Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 527
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Er wordt een platform voor het maatschappelijk middenveld opgericht. Dit platform bestaat uit en dient als forum voor vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld van de EU, met inbegrip van leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité, enerzijds, en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld van de Republiek Moldavië anderzijds om elkaar te ontmoeten en van gedachten te wisselen. Het platform voor het maatschappelijk middenveld komt met zelf te bepalen tussenpozen bijeen.

3.

Het platform voor het maatschappelijk middenveld stelt zijn eigen reglement van orde vast.

4.

Het voorzitterschap van het platform voor het maatschappelijk middenveld wordt bij toerbeurt bekleed door een vertegenwoordiger van het Europees Economisch en Sociaal Comité en een vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld van de Republiek Moldavië, overeenkomstig de in het reglement van orde vast te stellen bepalingen.

Artikel 443
1.

Het platform voor het maatschappelijk middenveld wordt ingelicht over de besluiten en aanbevelingen van de Associatieraad.

2.

Het platform voor het maatschappelijk middenveld kan aanbevelingen doen aan de Associatieraad.

3.

Het Associatiecomité en het Parlementair Associatiecomité organiseren regelmatige contacten met de vertegenwoordigers van het platform voor het maatschappelijk middenveld om hun standpunten inzake de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst te vernemen.

HOOFDSTUK 2. ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 444. Toegang tot gerechtelijke en administratieve instanties

Binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst zorgt elke partij ervoor dat natuurlijke personen en rechtspersonen van de andere partij, zonder discriminatie ten opzichte van haar eigen onderdanen, toegang hebben tot de bevoegde gerechtelijke en administratieve instanties, ter verdediging van hun individuele rechten en eigendomsrechten.

Artikel 445. Toegang tot officiële documenten

De bepalingen van deze overeenkomst doen geen afbreuk aan de toepassing van de desbetreffende interne wet- en regelgeving van de partijen met betrekking tot de openbare toegang tot officiële documenten.

Artikel 446. Uitzonderingen met betrekking tot de veiligheid

Niets in deze overeenkomst belet een partij maatregelen te nemen:

  • a. die zij nodig acht om onthulling te beletten van informatie die tegen haar vitale veiligheidsbelangen indruist;
  • b. die verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie of oorlogsmateriaal of met onderzoek, ontwikkeling of productie die absoluut vereist is voor defensiedoeleinden, mits deze maatregelen geen afbreuk doen aan de concurrentievoorwaarden voor producten die niet voor specifiek militaire doeleinden bestemd zijn; en
  • c. die zij van vitaal belang acht voor haar eigen veiligheid, in geval van ernstige binnenlandse onlusten die de openbare orde bedreigen, in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden, of om verplichtingen na te komen die zij voor de bewaring van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan.
Artikel 447. Non-discriminatie
1.

Op de door deze overeenkomst bestreken terreinen en onverminderd eventueel daarin neergelegde bijzondere bepalingen mogen:

  • a. de regelingen die de Republiek Moldavië ten opzichte van de Unie of de lidstaten toepast, geen aanleiding geven tot onderlinge discriminatie van de lidstaten, hun onderdanen, ondernemingen of bedrijven; en
  • b. de regelingen die de Unie of de lidstaten ten opzichte van de Republiek Moldavië toepassen, geen aanleiding geven tot discriminatie tussen onderdanen, ondernemingen of bedrijven van de Republiek Moldavië.
2.

Lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van de partijen om de desbetreffende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen op belastingplichtigen die niet in een identieke situatie verkeren ten aanzien van hun woonplaats.

Artikel 448. Geleidelijke aanpassing

De Republiek Moldavië brengt haar wetgeving geleidelijk overeenkomstig die van de EU en de internationale instrumenten als bedoeld in de bijlagen bij deze overeenkomst, op basis van de verbintenissen die in deze overeenkomst zijn beschreven en volgens de bepalingen van deze bijlagen. Deze bepaling doet geen afbreuk aan eventuele specifieke beginselen en verplichtingen inzake aanpassing van de wetgeving uit hoofde van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

Artikel 449. Dynamische aanpassing

Overeenkomstig de doelstelling van een geleidelijke aanpassing van de wetgeving van de Republiek Moldavië aan de EU-wetgeving, en in het bijzonder met betrekking tot de in de titels III, IV, V en VI van deze overeenkomst beschreven verbintenissen, en overeenkomstig de bepalingen van de bijlagen bij deze overeenkomst, herziet en actualiseert de Associatieraad deze bijlagen regelmatig, onder meer om rekening te houden met de ontwikkeling van EU-wetgeving, zoals in deze overeenkomst bepaald. Deze bepaling doet geen afbreuk aan eventuele specifieke bepalingen uit hoofde van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

Artikel 450. Toezicht

Toezicht houdt in dat de vorderingen met betrekking tot de uitvoering en handhaving van alle maatregelen in het kader van de overeenkomst voortdurend worden geëvalueerd. De partijen werken samen om het toezicht te bevorderen in het kader van de bij deze overeenkomst opgerichte institutionele organen.

Artikel 451. Toetsing van de aanpassing
1.

De EU toetst de mate waarin van de wetgeving van de Republiek Moldavië is aangepast aan die van de EU, zoals bepaald in deze overeenkomst. Deze toetsing heeft ook betrekking op uitvoering en handhaving. Deze toetsingen kunnen door de EU afzonderlijk worden uitgevoerd, door de EU in overleg met de Republiek Moldavië of door de partijen gezamenlijk. Om de toetsing te vergemakkelijken, brengt de Republiek Moldavië aan de EU verslag uit over de geboekte vooruitgang bij de aanpassing, waar nodig vóór het einde van de overgangsperioden die met betrekking tot EU-wetgevingshandelingen in deze overeenkomst zijn vastgesteld. Bij de verslaglegging en toetsing, onder andere wat betreft de wijze van uitvoering en de frequentie van de toetsingen, wordt rekening gehouden met de bepalingen ter zake van deze overeenkomst en met besluiten van institutionele organen die op grond van deze overeenkomst worden opgericht.

2.

De toetsing van de aanpassing kan missies ter plaatse omvatten, waaraan de instellingen, organen en agentschappen van de EU deelnemen, evenals indien nodig niet-gouvernementele organisaties, toezichthoudende autoriteiten, onafhankelijke deskundigen en anderen.

Artikel 452. Resultaten van het toezicht, met inbegrip van toetsingen van de aanpassing
1.

De resultaten van de toezichtactiviteiten, waaronder de toetsingen van de aanpassing als bedoeld in artikel 451 van deze overeenkomst, worden besproken in alle relevante krachtens deze overeenkomst opgerichte organen. Deze organen kunnen met eenparigheid van stemmen gezamenlijke aanbevelingen goedkeuren die worden voorgelegd aan de Associatieraad.

2.

Als de partijen menen dat de maatregelen die noodzakelijk zijn op grond van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) zijn uitgevoerd en worden nageleefd, kan de Associatieraad volgens de hem bij artikel 436 van deze overeenkomst verleende bevoegdheden besluiten tot verdere marktopenstelling zoals bepaald in titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

3.

Een gezamenlijke aanbeveling als bedoeld in lid 1 van dit artikel die is voorgelegd aan de Associatieraad, of het feit dat er geen overeenstemming is bereikt over een dergelijke aanbeveling, valt niet onder de geschillenbeslechtingsprocedures zoals vastgesteld in titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. Een besluit van het relevante, krachtens deze overeenkomst opgerichte orgaan of het feit dat een dergelijk besluit niet is genomen, valt niet onder de geschillenbeslechtingsprocedures zoals vastgesteld in titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

Artikel 453. Voldoen aan verplichtingen
1.

De partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die nodig zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen. Zij zorgen ervoor dat de in de overeenkomst vastgelegde doelstellingen worden bereikt.

2.

De partijen komen overeen op verzoek van elk van de partijen onmiddellijk overleg te plegen via passende kanalen om kwesties met betrekking tot de interpretatie, de tenuitvoerlegging of de toepassing te goeder trouw van deze overeenkomst en andere relevante aspecten van de betrekkingen tussen de partijen te bespreken.

3.

De partijen leggen geschillen over de interpretatie, de tenuitvoerlegging of de toepassing te goeder trouw van deze overeenkomst voor aan de Associatieraad, overeenkomstig artikel 454 van deze overeenkomst. De Associatieraad kan een bindend besluit vaststellen om het geschil te beslechten.

Artikel 454. Geschillenbeslechting
1.

Wanneer tussen de partijen een meningsverschil ontstaat over de interpretatie, de tenuitvoerlegging of de toepassing te goeder trouwe van de overeenkomst, dient de ene partij bij de andere partij en bij de Associatieraad een formeel verzoek tot geschillenbeslechting in. Op geschillen over de interpretatie, de tenuitvoerlegging of de toepassing te goeder trouw van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) is bij wijze van uitzondering alleen hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van deze titel van toepassing.

2.

De partijen streven ernaar geschillen op te lossen via overleg te goeder trouw binnen de Associatieraad en de andere in de artikelen 437 en 439 van deze overeenkomst bedoelde organen, teneinde zo snel mogelijk tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen.

3.

De partijen verstrekken de Associatieraad en de andere organen alle relevante informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie.

4.

Zolang een geschil niet beslecht is, wordt het tijdens elke bijeenkomst van de Associatieraad besproken. Een geschil wordt geacht beslecht te zijn wanneer de Associatieraad een bindend besluit heeft genomen zoals bedoeld in artikel 453, lid 3, van deze overeenkomst of wanneer hij heeft verklaard dat het geschil niet langer bestaat. In overleg tussen de partijen of op verzoek van een van de partijen kan een geschil ook worden besproken tijdens een vergadering van het Associatiecomité of een ander relevant orgaan als bedoeld in artikel 439 van deze overeenkomst. Overleg kan ook schriftelijk plaatsvinden.

5.

Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

Artikel 455. Passende maatregelen bij niet-nakoming van verplichtingen
1.

Een partij kan passende maatregelen treffen als een kwestie niet is opgelost binnen drie maanden na indiening van een formeel verzoek tot geschillenbeslechting overeenkomstig artikel 454 van deze overeenkomst en als de klagende partij van mening is dat de andere partij een verplichting uit hoofde van de overeenkomst niet nakomt. De overlegperiode van drie maanden is niet verplicht in uitzonderlijke gevallen als beschreven in lid 3 van dit artikel.

2.

Bij voorrang moeten passende maatregelen worden gekozen die de werking van de overeenkomst het minst verstoren. Behalve de in lid 3 van dit artikel beschreven gevallen mogen dergelijke maatregelen niet de opschorting behelzen van rechten of plichten in het kader van deze overeenkomst die worden genoemd in titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. De uit hoofde van lid 1 van dit artikel genomen maatregelen moeten onverwijld aan de Associatieraad worden gemeld en vallen onder de overlegprocedure van artikel 453, lid 2 en de geschillenbeslechtingsprocedure van artikel 453, lid 3 en artikel 454 van deze overeenkomst.

3.

De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde uitzonderingen betreffen:

  • a. opzegging van deze overeenkomst in strijd met de algemene regels van het internationaal recht; of
  • b. schending door de andere partij van de essentiële elementen van de overeenkomst als bedoeld in artikel 2 van titel I (Algemene beginselen) van deze overeenkomst.
Artikel 456. Verband met andere overeenkomsten
1.

De partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, die op 28 november 1994 in Luxemburg is ondertekend en op 1 juli 1998 in werking is getreden, wordt ingetrokken.

2.

Deze overeenkomst vervangt de in lid 1 vermelde overeenkomst. Verwijzingen naar de in lid 1 vermelde overeenkomst in alle andere overeenkomsten tussen de partijen worden gelezen als verwijzingen naar deze overeenkomst.

3.

Deze overeenkomst vervangt de op 26 juni 2012 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen die op 1 april 2013 in werking is treden.

Artikel 457
1.

Zolang onder deze overeenkomst geen gelijkwaardige rechten zijn verworven voor personen en ondernemers, doet de overeenkomst geen afbreuk aan de rechten die hun worden verleend bij bestaande overeenkomsten tussen een of meer lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds.

2.

Bestaande overeenkomsten die betrekking hebben op specifieke samenwerkingsgebieden die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen, worden geacht onderdeel te zijn van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze overeenkomst, en worden geacht deel uit te maken van een gemeenschappelijk institutioneel kader.

Artikel 458
1.

De partijen kunnen deze overeenkomst aanvullen door sluiting van specifieke overeenkomsten op alle samenwerkingsgebieden die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen. Dergelijke overeenkomsten vormen een integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze overeenkomst en maken deel uit van een gemeenschappelijk institutioneel kader.

2.

Onverminderd de desbetreffende bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie doet deze overeenkomst of in het kader daarvan ondernomen actie op generlei wijze afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om bilaterale samenwerkingsactiviteiten met de Republiek Moldavië te ondernemen of desgewenst nieuwe samenwerkingsovereenkomsten met de Republiek Moldavië te sluiten.

Artikel 459. Bijlagen en protocollen

De bijlagen en protocollen bij deze overeenkomst vormen een integrerend onderdeel van deze overeenkomst.

Artikel 460. Looptijd
1.

Deze overeenkomst wordt voor onbeperkte duur gesloten.

2.

Elk van beide partijen kan deze overeenkomst opzeggen door de andere partij van deze opzegging in kennis te stellen. De overeenkomst verstrijkt zes maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving.

Artikel 461. Definitie van de partijen

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „partijen” verstaan de Europese Unie, of haar lidstaten, of de Europese Unie en haar lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en in voorkomend geval, ook Euratom, overeenkomstig zijn bevoegdheden krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds en de Republiek Moldavië, anderzijds.

Artikel 462. Territoriaal toepassingsgebied
1.

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op elk grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, zonder afbreuk te doen aan lid 2 van dit artikel, op het grondgebied van de Republiek Moldavië.

2.

De toepassing van deze overeenkomst, of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst in die gebieden van de Republiek Moldavië waarover de regering van de Republiek Moldavië niet feitelijk het gezag uitoefent, begint zodra deze overeenkomst, of titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) door de Republiek Moldavië op haar volledige grondgebied kan worden toegepast en gehandhaafd.

3.

De Associatieraad stelt bij besluit vast wanneer de volledige uitvoering en handhaving van deze overeenkomst, of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, op het volledige grondgebied van de Republiek Moldavië is gegarandeerd.

4.

Een partij die van oordeel is dat de volledige uitvoering en handhaving van deze overeenkomst, of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst niet langer is gegarandeerd in de in lid 2 van dit artikel bedoelde gebieden van de Republiek Moldavië, kan de Associatieraad verzoeken de verdere toepassing van deze overeenkomst, of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) te herzien met betrekking tot de desbetreffende gebieden. Binnen een termijn van drie maanden na de indiening van het verzoek onderzoekt de Associatieraad de toestand en neemt hij een besluit met betrekking tot de verdere toepassing van deze overeenkomst of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden). Indien de Associatieraad geen besluit vaststelt binnen een termijn van drie maanden na de indiening van het verzoek, wordt de toepassing van deze overeenkomst, of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) opgeschort met betrekking tot desbetreffende gebieden totdat de Associatieraad een besluit heeft genomen.

5.

Op grond van dit artikel vastgestelde besluiten van de Associatieraad inzake de toepassing van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) hebben betrekking op de volledige titel en kunnen geen betrekking hebben op slechts delen van deze titel.

Artikel 463. Depositaris van deze overeenkomst

De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie is de depositaris van deze overeenkomst.

Artikel 464. Inwerkingtreding en voorlopige toepassing
1.

Deze overeenkomst wordt door de partijen volgens hun interne procedures geratificeerd of goedgekeurd. De akten van ratificatie of goedkeuring worden neergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.

2.

Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de laatste akte van ratificatie of van goedkeuring is neergelegd.

3.

Onverminderd lid 2 van dit artikel passen de Unie en de Republiek Moldavië deze overeenkomst op voorlopige basis ten dele toe, zoals door de Unie gespecificeerd, overeenkomstig het bepaalde in lid 4 van dit artikel en overeenkomstig hun interne procedures en wetgeving, naargelang van het geval.

4.

De voorlopige toepassing is van kracht vanaf de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de depositaris van deze overeenkomst het volgende heeft ontvangen:

  • a. de kennisgeving van de Unie dat de voor de voorlopige toepassing vereiste procedures zijn voltooid, waarin wordt vermeld welke delen van de overeenkomst op voorlopige basis worden toegepast; en
  • b. de kennisgeving van de Republiek Moldavië dat de voor de voorlopige toepassing van deze overeenkomst vereiste procedures zijn voltooid.
5.

Voor de bepalingen van deze overeenkomst, en voor de bijlagen en protocollen daarbij, zoals bepaald in artikel 459, worden verwijzingen naar „de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst” gelezen als „de datum met ingang waarvan de overeenkomst voorlopig wordt toegepast”, overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

6.

Gedurende de periode waarin de overeenkomst voorlopig wordt toegepast, blijven de bepalingen van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, die op 28 november 1994 in Luxemburg werd ondertekend en die op 1 juli 1998 in werking is getreden, van toepassing, voor zover zij niet vallen onder de voorlopige toepassing van deze overeenkomst.

7.

Elke partij kan door middel van een schriftelijke kennisgeving de depositaris van deze overeenkomst in kennis stellen van het voornemen om de voorlopige toepassing van de overeenkomst te beëindigen. De beëindiging van de voorlopige toepassing wordt zes maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving door de depositaris van deze overeenkomst van kracht.

Artikel 465. Authentieke teksten

Deze overeenkomst is in tweevoud opgesteld in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 1

De Republiek Moldavië mag deelnemen aan alle huidige en toekomstige programma’s van de Unie die overeenkomstig de relevante bepalingen tot vaststelling van die programma’s voor deelname van de Republiek Moldavië openstaan.

Artikel 2

De Republiek Moldavië levert een financiële bijdrage aan de algemene begroting van de EU in verhouding tot de specifieke programma’s waaraan de Republiek Moldavië deelneemt.

Artikel 3

Vertegenwoordigers van de Republiek Moldavië mogen als waarnemers de vergaderingen bijwonen van de beheercomités die belast zijn met het toezicht op de programma’s waaraan de Republiek Moldavië een financiële bijdrage levert, voor zover deze betrekking hebben op onderwerpen die de Republiek Moldavië aangaan.

Artikel 4

Ten aanzien van projecten en initiatieven die door deelnemers uit de Republiek Moldavië worden ingediend, gelden in het kader van de betrokken programma's voor zover mogelijk dezelfde voorwaarden, regels en procedures als voor de lidstaten.

Artikel 5

De specifieke voorwaarden voor de deelname van de Republiek Moldavië aan de verschillende programma’s, in het bijzonder de financiële bijdrage en de rapportage- en evaluatieprocedures, worden vastgesteld in een memorandum van overeenstemming tussen de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten van de Republiek Moldavië, op grond van de criteria die door deze programma's zijn bepaald.

Als de Republiek Moldavië op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, of op grond van een vergelijkbare toekomstige wetgevingshandeling betreffende externe bijstand van de Unie aan de Republiek Moldavië, de Unie om externe bijstand voor deelname aan een programma van de Unie verzoekt, worden de voorwaarden voor het gebruik door de Republiek Moldavië van de externe bijstand van de Unie in een financieringsovereenkomst vastgesteld, waarbij in het bijzonder artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1638/2006 in acht wordt genomen.

Artikel 6

Overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen wordt in de krachtens artikel 5 van dit protocol gesloten memoranda van overeenstemming bepaald dat financiële controles of audits en andere controles, zoals administratieve onderzoeken, worden verricht door of onder toezicht van de Europese Commissie, de Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor Fraudebestrijding.

Er worden gedetailleerde bepalingen opgenomen inzake financiële controle en audits, administratieve maatregelen, sancties en invordering, waarbij aan de Europese Commissie, de Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor Fraudebestrijding bevoegdheden worden toegekend die gelijkwaardig zijn met hun bevoegdheden ten aanzien van begunstigden of contractanten die in de Unie zijn gevestigd.

Artikel 7

Dit protocol is van toepassing gedurende de looptijd van de overeenkomst.

Elk van beide partijen kan het protocol opzeggen door schriftelijke kennisgeving aan de andere partij. Dit protocol verstrijkt zes maanden na de datum van die kennisgeving.

Beëindiging van het protocol als gevolg van opzegging door een van de partijen is niet van invloed op de controles die overeenkomstig de artikelen 5 en 6 indien nodig worden uitgevoerd.

Artikel 8

Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van dit protocol, en vervolgens iedere drie jaar, kunnen beide partijen de tenuitvoerlegging van het protocol evalueren aan de hand van de werkelijke deelname van de Republiek Moldavië aan een of meer programma's van de Unie.

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. „vervaardiging”: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen;
  • b. „materiaal”: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen, enz., die bij de vervaardiging van een product worden gebruikt;
  • c. „product”: het vervaardigde product, ook indien dit bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;
  • d. „goederen”: zowel materialen als producten;
  • f. „prijs af fabriek”: de prijs van het product af fabriek, betaald aan de fabrikant in de partij, in wiens onderneming de laatste be- of verwerking is verricht, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen, verminderd met alle interne belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;
  • g. „waarde van de materialen”: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de partij van uitvoer is betaald;
  • h. „waarde van de materialen van oorsprong”: de waarde van deze materialen volgens de definitie onder g), die mutatis mutandis van toepassing is;
  • i. „toegevoegde waarde”: de prijs af fabriek verminderd met de douanewaarde van alle gebruikte materialen van oorsprong uit de andere partijen waarvoor cumulatie kan worden toegepast, of, indien de douanewaarde niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die in de partij van uitvoer voor deze materialen werd betaald;
  • j. „hoofdstukken” en „posten”: de hoofdstukken en posten (viercijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen vormt, in dit protocol „het geharmoniseerd systeem” of „GS” genoemd;
  • k. „ingedeeld”: de indeling van een product of materiaal onder een bepaalde post;
  • l. „zending”: producten die gelijktijdig van een exporteur naar een geadresseerde worden verzonden of vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur;
  • m. „gebieden”: met inbegrip van de territoriale wateren;
  • n. „partij”: een, verscheidene of alle lidstaten van de Europese Unie, de Europese Unie of de Republiek Moldavië;
  • o. „douaneautoriteiten van de partij” voor de Europese Unie: om het even welke douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie.

TITEL II. DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”

Artikel 2. Algemene eisen

Voor de toepassing van de overeenkomst worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit een partij:

  • a. volledig in een partij verkregen producten in de zin van artikel 4;
  • b. in een partij verkregen producten waarin materialen zijn verwerkt die daar niet volledig zijn verkregen, mits die materialen in de betrokken partij een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 5.
Artikel 3. Cumulatie van de oorsprong

Onverminderd artikel 2 worden producten als van oorsprong uit een partij beschouwd als zij daar zijn verkregen en in die producten materialen van oorsprong uit de andere partij zijn verwerkt, mits de be- of verwerking meer inhoudt dan de in artikel 6 genoemde be- of verwerking, waarbij het niet noodzakelijk is dat de materialen uit de andere partij toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.

Artikel 4. Volledig verkregen producten
1.

Als volledig in een Partij verkregen worden beschouwd:

  • a. aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen minerale producten;
  • b. aldaar geoogste producten van het plantenrijk;
  • c. aldaar geboren en opgefokte levende dieren;
  • d. producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;
  • e. producten van de aldaar bedreven jacht of visserij;
  • f. producten van de zeevisserij en andere door de schepen van een partij buiten haar territoriale wateren uit zee gewonnen producten;
  • g. producten die, uitsluitend uit de onder f) bedoelde producten, aan boord van haar fabrieksschepen werden vervaardigd;
  • h. aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvlak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;
  • i. afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte industriële bewerkingen;
  • j. producten, buiten hun territoriale wateren gewonnen uit de zeebodem of ondergrond, mits zij het alleenrecht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;
  • k. goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met l) bedoelde producten zijn vervaardigd.
2.

De termen „de schepen” en „haar fabrieksschepen” in lid 1, onder f) en g), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

  • a. die geregistreerd zijn in een lidstaat van de Europese Unie of in de Republiek Moldavië;
  • b. die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie of van de Republiek Moldavië voeren;
  • c. die voor ten minste 50 % toebehoren aan onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie of van de Republiek Moldavië, of aan een vennootschap die haar hoofdkantoor in een lidstaat van de Europese Unie of in de Republiek Moldavië heeft en waarvan de bedrijfsvoerder(s), de voorzitter van de raad van bestuur of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Republiek Moldavië en waarvan bovendien, in het geval van personenvennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ten minste de helft van het kapitaal toebehoort aan een lidstaat van de Europese Unie of aan de Republiek Moldavië of aan openbare lichamen of onderdanen van deze partij;
  • d. waarvan de kapitein en de officieren onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Republiek Moldavië; en
  • e. waarvan de bemanning voor ten minste 75 % bestaat uit onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie of van de Republiek Moldavië.
Artikel 5. Toereikende be- of verwerking
1.

Voor de toepassing van artikel 2 worden niet volledig verkregen producten geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan wanneer aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II bij dit protocol is voldaan.

Die voorwaarden geven aan welke be- of verwerkingen bij de vervaardiging gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen moeten ondergaan, en zijn slechts op die materialen van toepassing. Dit betekent dat indien een product dat de oorsprong heeft verkregen doordat het aan de in de lijst genoemde voorwaarden heeft voldaan, als materiaal bij de vervaardiging van een ander product wordt gebruikt, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het is verwerkt daarvoor niet gelden; er wordt dan geen rekening gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt.

2.

In afwijking van lid 1 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden in de lijst in bijlage II bij dit protocol bij de vervaardiging van een product niet mogen worden gebruikt, in de volgende gevallen toch worden gebruikt:

  • a. de totale waarde ervan bedraagt niet meer dan 10 % van de prijs af fabriek van het product;
  • b. de in de lijst vermelde maximumwaarden voor niet van oorsprong zijnde materialen worden door de toepassing van dit lid niet overschreden.

Dit lid is niet van toepassing op producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld.

3.

De leden 1 en 2 van dit artikel zijn van toepassing behoudens het bepaalde in artikel 6.

Artikel 6. Ontoereikende be- of verwerking
1.

Onverminderd lid 2 van dit artikel worden de volgende behandelingen beschouwd als ontoereikende be- of verwerking om de oorsprongsstatus te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 5 wordt voldaan:

  • a. behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;
  • b. het splitsen en samenvoegen van colli;
  • c. het wassen of schoonmaken; het stofvrij maken of het verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;
  • d. het strijken of persen van textiel;
  • e. het eenvoudig schilderen of polijsten;
  • f. het ontvliezen of doppen, het geheel of gedeeltelijk bleken, het polijsten en het glaceren van granen of rijst;
  • g. het kleuren van suiker of het vormen van suikerklonten;
  • h. het pellen, ontpitten of schillen van vruchten of groenten;
  • i. het aanscherpen of het eenvoudig vermalen of versnijden;
  • j. het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen);
  • k. het eenvoudig verpakken in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de verpakking;
  • l. het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;
  • m. het eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten;
  • n. het mengen van suiker met andere stoffen;
  • o. het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel en het uit elkaar nemen van producten;
  • p. twee of meer van de onder a) tot en met o) genoemde behandelingen tezamen,
  • q. het slachten van dieren.
2.

Alle be- of verwerkingen die een product in een partij heeft ondergaan, worden tezamen genomen om te bepalen of deze als ontoereikend in de zin van lid 1 moeten worden beschouwd.

Artikel 7. In aanmerking te nemen eenheid
1.

De voor de toepassing van dit protocol in aanmerking te nemen eenheid is het product dat bij het vaststellen van de indeling in de nomenclatuur van het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

Hieruit volgt dat:

  • a. wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, onder een enkele post van het geharmoniseerd systeem wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;
  • b. wanneer een zending uit een aantal identieke producten bestaat die onder dezelfde post van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld, elk product voor de toepassing van dit protocol afzonderlijk moet worden genomen.
2.

Wanneer volgens algemene regel 5 van het geharmoniseerd systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 8. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden verzonden en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs ervan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht een geheel te vormen met het materieel of de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 9. Stellen en assortimenten

Stellen en assortimenten in de zin van algemene regel 3 van het geharmoniseerd systeem worden als van oorsprong beschouwd wanneer alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt als van oorsprong beschouwd wanneer de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 10. Neutrale elementen

Om de oorsprong van een product te bepalen, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de bij de vervaardiging van dat product gebruikte:

  • a. energie en brandstof;
  • b. fabrieksuitrusting;
  • c. machines en werktuigen;
  • d. goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen.

TITEL III. TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel 11. Territorialiteitsbeginsel
1.

Aan de in titel II genoemde voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus moet zonder onderbreking in een partij zijn voldaan, behoudens het bepaalde in artikel 3 en lid 3 van dit artikel.

2.

Wanneer uit een partij naar een ander land uitgevoerde producten van oorsprong terugkeren, worden zij, behoudens het bepaalde in artikel 3, als niet van oorsprong aangemerkt tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:

  • a. de terugkerende goederen dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen, en
  • b. de terugkerende goederen, terwijl zij in het andere land waren of toen zij werden uitgevoerd, geen andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren om ze in goede staat te bewaren.
3.

Het verkrijgen van de oorsprong overeenkomstig de voorwaarden van titel II wordt niet beïnvloed door be- of verwerkingen buiten een partij van uit de partij uitgevoerde en later daarin wederingevoerde materialen, mits:

  • a. die materialen volledig in de partij zijn verkregen of vóór de uitvoer een be- of verwerking hebben ondergaan die ingrijpender was dan de in artikel 6 genoemde be- of verwerkingen; en
  • b. ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:
  • i. de wederingevoerde goederen verkregen zijn door be- of verwerking van de uitgevoerde materialen, en en
  • ii. de totale toegevoegde waarde die door toepassing van dit artikel buiten de partij is verkregen, niet meer bedraagt dan 10 % van de prijs af fabriek van het eindproduct waarvoor de oorsprongsstatus wordt aangevraagd.
4.

Voor de toepassing van lid 3 zijn de in titel II genoemde voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus niet van toepassing op be- en verwerkingen die buiten een partij zijn verricht. Wanneer evenwel in de lijst in bijlage II bij dit protocol voor de vaststelling van de oorsprongsstatus van het eindproduct een regel wordt toegepast die een maximumwaarde voor alle in het product verwerkte niet van oorsprong zijnde materialen vaststelt, mag de totale waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen die op het gebied van de betrokken partij in het product zijn verwerkt samen met de totale toegevoegde waarde die door toepassing van dit artikel buiten de partij is verkregen, niet meer bedragen dan het vermelde percentage.

5.

Voor de toepassing van de leden 3 en 4 betekent „totale toegevoegde waarde” alle kosten die buiten een partij ontstaan, met inbegrip van de waarde van de aldaar in het product verwerkte materialen.

6.

De leden 3 en 4 zijn niet van toepassing op producten die niet voldoen aan de voorwaarden in bijlage II bij dit protocol of die alleen als in toereikende mate be- of verwerkt kunnen worden beschouwd als de in artikel 5, lid 2, vastgestelde algemene tolerantie wordt toegepast.

7.

De leden 3 en 4 van dit artikel zijn niet van toepassing op producten bedoeld in de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem.

8.

Alle be- en verwerkingen waarop dit artikel van toepassing is en die buiten een partij plaatsvinden, geschieden onder een regeling voor passieve veredeling of onder een soortgelijke regeling.

Artikel 12. Rechtstreeks vervoer
1.

De preferentiële regeling waarin deze overeenkomst voorziet, is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en die rechtstreeks tussen de partijen zijn vervoerd. Producten die een enkele zending vormen, kunnen evenwel via een ander gebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dat gebied, mits ze in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.

Het is evenwel toegestaan producten van oorsprong per pijpleiding door een ander gebied te vervoeren dan dat van de partijen handelend als partij van uitvoer en partij van invoer.

2.

Het bewijs dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van de partij van invoer:

  • a. een enkel vervoersdocument voor het vervoer van de partij van uitvoer door het land van doorvoer; of
  • b. een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat waarin:
  • i. de producten nauwkeurig zijn omschreven;
  • ii. de data zijn vermeld waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder vermelding van de scheepsnamen of van de andere gebruikte vervoermiddelen; en
  • iii. wordt verklaard onder welke omstandigheden de producten in het land van doorvoer verbleven; of
  • c. bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.
Artikel 13. Tentoonstellingen
1.

Op producten van oorsprong die voor een tentoonstelling naar een ander land dan een Partij zijn verzonden en die na de tentoonstelling voor invoer in een Partij zijn verkocht, zijn bij die invoer de bepalingen van deze overeenkomst van toepassing voor zover ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

  • a. een exporteur deze producten vanuit een Partij naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld;
  • b. de exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze heeft afgestaan aan een geadresseerde in een van de partijen;
  • c. de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat zijn verzonden als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan; en
  • d. de producten vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.
2.

Overeenkomstig titel V wordt een bewijs van oorsprong afgegeven of opgesteld, dat op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer wordt ingediend. Op dit bewijs moeten de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld zijn. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de omstandigheden waaronder de producten werden tentoongesteld.

3.

Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden en gedurende welke de producten onder douanetoezicht blijven.

TITEL IV. TERUGGAVE OF VRIJSTELLING VAN RECHTEN

Artikel 14. Verbod op teruggave of vrijstelling van douanerechten
1.

Niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging van producten van oorsprong uit een partij gebruikt zijn en waarvoor overeenkomstig de bepalingen van titel V een bewijs van oorsprong is afgegeven of opgesteld, komen in de partij niet in aanmerking voor de teruggave of kwijtschelding van invoerrechten, in welke vorm dan ook.

2.

Het verbod in lid 1 is van toepassing op elke regeling voor terugbetaling of algehele of gedeeltelijke vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking die in een partij van toepassing is op materialen die bij de vervaardiging zijn gebruikt, indien een dergelijke terugbetaling of vrijstelling uitdrukkelijk of feitelijk wordt toegekend indien de producten die uit genoemde materialen zijn verkregen worden uitgevoerd, doch niet wordt toegekend indien deze producten voor binnenlands gebruik zijn bestemd.

3.

De exporteur van producten die door een bewijs van oorsprong zijn gedekt, dient steeds bereid te zijn op verzoek van de douaneautoriteiten alle stukken over te leggen waaruit blijkt dat geen teruggave van rechten is verkregen ten aanzien van de bij de vervaardiging van de betrokken producten gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn en dat alle douanerechten en heffingen van gelijke werking die op deze materialen van toepassing zijn, daadwerkelijk zijn betaald.

4.

De leden 1, 2 en 3 van dit artikel zijn ook van toepassing op de verpakking in de zin van artikel 7, lid 2, op toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen in de zin van artikel 8 en op producten die deel uitmaken van een stel of assortiment in de zin van artikel 9, wanneer dergelijke producten niet van oorsprong zijn.

5.

De leden 1 tot en met 4 zijn uitsluitend van toepassing op materialen van de soort waarop dit protocol van toepassing is.

TITEL V. BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel 15. Algemene eisen
1.

Producten van oorsprong uit een partij die in de andere partij worden ingevoerd, vallen onder deze overeenkomst op overlegging van een van de volgende bewijzen van oorsprong:

  • a. een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage III bij dit protocol is opgenomen;
  • b. in de in artikel 21, lid 1, bedoelde gevallen, een verklaring van de exporteur op een factuur, pakbon of ander handelsdocument, waarin de producten voldoende duidelijk zijn omschreven om ze te kunnen identificeren, hierna „oorsprongsverklaring” genoemd; De tekst van deze oorsprongsverklaring is opgenomen in bijlage IV bij dit protocol.
2.

In afwijking van lid 1 komen producten van oorsprong in de zin van dit protocol in de in artikel 26 bedoelde gevallen voor de voordelen van deze overeenkomsten in aanmerking zonder dat een van de in lid 1 van dit artikel bedoelde oorsprongsbewijzen behoeft te worden overgelegd.

Artikel 16. Procedure voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van de partij van uitvoer afgegeven op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde.

2.

Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 als het aanvraagformulier in; modellen van beide formulieren zijn in bijlage III bij dit protocol opgenomen. Deze formulieren worden in een van de talen waarin deze overeenkomst is opgesteld, ingevuld overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien zij met de hand worden ingevuld, dient dit met inkt en in blokletters te gebeuren. De producten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak zonder dat regels worden opengelaten. Indien het vak niet volledig wordt ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en wordt het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.

3.

Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, moeten op verzoek van de douaneautoriteiten van de partij van uitvoer waar dit certificaat wordt afgegeven, steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan alle andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

Onverminderd lid 5 wordt een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 door de douaneautoriteiten van een lidstaat van de Europese Unie of van de Republiek Moldavië afgegeven indien de betrokken producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de Europese Unie of uit de Republiek Moldavië, en aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

5.

De met de afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 belaste douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om te controleren of de producten van oorsprong zijn en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn deze gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten. Zij zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de producten bestemde vak zodanig is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.

6.

De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in vak 11 van het certificaat.

7.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten afgegeven en ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd.

Artikel 17. Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

In afwijking van artikel 16, lid 7, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de producten waarop het betrekking heeft, indien:

  • a. dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd; of
  • b. ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat er wel een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 was afgegeven, maar dat dit bij de invoer om technische redenen niet is aanvaard.
2.

Voor de toepassing van lid 1 moet de exporteur in zijn aanvraag plaats en datum van uitvoer vermelden voor de producten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.

3.

De douaneautoriteiten kunnen pas tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan wanneer zij hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

4.

Op een achteraf afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt in de Engelse taal de volgende vermelding aangebracht:

„ISSUED RETROSPECTIVELY”.

5.

De in lid 4 bedoelde aantekening wordt aangebracht in vak 7 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

Artikel 18. Afgifte van een duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 kan de exporteur de douaneautoriteiten die het certificaat hebben afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.

2.

Op het aldus afgegeven duplicaat wordt in de Engelse taal de volgende vermelding aangebracht:

„DUPLICATE”.

3.

De in lid 2 bedoelde vermelding wordt aangebracht in vak 7 van het duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

4.

Het duplicaat draagt dezelfde datum van afgifte als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 en is vanaf die datum geldig.

Artikel 19. Afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong

Voor producten van oorsprong die in een partij onder toezicht van een douanekantoor zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van oorsprong bij verzending van deze producten of van een gedeelte daarvan naar een andere plaats binnen die partij door een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden vervangen. Dergelijke certificaten worden afgegeven door het douanekantoor dat toezicht houdt op de producten.

Artikel 20. Gescheiden boekhouding
1.

Wanneer het met aanzienlijke kosten of moeilijkheden gepaard gaat om afzonderlijke voorraden aan te houden van identieke en onderling verwisselbare materialen die van oorsprong en die niet van oorsprong zijn, kunnen de douaneautoriteiten, op schriftelijk verzoek van de betrokkenen, toestaan dat voor het beheer van deze voorraden de methode van de gescheiden boekhouding (hierna „methode” genoemd) wordt gebruikt.

2.

Met behulp van de methode moet het mogelijk zijn dat in een bepaalde referentieperiode eenzelfde aantal als van oorsprong te beschouwen producten wordt verkregen als verkregen zou zijn indien de voorraden fysiek waren gescheiden.

3.

De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de in lid 1 bedoelde vergunning afhankelijk stellen van passend geachte voorwaarden.

4.

De methode wordt toegepast en de toepassing daarvan wordt geregistreerd op basis van de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen die van toepassing zijn in het land waar het product was vervaardigd.

5.

Het bedrijf dat de methode toepast, kan bewijzen van de oorsprong afgeven of aanvragen, al naargelang van het geval, voor de hoeveelheid producten die als van oorsprong kunnen worden beschouwd. Het bedrijf dat de methode toepast, verstrekt op verzoek van de douaneautoriteiten een verklaring over de wijze waarop de hoeveelheden zijn beheerd.

6.

De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning en kunnen deze steeds intrekken wanneer de vergunninghouder deze niet correct gebruikt of niet aan een van de andere in dit protocol omschreven voorwaarden voldoet.

Artikel 21. Voorwaarden voor het opstellen van een oorsprongsverklaring
1.

De in artikel 15, lid 1, onder b), bedoelde oorsprongsverklaring kan worden opgesteld:

  • a. door een toegelaten exporteur in de zin van artikel 22, of of
  • b. voor zendingen bestaande uit een of meer colli met producten van oorsprong waarvan de totale waarde niet meer dan 6 000 EUR bedraagt, door elke exporteur.
2.

Onverminderd lid 3, kan een oorsprongsverklaring worden opgesteld indien de producten als van oorsprong uit de Europese Unie of uit de Republiek Moldavië kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen.

3.

De exporteur die een oorsprongsverklaring opstelt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten van de partij van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

De oorsprongsverklaring, waarvan de tekst in bijlage IV bij dit protocol is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in die bijlage opgenomen taalversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de verklaring met de hand wordt geschreven, moet dit met inkt en in blokletters geschieden.

5.

Oorsprongsverklaringen worden door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 22 behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten van de partij van uitvoer een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle oorsprongsverklaringen waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze met de hand had ondertekend.

6.

Een oorsprongsverklaring kan door de exporteur worden opgesteld bij of na de uitvoer van de producten waarop zij betrekking heeft, maar moet uiterlijk twee jaar na de invoer van de producten waarop zij betrekking heeft in het land van invoer worden aangeboden.

Artikel 22. Toegelaten exporteur
1.

De douaneautoriteiten van de partij van uitvoer kunnen een exporteur (hierna „toegelaten exporteur” genoemd) die veelvuldig producten verzendt overeenkomstig dit protocol, vergunning verlenen oorsprongsverklaringen op te stellen, ongeacht de waarde van de betrokken producten. Een exporteur die een dergelijke vergunning aanvraagt, moet ten genoegen van de douaneautoriteiten alle waarborgen bieden die nodig zijn voor de controle op de oorsprongsstatus van de producten en de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.

2.

De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van alle voorwaarden die zij dienstig achten.

3.

De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een vergunningnummer toe, dat op de oorsprongsverklaringen moet worden vermeld.

4.

De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur.

5.

De douaneautoriteiten kunnen de vergunning te allen tijde intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet langer de in lid1 bedoelde garanties biedt, niet meer aan de in lid2 bedoelde voorwaarden voldoet of de vergunning niet op de juiste wijze gebruikt.

Artikel 23. Geldigheid van het bewijs van oorsprong
1.

Een bewijs van oorsprong is vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer vier maanden geldig en moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer.

2.

Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde uiterlijke datum bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van buitengewone omstandigheden.

3.

In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van de partij van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden wanneer de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

Artikel 24. Overlegging van het bewijs van oorsprong

Bewijzen van oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Deze douaneautoriteiten kunnen eisen dat het bewijs van oorsprong wordt vertaald en dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van deze overeenkomst voldoen.

Artikel 25. Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2, onder a), van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XVI of XVII of de posten 7308 of 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt bij de invoer van de eerste deelzending een enkel bewijs van oorsprong voor deze producten bij de douaneautoriteiten ingediend.

Artikel 26. Vrijstelling van het bewijs van oorsprong
1.

Producten die in kleine colli door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong behoeft te worden overgelegd, voor zover deze producten niet als handelsgoederen worden ingevoerd en bij hun aangifte verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier CN22/CN23 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

2.

Invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvanger of de reiziger of de leden van diens gezin, worden niet als invoer van handelsgoederen aangemerkt indien noch de aard, noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijst.

3.

Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan 500 EUR voor kleine colli of 1 200 EUR voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 27. Bewijsstukken

De in artikel 16, lid 3, en artikel 21, lid 3, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten die door een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een oorsprongsverklaring worden gedekt, als producten van oorsprong uit een partij kunnen worden aangemerkt en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:

  • a. een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur of leverancier, van de door deze uitgevoerde be- of verwerkingen om de betrokken goederen te verkrijgen;
  • b. in de desbetreffende partij afgegeven of opgestelde en in overeenstemming met het interne recht van die partij gebruikte documenten waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt;
  • c. in de desbetreffende partij afgegeven of opgestelde en volgens het interne recht van die partij gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking van materialen in die Partij blijkt;
  • d. overeenkomstig dit protocol in de desbetreffende partij afgegeven of opgestelde certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of oorsprongsverklaringen waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt;
  • e. passende bewijsstukken inzake be- of verwerking buiten de desbetreffende partij overeenkomstig artikel 11, waaruit blijkt dat aan de eisen van dat artikel is voldaan.
Artikel 28. Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken
1.

Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, bewaren de in artikel 16, lid 3, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

2.

Exporteurs die een oorsprongsverklaring opstellen, bewaren een kopie van deze oorsprongsverklaring alsmede de in artikel 21, lid 3, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

3.

De douaneautoriteiten van de partij van uitvoer die een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 afgeven, bewaren het in artikel 16, lid 2, bedoelde aanvraagformulier gedurende ten minste drie jaar.

4.

De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de oorsprongsverklaringen die bij hen worden ingediend gedurende ten minste drie jaar.

Artikel 29. Verschillen en vormfouten
1.

Geringe verschillen tussen de gegevens op het bewijs van oorsprong en die op het document dat die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij het douanekantoor wordt ingediend, maken het bewijs van oorsprong niet automatisch ongeldig indien blijkt dat dit document wel degelijk met de aangebrachte producten overeenstemt.

2.

Kennelijke vormfouten, zoals typefouten op een bewijs van oorsprong, mogen niet tot weigering van dit document leiden indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

Artikel 30. In euro uitgedrukte bedragen
1.

Voor de toepassing van artikel 21, lid 1, onder b), en artikel 26, lid 3, wordt, wanneer de producten gefactureerd zijn in een andere valuta dan de euro, de tegenwaarde van de in euro uitgedrukte bedragen in de nationale valuta's van de partijen jaarlijks door elk van de betrokken landen vastgesteld.

2.

Artikel 21, lid 1, onder b), en artikel 26, lid 3, zijn van toepassing op zendingen op basis van de valuta waarin de factuur is opgesteld, overeenkomstig het bedrag dat door het betrokken land is vastgesteld.

3.

De in een bepaalde nationale valuta te gebruiken bedragen zijn de tegenwaarde in die valuta van de in euro uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van oktober. De bedragen worden de Europese Commissie uiterlijk op 15 oktober meegedeeld en zijn van toepassing vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar. De Europese Commissie stelt alle betrokken landen in kennis van de desbetreffende bedragen.

4.

Een land mag het bedrag dat het resultaat is van de omrekening in zijn nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag naar boven of beneden afronden. Het afgeronde bedrag mag niet meer dan vijf procent afwijken van het bedrag dat het resultaat is van de omrekening. Een land mag de tegenwaarde in zijn nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag ongewijzigd handhaven indien bij de omrekening van dat bedrag, ten tijde van de in lid 3 bedoelde jaarlijkse aanpassing, vóór afronding, een stijging van minder dan 15 % van die tegenwaarde wordt verkregen. De tegenwaarde in nationale valuta kan ongewijzigd blijven indien de omrekening tot een daling van de tegenwaarde leidt.

5.

De in euro uitgedrukte bedragen worden op verzoek van een partij door het subcomité Douane herzien. Bij deze herziening onderzoekt het subcomité Douane of het wenselijk is de effecten van de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Het kan in dat verband besluiten de in euro uitgedrukte bedragen te wijzigen.

TITEL VI. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 31. Administratieve samenwerking
1.

De douaneautoriteiten van de partijen doen elkaar via de Europese Commissie de afdrukken van de stempels toekomen die in hun douanekantoren voor de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden gebruikt, alsmede de adressen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de controle van die certificaten en van oorsprongsverklaringen.

2.

Met het oog op de correcte toepassing van dit protocol verlenen de partijen elkaar via de bevoegde douaneautoriteiten bijstand bij de controle van de echtheid van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of de oorsprongsverklaringen en de juistheid van de in die documenten verstrekte inlichtingen.

Artikel 32. Controle van de bewijzen van oorsprong
1.

De bewijzen van oorsprong worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.

2.

Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, de factuur, indien deze werd voorgelegd, en de oorsprongsverklaring of een kopie van deze documenten, terug aan de douaneautoriteiten van de partij van uitvoer, eventueel onder vermelding van de redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze controleaanvraag alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

3.

De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van de Partij van uitvoer. Met het oog hierop zijn deze gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

4.

Indien de douaneautoriteiten van de partij van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet aan de betrokken producten toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

5.

De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de documenten echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit een van beide Partijen kunnen worden beschouwd en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

6.

Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na de controleaanvraag geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord onvoldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd, de preferentiële behandeling niet toe, behoudens in buitengewone omstandigheden.

Artikel 33. Geschillenbeslechting
1.

Geschillen ten aanzien van de in artikel 32 van dit protocol voorziene controleprocedures die de douaneautoriteiten die om de controle verzoeken en de douaneautoriteiten die de controle moeten uitvoeren niet onderling kunnen regelen, worden voorgelegd aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst. De hoofdstukken 14 (Geschillenbeslechting) van Titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing.

2.

Andere geschillen dan die ten aanzien van de in artikel 32 van dit protocol voorziene controleprocedures die zich voordoen in verband met de interpretatie van dit protocol, worden voorgelegd aan het subcomité Douane. Een geschillenbeslechtingsprocedure uit hoofde van hoofdstuk 14 (Geschillenbeslechting) van Titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst mag enkel worden ingeleid, indien het subcomité Douane er niet in is geslaagd het geschil binnen zes maanden na de datum waarop het geschil aan hem werd voorgelegd, tot een oplossing te brengen.

3.

Op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer is in alle gevallen de wetgeving van dat land van toepassing.

Artikel 34. Sancties

Er worden sancties getroffen tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel een preferentiële behandeling voor producten te verkrijgen.

Artikel 35. Vrije zones
1.

De partijen nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een bewijs van oorsprong worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een op hun grondgebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke gebruikelijk zijn om ze in goede staat te bewaren.

2.

In afwijking van lid 1 geven de betrokken autoriteiten, wanneer producten van oorsprong uit een partij onder geleide van een bewijs van oorsprong in een vrije zone worden ingevoerd en er een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 af, mits de be- of verwerking in overeenstemming is met de bepalingen van dit protocol.

TITEL VII. CEUTA EN MELILLA

Artikel 36. Toepassing van dit protocol
1.

De term „Europese Unie” omvat niet Ceuta en Melilla.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)