Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds
Elke partij ziet erop toe dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser, een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen tegen de vermeende inbreukmaker dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien de interne wetgeving hierin voorziet op straffe van een dwangsom, tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat recht te verbieden, dan wel om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat voor schadeloosstelling van de houder van het recht zekerheid wordt gesteld. Onder dezelfde voorwaarden kan een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht.
Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd om de inbeslagneming of afgifte te kunnen gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.
De partijen zorgen ervoor dat, in geval van vermeende inbreuk op commerciële schaal en indien de indiener van het verzoek omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, de rechterlijke instanties conservatoir beslag kunnen laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn/haar bankrekeningen en andere tegoeden. Met het oog daarop kunnen de bevoegde instanties overlegging van bancaire, financiële of commerciële documenten of passende inzage van de desbetreffende informatie gelasten.
Artikel 323. Corrigerende maatregelen
Elke partij ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het betrokken recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, op zijn minst de definitieve onttrekking aan het handelsverkeer of de vernietiging kunnen gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken. In voorkomend geval kunnen de bevoegde rechterlijke instanties ook de vernietiging gelasten van materialen en werktuigen die hoofdzakelijk worden gebruikt voor het ontwerpen of vervaardigen van die goederen.
De rechterlijke instanties van de partijen kunnen gelasten dat deze maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
Artikel 324. Rechterlijke bevelen
Elke partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, wanneer een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is vastgesteld, een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker en tegen een tussenpersoon van wie de diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht kunnen uitvaardigen.
Artikel 325. Alternatieve maatregelen
De partijen kunnen bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties, in voorkomend geval en op verzoek van de persoon aan wie de in de artikelen 323 en/of 324 van deze overeenkomst vastgelegde maatregelen kunnen worden opgelegd, kunnen gelasten dat de maatregelen van deze twee artikelen niet worden toegepast, maar in plaats daarvan aan de benadeelde partij een geldelijke schadeloosstelling wordt betaald wanneer de betrokkene zonder opzet en zonder nalatigheid heeft gehandeld, uitvoering van de maatregelen hem/haar onevenredige schade zou berokkenen en geldelijke schadeloosstelling van de benadeelde partij redelijkerwijs toereikend lijkt.
Artikel 326. Schadevergoeding
Elke partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de benadeelde partij, de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten aan de houder van het recht een schadevergoeding te betalen die passend is voor de werkelijke schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden. De rechterlijke instanties die de hoogte van de schadevergoeding vaststellen:
- a. houden rekening met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in voorkomend geval, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden; of
- b. kunnen als alternatief voor het bepaalde onder a) in voorkomend geval de hoogte van de schadevergoeding vaststellen als een eenmalige vergoeding, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty's of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht in kwestie te gebruiken.
De partijen kunnen ten behoeve van de benadeelde partij bepalen dat de rechterlijke instanties invordering van winsten of betaling van een, eventueel vooraf vastgestelde, schadevergoeding kunnen gelasten, indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde.
Artikel 327. Gerechtskosten
Elke partij draagt er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de in het ongelijk gestelde partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.
Artikel 328. Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken
Elke partij draagt er zorg voor dat de rechterlijke instanties in rechtszaken wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van de informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van het ophangen en volledig of gedeeltelijk publiceren van de uitspraak.
Artikel 329. Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten
Voor de toepassing van de in deze afdeling bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:
- a. volstaat het voor de auteur van een werk van letterkunde of kunst, om als zodanig te worden beschouwd en derhalve het recht te hebben om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen, dat zijn/haar naam op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld, totdat bewijs van het tegendeel is geleverd;
- b. is het bepaalde onder a) van overeenkomstige toepassing op de houders van naburige rechten ten aanzien van hun beschermde materiaal.
ONDERAFDELING 2. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 330. Maatregelen aan grens
Tenzij in deze onderafdeling anders wordt bepaald, stelt elke partij procedures vast om een houder van een recht die geldige gronden heeft om te vermoeden dat goederen waarmee inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt31)Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „goederen waarmee inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt” verstaan:a.„namaakgoederen”, namelijk:i.goederen, met inbegrip van hun verpakking, waarop zonder toestemming een handelsmerk is aangebracht dat identiek is aan het naar behoren geregistreerde handelsmerk voor soortgelijke goederen of daarvan niet wezenlijk kan worden onderscheiden, en die zodoende inbreuk maken op de rechten van de houder van het betrokken merk;ii.beeldmerken zoals logo, etiket, sticker, prospectus, gebruiksaanwijzing of garantiebewijs, zelfs indien deze afzonderlijk worden aangeboden, waarvoor hetzelfde geldt als voor de onder i) bedoelde goederen;iii.afzonderlijk aangeboden verpakkingen waarop merken van nagemaakte goederen zijn aangebracht en waarvoor hetzelfde geldt als voor de onder i) bedoelde goederen;b.„door piraterij verkregen goederen”, namelijk goederen die kopieën zijn of bevatten die zijn gemaakt zonder instemming van de houder van een recht of een naar behoren door de houder gemachtigd persoon in het land van productie, die rechtstreeks of indirect van een artikel zijn gemaakt, wanneer het maken van die kopie een inbreuk op een al dan niet overeenkomstig de interne wetgeving geregistreerd auteursrecht of naburig recht dan wel recht inzake modellen zou hebben gevormd;c.goederen die volgens de wetgeving van de partij waar het verzoek om optreden van de douane wordt ingediend, inbreuk maken op een octrooi, een kwekersrecht of een geografische aanduiding., worden ingevoerd, uitgevoerd of wederuitgevoerd, het douanegebied worden binnen- of uitgebracht, onder een schorsingsregeling worden gebracht, in een vrije zone worden gebracht of in een vrij entrepot worden geplaatst, in staat te stellen bij de bevoegde – administratieve of gerechtelijke – instanties een schriftelijk verzoek in te dienen tot opschorting van het in het vrije verkeer brengen van deze goederen dan wel tot het vasthouden ervan door de douaneautoriteiten.
Elke partij ziet erop toe dat wanneer de douaneautoriteiten in de loop van hun optreden en voordat door een houder van een recht een aanvraag is ingediend of deze is gehonoreerd, voldoende gronden hebben om te vermoeden dat goederen een inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, zij het in het vrije verkeer brengen van de goederen kunnen opschorten of de goederen kunnen vasthouden teneinde de houder van het recht in staat te stellen een aanvraag voor een optreden uit hoofde van lid 1 in te dienen.
Rechten of verplichtingen die in de interne wetgeving voor de uitvoering van dit artikel en van afdeling 4 van deel III van de TRIPs-Overeenkomst zijn vastgesteld voor de importeur, zijn ook van toepassing op de exporteur of de houder van de goederen.
Elke partij bepaalt dat haar bevoegde autoriteiten van een houder van een recht die om de in lid 1 beschreven procedures verzoekt, verlangen dat hij voldoende bewijs levert om ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan te tonen dat er, ingevolge de wetgeving van de partij die de procedures heeft vastgelegd, prima facie sprake is van een inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrecht en dat hij voldoende van de informatie waarover hij redelijkerwijs mag worden geacht te beschikken, verstrekt om de verdachte goederen gemakkelijk herkenbaar te doen zijn voor de bevoegde autoriteiten. Het vereiste dat voldoende informatie wordt verstrekt, mag niet op onredelijke wijze weerhouden van gebruikmaking van de in lid 1 bedoelde procedures.
Teneinde vast te stellen of inbreuk is gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht, stelt het douanekantoor de houder van het recht op zijn/haar verzoek en voor zover deze informatie beschikbaar is, in kennis van de namen en adressen van zowel de geadresseerde en de afzender, als de aangever of houder van de goederen, alsmede van de oorsprong en de herkomst van de goederen die vermoedelijk inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten.
Het douanekantoor geeft de verzoeker ook de mogelijkheid de goederen waarvan de vrijgave is geschorst of die worden vastgehouden, te inspecteren. Het douanekantoor kan bij het onderzoek van de goederen, uitsluitend met het oog op analyse en louter teneinde het verdere verloop van de procedure te vergemakkelijken, monsters nemen en deze op verzoek van de houder van het recht aan hem/haar overhandigen of toezenden.
De douaneautoriteiten richten zich actief op, en identificeren, zendingen die goederen bevatten waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, waarbij zij risicoanalysetechnieken gebruiken. Zij zetten systemen voor nauwe samenwerking met houders van rechten op, met inbegrip van doeltreffende mechanismen om informatie te verzamelen voor de risicoanalyse.
De partijen komen overeen samen te werken om de internationale handel in goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten uit te roeien. In het bijzonder wisselen zij daartoe in voorkomend geval informatie uit en voorzien zij in samenwerking tussen hun bevoegde autoriteiten met betrekking tot de handel in goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten.
Voor goederen in doorvoer door het grondgebied van een partij die bestemd zijn voor de andere partij, verstrekt de eerstgenoemde partij informatie aan de laatstgenoemde partij om effectieve handhaving mogelijk te maken ten aanzien van zendingen van goederen waarvoor een vermoeden bestaat dat zij inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten.
Onverminderd andere vormen van samenwerking, zal Protocol III inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden van toepassing zijn met betrekking tot de leden 7 en 8 van dit artikel inzake schendingen van de douanewetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten.
Het in artikel 200 van deze overeenkomst bedoelde subcomité douane zorgt voor de goede werking en uitvoering van dit artikel.
Artikel 331. Gedragscodes
De partijen stimuleren:
- a. de ontwikkeling door handels- of beroepsverenigingen of -organisaties van gedragscodes die ten doel hebben bij te dragen tot de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten; en
- b. de indiening bij de bevoegde autoriteiten van de partijen van ontwerpgedragscodes en van evaluaties van de toepassing van deze gedragscodes.
Artikel 332. Samenwerking
De partijen komen overeen samen te werken ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk.
Onverminderd het bepaalde in titel VI (Financiële bijstand, fraudebestrijding en controle) van deze overeenkomst, strekt de samenwerking zich uit, maar is niet beperkt tot de volgende activiteiten:
- a. uitwisseling van informatie over het rechtskader met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten en de regels om deze te beschermen en te handhaven; uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de voortgang op wetgevingsgebied op die terreinen;
- b. uitwisseling van ervaringen en informatie over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
- c. uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de handhaving op centraal en subcentraal niveau door de douane, de politie en administratieve en gerechtelijke instanties; coördinatie ter voorkoming van de uitvoer van nagemaakte goederen, ook met andere landen;
- d. capaciteitsopbouw; uitwisseling en opleiding van personeel;
- e. bevordering en verspreiding van informatie over intellectuele-eigendomsrechten, onder meer in zakenkringen en het maatschappelijk middenveld; voorlichting van consumenten en houders van een recht;
- f. uitbreiding van institutionele samenwerking, bijvoorbeeld tussen bureaus voor intellectuele eigendom;
- g. actieve voorlichting aan en scholing van het grote publiek over het beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten; formulering van doeltreffende strategieën om te bepalen wat de belangrijkste doelgroepen zijn en vormgeving van communicatieprogramma's ter vergroting van het bewustzijn van de consument en de media over de impact van inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van het gevaar voor gezondheid en veiligheid en het verband met de georganiseerde misdaad.
HOOFDSTUK 10. MEDEDINGING
AFDELING 1. KARTELBESTRIJDING EN FUSIES
Artikel 333. Definities
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
-
- „mededingingsautoriteit”: voor de Unie de Europese Commissie, en voor de Republiek Moldavië de Mededingingsraad;
-
- „mededingingswetgeving”:
- a. voor de Unie de artikelen 101, 102 en 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de EG-concentratieverordening) en de uitvoeringsbepalingen of wijzigingen daarvan;
- b. voor de Republiek Moldavië mededingingswet nr. 183 van 11 juli 2012 en de uitvoeringsbepalingen of wijzigingen daarvan, en
- c. alle wijzigingen van de onder a) en b) bedoelde instrumenten na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.
Artikel 334. Beginselen
De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen. Zij erkennen dat concurrentieverstorende praktijken de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer kunnen ondergraven.
Artikel 335. Tenuitvoerlegging
Elke partij handhaaft op haar respectieve grondgebied uitgebreide mededingingswetgeving waarbij doeltreffend wordt opgetreden tegen concurrentieverstorende overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en eenzijdig concurrentieverstorend gedrag van ondernemingen met een aanzienlijke macht op de markt, en waarin wordt voorzien in een doeltreffend toezicht op concentraties.
Elke partij houdt een autoriteit in stand die onafhankelijk kan optreden en die beschikt over voldoende personele en financiële middelen om de in artikel 333, lid 2, bedoelde mededingingswetgeving doeltreffend te kunnen handhaven.
De partijen erkennen het belang van de toepassing van hun respectieve mededingingswetgeving op transparante en niet-discriminerende wijze, met inachtneming van de beginselen van een billijke rechtsgang en van het recht van verweer van de betrokken ondernemingen.
Artikel 336. Staatsmonopolies, openbare ondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend
Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk belet een partij overeenkomstig haar wetgeving staatsmonopolies of openbare ondernemingen aan te wijzen of in stand te houden, of aan ondernemingen bijzondere of uitsluitende rechten toe te kennen.
Elke partij ziet erop toe dat de in artikel 333, lid 2, bedoelde mededingingswetgeving van toepassing is op commerciële staatsmonopolies, openbare ondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend, voor zover de toepassing van die wetgeving de betrokken ondernemingen niet belemmert in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de hun toegewezen bijzondere taken van algemeen belang.
Artikel 337. Samenwerking en uitwisseling van informatie
De partijen erkennen het belang van samenwerking en coördinatie tussen hun respectieve mededingingsautoriteiten met het oog op het verbeteren van een doeltreffende handhaving van de mededingingswetgeving en het bereiken van de doelstellingen van deze overeenkomst door middel van de bevordering van de mededinging en de inperking van concurrentieverstorend gedrag van ondernemingen of concurrentieverstorende transacties.
Daartoe kan elke mededingingsautoriteit de andere mededingingsautoriteit in kennis stellen van haar bereidheid tot samenwerking bij het handhavend optreden door een van de partijen. Geen enkele partij mag het recht worden ontzegd om zelfstandig besluiten te nemen over de kwesties die het voorwerp van de samenwerking vormen.
Om de doeltreffende handhaving van hun respectieve mededingingswetgeving te vergemakkelijken, kunnen de mededingingsautoriteiten informatie uitwisselen, voor zover deze niet vertrouwelijk van aard is. Alle uitwisseling van informatie is onderworpen aan de in elke partij toepasselijke vertrouwelijkheidsnormen. Wanneer de partijen krachtens dit artikel informatie uitwisselen, nemen zij de beperkingen in acht die in hun respectieve jurisdicties voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.
Artikel 338. Geschillenbeslechting
De bepalingen over het geschillenbeslechtingsmechanisme in hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op deze afdeling.
AFDELING 2. STAATSSTEUN
Artikel 339. Algemene beginselen en toepassingsgebied
Staatssteun door de Unie of door de Republiek Moldavië of in welke vorm ook met middelen van een van de partijen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of van de productie van bepaalde goederen en diensten vervalst of dreigt te vervalsen, en die het handelsverkeer tussen de partijen ongunstig beïnvloedt, is onverenigbaar met deze overeenkomst.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op staatssteun voor de visserij, staatssteun voor producten die vallen onder bijlage 1 bij de Overeenkomst inzake de landbouw of andere vormen van steun die vallen onder de Overeenkomst inzake de landbouw.
Artikel 340. Beoordeling van staatssteun
De staatssteun wordt beoordeeld aan de hand van de criteria die voortvloeien uit de toepassing van de mededingingsregels die van toepassing zijn in de EU, in het bijzonder artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de besluiten die ter interpretatie hiervan door de instellingen van de EU zijn vastgesteld, met inbegrip van de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De verplichtingen uit hoofde van dit artikel vinden toepassing binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.
Artikel 341. Staatssteunwetgeving en staatssteunautoriteit
De partijen stellen wetgeving inzake het toezicht op staatssteun vast of handhaven deze, naar gelang het geval. Zij stellen tevens een autoriteit in die onafhankelijk kan optreden en waaraan de bevoegdheden worden verleend die nodig zijn voor het toezicht op staatssteun, of houden deze in stand, naar gelang het geval. Die autoriteit zal onder meer bevoegd zijn om toestemming te verlenen voor staatssteunregelingen en individuele staatssteunmaatregelen, en om terugvordering van onrechtmatig verleende staatssteun te gelasten.
Aan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel moet worden voldaan binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.
Alle vóór de instelling van de staatssteunautoriteit ingevoerde staatssteunregelingen worden aangepast binnen acht jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Onverminderd de andere hoofdstukken van deze overeenkomst wordt de aanpassingsperiode met betrekking tot de staatssteunregelingen die zijn ingevoerd uit hoofde van wet nr. 440-XV van de Republiek Moldavië van 27 juli 2001 inzake vrije economische zones, verlengd met ten hoogste tien jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.
Artikel 342. Transparantie
Elke partij zorgt voor transparantie op het gebied van staatssteun. Daartoe brengt elke partij met ingang van 1 januari 2016 om het andere jaar aan de andere partij verslag uit, op basis van de methodologie en de presentatie van het jaarlijkse EU-overzicht van staatssteun. Dat verslag wordt geacht te zijn uitgebracht wanneer de relevante informatie door of namens de partijen beschikbaar is gesteld op een openbaar toegankelijke website.
Wanneer een partij van oordeel is dat haar handelsbetrekkingen ongunstig worden beïnvloed door een concreet geval van door de andere partij verleende staatssteun, kan zij de andere partij verzoeken om informatie over het concrete geval van staatssteun.
Artikel 343. Vertrouwelijkheid
Bij het uitwisselen van informatie krachtens dit hoofdstuk nemen de partijen de beperkingen in acht die voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.
Artikel 344. Evaluatie
De partijen onderwerpen de aangelegenheden waarnaar in dit hoofdstuk wordt verwezen, aan een voortdurende evaluatie. Elke partij kan dergelijke aangelegenheden voorleggen aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst. De partijen komen overeen om, voor zover zij gezamenlijk niet anders besluiten, na de inwerkingtreding van deze overeenkomst om het andere jaar na te gaan welke vorderingen bij de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk zijn gemaakt.
HOOFDSTUK 11. HANDELSGERELATEERDE ENERGIE
Artikel 345. Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
-
- „energiegoederen”: ruwe olie (GS-code 27.09), aardgas (GS-code 27.11) en elektrische energie (GS-code 27.16);
-
- „vaste infrastructuur”: transmissie- of distributienetwerk, installaties voor vloeibaar aardgas of opslaginstallaties, als omschreven in Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en in Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit;
-
- „vervoer”: de transmissie en distributie, als omschreven in de Richtlijnen 2003/54 en 2003/55, alsmede het vervoer van olie via pijpleidingen;
-
- „ongeoorloofde toe-eigening”: welke activiteit dan ook bestaande in de wederrechtelijke toe-eigening van energiegoederen uit een vaste infrastructuur.
Artikel 346. Interne gereguleerde prijzen
Overeenkomstig het Protocol betreffende de toetreding van de Republiek Moldavië tot de Energiegemeenschap wordt de prijs voor de levering van gas en elektriciteit voor niet-huishoudelijke afnemers enkel door vraag en aanbod bepaald.
In afwijking van lid 1 kan een partij in het algemeen economisch belang32)De uitdrukking „algemeen economisch belang” dient te worden opgevat in dezelfde betekenis als in artikel 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in het bijzonder in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. aan ondernemingen een verplichting opleggen met betrekking tot de prijs waartegen aardgas en elektriciteit worden geleverd (hierna „gereguleerde prijs” genoemd). Wanneer niet-huishoudelijke afnemers er niet in slagen met een leverancier overeenstemming te bereiken over een prijs voor aardgas of elektriciteit die lager is dan of gelijk is aan de gereguleerde prijs voor aardgas of elektriciteit, zijn zij gerechtigd om met een leverancier een contract voor de levering van aardgas of elektriciteit af te sluiten tegen de gereguleerde prijzen die van toepassing zijn. Het staat niet-huishoudelijke afnemers hoe dan ook vrij om met ongeacht welke alternatieve leverancier over een contract te onderhandelen en dit af te sluiten.
De partij die overeenkomstig lid 2 een verplichting oplegt, draagt er zorg voor dat de verplichting duidelijk wordt omschreven en transparant, evenredig, niet-discriminerend, controleerbaar alsmede tijdelijk van aard is. Wanneer een partij een dergelijke verplichting oplegt, waarborgt zij eveneens dat andere ondernemingen gelijkelijk toegang tot de consumenten hebben.
Indien aardgas en elektriciteit op de interne markt worden verkocht tegen een door een partij gereguleerde prijs, waarborgt die partij dat de methode voor de berekening van de gereguleerde prijs wordt bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van de gereguleerde prijs.
Artikel 347. Verbod van dubbele prijsstelling
Onverminderd de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 346, leden 2 en 3, van deze overeenkomst gereguleerde prijzen op te leggen, treft of handhaaft een partij of een regelgevende autoriteit van een partij geen maatregelen die tot een hogere prijs voor de uitvoer van energiegoederen naar de andere partij leiden dan de prijs die voor die goederen in rekening wordt gebracht wanneer zij bestemd zijn voor intern verbruik.
De partij van uitvoer moet op verzoek van de andere partij aantonen dat een verschil in prijs tussen energiegoederen die op de interne markt worden verkocht en dezelfde goederen die voor de uitvoer zijn bestemd, niet het gevolg is van een ingevolge lid 1 verboden maatregel.
Artikel 348. Doorvoer
De partijen nemen alle maatregelen die nodig zijn om de doorvoer te vergemakkelijken, overeenkomstig het beginsel van de vrijheid van doorvoer en met de artikelen V.1, V.2, V.4 en V.5 van de GATT 1994 alsmede de artikelen 7.1 en 7.3 van het Energiehandvestverdrag, die in deze overeenkomst worden opgenomen en deel daarvan uitmaken.
Artikel 349. Vervoer
Wat het vervoer van elektriciteit en gas, en in het bijzonder de toegang van derde partijen tot vaste infrastructuur, betreft, passen de partijen hun wetgeving als bedoeld in bijlage VIII bij deze overeenkomst en in het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap aan, om te waarborgen dat de tarieven, die vóór de inwerkingtreding ervan bekend worden gemaakt, de procedures voor capaciteitstoewijzing en alle overige voorwaarden objectief, redelijk en transparant zijn en niet discriminerend zijn op grond van herkomst, eigendom of bestemming van de elektriciteit of het gas.
Artikel 350. Ongeoorloofde toe-eigening van goederen in doorvoer
Elke partij neemt alle maatregelen die nodig zijn om de ongeoorloofde toe-eigening, door een aan haar zeggenschap of jurisdictie onderworpen entiteit, van energiegoederen die over haar grondgebied worden doorgevoerd, te verbieden en aan te pakken.
Artikel 351. Ononderbroken doorvoer
Een partij grijpt niet in de doorvoer van energiegoederen over haar grondgebied in, tenzij het contract of een andere contractuele regeling waarin die doorvoer is geregeld, hiertoe specifieke bepalingen bevat.
Bij een geschil over een aangelegenheid waarbij de partijen dan wel een of meer aan de zeggenschap of jurisdictie van een van de partijen onderworpen entiteiten betrokken zijn, mag een partij over het grondgebied waarvan energiegoederen worden doorgevoerd, voordat een geschillenbeslechtingsprocedure in het kader van het desbetreffende contract of de desbetreffende contractuele regeling dan wel een spoedprocedure in het kader van bijlage XXXI bij deze overeenkomst of hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst is afgerond, die doorvoer niet onderbreken of beperken en evenmin toestaan dat aan haar zeggenschap of jurisdictie onderworpen entiteiten, staatshandelsondernemingen daaronder begrepen, die doorvoer onderbreken of beperken, behalve in de in lid 1 van dit artikel bedoelde omstandigheden.
Een partij kan op grond van dit artikel niet aansprakelijk worden gesteld voor een onderbreking of beperking van de doorvoer, wanneer zij ten gevolge van handelingen die aan een derde land of aan een onder de zeggenschap of jurisdictie van een derde land vallende entiteit kunnen worden toegerekend, niet in staat is energiegoederen te leveren of door te voeren.
Artikel 352. Doorvoerverplichting voor exploitanten
Elke partij waarborgt dat de exploitanten van vaste infrastructuur alle maatregelen treffen die nodig zijn om:
- a. het risico van onopzettelijke onderbreking of beperking van de doorvoer te minimaliseren, en
- b. de normale doorvoer die onopzettelijk werd onderbroken of beperkt, zo spoedig mogelijk weer doorgang te laten vinden.
Artikel 353. Regelgevende autoriteit voor aardgas en elektriciteit
Overeenkomstig Richtlijn 2003/55/EG en Richtlijn 2003/54/EG moet een regelgevende autoriteit op het gebied van aardgas en elektriciteit juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van alle andere openbare of particuliere entiteiten, en voldoende bevoegdheden hebben om een daadwerkelijke mededinging en een efficiënte werking van de markt te kunnen waarborgen.
De besluiten die een regelgevende autoriteit neemt en de procedures die zij toepast, zijn onpartijdig ten aanzien van alle marktdeelnemers.
Een door een besluit van een regelgevende autoriteit getroffen marktdeelnemer kan tegen dat besluit beroep aantekenen bij een van de betrokken partijen onafhankelijke beroepsinstantie. Wanneer de beroepsinstantie geen rechterlijke instantie is, moeten haar beslissingen altijd schriftelijk met redenen worden omkleed en tevens door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instantie kunnen worden getoetst. Beslissingen van beroepsinstanties worden op doeltreffende wijze ten uitvoer gelegd.
Artikel 354. Verhouding tot Verdrag tot oprichting van Energiegemeenschap
In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of de krachtens dat verdrag toepasselijke bepalingen van Unierecht hebben de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of de krachtens dat verdrag toepasselijke bepalingen van Unierecht voorrang, voor zover er sprake is van een dergelijke strijdigheid.
Bij de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk wordt de voorkeur gegeven aan de vaststelling van wetgeving of andere handelingen die in overeenstemming zijn met het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of die gebaseerd zijn op de binnen de Unie toepasselijke wetgeving. In geval van een geschil met betrekking tot dit hoofdstuk worden de wetgeving of andere handelingen die aan die criteria voldoen, geacht met dit hoofdstuk overeen te stemmen. Bij de beoordeling of de wetgeving of andere handelingen aan die criteria voldoen, wordt acht geslagen op alle relevante besluiten die in het kader van artikel 91 van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap zijn genomen.
Geen van de partijen zal de geschillenbeslechtingsbepalingen van deze overeenkomst gebruiken om zich op schending van de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap te beroepen.
HOOFDSTUK 12. TRANSPARANTIE
Artikel 355. Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
-
- „algemene maatregelen”: wetten, voorschriften, gerechtelijke uitspraken, procedures en administratieve beschikkingen van algemene aard, alsmede alle andere algemene of abstracte handelingen, interpretaties of andere vereisten die gevolgen kunnen hebben voor enige onder titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallende aangelegenheid. Hieronder valt niet een besluit dat op een bepaalde persoon van toepassing is;
-
- „belanghebbende”: iedere natuurlijke of rechtspersoon op wie rechten en verplichtingen uit hoofde van een algemene maatregel in de zin van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst van toepassing kunnen zijn.
Artikel 356. Doelstelling en toepassingsgebied
De partijen erkennen dat de regelgeving gevolgen voor hun onderlinge handel en investeringen kan hebben en zorgen daarom voor voorspelbare regelgeving voor marktdeelnemers en voor efficiënte procedures, waarbij zij naar behoren rekening houden met de eisen van rechtszekerheid en evenredigheid.
Artikel 357. Bekendmaking
Elke partij zorgt ervoor dat algemene maatregelen:
- a. snel en gemakkelijk toegankelijk zijn via een officieel aangewezen medium en, wanneer dit haalbaar is, langs elektronische weg, zodat ieder zich ermee vertrouwd kan maken;
- b. een toelichting op het doel en de motivering ervan verstrekken, en
- c. voldoende tijd tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding ervan bieden, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen.
Elke partij:
- a. streeft ernaar voorstellen tot vaststelling of wijziging van algemene maatregelen, met inbegrip van een toelichting op het doel en de motivering van het voorstel, in een voldoende vroeg stadium bekend te maken;
- b. biedt belanghebbenden redelijke mogelijkheden en in het bijzonder voldoende tijd om opmerkingen te maken over het voorstel, en
- c. streeft ernaar rekening te houden met de opmerkingen over het voorstel die zij van de belanghebbenden ontvangt.
Artikel 358. Vragen en contactpunten
Om de communicatie tussen de partijen over alle onder titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallende aangelegenheden te vergemakkelijken, wijst elke partij een contactpunt aan dat zich bezighoudt met de coördinatie.
Elke partij voert passende mechanismen in, of handhaaft deze, om vragen van enig persoon over voorgestelde of van kracht zijnde algemene maatregelen en over de toepassing daarvan te beantwoorden. De vragen kunnen worden ingediend via het krachtens lid 1 opgerichte contactpunt of via een ander geschikt mechanisme.
De partijen erkennen dat de in lid 2 bedoelde antwoorden niet altijd definitief en juridisch bindend zijn, maar alleen ter informatie worden gegeven, tenzij in hun wet- en regelgeving anders wordt bepaald.
Op verzoek van de ene partij verstrekt de andere partij onverwijld informatie en beantwoordt zij terstond vragen met betrekking tot een algemene maatregel die of een voorstel tot vaststelling of wijziging van een algemene maatregel dat volgens de verzoekende partij van invloed kan zijn op de werking van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, ongeacht of de verzoekende partij voordien van die maatregel in kennis was gesteld.
Artikel 359. Uitvoering van algemene maatregelen
Elke partij voert alle algemene maatregelen objectief, onpartijdig en op redelijke wijze uit. Wanneer een partij daartoe in specifieke gevallen dergelijke maatregelen op bepaalde personen, goederen of diensten van de andere partij toepast,
- a. streeft zij ernaar belanghebbenden voor wie een procedure rechtstreeks gevolgen heeft, tijdig en overeenkomstig haar procedures in kennis te stellen van de inleiding van een procedure, met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de rechtsgrondslag voor de inleiding van de procedure en een algemene beschrijving van de aangelegenheden waarover het geschil gaat;
- b. biedt zij belanghebbenden een redelijke mogelijkheid om feiten en argumenten ter ondersteuning van hun standpunten naar voren te brengen voordat een definitieve administratieve maatregel wordt genomen, indien de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dit toelaten, en
- c. ziet zij erop toe dat haar procedures gebaseerd zijn op de wet en in overeenstemming hiermee worden toegepast.
Artikel 360. Herziening en beroep
Elke partij stelt rechterlijke, scheidsrechterlijke of administratieve instanties of procedures in, of handhaaft deze, met het oog op een onverwijlde herziening en, indien gerechtvaardigd, correctie van de administratieve maatregel met betrekking tot onder titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallende aangelegenheden. De instanties of procedures zijn onpartijdig en onafhankelijk van de dienst of de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving, en de verantwoordelijken ervoor hebben geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid.
Elke partij zorgt ervoor dat de procespartijen bij dergelijke instanties of in dergelijke procedures:
- a. over een redelijke mogelijkheid beschikken om hun respectieve standpunten te onderbouwen of te verdedigen, en
- b. een beslissing krijgen die is gebaseerd op het bewijsmateriaal en de ingediende stukken, of, indien de wet van een partij dat vereist, op het door de administratieve autoriteit samengestelde dossier.
Elke partij zorgt ervoor dat, behoudens beroep of latere herziening overeenkomstig de wet, de beslissing ten uitvoer wordt gelegd door de dienst of de autoriteit die voor de administratieve maatregel ter zake bevoegd is en dat die beslissing ook ten grondslag komt te liggen aan de praktijk van de dienst of autoriteit ter zake.
Artikel 361. Regelgevingskwaliteit en -efficiency en behoorlijk bestuurlijk gedrag
De partijen komen overeen samen te werken bij de bevordering van de kwaliteit en efficiency van de regelgeving, onder meer door de uitwisseling van informatie en beste praktijken over hun respectieve regelgevingsbeleid en regelgevingseffectbeoordelingen.
De partijen onderschrijven de beginselen van behoorlijk bestuurlijk gedrag33)Zoals tot uitdrukking gebracht in de Aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten inzake behoorlijk bestuur, CM/Rec(2007)7 van 20 juni 2007. en komen overeen samen te werken bij de bevordering daarvan, onder meer door de uitwisseling van informatie en beste praktijken.
Artikel 362. Specifieke voorschriften
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden onverminderd de specifieke voorschriften inzake transparantie die in andere hoofdstukken van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn vastgesteld.
HOOFDSTUK 13. HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING
Artikel 363. Context en doelstellingen
De partijen herinneren aan de Agenda 21 van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling van 1992, de Verklaring van de ILO over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk van 1998, het Uitvoeringsplan van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 2002, de Ministeriële Verklaring van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties van 2006 inzake het genereren van volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen, en de Verklaring van de ILO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008. De partijen herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze bijdraagt aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling, voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties, en om erop toe te zien dat die doelstelling wordt geïntegreerd in en tot uitdrukking komt op elk niveau van hun handelsbetrekkingen.
De partijen herbevestigen hun verbintenis om te streven naar duurzame ontwikkeling en erkennen dat economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming de nauw met elkaar samenhangende en elkaar wederzijds versterkende pijlers daarvan zijn. Zij benadrukken de voordelen die het inhoudt wanneer handelsgerelateerde vraagstukken op het gebied van arbeid34)Wanneer in dit hoofdstuk wordt verwezen naar „arbeid” en „werknemers”, gaat het om kwesties die betrekking hebben op de in het kader van de Verklaring van de ILO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008 overeengekomen strategische doelstellingen van de ILO, door middel waarvan het Programma voor fatsoenlijk werk tot uitdrukking wordt gebracht. en milieu als onderdeel van een wereldwijde aanpak van handel en duurzame ontwikkeling worden beschouwd.
Artikel 364. Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus
De partijen erkennen het recht van elke partij haar eigen beleid en prioriteiten voor duurzame ontwikkeling en haar eigen niveaus van interne milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen, en dienovereenkomstig haar wetgeving en beleid ter zake vast te stellen of te wijzigen, overeenkomstig hun verbintenissen op grond van internationaal erkende normen en overeenkomsten als bedoeld in de artikelen 365 en 366 van deze overeenkomst.
In die context streeft elke partij ernaar te waarborgen dat haar wetgeving en beleid voorzien in hoge beschermingsniveaus voor milieu en werknemers, en deze bevorderen, en streeft zij ook naar een voortdurende verbetering van die wetgeving en dat beleid en de onderliggende beschermingsniveaus.
Artikel 365. Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten
De partijen erkennen dat volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen de hoofdelementen zijn voor het zoeken naar oplossingen voor aangelegenheden in verband met de mondialisering, en herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze tot volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen leidt. In die context verbinden de partijen zich ertoe waar nodig elkaar te raadplegen en samen te werken bij handelsgerelateerde arbeidsvraagstukken van wederzijds belang.
Overeenkomstig hun verplichtingen als ILO-lid en de Verklaring van de ILO over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk en de follow-up daarvan van 1998 verbinden de partijen zich ertoe in hun wetgeving en praktijk en op hun gehele grondgebied de internationaal erkende fundamentele arbeidsnormen, zoals die zijn vervat in de fundamentele ILO-verdragen, te eerbiedigen, te bevorderen en te verwezenlijken, en in het bijzonder:
- a. de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen;
- b. de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;
- c. de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid, en
- d. de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.
De partijen herbevestigen hun verbintenis de door de lidstaten respectievelijk de Republiek Moldavië geratificeerde fundamentele, prioritaire en andere ILO-verdragen op doeltreffende wijze in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.
De partijen overwegen eveneens de resterende prioritaire en andere verdragen die door de ILO als bijgewerkt zijn geclassificeerd, te ratificeren. In die context wisselen de partijen regelmatig informatie uit over hun respectieve situatie en voortgang in het ratificatieproces.
De partijen erkennen dat de schending van de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk niet als legitiem relatief voordeel mag worden ingeroepen of op andere wijze als zodanig mag worden gebruikt, en dat de arbeidsnormen niet voor protectionistische handelsdoeleinden mogen worden gebruikt.
Artikel 366. Multilaterale governance en overeenkomsten op milieugebied
De partijen erkennen de waarde van internationale governance en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieuproblemen, en zij benadrukken de noodzaak de wederzijdse ondersteuning van handels- en milieubeleid te versterken. In die context verbinden de partijen zich ertoe waar nodig elkaar te raadplegen en samen te werken met betrekking tot onderhandelingen over handelsgerelateerde milieuvraagstukken en met betrekking tot andere handelsgerelateerde milieuaangelegenheden van wederzijds belang.
De partijen herbevestigen hun verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten (MMO's) waarbij zij partij zijn, op doeltreffende wijze in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.
De partijen wisselen regelmatig informatie uit over hun respectieve situatie en voortgang met betrekking tot de ratificatie van de MMO's of de wijzigingen daarvan.
De partijen herbevestigen hun verbintenis ten aanzien van het bereiken van de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorende Protocol van Kyoto. Zij verbinden zich ertoe samen te werken bij de ontwikkeling van het toekomstige internationale kader inzake klimaatverandering uit hoofde van het UNFCCC en de daarmee verband houdende overeenkomsten en besluiten.
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst staat eraan in de weg dat de partijen maatregelen vaststellen of handhaven ter tenuitvoerlegging van de MMO's waarbij zij partij zijn, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen niet worden toegepast op een manier die een willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of een verkapte beperking van het handelsverkeer zou betekenen.
Artikel 367. Handel en investeringen ter bevordering van duurzame ontwikkeling
De partijen herbevestigen hun verbintenis om de bijdrage van de handel aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht te versterken. Dienovereenkomstig:
- a. erkennen zij het positieve effect dat fundamentele arbeidsnormen en fatsoenlijk werk op economische efficiëntie, innovatie en productiviteit kunnen hebben, en zetten zij zich in voor een grotere politieke coherentie tussen het handelsbeleid enerzijds en het arbeidsbeleid anderzijds;
- b. streven zij ernaar de handel en de investeringen in milieugoederen en -diensten te vergemakkelijken en te bevorderen, onder meer door de aanpak van niet-tarifaire belemmeringen ter zake;
- c. streven zij ernaar het wegnemen van handels- en investeringsbelemmeringen met betrekking tot goederen en diensten die van bijzonder belang zijn voor de vermindering van de gevolgen van klimaatverandering, zoals duurzame hernieuwbare energie en energiezuinige producten en diensten, te vergemakkelijken, onder meer door de vaststelling van beleidskaders die bevorderlijk zijn voor de toepassing van de beste beschikbare technologieën en door de bevordering van normen die aan de ecologische en economische behoeften beantwoorden en die de technische handelsbelemmeringen tot een minimum terugdringen;
- d. komen zij overeen de handel in goederen die bijdragen tot betere sociale voorwaarden en milieuvriendelijker praktijken, waaronder producten die onder vrijwillige duurzaamheidsregelingen vallen, zoals programma's voor eerlijke en ethische handel, milieukeurmerken en certificeringsregelingen voor op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten, te bevorderen;
- e. komen zij overeen maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, onder meer door de uitwisseling van informatie en van beste praktijken. In dat verband beroepen zij zich op de internationaal erkende beginselen en richtsnoeren ter zake, zoals de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, het „Global Compact”-initiatief van de Verenigde Naties en de Tripartiete beginselverklaring van de ILO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid.
Artikel 368. Biologische diversiteit
De partijen erkennen dat het van belang is zorg te dragen voor de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit als hoofdelement voor het bereiken van duurzame ontwikkeling, en herbevestigen hun verbintenis tot instandhouding en duurzaam gebruik van biologische diversiteit uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit en andere relevante internationale instrumenten waarbij zij partij zijn.
Daartoe verbinden de partijen zich ertoe:
- a. de handel in op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten die zijn verkregen door een duurzaam gebruik van biologische hulpbronnen te bevorderen en bij te dragen tot de instandhouding van de biodiversiteit;
- b. informatie uit te wisselen over activiteiten inzake de handel in op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten die erop gericht zijn het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en de druk op de biodiversiteit te verminderen, en, in voorkomend geval, samen te werken om het effect van hun respectieve beleidsmaatregelen te optimaliseren en de wederzijdse ondersteuning daarvan te waarborgen;
- c. te bevorderen dat soorten waarvan de staat van instandhouding bedreigd wordt geacht, worden opgenomen in de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites), en
- d. op regionaal en mondiaal niveau samen te werken met het oog op de bevordering van de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit in natuurlijke of agrarische ecosystemen, met inbegrip van bedreigde soorten en hun habitat, speciaal beschermde natuurgebieden en genetische diversiteit, het herstel van de ecosystemen en de eliminatie of de vermindering van de negatieve milieueffecten als gevolg van het gebruik van levende en niet-levende natuurlijke hulpbronnen of van ecosystemen.
Artikel 369. Duurzaam bosbeheer en handel in bosbouwproducten
De partijen erkennen dat het van belang is zorg te dragen voor het behoud en het duurzame beheer van de bossen en erkennen het belang van de bijdrage van de bossen aan de economische, ecologische en sociale doelstellingen van de partijen.
Daartoe verbinden de partijen zich ertoe:
- a. de handel in hout afkomstig uit op duurzame wijze beheerde bossen, dat is gekapt overeenkomstig de nationale wetgeving van het land van houtkap, te bevorderen. Een mogelijke maatregel in dat verband is de sluiting van een vrijwillige partnerschapsovereenkomst inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw;
- b. informatie uit te wisselen over maatregelen ter bevordering van het verbruik van hout en houtproducten afkomstig uit op duurzame wijze beheerde bossen, en, in voorkomend geval, samen te werken bij de opstelling van dergelijke maatregelen;
- c. in voorkomend geval maatregelen ter bevordering van de instandhouding van de bosbedekking en ter bestrijding van illegale houtkap en de daaraan gerelateerde handel, onder meer ten aanzien van derde landen, vast te stellen;
- d. informatie uit te wisselen over activiteiten ter verbetering van de governance op bosbouwgebied en, in voorkomend geval, samen te werken om het effect van hun respectieve beleidsmaatregelen die erop gericht zijn illegaal gekapt hout en producten daarvan van de handelsstromen uit te sluiten, te optimaliseren en de wederzijdse ondersteuning daarvan te waarborgen;
- e. te bevorderen dat houtsoorten waarvan de staat van instandhouding bedreigd wordt geacht, worden opgenomen in de Cites, en
- f. op regionaal en mondiaal niveau samen te werken met het oog op de bevordering van de instandhouding van de bosbedekking en het duurzame beheer van alle soorten bossen, met toepassing van certificering ter bevordering van het verantwoord beheer van de bossen.
Artikel 370. Handel in visproducten
Gelet op het belang van het waarborgen van een verantwoord en duurzaam beheer van de visbestanden, alsmede van het bevorderen van goede governance in de handel, verbinden de partijen zich ertoe:
- a. beste praktijken met betrekking tot visserijbeheer, met het oog op de instandhouding en het duurzame beheer van de visbestanden, op basis van de ecosysteemaanpak, te bevorderen;
- b. doeltreffende maatregelen voor de monitoring van en de controle op visserijactiviteiten te treffen;
- c. zorg te dragen voor de volledige naleving van de toepasselijke door regionale organisaties voor visserijbeheer vastgestelde instandhoudings- en controlemaatregelen, en zoveel mogelijk met en binnen die organisaties samen te werken, en
- d. samen te werken bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO-) visserij en visserijgerelateerde activiteiten door middel van uitgebreide, doeltreffende en transparante maatregelen. De partijen voeren tevens beleid en maatregelen uit om IOO-producten van de handelsstromen uit te sluiten en van hun markten te weren.
Artikel 371. Handhaving van beschermingsniveaus
De partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door de beschermingsniveaus waarin hun respectieve milieu- en arbeidswetgeving voorziet, te verlagen.
De partijen zien niet af van toepassing van of wijken niet af van, of bieden niet aan af te zien van toepassing van of af te wijken van, hun milieu- en arbeidswetgeving op zodanige wijze dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of de plaatsing, de overname, de uitbreiding of de handhaving van een investering van een investeerder op hun respectieve grondgebied.
De partijen doen niet zodanig afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van hun respectieve milieu- en arbeidswetgeving door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of investeringen.
Artikel 372. Wetenschappelijke informatie
Bij de opstelling en tenuitvoerlegging van op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen negatief kunnen beïnvloeden, houden de partijen rekening met de beschikbare wetenschappelijke en technische informatie alsmede de relevante internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen, indien voorhanden, waaronder het voorzorgsbeginsel.
Artikel 373. Transparantie
Elke partij ziet er, overeenkomstig haar interne wetgeving en hoofdstuk 12 (Transparantie) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, op toe dat alle op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen negatief kunnen beïnvloeden, op transparante wijze worden opgesteld, ingevoerd en ten uitvoer gelegd, dat zij tijdig worden aangekondigd, dat hierover een openbare raadpleging wordt gehouden en dat niet-overheidsactoren op passende wijze tijdig worden geïnformeerd en geconsulteerd.
Artikel 374. Evaluatie van effecten op duurzaamheid
De partijen verbinden zich ertoe de effecten van de tenuitvoerlegging van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op de duurzame ontwikkeling te evalueren, te beoordelen en te monitoren via hun bestaande participatieprocessen en participatieve instellingen en die welke in het kader van deze overeenkomst in het leven zijn geroepen, bijvoorbeeld door handelsgerelateerde beoordelingen van de effecten op de duurzaamheid.
Artikel 375. Samenwerking bij handel en duurzame ontwikkeling
De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van handelsgerelateerde aspecten van het milieu- en arbeidsbeleid teneinde de doelstellingen van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst te verwezenlijken. Zij kunnen samenwerken op onder meer de volgende gebieden:
- a. arbeids- of milieuaspecten van handel en duurzame ontwikkeling in internationale fora, waaronder in het bijzonder de WTO, de ILO, het VN-milieuprogramma en MMO's;
- b. methoden en indicatoren voor handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordelingen;
- c. effecten van arbeids- en milieuvoorschriften, -normen en -standaarden op handel en investeringen, evenals effecten van handels- en investeringsvoorschriften op de arbeids- en milieuwetgeving, met inbegrip van de opstelling van arbeids- en milieuvoorschriften en arbeids- en milieubeleid;
- d. positieve en negatieve effecten van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op duurzame ontwikkeling en manieren om deze effecten te versterken, te voorkomen of te verzachten, waarbij tevens rekening wordt gehouden met door een van de partijen of beide partijen verrichte duurzaamheidseffectbeoordelingen;
- e. bevordering van de ratificatie en de doeltreffende tenuitvoerlegging van de fundamentele, prioritaire en andere bijgewerkte ILO-verdragen en de MMO's die in een handelscontext van belang zijn;
- f. bevordering van particuliere en openbare certificerings-, traceerbaarheids- en keurmerksystemen, waaronder milieukeuren;
- g. bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, bijvoorbeeld door middel van bewustmakingsacties en onderschrijving, tenuitvoerlegging en follow-up van internationaal erkende richtsnoeren en beginselen;
- h. handelsgerelateerde aspecten van het ILO-Programma voor fatsoenlijk werk, daaronder begrepen het verband tussen handel en volledige en productieve werkgelegenheid, het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt, de fundamentele arbeidsnormen, de arbeidsstatistieken, de ontwikkeling van menselijk potentieel en een leven lang leren, sociale bescherming en sociale integratie, sociale dialoog en gelijke kansen voor mannen en vrouwen;
- i. handelsgerelateerde aspecten van MMO's, met inbegrip van douanesamenwerking;
- j. handelsgerelateerde aspecten van de huidige en toekomstige internationale regeling in verband met klimaatverandering, met inbegrip van middelen om koolstofarme technologieën en energie-efficiëntie te bevorderen;
- k. handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit;
- l. handelsgerelateerde maatregelen ter bestrijding van ontbossing, met inbegrip van de aanpak van problemen in verband met illegale houtkap, en
- m. handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van duurzamevisserijmethoden en de handel in producten afkomstig uit duurzaam beheerde visbestanden.
Artikel 376. Institutionele en toezichtmechanismen
Elke partij wijst binnen haar diensten een instantie aan voor de contacten met de andere partij over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.
Er wordt een subcomité Handel en duurzame ontwikkeling opgericht. Het subcomité brengt verslag over zijn activiteiten uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst. Het comité bestaat uit hoge ambtenaren van elke partij.
Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling komt binnen het eerste jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, en vervolgens wanneer het nodig is, om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk, met inbegrip van de op grond van artikel 375 van deze overeenkomst verrichte samenwerkingsactiviteiten. Het subcomité stelt zijn eigen reglement van orde vast.
Elke partij roept een of meer nieuwe interne adviesgroepen voor duurzame ontwikkeling bijeen of raadpleegt een of meer bestaande interne adviesgroepen voor duurzame ontwikkeling, die tot taak hebben advies over kwesties in verband met dit hoofdstuk te verlenen. Deze groep (groepen) kan (kunnen), ook op eigen initiatief, standpunten kenbaar maken of aanbevelingen doen over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.
De interne adviesgroep(en) bestaat (bestaan) uit onafhankelijke representatieve organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met een evenwichtige vertegenwoordiging van belanghebbenden op economisch, sociaal en milieugebied, met inbegrip van onder meer werkgevers- en werknemersorganisaties, niet-gouvernementele organisaties, ondernemingsgroepen alsmede andere belanghebbenden ter zake.
Artikel 377. Gezamenlijk forum voor dialoog met maatschappelijk middenveld
De partijen bevorderen de oprichting van een gezamenlijk forum met op hun grondgebied gevestigde maatschappelijke organisaties, waaronder leden van hun interne adviesgroep(en) en het grote publiek, om een dialoog te voeren over de duurzameontwikkelingsaspecten van deze overeenkomst. De partijen bevorderen een evenwichtige vertegenwoordiging van de belangen ter zake, waaronder die van onafhankelijke representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, milieuorganisaties en ondernemingsgroepen, en in voorkomend geval van andere belanghebbenden ter zake.
Het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld wordt eenmaal per jaar bijeengeroepen, tenzij de partijen anders overeenkomen. De partijen bereiken uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst overeenstemming over de werkwijze van het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld.
De partijen leggen de meest recente gegevens over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk voor aan het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld. De standpunten en meningen van het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld worden aan de partijen voorgelegd en worden openbaar gemaakt.
Artikel 378. Overleg op regeringsniveau
Voor alle aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen, maken de partijen enkel gebruik van de in dit artikel en artikel 379 van deze overeenkomst vastgestelde procedures.
Een partij kan om overleg met de andere partij verzoeken over elke aangelegenheid die zich in verband met dit hoofdstuk voordoet, door bij het contactpunt van de andere partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. In het verzoek moet de aangelegenheid helder worden uiteengezet, door het desbetreffende probleem te omschrijven en een korte samenvatting te geven van de op grond van dit hoofdstuk geldend gemaakte rechten. Het overleg begint onverwijld na de indiening van het verzoek om overleg.
De partijen doen alles wat in hun vermogen ligt om de aangelegenheid op een voor beide partijen bevredigende wijze op te lossen. Zij houden rekening met de werkzaamheden van de ILO of van multilaterale milieuorganisaties of -instanties ter zake, teneinde een grotere samenwerking en meer samenhang tussen het werk van de partijen en die organisaties te bevorderen. In voorkomend geval kunnen de partijen advies inwinnen van die organisaties of instanties, of van elke persoon die of elk orgaan dat zij geschikt achten om de aangelegenheid volledig te onderzoeken.
Indien een partij van oordeel is dat de aangelegenheid verder moet worden besproken, kan zij verzoeken het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling voor behandeling van de aangelegenheid bijeen te roepen door hiertoe een schriftelijk verzoek in te dienen bij het contactpunt van de andere partij. Dat subcomité komt onverwijld bijeen en probeert overeenstemming te bereiken over een oplossing van de aangelegenheid.
Dat subcomité kan in voorkomend geval advies inwinnen van de interne adviesgroep(en) van een van de of van beide partijen of zich door andere deskundigen laten bijstaan.
Alle oplossingen die door de overleggende partijen ter zake worden bereikt, worden openbaar gemaakt.
Artikel 379. Deskundigenpanel
Elke partij kan vanaf negentig dagen na de indiening van een verzoek om overleg ingevolge artikel 378, lid 2, van deze overeenkomst verzoeken een deskundigenpanel bijeen te roepen om een aangelegenheid die tijdens het overleg op regeringsniveau niet op bevredigende wijze werd opgelost, te onderzoeken.
De bepalingen van de onderafdelingen 1 en 3 van afdeling 3 en artikel 406 van hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, alsmede de procedureregels in bijlage XXXIII bij deze overeenkomst en de gedragscode voor arbiters en bemiddelaars („gedragscode”), die is vastgelegd in bijlage XXXIV bij deze overeenkomst, zijn van toepassing, tenzij in dit artikel anders wordt bepaald.
Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling stelt op zijn eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst van ten minste vijftien personen op die bereid en in staat zijn om op te treden als deskundigen in het kader van panelprocedures. Elke partij draagt ten minste vijf personen voor die als deskundigen kunnen optreden. De partijen kiezen bovendien ten minste vijf personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en als voorzitter van het deskundigenpanel kunnen fungeren. Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling ziet erop toe dat de lijst steeds die omvang heeft.
De in lid 3 bedoelde lijst bevat personen die beschikken over gespecialiseerde kennis of deskundigheid op het gebied van het recht, de arbeids- of milieukwesties waarop dit hoofdstuk betrekking heeft, of de beslechting van geschillen in het kader van internationale overeenkomsten. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies van enige organisatie of regering aan met betrekking tot de aangelegenheid in kwestie, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen, en nemen de in bijlage XXXIV bij deze overeenkomst vastgelegde gedragscode in acht.
Voor aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen, bestaat het deskundigenpanel uit deskundigen van de in lid 3 van dit artikel bedoelde lijst, overeenkomstig artikel 385 van deze overeenkomst en punt 8 van de procedureregels in bijlage XXXIII bij deze overeenkomst.
Het deskundigenpanel kan inlichtingen en advies inwinnen bij de partijen, de interne adviesgroep(en) of alle bronnen die het nuttig acht. Voor aangelegenheden die verband houden met de naleving van multilaterale overeenkomsten als bedoeld in de artikelen 365 en 366 van deze overeenkomst verzoekt het deskundigenpanel de ILO of de bij MMO's ingestelde organen om inlichtingen en advies.
Het deskundigenpanel legt zijn verslag aan de partijen voor, overeenkomstig de desbetreffende procedures van hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. Dat verslag vermeldt de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen alsmede de beweegredenen die aan de bevindingen en aanbevelingen van het panel ten grondslag liggen. De partijen maken het verslag binnen vijftien dagen nadat het is uitgebracht openbaar.
De partijen bespreken, rekening houdend met het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel, welke passende maatregelen moeten worden getroffen. De betrokken partij brengt haar adviesgroep(en) en de andere partij uiterlijk drie maanden nadat het verslag openbaar is gemaakt, op de hoogte van haar besluiten over de acties of maatregelen die moeten worden uitgevoerd. Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling houdt toezicht op het vervolg dat wordt gegeven aan het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel. De adviesorganen en het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld kunnen in dat verband opmerkingen indienen bij het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling.
HOOFDSTUK 14. BESLECHTING VAN GESCHILLEN
AFDELING 1. DOELSTELLING EN TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 380. Doelstelling
Het doel van dit hoofdstuk is een doeltreffend en doelmatig mechanisme ter vermijding en beslechting van geschillen tussen de partijen over de interpretatie en toepassing van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op te zetten, teneinde waar mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
Artikel 381. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle geschillen over de interpretatie en toepassing van de bepalingen van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, tenzij anders is bepaald.
AFDELING 2. OVERLEG EN BEMIDDELING
Artikel 382. Overleg
De partijen streven ernaar alle geschillen als bedoeld in artikel 381 van deze overeenkomst op te lossen door te goeder trouw overleg te voeren, teneinde tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
De partij die overleg wenst te voeren dient daartoe bij de andere partij een schriftelijk verzoek in, van welk verzoek een afschrift wordt gezonden aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, en vermeldt daarbij de redenen voor het verzoek alsmede de maatregel waarom het gaat en de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen die zij van toepassing acht.
Het overleg wordt binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek gehouden en vindt, tenzij de partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de partij waaraan het verzoek gericht is. Het overleg wordt dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Het overleg, en in het bijzonder alle tijdens het overleg door de partijen verstrekte informatie en ingenomen standpunten, is vertrouwelijk en laat de rechten van de partijen in latere procedures onverlet.
Overleg over dringende aangelegenheden, zoals wanneer het bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen of diensten betreft, wordt binnen vijftien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek door de partij waaraan het gericht is, gehouden en wordt binnen hetzelfde tijdsbestek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.
Indien de partij waaraan het verzoek om overleg gericht is, niet binnen tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek hierop reageert, of indien het overleg niet binnen de in lid 3 respectievelijk lid 4 van dit artikel genoemde termijn wordt gehouden, of indien de partijen overeenkomen geen overleg te voeren of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt, kan de partij die om overleg heeft verzocht, een beroep doen op artikel 384 van deze overeenkomst.
Tijdens het overleg verstrekt elke partij voldoende feitelijke informatie, zodat een volledig onderzoek mogelijk is naar de wijze waarop de betrokken maatregel van invloed kan zijn op de werking en toepassing van deze overeenkomst.
Wanneer het overleg betrekking heeft op het vervoer van energiegoederen via netwerken en een partij de oplossing van het geschil dringend acht wegens een volledige of gedeeltelijke onderbreking van het vervoer van aardgas, olie of elektriciteit tussen de partijen, wordt het binnen drie dagen na de datum van indiening van het verzoek gehouden en wordt het drie dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.
Artikel 383. Bemiddeling
Overeenkomstig bijlage XXXII bij deze overeenkomst kan elke partij de andere partij verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot een maatregel die de handel of de investeringen tussen de partijen ongunstig beïnvloedt.
AFDELING 3. PROCEDURES VOOR BESLECHTING VAN GESCHILLEN
ONDERAFDELING 1. ARBITRAGEPROCEDURE
Artikel 384. Inleiding van arbitrageprocedure
Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 382 van deze overeenkomst bedoelde overleg op te lossen, kan de partij die om overleg heeft verzocht, overeenkomstig dit artikel om de instelling van een arbitragepanel verzoeken.
Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt schriftelijk gedaan bij de andere partij en bij het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst. De klagende partij vermeldt in haar verzoek welke maatregel in het geding is en legt uit, op zodanige wijze dat de rechtsgrond van de klacht duidelijk is, waarom die maatregel onverenigbaar is met de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen.
Artikel 385. Instelling van arbitragepanel
Een arbitragepanel bestaat uit drie arbiters.
De partijen treden binnen tien dagen na de datum waarop de partij waartegen de klacht gericht is, het verzoek om instelling van een arbitragepanel heeft ontvangen, met elkaar in overleg om overeenstemming te bereiken over de samenstelling van het arbitragepanel.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)