Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 527
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

Wat dierziekten betreft, deelt de partij van uitvoer die erkenning van haar regionalisatiebesluit door de partij van invoer wenst, overeenkomstig artikel 184 van deze overeenkomst de door haar ingestelde maatregelen mee met een omstandige toelichting op en ondersteunende gegevens voor haar bepalingen en besluiten. Onverminderd artikel 185 van deze overeenkomst en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt binnen 15 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving, wordt het aldus meegedeelde regionalisatiebesluit geacht te zijn aanvaard;

Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde overleg vindt plaats overeenkomstig artikel 185, lid 3, van deze overeenkomst. De partij van invoer beoordeelt de bijkomende gegevens binnen 15 werkdagen na ontvangst ervan. De in de eerste alinea van dit lid bedoelde verificatie geschiedt overeenkomstig artikel 188 van deze overeenkomst, binnen 25 werkdagen na ontvangst van het verzoek daartoe.

6.

Wat plaagorganismen betreft, draagt elke partij er zorg voor dat bij de handel in planten, plantaardige producten en andere materialen in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de status inzake plaagorganismen in een gebied dat door de andere partij is erkend als beschermd gebied of plaagorganismevrij gebied. Een partij die erkenning van haar PVG door de andere partij wenst, deelt de door haar ingestelde maatregelen mee, desgevraagd met een omstandige toelichting op en ondersteunende gegevens voor de vaststelling en handhaving, waarbij de richtsnoeren van de FAO of het IPPC, met inbegrip van ISPM’s, worden aangehouden. Onverminderd artikel 190 van deze overeenkomst en tenzij een partij uitdrukkelijk bezwaar maakt en om bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt binnen drie maanden na de kennisgeving, wordt het aldus meegedeelde regionalisatiebesluit ter zake van het PVG geacht te zijn aanvaard.

Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde overleg vindt plaats overeenkomstig artikel 185, lid 3, van deze overeenkomst. De partij van invoer beoordeelt de bijkomende gegevens binnen drie maanden na ontvangst ervan. De in de eerste alinea van dit lid bedoelde verificatie geschiedt overeenkomstig artikel 188 van deze overeenkomst binnen 12 maanden na ontvangst van het verzoek daartoe, rekening houdende met de biologische kenmerken van het plaagorganisme en het gewas in kwestie.

7.

Na voltooiing van de procedures van de leden 4 tot en met 6 van dit artikel, en onverminderd artikel 190 van deze overeenkomst, neemt elke partij onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de handel mogelijk te maken op basis van de in die leden vervatte bepalingen.

8.

De partijen verbinden zich tot verdere besprekingen met het oog op de tenuitvoerlegging van het compartimenteringsbeginsel.

Artikel 183. Erkenning van gelijkwaardigheid
1.

Erkenning van gelijkwaardigheid kan geschieden met betrekking tot:

  • a. afzonderlijke maatregelen;
  • b. een groep maatregelen; of
  • c. een op een sector, subsector, handelsartikel of groep handelsartikelen toepasselijk systeem.
2.

Met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid wordt door de partijen de procedure van lid 3 gevolgd. Deze procedure omvat dat door de partij van uitvoer objectief bewijs van gelijkwaardigheid wordt aangedragen en dat het verzoek door de partij van invoer objectief wordt beoordeeld. Deze beoordeling kan inspecties of verificaties omvatten.

3.

Indien de partij van uitvoer een verzoek indient met betrekking tot een erkenning van gelijkwaardigheid als bedoeld in lid 1 van dit artikel, leiden de partijen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van dit verzoek door de partij van invoer de overlegprocedure in die de in bijlage XXI bij deze overeenkomst genoemde stappen omvat. Indien de partij van uitvoer meerdere verzoeken indient, komen de partijen, op verzoek van de partij van invoer, in het in artikel 191 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité een tijdschema overeen waarbinnen zij de in dit lid bedoelde procedure inleiden en uitvoeren.

4.

De Republiek Moldavië stelt de Unie in kennis zodra de aanpassing is voltooid ten gevolge van het toezicht waarin artikel 181, lid 3, van deze overeenkomst voorziet. Deze kennisgeving wordt beschouwd als een verzoek van de Republiek Moldavië om de procedure voor de erkenning van de gelijkwaardigheid van de desbetreffende maatregelen overeenkomstig lid 3 van dit artikel in te leiden.

5.

Tenzij anders overeengekomen, rondt de partij van invoer de procedure voor de erkenning van de gelijkwaardigheid als bedoeld in lid 3 van dit artikel af binnen twaalf maanden na ontvangst van het verzoek van de partij van uitvoer, met inbegrip van een dossier met het bewijs van gelijkwaardigheid. Deze termijn kan worden verlengd voor seizoensgewassen waarvoor het gerechtvaardigd is de evaluatie uit te stellen teneinde de fytosanitaire maatregelen over een voldoende lange groeiperiode te kunnen verifiëren.

6.

De partij van invoer stelt de gelijkwaardigheid wat betreft planten, plantaardige producten en andere materialen vast overeenkomstig de desbetreffende ISPM’s.

7.

De partij van invoer kan de erkenning van de gelijkwaardigheid intrekken of opschorten bij elke wijziging van een maatregel door een van de partijen die van invloed is op de gelijkwaardigheid, op voorwaarde dat de volgende procedure wordt gevolgd:

  • a. overeenkomstig artikel 184, lid 2, van deze overeenkomst stelt de partij van uitvoer de partij van invoer in kennis van elk voorstel tot wijziging van door haar ingestelde maatregelen waarvan de gelijkwaardigheid werd erkend, en van de waarschijnlijke gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor deze gelijkwaardigheid. Binnen één maand na de ontvangst van deze gegevens stelt de partij van invoer de partij van uitvoer ervan in kennis of de erkenning van de gelijkwaardigheid op basis van de voorgestelde maatregelen al dan niet gehandhaafd blijft;
  • b. overeenkomstig artikel 184, lid 2, van deze overeenkomst stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van elk voorstel tot wijziging van door haar ingestelde maatregelen op basis waarvan de gelijkwaardigheid werd erkend, en van de waarschijnlijke gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor deze gelijkwaardigheid. Indien de partij van invoer de erkenning van de gelijkwaardigheid niet handhaaft, kunnen de partijen de voorwaarden overeenkomen waaronder de in lid 3 van dit artikel bedoelde procedure opnieuw kan worden ingeleid op basis van de voorgestelde maatregelen.
8.

Het besluit over de erkenning van de gelijkwaardigheid dan wel de opschorting of intrekking ervan kan uitsluitend worden genomen door de partij van invoer, overeenkomstig haar wettelijke en bestuursrechtelijke regelgeving. De partij van invoer verstrekt de partij van uitvoer schriftelijk een omstandige toelichting bij en de ondersteunende gegevens voor de bepalingen en besluiten op grond van dit artikel. Indien de erkenning van de gelijkwaardigheid wordt geweigerd, dan wel wordt opgeschort of ingetrokken, stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om de in lid 3 bedoelde procedure opnieuw te kunnen inleiden.

9.

Onverminderd artikel 190 van deze overeenkomst kan de partij van invoer de erkenning van de gelijkwaardigheid niet intrekken of opschorten vóór de inwerkingtreding van de nieuwe maatregelen die door een van de partijen zijn voorgesteld.

10.

Indien de gelijkwaardigheid op basis van de in bijlage XXI bij deze overeenkomst uiteengezette overlegprocedure formeel wordt erkend door de partij van invoer, zal het SPS-subcomité overeenkomstig de procedure van artikel 191, lid 5, van deze overeenkomst de erkenning van de gelijkwaardigheid in de handel tussen de partijen bevestigen. Dit besluit kan tevens voorzien in de vermindering van fysieke controles aan de grenzen, vereenvoudiging van de certificaten en in voorkomend geval in procedures voor de voorlopige opneming van inrichtingen op die lijsten.

De status van gelijkwaardigheid wordt vermeld in bijlage XXV bij deze overeenkomst.

Artikel 184. Transparantie en uitwisseling van informatie
1.

Onverminderd artikel 185 van deze overeenkomst werken de partijen samen ter versterking van het wederzijdse begrip van de in de andere partij opgezette officiële controlestructuur en -mechanismen voor de uitvoering van de in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde maatregelen en de doeltreffendheid van een dergelijke structuur en een dergelijk mechanisme. Dit kan onder meer worden bereikt door verslagen van internationale audits wanneer deze openbaar worden gemaakt door de partijen. De partijen kunnen in voorkomend geval informatie over de resultaten van dergelijke audits of andere informatie uitwisselen.

2.

In het kader van de in artikel 181 van deze overeenkomst bedoelde aanpassing van wetgeving of de in artikel 183 van deze overeenkomst bedoelde erkenning van de gelijkwaardigheid houden de partijen elkaar op de hoogte van wetswijzigingen en procedurele wijzigingen die voor de betrokken gebieden worden aangenomen of vastgesteld.

3.

In dit verband informeert de Unie de Republiek Moldavië ruim tevoren over wijzigingen in de wetgeving van de Unie, opdat de Republiek Moldavië kan overwegen haar wetgeving dienovereenkomstig te wijzigen.

De noodzakelijke mate van samenwerking moet worden bereikt om de toezending van wetgevingsdocumenten op verzoek van een van de partijen te bevorderen.

Hiertoe stelt elke partij de andere partij onverwijld in kennis van haar contactpunten, ook van wijzigingen met betrekking tot deze contactpunten.

Artikel 185. Kennisgeving, overleg en bevordering van communicatie
1.

Elke partij stelt de andere partij binnen twee werkdagen schriftelijk in kennis van ieder ernstig of aanzienlijk gezondheidsrisico voor mens, dier of plant, met inbegrip van alle noodsituaties in verband met de voedselcontrole of situaties waarin een duidelijk ernstig gezondheidsrisico werd geconstateerd in verband met de consumptie van dierlijke of plantaardige producten, in het bijzonder:

  • a. alle maatregelen die relevant zijn voor de in artikel 182 van deze overeenkomst bedoelde regionalisatiebesluiten;
  • b. de aanwezigheid of ontwikkeling van een in bijlage XVIII-A bij deze overeenkomst opgenomen dierziekte of van een in bijlage XVIII-B bij deze overeenkomst opgenomen gereglementeerd plaagorganisme;
  • c. bevindingen van epidemiologisch belang of belangrijke daaraan verbonden risico’s met betrekking tot niet in de bijlagen XVIII-A en XVIII-B bij deze overeenkomst opgenomen dierziekten en plaagorganismen of nieuwe dierziekten en plaagorganismen; en
  • d. eventuele aanvullende maatregelen die verder gaan dan de basisvereisten voor de respectieve maatregelen van de partijen ter bestrijding of uitroeiing van dierziekten of plaagorganismen of ter bescherming van de gezondheid van mens of plant, en eventuele wijzigingen in het preventiebeleid, waaronder het vaccinatiebeleid.
2.

Kennisgevingen worden schriftelijk gedaan aan de in artikel 184, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde contactpunten.

Schriftelijke kennisgeving gebeurt per post, per fax of per e-mail. Kennisgevingen worden enkel gedaan tussen de in artikel 184, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde contactpunten.

3.

Wanneer een partij zich ernstig zorgen maakt over een risico voor de gezondheid van mens, dier of plant, vindt op verzoek van die partij zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 15 werkdagen na dat verzoek overleg over de situatie plaats. Daarbij tracht elke partij alle informatie te verstrekken die nodig is om verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen en tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen die verenigbaar is met de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant.

4.

Op verzoek van een partij vindt zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 20 werkdagen na de kennisgeving overleg over dierenwelzijn plaats. Elke partij tracht daarbij alle vereiste informatie te verstrekken.

5.

Op verzoek van een partij vindt het in de leden 3 en 4 van dit artikel genoemde overleg plaats in de vorm van een video- of audiovergadering. De partij die om het overleg verzoekt, stelt de notulen van de vergadering op, die officieel door de partijen worden goedgekeurd. Voor deze goedkeuring geldt artikel 184, lid 3, van deze overeenkomst.

6.

De Republiek Moldavië zal een nationaal systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (NRASFF) en een nationaal mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing (NEWM) die met die van de EU verenigbaar zijn, uitwerken en ten uitvoer leggen. Wanneer de Republiek Moldavië de nodige wetgeving op dit gebied heeft uitgevoerd en de voorwaarden voor de juiste werking van het NRASFF en het NEWM ter plaatse heeft geschapen, zullen het NRASFF en het NEWM binnen een passende, door de partijen overeen te komen termijn worden verbonden met de desbetreffende EU-systemen.

Artikel 186. Handelsvoorwaarden

Algemene invoervoorwaarden:

  • a. De partijen komen overeen dat de invoer van handelsartikelen waarop de bijlagen XVII-A en XVII-C, punten 2 en 3, bij deze overeenkomst betrekking hebben, aan algemene invoervoorwaarden worden onderworpen. Onverminderd de overeenkomstig artikel 182 van deze overeenkomst genomen besluiten gelden de door de partij van invoer gestelde invoervoorwaarden voor het gehele grondgebied van de partij van uitvoer. Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst en overeenkomstig artikel 184 van deze overeenkomst stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van haar sanitaire en/of fytosanitaire invoervereisten voor de in de bijlagen XVII-A en XVII-C bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen. Deze informatie omvat in voorkomend geval de modellen voor de officiële certificaten, verklaringen of handelsdocumenten als voorgeschreven door de partij van invoer.
  • b.
  • i. Voor wijzigingen of voorgestelde wijzigingen van de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde voorwaarden gelden de desbetreffende kennisgevingsprocedures van de SPS-Overeenkomst, ongeacht of zij betrekking hebben op maatregelen waarop de SPS-Overeenkomst betrekking heeft.
  • ii. Onverminderd artikel 190 van deze overeenkomst houdt de partij van invoer rekening met de reistijd tussen de partijen bij de vaststelling van de datum waarop de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde gewijzigde voorwaarden van kracht worden; en
  • iii. Indien de partij van invoer deze kennisgevingsvereisten niet in acht neemt, blijft zij een certificaat of attest waarmee de naleving van de voorheen geldende voorwaarden wordt gegarandeerd, accepteren tot 30 dagen nadat de gewijzigde invoervoorwaarden van kracht zijn geworden.

Invoervoorwaarden na de erkenning van de gelijkwaardigheid

  • a. Binnen 90 dagen na de datum van vaststelling van het besluit waarbij de gelijkwaardigheid wordt erkend, nemen de partijen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen voor de tenuitvoerlegging van die erkenning, teneinde op die basis de onderlinge handel in de in de bijlagen XVII-A en XVII-C, punten 2 en 3, bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen mogelijk te maken. Voor deze handelsartikelen kan in dat geval het model voor het door de partij van invoer geëiste officiële certificaat of officiële document worden vervangen door een overeenkomstig bijlage XXIII-B bij deze overeenkomst opgesteld certificaat.
  • b. Voor handelsartikelen in sectoren of subsectoren waarvoor niet alle maatregelen als gelijkwaardig zijn erkend, blijft de handel verlopen op basis van de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde voorwaarden. Indien de partij van uitvoer daarom verzoekt, is lid 5 van dit artikel van toepassing.
3.

Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst is voor de in de bijlagen XVII-A en XVII-C, punt 2, bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen geen specifieke invoervergunning vereist.

4.

Ten aanzien van de voorwaarden die relevant zijn voor de handel in de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde handelsartikelen voeren de partijen, op verzoek van de partij van uitvoer, in het SPS-subcomité overleg overeenkomstig artikel 191 van deze overeenkomst, teneinde overeenstemming te bereiken over alternatieve of bijkomende invoervoorwaarden van de partij van invoer. Zulke alternatieve of bijkomende invoervoorwaarden mogen, in voorkomend geval, worden gebaseerd op maatregelen van de partij van uitvoer die door de partij van invoer als gelijkwaardig zijn erkend. Bij overeenstemming neemt de partij van invoer binnen 90 dagen de nodige wettelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen om de invoer op basis van de overeengekomen invoervoorwaarden mogelijk te maken.

Lijst van inrichtingen, voorwaardelijke goedkeuring

  • a. Voor de invoer van de in bijlage XVII-A, deel 2, bij deze overeenkomst bedoelde dierlijke producten verleent de partij van invoer, op verzoek van de partij van uitvoer die daarbij de passende garanties geeft, een voorlopige goedkeuring voor de in bijlage XX, punt 2, bij deze overeenkomst bedoelde verwerkingsinrichtingen die zich op het grondgebied van de partij van uitvoer bevinden, zonder voorafgaande inspectie van afzonderlijke inrichtingen. Deze goedkeuring moet in overeenstemming zijn met de in bijlage XX bij deze overeenkomst vastgestelde voorwaarden en bepalingen. Tenzij om bijkomende gegevens wordt verzocht, neemt de partij van invoer binnen één maand na ontvangst van het verzoek en de desbetreffende garanties de nodige wettelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen om de invoer op basis daarvan mogelijk te maken. De eerste lijst van inrichtingen wordt goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van bijlage XX bij deze overeenkomst.
  • b. Voor de invoer van de in lid 2, onder a), van dit artikel bedoelde dierlijke producten doet de partij van uitvoer haar lijst van inrichtingen die aan de eisen van de partij van invoer voldoen, aan de partij van invoer toekomen.
6.

Op verzoek van een partij verstrekt de andere partij de toelichting bij en ondersteunende gegevens voor de bepalingen en besluiten op grond van dit artikel.

Artikel 187. Certificeringsprocedure
1.

Voor certificeringsprocedures en de afgifte van certificaten en officiële documenten zijn de partijen het eens over de beginselen die in bijlage XXIII bij deze overeenkomst zijn uiteengezet.

2.

Het in artikel 191 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité kan de regels vaststellen die moeten worden gevolgd in het geval van elektronische certificering, en de intrekking of vervanging van certificaten langs elektronische weg.

3.

In het kader van de in artikel 181 van deze overeenkomst bedoelde aanpassing van wetgeving komen de partijen indien van toepassing gezamenlijke modellen van certificaten overeen.

Artikel 188. Verificatie
1.

Om het vertrouwen in de doeltreffende tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit hoofdstuk te bewaren, heeft elke partij het recht:

  • a. alle of een deel van de inspectie- en certificatiesystemen van de autoriteiten van de andere partij, en/of in voorkomend geval andere maatregelen, te controleren, overeenkomstig de desbetreffende internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Codex Alimentarius, het OIE en het IPPC; en
  • b. informatie van de andere partij over haar controlesysteem te ontvangen en te worden geïnformeerd over de resultaten van de in het kader van dat systeem verrichte controles.
2.

Elke partij mag de resultaten van de in lid 1, onder a), bedoelde verificatie delen met derden en de resultaten openbaar maken voor zover dit op grond van de ten aanzien van een partij toepasselijke bepalingen vereist is. Bepalingen over de vertrouwelijkheid die op een van de partijen van toepassing zijn, worden in voorkomend geval bij dit delen en/of deze bekendmaking van de resultaten geëerbiedigd.

3.

Indien de partij van invoer besluit om een verificatiebezoek te brengen aan de partij van uitvoer, stelt zij de partij van uitvoer daar ten minste drie maanden van tevoren in kennis, uitgezonderd in noodgevallen of indien de partijen anders overeenkomen. Enigerlei wijziging ten aanzien van dat bezoek wordt door de partijen overeengekomen.

4.

De kosten van de verificatie van alle of een deel van de inspectie- en certificatiesystemen van de bevoegde autoriteiten van de andere partij, of in voorkomend geval andere maatregelen, worden gedragen door de partij die de verificatie of de inspectie verricht.

5.

Het ontwerp van de schriftelijke mededeling over de verificaties wordt de partij van uitvoer binnen drie maanden na het einde van de verificatie toegezonden. De partij van uitvoer heeft 45 werkdagen de tijd om opmerkingen over het ontwerp van schriftelijke mededeling in te dienen. De opmerkingen van de partij van uitvoer worden bij het eindrapport gevoegd en in voorkomend geval daarin opgenomen. Wanneer er evenwel in de loop van de verificatie een aanmerkelijk gezondheidsrisico voor mens, dier of plant wordt vastgesteld, wordt de partij van uitvoer hiervan zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 10 werkdagen na het einde van de verificatie in kennis gesteld.

6.

Voor de duidelijkheid: de verificatieresultaten kunnen worden gebruikt ten behoeve van de in de artikelen 181, 183 en 189 van deze overeenkomst bedoelde procedures die door de partijen of een van de partijen worden gevoerd.

Artikel 189. Invoercontroles en inspectievergoedingen
1.

De partijen komen overeen dat de partij van invoer bij haar invoercontroles op zendingen uit de partij van uitvoer de in bijlage XXII, deel A, bij deze overeenkomst vastgelegde beginselen in acht dient te nemen. De resultaten van deze controles kunnen worden gebruikt ten behoeve van de in artikel 188 van deze overeenkomst bedoelde verificaties.

2.

De frequentie waarmee elke partij materiële invoercontroles verricht, zijn vastgesteld in bijlage XXII, deel B, bij deze overeenkomst. Een partij kan deze frequentie binnen de grenzen van haar bevoegdheid en overeenkomstig haar interne wetgeving wijzigen naar aanleiding van voortgang die werd geboekt overeenkomstig de artikelen 181, 183 en 186 van deze overeenkomst, of naar aanleiding van de verificaties, het overleg of andere maatregelen waarin deze overeenkomst voorziet. Bijlage XXII, deel B, bij deze overeenkomst wordt door het in artikel 191 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité bij besluit dienovereenkomstig gewijzigd.

3.

De inspectievergoedingen mogen uitsluitend de kosten van de bevoegde autoriteit voor het verrichten van de invoercontroles dekken. De vergoeding wordt op dezelfde basis als retributies voor de inspectie van soortgelijke interne producten berekend.

4.

De partij van invoer informeert de partij van uitvoer op haar verzoek over elke wijziging in de maatregelen die relevant zijn voor de invoercontroles en inspectievergoedingen, met inbegrip van de redenen daarvoor, en van elke belangrijke wijziging in de wijze waarop haar diensten deze controles verrichten.

5.

De partijen kunnen overeenkomen onder welke voorwaarden zij, vanaf een door het in artikel 191 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité vast te stellen datum, elkaars in artikel 188, lid 1, onder b), van deze overeenkomst bedoelde controles goedkeuren, teneinde de frequentie van de materiële invoercontroles voor de in artikel 186, lid 2, onder a), van deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen in voorkomend geval aan te passen en wederzijds te verlagen.

Vanaf die datum kunnen de partijen wederzijds goedkeuring verlenen voor elkaars controles voor bepaalde handelsartikelen en de invoercontroles voor deze handelsartikelen derhalve verminderen of vervangen.

Artikel 190. Vrijwaringsmaatregelen
1.

Indien de partij van uitvoer op haar grondgebied maatregelen neemt tegen een mogelijk ernstig gevaar of risico voor de gezondheid van mens, dier of plant, neemt de partij van uitvoer, onverminderd lid 2, gelijkwaardige maatregelen om insleep van dit gevaar of risico op het grondgebied van de partij van invoer te voorkomen.

2.

De partij van invoer kan, als daartoe ernstige redenen bestaan met betrekking tot de gezondheid van mens, dier of plant, voorlopige maatregelen vaststellen om de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen. Voor zendingen die onderweg zijn tussen de partijen, zoekt de partij van invoer de meest geschikte, aan het risico evenredige oplossing om onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen.

3.

De partij die maatregelen in het kader van lid 2 van dit artikel vaststelt, stelt de andere partij hiervan uiterlijk één werkdag na de datum waarop de maatregelen zijn vastgesteld, in kennis. Op verzoek van een van de partijen en overeenkomstig artikel 185, lid 3, van deze overeenkomst plegen de partijen binnen 15 werkdagen na de kennisgeving overleg over de situatie. De partijen houden op passende wijze rekening met de informatie die in het kader van dat overleg wordt verkregen, en streven ernaar onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen, in voorkomend geval rekening houdende met het resultaat van het in artikel 185, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde overleg.

Artikel 191. Subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen
1.

Hierbij wordt het subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „het SPS-subcomité” genoemd, opgericht. Het komt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, op verzoek van een van de partijen, of ten minste eens per jaar. Indien de partijen aldus overeenkomen, kan een bijeenkomst van het SPS-subcomité worden gehouden in de vorm van een video- of audiovergadering. Tussen twee vergaderingen door kan het SPS-subcomité bepaalde aangelegenheden ook schriftelijk behandelen.

2.

Het SPS-subcomité heeft de volgende taken:

  • a. alle kwesties die op dit hoofdstuk betrekking hebben, in overweging nemen;
  • b. op de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk toezien en alle vragen die naar aanleiding van de tenuitvoerlegging ervan rijzen, bestuderen;
  • c. de bijlagen XVII tot en met XXV bij deze overeenkomst herzien, met name in het licht van de geboekte voortgang in het kader van het overleg en de procedures waarin dit hoofdstuk voorziet;
  • d. de bijlagen XVII tot en met XXV bij deze overeenkomst bij besluit wijzigen, in het licht van de in dit lid, onder c), bedoelde herziening of zoals anderszins bepaald in dit hoofdstuk; en
  • e. aan andere organen als omschreven in titel VII (Institutionele, algemene en slotbepalingen) van deze overeenkomst, standpunten aanreiken en aanbevelingen doen in het licht van de in dit lid, onder c), bedoelde herziening.
3.

De partijen stemmen in met de oprichting van technische werkgroepen, waar van toepassing, bestaande uit deskundigen die als vertegenwoordiger van de partijen optreden; deze werkgroepen worden belast met de identificatie en behandeling van technische en wetenschappelijke vragen naar aanleiding van de toepassing van dit hoofdstuk. Als aanvullende expertise vereist is, kunnen de partijen ad-hocgroepen, met inbegrip van wetenschappelijke en deskundigengroepen, oprichten. Van deze ad-hocgroepen kunnen ook andere personen dan vertegenwoordigers van de partijen deel uitmaken.

4.

Het SPS-subcomité brengt regelmatig verslag uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, over zijn activiteiten en de in het kader van zijn bevoegdheid genomen besluiten.

5.

Het SPS-subcomité stelt op zijn eerste bijeenkomst zijn werkwijze vast.

6.

Besluiten, aanbevelingen, verslagen of andere handelingen van het SPS-subcomité of enige door dit comité opgerichte groep worden bij consensus tussen de partijen goedgekeurd.

HOOFDSTUK 5. DOUANE EN HANDELSBEVORDERING

Artikel 192. Doelstellingen
1.

De partijen erkennen het belang van douaneaangelegenheden en handelsbevordering bij de ontwikkeling van het bilaterale handelsstelsel. Zij komen in beginsel overeen op dit gebied nauwer samen te werken om ervoor te zorgen dat de wetgeving en procedures ter zake, alsook de bestuurlijke capaciteit van de desbetreffende diensten, aan de doelstellingen van effectieve controle voldoen en de bevordering van de legitieme handel steunen.

2.

De partijen erkennen dat het grootst mogelijke belang moet worden gehecht aan de legitieme doelstellingen van het overheidsbeleid, met inbegrip van handelsbevordering, veiligheid en fraudebestrijding, en aan een evenwichtige benadering hiervan.

Artikel 193. Wetgeving en procedures
1.

De partijen komen overeen dat hun respectieve wetgeving op handels- en douanegebied in beginsel stabiel en allesomvattend moet zijn, alsmede dat de bepalingen en procedures evenredig, transparant, voorspelbaar, niet-discriminerend en onpartijdig moeten zijn en op eenvormige wijze doeltreffend moeten worden toegepast en dat zij onder meer:

  • a. de legitieme handel beschermen en vergemakkelijken door een doeltreffende handhaving en naleving van wettelijke vereisten;
  • b. onnodige of discriminerende lasten voor het bedrijfsleven tegengaan, fraude voorkomen en marktdeelnemers die de wetgeving goed naleven extra faciliteiten verlenen;
  • c. het enig document (ED) voor douaneaangiften toepassen;
  • d. maatregelen nemen die leiden tot meer efficiëntie, transparantie en vereenvoudiging van douaneprocedures en -praktijken aan de grens;
  • e. moderne douanetechnieken toepassen, zoals risicobeoordeling, controles na de vrijgave van goederen en bedrijfsauditmethoden, ter vereenvoudiging en bevordering van de binnenkomst en de vrijgave van goederen;
  • f. ernaar streven de kosten te verlagen en de voorspelbaarheid voor marktdeelnemers, met inbegrip van het midden- en kleinbedrijf, te vergroten;
  • g. onverminderd de toepassing van objectieve criteria voor risicobeoordeling de niet-discriminerende toepassing waarborgen van de vereisten en procedures die op de invoer, uitvoer en doorvoer van goederen van toepassing zijn;
  • j. voorzien in bindende uitspraken vooraf over tariefindeling en oorsprongsregels. De partijen zorgen ervoor dat een uitspraak alleen kan worden ingetrokken of nietig verklaard na kennisgeving aan de betrokken onderneming en zonder terugwerkende kracht, tenzij de uitspraak is gedaan op basis van onjuiste of onvolledige gegevens;
  • k. vereenvoudigde procedures invoeren en toepassen voor toegelaten handelaren, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria;
  • l. regels toepassen die waarborgen dat straffen voor inbreuken op douanevoorschriften of procedurele eisen evenredig en niet-discriminerend zijn en dat hun toepassing niet tot nodeloze en ongerechtvaardigde vertragingen leidt; en
  • m. transparante, niet-discriminerende en evenredige voorschriften met betrekking tot het verlenen van vergunningen aan douane-expediteurs toepassen.
2.

Om hun werkmethoden te verbeteren en ervoor te zorgen dat hun optreden niet-discriminerend, transparant, efficiënt, integer en verantwoordbaar is, komen de partijen overeen:

  • a. nadere maatregelen te nemen om de door de douaneautoriteiten en andere instanties verlangde gegevens en documentatie te verminderen, te vereenvoudigen en te standaardiseren;
  • b. waar mogelijk de eisen en formaliteiten te vereenvoudigen met betrekking tot de snelle vrijgave en inklaring van goederen;
  • c. te zorgen voor doeltreffende, snelle en niet-discriminerende procedures die het recht tot het instellen van beroep tegen administratieve maatregelen, uitspraken en besluiten van de douaneautoriteiten en van andere instanties betreffende de invoer, uitvoer en doorvoer van goederen waarborgen. Die beroepsprocedures zijn gemakkelijk toegankelijk, ook voor het midden- en kleinbedrijf, en de kosten ervan zijn redelijk en evenredig met de kosten van de autoriteiten om het recht op beroep te garanderen;
  • d. maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat wanneer tegen een litigieuze administratieve maatregel, uitspraak of beslissing beroep wordt ingesteld, goederen normaal worden vrijgegeven en de betaling van rechten kan worden opgeschort, onder voorbehoud van de nodig geachte vrijwaringsmaatregelen Voor zover nodig moet bij de vrijgave van de goederen zekerheid worden gesteld, bijvoorbeeld in de vorm van een onderpand of depot; en
  • e. erop toe te zien dat de strengste normen op het gebied van integriteit worden nageleefd, in het bijzonder aan de grens, door de toepassing van maatregelen die in overeenstemming zijn met de beginselen van de desbetreffende internationale overeenkomsten en instrumenten, in het bijzonder de herziene verklaring van Arusha van 2003 in WDO-verband en de door de Europese Commissie opgestelde blauwdruk van 2007.
3.

De partijen zullen geen toepassing maken van:

  • a. vereisten met betrekking tot de verplichte inschakeling van douane-expediteurs; en
  • b. vereisten ten aanzien van verplichte inspecties vóór verzending of op de plaats van bestemming.
4.

Voor de toepassing van deze overeenkomst gelden de voorschriften en definities van de WTO met betrekking tot doorvoer, in het bijzonder artikel V van de GATT 1994, en verwante bepalingen, met inbegrip van de toelichtingen en wijzigingen naar aanleiding van de onderhandelingen inzake handelsbevordering in het kader van de DOHA-ronde. Deze bepalingen zijn ook dan van toepassing wanneer de doorvoer van goederen op het grondgebied van een partij begint of eindigt (intern douanevervoer).

De partijen streven geleidelijke koppeling van hun respectieve douanestelsels voor doorvoer na, met het oog op de toekomstige toetreding van de Republiek Moldavië tot de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 1987.

De partijen zien erop toe dat alle betrokken instanties op hun grondgebied samenwerken en hun optreden op elkaar afstemmen om de doorvoer te vergemakkelijken. De partijen bevorderen tevens de samenwerking tussen de autoriteiten en de particuliere sector met betrekking tot doorvoer.

Artikel 194. Relaties met bedrijfsleven

De partijen komen overeen:

  • a. erop toe te zien dat hun respectieve wetgeving en procedures transparant en samen met de motivering ervan algemeen beschikbaar zijn, voor zover mogelijk langs elektronische weg. Er moet een redelijke tijdspanne liggen tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde bepalingen;
  • b. dat tijdig en regelmatig met vertegenwoordigers van de handel wordt overlegd over wetsvoorstellen en procedures met betrekking tot douane- en handelsaangelegenheden. Hiertoe worden door elke partij passende mechanismen voor regelmatig overleg tussen de diensten en het bedrijfsleven opgericht;
  • c. algemene bekendheid te geven, voor zover mogelijk langs elektronische weg, aan administratieve berichten ter zake, met name over de door de autoriteiten vastgestelde voorschriften en procedures bij binnenkomst of uitgang van de goederen, openingstijden en werkwijzen van douanekantoren in havens en bij grensposten en adressen voor het inwinnen van informatie;
  • d. de samenwerking tussen de marktdeelnemers en de betrokken diensten te stimuleren door toepassing van niet-arbitraire, openbaar toegankelijke procedures, zoals intentieverklaringen, in het bijzonder op basis van die welke door de WDO zijn uitgevaardigd; en
  • e. erop toe te zien dat hun respectieve eisen en procedures op douanegebied en aanverwante gebieden blijven aansluiten op de legitieme behoeften van de handel, dat hierbij goede praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo min mogelijk wordt beperkt.
Artikel 195. Vergoedingen en heffingen
1.

Per 1 januari van het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst verbieden de partijen administratieve heffingen van gelijke werking als invoer- en uitvoerrechten en -heffingen.

2.

Met betrekking tot alle door de douaneautoriteiten van elke partij opgelegde vergoedingen en heffingen van welke aard ook, met inbegrip van vergoedingen en heffingen voor taken die namens die autoriteiten zijn verricht, op of in verband met de invoer of uitvoer en onverminderd de desbetreffende artikelen van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, komen de partijen overeen dat:

  • a. vergoedingen en heffingen enkel kunnen worden opgelegd ter zake van diensten die op verzoek van de aangever buiten de normale arbeidsomstandigheden en openingstijden en op andere plaatsen dan de in de douaneregelingen bedoelde worden verleend, of ter zake van een met die diensten verband houdende formaliteit waaraan voor die invoer of uitvoer moet worden voldaan;
  • b. het bedrag van de vergoedingen en heffingen niet de kosten van de verleende dienst te boven gaat;
  • c. vergoedingen en heffingen niet op een ad-valoremgrondslag worden berekend;
  • d. de informatie over de vergoedingen en heffingen via een officieel aangewezen medium, en waar haalbaar en mogelijk via een officiële website, wordt bekendgemaakt. Deze informatie omvat de reden voor de vergoeding of de heffing ter zake van de verleende dienst, de verantwoordelijke autoriteit, de vergoedingen en heffingen die zullen worden toegepast, en het tijdstip en de wijze waarop de betaling moet worden verricht; en
  • e. nieuwe of gewijzigde vergoedingen en heffingen niet worden opgelegd totdat informatie daarover bekend is gemaakt en gemakkelijk beschikbaar is.
Artikel 196. Vaststelling van douanewaarde
1.

De bepalingen van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994, die in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst is opgenomen, met inbegrip van de daaropvolgende wijzigingen, zijn van toepassing op de vaststelling van de douanewaarde van de goederen in de handel tussen de partijen. Deze bepalingen worden hierbij in deze overeenkomst opgenomen en maken daarvan deel uit. Er worden geen minimumdouanewaarden gehanteerd.

2.

De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van problemen met betrekking tot de vaststelling van de douanewaarde.

Artikel 197. Samenwerking op douanegebied

De partijen versterken de samenwerking op douanegebied om te zorgen voor implementatie van de doelstellingen van dit hoofdstuk teneinde de handel verder te bevorderen en te zorgen voor doeltreffende controle, veiligheid en fraudebestrijding. Hiertoe gebruiken de partijen in voorkomend geval de blauwdrukken die de Europese Commissie in 2007 voor de douane heeft opgesteld, als benchmarking-instrument.

Om ervoor te zorgen dat dit hoofdstuk wordt nageleefd, zullen de partijen onder meer:

  • a. informatie uitwisselen over douanewetgeving en -procedures;
  • b. gezamenlijke initiatieven ontwikkelen op het gebied van de procedures bij invoer, uitvoer en doorvoer, alsmede ernaar streven dat het bedrijfsleven een doeltreffende dienstverlening wordt aangeboden;
  • c. samenwerken op het gebied van de automatisering van douane- en andere handelsprocedures;
  • d. in voorkomend geval informatie en gegevens uitwisselen, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van gegevens en normen en regels inzake de bescherming van persoonsgegevens;
  • e. samenwerken bij het voorkomen en bestrijden van illegaal grensoverschrijdend verkeer van goederen, met inbegrip van tabaksproducten;
  • f. informatie uitwisselen of in overleg treden om, voor zover mogelijk, gemeenschappelijke standpunten vast te stellen in internationale organisaties op douanegebied als de WTO, de WDO, de VN, de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD) en de VN-ECE;
  • g. samenwerken bij de planning en verlening van technische bijstand, met name ter vergemakkelijking van hervormingen op het gebied van douane en handelsbevordering overeenkomstig deze overeenkomst;
  • h. goede praktijken op douanegebied uitwisselen, in het bijzonder inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, in het bijzonder waar het gaat om nagemaakte goederen;
  • i. de coördinatie tussen alle grensautoriteiten van de partijen bevorderen om het proces van grensoverschrijding te vergemakkelijken en de controles te versterken, waarbij gezamenlijke grenscontroles, waar dit haalbaar en passend is, tot de mogelijkheden behoren; en
  • j. waar nodig en passend overgaan tot wederzijdse erkenning van partnerschapsprogramma's op handelsgebied en douanecontroles, met inbegrip van gelijkwaardige maatregelen voor handelsbevordering.
Artikel 198. Wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden

Onverminderd de andere vormen van samenwerking waarin deze overeenkomst voorziet, in het bijzonder in artikel 197 van deze overeenkomst, verlenen de partijen elkaar wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden, overeenkomstig protocol III inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden bij deze overeenkomst.

Artikel 199. Technische bijstand en capaciteitsopbouw

De partijen werken samen met het oog op het verlenen van technische bijstand en op capaciteitsopbouw voor de implementatie van de handelsbevordering en de hervormingen op douanegebied.

Artikel 200. Subcomité douane
1.

Hierbij wordt het subcomité douane opgericht. Het brengt verslag uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst.

2.

De taken van het subcomité omvatten regelmatig overleg en toezicht op de tenuitvoerlegging en het beheer van dit hoofdstuk, waaronder aangelegenheden op het gebied van de douanesamenwerking, grensoverschrijdende douanesamenwerking en grensoverschrijdend beheer inzake douaneaangelegenheden, technische bijstand, oorsprongsregels, handelsbevordering alsmede wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden.

3.

Het subcomité douane zal onder meer:

  • a. toezien op de goede werking van dit hoofdstuk en de protocollen II en III bij deze overeenkomst;
  • b. praktische regelingen, maatregelen en besluiten aannemen voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk en de protocollen II en III bij deze overeenkomst, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en gegevens, wederzijdse erkenning van douanecontroles en partnerschapsprogramma’s op handelsgebied, en wederzijds overeengekomen voordelen;
  • c. van gedachten wisselen over punten van gezamenlijk belang, met inbegrip van toekomstige maatregelen en de voor de uitvoering en toepassing daarvan benodigde middelen;
  • d. passende aanbevelingen doen; en
  • e. zijn interne reglement van orde vaststellen.
Artikel 201. Aanpassing van douanewetgeving

De geleidelijke aanpassing aan de douanewetgeving van de Unie en bepaalde internationale regels zal plaatsvinden zoals uiteengezet in bijlage XXVI bij deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 6. VESTIGING, HANDEL IN DIENSTEN EN ELEKTRONISCHE HANDEL

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 202. Doelstelling en toepassingsgebied
1.

De partijen herbevestigen hun respectieve verbintenissen ingevolge de WTO-Overeenkomst, en leggen hierbij de noodzakelijke regels vast voor de geleidelijke wederzijdse liberalisering van het recht van vestiging en van de handel in diensten, alsmede voor samenwerking op het gebied van elektronische handel.

2.

Overheidsopdrachten worden behandeld in hoofdstuk 8 (Overheidsopdrachten) van Titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij een verplichting inhoudt met betrekking tot overheidsopdrachten.

3.

Subsidies worden behandeld in hoofdstuk 10 (Mededinging) van Titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door de partijen verleende subsidies.

4.

Overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt elke partij het recht nieuwe regelingen op te stellen en in te voeren om legitieme beleidsdoelstellingen te bereiken.

5.

Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.

6.

Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk belet een partij maatregelen toe te passen tot regeling van de toelating tot of het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op haar grondgebied, daarbij inbegrepen de maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen of voor het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, mits die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die een partij op grond van een specifieke verbintenis uit dit hoofdstuk en de bijlagen XXVII en XXVIII bij deze overeenkomst toekomen, daardoor worden tenietgedaan of uitgehold2)Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor die uit andere landen niet een visum vereist is, wordt niet geacht voordelen op grond van een specifieke verbintenis teniet te doen of uit te hollen..

Artikel 203. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

    1. wordt onder „maatregel” verstaan: elke maatregel van een partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve handeling of in enige andere vorm;
    1. wordt onder „door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen” verstaan: maatregelen genomen door:
  • a. centrale, regionale of lokale overheden en autoriteiten, en
  • b. niet-gouvernementele organisaties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;
    1. wordt onder „natuurlijke persoon uit een partij” verstaan: een onderdaan van een EU-lidstaat of van de Republiek Moldavië volgens hun respectieve wetgeving;
    1. wordt onder „rechtspersoon” verstaan: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, en in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;
    1. wordt onder „rechtspersoon uit de Unie” of „rechtspersoon uit de Republiek Moldavië” verstaan: een rechtspersoon als omschreven onder punt 4) die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat respectievelijk van de Republiek Moldavië is opgericht, en die op het grondgebied3)Voor alle duidelijkheid: dat grondgebied omvat de exclusieve economische zone en het continentale plat, zoals voorzien in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee („United Nations Convention on the Law of the Sea” of „UNCLOS”). waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is respectievelijk op dat van de Republiek Moldavië zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft. Wanneer deze rechtspersoon op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is of op dat van de Republiek Moldavië alleen zijn statutaire zetel of hoofdbestuur heeft, wordt hij niet als rechtspersoon uit de Unie respectievelijk de Republiek Moldavië beschouwd, tenzij zijn handelingen een daadwerkelijke en duurzame band met de economie van de Unie respectievelijk de Republiek Moldavië hebben. Niettegenstaande de vorige alinea, geldt dat deze overeenkomst tevens van toepassing is op buiten de Unie of de Republiek Moldavië gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat respectievelijk de Republiek Moldavië zeggenschap hebben, indien hun schepen overeenkomstig hun respectieve wetgeving in die lidstaat of de Republiek Moldavië zijn geregistreerd en zij de vlag van een lidstaat of van de Republiek Moldavië voeren;
    1. wordt onder „dochteronderneming” van een rechtspersoon uit een partij verstaan: een rechtspersoon waarover een andere rechtspersoon uit die partij daadwerkelijk zeggenschap heeft4)Een rechtspersoon heeft zeggenschap over een andere rechtspersoon wanneer eerstgenoemde rechtspersoon bevoegd is een meerderheid van de bestuurders van die andere rechtspersoon te benoemen of de handelingen van die andere rechtspersoon anderszins te sturen.;
    1. wordt onder „filiaal van een rechtspersoon” verstaan: een handelszaak zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moedermaatschappij, een eigen managementstructuur heeft en over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, zodanig dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat er indien nodig een rechtsverhouding is met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact met deze moedermaatschappij behoeven te hebben, maar hun transacties kunnen afhandelen met de handelszaak die het agentschap vormt;
    1. wordt onder „vestiging” verstaan:
  • a. wat rechtspersonen uit de Unie of uit de Republiek Moldavië betreft, het recht op toegang tot en op uitoefening van economische activiteiten door oprichting, met inbegrip van verwerving, van een rechtspersoon en/of van een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor in de Unie respectievelijk de Republiek Moldavië;
  • b. wat natuurlijke personen betreft, het recht van natuurlijke personen uit de Unie of uit de Republiek Moldavië op toegang tot en op uitoefening van economische activiteiten als zelfstandige, alsmede het recht op de oprichting van ondernemingen, in het bijzonder vennootschappen, waarover zij daadwerkelijk zeggenschap hebben.
    1. omvatten „economische activiteiten” activiteiten met een industrieel of commercieel karakter of activiteiten van personen die een vrij beroep uitoefenen, alsmede activiteiten van ambachtslieden, behoudens activiteiten die worden uitgevoerd bij de uitoefening van overheidsgezag;
    1. wordt onder „handelingen” verstaan: het verrichten van economische activiteiten;
    1. wordt onder „diensten” verstaan: alle diensten in elke sector behalve diensten die bij de uitoefening van overheidsgezag worden verleend;
    1. wordt onder „bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten en andere activiteiten” verstaan: elke dienst of activiteit die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers wordt verleend;
    1. wordt onder „grensoverschrijdende dienstverlening” verstaan: het verlenen van een dienst:
  • a. vanaf het grondgebied van een partij naar het grondgebied van de andere partij (vorm van dienstverlening 1), of
  • b. op het grondgebied van een partij ten behoeve van de gebruiker van de dienst uit de andere partij (vorm van dienstverlening 2);
    1. wordt onder „dienstverlener” uit een partij verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon uit een partij die een dienst verleent of wenst te verlenen;
    1. wordt onder „ondernemer” verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon uit een partij die door middel van het opzetten van een vestiging een economische activiteit uitoefent of wenst uit te oefenen.

AFDELING 2. VESTIGING

Artikel 204. Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen die door de partijen zijn vastgesteld of worden gehandhaafd en die van invloed zijn op vestiging met betrekking tot alle economische activiteiten, met uitzondering van:

  • a. de winning, vervaardiging en verwerking5)Voor alle duidelijkheid: de verwerking van nucleair materiaal omvat alle activiteiten van code 2330 van de herziene versie 3.1 van de VN ISIC classificatie. van nucleair materiaal;
  • b. de productie van of handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel;
  • c. audiovisuele diensten;
  • d. nationale maritieme cabotage6)Behoudens de activiteiten die onder de betreffende interne wetgeving als cabotage kunnen worden beschouwd, heeft nationale maritieme cabotage in de zin van dit hoofdstuk betrekking op het vervoer van passagiers of goederen tussen een haven of een locatie in een lidstaat of in de Republiek Moldavië, en een andere haven of locatie in een lidstaat of in de Republiek Moldavië, met inbegrip van het continentale plat ervan, zoals voorzien in het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, en verkeer dat begint en eindigt in dezelfde haven of op dezelfde locatie in een lidstaat of de Republiek Moldavië., en
  • e. interne en internationale luchtvervoerdiensten7)De voorwaarden voor wederzijdse toegang tot de markt op het gebied van luchtvervoer worden geregeld door de Overeenkomst tussen de EU en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, betreffende de totstandbrenging van een Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte., ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:
  • i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;
  • ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;
  • iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);
  • iv. grondafhandeling;
  • v. exploitatie van luchthavens.
Artikel 205. Nationale behandeling en behandeling als meestbegunstigde natie
1.

Behoudens de in bijlage XXVII-E bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden zal de Republiek Moldavië vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst:

  • a. voor de vestiging van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Unie een niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke door de Republiek Moldavië aan haar eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is;
  • b. voor het exploiteren van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Unie in de Republiek Moldavië na vestiging ervan een niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke door de Republiek Moldavië aan haar eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is.8)Deze verplichting geldt niet voor niet onder dit hoofdstuk vallende bepalingen inzake de bescherming van investeringen, bepalingen inzake procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en de staat daaronder begrepen, uit andere overeenkomsten.
2.

Behoudens de in bijlage XXVII-A bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden zal de Unie vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst:

  • a. voor de vestiging van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Republiek Moldavië een niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke door de Unie aan haar eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is;
  • b. voor het exploiteren van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Republiek Moldavië in de Unie na vestiging ervan en niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke door de Unie aan haar eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is.9)Deze verplichting geldt niet voor niet voor niet onder dit hoofdstuk vallende bepalingen inzake de bescherming van investeringen, bepalingen inzake procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en de staat daaronder begrepen, uit andere overeenkomsten.
3.

Behoudens de in de bijlagen XXVII-A en XXVII-E bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden stellen de partijen geen nieuwe regelgeving of maatregelen vast die met betrekking tot de vestiging van rechtspersonen uit de Unie of de Republiek Moldavië op hun grondgebied dan wel de handelingen van die rechtspersonen na vestiging, discrimineren ten opzichte van wat voor de eigen rechtspersonen geldt.

Artikel 206. Evaluatie
1.

Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de voorwaarden voor vestiging evalueren de partijen regelmatig het juridische kader voor vestiging10)Dit omvat tevens dit hoofdstuk en de bijlagen XXVII-A en XXVII-E bij deze overeenkomst. en het vestigingsklimaat, overeenkomstig hun uit internationale overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen.

2.

In het kader van de in lid 1 bedoelde evaluatie beoordelen de partijen alle belemmeringen voor vestiging die zich hebben voorgedaan. Met het oog op het verdiepen van de bepalingen van dit hoofdstuk zoeken de partijen naar geëigende wegen om dergelijke belemmeringen aan te pakken, hetgeen nadere onderhandelingen zou kunnen omvatten, mede met betrekking tot de bescherming van investeringen en procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staat.

Artikel 207. Andere overeenkomsten

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst kan zodanig worden uitgelegd dat de rechten van ondernemers uit de partijen op een gunstigere behandeling waarin is voorzien in een bestaande of toekomstige internationale overeenkomst inzake investeringen waarbij een lidstaat en de Republiek Moldavië partij zijn, worden beperkt.

Artikel 208. Norm voor behandeling van filialen en vertegenwoordigingskantoren
1.

Het bepaalde in artikel 205 van deze overeenkomst vormt geen beletsel voor de toepassing door een partij van bijzondere regels met betrekking tot de vestiging en exploitatie op haar grondgebied van filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit een andere partij die op het grondgebied van eerstgenoemde partij niet als rechtspersoon zijn erkend, wanneer deze bijzondere regels op grond van juridische of technische verschillen tussen bedoelde filialen en vertegenwoordigingskantoren en filialen en vertegenwoordigingskantoren van op het grondgebied van eerstgenoemde partij erkende rechtspersonen of, voor wat financiële diensten betreft, om prudentiële redenen gerechtvaardigd zijn.

2.

Het verschil in behandeling mag niet verder gaan dan hetgeen vanwege die juridische of technische verschillen of, voor wat financiële diensten betreft, om prudentiële redenen strikt noodzakelijk is.

AFDELING 3. GRENSOVERSCHRIJDENDE DIENSTVERLENING

Artikel 209. Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen die van invloed zijn op alle grensoverschrijdende dienstverlening, met uitzondering van:

  • a. audiovisuele diensten;
  • b. nationale maritieme cabotage11)Behoudens de activiteiten die onder de betreffende interne wetgeving als cabotage kunnen worden beschouwd, heeft nationale maritieme cabotage in de zin van dit hoofdstuk betrekking op het vervoer van passagiers of goederen tussen een haven of een locatie in een lidstaat of in de Republiek Moldavië, en een andere haven of locatie in een lidstaat of in de Republiek Moldavië, met inbegrip van het continentale plat ervan, zoals voorzien in het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, en verkeer dat begint en eindigt in dezelfde haven of op dezelfde locatie in een lidstaat of de Republiek Moldavië., en
  • c. interne en internationale luchtvervoerdiensten12)De voorwaarden voor wederzijdse toegang tot de markt op het gebied van luchtvervoer worden geregeld door de Overeenkomst tussen de EU en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, betreffende de totstandbrenging van een Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte., ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:
  • i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;
  • ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;
  • iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);
  • iv. grondafhandeling;
  • v. exploitatie van luchthavens.
Artikel 210. Markttoegang
1.

Ten aanzien van de markttoegang via grensoverschrijdende dienstverlening behandelt elke partij diensten en dienstverleners uit de andere partij niet minder gunstig dan is voorzien in de specifieke verbintenissen die zijn neergelegd in de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst.

2.

Voor sectoren waarvoor verbintenissen betreffende markttoegang worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag handhaven of vaststellen voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij in de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst anders is bepaald, omschreven als:

  • a. beperkingen van het aantal dienstverleners in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • b. beperkingen van de totale waarde van transacties of activa in verband met diensten in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte,
  • c. beperkingen van het totale aantal dienstentransacties of het totale volume van de dienstenoutput, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.
Artikel 211. Nationale behandeling
1.

Elke partij behandelt, in de sectoren waarvoor verbintenissen inzake de markttoegang in de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst zijn opgenomen, met inachtneming van de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, diensten en dienstverleners uit de andere partij in het kader van alle maatregelen die op de grensoverschrijdende dienstverlening van invloed zijn, niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners.

2.

Een partij kan aan het bepaalde in lid 1 voldoen door aan diensten en dienstverleners uit de andere partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners toekent.

3.

Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten of dienstverleners uit de betrokken partij, in vergelijking met soortgelijke diensten of dienstverleners uit de andere partij.

4.

De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.

Artikel 212. Lijsten van verbintenissen
1.

De door elke partij ingevolge deze afdeling geliberaliseerde sectoren en de beperkingen, door middel van voorbehouden, van de markttoegang en van de nationale behandeling voor diensten en dienstverleners uit de andere partij in die sectoren, worden vermeld in de lijsten van verbintenissen in de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst.

2.

Onverminderd de bestaande of toekomstige rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van de Europese Overeenkomst inzake grensoverschrijdende televisie en het Verdrag inzake cinematografische coproductie, omvatten de lijsten van verbintenissen in de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst geen verbintenissen inzake audiovisuele diensten.

Artikel 213. Evaluatie

Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen evalueert het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, regelmatig de in artikel 212 van deze overeenkomst bedoelde lijsten van verbintenissen. Bij deze evaluatie wordt onder meer rekening gehouden met het proces van geleidelijke aanpassing, als bedoeld in de artikelen 230, 240, 249 en 253 van deze overeenkomst, en de impact daarvan op de afschaffing van resterende belemmeringen voor de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen.

AFDELING 4. TIJDELIJKE AANWEZIGHEID VAN NATUURLIJKE PERSONEN VOOR ZAKEN

Artikel 214. Toepassingsgebied en definities
1.

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen betreffende de toelating tot en het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van stafpersoneel, afgestudeerde stagiairs, handelsvertegenwoordigers, dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep, onverminderd het bepaalde in artikel 202, lid 5, van deze overeenkomst.

2.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. „stafpersoneel”: natuurlijke personen die bij een rechtspersoon uit een partij, niet zijnde een organisatie zonder winstoogmerk13)De verwijzing naar „niet zijnde een organisatie zonder winstoogmerk” is alleen van toepassing voor België, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Finland en het Verenigd Koninkrijk., in dienst zijn en verantwoordelijk zijn voor het opzetten van dan wel voor een goed toezicht op en een goede administratie en exploitatie van een vestiging. Tot het stafpersoneel behoren tevens „zakelijke bezoekers” voor vestigingsdoeleinden en „binnen de onderneming overgeplaatste personen”:
  • i. „zakelijke bezoekers” voor vestigingsdoeleinden: natuurlijke personen met een staffunctie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging. Zij bieden geen diensten aan noch verlenen zij deze en evenmin verrichten zij enige andere economische activiteit dan vereist is voor het opzetten van een vestiging. Zij ontvangen geen beloning uit een in de gastpartij gevestigde bron;
  • ii. „binnen de onderneming overgeplaatste personen”: natuurlijke personen die ten minste een jaar in dienst of partner van een rechtspersoon zijn en die tijdelijk naar een vestiging op het grondgebied van de andere partij worden overgeplaatst, welke vestiging een dochteronderneming, filiaal of moedervennootschap van de onderneming / rechtspersoon kan zijn. De betrokken natuurlijke persoon moet tot een van de volgende categorieën behoren:
    1. managers: personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel van een rechtspersoon, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de vestiging, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, waaronder ten minste personen die:
  • –. leiding geven aan een vestiging of een afdeling of onderafdeling daarvan;
  • –. toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren, en
  • –. persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan, of indienstneming of ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;
    1. specialisten: binnen een rechtspersoon werkzame personen die beschikken over uitzonderlijke kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden, de processen, de procedures of het management van de vestiging. Voor de beoordeling van die kennis wordt niet alleen specifiek met de vestiging verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon in hoge mate gekwalificeerd is voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, evenals het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep;
  • b. „afgestudeerde stagiairs”: natuurlijke personen die ten minste een jaar in dienst zijn van een rechtspersoon uit een partij of een filiaal van die rechtspersoon, die universitair afgestudeerd zijn en die voor hun loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfskundige technieken of -methoden tijdelijk naar een vestiging van die rechtspersoon op het grondgebied van de andere partij worden overgeplaatst14)Van de ontvangende vestiging kan worden verlangd dat zij vooraf ter goedkeuring een opleidingsprogramma voor de volledige duur van het verblijf voorlegt, om aan te tonen dat het verblijf bedoeld is voor opleiding. Voor Tsjechië, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Hongarije en Oostenrijk moet de opleiding aansluiten bij de behaalde universitaire graad.;
  • c. „handelsvertegenwoordigers” 15)Het Verenigd Koninkrijk: de categorie handelsvertegenwoordigers is enkel erkend voor verkopers van diensten.: natuurlijke personen die vertegenwoordiger zijn van een dienstverlener of een leverancier van goederen uit een partij en die toegang tot en tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere partij beogen om over de verkoop van diensten of goederen te onderhandelen of voor die dienstverlener of leverancier overeenkomsten voor de verkoop van diensten of goederen te sluiten. Zij verrichten geen directe transacties met het publiek en ontvangen geen beloning uit een in de gastpartij gevestigde bron; evenmin zijn zij commissionairs;
  • d. „dienstverleners op contractbasis”: natuurlijke personen in dienst bij een rechtspersoon uit een partij, welke rechtspersoon zelf geen agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening is en welke evenmin via een dergelijk agentschap optreedt, die geen vestiging op het grondgebied van de andere partij heeft en die een bonafide contract voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij heeft gesloten, zodat de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers in die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract16)Het onder d) en e) bedoelde dienstencontract moet in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving en de eisen van de partij waar het contract wordt uitgevoerd.;
  • e. „beoefenaars van een vrij beroep”: natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een partij zijn gevestigd, geen vestiging op het grondgebied van de andere partij hebben en een bonafide contract (anders dan via een agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening) voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij hebben gesloten, zodat hun tijdelijke aanwezigheid op het grondgebied van die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract17)Het onder d) en e) bedoelde dienstencontract moet in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving en de eisen van de partij waar het contract wordt uitgevoerd.;
  • f. „kwalificaties”: diploma's, certificaten en andere bewijsstukken (van een officiële kwalificatie), afgegeven door een in de wet- of regelgeving of in administratieve bepalingen aangewezen autoriteit, waarbij de succesvolle afsluiting van een beroepsopleiding wordt geattesteerd.
Artikel 215. Stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs
1.

Voor elke sector waarvoor overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging) van dit hoofdstuk verbintenissen worden aangegaan, en behoudens eventuele in de bijlagen XXVII-A en XXVII-E of in de bijlagen XXVII-C en XXVII-G bij deze overeenkomst opgenomen voorbehouden, staat elke partij ondernemers uit de andere partij toe in hun vestiging natuurlijke personen uit die andere partij tewerk te stellen, mits die werknemers behoren tot het stafpersoneel dan wel afgestudeerd stagiair zijn, zoals gedefinieerd in artikel 214 van deze overeenkomst. De tijdelijke toegang en het tijdelijke verblijf van stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs vinden plaats voor een periode van ten hoogste drie jaar voor binnen de onderneming overgeplaatste personen, van ten hoogste negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden voor zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, en van ten hoogste één jaar voor afgestudeerde stagiairs.

2.

Voor elke sector waarvoor overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging) van dit hoofdstuk verbintenissen worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag handhaven of vaststellen op basis van een regionale onderverdeling of voor het gehele grondgebied, tenzij in de bijlagen XXVII-C en XXVII-G bij deze overeenkomst anders is bepaald, omschreven als beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat een ondernemer als stafpersoneel of afgestudeerde stagiair in een bepaalde sector in dienst mag hebben, in de vorm van numerieke quota of van een eis van een onderzoek naar de economische behoefte, en discriminerende beperkingen.

Artikel 216. Handelsvertegenwoordigers

Voor elke sector waarvoor overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging) of afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) van dit hoofdstuk verbintenissen worden aangegaan, en behoudens eventuele in de bijlagen XXVII-A en XXVII-E alsmede de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden, staat elke partij de toegang tot en het tijdelijke verblijf van handelsvertegenwoordigers op haar grondgebied toe voor maximaal negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden.

Artikel 217. Dienstverleners op contractbasis
1.

De partijen herbevestigen hun respectieve verplichtingen ingevolge de door hen in het kader van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten, hierna de „GATS” genoemd, aangegane verbintenissen ten aanzien van de toegang en het tijdelijke verblijf van dienstverleners op contractbasis.

Overeenkomstig de bijlagen XXVII-D en XXVII-H bij deze overeenkomst staat elke partij toe dat dienstverleners op contractbasis uit de andere partij op hun grondgebied diensten verlenen, met inachtneming van de voorwaarden van lid 3 van dit artikel.

2.

Op de door de partijen aangegane verbintenissen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

  • a. de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk zijn aangetrokken als werknemer van een rechtspersoon die een dienstencontract heeft gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden;
  • b. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten die diensten aanbieden in de hoedanigheid van werknemer van de rechtspersoon die de diensten ten minste gedurende het jaar dat onmiddellijk aan de datum van indiening van de aanvraag voor toelating tot de andere partij voorafging, heeft verleend. Voorts moeten de natuurlijke personen op de datum van indiening van een aanvraag voor toelating tot de andere partij beschikken over ten minste drie jaar beroepservaring18)Verkregen na het bereiken van de meerderjarigheid. in de sector van activiteiten waarop het contract betrekking heeft;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)