren.

6.

De besluiten van de gemeenteraad, van gedeputeerde staten en van Onze Minister, bedoeld in het eerste en het derde tot en met vijfde lid, worden bekendgemaakt door een openbare kennisgeving binnen 2 weken na de datum waarop het besluit is genomen.

7.

De opheffing geschiedt met ingang van 1 augustus van het tweede schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, tenzij door gedeputeerde staten of Onze Minister bij hun, onderscheidenlijk zijn besluit, of bij een in beroep gegeven uitspraak anders is bepaald.

8.

Indien het aantal leerlingen van de betrokken school vastgesteld volgens artikel 140 in het schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, gelijk is aan of meer bedraagt dan het op grond van het eerste lid voor die school geldende aantal, wordt de school niet opgeheven op grond van dit artikel. De procedures die in werking zijn gesteld op grond van het vierde tot en met het zevende lid, eindigen van rechtswege en beslissingen, genomen op grond van het vierde tot en met het zevende lid, vervallen.

Artikel 137. Vrijwillige opheffing openbare school
1.

De gemeenteraad kan besluiten tot vermindering van het aantal door de gemeente in stand gehouden openbare scholen in de gemeente. Het besluit wijst tevens de op te heffen scholen aan en het tijdstip met ingang waarvan de opheffing geschiedt. Opheffing van een school vindt niet plaats indien instandhouding van die school noodzakelijk is om voldoende te voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs.

2.

De openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 50, en de stichting, bedoeld in artikel 28 of 51, kunnen besluiten tot opheffing van een door die openbare rechtspersoon of stichting in stand gehouden openbare school.

3.

Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt genomen voor 16 oktober voorafgaand aan het schooljaar waarin de opheffing geschiedt, dan wel, indien het besluit meer dan een school betreft, voorafgaand aan het schooljaar waarin de eerste van deze scholen wordt opgeheven. Het besluit wordt onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten, voor zover het scholen betreft als bedoeld in artikel 78, eerste lid, en aan de goedkeuring van Onze Minister, voor zover het scholen betreft als bedoeld in artikel 86, eerste lid. Gedeputeerde staten en Onze Minister onthouden hun goedkeuring ten aanzien van het besluit voor zover ten gevolge van de opheffing van een school, afhankelijk van de schoolsoort, regionaal, provinciaal dan wel landelijk niet meer voldoende zou zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs.

4.

Gedeputeerde staten en Onze Minister beslissen voor 16 februari volgend op de in het derde lid genoemde datum. Indien gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister, niet voor 16 februari hebben beslist, wordt het desbetreffende besluit geacht te zijn goedgekeurd.

5.

De besluiten van de gemeenteraad, van het bevoegd gezag, van gedeputeerde staten en van Onze Minister, genomen op grond van dit artikel, worden bekendgemaakt door een openbare kennisgeving binnen 2 weken na de datum waarop het besluit is genomen.

Artikel 138. Overdracht gebouwen, terreinen en roerende zaken
1.

Indien de bekostiging van een bijzondere school ingevolge artikel 135 wordt beëindigd of het bevoegd gezag beslist tot opheffing van de school, eindigt het recht op het gebouw en terrein en worden alle roerende zaken, behalve die welke het bevoegd gezag uit eigen middelen heeft aangeschaft, aan de gemeente overgedragen.

2.

Artikel 108, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in de verklaring ingevolge het eerste lid en het besluit ingevolge het tweede lid als datum waarop het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein voor de school te gebruiken, zal worden genoemd de datum waarop de bekostiging is geëindigd dan wel zal eindigen.

Artikel 139. Terugstorting
1.

Indien de bekostiging van de laatste bijzondere school van een bevoegd gezag wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de laatste school beslist, dan wel de laatste openbare school wordt opgeheven, stort het bevoegd gezag de niet bestede bekostigingsbedragen terug in de desbetreffende overheidskas.

2.

Het exploitatietekort blijft in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, voor rekening van het bevoegd gezag.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop het exploitatieoverschot, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend.

Artikel 140. Uitkering overschrijdingsbedrag aan een niet door de gemeente in stand gehouden school

Vervallen

Artikel 141. Mededeling en beroep

Aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen wordt een afschrift gezonden van de besluiten van de gemeenteraad tot vaststelling van de mate waarin meer dan wel minder uitgaven zullen worden gedaan, bedoeld in artikel 137, eerste lid, tot verlening van het voorschot, bedoeld in artikel 137, tweede of derde lid, en tot voorlopige en definitieve vaststelling van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 138, zesde en zevende lid. Daarbij is opgenomen een staat van voorzieningen als bedoeld in artikel 138, eerste lid onder j, waarin per kalenderjaar wordt aangegeven het verloop van de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen. De toezending geschiedt binnen 2 weken na de dag waarop de gemeenteraad een besluit als bedoeld in de eerste volzin heeft genomen. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school kan tegen een besluit als bedoeld in de eerste volzin administratief beroep instellen bij gedeputeerde staten.

Artikel 142. Berekening aantal leerlingen

Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 139, vierde en vijfde lid, is het aantal leerlingen op 1 oktober voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar. Voor het kalenderjaar waarin een nieuw opgerichte school wordt geopend, wordt als grondslag genomen het aantal leerlingen op de laatste dag van de tweede maand volgende op die der opening.

§ 2. Materiële instandhouding

Artikel 143. Besteding bekostiging
1.

Het bevoegd gezag van een school besteedt de door het Rijk verstrekte bekostiging, voor zover het niet betreft de bekostiging bedoeld in het tweede lid, ten behoeve van die school met inachtneming van het bepaalde in artikel 144.

2.

Het bevoegd gezag van een school besteedt de door het Rijk verstrekte bekostiging, bedoeld in artikel 128, ten behoeve van de scholen van dat bevoegd gezag. Onder scholen als bedoeld in de vorige volzin, worden verstaan scholen in de zin van deze wet, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 144. Besteding bekostiging voor personeel
1.

De bekostiging, bedoeld in artikel 131, eerste lid onder a, wordt besteed aan de kosten van het personeel dat is aangesteld ten laste van het formatiebudget.

2.

De bekostiging, bedoeld in artikel 131, eerste lid onder b, wordt besteed aan personele uitgaven.

Artikel 145. Onderzoek vanwege de minister en correctie bekostiging
1.

Onverminderd de bevoegdheid van de inspectie op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

2.

Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze minister correcties aanbrengen op de bekostiging.

3.

Onze minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

4.

Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 141, eerste lid, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 141, vierde lid, of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of evident ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging als bedoeld in het vierde lid.

6.

De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

7.

Een in het tweede lid bedoelde correctie wordt indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in het derde lid, door Onze minister betaald.

Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

Artikel 146. Inhouding bekostiging
1.

Indien het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.

2.

Onze minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.

3.

Afschrift van zijn besluit zendt Onze minister aan gedeputeerde staten en, indien het een bijzondere school betreft, aan burgemeester en wethouders.

Artikel 147. Inlichtingen aan het college van burgemeester en wethouders

Het bevoegd gezag geeft aan het college van burgemeester en wethouders uiterlijk binnen vier weken alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt alle inlichtingen die het college van burgemeester en wethouders voor de uitvoering van artikel 146 in verbinding met hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1, van de Wet educatie en beroepsonderwijs redelijkerwijs nodig heeft.

Artikel 148. Informatie over voortijdig schoolverlaten

Vervallen

Artikel 149. Regionaal programma, regionaal bestuurlijk overleg en regionale maatregelen

Vervallen

Artikel 150. Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. instelling voor hoger onderwijs: een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
  • b. instellingsbestuur: het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met dien verstande dat voor zover het openbare instellingen betreft, de artikelen 9.2, tweede lid, 10.9, tweede lid, en 11.1, tweede lid, van die wet van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 151. Geschiktheidsverklaring
1.

Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 152 voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar en in staat moet worden geacht binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming tot leraar met goed gevolg deel te nemen aan het in artikel 155 bedoelde bekwaamheidsonderzoek, wordt een geschiktheidsverklaring afgegeven door het instellingsbestuur onder verantwoordelijkheid waarvan het geschiktheidsonderzoek wordt uitgevoerd of door het bestuur van een op grond van artikel 154, eerste lid, erkende instelling.

2.

Bij ministeriële regeling wordt een model voor de geschiktheidsverklaring vastgesteld.

3.

Op 31 juli 2006 nog geldige geschiktheidsverklaringen, afgegeven op grond van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs, gelden vanaf 1 augustus 2006 als te zijn afgegeven op grond van het eerste lid, indien deze verklaringen vanaf dat tijdstip geldig zouden zijn geweest.

Afdeling 9. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

Artikel 152. Geschiktheidsonderzoek
1.

Het geschiktheidsonderzoek wordt op aanvraag van het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of op aanvraag van betrokkene zelf, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur van een instelling die op grond van artikel 154 is erkend. Dat instellingsbestuur betrekt bij het geschiktheidsonderzoek het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of indien betrokkene de aanvraag zelf indient, een bevoegd gezag dat daartoe in overeenstemming met betrokkene is uitgenodigd.

2.

Het geschiktheidsonderzoek omvat:

  • a. de beoordeling of de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring van betrokkene, in onderlinge samenhang bezien, van voldoende belang zijn in verhouding tot de door deze beoogde werkzaamheden aan een school, en indien dat het geval is
  • b. het onderzoek naar de geschiktheid van betrokkene voor die werkzaamheden, waartoe in ieder geval wordt gerekend de beoordeling of betrokkene in de feitelijke klassituatie tot verantwoord lesgeven in staat is, alsmede
  • c. de beoordeling, welke scholing en begeleiding voor betrokkene noodzakelijk moeten worden geacht om met goed gevolg deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek.
3.

Uit de aanvraag voor het geschiktheidsonderzoek blijkt dat betrokkene in het bezit is van:

  • c. een buitenlands getuigschrift dat naar het oordeel van het bestuur van de instelling die het geschiktheidsonderzoek uitvoert, gelijkwaardig is aan een getuigschrift of diploma als bedoeld onder a respectievelijk b.
4.

Het in het tweede lid, onder b, bedoelde onderzoek is erop gericht, vast te stellen of betrokkene in voldoende mate beschikt over kennis, inzicht en vaardigheden om te kunnen worden belast met het geven van onderwijs dat voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen, in aanmerking nemend dat betrokkene in de periode van benoeming of tewerkstelling zonder benoeming begeleid en verder geschoold zal worden om met goed gevolg deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek. De in de eerste volzin bedoelde kennis en vaardigheden en het in die volzin bedoelde inzicht zijn afgeleid van de in artikel 32a, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen en omvatten in het bijzonder beroepsmatige vaardigheden.

5.

Het geschiktheidsonderzoek is zodanig ingericht dat daarbij in gelijke mate zijn betrokken:

  • a. personen die zijn belast of belast zijn geweest met het geven van onderwijs aan een lerarenopleiding, alsmede
  • b. leraren in het desbetreffende vak of vakgebied, niet zijnde personeelsleden van het bevoegd gezag dat is betrokken bij het geschiktheidsonderzoek.
6.

Ten behoeve van het uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek is de aanvrager aan de instelling die het onderzoek zal verrichten, een bij ministeriële regeling vast te stellen bijdrage verschuldigd.

7.

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 153. Uitvoering scholing en begeleiding
1.

Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 156, eerste lid, onder a, is partij bij de in artikel 38a, eerste lid, bedoelde overeenkomst.

2.

Indien na het sluiten van die overeenkomst blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft dat instellingsbestuur tijdig een toereikende vervangende voorziening.

Artikel 154. Uitvoeren geschiktheidsonderzoek
1.

Onze Minister kan op aanvraag van het bestuur een instelling, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede en derde volzin, erkennen als bevoegd tot het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek. Erkenning vindt plaats indien het bestuur in zijn aanvraag ten genoegen van Onze Minister aantoont dat de instelling het geschiktheidsonderzoek onafhankelijk, deskundig en betrouwbaar zal uitvoeren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin, waaronder regels over de behandeling en beoordeling van de aanvraag. Een erkende instelling heeft tevens de bevoegdheid tot het verstrekken van geschiktheidsverklaringen op grond van het geschiktheidsonderzoek en tot het doen van voorstellen over de noodzakelijke scholing en begeleiding, met inachtneming van artikel 152, tweede lid, onder c.

2.

Ten behoeve van de behandeling van aanvragen om erkenning kan Onze Minister een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verlangen van het bestuur van de instelling.

3.

Onze Minister kan de erkenning intrekken indien de instelling, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van Onze Minister het geschiktheidsonderzoek niet langer onafhankelijk, deskundig of betrouwbaar uitvoert.

4.

Instellingen voor hoger onderwijs die op 31 juli 2006 op grond van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs bevoegd waren tot het verrichten van een geschiktheidsonderzoek worden aangemerkt als instellingen met een erkenning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 155. Bekwaamheidsonderzoek

Het bekwaamheidsonderzoek strekt ertoe, vast te stellen of de leraar voldoet aan de in artikel 32a, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor het onderwijs waarvoor die eisen zijn vastgesteld.

Artikel 156. Uitvoeren scholing, begeleiding en bekwaamheidsonderzoek
1.

Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die opleidt voor het voldoen aan bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 32a, eerste lid, en die zich daartoe bij Onze Minister heeft gemeld, is na die melding en onder overlegging van een plan van aanpak, bevoegd tot:

  • a. het verzorgen of doen verzorgen van de in artikel 152, tweede lid, onder c, bedoelde scholing en begeleiding, voor zover deze verband houden met opleidingen die de instelling verzorgt, of
  • b. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van bekwaamheidsonderzoek, voor zover de instelling opleidt voor het desbetreffende getuigschrift, dan wel
  • c. zowel de onder a als de onder b bedoelde activiteiten.
2.

Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die op grond van het eerste lid, onder b, bevoegd is tot het uitvoeren van het bekwaamheidsonderzoek, stelt de leraar die zich daartoe heeft gemeld en voor wie de scholing en begeleiding zijn afgerond overeenkomstig de in artikel 38a bedoelde overeenkomst, tijdig in de gelegenheid deel te nemen aan dat onderzoek.

3.

Het instellingsbestuur kan bepalen dat de aanvrager van het bekwaamheidsonderzoek aan dat bestuur een bijdrage is verschuldigd voor uitvoering van dat onderzoek. Bij ministeriële regeling kan voor deze bijdrage een maximum worden vastgesteld.

4.

Een melding, gedaan voor 1 augustus 2006 onder overlegging van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 juli 2006, geldt als te zijn gedaan op grond van het eerste lid.

Afdeling 10. Onderwijs in allochtone levende talen

Artikel 157. Kwaliteitsbewaking; sancties
1.

Het in artikel 154 en het in artikel 156 bedoelde bestuur dragen zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.

2.

Onze Minister kan een instelling een of meer van de in artikel 154 of artikel 156, bedoelde bevoegdheden ontnemen indien gebleken is dat de kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, dan wel indien niet of niet meer wordt voldaan aan het terzake bij en krachtens deze wet bepaalde. Artikel 6.10, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ontneming.

Artikel 158. Uitvoeringsvoorschriften zij-instroom
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van artikel 152, tweede lid, onder b, en vierde lid.

2.

Tevens kunnen bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur voorschriften worden vastgesteld voor de uitvoering van deze afdeling, waaronder in elk geval voorschriften met betrekking tot:

  • a. waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek en van de instellingen die dat onderzoek uitvoeren,
  • b. de scholing en begeleiding, en het bekwaamheidsonderzoek, waaronder voorschriften ter waarborging van de kwaliteit, alsmede
  • c. de procedure voor het aanvragen van het geschiktheidsonderzoek en voor afgifte van de geschiktheidsverklaring.
3.

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 159. Gemeentelijke middelen
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld op grond waarvan een gemeente voor telkens een periode van 4 jaar in aanmerking komt voor een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten voor onderwijs in allochtone levende talen, alsmede de criteria voor de hoogte daarvan. De uitkering wordt per jaar verstrekt.

2.

De gemeenteraad kan nadat de allochtone ouders op een door de gemeenteraad te bepalen wijze in staat zijn gesteld hun mening daarover kenbaar te maken, de middelen die het als specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, uit 's Rijks kas ontvangt voor onderwijs in allochtone levende talen geheel of gedeeltelijk bestemmen voor taalondersteuning van allochtone leerlingen in de eerste vier schooljaren dan wel deze middelen geheel of gedeeltelijk overdragen aan een andere gemeente ten behoeve van onderwijs in een of meer allochtone levende talen in die gemeente. Indien de gemeenteraad besluit de uitkering, bedoeld in het eerste lid, geheel te bestemmen voor taalondersteuning van allochtone leerlingen in de eerste vier schooljaren, is artikel 157 niet van toepassing.

3.

De gemeente verstrekt de middelen, bedoeld in artikel 157, derde lid, aan de rechtspersonen die daarvoor in aanmerking komen.

Artikel 160. Rekening en verantwoording gemeente

Onze minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de rekening van de gemeente, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het gemeentelijk verslag omtrent het financieel beheer, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het verslag van de accountant, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet, dan wel uit een afzonderlijke verantwoording, voorzien van een verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet. Indien aan een andere gemeente middelen zijn overdragen is bij de documenten, bedoeld in de eerste volzin, een document gevoegd als bedoeld in die volzin van de gemeente die de middelen heeft ontvangen.

Artikel 161. Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag
1.

Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling gebruiken in het verkeer met de leerling op wie het nummer betrekking heeft, of, indien de leerling minderjarig of handelingsonbekwaam is, met de ouders van deze leerling.

2.

Vervallen.

2a. Vervallen.

2b. Vervallen.

3.

Vervallen.

4.

Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de school. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op het persoonsgebonden nummer van een leerling als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, die is ingeschreven bij een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet educatie en beroepsonderwijs.

5.

Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet 1969, gebruiken het persoonsgebonden nummer van een leerling in contacten met een gemeente in het kader van de Leerplichtwet 1969, tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door de gemeente.

6.

Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 42b, eerste lid, en artikel 47a, eerste lid, het persoonsgebonden nummer van de betrokkene.

7.

Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het contact met een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die leerling, bij het overleggen van het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 43 en ten behoeve van het onderwijs in een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l van die wet.

8.

Vervallen.

9.

Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.

10.

Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een leerling ter uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van artikel 1 van die wet.

11.

Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in contacten met een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet educatie en beroepsonderwijs in het kader van de ondersteuning van de school op grond van artikel 8a, eerste lid.

12.

Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze leerling met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van leerlingen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd.

13.

Het bevoegd gezag kan het pseudoniem, bedoeld in het twaalfde lid, gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een leerling in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van toetsen en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten.

14.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het dertiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het twaalfde lid, een ander pseudoniem kan genereren.

Daarbij worden in ieder geval de categorieën van ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen.

15.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het twaalfde tot en met het veertiende lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen.

Artikel 162. Deugdelijkheidsaspecten van en toezicht op onderwijs in allochtone levende talen door rechtspersonen als bedoeld in artikel 157, vierde lid, onder c
1.

Indien een rechtspersoon als bedoeld in artikel 157, vierde lid, onder c, op grond van artikel 157 door de gemeente wordt gesubsidieerd voor het geven van onderwijs in allochtone levende talen:

  • a. is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 171 van overeenkomstige toepassing;
  • b. voert die rechtspersoon met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs een beleid dat erop is gericht ten minste dezelfde kwaliteit te realiseren als redelijkerwijs kan worden verwacht van het onderwijs in allochtone levende talen, verzorgd door scholen.
2.

Het toezicht op het door een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid verzorgde onderwijs in allochtone levende talen en de deugdelijkheid ervan is opgedragen aan Onze Minister. Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 4. Materiële instandhouding

Artikel 162a. Voortijdige schoolverlater
1.

Onder een voortijdige schoolverlater in de zin van deze afdeling wordt verstaan degene op wie artikel 47a, eerste lid onder a en b, van toepassing is en

  • a. die het onderwijs aan de school waaraan hij is ingeschreven gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden, waaronder in ieder geval de redenen, bedoeld in artikel 47b, tweede lid, worden verstaan, niet meer volgt, of
2.

Voor zover nodig in afwijking van het eerste lid wordt onder een voortijdig schoolverlater niet verstaan degene die in het bezit is van een schooldiploma vso als bedoeld in artikel 14d of 14g, een schooldiploma praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 29a van de Wet op voortgezet onderwijs of een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en werkzaam is op grond van een arbeidsovereenkomst.

Artikel 162b. Bestrijden voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie door gemeente
1.

Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor registratie van de gegevens die het bevoegd gezag ingevolge artikel 47a heeft gemeld of waarover het op grond van artikel 47b of op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers beschikt. Het college van burgemeester en wethouders draagt bovendien zorg voor een systeem van doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt van de in artikel 162a bedoelde voortijdige schoolverlaters en voor het onderhoud van dit systeem. Het systeem heeft mede betrekking op de gegevens waarover de gemeente beschikt in het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet 1969. Het college van burgemeester en wethouders volgt de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt van de personen, bedoeld in artikel 162a, tweede lid, die de leeftijd van 23 jaren nog niet hebben bereikt. Voor de uitvoering van de eerste, tweede en vierde volzin kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden vastgesteld.

2.

Voor de vervulling van hun in het eerste lid bedoelde taken werken de colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regio's. Zij maken tevens afspraken met scholen, scholen en instellingen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, instellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en organisaties die zijn betrokken bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

3.

De colleges van burgemeester en wethouders in een regio wijzen uit hun midden een contactgemeente aan. Deze aanwijzing wordt onverwijld gemeld aan Onze Minister. Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente vervult coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In dat verband:

  • a. maakt het afspraken met de in het tweede lid bedoelde scholen, instellingen en organisaties over de inzet en verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten;
  • b. draagt het zorg voor de totstandkoming van een regionaal netwerk van die scholen, instellingen en organisaties;
  • c. organiseert en coördineert het de in het eerste lid bedoelde melding, registratie en doorverwijzing.
4.

Indien colleges van burgemeester en wethouders in een regio een andere contactgemeente aanwijzen, draagt het college van burgemeester en wethouders van de vorige contactgemeente alle bescheiden die betrekking hebben op de uitvoering van dit artikel over aan het college van burgemeester en wethouders van de opvolgende contactgemeente. De wijziging van de aanwijzing wordt onverwijld gemeld aan Onze Minister.

5.

Ter tegemoetkoming in de kosten van uitvoering van het eerste tot en met derde lid kent Onze Minister onverminderd artikel 162c1, vierde lid, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen jaarlijks uiterlijk in september ten behoeve van de activiteiten van de colleges van burgemeester en wethouders in de regio aan de contactgemeente een specifieke uitkering toe. Deze uitkering heeft betrekking op het daarop volgende kalenderjaar. De contactgemeente draagt er zorg voor dat de colleges van burgemeester en wethouders in de regio gebruik kunnen maken van de instrumenten die met behulp van deze uitkering zijn verwezenlijkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor de berekening en betaling van de uitkering. De berekening geschiedt in elk geval aan de hand van het aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, waarbij rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau en met de etnische achtergrond van die inwoners. Bij de berekening van een deel van de uitkering kunnen de volwassen inwoners van gemeenten die op grond van een andere regeling reeds een vergoeding voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten ontvangen, buiten beschouwing worden gelaten. Onze Minister hanteert het aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio dat blijkt uit de gegevens die het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze Minister daarover verstrekt.

6.

Het bevoegd gezag geeft aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt de gevraagde inlichtingen die van belang zijn voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

7.

De gemeenteraden in een regio stellen streefcijfers vast voor de in die regio te behalen resultaten. Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente stelt mede namens de andere gemeenten in de regio jaarlijks een effectrapportage vast waarin zowel de streefcijfers als de bereikte resultaten zijn aangegeven en waarin afwijkingen worden toegelicht.

8.

Indien het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met zevende lid niet nakomt, kan Onze Minister de uitkering geheel of gedeeltelijk inhouden of opschorten. Onze Minister gaat niet over tot gehele of gedeeltelijke inhouding dan na overleg met het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente. Onze Minister kan de uitkering wederom toekennen indien de reden voor inhouding of opschorting is vervallen.

9.

Onze Minister kan de in het vijfde lid bedoelde uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de informatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met dit artikel.

Artikel 162c. Informatie over voortijdig schoolverlaten
1.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente zendt de in artikel 162b, zevende lid, bedoelde effectrapportage aan Onze Minister.

2.

Het college van burgemeester en wethouders is gehouden aan de door Onze Minister aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage te geven en de gevraagde inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten door niet-leerplichtigen.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het tijdstip van indiening en de inrichting van de effectrapportage en inzake de wijze van beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid.

Afdeling 9. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

Artikel 163. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
1.

Onze minister kan bepalen dat geen of slechts gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.

2.

Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.

3.

Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een door de gemeente bekostigde niet door de gemeente in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.

4.

Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.

Artikel 164. Inlichtingenplicht bevoegd gezag en gemeente

Het bevoegd gezag en de gemeente zijn verplicht Onze minister en de door hem aangewezen ambtenaren desgevraagd alle inlichtingen te geven die deze in verband met de bekostiging verlangen. Het bevoegd gezag en de gemeente geven desgewenst aan de door Onze minister aangewezen ambtenaren de boeken en bescheiden ter inzage.

Artikel 165. Schoolbegeleiding
1.

Het gemeentebestuur draagt al of niet in samenwerking met een of meer andere gemeentebesturen zorg voor de instandhouding van een schoolbegeleidingsdienst.

2.

De schoolbegeleidingsdienst gaat uit van een gemeente of een andere rechtspersoon die krachtens de doelstelling en gezien de activiteiten niet het maken van winst beoogt.

3.

De schoolbegeleidingsdienst heeft tot taak het ten behoeve van elke school en uitgaande van de in elk van de scholen aanwezige behoeften op verzoek van het bevoegd gezag van die scholen verrichten van begeleidingsactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten, advisering, informatieverstrekking en evaluatie, alsmede van activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen. Onder activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen wordt mede verstaan het ondersteunen bij het onderwijs aan leerlingen van scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a, b, c, f, h, j, k, m of n, instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid tweede volzin, basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs die zijn opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijven.

4.

Het ondersteunen, bedoeld in het derde lid, kan in overeenstemming tussen de schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.

5.

De schoolbegeleidingsdienst beschikt in ieder geval over deskundigen op de volgende terreinen: onderwijskunde, pedagogiek, orthopedagogiek, psychologie, organisatiekunde en informatie- en communicatietechnologie.

6.

De gemeenteraad stelt jaarlijks vast:

  • a. de omvang van de voor schoolbegeleiding bestemde middelen,
  • b. welk deel van de voor schoolbegeleiding bestemde middelen wordt besteed aan door de schoolbegeleidingsdienst te verrichten activiteiten die aansluiten bij doelstellingen van lokaal onderwijsbeleid, en
  • c. de criteria waaraan de scholen moeten voldoen om voor door de schoolbegeleidingsdienst te verrichten activiteiten als bedoeld in onderdeel b in aanmerking te komen,

met dien verstande dat de vaststelling van de onderdelen b en c niet geschiedt dan na op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen van alle scholen.

7.

De gemeenteraad stelt voor het op overeenstemming gericht overleg bij verordening een procedure vast, met dien verstande dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald:

  • a. vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad kan verzoeken een advies als bedoeld in het achtste lid, uit te brengen,
  • b. dat de termijn voor het uitbrengen van het advies wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad het gemeentebestuur uitnodigt het verzoek voor het uitbrengen van het advies aan te vullen met de gegevens die de Onderwijsraad nodig heeft voor een goede vervulling van diens taak, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld, en
  • c. dat het gemeentebestuur gedurende de termijn voor het uitbrengen van het advies geen besluit neemt.
8.

Tijdens het in het zesde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het bepaalde in het zesde lid, onderdelen b en c, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het besluit, bedoeld in het zesde lid.

9.

De rechtspersoon, bedoeld in het tweede lid, en het personeel van de schoolbegeleidingsdienst zijn gehouden aan de inspectie alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de verrichting van de in het derde, het vierde en het zesde lid, onder b, bedoelde activiteiten ten behoeve van de scholen.

Artikel 166. Subsidiëring landelijke diensten naar richting
1.

Scholen kunnen schoolbegeleiding door een landelijke dienst naar richting ontvangen, indien zij op 31 december 1997 met een dergelijke dienst een schoolbegeleidingsovereenkomst hadden als bedoeld in de bij of krachtens hoofdstuk II, titel II, van de Wet op de onderwijsverzorging gegeven voorschriften zoals die op die datum van kracht waren.

2.

Onder scholen als bedoeld in het eerste lid, worden mede verstaan scholen die voor het eerst na 31 december 1997 voor bekostiging in aanmerking komen en die in stand worden gehouden door:

  • a. een bestuur dat een of meer andere scholen in stand houdt ten aanzien waarvan op die dag reeds een schoolbegeleidingsovereenkomst bestond met een landelijke dienst naar richting, of
  • b. een in verband met die aan te vangen bekostiging nieuw in het leven geroepen bestuur, indien ten aanzien van die scholen het bestuur dat deze scholen in stand houdt, een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met het bevoegd gezag van een andere school die reeds schoolbegeleiding als bedoeld in het eerste lid, dit lid, onderdeel a, en artikel B3 van de Wet van 15 mei 1997 (Stb. 252) ontvangt en in de samenwerkingsovereenkomst in elk geval is opgenomen dat:
  • 1°. de overeenkomst wordt aangegaan voor een termijn van tenminste 10 jaren, en
  • 2°. voor elk bevoegd gezag de verplichting is opgenomen om geen personeel te benoemen met voorbijgaan van personeel van een der scholen waarvan het bevoegd gezag aan de overeenkomst deelneemt, en dat in het genot is van wachtgeld of een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag.

De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in onderdeel b, kan bepalen dat geen verplichting als bedoeld in dat onderdeel, onder 2°, bestaat in de gevallen, genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 132, zesde lid, alsmede in de gevallen waarvoor Onze Minister artikel 132, zevende lid, heeft toegepast.

3.

Het gemeentebestuur verstrekt ten behoeve van de schoolbegeleiding door de landelijke diensten naar richting, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan deze diensten subsidie, met dien verstande dat deze wordt vastgesteld op ten minste een evenredig deel van de middelen, bedoeld in artikel 165, voor zover het betreft middelen, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, verminderd met de middelen, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, van dat artikel.

Artikel 167. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
1.

Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel een lagere bekostiging of met ingang van een latere datum een bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.

2.

Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel een lagere bekostiging of met ingang van een latere datum een bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.

3.

Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

Artikel 168. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften

Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)