Wet van 15 december 1982, houdende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
De artikelen 77 tot en met 88 zijn tot een bij de wet te bepalen datum niet van toepassing.
Tot een bij de wet te bepalen datum kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag, onder door hem te stellen voorwaarden, een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien:
- a. de school is gelegen in een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke bevolkingstoename,
- b. sprake is van een verandering van de plaats van vestiging van een reeds bekostigde school,
- c. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of omgekeerd,
- d. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting,
- e. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school met onderwijs van een of meer andere richtingen,
- f. sprake is van voor bekostiging in aanmerking brengen van een samenwerkingsschool met inachtneming van artikel 28j,
- g. sprake is van stichting van scholen die overeenkomen met de scholen waaruit een opgeheven samenwerkingsschool is ontstaan, of
- h. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school voor speciaal onderwijs met onderwijs voor voortgezet speciaal onderwijs.
De aanvraag, is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 81, tweede lid. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van uitbreiding als bedoeld in het tweede lid, onder h, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste lid dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder f, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen, met dien verstande dat daarbij de leerlingaantallen als bedoeld in artikel 137 en artikel 138 worden toegepast. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder g, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen.
Een school die is opgenomen in een door Onze Minister goedgekeurd of vastgesteld plan van nieuwe scholen voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994 komt voor bekostiging in aanmerking indien de school in dat plan is opgenomen met als jaar van aanvang van de bekostiging 1991 en het onderwijs voor 1 januari 1992 een aanvang heeft genomen.
Artikel 91. Vaststelling door het college van burgemeester en wethouders van bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hen te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor:
- a. scholen,
- b. basisscholen,
- c. speciale scholen voor basisonderwijs, en
- d. scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.
Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 119. Ondersteuningsbekostiging
In aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 114, ontvangt de school, niet zijnde een instelling, per leerling een bedrag dat afhankelijk is van de in de toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in artikel 40, tiende of twaalfde lid, opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling.
In aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 114, ontvangen de instellingen jaarlijks bekostiging voor de ondersteuning van de leerlingen van de instellingen, met een visuele handicap, bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede volzin, respectievelijk leerlingen met een auditieve en communicatieve handicap, bedoeld in artikel 8, eerste lid, derde volzin, en de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 9, onderdelen b en c.
Voor scholen, niet zijnde instellingen, waaraan onderwijs wordt gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen wordt bekostiging vastgesteld die is gebaseerd op het aantal leerlingen aan wie op de teldatum onderwijs wordt gegeven op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71a, tweede lid. Voor elke leerling, bedoeld in de eerste volzin, ontvangt de school het voor die onderwijssoort vastgestelde bedrag.
Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, vastgesteld.
Artikel 119a. Overdracht bekostiging doorlopende leerroute vmbo-mbo
In afwijking van artikel 113 kan het bevoegd gezag van de school met het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs waarmee het een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.107b, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 overeenkomen om vanwege een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a, tweede lid, van die wet of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l, tweede lid, van die wet een deel van de bekostiging over te dragen aan dat andere bevoegd gezag.
Artikel 120. Aanspraken op grond van artikel E 16, E 17 of E 18 Overgangswet ISOVSO
De Overgangswet ISOVSO zoals die luidde op 31 juli 1998 blijft van toepassing op aanspraken die op die datum op grond van artikel E 16, E 17 of E 18 van die wet bestaan, met dien verstande dat in artikel E 18 van die wet onder «een school voor speciaal onderwijs» tevens wordt begrepen: een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
§ 1. Lichamelijke oefening
Artikel 121. Grondslag bekostiging lichamelijke oefening
Het college van burgemeester en wethouders stelt na overleg met de bevoegde gezagen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het aantal uren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste
- a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of
- b. voor bekostiging voor de exploitatie van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.
Het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste twee uren voor basisscholen en ten minste twee uren voor speciale scholen voor basisonderwijs.
Het college van burgemeester en wethouders stelt de hoogte vast van
- a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
- b. de bekostiging voor de vaste kosten van de exploitatie van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school.
De hoogte van de bekostiging, bedoeld in het derde lid, kan verschillend worden vastgesteld, afhankelijk van de oppervlakte van de ruimte en of de ruime mede wordt bekostigd door het Rijk.
§ 2. Gemeentelijk beleid
§ 1. Lichamelijke oefening
Artikel 155. Bekwaamheidsonderzoek
Het bekwaamheidsonderzoek strekt ertoe, vast te stellen of de leraar voldoet aan de in artikel 32a, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor het onderwijs waarvoor die eisen zijn vastgesteld.
Artikel 156. Uitvoeren scholing, begeleiding en bekwaamheidsonderzoek
Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die opleidt voor het voldoen aan bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 32a, eerste lid, en die zich daartoe bij Onze Minister heeft gemeld, is na die melding en onder overlegging van een plan van aanpak, bevoegd tot:
- a. het verzorgen of doen verzorgen van de in artikel 152, tweede lid, onder c, bedoelde scholing en begeleiding, voor zover deze verband houden met opleidingen die de instelling verzorgt, of
- b. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van bekwaamheidsonderzoek, voor zover de instelling opleidt voor het desbetreffende getuigschrift, dan wel
- c. zowel de onder a als de onder b bedoelde activiteiten.
Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die op grond van het eerste lid, onder b, bevoegd is tot het uitvoeren van het bekwaamheidsonderzoek, stelt de leraar die zich daartoe heeft gemeld en voor wie de scholing en begeleiding zijn afgerond overeenkomstig de in artikel 38a bedoelde overeenkomst, tijdig in de gelegenheid deel te nemen aan dat onderzoek.
Het instellingsbestuur kan bepalen dat de aanvrager van het bekwaamheidsonderzoek aan dat bestuur een bijdrage is verschuldigd voor uitvoering van dat onderzoek. Bij ministeriële regeling kan voor deze bijdrage een maximum worden vastgesteld.
Een melding, gedaan voor 1 augustus 2006 onder overlegging van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 juli 2006, geldt als te zijn gedaan op grond van het eerste lid.
Artikel 157. Kwaliteitsbewaking; sancties
Het in artikel 154 en het in artikel 156 bedoelde bestuur dragen zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.
Onze Minister kan een instelling een of meer van de in artikel 154 of artikel 156, bedoelde bevoegdheden ontnemen indien gebleken is dat de kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, dan wel indien niet of niet meer wordt voldaan aan het terzake bij en krachtens deze wet bepaalde. Artikel 6.10, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ontneming.
Artikel 159. Inlichtingenplicht
Het in artikel 154 en artikel 156 bedoelde bestuur verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten behoeve van een goede naleving van deze afdeling. Op verzoek van de inspectie van het onderwijs zendt het bestuur een overzicht van afgegeven geschiktheidsverklaringen en bekwaamheidsonderzoeken waaraan met goed gevolg is deelgenomen.
Artikel 160. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
Onze Minister kan bepalen dat geen of slechts gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.
Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.
Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een door de gemeente bekostigde niet door de gemeente in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.
Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.
Titel VII. Overgangsbepalingen
Titel VIII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 188a. Overgangsrecht vervangingsfonds
Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdelen B en D van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) kan het bevoegd gezag van een school of het bestuur van een centrale dienst of een samenwerkingsverband bij het participatiefonds een aanvraag indienen tot het vergoeden van de kosten van vervangingen in de periode tot en met de dag voor genoemd tijdstip.
Op de afwikkeling van aanvragen, ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de wet, bedoeld in het eerste lid, alsmede op geschillen daarover in bezwaar, beroep of hoger beroep, zijn de regelingen van toepassing zoals die luidden op de dag voor het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van de regels, bedoeld in artikel 167, vierde lid, en artikel 168 zoals luidend op de dag voor genoemd tijdstip.
Het participatiefonds besluit op de aanvragen met inachtneming van de regelingen, bedoeld in het tweede lid van dit artikel. Het participatiefonds verantwoordt in zijn jaarrekening afzonderlijk de taken en werkzaamheden, bedoeld in dit artikel.
De rechtspersoon, bedoeld in artikel 167, eerste lid, van deze wet, zoals luidend op de dag voor het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, brengt overeenkomstig de artikelen 18, 34, 35 en 37 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen aan Onze Minister over het kalenderjaar dat direct vooraf gaat aan genoemd tijdstip verslag uit over zijn werkzaamheden.
Artikel 173, derde lid, onderdeel c, van deze wet, en de daarop berustende bepalingen, zoals luidend op de dag voor het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, zijn van toepassing op de bestemming van de resterende middelen die op grond van artikel 167, tweede lid, zoals luidend op de dag voor genoemd tijdstip, aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 167, eerste lid, zoals luidend op de dag voor genoemd tijdstip, zijn voldaan.
Artikel 188b. Overgangsrecht participatiefonds
Verzoeken tot vergoeding als bedoeld in de artikelen 132, tweede lid, en 170, vierde en vijfde lid, zoals deze artikelen luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel II, onderdelen C, E, F, G, I en J van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met de kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) kunnen tot zes maanden na inwerkingtreding van voornoemde wet worden ingediend bij het participatiefonds.
Op de afwikkeling van de aanvragen, alsmede op geschillen daarover in bezwaar en beroep of hoger beroep, zijn de artikelen 132, tweede lid, en 170, vierde en vijfde lid, en de daarop gebaseerde regelingen, zoals deze luidden op 31 maart 2022, van toepassing, met dien verstande dat vanaf de inwerkingtreding van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met de kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) (Stb. 2021, 538) de financiële afwikkeling bij het participatiefonds ligt.
Artikel 48b. Definitiebepaling
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. school: school voor speciaal onderwijs of school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;
- b. bevoegd gezag: bevoegd gezag van een school voor speciaal onderwijs of bevoegd gezag van een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.
Artikel 48c. Toetsen leerling- en onderwijsvolgsysteem en doorstroomtoets
Het bevoegd gezag gebruikt een leerling- en onderwijsvolgsysteem waaruit de vorderingen in de kennis en vaardigheden blijken op het niveau van de leerling, de groep en de school. Aan een leerling- en onderwijsvolgsysteem zijn, behoudens voor de eerste twee schooljaren, in elk geval door het College voor toetsen en examens erkende toetsen verbonden.
De toetsen, bedoeld in het eerste lid, meten kennis en vaardigheden van de leerling, in elk geval op het terrein van de Nederlandse taal en rekenen en wiskunde, met inachtneming van de referentieniveaus Nederlandse taal en de referentieniveaus rekenen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
Het bevoegd gezag neemt in de eerste of tweede volledige week van februari bij een leerling in het laatste leerjaar van het speciaal onderwijs een door het College voor toetsen en examens erkende doorstroomtoets af. De doorstroomtoets is een objectief, tweede gegeven voor het vaststellen van het niveau van de leerling voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs.
Een doorstroomtoets meet kennis en vaardigheden van een leerling op het terrein van Nederlandse taal en rekenen en wiskunde, met inachtneming van de referentieniveaus Nederlandse taal en de referentieniveaus rekenen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Het bevoegd gezag kan bij een leerling tevens een doorstroomtoets voor de kennisgebieden, genoemd in artikel 9, tweede lid, onderdelen a, b en c, afnemen.
Artikel 48d. Uitzondering deelname leerling aan doorstroomtoets
Het bevoegd gezag neemt, indien een leerling verhinderd is de doorstroomtoets als bedoeld in artikel 48c, derde lid, af te leggen, binnen drie weken na het reguliere moment van afname de doorstroomtoets alsnog af, tenzij dit voor de leerling om medische redenen onmogelijk is.
Het bevoegd gezag kan, mede op basis van de gegevens van de toetsen, bedoeld in artikel 48c, eerste lid, bepalen dat door een leerling geen doorstroomtoets wordt afgelegd, indien de leerling:
- a. zeer moeilijk lerend is;
- b. meervoudig gehandicapt is en voor wie het zeer moeilijk lerend zijn een van de handicaps is; of
- c. vier jaar of korter in Nederland is en om die reden de Nederlandse taal onvoldoende beheerst.
Indien het bevoegd gezag toepassing wil geven aan het tweede lid, overlegt het daarover met de ouders voor het reguliere moment van afname, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 48e. Schooladvies
Het bevoegd gezag stelt in de periode van 10 januari tot en met 31 januari, voorafgaand aan de afname van de doorstroomtoets, voor een leerling in het laatste leerjaar van het speciaal onderwijs een schooladvies op voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs. Het bevoegd gezag deelt het schooladvies mee aan de ouders.
Indien uit de uitslag van de door de leerling afgelegde doorstroomtoets, bedoeld in artikel 48c, derde lid, blijkt dat de leerling beschikt over meer kennis en vaardigheden dan waarop het schooladvies berust, stelt het bevoegd gezag het schooladvies overeenkomstig de uitslag van de doorstroomtoets bij. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd van de eerste volzin afwijken, wanneer dat in het belang van de leerling is.
Na de uitslag van de doorstroomtoets en, indien van toepassing, een bijstelling van het schooladvies, stelt het bevoegd gezag uiterlijk 24 maart het definitieve schooladvies vast. Indien de leerling, als gevolg van een omstandigheid als bedoeld in artikel 48d, geen doorstroomtoets heeft afgelegd, stelt het bevoegd gezag uiterlijk 24 maart het definitieve schooladvies vast conform het schooladvies. Het bevoegd gezag maakt het definitieve schooladvies bekend aan de ouders.
Het definitieve schooladvies maakt onderdeel uit van het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 43.
Artikel 48f. Delegatie en voorhang
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. de momenten van de uitslag van een doorstroomtoets als bedoeld in artikel 48c, derde lid; en
- b. de afnamevoorschriften, onregelmatigheden en onvoorziene omstandigheden bij de afname van een doorstroomtoets als bedoeld in artikel 48d, derde lid.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 48g. Calamiteitentoets
Onze Minister draagt zorg voor de beschikbaarheid van een doorstroomtoets als bedoeld in artikel 48c, derde lid, voor situaties waarin als gevolg van onvoorziene omstandigheden voor een school geen doorstroomtoets beschikbaar is.
Artikel 51. Instandhouding openbare school door een stichting
Een gemeenteraad kan besluiten dat een of meer openbare scholen in de gemeente in stand worden gehouden door een stichting die zich ten doel stelt het in stand houden van een of meer openbare scholen, al dan niet te zamen met openbare scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of openbare scholen als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.
De gemeenteraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend.
Een stichting die een openbare school in stand houdt, wordt opgericht door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
Onverminderd artikel 28j, eerste lid, is het statutaire doel van de stichting uitsluitend het geven van openbaar onderwijs overeenkomstig artikel 49.
De stichting oefent alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag uit.
Onverminderd het vierde lid voorzien de statuten in ieder geval in een regeling omtrent:
- a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de stichting,
- b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
- c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
- d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling van de jaarrekening na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden,
- e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het bestuur uitoefenen,
- f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden,
- g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
- h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden,
met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd. De goedkeuring bedoeld in onderdeel d kan worden onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.
De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.
Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.
De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.
Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen.
De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden.
Indien de school een raad van toezicht heeft, is het zesde lid niet van toepassing en voorzien de statuten, onverminderd artikel 28i, in ieder geval in een regeling omtrent:
- a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de stichting,
- b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
- c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
- d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
- e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,
- h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht is verzekerd. Het achtste, negende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs
Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs
Afdeling 2. Overige bepalingen
Titel IV. Bekostiging
Artikel 75. Tijdelijke afwijking
De artikelen 77 tot en met 88 zijn tot een bij de wet te bepalen datum niet van toepassing.
Tot een bij de wet te bepalen datum kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag, onder door hem te stellen voorwaarden, een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien:
- a. de school is gelegen in een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke bevolkingstoename,
- b. sprake is van een verandering van de plaats van vestiging van een reeds bekostigde school,
- c. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of omgekeerd,
- d. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting,
- e. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school met onderwijs van een of meer andere richtingen,
- f. sprake is van voor bekostiging in aanmerking brengen van een samenwerkingsschool met inachtneming van artikel 28j,
- g. sprake is van stichting van scholen die overeenkomen met de scholen waaruit een opgeheven samenwerkingsschool is ontstaan, of
- h. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school voor speciaal onderwijs met onderwijs voor voortgezet speciaal onderwijs.
De aanvraag, is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 81, tweede lid. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van uitbreiding als bedoeld in het tweede lid, onder h, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste lid dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder f, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen, met dien verstande dat daarbij de leerlingaantallen als bedoeld in artikel 137 en artikel 138 worden toegepast. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder g, willigt Onze Minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze Minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen.
Een school die is opgenomen in een door Onze Minister goedgekeurd of vastgesteld plan van nieuwe scholen voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994 komt voor bekostiging in aanmerking indien de school in dat plan is opgenomen met als jaar van aanvang van de bekostiging 1991 en het onderwijs voor 1 januari 1992 een aanvang heeft genomen.
Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting
Artikel 91. Vaststelling door het college van burgemeester en wethouders van bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hen te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor:
- a. scholen,
- b. basisscholen,
- c. speciale scholen voor basisonderwijs, en
- d. scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.
Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 108b
Vervallen
Artikel 120. Aanspraken op grond van artikel E 16, E 17 of E 18 Overgangswet ISOVSO
De Overgangswet ISOVSO zoals die luidde op 31 juli 1998 blijft van toepassing op aanspraken die op die datum op grond van artikel E 16, E 17 of E 18 van die wet bestaan, met dien verstande dat in artikel E 18 van die wet onder «een school voor speciaal onderwijs» tevens wordt begrepen: een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
Artikel 121. Grondslag bekostiging lichamelijke oefening
Het college van burgemeester en wethouders stelt na overleg met de bevoegde gezagen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het aantal uren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste
- a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of
- b. voor bekostiging voor de exploitatie van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.
Het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste twee uren voor basisscholen en ten minste twee uren voor speciale scholen voor basisonderwijs.
Het college van burgemeester en wethouders stelt de hoogte vast van
- a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
- b. de bekostiging voor de vaste kosten van de exploitatie van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school.
De hoogte van de bekostiging, bedoeld in het derde lid, kan verschillend worden vastgesteld, afhankelijk van de oppervlakte van de ruimte en of de ruime mede wordt bekostigd door het Rijk.
Afdeling 9. Begeleiding van jongeren zonder startkwalificatie
Artikel 161. Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling gebruiken in het verkeer met de leerling op wie het nummer betrekking heeft, of, indien de leerling minderjarig of handelingsonbekwaam is, met de ouders van deze leerling.
Vervallen.
2a. Vervallen.
2b. Vervallen.
Vervallen.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de school. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op het persoonsgebonden nummer van een leerling als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, die is ingeschreven bij een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet 1969, gebruiken het persoonsgebonden nummer van een leerling in contacten met een gemeente in het kader van de Leerplichtwet 1969, tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door de gemeente.
Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 42b, eerste lid, en artikel 47a, eerste lid, het persoonsgebonden nummer van de betrokkene.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het contact met een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die leerling, bij het overleggen van het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 43 en ten behoeve van het onderwijs in een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l van die wet.
Vervallen.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.
Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een leerling ter uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van artikel 1 van die wet.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in contacten met een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet educatie en beroepsonderwijs in het kader van de ondersteuning van de school op grond van artikel 8a, eerste lid.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze leerling met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van leerlingen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd.
Het bevoegd gezag kan het pseudoniem, bedoeld in het twaalfde lid, gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een leerling in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van toetsen en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het dertiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het twaalfde lid, een ander pseudoniem kan genereren.
Daarbij worden in ieder geval de categorieën van ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het twaalfde tot en met het veertiende lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen.
Artikel 162. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling of een voortijdige schoolverlater als bedoeld in artikel 146 uitsluitend ten behoeve van:
- a. een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969;
- b. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters, bedoeld in artikel 147, eerste lid, eerste volzin;
- c. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 147, eerste lid, tweede en derde volzin;
- d. verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers en in artikel 47b, vierde lid, bij de registraties, bedoeld in de onderdelen a en b, en het systeem van doorverwijzing, bedoeld in onderdeel c.
Artikel 163. Schoolbegeleiding
Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een school.
Artikel 165. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.
Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het college van burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.
Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
Artikel 166. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften
Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.
Titel VIII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Titel V. Experimenten
Titel V. Experimenten
Titel VIII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 5b. Verzending berichten aan bevoegd gezag
Artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing in het verkeer tussen ouders of leerlingen en het bevoegd gezag.
Titel II. Openbaar en uit de openbare kassen bekostigd bijzonder onderwijs
Afdeling 1. Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs
§ 1. Onderwijs
§ 2. Personeel
§ 3. Leerlingen
§ 4. Ouders
§ 4. Ouders
Artikel 52. Bestuursoverdracht openbare scholen
De rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, kan de instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding van een openbare school bevoegd is. De overdracht geschiedt bij notariële akte.
Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de arbeidsovereenkomst, benoemt met ingang van de datum van overdracht.
Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen die zijn rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van bevoegd gezag, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.
Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs
Afdeling 2. Overige bepalingen
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging
Artikel 76. Bekostiging na beslissing in beroep
Indien beroep is ingesteld in verband met de plannen van nieuwe scholen voor de jaren 1986 tot en met 1994 en op grond van de artikelen 79, derde lid, 80, derde lid, 83, vijfde lid, 84, achtste lid, en 86, vierde lid, de uitspraak zou hebben geleid tot opneming van een school in het eerstvolgende plan, brengt Onze Minister deze school voor bekostiging in aanmerking in het eerste jaar van de planperiode waarop dat plan betrekking zou hebben gehad. Zodra de bekostiging van een school een aanvang kan nemen, beslist Onze Minister bij beschikking met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden. De bekostiging kan na een beschikking van Onze Minister als bedoeld in de vorige volzin, slechts aanvangen per 1 augustus van een schooljaar.
Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting
Artikel 92. Indiening aanvraag
Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient een aanvraag voor opneming van die voorziening op het programma, bedoeld in artikel 93, in bij het college van burgemeester en wethouders.
Het college van burgemeester en wethouders kan ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 90 bekostiging verstrekken ter zake van de kosten van bouwvoorbereiding.
Het college van burgemeester en wethouders stelt vast, voor welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend en aan welke voorwaarden deze dient te voldoen.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de door de gemeente in stand gehouden scholen.
Artikel 110a
Vervallen
Artikel 120. Aanspraken op grond van artikel E 16, E 17 of E 18 Overgangswet ISOVSO
De Overgangswet ISOVSO zoals die luidde op 31 juli 1998 blijft van toepassing op aanspraken die op die datum op grond van artikel E 16, E 17 of E 18 van die wet bestaan, met dien verstande dat in artikel E 18 van die wet onder «een school voor speciaal onderwijs» tevens wordt begrepen: een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
Artikel 121. Grondslag bekostiging lichamelijke oefening
Het college van burgemeester en wethouders stelt na overleg met de bevoegde gezagen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het aantal uren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste
- a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of
- b. voor bekostiging voor de exploitatie van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.
Het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste 2,25 uur.
Het college van burgemeester en wethouders stelt de hoogte vast van
- a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
- b. de bekostiging voor de vaste kosten van de exploitatie van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school.
De hoogte van de bekostiging, bedoeld in het derde lid, kan verschillend worden vastgesteld, afhankelijk van de oppervlakte van de ruimte en of de ruime mede wordt bekostigd door het Rijk.
Artikel 122. Bekostiging door gemeente aan bevoegd gezag
De gemeente verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening op het grondgebied van de gemeente
- a. een bedrag dat wordt bepaald ingevolge het derde lid en artikel 121, en
- b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het tweede lid vastgesteld bedrag.
Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 121, eerste lid onder a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening een bedrag dat wordt bepaald ingevolge het derde lid en artikel 121, eerste lid onderdeel b, en derde lid, onderdeel a.
Het aantal groepen leerlingen voor basisscholen wordt berekend overeenkomstig artikel 100, eerste lid, onderdeel i.
Afdeling 10. Zij-instroom in het beroep
Artikel 162. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling of een voortijdige schoolverlater als bedoeld in artikel 146 uitsluitend ten behoeve van:
- a. een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969;
- b. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters, bedoeld in artikel 147, eerste lid, eerste volzin;
- c. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 147, eerste lid, tweede en derde volzin;
- d. verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers en in artikel 47b, vierde lid, bij de registraties, bedoeld in de onderdelen a en b, en het systeem van doorverwijzing, bedoeld in onderdeel c.
Artikel 163. Schoolbegeleiding
Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een school.
Artikel 164. Bekostiging van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in de vorige volzin.
Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het eerste lid, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen, zoals dat artikel luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen.
Artikel 166. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften
Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.
Artikel 167. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten vervanging
Het bevoegd gezag van een school is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel.
Het bevoegd gezag van een school is voorts verplicht jaarlijks een door het bestuur van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon te bepalen bijdrage te voldoen aan die rechtspersoon in verband met de kosten voor vervanging.
Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij afwezigheid van personeel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin.
Het bestuur van de rechtspersoon kan regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.
Uit 's Rijks kas wordt jaarlijks een door Onze Minister te bepalen bedrag betaald aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in verband met de kosten, bedoeld in dat lid onder b.
Op de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 132a. Spoedaanwijzing
Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:
- a. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
- b. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 132, tweede lid, volgt; en
- c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.
Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.
Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven spoedaanwijzing aan een samenwerkingsverband.
Afdeling 8. Verslaglegging en informatieverstrekking
Afdeling 10. Zij-instroom in het beroep
Artikel 162. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling of een voortijdige schoolverlater als bedoeld in artikel 146 uitsluitend ten behoeve van:
- a. een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969;
- b. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters, bedoeld in artikel 147, eerste lid, eerste volzin;
- c. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 147, eerste lid, tweede en derde volzin;
- d. verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers en in artikel 47b, vierde lid, bij de registraties, bedoeld in de onderdelen a en b, en het systeem van doorverwijzing, bedoeld in onderdeel c.
Artikel 163. Schoolbegeleiding
Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een school.
Artikel 164. Bekostiging van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in de vorige volzin.
Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het eerste lid, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen, zoals dat artikel luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen.
Artikel 166. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften
Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.
Artikel 167. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten vervanging
Het bevoegd gezag van een school is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel.
Het bevoegd gezag van een school is voorts verplicht jaarlijks een door het bestuur van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon te bepalen bijdrage te voldoen aan die rechtspersoon in verband met de kosten voor vervanging.
Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij afwezigheid van personeel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin.
Het bestuur van de rechtspersoon kan regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.
Uit 's Rijks kas wordt jaarlijks een door Onze Minister te bepalen bedrag betaald aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in verband met de kosten, bedoeld in dat lid onder b.
Op de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Titel VI. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 167
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 34b. Verklaring omtrent het gedrag in het aanvullend onderwijs
Het bevoegd gezag bewaart een afschrift van de verklaring omtrent het gedrag van een persoon die:
- a. werkzaam is als of voor een particuliere onderwijsaanbieder; en
- b. werkzaamheden verricht die een bijdrage leveren aan het onderwijsleerproces en die plaatsvinden:
- 1°. in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd; of
- 2°. onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag bewaart het afschrift, bedoeld in het eerste lid, gedurende het schooljaar waarin de werkzaamheden worden verricht.
Het bevoegd gezag controleert ieder schooljaar voorafgaand aan de eerste keer dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, werkzaamheden verricht of de verklaring omtrent het gedrag waarvan een afschrift wordt verstrekt niet ouder is dan zes maanden.
§ 3. Leerlingen
§ 4. Ouders
§ 5. Toetsing speciaal onderwijs en doorstroom voortgezet onderwijs
Artikel 52. Bestuursoverdracht openbare scholen
De rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, kan de instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding van een openbare school bevoegd is. De overdracht geschiedt bij notariële akte.
Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de arbeidsovereenkomst, benoemt met ingang van de datum van overdracht.
Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen die zijn rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van bevoegd gezag, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.
Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs
Afdeling 2. Overige bepalingen
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging
Artikel 76. Bekostiging na beslissing in beroep
Indien beroep is ingesteld in verband met de plannen van nieuwe scholen voor de jaren 1986 tot en met 1994 en op grond van de artikelen 79, derde lid, 80, derde lid, 83, vijfde lid, 84, achtste lid, en 86, vierde lid, de uitspraak zou hebben geleid tot opneming van een school in het eerstvolgende plan, brengt Onze Minister deze school voor bekostiging in aanmerking in het eerste jaar van de planperiode waarop dat plan betrekking zou hebben gehad. Zodra de bekostiging van een school een aanvang kan nemen, beslist Onze Minister bij beschikking met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden. De bekostiging kan na een beschikking van Onze Minister als bedoeld in de vorige volzin, slechts aanvangen per 1 augustus van een schooljaar.
Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting
Artikel 93. Programma huisvestingsvoorzieningen
Het college van burgemeester en wethouders stelt, na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip een programma als bedoeld in het tweede lid vast. Het programma heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onderdelen a tot en met d.
Het programma omvat de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 90, die in het jaar na de vaststelling van het programma voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen en voorzieningen die nodig zijn voor door de gemeente in stand gehouden scholen.
Het college van burgemeester en wethouders neemt uitsluitend voorzieningen in de huisvesting in het programma op, voor zover:
- a. met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan worden gemaakt dan wel de voorzieningen in het desbetreffende kalenderjaar kunnen worden gerealiseerd, en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)