Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 527
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De partijen bevorderen de samenwerking tussen de regelgevende instantie van de EU en de nationale regelgevende autoriteiten van de Republiek Moldavië op het gebied van elektronische communicatie. De partijen overwegen tevens of samenwerking mogelijk is op andere relevante gebieden, onder meer door regionale initiatieven.

Artikel 101

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 102

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXVIII-B bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 19. TOERISME

Artikel 103

De partijen werken samen op het gebied van het toerisme, met het oog op de ontwikkeling van een beter concurrerende en duurzame toerismebedrijfstak die economische groei en emancipatie bevordert en werkgelegenheid en buitenlandse deviezen genereert.

Artikel 104

De samenwerking op bilateraal, regionaal en Europees niveau wordt gebaseerd op de volgende beginselen:

  • a. respect voor de integriteit en de belangen van plaatselijke gemeenschappen, in het bijzonder in plattelandsgebieden;
  • b. het belang van het culturele erfgoed; en
  • c. een positieve interactie tussen toerisme en milieubehoud.
Artikel 105

De samenwerking wordt gericht op de volgende aspecten:

  • a. uitwisseling van informatie, optimale werkwijzen en ervaringen en overdracht van expertise, onder andere inzake innovatieve technologieën;
  • b. totstandbrenging van een strategisch partnerschap tussen openbare, particuliere en gemeenschapsbelangen, teneinde de duurzame ontwikkeling van het toerisme te waarborgen;
  • c. bevordering en ontwikkeling van toerismeproducten en -markten, infrastructuur, personele middelen en institutionele structuren, alsook identificatie en eliminatie van belemmeringen van reis-dienstverleningen;
  • d. ontwikkeling en tenuitvoerlegging van efficiënt beleid en efficiënte strategieën, met inbegrip van de juridische, administratieve en financiële aspecten;
  • e. opleiding en capaciteitsopbouw op toeristisch gebied met als doel het niveau van dienstverlening te verbeteren; en
  • f. ontwikkeling en promotie van in de gemeenschappen wortelend toerisme.
Artikel 106

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 20. REGIONALE ONTWIKKELING, GRENSOVERSCHRIJDENDE EN REGIONALE SAMENWERKING

Artikel 107
1.

De partijen bevorderen wederzijds begrip en bilaterale samenwerking op het gebied van het regionaal beleid, de methoden voor formulering en uitvoering van regionaal beleid, waaronder goed bestuur en partnerschap op meerdere niveaus, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van kansarme gebieden en territoriale samenwerking, teneinde communicatiekanalen tot stand te brengen en de uitwisseling van informatie en ervaringen te bevorderen tussen nationale, regionale en lokale overheden, sociaal-economische actoren en de maatschappelijke organisaties.

2.

Meer bepaald werken de partijen samen met het oog op een aanpassing van de werkwijzen van de Republiek Moldavië aan de volgende beginselen:

  • a. decentralisatie van het besluitvormingsproces van het centrale niveau naar het niveau van de regionale gemeenschappen;
  • b. consolidering van het partnerschap tussen alle betrokken partijen van de regionale ontwikkeling; en
  • c. medefinanciering via de financiële bijdrage van de partijen die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van programma's en projecten voor regionale ontwikkeling.
Artikel 108
1.

De partijen ondersteunen en versterken de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij grensoverschrijdende en regionale samenwerking en de daarmee verband houdende beheersstructuren, bevorderen de samenwerking door een passend wetgevend kader tot stand te brengen, ondersteunen en ontwikkelen maatregelen voor capaciteitsopbouw en bevorderen de versterking van grensoverschrijdende en regionale economische en zakelijke netwerken.

2.

De partijen werken samen voor de versterking van de institutionele en operationele capaciteit van nationale en regionale instellingen op het gebied van regionale ontwikkeling en ruimtelijke ordening, onder meer door:

  • a. verbetering van het mechanisme van verticale en horizontale interactie van centrale en lokale overheden met het oog op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van regionaal beleid;
  • b. ontwikkeling van de capaciteit van lokale overheden voor grensoverschrijdende samenwerking volgens de regelgeving en de praktijk van de EU; en
  • c. uitwisseling van kennis, infomatie en optimale werkwijzen inzake regionale ontwikkeling met het oog op grotere economische welstand voor lokale gemeenschappen en de eenvormige ontwikkeling van regio's.
Artikel 109
1.

De partijen versterken en stimuleren de ontwikkeling van de grensoverschrijdende en regionale dimensie van onder meer vervoer, energie, communicatienetwerken, cultuur, onderwijs, toerisme, gezondheid en andere terreinen die onder deze overeenkomst vallen en die van invloed zijn op de grensoverschrijdende en regionale samenwerking.

2.

De partijen versterken de samenwerking tussen hun regio's in de vorm van transnationale en grensoverschrijdende programma's, ter ondersteuning van de deelname van de regio's van de Republiek Moldavië an Europese regionale structuren en organisaties en ter bevordering van hun economische en institutionele ontwikkeling door het uitvoeren van projecten van gezamenlijk belang.

Deze activiteiten vinden plaats in de context van:

  • a. voortdurende territoriale samenwerking met Europese regio's, met inbegrip van transnationale en grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's;
  • b. samenwerking in het kader van het Oosters Partnerschap, met EU-organen, waaronder het Comité van de regio's, en deelname aan diverse Europese regionale projecten en initiatieven; en
  • c. samenwerking met onder meer het Europees Economisch en Sociaal Comité, de European Association of Development Agencies (EURADA) en de Waarnemingspost voor de ruimtelijke ordening van het Europees grondgebied (ESPON).
Artikel 110
1.

De partijen versterken en garanderen een betere coördinatie en samenwerking tussen de landen en de regio's binnen de EU-strategie voor het Donaugebied, met onder meer aandacht voor betere vervoers- en energieverbindingen, milieu, de economische en sociale ontwikkeling en veiligheid, hetgeen bijdraagt tot sneller vervoer over de weg en het spoor, meer goedkope en veilige energie, een beter milieu met schoner water, beschermde biodiversiteit, doeltreffender grensoverschrijdende preventie van overstromingen.

2.

De partijen versterken de grensoverschrijdende samenwerking met het oog op het herstel van de scheepvaart op de Proet, hetgeen zal leiden tot het vermijden van overstromingen in het rivierbassin, een betere waterkwaliteit en landbouwirrigatie, intensere economische activiteit, de bevordering van het toerisme en culturele activiteiten, alsook bijdragen tot capaciteitsopbouw.

Artikel 111

De partijen faciliteren het verkeer van burgers van de EU en de Republiek Moldavië, om de grens op frequente basis en over korte afstanden over te steken.

Artikel 112

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 21. VOLKSGEZONDHEID

Artikel 113

De partijen ontwikkelen samenwerking op het gebied van de volksgezondheid om het niveau van de bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van de mens te verhogen, als basisvoorwaarde voor duurzame ontwikkeling en economische groei.

Artikel 114

De samenwerking omvat in het bijzonder de volgende gebieden:

  • a. versterking van het openbare gezondheidssysteem van de Republiek Moldavië, meer bepaald door een hervorming van het gezondheidsstelsel, voor een primaire gezondheidszorg van hoog niveau, beter bestuur op gezondheidsgebied en betere financiering van de gezondheidszorg;
  • b. epidemiologisch toezicht en controle van besmettelijke ziekten, zoals hiv/aids, virale hepatitis en tuberculose, alsook betere paraatheid bij bedreigingen en noodsituaties inzake de volksgezondheid;
  • c. preventie en controle van niet-overdraagbare ziekten door uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen, bevordering van een gezonde levensstijl, aanpak van gezondheidsbepalende factoren zoals voeding en verslaving aan drugs, alcohol en tabak;
  • d. kwaliteit en veiligheid van stoffen van menselijke oorsprong;
  • e. gezondheidsinformatie en -kennis; en
  • f. volledige en tijdige uitvoering van internationale gezondheidsovereenkomsten, meer bepaald de internationale gezondheidswetgeving en het kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake tabaksontmoediging van 2003.
Artikel 115

De samenwerking maakt het volgende mogelijk:

  • a. de geleidelijke integratie van de Republiek Moldavië in de gezondheidsnetwerken van de EU; en
  • b. de geleidelijke verbetering van de interactie tussen de Republiek Moldavië en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding.
Artikel 116

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XIII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 22. CIVIELE BESCHERMING

Artikel 117

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen. De partijen werken samen in hun beider belang op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, waarbij zij rekening houden met hun onderlinge afhankelijkheid en multilaterale activiteiten op het gebied van civiele bescherming.

Artikel 118

De samenwerking streeft naar een betere preventie van, paraatheid voor en respons op natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen.

Artikel 119

De partijen wisselen onder meer informatie en expertise uit en brengen gezamenlijke activiteiten op nationaal, regionaal en internationaal niveau ter uitvoering. Met inachtneming van de respectieve bevoegdheden van de Europese Unie en haar lidstaten vindt de samenwerking op dit gebied plaats via de tenuitvoerlegging van specifieke tussen de partijen gesloten overeenkomsten en administratieve regelingen, overeenkomstig de wettelijke procedures van elke partij.

Artikel 120

De samenwerking bestrijkt onder meer de volgende doelstellingen:

  • a. de vergemakkelijking van wederzijdse bijstand in noodsituaties;
  • b. de uitwisseling op 24-uurbasis van vroegtijdige waarschuwingen en geactualiseerde informatie over noodsituaties op grote schaal die de EU of de Republiek Moldavië treffen, alsmede verzoeken om en aanbiedingen van bijstand;
  • c. de beoordeling van het milieueffect van rampen;
  • d. de uitnodiging van deskundigen voor specifieke technische workshops en symposia over civielebeschermingsvraagstukken;
  • e. de uitnodiging, per geval, van waarnemers voor specifieke oefeningen en opleidingen die door de EU en/of de Republiek Moldavië worden georganiseerd; en
  • f. de versterking van de samenwerking inzake de doeltreffendste wijze om de beschikbare civiele beschermingscapaciteit in te zetten.
Artikel 121

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 23. SAMENWERKING INZAKE ONDERWIJS, OPLEIDING, MEERTALIGHEID, JEUGD EN SPORT

Artikel 122

De partijen werken samen ter bevordering van een leven lang leren en moedigen samenwerking en transparantie aan op alle niveaus van onderwijs en opleiding, met speciale aandacht voor hoger onderwijs.

Artikel 123

Deze samenwerking wordt onder meer op de volgende terreinen gericht:

  • a. bevordering van een leven lang leren, dat essentieel is voor groei en werkgelegenheid en participatie ten volle van de burger in de maatschappij mogelijk maakt;
  • b. modernisering van het onderwijs en de onderwijssystemen, verbetering van de kwaliteit, de relevantie en de toegang;
  • c. bevordering van de convergentie in het hoger onderwijs, op grond van het Bologna-proces en de EU-agenda voor de modernisering van het hoger onderwijs;
  • d. versterking van de internationale academische samenwerking en deelname aan de samenwerkingsprogramma's van de EU, toename van de mobiliteit van studenten en docenten;
  • e. opzetten van een nationaal kwalificatiekader ter verbetering van de transparantie en erkenning van kwalificaties en bevoegdheden; en
  • f. bevordering van de doelstellingen van het proces van Kopenhagen over intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding.
Artikel 124

De partijen bevorderen samenwerking en uitwisselingen op gebieden van wederzijds belang, zoals taaldiversiteit en een leven lang leren van talen, via de uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen.

Artikel 125

De partijen komen overeen samen te werken op jeugdgebied met het oog op:

  • a. versterkte samenwerking en uitwisselingen op het gebied van jeugdbeleid en niet-formeel onderwijs voor jongeren en jeugdwerkers;
  • b. de actieve deelname van alle jongeren aan het maatschappelijke leven vergemakkelijken;
  • c. steun voor de mobiliteit van jongeren en jeugdwerkers ter bevordering van de culturele dialoog en de verwerving van kennis, vaardigheden en bevoegdheden buiten de formele onderwijssystemen, ook door vrijwilligerswerk; en
  • d. bevordering van de samenwerking tussen jeugdorganisaties ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties.
Artikel 126

De partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van sport en fysieke activiteiten door de uitwisseling van informatie en goede werkwijzen ten behoeve van een gezonde levensstijl, de sociale en educatieve waarden van sport en goed bestuur in sport binnen de EU en de Republiek Moldavië.

HOOFDSTUK 24. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN ONDERZOEK, TECHNOLOGISCHE ONTWIKKELING EN DEMONSTRATIE

Artikel 127

De partijen bevorderen samenwerking op alle gebieden van civiel wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling en demonstratie (OTO) op basis van wederzijds voordeel en afhankelijk van geschikte en doeltreffende bescherming van intellectuele-eigendomsrechten.

Artikel 128

De samenwerking op het gebied van OTO omvat onder andere:

  • a. beleidsdialoog en de uitwisseling van wetenschappelijke en technologische informatie;
  • b. makkelijker toegang tot de respectieve programma's van de partijen;
  • c. meer onderzoekscapaciteit en de deelname van onderzoeksinstellingen van de Republiek Moldavië aan het kaderprogramma van de EU voor onderzoek;
  • d. stimuleren van gezamenlijke onderzoeksprojecten op alle gebieden van OTO;
  • e. opleiding en mobiliteit voor wetenschappers, onderzoekers en ander onderzoekspersoneel betrokken bij OTO-activiteiten van de partijen;
  • f. vergemakkelijking, in het kader van de geldende wetgeving, van het vrije verkeer van onderzoekspersoneel dat deelneemt aan de activiteiten krachtens deze overeenkomst en het vrij verkeer van goederen die voor deze activiteiten worden gebruikt; en
  • g. andere vormen van samenwerking voor OTO (met inbegrip van regionale aanpak en initiatieven), op basis van wederzijdse overeenstemming van de partijen.
Artikel 129

Bij het uitvoeren van samenwerkingsactiviteiten voor OTO moet worden gestreefd naar synergieën met activiteiten die worden gefinancierd door het Centrum voor Wetenschap en Technologie (OCWT) en andere activiteiten binnen het kader van de financiële samenwerking tussen de EU en de Republiek Moldavië.

HOOFDSTUK 25. SAMENWERKING INZAKE CULTUUR, AUDIOVISUEEL BELEID EN MEDIA

Artikel 130

De partijen bevorderen de samenwerking op cultureel gebied en houden terdege rekening met de beginselen die zijn opgenomen in het verdrag van de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (Unesco) betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van 2005. De partijen streven naar een regelmatige beleidsdialoog over gebieden van wederzijds belang, zoals de ontwikkeling van de cultuurindustrie in de EU en de Republiek Moldavië. De samenwerking tussen de partijen stimuleert de interculturele dialoog, ook via deelname van de cultuursector en maatschappelijke organisaties van de EU en de Republiek Moldavië.

Artikel 131
1.

De partijen voeren een regelmatige dialoog en werken samen ter bevordering van de audiovisuele bedrijfstak in Europa en ter aanmoediging van coproducties voor film en televisie.

2.

De samenwerking kan onder meer omvatten: opleiding van journalisten en andere mediaspecialisten, steun aan de media voor een grotere onafhankelijkheid, meer professionalisme en banden met de EU-media, overeenkomstig de EU-normen, met inbegrip van de normen van de Raad van Europa en het Unesco-verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen.

Artikel 132

De partijen spitsen hun samenwerking toe op een aantal gebieden:

  • a. culturele samenwerking en culturele uitwisselingen, alsook mobiliteit van kunst en kunstenaars;
  • b. interculturele dialoog;
  • c. beleidsdialoog over cultureel beleid en audiovisueel beleid;
  • d. samenwerking in internationale fora zoals de Unesco en de Raad van Europa, onder meer om de culturele diversiteit te ontwikkelen en te behouden en het culturele en historische erfgoed beter te benutten; en
  • e. samenwerking inzake media.
Artikel 133

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XIV bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 26. MAATSCHAPPELIJKE SAMENWERKING

Artikel 134

De partijen voeren een dialoog over maatschappelijke samenwerking, met de volgende doelstellingen:

  • a. intensivering van de contacten en de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen alle maatschappelijke sectoren in de EU en de Republiek Moldavië;
  • b. verzekeren van een betere kennis en begrip van de Republiek Moldavië, ook van haar geschiedenis en cultuur, in de EU en meer bepaald bij maatschappelijke organisaties die in de lidstaten zijn gevestigd, waardoor mogelijkheden en problemen van toekomstige betrekkingen beter worden begrepen; en
  • c. omgekeerd meer kennis van en inzicht in de Republiek Moldavië over de EU, en in het bijzonder bij de maatschappelijke organisaties in de Republiek Moldavië, met onder meer aandacht voor de waarden waarop de EU is gebaseerd, haar beleid en haar werking.
Artikel 135

De partijen bevorderen dialoog en samenwerking tussen belanghebbenden van maatschappelijke organisaties van beide partijen als integraal onderdeel van de betrekkingen tussen de EU en de Republiek Moldavië. Deze dialoog en samenwerking beogen:

  • a. de betrokkenheid te verzekeren van de maatschappelijke organisaties bij de betrekkingen tussen de EU en de Republiek Moldavië, meer bepaald voor de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst;
  • b. de deelname van maatschappelijke organisaties aan het openbare besluitvormingsproces bevorderen, meer bepaald door een open, transparante, en regelmatige dialoog in te stellen tussen openbare instellingen en representatieve maatschappelijke organisaties;
  • c. de facilitering van een proces van institutionele opbouw en consolidatie van de maatschappelijke organisaties op diverse manieren, met inbegrip van lobbying, informele en formele netwerken, wederzijdse bezoeken en workshops, met het oog in het bijzonder op een beter wettelijk kader voor de maatschappelijke organisaties; en
  • d. de vertegenwoordigers van de maatschappelijke organisaties van beide partijen vertrouwd te maken met het proces van overleg en dialoog tussen het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van de sociale partners, en de overheden, in het bijzonder met het oog op de versterking van het maatschappelijk middenveld in de beleidsvorming van de Republiek Moldavië.
Artikel 136

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt door de partijen een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 27. SAMENWERKING VOOR DE BESCHERMING EN BEVORDERING VAN DE RECHTEN VAN HET KIND

Artikel 137

De partijen komen overeen samen te werken ter bevordering van de rechten van het kind volgens internationale wetten en normen, meer bepaald het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989, rekening houdend met de prioriteiten die speciaal in de context van de Republiek Moldavië zijn vastgesteld, in het bijzonder voor kwetsbare groepen.

Artikel 138

Die samenwerking omvat in het bijzonder het volgende:

  • a. het voorkomen en bestrijden van alle vormen van exploitatie (waaronder kinderarbeid), misbruik en verwaarlozing van en geweld tegen kinderen, onder meer door de ontwikkeling en versterking van een wet- en regelgevingskader alsook door bewustmakingscampagnes op dit gebied;
  • b. de verbetering van het systeem voor identificatie en bijstand van kinderen in kwetsbare sitauties, met inbegrip van grotere participatie van kinderen aan het besluitvormingsproces en de uitvoering van doeltreffende mechanismen voor de afhandeling van individuele klachten van kinderen;
  • c. de uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen voor de terugdringing van de armoede bij kinderen, met maatregelen van sociaal beleid met het oog op het welzijn van kinderen, en de bevordering van de toegang van kinderen tot onderwijs;
  • d. de uitvoering van maatregelen ter bevordering van de rechten van kinderen binnen het gezin en de instellingen, en versterking van de capaciteit van ouders en verzorgers om de ontwikkeling van het kind te vrijwaren; en
  • e. de toegang tot, de ratificatie en de tenuitvoerlegging van de relevante internationale documenten, ook die van de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, met het oog op de bevordering en beschemring van de rechten van het kind overeenkomstig de hoogste normen op dit vlak.
Artikel 139

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 28. DEELNAME AAN AGENTSCHAPPEN EN PROGRAMMA’S VAN DE UNIE

Artikel 140

De Republiek Moldavië mag deelnemen aan alle agentschappen van de Unie die overeenkomstig de relevante bepalingen tot vaststelling van die agentschappen voor deelname van de Republiek Moldavië openstaan. De Republiek Moldavië sluit voor elk agentschap een aparte overeenkomst met de EU inzake de deelname en de financiële bijdrage.

Artikel 141

De Republiek Moldavië mag deelnemen aan alle huidige en toekomstige programma’s van de Unie die overeenkomstig de relevante bepalingen tot vaststelling van die programma’s voor deelname van de Republiek Moldavië openstaan. Deelname van de Republiek Moldavië aan de programma’s van de Unie vindt plaats volgens de bepalingen van protocol I bij deze overeenkomst inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië inzake de algemene beginselen voor deelname van de Republiek Moldavië aan EU-programma’s.

Artikel 142

De partijen houden een regelmatige dialoog over de deelname van de Republiek Moldavië aan EU-programma's en agentschappen. Meer bepaald informeert de EU de Republiek Moldavië in het geval van de oprichting van nieuwe agentschappen en programma's van de Unie, alsook in verband met wijzigingen van de voorwaarden voor deelname aan programma's en agentschappen van de Unie, als bedoeld in de artikelen 140 en 141 van deze overeenkomst.

TITEL V. HANDEL EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE AANGELEGENHEDEN

HOOFDSTUK 1. NATIONALE BEHANDELING EN MARKTTOEGANG VOOR GOEDEREN

AFDELING 1. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 143. Doelstelling

Gedurende een overgangsperiode van maximaal tien jaar die aanvangt bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst, brengen de partijen geleidelijk een vrijhandelsruimte tot stand, overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst en overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994, hierna „GATT 1994” genoemd.

Artikel 144. Toepassingsgebied en dekking
1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de handel in goederen1)In deze overeenkomst wordt onder „goederen” verstaan producten als bedoeld in de GATT 1994, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald. tussen de partijen.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als „van oorsprong” beschouwd de goederen die aan de oorsprongsregels in protocol II bij deze overeenkomst voldoen.

AFDELING 2. AFSCHAFFING VAN DOUANERECHTEN, VERGOEDINGEN EN ANDERE HEFFINGEN

Artikel 145. Definitie van douanerechten

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder „douanerechten” alle soorten rechten en heffingen verstaan die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen met betrekking tot deze invoer of uitvoer. Onder „douanerechten” worden niet verstaan:

  • a. heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 152 van deze overeenkomst worden opgelegd;
  • b. rechten die overeenkomstig hoofdstuk 2 (Handelsmaatregelen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst worden opgelegd; of
  • c. vergoedingen en andere heffingen die overeenkomstig artikel 151 van deze overeenkomst worden opgelegd.
Artikel 146. Indeling van goederen

De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de partijen geschiedt overeenkomstig het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen van 1983, hierna „GS” genoemd, in de op de GS 2007 gebaseerde tariefnomenclatuur van de Republiek Moldavië en de op de GS 2012 gebaseerde tariefnomenclatuur van de Unie, en in latere wijzigingen van die nomenclaturen.

Artikel 147. Afschaffing van invoerrechten
1.

Elke partij verlaagt haar douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere partij of schaft die af, overeenkomstig bijlage XV bij deze overeenkomst.

2.

Voor elk goed wordt het basisdouanerecht waarop ingevolge lid 1 van dit artikel de achtereenvolgende verlagingen en afschaffingen moeten worden toegepast, in bijlage XV bij deze overeenkomst vermeld.

3.

Indien een partij na de inwerkingtreding van deze overeenkomst op enig tijdstip het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt, dan geldt dat recht als basisrecht indien en zolang het lager is dan het overeenkomstig bijlage XV bij deze overeenkomst berekende douanerecht.

4.

Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst kunnen de partijen afspreken te bezien of douanerechten in het handelsverkeer tussen hen versneld en in ruimere mate kunnen worden afgeschaft. Wanneer het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, besluit de douanerechten op een goed versneld te verlagen of af te schaffen, komt dat besluit in de plaats van de douanerechten of afbouwcategorieën die overeenkomstig bijlage XV bij deze overeenkomst zijn vastgesteld.

5.

In het derde jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst beoordelen de partijen de situatie, waarbij zij rekening houden met het verloop van het handelsverkeer in landbouwproducten tussen de partijen, de bijzondere gevoeligheid van dergelijke producten en de ontwikkeling van het landbouwbeleid van beide partijen.

6.

De partijen zullen in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken de mogelijkheden onderzoeken om elkaar op basis van passende wederkerigheid verdere concessies te verlenen met het oog op een verdergaande liberalisering van de handel in landbouwproducten, in het bijzonder die waarvoor tariefcontingenten gelden.

Artikel 148. Antiontwijkingsmechanisme met betrekking tot landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten
1.

Het antiontwijkingsmechanisme is van toepassing op de in bijlage XV-C bij deze overeenkomst vermelde producten. Voor elke categorie van deze producten wordt het gemiddelde jaarlijkse invoervolume uit de Republiek Moldavië in de Unie vermeld in bijlage XV-C bij deze overeenkomst.

2.

Zodra in een bepaald kalenderjaar het invoervolume voor een of meer categorieën van de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten 70 % bedraagt van het in bijlage XV-C aangegeven volume, stelt de Unie de Republiek Moldavië in kennis van het invoervolume van het betrokken product of de betrokken producten. Na deze kennisgeving en binnen 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de dag waarop het invoervolume voor een of meer categorieën van de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten 80 % bedraagt van het in bijlage XV-C bij deze overeenkomst aangegeven volume, bezorgt de Republiek Moldavië de Unie een deugdelijke motivering voor de toename van de invoer. Indien de Republiek Moldavië geen deugdelijke motivering verschaft, kan de Unie de preferentiële behandeling ten aanzien van de betrokken producten tijdelijk schorsen zodra deze invoer 100 % bedraagt van het in bijlage XV-C bij deze overeenkomst aangegeven volume.

Deze schorsing geldt voor een periode van zes maanden en gaat in op de dag waarop het besluit tot schorsing van de preferentiële behandeling in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt.

3.

De Unie stelt de Republiek Moldavië onverwijld in kennis van elke tijdelijke schorsing uit hoofde van lid 2.

4.

Een tijdelijke schorsing kan vóór het einde van de periode van zes maanden na de inwerkingtreding ervan door de Unie worden opgeheven indien de Republiek Moldavië aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, bewijsmateriaal bezorgt, waaruit blijkt dat het invoervolume van de desbetreffende categorie producten dat het in bijlage XV-C bij deze overeenkomst aangegeven volume te boven gaat, voortvloeit uit een wijziging van de productie- en uitvoercapaciteit van de Republiek Moldavië voor het betrokken product of de betrokken producten.

5.

Bijlage XV-C bij deze overeenkomst en het volume kunnen met wederzijdse instemming van de Unie en de Republiek Moldavië in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken worden gewijzigd op verzoek van de Republiek Moldavië, om wijzigingen in de productie- en uitvoercapaciteit van de Republiek Moldavië voor het betrokken product of de betrokken producten tot uitdrukking te brengen.

Artikel 149. Status quo

Geen van de partijen mag bestaande douanerechten verhogen of nieuwe douanerechten vaststellen op een goed van oorsprong uit de andere partij. Dit sluit niet uit dat elke partij:

  • a. een douanerecht na een eenzijdige verlaging kan verhogen tot het in bijlage XV vastgelegde niveau; of
  • b. een douanerecht kan handhaven of verhogen als toegestaan door het Orgaan voor Geschillenbeslechting (DSB) van de WTO.
Artikel 150. Uitvoerrechten

Geen van de partijen mag rechten of belastingen vaststellen of handhaven ter zake van of in verband met de uitvoer van goederen naar het grondgebied van de andere partij, andere dan interne heffingen die worden opgelegd overeenkomstig artikel 152 van deze overeenkomst.

Artikel 151. Vergoedingen en andere heffingen

Elke partij draagt er overeenkomstig artikel VIII van de GATT 1994 en de aantekeningen erop zorg voor dat alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook – niet zijnde douanerechten of andere maatregelen als bedoeld in artikel 147 van deze overeenkomst – ter zake van of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen worden beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten, en geen indirecte bescherming van interne goederen of een belasting op de invoer of de uitvoer voor fiscale doeleinden vormen.

AFDELING 3. NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN

Artikel 152. Nationale behandeling

Elke partij behandelt goederen van de andere partij als nationale goederen, overeenkomstig artikel III van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop. Daartoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen erop in deze overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.

Artikel 153. Invoer- en uitvoerbeperkingen

Geen van de partijen mag verboden of beperkingen invoeren of handhaven ter zake van de invoer van een goed uit de andere partij of de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere partij is bestemd, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald of zulks in overeenstemming is met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop. Daartoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop in deze overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.

AFDELING 4. SPECIFIEKE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT GOEDEREN

Artikel 154. Algemene uitzonderingen
1.

Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk wordt uitgelegd als beletsel voor de goedkeuring of handhaving door een partij van maatregelen overeenkomstig de artikelen XX en XXI van de GATT 1994 en alle toepasselijke aantekeningen erop, die hierbij in deze overeenkomst worden opgenomen en hier integraal deel van uitmaken.

2.

De partijen komen overeen dat alvorens een maatregel te nemen waarvoor rechtvaardiging kan worden gezocht in artikel XX, onder i) en j), van de GATT 1994, de partij die voornemens is maatregelen te nemen, de andere partij alle relevante informatie verstrekt en een oplossing zoekt die voor beide partijen aanvaardbaar is. Indien binnen dertig dagen na het verstrekken van die informatie geen overeenstemming is bereikt, kan de partij krachtens dit lid maatregelen toepassen ten aanzien van het betrokken goed. Wanneer uitzonderlijke, kritieke omstandigheden onmiddellijk handelen vereisen en voorafgaande informatieverstrekking of voorafgaand onderzoek niet mogelijk is, kan de partij die voornemens is maatregelen te nemen, onmiddellijk de voorzorgsmaatregelen nemen die nodig zijn om de situatie aan te pakken, en stelt zij de andere partij hiervan onmiddellijk in kennis.

AFDELING 5. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING EN COÖRDINATIE MET ANDERE LANDEN

Artikel 155. Bijzondere bepalingen inzake administratieve samenwerking
1.

De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking en bijstand van essentieel belang zijn voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële behandeling die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, en benadrukken hun vastberadenheid om onregelmatigheden en fraude op het gebied van douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.

2.

Wanneer een partij op basis van objectieve informatie heeft vastgesteld dat de andere partij geen administratieve medewerking of bijstand heeft verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude binnen het kader van dit hoofdstuk hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de desbetreffende preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten overeenkomstig dit artikel, en in het bijzonder de in lid 5 bedoelde procedure, tijdelijk schorsen.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verlenen van administratieve medewerking of bijstand onder meer verstaan:

  • a. het herhaaldelijk niet nakomen van de verplichting om de oorsprongsstatus van het betrokken goed of de betrokken goederen te controleren;
  • b. het herhaaldelijk weigeren een controle achteraf van het bewijs van oorsprong uit te voeren en/of de resultaten daarvan mede te delen, of onredelijke vertraging daarbij;
  • c. het herhaaldelijk weigeren van toestemming voor het uitvoeren van onderzoeksmissies om de echtheid van documenten of de juistheid van gegevens vast te stellen die van belang zijn voor het verlenen van de desbetreffende preferentiële behandeling, of onredelijke vertraging bij het verlenen van toestemming.
4.

Voor de toepassing van dit artikel kunnen onregelmatigheden of fraude onder meer worden vastgesteld wanneer het invoervolume van goederen snel stijgt, zonder dat daarvoor een bevredigende verklaring is, dat invoervolume de gebruikelijke productie- en uitvoercapaciteit van de andere partij te boven gaat, en de stijging in verband kan worden gebracht met objectieve informatie betreffende onregelmatigheden of fraude.

5.

Voor een tijdelijke schorsing moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • a. de partij die op basis van objectieve informatie heeft vastgesteld dat geen administratieve medewerking of bijstand werd verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, stelt het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, onverwijld in kennis van haar bevindingen en van de objectieve informatie, en treedt op basis van alle desbetreffende informatie en objectief vastgestelde bevindingen binnen dat comité in overleg om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden;
  • b. wanneer de partijen binnen bovenvermeld comité in overleg zijn getreden en niet binnen drie maanden na de kennisgeving overeenstemming over een aanvaardbare oplossing hebben bereikt, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling voor het betrokken goed of de betrokken goederen tijdelijk schorsen. Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wordt van een tijdelijke schorsing onverwijld in kennis gesteld;
  • c. tijdelijke schorsingen op grond van dit artikel blijven beperkt tot wat nodig is om de financiële belangen van de betrokken partij te beschermen. De schorsingstermijn bedraagt maximaal zes maanden en kan worden verlengd indien de omstandigheden die aanleiding gaven tot de aanvankelijke schorsing, op de vervaldatum van de termijn niet zijn gewijzigd. Binnen het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, vindt hierover periodiek overleg plaats, in het bijzonder met het oog op beëindiging van de schorsingen zodra de omstandigheden die aanleiding gaven tot toepassing ervan, niet meer gelden.
6.

Elke partij publiceert overeenkomstig haar interne procedures alle berichten aan de importeurs met betrekking tot de in lid 5, onder a), bedoelde kennisgevingen, de in lid 5, onder b), bedoelde besluiten, en alle in lid 5, onder c), bedoelde verlengingen of beëindigingen.

Artikel 156. Handelwijze bij administratieve fouten

Indien de bevoegde autoriteiten bij het beheer van de preferentiële uitvoerregelingen een fout hebben gemaakt, in het bijzonder bij de toepassing van de bepalingen van protocol II bij deze overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking, en die fout gevolgen heeft voor de invoerrechten, kan de partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd, het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, verzoeken na te gaan of alle passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie te herstellen.

Artikel 157. Overeenkomsten met andere landen
1.

Deze overeenkomst belet niet de handhaving of oprichting van douane-unies, andere vrijhandelsruimtes of regelingen betreffende grensverkeer, tenzij hierdoor de in deze overeenkomst neergelegde handelsregelingen worden ondermijnd.

2.

De partijen voeren overleg in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, over overeenkomsten waarbij douane-unies of andere vrijhandelsruimtes worden opgericht dan wel regelingen betreffende grensverkeer worden ingevoerd, alsmede desgevraagd over andere belangrijke aangelegenheden met betrekking tot hun respectieve handelsbeleid jegens derde landen. Dergelijk overleg zal in het bijzonder plaatsvinden ingeval een derde land tot de EU toetreedt, opdat wordt gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met de wederzijdse belangen van de Unie en de Republiek Moldavië zoals weergegeven in deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 2. HANDELSMAATREGELEN

AFDELING 1. ALGEMENE VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 158. Algemene bepalingen
1.

De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen als opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, hierna „WTO-Overeenkomst” genoemd, (hierna „Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen” genoemd) en artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst (hierna „Landbouwovereenkomst” genoemd).

2.

De preferentiële oorsprongsregels van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op deze afdeling.

3.

Hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst is niet van toepassing op de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 159. Transparantie
1.

De partij die een vrijwaringsonderzoek opent, stelt de andere partij, indien deze laatste daarbij een aanmerkelijk economisch belang heeft, van die opening in kennis.

2.

Onverminderd artikel 158 van deze overeenkomst geeft de partij die een vrijwaringsonderzoek opent en voornemens is vrijwaringsmaatregelen te treffen, op verzoek van de andere partij onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennis van alle relevante informatie die tot de opening van het vrijwaringsonderzoek en de instelling van vrijwaringsmaatregelen heeft geleid, alsmede voor zover relevant informatie over de opening van het vrijwaringsonderzoek en over de voorlopige en de definitieve bevindingen van dat onderzoek, en biedt zij de andere partij de mogelijkheid tot het voeren van overleg.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt een partij geacht aanmerkelijk economisch belang te hebben wanneer zij, uitgedrukt in absoluut volume of waarde, in de drie voorgaande jaren tot de vijf grootste leveranciers van het ingevoerde product behoorde.

Artikel 160. Toepassing van maatregelen
1.

Wanneer de partijen vrijwaringsmaatregelen instellen, streven zij ernaar om dat te doen op een wijze die hun bilaterale handel zo weinig mogelijk beïnvloedt.

2.

Wanneer een partij in het kader van de toepassing van lid 1 van mening is dat aan de juridische vereisten voor de instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen is voldaan en deze partij voornemens is dergelijke maatregelen in te stellen, stelt zij de andere partij daarvan in kennis en biedt zij deze de mogelijkheid tot het voeren van bilateraal overleg. Indien binnen dertig dagen na de kennisgeving geen aanvaardbare oplossing wordt gevonden, kan de partij van invoer passende maatregelen nemen om het probleem op te lossen.

AFDELING 2. ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE MAATREGELEN

Artikel 161. Algemene bepalingen
1.

De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel VI van de GATT 1994, de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst (hierna „Antidumpingovereenkomst” genoemd) en de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst (hierna „SCM-Overeenkomst” genoemd).

2.

De preferentiële oorsprongsregels van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) vantitel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op deze afdeling.

3.

Hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst is niet van toepassing op de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 162. Transparantie
1.

De partijen komen overeen dat bij gebruikmaking van antidumping- en compenserende maatregelen de vereisten van de Antidumpingovereenkomst en de SCM-Overeenkomst volledig worden gerespecteerd, en dat die maatregelen op een eerlijk en transparant systeem worden gebaseerd.

2.

De partijen waarborgen dat onmiddellijk na de instelling van voorlopige maatregelen en vóór de definitieve vaststelling, de belangrijkste feiten en overwegingen die aan de beslissing tot toepassing van maatregelen ten grondslag liggen, volledig en duidelijk worden meegedeeld, onverminderd artikel 6, lid 5, van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 4, van de SCM-Overeenkomst. De feiten en overwegingen moeten schriftelijk worden meegedeeld, en er moet belanghebbenden voldoende tijd worden gelaten om hun opmerkingen in te dienen.

3.

Elke belanghebbende krijgt, mits zulks het onderzoek niet onnodig vertraagt, de gelegenheid te worden gehoord opdat hij gedurende antidumping- of antisubsidieonderzoeken zijn standpunt kenbaar kan maken.

Artikel 163. Algemeen belang

Antidumping- of compenserende maatregelen kunnen niet door een partij worden toegepast indien, op basis van de tijdens het onderzoek kenbaar gemaakte informatie, duidelijk kan worden geconcludeerd dat het niet in het algemeen belang is dergelijke maatregelen toe te passen. Bij de vaststelling met betrekking tot het algemeen belang wordt uitgegaan van een waardering van alle verschillende belangen, in hun geheel beschouwd, met inbegrip van de belangen van de interne bedrijfstak, gebruikers, consumenten en importeurs, voor zover zij relevante informatie aan de onderzoeksautoriteiten hebben verstrekt.

Artikel 164. Regel van het laagste recht

Indien een partij besluit om een voorlopig of definitief antidumping- of compenserend recht in te stellen, overschrijdt het bedrag van dit recht niet de dumpingmarge of het totale bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, maar is het lager dan de dumpingmarge of het totale bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies wanneer de schade voor de interne bedrijfstak kan worden opgeheven door een lager recht.

AFDELING 3. BILATERALE VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 165. Toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregel
1.

Indien, wegens de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, goederen van oorsprong uit een partij naar het grondgebied van de andere partij in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige voorwaarden worden ingevoerd dat de interne bedrijfstak die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, ernstige schade lijdt of dreigt te lijden, kan de partij van invoer, overeenkomstig de in deze afdeling vervatte voorwaarden en procedures maatregelen vaststellen als bedoeld in lid 2.

2.

De partij van invoer kan een bilaterale vrijwaringsmaatregel treffen tot:

  • a. opschorting van de in deze overeenkomst voorziene verdere verlaging van het douanerecht op het betrokken goed, of
  • b. verhoging van het douanerecht op het goed tot een niveau dat niet hoger ligt dan het laagste van de volgende rechten:
  • i. het op het goed toegepaste meestbegunstigingsrecht dat van kracht is op het tijdstip waarop de maatregel wordt getroffen, of
  • ii. het basisdouanerecht dat overeenkomstig artikel 147 van deze overeenkomst is vastgelegd in de lijsten in bijlage XV.
Artikel 166. Voorwaarden en beperkingen
1.

Een partij stelt de andere partij schriftelijk in kennis van de opening van een onderzoek als bedoeld in lid 2, en overlegt met haar zo vroeg mogelijk vóór de toepassing van een bilaterale vrijwaringsmaatregel, teneinde de informatie die uit het onderzoek naar voren komt, te toetsen en van gedachten te wisselen over de maatregel.

2.

Een partij treft een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts nadat haar bevoegde autoriteiten een onderzoek hebben verricht overeenkomstig artikel 3 en artikel 4, lid 2, onder c), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Daartoe worden artikel 3 en artikel 4, lid 2, onder c), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.

3.

Bij het in lid 2 van dit artikel bedoelde onderzoek voldoet de partij aan de voorschriften van artikel 4, lid 2, onder a), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Daartoe wordt artikel 4, lid 2, onder a), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maakt dat hier integraal deel van uit.

4.

Elke partij waarborgt dat haar bevoegde autoriteiten alle in lid 2 beschreven onderzoeken afsluiten binnen een jaar na de datum waarop het is geopend.

5.

De partijen mogen een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts toepassen met inachtneming van de volgende beperkingen:

  • a. de maatregel mag enkel worden toegepast voor zover en zolang hij noodzakelijk is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en de aanpassing van de interne bedrijfstak te vergemakkelijken;
  • b. de maatregel mag niet langer dan twee jaar worden toegepast. Deze periode kan echter met maximaal twee jaar worden verlengd indien de bevoegde autoriteiten van de partij van invoer overeenkomstig de in dit artikel gespecificeerde procedures vaststellen dat de maatregel noodzakelijk blijft om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en de aanpassing van de interne bedrijfstak te vergemakkelijken, en er bewijs is dat de bedrijfstak zich aanpast, waarbij de totale toepassingsperiode van een vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van de initiële toepassingsperiode en elke verlenging daarvan, niet langer mag zijn dan vier jaar;
  • c. de maatregel mag niet worden toegepast na afloop van de overgangsperiode;
6.

Wanneer een partij een bilaterale vrijwaringsmaatregel niet langer toepast, is het douanerecht het recht dat overeenkomstig de lijst van die partij in bijlage XV bij deze overeenkomst bij ontbreken van de maatregel van kracht zou zijn geweest.

Artikel 167. Voorlopige maatregelen

In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, mag een partij een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen nadat voorlopig is vastgesteld dat er duidelijke bewijzen zijn voor een toename van de invoer van een goed van oorsprong uit de andere partij als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, en dat dergelijke invoer ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de interne bedrijfstak. De duur van een voorlopige maatregel mag niet meer bedragen dan tweehonderd dagen, gedurende welke periode de partij die de maatregel toepast, moet voldoen aan de voorschriften van artikel 166, leden 2 en 3, van deze overeenkomst. De partij betaalt onverwijld alle betaalde bedragen aan rechten terug die het douanerecht overschrijden dat in bijlage XV bij deze overeenkomst is vastgelegd, indien het in artikel 166, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde onderzoek niet uitwijst dat de voorwaarden van artikel 165 van deze overeenkomst zijn vervuld. De duur van een voorlopige maatregel wordt gerekend als een deel van de in artikel 166, lid 5, onder b), van deze overeenkomst vastgelegde periode.

Artikel 168. Compensatie
1.

Een partij die een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepast, treedt in overleg met de andere partij, teneinde overeenstemming te bereiken over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel die de vorm heeft van concessies met in wezen gelijkwaardige gevolgen voor de handel of die gelijkwaardig is aan de bijkomende rechten die de vrijwaringsmaatregel naar verwachting met zich zal brengen. De partij biedt uiterlijk dertig dagen na de toepassing van de bilaterale vrijwaringsmaatregel gelegenheid voor dergelijk overleg.

2.

Indien het in lid 1 bedoelde overleg niet binnen dertig dagen na aanvang ervan leidt tot overeenstemming over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel, mag de partij wier goederen voorwerp van de vrijwaringsmaatregel zijn, de toepassing opschorten van in wezen gelijkwaardige concessies aan de partij die de vrijwaringsmaatregel toepast.

3.

Het in lid 2 bedoelde opschortingsrecht wordt niet uitgeoefend in de eerste 24 maanden waarin een bilaterale vrijwaringsmaatregel van kracht is, mits de vrijwaringsmaatregel in overeenstemming is met deze overeenkomst.

Artikel 169. Definities

Voor de toepassing van deze afdeling:

  • b. wordt onder „overgangsperiode” een periode van tien jaar verstaan vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 3. TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN, NORMALISATIE, METROLOGIE, ACCREDITATIE EN CONFORMITEITSBEOORDELING

Artikel 170. Toepassingsgebied en definities
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de opstelling, aanneming en toepassing van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals omschreven in de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, hierna „TBT-Overeenkomst” genoemd, die in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst is opgenomen, welke de handel in goederen tussen de partijen kunnen beïnvloeden.

2.

Onverminderd lid 1 van dit artikel is dit hoofdstuk noch op sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (hierna „SPS-Overeenkomst” genoemd), die in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst is opgenomen, noch op de aankoopspecificaties die door overheidsinstanties zijn opgesteld om in hun eigen productie- of verbruiksbehoeften te voorzien, van toepassing.

3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage 1 bij de TBT-Overeenkomst.

Artikel 171. Bevestiging van TBT-Overeenkomst

De partijen bevestigen hun bestaande wederzijdse rechten en verplichtingen ingevolge de TBT-Overeenkomst, die hierbij in de onderhavige overeenkomst wordt opgenomen en hier deel van uitmaakt.

Artikel 172. Technische samenwerking
1.

De partijen versterken hun samenwerking op het gebied van normen, technische voorschriften, metrologie, markttoezicht, accreditatie en conformiteitsbeoordelingssystemen, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectieve systemen te verbeteren en de toegang tot hun respectieve markten te vergemakkelijken. Daartoe kunnen zij zowel op horizontaal als op sectorniveau dialogen over regelgeving tot stand brengen.

2.

Bij hun samenwerking streven de partijen ernaar om handelsbevorderende initiatieven in kaart te brengen, te ontwikkelen en te bevorderen die met name, doch niet uitsluitend, het volgende kunnen inhouden:

  • a. versterken van de samenwerking op regelgevingsgebied door de uitwisseling van gegevens en ervaringen alsmede door wetenschappelijke en technische samenwerking, teneinde de kwaliteit van hun technische voorschriften, normen, markttoezicht, conformiteitsbeoordeling en accreditatie te verbeteren en beter gebruik te maken van de beschikbare middelen op regelgevingsgebied;
  • b. bevorderen en aanmoedigen van samenwerking tussen hun respectieve openbare of particuliere organisaties voor metrologie, normalisatie, markttoezicht, conformiteitsbeoordeling en accreditatie;
  • c. bevorderen van de ontwikkeling van de kwaliteitsinfrastructuur voor normalisatie, metrologie, accreditatie, conformiteitsbeoordeling en van het systeem voor markttoezicht in de Republiek Moldavië;
  • d. bevorderen van de deelname van de Republiek Moldavië aan het werk van verwante Europese organisaties;
  • e. zoeken naar oplossingen voor technische handelsbelemmeringen die zich kunnen voordoen; en
  • f. hun standpunten afstemmen in internationale organisaties voor handel en regelgeving zoals de WTO en de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa, hierna „VN-ECE” genoemd.
Artikel 173. Aanpassing van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordeling
1.

De Republiek Moldavië neemt de maatregelen die nodig zijn om geleidelijk te komen tot conformiteit met de technische voorschriften, normen, metrologie, accreditatie, conformiteitsbeoordeling, bijbehorende systemen en het systeem voor markttoezicht van de Unie, en verbindt zich tot naleving van de beginselen en de praktijken die in het toepasselijke acquis van de Unie zijn neergelegd.

2.

Met het oog op het bereiken van de doelstellingen van lid 1:

  • a. neemt de Republiek Moldavië geleidelijk het toepasselijke acquis van de Unie op in haar wetgeving overeenkomstig de bepalingen van bijlage XVI bij deze overeenkomst; en
  • b. voert de Republiek Moldavië de benodigde administratieve en institutionele hervormingen door met het oog op het doeltreffende en transparante stelsel dat voor de uitvoering van dit hoofdstuk vereist is.
3.

De Republiek Moldavië onthoudt zich van wijziging van haar horizontale en sectorspecifieke wetgeving, tenzij wijziging plaatsvindt om die wetgeving geleidelijk aan het dienovereenkomstige acquis van de Unie aan te passen en die aanpassing te handhaven, en stelt de Unie van wijzigingen van haar nationale wetgeving in kennis.

4.

De Republiek Moldavië waarborgt dat haar desbetreffende nationale organen deelnemen aan Europese en internationale organisaties voor normalisatie, wettelijke en fundamentele metrologie en conformiteitsbeoordeling met inbegrip van accreditatie, overeenkomstig de respectieve werkzaamheden van die organen en de mogelijke deelnamestatus ervan.

5.

Met het oog op de integratie van haar normalisatiestelsel:

  • a. zet de Republiek Moldavië geleidelijk het geheel aan Europese normen (EN) om in nationale normen, met inbegrip van de geharmoniseerde Europese normen, waarvan het vrijwillige gebruik wordt vermoed in overeenstemming te zijn met de wetgeving van de Unie bij omzetting in de wetgeving van de Republiek Moldavië;
  • b. trekt de Republiek Moldavië gelijktijdig met deze omzetting daarmee strijdige nationale normen in; en
  • c. vervult de Republiek Moldavië geleidelijk de voorwaarden voor volwaardig lidmaatschap van de Europese organisaties voor normalisatie.
6.

Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst verstrekt de Republiek Moldavië de Unie jaarlijks verslagen over de maatregelen die zij overeenkomstig bijlage XVI bij deze overeenkomst heeft genomen. Indien in bijlage XVI bij deze overeenkomst vermelde handelingen niet binnen het daarin vastgestelde tijdschema zijn uitgevoerd, geeft de Republiek Moldavië een nieuw tijdschema voor de voltooiing van die handelingen aan. Bijlage XVI bij deze overeenkomst kan door de partijen worden aangepast.

Artikel 174. Overeenkomst inzake overeenstemmingsbeoordeling en aanvaarding van industrieproducten („OOA”)
1.

De partijen komen overeen dat zij uiteindelijk aan deze overeenkomst een overeenkomst inzake overeenstemmingsbeoordeling en aanvaarding van industrieproducten, hierna „OOA” genoemd, hechten in de vorm van een protocol, inzake de overeengekomen sectoren van de lijst in bijlage XVI bij deze overeenkomst waarvan toereikende aanpassing wordt aangenomen, na controle door de Unie dat de desbetreffende sectorspecifieke en horizontale wetgeving, instellingen en normen van de Republiek Moldavië volledig aan die van de Unie zijn aangepast. Het is de bedoeling dat de OOA uiteindelijk tot alle in bijlage XVI bij deze overeenkomst vermelde sectoren wordt uitgebreid.

2.

De OOA zal bepalen dat de handel tussen de partijen in producten in de door haar bestreken sectoren plaatsvindt onder dezelfde voorwaarden als die welke op de handel in dergelijke producten tussen de lidstaten van toepassing zijn.

Artikel 175. Merktekens en etikettering
1.

Onverminderd de artikelen 173 en 174 van deze overeenkomst bevestigen de partijen met betrekking tot de technische voorschriften voor de etikettering of merktekens opnieuw de beginselen van hoofdstuk 2.2 van de TBT-Overeenkomst dat die voorschriften niet moeten worden opgesteld, vastgesteld of toegepast met het oogmerk of gevolg dat er onnodige belemmeringen voor de internationale handel ontstaan. Daartoe mogen dergelijke voorschriften voor de etikettering of merktekens de handel niet meer beperken dan voor het bereiken van een legitieme doelstelling noodzakelijk is, waarbij acht moet worden geslagen op de risico's die zouden ontstaan wanneer niet aan die voorschriften wordt voldaan.

2.

Met betrekking tot verplichte etikettering of merktekens komen de partijen in het bijzonder overeen dat:

  • a. zij ernaar streven hun eisen inzake merktekens of etikettering tot een minimum te beperken, tenzij het om de overname van het acquis van de Unie op dit gebied en om de bescherming van de gezondheid, de veiligheid of het milieu, of om andere redelijke doelstellingen van overheidsbeleid gaat; en
  • b. zij gerechtigd blijven te verlangen dat de informatie op het etiket of merkteken in een bepaalde taal wordt gesteld.

HOOFDSTUK 4. SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN

Artikel 176. Doel
1.

Het doel van dit hoofdstuk is het bevorderen van de handel in handelsartikelen waarop tussen de partijen sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS-maatregelen) van toepassing zijn, en tegelijkertijd het leven of de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen door:

  • a. te zorgen voor volledige transparantie inzake de in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde maatregelen die op de handel van toepassing zijn;
  • b. het regelgevingsstelsel van de Republiek Moldavië aan te passen aan dat van de Unie;
  • c. de dier- en plantgezondheidsstatus van de partijen te erkennen en het regionalisatiebeginsel toe te passen;
  • d. een mechanisme voor de erkenning van de gelijkwaardigheid van de in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde, door een partij toegepaste maatregelen in te voeren;
  • f. mechanismen en procedures voor handelsbevordering in te voeren; en
  • g. de communicatie en samenwerking tussen de partijen inzake de in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde maatregelen te verbeteren.
2.

Dit hoofdstuk heeft tot doel tussen de partijen een consensus over de normen voor dierenwelzijn te bereiken.

Artikel 177. Multilaterale verplichtingen

De partijen herbevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomsten, en in het bijzonder de SPS-Overeenkomst.

Artikel 178. Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen van een partij die de handel tussen de partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden, met inbegrip van alle in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde maatregelen.

Artikel 179. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    1. „dieren”: dieren zoals omschreven in de Terrestrial Animal Health Code (Gezondheidscode voor landdieren) of de Aquatic Animal Health Code (Gezondheidscode voor waterdieren) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE);
    1. „dierlijke producten”: producten van dierlijke oorsprong, met inbegrip van producten van waterdieren zoals omschreven in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE;
    1. „niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten”: dierlijke producten als vermeld in bijlage XVII-A, deel 2 (II), bij deze overeenkomst;
    1. „planten”: levende planten en gespecificeerde levende delen daarvan, met inbegrip van zaden:
  • a. fruit, in botanische zin, ander dan diepgevroren;
  • b. groente, andere dan diepgevroren;
  • c. bollen, knollen en wortelstokken;
  • d. snijbloemen;
  • e. takken met loof;
  • f. gekapte bomen met loof;
  • g. plantenweefselculturen;
  • h. bladeren, loof;
  • i. levende pollen; en
  • j. enten, stekken, knoppen;
    1. „plantaardige producten”: producten van plantaardige oorsprong die niet zijn verwerkt of die een eenvoudige behandeling hebben ondergaan, voor zover het geen planten betreft die in bijlage XVII-A, deel 3, bij deze overeenkomst zijn vermeld;
    1. „zaden”: zaden in botanische zin, bestemd voor opplant;
    1. „plaagorganismen” of „schadelijke organismen”: alle soorten, stammen of biotypes van planten, dieren of ziekteverwekkers die schadelijk zijn voor planten of plantaardige producten;
    1. „beschermd gebied” voor een bepaald gereguleerd schadelijk organisme: een officieel afgebakend geografisch gebied in de Unie waarin dat organisme niet is gevestigd ondanks de gunstige omstandigheden en het feit dat het in andere delen van de Unie voorkomt;
    1. „dierziekte”: een klinisch of pathologisch besmettingsverschijnsel bij dieren;
    1. „ziekte bij aquacultuur”: klinische of niet-klinische besmetting met een of meer ziekteverwekkers van de ziekten die waterdieren treffen en die in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE worden genoemd;
    1. „besmetting bij dieren”: de situatie waarbij dieren drager zijn van een besmettelijk agens, ongeacht of zij klinische of pathologische besmettingsverschijnselen vertonen;
    1. „normen op het gebied van dierenwelzijn”: normen voor de bescherming van dieren zoals deze door de partijen zijn opgesteld en worden toegepast en in voorkomend geval overeenstemmen met de normen van het OIE;
    1. „regio”: voor wat diergezondheid betreft, gebieden of regio’s als omschreven in de Gezondheidscode voor landdieren van het OIE, en voor aquacultuur de gebieden als omschreven in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE. Voor de Unie wordt onder de term „grondgebied” of „land” het grondgebied van de Unie verstaan;
    1. „plaagorganismevrij gebied” (PVG): gebied waarin een specifiek plaagorganisme blijkens wetenschappelijk bewijs niet voorkomt en waarin, voor zover passend, deze hoedanigheid officieel in stand wordt gehouden;
    1. „zending”: een aantal levende dieren of een hoeveelheid dierlijke producten van hetzelfde type, waarvoor één certificaat of document is afgegeven, die met hetzelfde transportmiddel wordt vervoerd, die is verzonden door één afzender en die van oorsprong is uit dezelfde partij van uitvoer of gebied(en) van de partij. Een zending van dieren kan uit een of meer partijen bestaan. Een zending van dierlijke producten kan uit een of meer handelsartikelen of partijen bestaan;
    1. „zending van planten of plantaardige producten”: een hoeveelheid planten, plantaardige producten en/of andere materialen die van een partij naar de andere worden verplaatst, en waarvoor, indien nodig, één fytosanitair certificaat is afgegeven. Een zending kan uit een of meer handelsartikelen of partijen bestaan;
    1. „partij”: een aantal eenheden van een handelsartikel, dat herkenbaar is door de homogeniteit van de samenstelling en oorsprong ervan, en dat deel uitmaakt van een zending;
    1. „gelijkwaardigheid in het kader van het handelsverkeer” (gelijkwaardigheid): de situatie waarin de partij van invoer de in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde maatregelen van de partij van uitvoer als gelijkwaardig aanvaardt, ongeacht of zij verschillen van de eigen maatregelen van de partij van invoer, indien de partij van uitvoer jegens de partij van invoer objectief gezien aantoont dat haar maatregelen het adequate sanitaire en fytosanitaire beschermingsniveau of het aanvaardbare risiconiveau van de partij van invoer bereiken;
    1. „sector”: de productie- en handelsstructuur voor een product of productcategorie in een van de partijen;
    1. „subsector”: een welomschreven en gecontroleerd deel van een sector;
    1. „handelsartikel”: de producten of materialen die worden verplaatst voor handelsdoeleinden, met inbegrip van die bedoeld in de punten 2 tot en met 7;
    1. „specifieke invoervergunning”: een door de bevoegde autoriteiten van de partij van invoer aan een individuele importeur van tevoren verstrekte officiële vergunning voor de invoer van één enkele zending of verschillende zendingen van een handelsartikel uit de partij van uitvoer, dat binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt;
    1. „werkdagen”: weekdagen behalve zondag, zaterdag en feestdagen in een van de partijen;
    1. „inspectie”: het onderzoeken van elk aspect van diervoeders, levensmiddelen, diergezondheid en dierenwelzijn, teneinde na te gaan of deze aspecten voldoen aan de voorschriften van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;
    1. „fytosanitaire controle”: officieel onderzoek met het blote oog van planten, plantaardige producten of andere materialen waarvoor voorschriften bestaan, om te bepalen of er sprake is van plaagorganismen en/of te bepalen of er al dan niet aan de fytosanitaire voorschriften is voldaan;
    1. „verificatie”: toetsen, via onderzoek en inaanmerkingneming van objectief bewijsmateriaal, of aan specifieke vereisten is voldaan.
Artikel 180. Bevoegde autoriteiten

De partijen brengen elkaar op de hoogte van de structuur, organisatie en verdeling van bevoegdheden van hun bevoegde autoriteiten tijdens de eerste bijeenkomst van het in artikel 191 van deze overeenkomst bedoelde subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „SPS-subcomité” genoemd. De partijen stellen elkaar op de hoogte van elke verandering van de structuur, organisatie en verdeling van bevoegdheden, met inbegrip van de contactpunten, aangaande die bevoegde autoriteiten.

Artikel 181. Geleidelijke aanpassing
1.

De Republiek Moldavië past haar sanitaire en fytosanitaire wetgeving alsmede die op het gebied van dierenwelzijn geleidelijk aan aan die van de Unie zoals vastgelegd in bijlage XXIV bij deze overeenkomst.

2.

De partijen werken samen inzake geleidelijke aanpassing en capaciteitsopbouw.

3.

Het SPS-subcomité bewaakt op regelmatige basis de uitvoering van het aanpassingsproces zoals vastgelegd in bijlage XXIV bij deze overeenkomst, om de nodige aanbevelingen inzake aanpassing te kunnen geven.

4.

Uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst legt de Republiek Moldavië een lijst van de door de EU aangenomen sanitaire en fytosanitaire wetgeving alsmede die op het gebied van dierenwelzijn en andere wetgevende maatregelen voor waaraan zij haar wetgeving zal aanpassen. De lijst wordt onderverdeeld naar prioriteitsgebieden voor de maatregelen als omschreven in bijlage XVII bij deze overeenkomst, waarbij het handelsartikel of de groep handelsartikelen waarop de aangepaste maatregelen betrekking hebben wordt aangegeven. Deze aanpassingslijst dient als referentiedocument voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.

5.

De aanpassingslijst en de beginselen voor de beoordeling van de voortgang met de aanpassing zullen worden toegevoegd aan bijlage XXIV bij deze overeenkomst en zullen worden gebaseerd op de technische en financiële middelen van de Republiek Moldavië.

Artikel 182. Erkenning van diergezondheidsstatus en status inzake plaagorganismen alsmede van regionale omstandigheden in kader van handelsverkeer
1.

Wat dierziekten en besmettingen bij dieren (met inbegrip van zoönose) betreft, gelden onderstaande bepalingen:

  • a. de partij van invoer erkent, in het kader van het handelsverkeer, de diergezondheidsstatus van de partij van uitvoer of haar regio’s, zoals deze overeenkomstig de procedure van bijlage XIX, deel A, bij deze overeenkomst zijn vastgesteld, voor de in bijlage XVIII-A bij deze overeenkomst opgenomen dierziekten;
  • b. wanneer een partij meent dat zij voor haar grondgebied of een regio binnen haar grondgebied een bijzondere status heeft voor een bepaalde dierziekte die niet in bijlage XVIII-A bij deze overeenkomst is opgenomen, kan zij om erkenning van deze status verzoeken overeenkomstig de procedure van bijlage XIX, deel C, bij deze overeenkomst. De partij van invoer kan bij de invoer van levende dieren en dierlijke producten garanties eisen die in overeenstemming zijn met de overeengekomen status van de partijen;
  • c. de partijen erkennen als basis voor hun onderlinge handel de status van de grondgebieden of de regio’s, of de status in een sector of een subsector van de partijen met betrekking tot de prevalentie of incidentie van een niet in bijlage XVIII-A bij deze overeenkomst opgenomen dierziekte of, in voorkomend geval, van besmettingen bij dieren en/of het daaraan verbonden risico, zoals gedefinieerd door het OIE. De partij van invoer kan bij de invoer van levende dieren en dierlijke producten garanties eisen die in overeenstemming zijn met de overeenkomstig de aanbevelingen van het OIE vastgestelde status; en
  • d. onverminderd de artikelen 184, 186 en 190 van deze overeenkomst, en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om ondersteunende of bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt, neemt elke partij onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om handel mogelijk te maken op basis van de bepalingen van dit lid, onder a), b) en c).
2.

Wat plaagorganismen betreft, gelden onderstaande bepalingen:

  • a. de partijen erkennen in het kader van het handelsverkeer de status inzake plaagorganismen met betrekking tot de in bijlage XVIII-B bij deze overeenkomst opgenomen plaagorganismen als omschreven in bijlage XIX-B bij deze overeenkomst; en
  • b. onverminderd de artikelen 184, 186 en 190 van deze overeenkomst, en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om ondersteunende of bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt, neemt elke partij onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de handel mogelijk te maken op basis van de bepalingen van dit lid, onder a).
3.

De partijen erkennen de begrippen regionalisatie en PVG’s zoals omschreven in het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (IPPC) van 1997 en de internationale normen voor fytosanitaire maatregelen (ISPM’s) van de Voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), en beschermde gebieden, zoals gedefineerd in Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen, en komen overeen dat deze begrippen op de handel tussen hen van toepassing zijn.

4.

De partijen komen overeen dat regionalisatiebesluiten voor de in bijlage XVIII-A bij deze overeenkomst opgenomen dier- en visziekten en voor de in bijlage XVIII-B bij deze overeenkomst opgenomen plaagorganismen moeten worden genomen overeenkomstig de bepalingen van bijlage XIX, delen A en B, bij deze overeenkomst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)