Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels
Artikel 4.22. Monsterneming
Vervallen
Artikel 4.23. Te gebruiken materialen
Vervallen
Artikel 4.24. Vezeltelling
Vervallen
Artikel 4.25. Voorschriften bij telling
Vervallen
Artikel 4.26. Berekening
Vervallen
Paragraaf 4.2. Veilig werken met explosieven
Artikel 4.27. Eisen voor afgifte van certificaten in het werkveld asbest
Een certificaat kan worden afgegeven indien:
- a. in geval van het certificaat asbestinventarisatie, bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, geldend voor asbestinventarisatiebedrijven en vastgelegd in paragraaf 2 en 3 van het certificatieschema voor de procescertificaten;
- b. in geval van het certificaat asbestverwijdering, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, geldend voor asbestverwijderingsbedrijven en vastgelegd in paragraaf 2 en 4 van het certificatieschema voor de procescertificaten;
- c. in geval van het certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest, bedoeld in artikel 4.54d, vijfde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in paragraaf 6 van het certificatieschema voor de persoonscertificaten;
- d. in geval van het certificaat van vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, bedoeld in artikel 4.54d, zevende lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in paragraaf 4 en 5 van het certificatieschema voor de persoonscertificaten.
Artikel 4.28. Eisen voor aanwijzing en (blijven) functioneren als certificerende instelling in het werkveld asbest
Een aanwijzing als certificerende instelling kan geschieden indien:
- a. in geval van een certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, of artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, de instelling voldoet aan de toepasselijke criteria, vastgelegd in paragraaf 5 van het certificatieschema voor de procescertificaten;
- b. in geval van een certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.54d, vijfde of zevende lid, van het besluit de instelling voldoet aan de criteria, vastgelegd in paragraaf 2 van het certificatieschema voor de persoonscertificaten.
Paragraaf 4.2a. Veilig werken met professioneel vuurwerk
Artikel 4.29. Verstrekken van gegevens en inlichtingen
Het verstrekken van gegevens en inlichtingen tussen de minister, de toezichthouders, de certificerende instellingen en de Stichting Raad voor Accreditatie, als bedoeld in artikel 1.5eb, tweede lid, van het besluit, op het werkveld asbest geschiedt overeenkomstig het informatieprotocol zoals opgenomen in bijlage XIIIg bij de regeling.
Artikel 4.30. Uitzonderingen in geval van eindmeting
Onder kleine losliggende oppervlakken als bedoeld in artikel 4.53c, tweede lid, onderdeel a, van het besluit wordt verstaan: een losliggend oppervlak van maximaal 2,5 m2.
De concentratie van de amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid kunnen worden blootgesteld is beperkt in de zin van artikel 4.53c, tweede lid, onderdeel b, van het besluit indien de concentratie wordt veroorzaakt door:
- a. verwijdering van asbesthoudend materiaal dat maximaal 2 massaprocent amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet bevat; of
- b. verwijdering van leidingen, buizen en kanalen van asbestcement, die niet volledig in beton gestort zijn;
- c. een asbestverwijdering waarbij gedurende de duur van de asbestverwijderingswerkzaamheden tussen de asbesttoepassing en de werknemer die de verwijdering uitvoert een niet-betreedbare afscheiding aanwezig is, waarmee de asbesttoepassing in zijn geheel lekvrij omsloten wordt.
Paragraaf 4.2b. Opsporen van ontplofbare oorlogsresten
Artikel 4.31. Afgifte certificaat zandsteenbedrijf
Vervallen
Artikel 4.32. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat
Vervallen
Paragraaf 4.3. Beoordeling risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen in combinatie
Artikel 4.32a. Lijmen en verven in binnensituaties
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. producten: lijmen, verven, lakken, beitsen, vernissen, vulmiddelen, olie- of wasachtige producten, impregneermiddelen en vloercoatings die vluchtige organische stoffen als bedoeld in artikel 4.62a van het besluit bevatten;
- b. bestanddelen van woningen of andere gebouwen: alle objecten die in woningen of andere gebouwen aanwezig zijn en die door hun aard, vorm, gewicht of afmetingen daaruit redelijkerwijs niet kunnen worden verwijderd. Onder bestanddelen van woningen en andere gebouwen worden niet verstaan objecten die worden vervaardigd, hersteld of onderhouden in het kader van een productieproces, onderscheidenlijk reparatie of onderhoud, voor zover het vervaardigen, herstel of onderhoud wordt verricht op een daartoe adequaat ingerichte arbeidsplaats.
Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen handelingen in woningen of andere gebouwen, bestaande uit:
- a. het lijmen van bekleding op vloeren, trappen, wanden of plafonds van woningen of andere gebouwen, daaronder mede begrepen de voorbewerking;
- b. het aanbrengen van producten in woningen of andere gebouwen of op bestanddelen van woningen of andere gebouwen, daaronder mede begrepen de voorbewerking.
Het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op:
- a. metalen bestanddelen van gebouwen ten aanzien waarvan toepassing van producten op grond van de in bijlage XIV bij deze regeling beschreven omstandigheden is toegestaan;
- b. het voorbewerken van muren en plafonds van woningen of andere gebouwen op plaatsen waar deze muren en plafonds ernstig verontreinigd zijn door brand- of rookschade of aanslag als gevolg van het roken van tabakswaren;
- c. het voorbewerken in de zin van versterken van sterk poreuze of poederende bestanddelen van woningen of andere gebouwen;
- d. het repareren met behulp van verf of lak van beschadigingen aan stalen constructies bij nieuwbouw van woningen of andere gebouwen;
- e. het herstellen of onderhouden van historische afwerkings- of toplagen in een techniek die gelijk is aan of overeenkomt met die historische afwerking, waarbij de werkzaamheden gericht zijn op instandhouding van de monumentale waarden van een rijksmonument in de zin van de Erfgoedwet;
- f. het aanbrengen van traditioneel imitatieschilderwerk, zoals marmer- en houtnerfschilderwerk, alsmede het vergulden met behulp van goudverf. Onder aanbrengen wordt niet verstaan de voorbewerking;
- g. het aanbrengen van een product op beglazingskit in gebouwen voor zover deze opgeleverd zijn voor 1 januari 2001, teneinde deze kit geschikt te maken voor de toepassing van watergedragen verfproducten.
Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, bevatten ten hoogste 5 gram vluchtige organische stoffen per kilogram gebruiksklaar product.
Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het betreft het aanbrengen van muurverf, bevatten ten hoogste 60 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product.
Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het andere werkzaamheden betreft dan het aanbrengen van muurverf, bevatten ten hoogste 100 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product. Indien het bij de producten, bedoeld in de eerste zin, gaat om producten op epoxybasis, wordt benzylalcohol uitgezonderd bij het bepalen van het gewicht van de vluchtige organische stoffen.
Artikel 4.32b. Offsetdrukken
Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
- a. het drukken met behulp van een offsetpers;
- b. het dagelijks reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij offsetdruk;
- c. het niet-dagelijks reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij offsetdruk.
Het vochtwater dat wordt gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevat ten hoogste 8 volumeprocenten isopropylalcohol of andere mono-alcoholen bij automatische doseersystemen en ten hoogste 10 volumeprocenten bij handmatige doseersystemen en bij rotatie-offsetpersen die voor het eerst in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 1985.
Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 55 °C.
Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder c, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C.
Artikel 4.32c. Zeefdrukken
Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
- a. het reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij zeefdruk;
- b. het zeefdrukken van papier en karton dat is bestemd voor toepassingen in binnenruimten en dat zwaarder is dan 135 gram per vierkante meter.
Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 21 °C.
Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten ten hoogste 150 gram vluchtige organische stoffen per kilogram product.
Artikel 4.32d. Illustratiediepdrukken
Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen het reinigen van vloeren in illustratiediepdrukkerijen.
Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 55 °C.
Artikel 4.32e. Verpakkingsdiepdrukken en flexodrukken
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. lakkeren: het aanbrengen van een lak op een flexibel materiaal of van een kleefstof op een flexibel materiaal ten behoeve van de latere afsluiting van dat materiaal; b. lamineren of cacheren: het hechten van twee of meer flexibele materialen tot een laminaat.
Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
- a. het drukken, lakkeren, lamineren of cacheren met behulp van een verpakkingsdiepdrukpers, flexopers, lakkeer-, lamineer- of cacheermachine die niet is aangesloten op een afzuigsysteem;
- b. het reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder a, tenzij deze werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een afgesloten installatie of een installatie die wordt afgezogen;
- c. het lamineren of cacheren met behulp van een lamineer- of cacheermachine die niet is aangesloten op een installatie voor terugwinning of vernietiging van vluchtige organische stoffen;
- d. het drukken of lakkeren van papier en karton met behulp van een flexodrukpers of lakkeermachine die niet is aangesloten op een installatie voor terugwinning of vernietiging van vluchtige organische stoffen;
- e. het reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder c en d, tenzij deze werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een afgesloten installatie of een installatie die wordt afgezogen.
Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, bevatten ten hoogste 50 gram vluchtige organische stoffen per kilogram product.
Het derde lid is niet van toepassing op de producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, indien daarbij bijzondere eisen aan de kwaliteit of bestendigheid van het gefabriceerde product worden gesteld, mits op jaarbasis het gewicht van de vluchtige organische stoffen van de producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, ten hoogste 80% bedraagt van het gewicht van de opgebrachte vaste stof.
Artikel 4.32f. Herstellen autoschade
In dit artikel wordt verstaan onder motorrijtuig: een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel, een autobus of een kampeerauto als bedoeld in artikel 2, onder b, c, d, e onderscheidenlijk g, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 of een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet goederenvervoer over de weg.
Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
- a. het aanbrengen of toepassen van primer, surfacer, sealer of 1- en 2-laags aflaksystemen of van speciale dan wel overige producten als bedoeld in bijlage XV bij deze regeling, ten behoeve van het herstellen van lakschade of vernieuwing van laklagen op onderdelen van motorrijtuigen;
- b. het reinigen van gereedschappen die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder a, of oppervlakken van onderdelen van motorrijtuigen ten behoeve van de herstel- of vernieuwingswerkzaamheden, bedoeld onder a.
Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden ten behoeve van het herstellen van lakschade of het vernieuwen van laklagen op onderdelen van motorrijtuigen die zijn gebouwd vóór 1970;
Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, bevatten in gebruiks- of spuitklare vorm, ten hoogste het gehalte aan vluchtige organische stoffen dat met betrekking tot deze producten is vastgesteld bij bijlage XV bij deze regeling.
Artikel 4.32g. Coating van timmerwerk in binnensituaties
In dit artikel wordt verstaan onder coating: een product dat opgebracht wordt op een oppervlak om een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te verkrijgen.
Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen werkzaamheden in binnensituaties bestaande uit:
- a. het aanbrengen van een coating op delen van nieuw vervaardigde buitendeuren, kozijnen, ramen, binnenspouwbladen, gevelvullende elementen en overig geveltimmerwerk, voorzover zij zijn vervaardigd van hout of een daarmee gelijk te stellen of vergelijkbaar materiaal, als onderdeel van het productieproces;
- b. het aanbrengen van een coating op delen van nieuw vervaardigde binnentrappen, voorzover zij zijn vervaardigd van hout of een daarmee gelijk te stellen of vergelijkbaar materiaal, als onderdeel van het productieproces.
Coatings die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, bevatten ten hoogste 150 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product.
Paragraaf 4.4b. Kankerverwekkende processen
Artikel 4.33
Vervallen
Artikel 4.34
Vervallen
Artikel 4.35
Vervallen
Artikel 4.36
Vervallen
Artikel 4.37
Vervallen
Artikel 4.38
Vervallen
Artikel 4.39
Vervallen
Artikel 4.40
Vervallen
Artikel 4.41
Vervallen
Artikel 4.41a
Vervallen
Artikel 4.41b
Vervallen
Artikel 4.42
Vervallen
Artikel 4.43
Vervallen
Artikel 4.44
Vervallen
Artikel 4.45
Vervallen
Artikel 4.46
Vervallen
Artikel 4.47
Vervallen
Artikel 4.48
Vervallen
Artikel 4.49
Vervallen
Artikel 4.50
Vervallen
Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid
Artikel 5.1. Apparatuur en meubilair
Apparatuur en meubilair, in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk, voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:
- a. de tekens op het beeldscherm zijn voldoende scherp, duidelijk van vorm en voldoende groot, met voldoende afstand tussen de tekens en de regels;
- b. het beeld op het beeldscherm is stabiel;
- c. de luminantie van of het contrast tussen de tekens en de achtergrond is gemakkelijk door de gebruiker bij te stellen;
- d. het beeldscherm is vrij te plaatsen en gemakkelijk verstelbaar en kantelbaar;
- e. het beeldscherm is vrij van voor de gebruiker hinderlijke glans en spiegelingen;
- f. het toetsenbord kan hellend worden geplaatst en vormt geen geheel met het beeldscherm;
- g. er is voor het toetsenbord voldoende ruimte voor handen en armen van de gebruiker;
- h. het toetsenbord heeft een mat oppervlak;
- i. de indeling van het toetsenbord en de vorm van de toetsen zijn gericht op vergemakkelijking van het gebruik;
- j. de symbolen op de toetsen zijn voldoende contrastrijk en vanuit een normale werkhouding voldoende leesbaar;
- k. de werktafel of het werkvlak maakt een comfortabele houding van de gebruiker mogelijk en heeft een reflectiearm oppervlak, is voldoende groot en maakt een flexibele opstelling van beeldscherm, toetsenbord, documenten en accessoires mogelijk;
- l. een voor het werk noodzakelijke documenthouder is stabiel en regelbaar en zodanig geplaatst dat oncomfortabele hoofd- en oogbewegingen tot een minimum zijn beperkt;
- m. de werkstoel is stabiel, heeft een in hoogte verstelbare zitting en een rugleuning, waarvan de hoogte en hellingshoek verstelbaar zijn en geeft de gebruiker bewegingsvrijheid en een comfortabele werkhouding;
- n. indien de gebruiker dat wenst wordt een voetensteun aangebracht.
Artikel 5.2. Inrichting van de beeldschermwerkplek
De omgeving waarin het beeldschermwerk wordt verricht en de inrichting van de beeldschermwerkplek voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:
- a. de verlichting van de werkruimte of de beeldschermwerkplek zorgt voor voldoende licht en een passend contrast tussen beeldscherm en omgeving, rekening houdende met de aard van het werk en de visuele behoeften van de gebruiker;
- b. mogelijke verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm of op apparaten door kunstmatige lichtbronnen zijn vermeden;
- c. er treden door raam- en andere openingen, wanden en apparaten geen directe verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm op;
- d. de ramen zijn uitgerust met passende instelbare helderheidswering om de intensiteit van het licht dat op de beeldschermwerkplek valt te verminderen;
- e. het geluid dat de apparatuur voortbrengt veroorzaakt geen verstoring van de aandacht en het gesproken woord;
- f. de apparatuur brengt geen voor de werknemers hinderlijke warmte voort;
- g. de vochtigheidsgraad is steeds toereikend.
Artikel 5.3. Programmatuur
De programmatuur die wordt gebruikt bij het verrichten van beeldschermwerk voldoet in ieder geval aan de volgende voorschriften:
- a. de programmatuur is aangepast aan de te verrichten taak;
- b. de programmatuur is gemakkelijk te gebruiken en aan te passen aan het kennis- en ervaringsniveau van de gebruiker;
- c. er wordt zonder medeweten van de gebruiker geen gebruik gemaakt van een kwantitatief of kwalitatief controlemechanisme;
- d. de systemen verschaffen de gebruiker gegevens over de werking ervan;
- e. de systemen maken de informatie zichtbaar in een vorm en een tempo die zijn aangepast aan de gebruiker;
- f. bij de verwerking van informatie door de gebruiker worden de beginselen van de ergonomie toegepast.
Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid
Paragraaf 4.9. Vervallen
Artikel 6.1. Eisen voor registratie of herregistratie van duikers, duikploegleiders, duikmedisch begeleiders en duikerartsen
In dit artikel wordt verstaan onder:
- –. aangedreven gereedschappen: arbeidsmiddelen die pneumatisch, hydraulisch, mechanisch of elektrisch dan wel via munitie worden aangedreven en aanvullend bewustzijn vereisen voor de duikploeg en van de duiker ten aanzien van veiligheidsmaatregelen voor zichzelf dan wel voor zijn omgeving aan de oppervlakte, in het water en tijdens de duikarbeid;
- –. geconditioneerde omstandigheden: omgeving waar op voorhand met behulp van een risicoanalyse ingeschat kan worden dat er geen sprake zal zijn van een voorzienbare kans dat de duiker in moeilijkheden zal geraken tijdens de duikarbeid en waarbij ten minste wordt voldaan aan elk van de volgende criteria:
- a. de maximaal bereikbare diepte bedraagt 9 meter;
- b. het onderwaterzicht bedraagt ten minste 4 meter, indien de omvang van de betreffende faciliteit dit mogelijk maakt;
- c. de stroomsnelheid bedraagt maximaal 0,5 meter per seconde; en
- d. er is te allen tijde de mogelijkheid tot vrije opstijging;
- –. gesloten duikklok: een afzinkbare kamer, afsluitbaar door middel van één of twee deuren, bedoeld voor het transport van duikers tussen de onder water gelegen werkplek en de aan de oppervlakte gesitueerde compressiekamer;
- –. hogedrukluchtvoorziening vanaf de oppervlakte: luchtvoorziening vanaf de oppervlakte die gekoppeld wordt aan de meegedragen SCUBA ademgasvoorziening en waarbij de ademlucht pas bij de meegedragen ademgasvoorziening, niet zijnde een ademgasvoorziening als bedoeld bij SSE, wordt gereduceerd tot lage druk;
- –. lichte werkzaamheden: werkzaamheden uitgevoerd tijdens duikarbeid met niet aangedreven gereedschappen;
- –. niet aangedreven gereedschappen: arbeidsmiddelen die met de hand worden ingezet en enkel door middel van het inzetten van spierkracht het beoogde effect realiseren;
- –. no-deco duiktijd: tijdsduur waarbij op basis van duikdiepte en duiktijd geen decompressiestop is benodigd;
- –. open duikklok: open duikklok die is voorzien van een droge ruimte gevuld met ademlucht waar geademd kan worden;
- –. scopecategorie: een groepering van scopes op basis van gedeelde kenmerken, waarbij de volgende scopecategorieën worden onderscheiden:
- a. scopecategorie A, bestaande uit de scopes, genoemd in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, en het vierde lid, onderdelen a tot en met c, die zich kenmerken door lichte werkzaamheden zonder aangedreven gereedschappen waarbij voornamelijk mobiliteit van de duiker van belang is voor zijn werkzaamheden;
- b. scopecategorie B, bestaande uit de scopes, genoemd in het tweede lid, onderdelen e tot en met g, en het vierde lid, onderdelen d tot en met f, die zich kenmerken door zware werkzaamheden waarbij de duiker voornamelijk statisch zijn werkzaamheden uitvoert; en
- c. scopecategorie C, bestaande uit de scopes, genoemd in het tweede lid, onderdeel h, en het vierde lid, onderdeel g, die zich kenmerken door zware werkzaamheden waarbij de duiker vanuit een gesloten duikklok gebruik maakt van ademgassen die ten behoeve van het ademen op grotere dieptes samengesteld zijn;
- –. SCUBA: Self Contained Underwater Breathing Apparatus, zijnde een verzamelnaam voor duikmaterieel dat zich kenmerkt door ademgasvoorziening vanuit cilinders die door de duiker meegedragen worden;
- –. SSE: Surface Supplied Equipment, zijnde een verzamelnaam voor duiksystemen die standaard voorzien zijn van ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte, waarbij een of meer duikers aangesloten zijn op een duikpaneel, en die geschikt zijn voor de uitvoering van zware werkzaamheden in de scopecategorie B;
- –. zware werkzaamheden: werkzaamheden uitgevoerd tijdens duikarbeid waarbij de omstandigheden, de aard van de werkzaamheden of het gebruik van aangedreven gereedschappen leiden tot aanvullende risico's welke gemitigeerd worden door het gebruik van een SSE duikuitrusting.
Een duiker is in het bezit van een bewijs van registratie of herregistratie in het Register civiele duikarbeid of in het Register duikarbeid brandweer en politie, en is geregistreerd op basis van het Registratieschema duiker, zoals vastgesteld door het bestuur van de Stichting Werken Onder Overdruk op 1 oktober 2024 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december 2024 (Stcrt. 2024, 39678), voor de scope:
- a. A9, indien hij lichte werkzaamheden uitvoert met een SCUBA duikuitrusting tot een diepte van 9 meter, binnen de grenzen van no-deco duiktijden, onder geconditioneerde omstandigheden;
- b. A15, indien hij lichte werkzaamheden uitvoert met een SCUBA duikuitrusting, tot een diepte van 15 meter, binnen de grenzen van no-deco duiktijden;
- c. A15OLV, indien hij lichte werkzaamheden uitvoert met een SCUBA duikuitrusting met aansluiting op een hogedrukluchtvoorziening vanaf de oppervlakte, tot een diepte van 15 meter, binnen de grenzen van no-deco duiktijden;
- d. A30, indien hij lichte werkzaamheden uitvoert met een SCUBA duikuitrusting tot en met een diepte van 30 meter;
- e. B30, indien hij zware werkzaamheden uitvoert met een SSE duikuitrusting, tot en met een diepte van 30 meter;
- f. B50R, indien hij zware werkzaamheden uitvoert met een SSE duikuitrusting, tot en met een diepte van 50 meter;
- g. B50, indien hij zware werkzaamheden uitvoert met een SSE duikuitrusting, inclusief het duiken vanuit een open duikklok, tot en met een diepte van 50 meter; en
- h. C, indien hij zware werkzaamheden uitvoert met een SSE duikuitrusting, inclusief het duiken vanuit een gesloten duikklok.
Een duiker die is geregistreerd voor de scope A30, B50R of B50 kan, in afwijking van het tweede lid, bij het verrichten van werkzaamheden die vallen binnen de scope waarvoor hij is geregistreerd, in incidentele gevallen dieper duiken dan de maximale diepte die is gekoppeld aan de betreffende scope, mits wordt voldaan aan de voorwaarden in paragraaf 5.8 van het registratieschema, genoemd in het tweede lid.
Een duikploegleider is in het bezit van een bewijs van registratie of herregistratie in het Register civiele duikarbeid of in het Register duikarbeid brandweer en politie, en is geregistreerd op basis van het Registratieschema duikploegleider, zoals vastgesteld door het bestuur van de Stichting Werken Onder Overdruk op 1 oktober 2024 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december 2024 (Stcrt. 2024, 39683), voor de scope:
- a. A9, indien hij leiding geeft aan de uitvoering van lichte werkzaamheden met een SCUBA duikuitrusting tot een diepte van 9 meter, binnen de grenzen van no-deco duiktijden, onder geconditioneerde omstandigheden;
- b. A15, indien hij leiding geeft aan de uitvoering van lichte werkzaamheden met een SCUBA duikuitrusting tot een diepte van 15 meter, binnen de grenzen van no-deco duiktijden;
- c. A30, indien hij leiding geeft aan de uitvoering van lichte werkzaamheden met een SCUBA duikuitrusting tot en met een diepte van 30 meter;
- d. B30, indien hij leiding geeft aan de uitvoering van zware werkzaamheden met een SSE duikuitrusting, tot en met een diepte van 30 meter;
- e. B50R, indien hij leiding geeft aan de uitvoering van zware werkzaamheden met een SSE duikuitrusting, tot en met een diepte van 50 meter;
- f. B50, indien hij leiding geeft aan de uitvoering van zware werkzaamheden met een SSE duikuitrusting, inclusief het duiken vanuit een open duikklok, tot en met een diepte van 50 meter; en
- g. C, indien hij leiding geeft aan de uitvoering van zware werkzaamheden met een SSE duikuitrusting, inclusief het duiken vanuit een gesloten duikklok.
Een duikploegleider mag leiding geven aan werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, waarbij gebruik wordt gemaakt van een aansluiting op een hogedrukluchtvoorziening vanaf de oppervlakte, indien hij is geregistreerd voor een of meer van de scopes, genoemd in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, en bij deze registratie of herregistratie tevens de aantekening ‘A15OLV’ is geregistreerd.
De aantekening, bedoeld in het vijfde lid, wordt geregistreerd indien is voldaan aan de daarvoor geldende eisen in het registratieschema, genoemd in het vierde lid.
Een duiker die is geregistreerd voor een van de scopes, genoemd in het tweede lid, mag naast de duikarbeid die valt binnen de betreffende scope tevens duikarbeid verrichten die valt binnen de scopes, genoemd in de onderdelen van het tweede lid die voorafgaan aan het onderdeel dat betrekking heeft op de scope waarin de duiker is geregistreerd, met uitzondering van scope A15OLV. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op een duikploegleider die is geregistreerd voor een van de scopes, genoemd in het vierde lid.
Een duikmedisch begeleider is in het bezit van een bewijs van registratie of herregistratie in het Register civiele duikarbeid of in het Register duikarbeid brandweer en politie, en is geregistreerd op basis van het Registratieschema duikmedisch begeleider, zoals vastgesteld door het bestuur van de Stichting Werken Onder Overdruk op 1 oktober 2024 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december 2024 (Stcrt. 2024, 39685), voor de scope:
- a. B1, indien hij medische begeleiding uitvoert bij duikarbeid in de duikerscopes A9, A15 en A15OLV binnen de grenzen van no-deco duiktijden; en
- b. B2, indien hij medische begeleiding uitvoert bij duikarbeid in de duikerscopes A30 en de scopecategorieën B en C.
Een duikerarts is in het bezit van een bewijs van registratie of herregistratie in het Register civiele duikarbeid en is geregistreerd op basis van het Registratieschema duikerarts, zoals vastgesteld door het bestuur van de Stichting Werken Onder Overdruk op 1 oktober 2024en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december 2024 (Stcrt. 2024, 39687), voor de scope:
- a. duikerarts A, indien hij arbeidsgezondheidskundige onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, tweede lid, van het besluit uitvoert die niet voortkomen uit een wijziging in de lichamelijke of geestelijke toestand van de persoon die wordt onderzocht; en
- b. duikerarts B, indien hij arbeidsgezondheidskundige onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, eerste, tweede en zesde lid, van het besluit uitvoert.
Dit artikel is niet van toepassing op arbeid verricht door defensiepersoneel.
Artikel 6.2. Inhoud arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 6.14a, eerste en tweede lid, van het besluit vindt plaats met inachtneming van de op 10 september 2021 door het bestuur van de Stichting Werken onder Overdruk vastgestelde en op de website www.arbocataloguswoo.nl gepubliceerde:
- a. Keuringsrichtlijn Werken onder Overdruk – Duikarbeid, indien de persoon die het arbeidsgezondheidskundig onderzoek ondergaat duikarbeid, caissonarbeid of overige arbeid onder overdruk, niet zijnde arbeid als bedoeld in onderdeel b, verricht of zal verrichten;
- b. Keuringsrichtlijn Werken onder Overdruk – Hyperbare Geneeskunde, indien de persoon die het arbeidsgezondheidskundig onderzoek ondergaat arbeid onder overdruk verricht of zal verrichten, die bestaat uit werkzaamheden in een hyperbare behandelkamer.
In dit artikel wordt onder hyperbare behandelkamer verstaan: een in een ziekenhuis of medische instelling vast opgestelde compressiekamer, bedoeld voor behandeling van patiënten onder overdruk volgens een door een arts voorgeschreven behandelprotocol.
Artikel 6.3. Inhoud logboek
Het logboek, bedoeld in artikel 6.16, vijfde lid, van het besluit, bevat ten minste de voornaam, achternaam en geboortedatum van de houder van het logboek en daarnaast per duik:
- a. een handtekening van de houder van het logboek;
- b. de datum van de duik;
- c. het aanvangstijdstip en de eindtijd van de duik;
- d. de maximaal bereikte diepte;
- e. het gevolgde schema van de betreffende duik;
- f. het gevolgde decompressieverloop;
- g. de aard van de gebruikte duikuitrusting of het gebruikte duiksysteem;
- h. de aard van de duikarbeid; en
- i. bijzondere sessies, zoals alle gevallen waarin dieper wordt gedoken dan toegestaan binnen de scope, noodprocedures, veiligheidsmaatregelen en aanvullende competenties.
In aanvulling op het eerste lid, bevat het logboek van een duiker per duik een handtekening van de duikploegleider met vermelding van het duikploegleidersnummer en de totale tijd onder druk, en bevat het logboek van een duikploegleider per duik een aftekening namens de opdrachtgever of werkgever en het totaal aantal duikers.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, mag een duikploegleider de totaaltijd in plaats van het aanvangstijdstip en de eindtijd van een duik vastleggen in het door hem bij te houden logboek.
Artikel 6.3a. Afgifte certificaat duikerarts
Vervallen
Artikel 6.4. Aanwijzing sportduikbrevet
Als sportduikbrevet als bedoeld in artikel 6.31, tweede lid, van het besluit wordt aangewezen een geldig brevet NOB**, afgegeven door de Nederlandse onderwatersportbond, dan wel een naar het oordeel van de minister gelijkwaardig brevet.
Paragraaf 4.9. Vervallen
Artikel 6.5. Afgifte certificaat duikerarts, duiker, duikploegleider, niet zijnde brandweerduikploegleider, en duikmedisch begeleider
Een certificaat als bedoeld in artikel 6.14a, derde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager:
- a. is ingeschreven als bedrijfsarts als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef van de wet;
- b. met goed gevolg het examen, behorende bij de opleiding, bedoeld bij artikel 6.1, eerste lid, heeft afgelegd, en
- c. voldoet aan de criteria zoals neergelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat duikerarts, document: WSCS-WOD-A, zoals opgenomen in bijlage XVIa bij de regeling.
Een certificaat als bedoeld in artikel 6.16, derde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager, niet zijnde brandweerduikploegleider, voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat duikploegleider, document: WSCS-WOD-L, zoals opgenomen in bijlage XVIb bij de regeling.
Een certificaat als bedoeld in artikel 6.16, zesde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat duikarbeid, document: WSCS-WOD-D, zoals opgenomen in bijlage XVIc bij de regeling.
Een certificaat als bedoeld in artikel 6.16, zevende lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat duikmedisch begeleider, document: WSCS-WOD-B, zoals opgenomen in bijlage XVId bij de regeling.
Artikel 6.6. Afgifte certificaat brandweerduikploegleider
Een certificaat als bedoeld in artikel 6.16, derde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling, bedoeld in artikel 6.1, derde lid, afgegeven indien de aanvrager, zijnde brandweerduikploegleider, voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat duikploegleider bij de brandweer, document: WSCS-WOD-F, zoals opgenomen in bijlage XVIe bij de regeling.
Paragraaf 4.9. Vervallen
Artikel 6.7. Inhoud arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Vervallen
Paragraaf 6.1. Certificatie
Artikel 6.8. Vrijstelling certificaat duikarbeid leerlingen
Als sportduikbrevet als bedoeld in artikel 6.31, tweede lid, van het besluit wordt aangewezen een geldig brevet NOB**, afgegeven door de Nederlandse onderwatersportbond, dan wel een naar het oordeel van de minister gelijkwaardig brevet.
Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid
Paragraaf 6.2. Opleidingen
Artikel 7.1. Definities
Vervallen
Artikel 7.2. Onderzoeken en beproevingen categorieën hijskranen
Vervallen
Artikel 7.3. Afgifte certificaat van goedkeuring
Vervallen
Paragraaf 6.1. Certificatie
Artikel 7.4. Modellen certificaten beproevingen en onderzoekingen
Als modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 7.29, negende lid, van het besluit worden vastgesteld de modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).
Artikel 7.5. Model register
Als model van het register, bedoeld in artikel 7.29, tiende lid, van het besluit wordt vastgesteld het model, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).
Paragraaf 6.3. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek duikers
Artikel 7.6. Categorieën torenkranen, mobiele kranen en funderingsmachines
Een persoon is in het bezit van een bewijs van registratie of herregistratie in het Register kraanmachinist, bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, van het besluit indien hij een torenkraan, mobiele kraan of funderingsmachine als omschreven in de onderdelen a tot en met c, bedient:
- a. torenkraan: torenvormige hijskraan, al dan niet verrijdbaar, waarvan het maximumbedrijfslastmoment 10 tonmeter of meer bedraagt of de giek 20 meter of hoger boven het vlak van de ondersteuning van de kraan bevestigd is;
- b. mobiele kraan: verrijdbare, niet aan een vaste baan gebonden hijskraan die geen torenkraan is en waarvan het maximumbedrijfslastmoment 10 tonmeter of meer bedraagt, met uitzondering van:
- 1°. een op een voertuig bevestigde laadkraan die uitsluitend ingericht is of althans uitsluitend wordt gebruikt voor het laden en lossen van de laadbak van het voertuig of een samenstel van voertuigen;
- 2°. een grondverzetmachine die ontgravingen maakt en direct daarop aansluitend leidingwerk in die ontgravingen legt of ten behoeve van het uitvoeren van grondverzetwerkzaamheden ondersteuningsschotten plaatst;
- c. funderingsmachine: verrijdbare of verrolbare funderingsmachine die is ingericht om funderingselementen te verwerken of bestemd om palen of andere langwerpige voorwerpen in de grond te maken, te drijven of daaruit te verwijderen alsmede om met een en ander rechtstreeks verband houdende verrichtingen uit te voeren met inbegrip van het met een maximumbedrijfslastmoment van 10 tonmeter of meer verplaatsen van lasten.
Met betrekking tot de registratie of herregistratie, bedoeld in het eerste lid, worden onderscheiden:
- a. de registratie en herregistratie van vakbekwaamheid voor machinisten van vaste en mobiele torenkranen;
- b. de registratie of herregistratie van vakbekwaamheid voor machinisten van mobiele kranen, onderverdeeld in de categorieën:
- 1°. mobiele kraan op banden of rupsen;
- 2°. grondverzetmachine met hijsfunctie;
- 3°. autolaadkraan;
- 4°. verreiker met hijsfunctie;
- c. de registratie of herregistratie van vakbekwaamheid voor machinisten van funderingsmachines, onderverdeeld in de categorieën:
- 1°. kleine funderingsmachine: machine met een eigen massa inclusief uitrustingen en funderingselement die gelijk is aan of minder is dan 30 ton, een totale hoogte heeft van minder dan 10 meter en die funderingselementen korter dan 10 meter verwerkt;
- 2°. grote funderingsmachine: machine met een eigen massa inclusief uitrustingen en funderingselement van 30 ton of meer, een totale hoogte van 10 meter of meer heeft of die funderingselementen van 10 meter of langer verwerkt.
Artikel 7.7. Eisen voor registratie of herregistratie
Registratie of herregistratie in het Register kraanmachinisten, bedoeld in artikel 7.6, geschiedt indien de aanvrager voldoet aan de navolgende eisen:
- a. indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een torenkraan als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel a, het schema voor de machinist torenkraan ‘Schema voor registratie van de Machinist Torenkraan in het Register Kraanmachinisten, W4-06’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Register Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 6;
- b. indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een mobiele kraan op banden of rupsen als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, het schema voor de machinist mobiele kraan op banden en/of rupsen ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Registratie Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 1;
- c. indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een grondverzetmachine met hijsfunctie, van de categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, het schema voor de machinist grondverzetmachine met hijsfunctie ‘Schema voor registratie van de Machinist Grondverzetmachine in het Register Kraanmachinisten, W4-05’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Registratie Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 5, of het schema voor de machinist mobiele kraan op banden of rupsen ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Registratie Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 1;
- d. indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een autolaadkraan, van de categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, onder 3°, het schema voor de machinist autolaadkraan ‘Schema voor registratie van de Machinist Autolaadkraan in het Register Kraanmachinisten, W4-04’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Registratie Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 4, of het schema voor de machinist mobiele kraan op banden en/of rupsen ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Registratie Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 1;
- e. indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een verreiker met hijsfunctie, van de categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, onder 4°, het schema voor de machinist verreiker met hijsfunctie ‘Schema voor registratie van de Machinist Verreiker in het Register Kraanmachinisten, W4-07’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Registratie Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 7, of het schema voor de machinist mobiele kraan op banden en/of rupsen ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Registratie Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 1;
- f. indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een kleine funderingsmachine als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, het schema voor de machinist kleine funderingsmachine ‘Schema voor registratie van de Machinist Funderingsmachine Klein in het Register Kraanmachinisten, W4-02’ dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Registratie Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 2, of het schema voor de machinist grote funderingsmachine ‘Schema voor registratie van de Machinist Funderingsmachine Groot in het Register Kraanmachinisten, W4-03’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Registratie Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 3; en
- g. indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een grote funderingsmachine als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel c, onder 2°, van het schema voor de machinist grote funderingsmachine ‘Schema voor registratie van de Machinist Funderingsmachine Groot in het Register Kraanmachinisten, W4-03’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Registratie Administratie op 28 februari 2025, Staatscourant van 22 oktober 2025, nr. 2025-35699, bijlage 3.
Artikel 7.8. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat
Vervallen
Artikel 7.9
Vervallen
Artikel 7.10
Vervallen
Artikel 7.11
Vervallen
Artikel 7.12
Vervallen
Artikel 7.13
Vervallen
Artikel 7.14
Vervallen
Artikel 7.15
Vervallen
Artikel 7.16
Vervallen
Artikel 7.17
Vervallen
Artikel 7.18
Vervallen
Artikel 7.19
Vervallen
Artikel 7.20
Vervallen
Hoofdstuk 6. Arbeid onder overdruk
Artikel 8.1. Vereisten
Veiligheids- of gezondheidssignalering als bedoeld in artikel 8.4 van het besluit voldoet aan het tweede lid en de artikelen 8.2 tot en met 8.29.
Veiligheids- of gezondheidssignalering wordt, al naar gelang het geval, geregeld schoongemaakt, onderhouden, geverifieerd en gerepareerd of zo nodig vervangen, met het oog op het behoud van hun intrinsieke of functionele kwaliteiten.
Artikel 8.2. Permanente signalering
De signalering met betrekking tot een verbod, een waarschuwing en een gebod, alsmede de signalering met betrekking tot de lokalisatie en de identificatie van reddings- of hulpmiddelen geschiedt permanent door middel van borden.
De signalering voor de lokalisatie en identificatie van brandbestrijdingsmateriaal geschiedt permanent door middel van borden of een veiligheidskleur.
De signalering op reservoirs en leidingen geschiedt overeenkomstig de artikelen 8.4, derde lid, 8.9 en 8.11 tot en met 8.15.
De signalering van gevaren van stoten tegen obstakels en van vallen van personen geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur of borden.
De markering van verkeerswegen geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur.
Artikel 8.3. Occasionele signalering
De signalering van gevaarlijke gebeurtenissen, de oproep van personen voor een specifieke actie, alsmede de dringende evacuatie van personen geschiedt occasioneel, door middel van een lichtsignaal, een akoestisch signaal of een mondelinge mededeling.
Het leiden van personen die handelingen verrichten waarbij een gevaar bestaat, geschiedt occasioneel door middel van hand- of armseinen of mondelinge mededelingen.
Artikel 8.4. Vrije keuze van signalering
Bij gelijke doeltreffendheid van de signalering bestaat een vrije keuze tussen:
- a. de lichtsignalen, de akoestische signalen of de mondelinge mededeling;
- b. het hand- of armsein of de mondelinge mededeling;
- c. een veiligheidskleur of een bord voor het signaleren van gevaar van struikelen, of vallen door hoogteverschil.
De volgende signaleringswijzen kunnen gelijktijdig worden gebruikt:
- a. het lichtsignaal en het akoestisch signaal;
- b. het lichtsignaal en de mondelinge mededeling;
- c. het hand- of armsein en de mondelinge mededeling.
De doeltreffendheid van een signalering mag niet in het gedrang worden gebracht door de aanwezigheid van een andere signalering of van andere factoren die de zicht- of hoorbaarheid verstoren, een slecht ontwerp, een ontoereikend aantal, een slechte plaatsing, een slechte staat of een slechte werking van de signaleringsmiddelen of signaleringsvoorzieningen.
Artikel 8.5. Gebruik van kleuren
Voor zover signalering geschiedt door middel van een veiligheidskleur wordt:
- a. met de kleur rood aangeduid:
- 1°. een verbodssignaal;
- 2°. gevaar of alarm;
- 3°. identificatie en lokalisatie van brandbestrijdingsmateriaal en brandweeruitrusting;
- b. met de kleur geel of oranje-geel aangeduid een waarschuwingssignaal;
- c. met de kleur blauw aangeduid een gebodssignaal;
- d. met de kleur groen aangeduid:
- 1°. een reddingssignaal of een eerste hulp-signaal;
- 2°. een veilige situatie.
Artikel 8.6. Noodinstallatie
Signaleringen die een energiebron behoeven, zijn voorzien van een noodinstallatie voor het geval dat deze energiebron uitvalt, behalve indien het te signaleren gevaar ophoudt te bestaan bij het uitvallen van de energie.
Artikel 8.7. Controle licht- en geluidssignalen
De licht- en geluidssignalen zijn voor de ingebruikneming op hun goede werking en reële doeltreffendheid gecontroleerd. Die controle wordt nadien voldoende vaak herhaald.
Een licht- of geluidssignaal geeft bij inwerkingstelling het begin van een actie aan: de duur ervan is zo lang als de actie vereist.
De licht- en geluidssignalen worden na ieder gebruik onmiddellijk opnieuw in werking gesteld.
Artikel 8.8. Bescherming specifieke werknemers
Indien de betrokken werknemers een beperkt gehoor- of gezichtsvermogen hebben, onder meer door het dragen van individuele beschermende uitrusting, dienen adequate aanvullende maatregelen of vervangingsmaatregelen te worden genomen.
Artikel 8.9. Algemene eisen veiligheidsborden
De pictogrammen waarvan veiligheidsborden zijn voorzien, zijn zo eenvoudig mogelijk en voor het begrip overbodige details worden weggelaten.
De borden zijn gemaakt van materiaal met een zo groot mogelijke schokvastheid en weerbestendigheid.
De borden bezitten dusdanige afmetingen en kleur- en lichttechnische eigenschappen dat zij goed zichtbaar en gemakkelijk te begrijpen zijn.
Artikel 8.10. Soorten borden
Verbodsborden kenmerken zich door een ronde vorm, een zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van 45° ten opzichte van de horizontale lijn, waarbij de rode kleur ten minste 35% van het oppervlak van het bord beslaat.
Waarschuwingsborden kenmerken zich door een driehoekige vorm, een zwart pictogram op gele achtergrond en een zwarte rand, waarbij de gele kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.
Gebodsborden kenmerken zich door een ronde vorm, een wit pictogram op blauwe achtergrond, waarbij de blauwe kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.
Reddingsborden kenmerken zich door een rechthoekige of vierkante vorm, wit pictogram op groene achtergrond, waarbij de groene kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.
Borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal kenmerken zich door een rechthoekige of vierkante vorm en een wit pictogram op rode achtergrond, waarbij de rode kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.
De in bijlage XVIII bij deze regeling opgenomen borden, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties.
De gebruikte pictogrammen mogen licht afwijken van of meer gedetailleerd zijn dan de pictogrammen van de borden, bedoeld in bijlage XVIII bij deze regeling. De betekenis ervan is dan evenwel dezelfde en verschillen of aanpassingen maken de betekenis niet onduidelijk.
Artikel 8.11. Plaatsing van borden
De borden worden, rekening houdend met eventuele obstakels, op passende hoogte en op een passende plaats ten opzichte van het gezichtsveld geïnstalleerd, hetzij bij de toegang tot een zone waar een algemeen risico bestaat hetzij in de onmiddellijke nabijheid van een bepaald risico of het te signaleren object, en wel op een goed verlichte en gemakkelijk toegankelijke en zichtbare plaats.
Bij slechte natuurlijke verlichtingsomstandigheden worden fluorescerende kleuren, reflecterende materialen of kunstlicht gebruikt.
Een bord wordt verwijderd zodra de situatie die de aanwezigheid ervan rechtvaardigt, niet meer bestaat.
Artikel 8.12. Reservoirs en leidingen met gevaarlijke stoffen
Reservoirs die worden gebruikt bij werkzaamheden met dan wel de opslag van chemische stoffen of mengsels die overeenkomstig EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als gevaarlijk worden ingedeeld op grond van de criteria voor enige fysische gevarenklasse of gezondheidsgevarenklasse, alsmede leidingen die dergelijke stoffen en mengsels bevatten of waardoor deze stoffen en mengsels worden getransporteerd, worden overeenkomstig die verordening voorzien van de relevante gevarenpictogrammen.
Het vorige lid is niet van toepassing op reservoirs die worden gebruikt bij werkzaamheden van korte duur of die vaak wisselen van inhoud mits er toereikende alternatieve maatregelen worden genomen, met name op het gebied van voorlichting of opleiding, die hetzelfde beschermingsniveau garanderen.
De in het eerste lid bedoelde gevarenpictogrammen kunnen:
- a. worden vervangen door waarschuwingsborden als weergegeven in artikel 8.10 met hetzelfde pictogram of symbool met dien verstande dat indien artikel 8.10 geen gelijkwaardig waarschuwingsbord bevat, het relevante gevarenpictogram als weergegeven in bijlage V van EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels wordt gebruikt;
- b. worden aangevuld met extra informatie zoals de naam of de formule van de gevaarlijke stof en een gedetailleerde beschrijving van het gevaar;
- c. voor het transport van reservoirs op de arbeidsplaats worden aangevuld met of vervangen door borden die krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet luchtvaart van toepassing zijn voor het transport van gevaarlijke stoffen.
Artikel 8.13. Aanbrengen van signalering op reservoirs en leidingen
De signalering bedoeld in artikel 8.12 wordt aangebracht op de zichtbare zijden in de vorm van hard materiaal, zelfklevend materiaal of verf.
Artikel 8.14. Plaatsing op leidingen
De op leidingen gebruikte gevarenpictogrammen of signaalwoorden worden zichtbaar en voldoende herhaald aangebracht in de nabijheid van de meest gevaarlijke plaatsen, zoals kleppen en aansluitingspunten.
Artikel 8.15. Signalering bij opslag gevaarlijke stoffen
De signalering van plaatsen, lokalen of afgesloten ruimten die worden gebruikt voor de opslag van aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen geschiedt door een passend waarschuwingsbord als bedoeld in artikel 8.10 of door gevarenpictogrammen en signaalwoorden als bedoeld in artikel 8.12 tenzij, rekening houdend met artikel 8.9, derde lid, wat de afmeting betreft, de gevarenpictogrammen en signaalwoorden van de afzonderlijke verpakkingen of op de reservoirs ter zake volstaan.
De in het eerste lid bedoelde borden of gevarenpictogrammen en signaalwoorden worden bij de opslagruimte of op de toegangsdeur tot de opslagruimte geplaatst.
Indien artikel 8.10 geen gelijkwaardig waarschuwingsbord bevat, wordt het relevante gevarenpictogram als weergegeven in bijlage V van EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels gebruikt.
Artikel 8.16. Wijze van gebruik lichtsignalen
Rekening houdend met de gebruiksomstandigheden veroorzaakt het door een signaal uitgezonden licht een aan de omgeving aangepast lichtcontrast dat niet tot verblinding mag leiden maar voldoende zichtbaar is.
Artikel 8.17. Uniformiteit
Het lichtoppervlak dat een signaal uitzendt, is uniform van kleur of bevat een pictogram op een bepaalde achtergrond.
De uniforme kleur voldoet aan artikel 8.5.
Wanneer het signaal een pictogram bevat, voldoet dit aan artikel 8.10.
Artikel 8.18. Bijzondere lichtsignalen
Wanneer een voorziening een continu en een intermitterend signaal kan uitzenden, wordt het intermitterende signaal gebruikt om ten opzichte van het continue signaal aan te geven dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd.
Wanneer een intermitterend lichtsignaal wordt gebruikt in plaats of ter completering van een geluidssignaal, is de code van het signaal identiek.
Een voorziening om een lichtsignaal uit te zenden in geval van groot gevaar, wordt speciaal in het oog gehouden of uitgerust met een reservelamp.
De duur en de frequentie van de flitsen van een intermitterend lichtsignaal zijn zodanig dat:
- a. de boodschap van het signaal goed wordt begrepen, en
- b. er voorkomen wordt dat verwarring ontstaat tussen verschillende lichtsignalen of tussen een continu en een intermitterend lichtsignaal.
Artikel 8.19. Vereisten geluidssignalen
Een geluidssignaal:
- a. heeft een geluidsniveau dat duidelijk hoger is dan het niveau van het omgevingslawaai, zodat het goed hoorbaar is, doch niet te luid of pijnlijk voor de oren;
- b. is gemakkelijk herkenbaar;
- c. is gemakkelijk te onderscheiden van een ander geluidssignaal en andere omgevingsgeluiden.
Wanneer een voorziening een geluidssignaal met een variabele en een vaste frequentie kan uitzenden, wordt de variabele frequentie gebruikt om ten opzichte van de vaste frequentie aan te geven dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd.
Het geluid van een ontruimingssignaal is continu.
Artikel 8.20. Algemene vereisten inzake de mondelinge mededeling
De mondelinge mededeling vindt plaats tussen een spreker of zender en een of meer toehoorders, en wel in de vorm van korte teksten, woordgroepen of afzonderlijke woorden, eventueel gecodeerd.
De mondelinge boodschappen zijn zo kort, eenvoudig en duidelijk mogelijk.
De taalvaardigheid van de spreker en het gehoorvermogen van de toehoorder zijn voldoende om een ondubbelzinnige communicatie tot stand te brengen.
De mondelinge mededeling is direct door middel van gebruik van de menselijke stem of indirect door middel van de menselijke stem of spraaksynthese, verspreid door een middel ad hoc.
Indien de mondelinge mededeling wordt gebruikt in plaats van of ter aanvulling van hand- of armseinen en er geen codes worden gebruikt, worden met name de volgende woorden gebruikt:
- a. start, om het begin van een commando aan te duiden;
- b. stop, om een beweging te onderbreken of te beëindigen;
- c. einde, om de werkzaamheden stop te zetten;
- d. hijsen, om een last te doen hijsen;
- e. vieren, om een last te doen vieren;
- f. vooruit, achteruit, naar rechts, naar links, in combinatie met het juiste hand- of armsein, om een beweging in een bepaalde richting te doen plaatsvinden;
- g. gevaar, om een noodstop af te dwingen;
- h. snel, om een beweging te versnellen.
Artikel 8.21. Gebruikte taal
De betrokken personen kennen de gebruikte taal zodanig dat zij de boodschap correct kunnen uitspreken en begrijpen en zich al naar gelang van de boodschap op passende wijze kunnen gedragen op het vlak van de veiligheid of de gezondheid.
Artikel 8.22. Algemene vereisten inzake hand en armseinen
Een hand- of armsein is precies en eenvoudig en bestaat uit een breed gebaar.
Het gelijktijdig gebruik van beide armen verloopt symmetrisch en geeft slechts één enkel signaal weer.
Artikel 8.23. Seingever
De seingever geeft met behulp van hand- en armseinen besturingsinstructies door aan de ontvanger van de seinen.
De seingever wijdt zijn aandacht uitsluitend aan het geven van de besturingsinstructies en de veiligheid van de werknemers die zich in de nabijheid bevinden.
De seingever kan de gehele besturingsoperatie zien, zonder daarbij door de handeling gehinderd te worden.
Wanneer niet aan de in het derde lid, genoemde voorwaarden kan worden voldaan, worden een of meer bijkomende seingevers ingeschakeld.
Artikel 8.24. Ontvanger van seinen
De ontvanger van de seinen zet de in uitvoering zijnde transportbeweging stil om nieuwe instructies te vragen, wanneer hij de ontvangen orders niet met de nodige veiligheidsgaranties kan uitvoeren.
Artikel 8.25. Kenbaarheid seingever
De seingever is makkelijk herkenbaar voor de ontvanger van de seinen.
Artikel 8.26. Voorkomen onduidelijkheid seinen
De in bijlage XIX bij deze regeling opgenomen hand- en armseinen, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties, waarbij deze geen afbreuk doen aan het gebruik van andere van toepassing zijnde codes, met name in bepaalde bedrijvigheidssectoren, waarmee dezelfde handelingen worden aangeduid.
Artikel 8.27. Signalering van obstakels en gevaarlijke plaatsen
De signalering van gevaar door stoten tegen obstakels, door vallende voorwerpen of personen, geschiedt door middel van geel, afgewisseld met zwart, of rood afgewisseld met wit, binnen de bebouwde zones van het bedrijf of de inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft.
De gele en zwarte of rode en witte banden worden onder een hoek van circa 45° aangebracht en hebben ongeveer dezelfde afmetingen.
Artikel 8.28. Afstemming signalering op obstakel of gevaarlijke plaats
De afmetingen van de signalering houden rekening met de afmeting van het gesignaleerde obstakel of de gesignaleerde gevaarlijke plaats.
Artikel 8.29. Vereisten inzake markering van verkeerswegen
Wanneer de bescherming van de werknemers dat vereist, worden de verkeerswegen op de arbeidsplaats voor voertuigen duidelijk door doorlopende strepen met een goed zichtbare kleur aangegeven.
Bij het aanbrengen van de strepen wordt rekening gehouden met de nodige veiligheidsafstanden tussen de voertuigen die er kunnen rijden en elk voorwerp dat zich in de nabijheid en tussen de voetgangers en de voertuigen kan bevinden.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en Slotbepalingen
Artikel 9.1. Overgangsbepaling duiker, duikploegleider, duikmedisch begeleider en duikerarts
De persoon die op 1 februari 2025 beschikt over een geldig certificaat duikarbeid wordt op zijn verzoek voor de resterende geldigheidsduur van dat certificaat, afhankelijk van de sector waarin hij werkzaam is, ingeschreven in het Register civiele duikarbeid of het Register duikarbeid brandweer en politie, in de volgende scope, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid:
- a. A9, indien hij over een certificaat voor subcategorie A1 beschikt;
- b. A15, indien hij over een certificaat voor subcategorie A2 beschikt;
- c. A30, indien hij over een certificaat voor subcategorie A3 beschikt;
- d. A15OLV, indien hij over een certificaat voor subcategorie B1 beschikt;
- e. B30, indien hij over een certificaat voor subcategorie B2 beschikt;
- f. B50R, indien hij over een certificaat voor subcategorie B3 beschikt;
- g. B50, indien hij over een certificaat voor subcategorie B4 beschikt;
- h. C, indien hij over een certificaat voor categorie C beschikt.
De persoon die op 1 februari 2025 beschikt over een geldig certificaat duikploegleider wordt op zijn verzoek voor de resterende geldigheidsduur van dat certificaat ingeschreven in het Register civiele duikarbeid in de volgende scope, bedoeld in artikel 6.1, vierde lid:
- a. A9, indien hij over een certificaat voor subcategorie A1 beschikt;
- b. A15, indien hij over een certificaat voor subcategorie A2 beschikt;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)