Binnenvaartregeling

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 883
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de Herziene Rijnvaartakte met bijbehorende protocollen, alsmede op verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PbEG L 175); richtlijn nr. 76/135/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 1976 inzake wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (PbEG L 021); verordening (EEG ) nr. 2919/85/ van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (PbEG L 280); richtlijn nr. 87/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma’s, certificaten en andere titels (PbEG L 322); verordening (EEG) nr. 3921/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een Lid-Staat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 373); richtlijn nr. 91/672/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren (PbEG L 373); verordening (EEG) nr. 3912/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake in de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde controles van in een derde land ingeschreven of tot het verkeer toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 395); verordening (EEG) nr. 1356/96 van de Raad van de Europese Unie van 8 juli 1996 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor het vervoer van goederen of personen over de binnenwateren, tussen Lid-Staten, om voor dit vervoer het vrij verrichten van diensten te verzekeren (PbEU L 175); richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEU L 235); richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255); verordening (EG) nr. 1365/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 september 2006 betreffende de statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren en houdende intrekking van richtlijn nr. 80/1119/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEU L 264); richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad (PbEU L 389); verordening (EG) nr. 425/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 april 2007 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1365/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren (PbEU L 103);

alsmede gelet op de artikelen 1, eerste lid, 2, 6, tweede, derde en vijfde lid, 8, eerste en tweede lid, 9, tweede lid, 13, eerste lid, 14 eerste en tweede lid, 19, eerste lid, 21, tweede lid, 22, eerste en vierde lid, 24, derde lid, 29, tweede lid, onderdeel c, 31, eerste lid, 32, eerste en tweede lid, 33, eerste lid, 40, tweede lid, 43, eerste lid, en 48, vierde lid, van de Binnenvaartwet en 33, eerste en tweede lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties;

alsmede gelet op de artikelen 2, tweede lid, onderdeel c, 3, eerste lid, 5, 7, onderdeel c, onder 3°, 11, eerste en tweede lid, 12, tweede lid, onderdeel e, 17, tweede en derde lid, 18, eerste lid, 19, 20, eerste en vijfde lid, onderdeel b, 23, derde lid, 24, 25, tweede lid, 26, zesde lid, 29, eerste en tweede lid, 30, tweede lid, 31, 32 en 33, eerste lid, van het Binnenvaartbesluit;

In overeenstemming met de colleges van gedeputeerde staten van Fryslân, Groningen en Overijssel voor artikel 10.4, eerste lid;

alsmede in overeenstemming met de colleges van burgemeester en wethouders van Aalsmeer en Amsterdam voor artikel 10.4, tweede lid;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bevoegde autoriteit: autoriteit als bedoeld in artikel 6, derde lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 of bedoeld in artikel 1.18;
  • CBR: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Rijswijk (Z-H);
  • competentieverklaring dekbemanningslid: door een bevoegde autoriteit afgegeven verklaring waarin wordt verklaard dat een matroos, volmatroos of stuurman voldoet aan de competentienormen van het operationele niveau van Richtlijn 2017/2397;
  • dienstboekje: persoonlijk register waarin de gegevens met betrekking tot het arbeidsverleden van een bemanningslid staan genoteerd, met name de vaartijden en de gemaakte reizen;
  • duwbak: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, geschikt om te worden geduwd en dat:
  • 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk
  • 2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn;
  • duwstel: hecht samenstel van schepen, waarvan ten minste één is geplaatst voor het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel. Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
  • ES-QIN: Europese standaard voor kwalificaties in de binnenvaart, editie 2019, vastgesteld door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart, ingesteld door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart bij plenaire zitting in juni 2015 en raadpleegbaar op: https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/03/ES-QIN_2019_nl.pdf;
  • ES-TRIN: Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, editie 2025/1, vastgesteld door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart, ingesteld door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart bij plenaire zitting in juni 2015 en raadpleegbaar op: https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2024/11/ES_TRIN_2025_signed_nl.pdf;
  • Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2020/12: Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2020/12 van de Commissie van 2 augustus 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft normen betreffende competenties en de overeenkomstige kennis en vaardigheden voor praktijkexamens, de goedkeuring van simulatoren en medische geschiktheid;
  • Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/473: Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/473 van de Commissie van 20 januari 2020 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de normen voor gegevensbanken voor EU-kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en logboeken;
  • gekoppeld samenstel: samenstelling van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
  • groot konvooi: een duwstel waarbij het product van de totale lengte en de totale breedte van het geduwde vaartuig 7.000 vierkante meter of meer bedraagt;
  • groot pleziervaartbewijs I: groot pleziervaartbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren;
  • groot pleziervaartbewijs II: groot pleziervaartbewijs voor de vaart op alle binnenwateren;
  • hecht samenstel: een duwstel of een gekoppeld samenstel;
  • ICC: internationaal certificaat van competentie als bedoeld in resolutie 40, nr. TRANS/SC.3/147, van de Working Party on Inland Transport van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, van 16 oktober 1998, overeenkomstig bijlage 7.5 bij deze regeling;
  • klein vaarbewijs I: klein vaarbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren;
  • klein vaarbewijs II: klein vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren;
  • kwalificatiecertificaat: door een bevoegde autoriteit afgegeven certificaat waarin wordt verklaard dat een dekbemanningslid aan de voorschriften van Richtlijn 2017/2397 voldoet;
  • kwalificatiecertificaat deksman: een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond van richtlijn 2017/2397 worden gesteld aan de deksman;
  • kwalificatiecertificaat lichtmatroos: een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond van richtlijn 2017/2397 worden gesteld aan de lichtmatroos;
  • kwalificatiecertificaat matroos: een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond van richtlijn 2017/2397 worden gesteld aan de matroos;
  • kwalificatiecertificaat schipper: door een bevoegde autoriteit afgegeven certificaat zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet waarin wordt verklaard dat een schipper een vaarbevoegdheid bezit en aan de voorschriften van Richtlijn 2017/2397 wordt voldaan;
  • kwalificatiecertificaat stuurman: een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond van richtlijn 2017/2397 worden gesteld aan de stuurman;
  • kwalificatiecertificaat volmatroos: een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond van richtlijn 2017/2397 worden gesteld aan de volmatroos;
  • minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
  • open rondvaartboot: passagiersschip met een lengte op de waterlijn van minder dan 20 meter en dat:
  • a. is ingericht en bestemd uitsluitend voor rondvaarten met een niet-onderbroken vaarduur van ten hoogste twee uren,
  • b. geen gesloten opbouw heeft,
  • c. geen doorlopend dek heeft, en
  • d. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3 of 4;
  • patrouillevaartuig: schip voor zover ingezet voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak;
  • richtlijn 87/540/EEG: richtlijn nr. 87/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma’s, certificaten en andere titels (PbEG L 322);
  • richtlijn 96/50/EG: richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEU L 235);
  • rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype: passagiersschip met een lengte op de waterlijn van minder dan 25 meter, zoals ontwikkeld voor de rondvaarten in Amsterdam, en dat:
  • a. één laag passagiersaccommodatie heeft, deels verzonken tot beneden het gangboord,
  • b. is voorzien van een grotendeels doorgaande opbouw met grote ramen,
  • c. een tot beneden het gangboord verzonken open kuip kan hebben van ten hoogste 25% van de lengte op de waterlijn,
  • d. een stuurstand heeft aan de voorzijde van de passagiersaccommodatie, en
  • e. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3 of 4;
  • RosR: het door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde Reglement onderzoek schepen op de Rijn, zoals opgenomen in bijlage 1.1;
  • SAB: Stichting Afvalstoffen & Vaardocumenten Binnenvaart;
  • schipper: dekbemanningslid dat gekwalificeerd is om een vaartuig op de binnenwateren te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen, ook voor de bemanning, de passagiers en de lading;
  • specifieke vergunning: een door een bevoegde autoriteit afgegeven aantekening op het kwalificatiecertificaat schipper waarmee wordt aangegeven dat de schipper aan aanvullende voorschriften van Richtlijn 2017/2397 voldoet;
  • vaarbewijs: bewijs van vaarbevoegdheid;
  • vaartijd: tijd, uitgedrukt in dagen, die dekbemanningsleden aan boord hebben doorgebracht tijdens een door de bevoegde autoriteit gevalideerde reis met een vaartuig op binnenwateren, met inbegrip van laad- en losactiviteiten die actieve scheepvaartoperaties vereisen;
  • verordening (EEG) 2919/85: verordening (EEG) nr. 2919/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (PbEG L 280);
  • verordening (EU) 2016/1628: verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PbEU 2016, L 252).
§ 2. Binnenwateren
Artikel 1.2

Binnenwateren zijn de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen de langs de Nederlandse kust gaande lijn, die loopt van:

  • –. het snijpunt van de breedtecirkel 53°26'.5 N met de Duitse kust ter plaatse van Upleward,
  • –. vandaar naar het punt met de coördinaten 53°26'.5 N en 006°55'.9 E,
  • –. vandaar naar een punt gelegen 25 meter westelijk van de kop van de strekdam van Borkum,
  • –. vandaar via de noordelijkste punten van Rottumeroog, Rottumerplaat en de zandplaat Simonszand, naar het oostelijkste punt van Schiermonnikoog, en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van Schiermonnikoog,
  • –. vandaar naar het noordelijkste punt van de zandplaat Het Rif,
  • –. vandaar naar het oostelijkste punt van Ameland en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland,
  • –. vandaar naar het oostelijkste punt van Terschelling en voorts langs de noordelijke kustlijn naar het westelijkste punt van dit eiland,
  • –. vandaar naar het noordelijkste punt van Vlieland en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland,
  • –. vandaar naar het noordelijkste punt van Texel en voorts langs de westelijke kust tot het snijpunt van de kustlijn en de lijn tussen het Loodsmansduin te Texel, met de coördinaten 53°01'.3 N en 004°43'.7 E, en het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en 004°39'.4 E op het eiland Noorderhaaks,
  • –. vandaar naar het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en 004°39'.4 E,
  • –. vandaar naar de Noord-Hollandse kust ter hoogte van de vuurtoren Kijkduin bij Den Helder en voorts langs de kust van Noord- en Zuid-Holland, waarbinnen zijn begrepen de hoofden van IJmuiden, Scheveningen en Hoek van Holland, tot aan de Haringvlietdam,
  • –. vandaar langs de zeezijde van deze dam en de zeezijde van de buitenhaven van Stellendam, naar Goeree en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de Brouwersdam,
  • –. vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Schouwen en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de afsluiting in de Oosterschelde,
  • –. vandaar langs de zeezijde van deze afsluiting, over de havenhoofden van de vluchthaven Neeltje Jans en de Noordland Buitenhaven (Roompotsluis), naar Noord-Beveland en voorts langs de kustlijn hiervan naar de Veersedam,
  • –. vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Walcheren en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de lichtopstand de Nolle, met de coördinaten 51°26'.9 N en 003°33'.1 E, bij Vlissingen,
  • –. vandaar naar de lichtopstand Nieuwe Sluis, met de coördinaten 51°24'.4 N en 003°31'.3 E, in Zeeuws-Vlaanderen en voorts langs de noordwestelijke kust hiervan over de hoofden van de haven van Cadzand-Bad naar het punt van grensovergang tussen Nederland en België.
Artikel 1.3

De zones, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet zijn:

  • a. de zones 2, 3 en 4 genoemd in bijlage I van richtlijn (EU) 2016/1629;
  • b. de zone R, die de binnenwateren omvat, bedoeld in onderdeel a, waarvoor een certificaat wordt afgegeven overeenkomstig artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, volgens de bewoordingen van dat artikel bij het in werking treden van de wet.
§ 3. Algemene bepalingen met betrekking tot documenten
Artikel 1.4

Onverminderd het bepaalde in het Rsp ten aanzien van het aanvragen van Rijnpatenten, kwalificatiecertificaten en specifieke vergunningen wordt voor het aanvragen van een krachtens de wet vereist document de wijze van aanvragen toegepast die de afgevende instantie voorschrijft.

Artikel 1.5
1.

De verplichting tot het aan boord hebben van documenten, afgegeven ingevolge of krachtens de wet, geldt niet voor de volgende vaartuigen:

  • a. bokken;
  • b. kranen;
  • c. baggermolens;
  • d. hopperzuigers;
  • e. elevatoren;
  • f. schepen zonder verblijven, zoals duwbakken, dekschuiten, pontons;
  • g. open rondvaartboten, behalve ten aanzien van de verplichting met betrekking tot het vaarbewijs en mits het certificaat van onderzoek ter plaatse waar de rondvaarten beginnen, aanwezig is;
2.

De vrijstelling voor de in het eerste lid, onderdeel f, genoemde schepen geldt alleen indien:

  • a. op het schip een metalen plaat is aangebracht waarop staan vermeld het certificaatnummer, de zone, onderscheidenlijk zones waarvoor het certificaat van onderzoek geldig is en de datum tot welke het certificaat geldig is;
  • b. de vermeldingen, bedoeld in onderdeel a, in goed leesbare letters en cijfers met een diepte van ten minste 6 mm zijn ingehakt en de metalen plaat, bedoeld in onderdeel a, een hoogte van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm heeft en op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats is bevestigd;
  • c. de overeenstemming tussen de vermeldingen op de plaat en de aantekeningen in het certificaat is bevestigd door een ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport door middel van het aanbrengen van een stempel op de plaat;
  • d. bij gebruik van het schip op de in Nederland gelegen binnenwateren het certificaat bij de eigenaar van het schip in bewaring is; en
  • e. bij grensoverschrijding het certificaat aan boord is van het schip dat het duwstel, gekoppeld samenstel of de sleep voortbeweegt.
§ 4. Voorschriften voor de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek
Artikel 1.6
1.

Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht het RosR met de daarbij behorende bijlagen, dat is opgenomen in bijlage 1.1 bij deze regeling en wordt aangehaald als: Reglement onderzoek schepen op de Rijn.

2.

Bij de toepassing van het bepaalde in het eerste lid handelt de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 1.19, overeenkomstig de dienstinstructies van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart betreffende de toepassing van het RosR.

3.

De minister maakt de dienstinstructies, bedoeld in het tweede lid, bekend in de Staatscourant.

Artikel 1.7
2.

De eigenaar van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.03 tot en met 1.05, 2.08, eerste lid, 2.09, eerste lid, en hoofdstuk 8a van het RosR en van de hoofdstukken 3 tot en met 31, met uitzondering van de artikelen 8.07, derde lid, 10.07, derde lid, 15.01, derde en vierde lid, 17.15, tweede en derde lid, 19.05, eerste lid, en 21.06, eerste lid, van ES-TRIN en van artikel 19.01, eerste lid, van het Rsp.

4.

Een lid van de bemanning van een schip dat de Rijn bevaart, niet zijnde de gezagvoerder, is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 3.05, eerste lid, onderdeel b, 4.02, en 5.01, eerste, derde en vijfde lid, van het Rsp.

5.

Het in het eerste tot en met vierde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de krachtens artikel 1.06, eerste lid, van het RosR of artikel 1.03 van het Rsp aangebrachte tijdelijke afwijkingen.

Artikel 1.8

Op een tachograaf waarmee vaartijd kan worden geregistreerd als bedoeld in artikel 18.01, derde lid, van het Rsp is bijlage 5, onderdeel V, van ES-TRIN van toepassing, alsmede bijlage 1.4.

Artikel 1.9
1.

Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht het Rsp, met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen, dat is opgenomen in bijlage 1.9.

2.

Onverminderd het eerste lid is op de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, van toepassing:

  • b. mits tijdens de vaart de Duits-Nederlandse grens in de ene of de andere richting niet wordt overschreden:
Artikel 1.10

In plaats van de patenten, bedoeld in artikel 11.01, tweede lid, van het Rsp, volstaat voor de vaart op de Rijn benedenstrooms van het Spijksche Veer, met inbegrip van de Waal en de Lek:

  • a. een klein vaarbewijs;
  • b. een ingevolge artikel 7.11 erkend bewijs van vaarbekwaamheid; of
  • c. een Militair vaarbewijs, geldig voor het besturen van een klein legervaartuig op rivieren, kanalen en meren, afgegeven door het Genie opleidingscentrum.
Artikel 1.11
1.

Het radarpatent, bedoeld in artikel 20.09, eerste lid, van het Rsp en de specifieke vergunningen op met behulp van radar te mogen varen, bedoeld in artikel 13.02 van het Rsp en artikel 7.11b, eerste lid, onderdeel c, zijn gelijkwaardig aan elkaar en worden tevens tot en met 17 januari 2032 gelijkgesteld met:

  • a. het radardiploma voor de Rijn, afgegeven krachtens het Besluit reglement radarpatenten zoals dit gold tot de inwerkingtreding van het Besluit Patentreglement Rijn;
  • b. het radardiploma voor de Rijn, afgegeven krachtens het koninklijk besluit van 29 december 1965, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement betreffende het verlenen van diploma’s voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn (Stb. 660), zoals dit gold tot de inwerkingtreding van het Besluit Reglement radarpatenten;
  • c. het radardiploma binnenvaart, afgegeven krachtens de Regeling radardiploma binnenvaart, zoals deze gold tot de inwerkingtreding van de Regeling radarpatent binnenvaart;
  • d. het radardiploma Rijn- en binnenvaart, bedoeld in artikel 17, onderdeel b, van de Regeling radardiploma binnenvaart, zoals deze gold tot de inwerkingtreding van de Regeling radarpatent binnenvaart;
  • e. het radarbrevet, afgegeven krachtens het koninklijk besluit tot instelling van een radarbrevet en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart van 15 oktober 1993 (Belgisch Staatsblad, 2757).
2.

In plaats van met het radarpatent, bedoeld in artikel 20.09, eerste lid, van het Rsp en de specifieke vergunningen op met behulp van radar te mogen varen, bedoeld in artikel 13.02 van het Rsp en artikel 7.11b, eerste lid, onderdeel c, kan voor de vaart op de scheepvaartwegen, bedoeld in artikel 4.06, derde en vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement, tot en met 17 januari 2032 worden volstaan met:

  • a. de stuurliedendiploma’s, afgegeven krachtens de Wet op de zeevaartdiploma’s, met uitzondering van het diploma stuurman kustsleepvaart en het diploma stuurman beperkte kleine handelsvaart;
  • b. het bewijs van bevoegdheid van radarwaarnemer en het bewijs van bevoegdheid van radarnavigator, ter verkrijging van het diploma, bedoeld in onderdeel a;
  • c. het bewijs van bevoegdheid, afgegeven krachtens annex II/2, II/3 en II/4 van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (Trb. 1981, 144);
  • d. het radardiploma ruime wateren, afgegeven door de Stichting Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart.
Artikel 1.12

Vervallen

Artikel 1.13

Vervallen

Artikel 1.14
1.

Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek voldoen de kleur, de sterkte van de lichten, alsmede de goedkeuring van de navigatielantaarns aan de eisen van richtlijn (EU) 2016/1629.

2.

Navigatielantaarns die zijn goedgekeurd met inachtneming van de in artikel 5, eerste lid, van het Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1983 (Stb. 389), bedoelde voorschriften worden geacht te zijn goedgekeurd met inachtneming van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorschriften.

Artikel 1.15

Typen van radarapparatuur die voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd met inachtneming van de resolutie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 23 april 1969 (protocol 1969-II-18) zijn met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd. Is de goedkeuring geschied voor 1 januari 1990, dan is het gebruik van deze radarapparatuur tot 1 januari 2010 aan boord van een schip toegestaan indien een geldige verklaring omtrent inbouw en functioneren daarvan aanwezig is.

Artikel 1.16

Typen van bochtaanwijzers die voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd met inachtneming van de resolutie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 23 april 1969 (protocol 1969-II-18) zijn met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd. Is de goedkeuring geschied voor 1 januari 1990, dan is het gebruik van deze bochtaanwijzers tot 1 januari 2010 aan boord van een schip toegestaan indien een geldige verklaring omtrent inbouw en functioneren daarvan aanwezig is.

Artikel 1.17
1.

De inbouw of vervanging, alsmede de reparatie en het onderhoud van radarinstallaties en bochtaanwijzers mogen slechts worden uitgevoerd door bedrijven, die door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

2.

De erkenning kan aan een door de bevoegde autoriteit te bepalen termijn worden verbonden en kan door deze worden ingetrokken indien de keuringsvoorwaarden bedoeld in bijlage 5, onderdelen I en II, van ES-TRIN niet langer vervuld zijn.

3.

De bevoegde autoriteit deelt per omgaande aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mee welke bedrijven zijn erkend.

Artikel 1.18
1.

De bevoegde autoriteit in de zin van de in de artikelen 1.6 en 1.9 bedoelde reglementen is de minister.

2.

In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit:

  • c. de hoofdingenieurs-directeuren van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat Oost-Nederland en Zuid-Holland, ieder voor zover het zijn ambtsgebied betreft, in de artikel 2.11, eerste lid, van het RosR en de artikelen 5.03, eerste lid en 23.01 van ES-TRIN;
3.

In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit in het Rsp:

  • d. de Dienst wegverkeer in bijlage 5, onderdeel V, artikel 3, punt 1, van ES-TRIN;
4.

De in het eerste en derde lid bedoelde bevoegde autoriteiten voeren het Rsp uit overeenkomstig de dienstinstructies van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart betreffende de toepassing van dat reglement.

5.

De minister maakt de in het vierde lid bedoelde dienstinstructies bekend in de Staatscourant.

§ 5. De commissie van deskundigen en de technische commissie
Artikel 1.19
1.

Er is een commissie van deskundigen.

2.

Van deze commissie maken deel uit:

  • a. als deskundigen: de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die zijn belast met het onderzoek van schepen en de afgifte van certificaten van onderzoek, alsmede de hoofdingenieur-directeur van de directie Oost-Nederland van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;
  • b. als deskundige, uitsluitend belast met de afgifte van vaartijdenboeken voor de Rijnvaart en de daarbij behorende verklaringen: de hoofdinspecteur Toezichtseenheid Binnenvaart van de Inspectie Leefomgeving en Transport;
  • c. als voorzitter: de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport;
  • d. als plaatsvervangend voorzitter: de plaatsvervangend inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport.
3.

Een besluit genomen door de voorzitter of een deskundige van de commissie wordt gelijkgesteld met een besluit genomen door de commissie van deskundigen.

Artikel 1.20
1.

Er is voor de duur van vijf jaar een technische commissie.

2.

Van deze commissie maken als lid deel uit:

  • a. vertegenwoordigers van de classificatiebureau’s die als zodanig door de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn erkend;
  • b. vertegenwoordigers van de overige keuringsinstanties die in opdracht van de minister onderzoek van schepen verrichten;
  • c. een vertegenwoordiger van het Deelorgaan Binnenvaart van de Overlegorganen Verkeer en Waterstaat.
3.

Deze commissie staat onder voorzitterschap van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

4.

De werkwijze van deze Commissie is nader geregeld in een door de minister goedgekeurd reglement van orde.

§ 6. Rijnvaartverklaring
Artikel 1.21

Bij bedrijfsmatig vervoer van goederen en personen tussen twee punten gelegen aan de binnenwateren, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Herziene Rijnvaartakte, bevindt de Rijnvaartverklaring, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit of een gewaarmerkt afschrift daarvan zich aan boord van het schip waarvoor het is afgegeven.

§ 7. Doorwerking toekomstige wijzigingen van Europese richtlijnen
Artikel 1.22

Een wijziging van richtlijn (EU) 2016/1629 gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Hoofdstuk 2. Eisen aan ondernemers en bemanningsleden

§ 1. Bewijs vakbekwaamheid voor ondernemers in de binnenvaart
Artikel 2.1

Artikel 6, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:

  • a. vervoer met binnenschepen waarvan het laadvermogen niet meer dan 200 metrieke ton bedraagt;
  • b. vervoer van:
  • 1°. bagage van reizigers met binnenschepen die worden gebruikt voor het beroepsvervoer van personen;
  • 2°. goederen, behorende tot de uitrusting of inrichting van het binnenschip, waarmede zij worden vervoerd; of
  • 3°. aan de vervoerder toebehorende goederen, mits het totale gewicht van die goederen 25 000 kg niet te boven gaat en de goederen voor eigen gebruik bestemd zijn.
Artikel 2.2

De vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, wordt aangetoond door middel van:

  • a. de volgende diploma’s:
  • 1°. het vakdiploma Ondernemer in de binnenvaart van het CBR,
  • 2°. het diploma MBO Rijn- en Binnenvaart,
  • 3°. het diploma Kapitein binnenvaart niveau 3 of niveau 4, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen met de opleidingscodes 10650, 25511, 25612, 93110 of 95640;
Artikel 2.3

Voor de examens ter verkrijging van een diploma als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, is een door de minister goedgekeurd examenreglement van toepassing.

Artikel 2.4
1.

Natuurlijke personen die bewijzen dat zij voor het tijdstip, bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 87/540/EEG, in een lidstaat of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte het beroep van ondernemer van nationaal of internationaal goederenvervoer over de binnenwateren wettelijk hebben uitgeoefend, voldoen aan de eis van vakbekwaamheid en ontvangen van de minister op aanvraag een desbetreffend bewijsstuk.

2.

Als bewijsstuk van vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld het document overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 2.1 bij deze regeling.

Artikel 2.5
1.

Aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, behoeft gedurende een jaar niet te worden voldaan door:

  • a. de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, gezamenlijke erfgenamen van de overleden houder van een bewijs van vakbekwaamheid;
  • b. een, door of namens de houder van een bewijs van vakbekwaamheid, gemachtigde in geval van lichamelijke ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid van de houder van een bewijs van vakbekwaamheid.
2.

De termijn, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, gaat in op de dag van het plaatshebben van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onder a of b. De minister kan op aanvraag in bijzondere gevallen deze termijn met ten hoogste 26 weken verlengen.

Artikel 2.6

De minister kan op aanvraag een ontheffing als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de wet, verlenen aan een persoon die aantoonbaar beschikt over een praktijkervaring van ten minste drie jaar in het dagelijks beheer van de betrokken onderneming, indien sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 87/540/EEG.

Artikel 2.7

De houder van een bewijs van vakbekwaamheid draagt er zorg voor dat dit bewijs op één van de volgende wijzen kan worden gecontroleerd:

  • a. ten kantore van de eigenaar of de exploitant van het binnenschip; of
Artikel 2.8

Een wijziging van richtlijn 87/540/EEG gaat voor de toepassing van de artikelen 2.4 en 2.6 gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

§ 2. Bekwaamheidseisen voor bemanningsleden
Artikel 2.9
1.

Dit artikel is van toepassing op de bemanningsleden van schepen als bedoeld in artikel 12 van het besluit, varend op de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren.

2.

Een schipper is:

3.

Een stuurman is:

4.

Een machinist is:

  • a. ten minste 18 jaar en in het bezit van een maritiem diploma zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de opleidingscodes 25677, 25679, 25680, 25683, 91943, 91941, 91931 of 91932, dan wel in het bezit van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 2.12;
  • b. ten minste 18 jaar en in het bezit van de verklaring praktijkexamen machinist, ten bewijze dat het praktijkexamen machinist binnenvaart van het CBR met goed gevolg is afgelegd bij een daartoe door het CBR erkend opleidingsinstituut;
  • c. ten minste 19 jaar en heeft een beroepservaring van ten minste 2 jaar als volmatroos op een schip met mechanische voortstuwingsmiddelen; of
5.

Een volmatroos is:

6.

Een matroos is:

7.

Een lichtmatroos is:

8.

Een deksman is:

9.

Een schipper mag ook de functies stuurman, volmatroos, matroos en deksman uitoefenen. Een stuurman mag ook de functies volmatroos, matroos en deksman uitoefenen. Een volmatroos mag ook de functies matroos en deksman uitoefenen. Een matroos mag ook de functie deksman uitoefenen.

Artikel 2.10
1.

In afwijking van artikel 2.9 maar onverminderd het negende lid van dat artikel, is op de schippers en machinisten op veerboten dit artikel van toepassing.

2.

Een schipper:

  • b. is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat met goed gevolg de opleiding Zoute Veren, nautische Module is gevolgd.
3.

Een eerste machinist is ten minste 21 jaar en is in het bezit van:

  • a. een getuigschrift waaruit blijkt dat met goed gevolg is gevolgd:
  • 1°. de zeevaartopleiding Maritiem Officier op MBO-4 of HBO niveau met een technische uitstroomrichting;
  • 2°. de opleiding Maritiem Officier Kleine Schepen of Koopvaardij Officier Kleine Schepen, op ten minste MBO-3 niveau, met een technische of nautische uitstroomrichting, aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische module; of
  • 3°. een technische opleiding op MBO-4 of HBO niveau aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische Module;
  • 4°. een andere door de minister erkende opleiding;
  • b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; of
  • c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 2.12.
4.

Een tweede machinist is ten minste 19 jaar en is in het bezit van:

  • a. een getuigschrift waaruit blijkt dat met goed gevolg is gevolgd:
  • 1°. de opleiding Maritiem Officier Kleine Schepen of Koopvaardij Officier Kleine Schepen, op MBO-3 niveau, met een technische of nautische uitstroomrichting;
  • 2°. een technische opleiding op MBO-4 niveau; of
  • 3°. een andere door de minister erkende opleiding;
  • b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; of
  • c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 2.12.
5.

Voor de examens ter verkrijging van de diploma’s Zoute Veren Nautische Module of Technische Module, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en het derde lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, is een door de minister goedgekeurd examenreglement en examenprogramma van toepassing.

6.

Een eerste machinist mag ook de functie tweede machinist uitoefenen.

7.

Dekbemanningsleden die houder zijn van een kwalificatiecertificaat afgegeven door de bevoegde autoriteit in het buitenland overeenkomstig Richtlijn 2017/2397 voor een functie genoemd in dit artikel voldoen aan de eisen voor die desbetreffende functie.

Artikel 2.11

De bekwaamheid voor een functie aan boord kan te allen tijde worden aangetoond:

  • a. door de schipper door middel van het vaarbewijs;
  • b. door de overige leden van de bemanning door middel van het dienstboekje bedoeld in artikel 5.11 waarin het kwalificatiecertificaat voor de betreffende functie is opgenomen;
  • c. door de deskundigen voor de passagiersvaart en deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas door middel van het in artikel 2.10a voorgeschreven bewijs; of
  • d. door de schipper aan wie een specifieke vergunning is verleend door middel van het kwalificatiecertificaat waar deze specifieke vergunningen op zijn aangetekend overeenkomstig artikel 7.19, zesde lid, of voor de specifieke vergunning voor het varen met vloeibaar aardgas als brandstof door middel van het kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) als bedoeld in artikel 2.10a, tweede lid.
Artikel 2.12

Als document ter beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties van een migrerende beroepsbeoefenaar voor de beroepen machinist binnenvaart wordt vastgesteld het dienstboekje, bedoeld in artikel 5.11.

Hoofdstuk 3. Technische voorschriften

§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 3.1

In dit hoofdstuk en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan onder:

  • Amsterdamse dekschuit: sleepvrachtschip dat uitsluitend geschikt is om door middel van kruisdraden op korte afstand achter een slepend schip te worden voortbewogen, of om langszij gekoppeld meegevoerd te worden, en dat:
  • a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten,
  • b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en
  • c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen;
  • niet-vrijvarende veerpont: veerpont die tijdens de vaart door kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is gebonden;
  • skûtsje: zeilend passagiersschip:
  • a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m,
  • b. dat is gebouwd voor 1950, en
  • c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton.
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 3.2
1.

Binnenschepen als bedoeld in artikel 6 van het besluit die worden gebruikt op de zones 2, 3 en 4, voldoen aan de technische voorschriften van ES-TRIN.

2.

Bij de toepassing van dit artikel handelt de minister overeenkomstig de Instructies voor de toepassing van ES-TRIN zijn vastgesteld.

Artikel 3.3

Onverminderd artikel 3.2, eerste lid, voldoen passagiersschepen op de zone 2 aan de technische voorschriften, genoemd in bijlage 3.1.

Artikel 3.4
1.

In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, bedraagt voor duwstellen met een lengte van ten hoogste 86 meter de minimaal te behalen snelheid ten opzichte van het water ten minste:

  • a. 11 km/h op zone 3-wateren;
  • b. 10 km/h op zone 4-wateren, tenzij daar een maximumsnelheid van minder dan 10 km/h geldt. In dat geval stelt de minister voor het betreffende duwstel een andere minimaal te behalen snelheid vast.
2.

In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, is het toegestaan om een duwstel, met een lengte van ten hoogste 86 meter en van een duwsteven voorzien, op de zones drie en vier zonder hekankers te gebruiken en te volstaan met de in artikel 13.01, eerste lid, van ES-TRIN, bedoelde boegankers.

3.

Artikel 3.2 is niet van toepassing op:

  • a. Amsterdamse dekschuiten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.2;
  • b. rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.3;
  • c. open rondvaartboten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.4;
  • d. skûtsjes, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.5;
  • e. veerponten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.6;
  • f. veerboten en passagiersschepen die een openbaar vervoersdienst onderhouden tussen plaatsen gelegen aan de Dollard, de Eems, de Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee, of de Westerschelde en de zeemonding daarvan, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.7;
  • g. bunkerstations, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.8;
  • h. patrouillevaartuigen, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.9;
  • i. kleine drijvende werktuigen, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.12.
§ 3. Technische eisen voor schepen op de zone R
Artikel 3.5
1.

Onverminderd artikel 1.6, eerste lid, kunnen binnenschepen op de zone R eveneens voldoen aan de technische voorschriften, bedoeld in ES-TRIN, voor zover zij over een Uniebinnenvaartcertificaat beschikken, ten bewijze van de volledige conformiteit van het binnenschip met de in ES-TRIN en de in bijlage V bij richtlijn (EU) 2016/1629 bedoelde technische voorschriften, waarvan de gelijkwaardigheid met de bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte bepaalde technische voorschriften is vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke voorschriften en procedures.

2.

Bij de toepassing van het eerste lid is paragraaf 2 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

§ 3. Technische eisen voor schepen op de zone R
Artikel 3.6
1.

Voor binnenschepen waarvan de kiel op 30 december 2008 of later is gelegd, verstrekt de minister het certificaat van onderzoek, indien hem na technisch onderzoek voor de ingebruikneming van het binnenschip is gebleken dat het voldoet aan de voorschriften van ES-TRIN.

2.

Voor binnenschepen waarvan de kiel voor 30 december 2008 is gelegd, wordt het certificaat van onderzoek door de minister afgegeven als het voldoet aan de voorschriften van ES-TRIN, met inachtneming van de voor het binnenschip geldende overgangsbepalingen.

3.

Bij het in het eerste en tweede lid bedoelde technisch onderzoek of bij een in opdracht van de eigenaar uitgevoerd technisch onderzoek wordt in voorkomend geval nagegaan of het binnenschip voldoet aan artikel 3.4.

4.

Indien uit een door een erkend classificatiebureau afgegeven verklaring blijkt, dat een binnenschip geheel of ten dele voldoet aan de voorschriften, opgenomen in ES-TRIN of in de overige bij deze regeling behorende bijlagen, kan de minister van een onderzoek geheel of gedeeltelijk afzien.

Artikel 3.7

Voor de binnenschepen, bedoeld in artikel 6, onderdelen a tot en met d, g en j, van het besluit wordt het certificaat van onderzoek afgegeven als Uniebinnenvaartcertificaat.

Artikel 3.8
1.

De aanvraag van een certificaat van onderzoek wordt ingediend door de eigenaar van het binnenschip.

2.

Bij de aanvraag worden de tekeningen van bouw en inrichting van het binnenschip alsmede, indien hiertoe naar het oordeel van de minister bijzondere redenen bestaan, het rekenkundig bewijs van de sterkte van de romp overgelegd.

3.

Indien het binnenschip is onderzocht door of is gebouwd onder toezicht van een op basis van artikel 14 van de wet aangewezen classificatiebureau, wordt ook de verklaring van dat bureau inzake het onderzoek of de bouw overgelegd.

4.

Indien ingevolge de artikelen 3.14 of 3.15 een hellingproef is vereist, worden de uitkomsten van die proef overgelegd alsmede de gegevens over de stabiliteit van het binnenschip bij verschillende beladingstoestanden.

Artikel 3.9
1.

Het certificaat van onderzoek, het voorlopig certificaat van onderzoek, het Uniebinnenvaartcertificaat, het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat, alsmede het aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat in samenhang met een certificaat van onderzoek als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte zijn geldig voor de bestemming en voor de zones waarvoor het schip blijkens het certificaat geschikt is bevonden.

2.

Het Uniebinnenvaartcertificaat, bedoeld in artikel 8 van het besluit, wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN.

3.

Het aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat, bedoeld in artikel 9 van het besluit wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel III, van ES-TRIN.

4.

Het voorlopig certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 10 van het besluit, wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel II, van ES-TRIN.

5.

Het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 7 van de wet, wordt, voor de schepen bedoeld in artikel 3.4, door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN.

6.

Het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 7 van de wet, wordt voor bunkerstations door de minister afgegeven volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.10.

7.

Het certificaat van onderzoek als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte, wordt door de minister afgegeven volgens het model van bijlage B bij het RosR 1995.

Artikel 3.10

Het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat bedoeld in artikel 10 van het besluit, wordt afgegeven wanneer de deugdelijkheid van het binnenschip, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht.

Artikel 3.11

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)